Kitabı oxu: «Cleopatra: historische roman van George Ebers»

Şrift:

Georg Ebers

Cleopatra: historische roman van George Ebers


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066316761

Inhoudsopgave

VOORREDE.

EERSTE HOOFDSTUK.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DERDE HOOFDSTUK.

VIERDE HOOFDSTUK.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ZESDE HOOFDSTUK.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

NEGENDE HOOFDSTUK.

TIENDE HOOFDSTUK.

ELFDE HOOFDSTUK.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VOORREDE.

Inhoudsopgave

Wanneer men somtijds wilde beweren dat de sentimenteele liefde van onzen tijd aan de Heidensche oudheid vreemd is geweest, dan wees de schrijver van dit boek in de eerste plaats op het minnend paar Antonius en Cleopatra, en op het testament van dien krachtigen Romeinschen veldheer. Hij had daarin den wensch geuit om, waar hij ook zou sterven, begraven te worden naast de vrouw, die hem tot het einde toe zoo dierbaar was. Aan dat verlangen werd voldaan, en het innig verbonden leven dezer twee zeer buitengewone menschen, dat aan de geschiedenis behoort, heeft reeds meer dan eens een welkome stof geleverd aan kunst en poëzie.

Vooral ten opzichte van Cleopatra, is hun beider bestaan gehuld in een weefsel van romantiek, die zeer nabij komt aan de sprookjeswereld. Zelfs haar ergste vijanden bewonderen hare schoonheid, en de zeldzame geestesgaven die zij heeft bezeten. Daarentegen behoort haar karakter tot de moeilijkste raadsels der zielkunde. De slaafsche geest der Romeinsche dichters en schrijvers, die niet openlijk konden of wilden erkennen welk een schitterend licht er uitging van de vijandin van hun Staat en Keizer, hebben dat vraagstuk verklaard ten haren nadeele. Alles wat Aegyptisch heette was bij de Romeinen gehaat of verdacht, en zij konden aan deze vrouw, die te huis behoorde aan den Nijl, moeilijk vergeven, dat zij eenmaal een Julius Caesar aan hare voeten had gezien, en Marcus Antonius aan zich had onderworpen. Andere geschiedschrijvers, met Plutarchus aan hun hoofd, hebben het raadsel eerlijker opgelost, meermalen zelfs ten gunste van Cleopatra.

Het was voor den schrijver een aangename taak de persoon dier ongelukkige Koningin nader te leeren kennen, en uit het groote aantal der bestaande oorkonden allereerst voor zich zelven een menschelijk beeld te scheppen, waarin hij zelf gelooven kon. Jaren zijn voorbijgegaan eer hij daarmede gereed was; doch nu, terwijl hij zijn voltooide schilderij beziet, vreest hij dat misschien menigeen bezwaar zal hebben tegen de helderheid zijner kleuren. Toch zou het den maker geen moeite kosten, iedere tint die hij gebruikt heeft, te rechtvaardigen. Wanneer hij, onder het werken, zijn heldin leerde liefhebben, dan was dat, omdat hoe duidelijker deze merkwaardige vrouwen-figuur vóór hem stond, hoe levendiger hij gevoelde en helderder inzag, dat zij niet alleen medelijden en bewondering verdiende maar ook, met al hare zwakheden en gebreken, die toewijding en liefde, die zij bij zoovelen heeft gewekt.

Niemand minder dan Horatius heeft Cleopatra dan ook genoemd: „non humilis mulier“,—een vrouw, die tot geen laagheid in staat was. Dit woord verkrijgt echter zijn grootste beteekenis, wanneer men weet dat het prijkt in de hymne, die de dichter heeft gewijd aan Octavianus en zijne overwinning over Antonius en Cleopatra. Het was stoutmoedig van hem, in zulk een lied de vijandin van den overwinnaar met zooveel lof te vermelden. Toch heeft hij dat gewaagd, en zijn woord, dat men een daad mag noemen, behoort tot de schoonste eeretitels der veel miskende vrouw.

Het had helaas een minder krachtige uitwerking dan het oordeel van Dio, die meermalen de mededeelingen van Plutarchus verminkt, en zich dan ook voornamelijk aansluit bij de comedie of de volksverhalen, die niet durfden wagen te Rome de Aegyptische Vorstin in een gunstig daglicht te plaatsen.

Billijker dan de meeste Romeinsche berichtgevers toont zich de Griek Plutarchus, die, ook ten opzichte van den tijd, onze heldin naderbij kwam dan Dio. Zijn grootvader had zelfs nog allerlei dingen omtrent Antonius en Cleopatra gehoord van zijn landgenoot Philotas, die gedurende de glansperiode van het beroemde paar te Alexandrië, in die stad als student verblijf had gehouden. Van alle schrijvers die van de Koningin melding maken, is hij de vertrouwbaarste, doch ook van zijne verzekeringen moet met omzichtigheid gebruik worden gemaakt. Wij hebben ons, ook in de bijzonderheden, gehouden aan de aanschouwelijke en duidelijke beschrijving die Plutarchus geeft van de laatste levensdagen onzer heldin. Zij draagt geheel den stempel der waarheid, en het zou willekeur geweest zijn daarvan af te wijken.

De Aegyptische bronnen bevatten helaas niets, wat van eenig belang is voor de ware schatting van Cleopatra's karakter, ofschoon wij afbeeldingen bezitten van de Koningin alleen, of met haar zoon Caesarion. Eerst in den allerlaatsten tijd (1892) werd te Alexandrië een fragment gevonden van een kolossaal standbeeld van twee personen, dat zeer waarschijnlijk Cleopatra voorstelt hand aan hand met Antonius. Het bovenste gedeelte der vrouwen-figuur is tamelijk goed bewaard gebleven, en vertoont een bevallig gevormd, jeugdig vrouwen gelaat. De mannen-figuur is zeker vernietigd, toen op bevel van Octavianus, alle standbeelden van Antonius vernield moesten worden. Aan Dr. Walther te Alexandrië zijn wij een goede photographische afbeelding van dit merkwaardig beeld verschuldigd. Behalve dat, zijn er betrekkelijk weinig werken der beeldende kunst overig, de munten medegerekend, waaruit wij het uiterlijk onzer heldin konden leeren kennen.

Hoewel het den dichter vóór alles moet te doen zijn om zijn werk tot een kunstwerk te maken, zoo gevoelt hij daarbij toch den plicht om te streven naar getrouwheid. Evenals het beeld der Koningin moet overeenkomen met hare persoonlijkheid, zoo moet ook het leven, dat in dit boek wordt weergegeven, in iederen trek beantwoorden aan de beschaving van het tijdperk dat geschilderd wordt. Om dit doel te bereiken hebben we onze heldin geplaatst in het midden van een wijden kring van menschen, op wie zij invloed heeft, waardoor het mogelijk werd hare persoonlijkheid voor te stellen in de meest verschillende verhoudingen met anderen.

Mocht het den schrijver gelukt zijn het beeld der merkwaardige vrouw, die zoo verschillend beoordeeld is geworden, niet minder „levend” en geloofwaardig voor de oogen zijner lezers te stellen dan het zich heeft afgedrukt in zijn eigen geest, dan zou hij met voldoening mogen terug zien op de uren, die hij aan dit boek heeft gewijd.

GEORGE EBERS.

EERSTE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Sinds lang had de bouwmeester Gorgias van Alexandrië geleerd de hitte der Aegyptische middagzon te weerstaan. Ofschoon hij nog geen dertig jaren telde, was hij het geweest die, eerst als medehelper van zijn vader, en na diens dood als zijn opvolger, de groote gebouwen opgericht had, waarmede Cleopatra de stad had verrijkt. Ook nu had zij hem weder een nieuwe taak opgedragen, en toch had hij zich, nog vóór het rustuur hierheen begeven, om aan den wensch te voldoen van een jongeling, die nog nauwelijks den knapenleeftijd ontwassen was.

Dit offer gold dan ook niemand minder dan Caesarion, den zoon van koningin Cleopatra en den grooten Julius Caesar. Antonius had hem met den trotschen naam van »Koning der koningen” vereerd—maar daarom was het hem toch in geenen deele vergund te bevelen of heerschappij te voeren; integendeel, zijne moeder hield hem geheel van de regeering buitengesloten, en hij zelf verlangde evenmin daarnaar. Zoo had dus Gorgias, indien hij gewild had, aan zijn verzoek geen gehoor behoeven te geven, en dit te meer, daar het hem duidelijk bleek, dat Caesarion hem in het geheim wilde spreken. De bouwmeester kon in de verte niet vermoeden wat hij hem wilde mededeelen, in ieder geval zou het onderhoud niet lang kunnen duren, want de vloot, waarmede de koningin en Marcus Antonius naar Griekenland overgestoken waren, moest nu reeds die van Octavianus hebben ontmoet, en zoo was waarschijnlijk de slag geleverd, die het lot der wereld beslissen zou. Gorgias geloofde dat Antonius en de koningin overwinnaars zouden zijn, en hij wenschte dit het doorluchtig paar van harte toe. Zelfs moest hij handelen alsof de uitslag van den strijd reeds verzekerd was, want hij moest de toebereidselen tot de plechtige ontvangst der overwinnaars leiden, voor zoover die tot zijn vak behoorden, en nog heden bepalen waar het kolossale beeld moest opgericht worden, dat Antonius voorstelde met zijne koninklijke geliefde aan de hand.

Mardion, een eunuch, dien Cleopatra in hare afwezigheid als Regent had aangesteld, en de groot-zegelbewaarder Zeno, die zelden in gevoelen met hem verschilde, wenschten het op een andere plaats te zien. Dit had echter tegen, dat dan een stuk grond, dat privaat eigendom was, daarvoor gebruikt moest worden, en hieruit konden moeilijkheden ontstaan, die Gorgias afschrikten. Maar ook als kunstenaar kon hij met het plan van Mardion niet ingenomen zijn, want op den grond van Didymus zou het beeld wel aan de zee staan, zooals de Regent en de zegelbewaarder vooral wenschten, maar het zou daar geen achtergrond hebben. In ieder geval kon de bouwmeester zich nu het verzoek van Caesarion ten nutte maken om van de plaats der bijeenkomst, de hooge trappen van den Isistempel, het Bruchium te overzien, en een geschikte plek voor zijn beeld uit te zoeken. Er was hem veel aan gelegen die te vinden, want de meester die dit kunstwerk had vervaardigd, was zijn vriend geweest en had kort na de voltooiing er van de oogen gesloten.

Het heiligdom, van waaruit Gorgias zijn onderzoekenden blik in het rond liet gaan, lag op een der schoonste gedeelten van het Bruchium. In deze wijk van Alexandrië stonden de koninklijke paleizen met alles wat daarbij behoorde, de prachtigste tempels (het Serapeum, dat in een ander deel der stad lag, niet medegerekend) en de grootste schouwburgen der stad. Hier riep het Forum den raad der Macedonische burgers tot hunne vergaderingen bijeen, en bood het Museum een tehuis aan de geleerden. Het kleine plein, dat den Isistempel ten oosten begrensde, werd gewoonlijk den Muzenhoek genoemd, ter eere van de marmeren vrouwenbeelden vóór de poort van het huis, dat met zijn grooten tuin de noordzijde, naar de zee toe afsloot, en dat aan den ouden algemeen geachten geleerde Didymus behoorde, die ook lid van het Museum was.

Het was een warme dag geweest, en het voorhof van den Isistempel bood den bouwmeester een welkome schaduw. Dit heiligdom rustte op een hoogen onderbouw, en een trap van vele treden leidde naar het inwendige gedeelte. Van hieruit had Gorgias een ruim vergezicht. De meeste gebouwen die hij hier zag waren uit den tijd van Alexander en van zijn opvolgers uit het geslacht der Ptolemaeërs, maar enkele, en dat niet de slechtste, waren zijn eigen werk of dat van zijn vader. Die aanblik deed zijn hart kloppen, en vervulde hem met geestdrift en vreugde. Hij had Rome gezien en menige andere stad, die tot de allerschoonste en volkrijkste werden gerekend, maar nergens was zulk een tal van heerlijke kunstwerken bijeen als in zijne vaderstad. »Al wilden de goden zelve beproeven,” dacht hij, »om voor de bewoners van den Olympus een woning te bouwen, die met hunne grootheid en schoonheid in overeenstemming was, toch zou die niet veel rijker kunnen zijn, noch meer aan de behoefte van het kunstenaars gemoed voldoen, dan de gebouwen aan het strand van zulk een zee.” Daarbij hield hij de hand boven de oogen, en de man die anders al zijn oplettendheid wijdde aan de kleine bijzonderheden van het werk dat hem bezighield, gunde zich nu eens het genot van den indruk dien het geheel op hem maakte, en waartoe hij zelf zooveel bijgedragen had. En terwijl hij met zijn kennersoog aan iederen tempel en zuilengang de harmonie en volmaaktheid der vormen bewonderde, haalde hij diep adem en bekende bij zich zelven, dat zijne kunst toch de schoonste van allen was, en dat niets haalde bij het oprichten van koninklijke gebouwen.

Zeker hadden de vorsten, die sinds driehonderd jaren in deze omgeving al die paleizen hadden doen verrijzen, hetzelfde gedacht. Zij hadden daardoor zoowel de grootte van hunne macht en hun rijkdom, als hun eerbied voor de goden en de liefde voor het schoone en de kunst getoond. Geen enkel koningsgeslacht op aarde kon zich beroemen op een prachtiger woonplaats. Ook dit erkende de bouwmeester, terwijl het donkerblauw van de zee en den hemel zich verbond met het licht der zon, om alles wat kunst en vernuft van den mensch hier te voorschijn geroepen had, in zijn volle schoonheid te doen uitkomen. Het wachten, dat den werkzamen man dikwijls moeilijk viel, werd hier op dit uur tot een genoegen. De stralen uit de diadeem der koningin de Zon, overgoten naar alle zijden de witmarmeren zuilen met een schitterend licht, en spiegelden zich op het vlak van het gepolijst graniet der obelisken, en de niet minder gladde wanden van wit, geel en groen marmer, syeniet en bruin gevlekt porfier, aan heiligdommen en paleizen. Het was alsof zij de bonte mozaïkfiguren, die den grond bedekten, overal waar geen rijweg dien doorsneed, noch boomen groeiden, wilden doen ineensmelten, terwijl het blinkend metaal of het glazuur der tichels op de daken ze schitterend terugkaatste. Hier gleden die stralen langs de metalen sieraden, dáár schenen zij in glans te wedijveren met de vergulde koepels, en weer verder gaven zij aan het fraai groen der met platina overtrokken bronzen oppervlakte, den gloed van smaragd. De blauw en rood geverfde deelen van den marmeren tempel werden in lazuursteen en koraal, en de vergulde in topaas veranderd. De afbeeldingen op den ingelegden vloer en aan de binnenmuren der zuilengangen staken nu nog duidelijker dan anders af bij de witte marmerblokken er om heen. Daardoor boden deze in plaats van schitterende eentonigheid, nu het oog een aangename afwisseling aan.

Hoe werd ook de kleurenpracht van vlaggen en wimpels, die naast de obelisken en pylonen, van triomfbogen, tempels en paleizen waaiden, door het licht der avondzon verhoogd! Doch schooner nog dan het kostbare purperblauw der vlag op het paleis, dat op het schiereiland Lochias stond, en waar nu de kinderen van Cleopatra woonden, was de kleur van de zee, die dicht bij de kust het donkerst, verderop steeds lichter blauw werd, doorspeeld met bewegelijke strepen van wit en helder groen.

Wanneer Gorgias van een schoon natuurtooneel of kunstwerk genoot, dan was hij gewoon den indruk, dien dat maakte, ongestoord op zijne ziel te laten inwerken, en daarbij alles om zich heen te vergeten. Toch had hij ditmaal het doel niet uit het oog verloren, waarvoor hij hier gekomen was. Neen, de tuin van Didymus was toch niet de rechte plaats voor het laatste werk van zijn vriend!

Terwijl hij de hooge platanen, sykomoren en mimosa's, die het oude huis van den geleerde omgaven, nog eens onderzoekend bezag, kwam er op het stille plein daar beneden op eens leven. Van alle zijden stroomde het volk voor Didymus' huis bijeen, alsof daar wat bijzonders was te zien. Wat zouden die lieden toch verlangen van den teruggetrokken man? Hij keek oplettend toe, maar keerde zich weldra weder om, daar op eens zijn eigen naam hem van beneden in de ooren klonk.

Een wonderlijke optocht naderde den tempel. Het was een troepje gewapenden, voorafgegaan door een breedgeschouderden kleinen man, wiens groot zwaargelokt hoofd door een dubbelen lauwerkrans was gesierd, en die in een levendig gesprek gewikkeld was met iemand die veel jonger scheen. Vóór de trap van den tempel was hij met zijn gevolg blijven staan om den bouwmeester te begroeten, en deze riep hem van boven af eenige vriendelijke woorden toe. Nu maakte de bekranste zich gereed om de trap op naar hem toe te gaan, maar zijn metgezel hield hem daarvan terug, en na een korte woordenwisseling gaf hij den jongen man de hand, wierp het zware hoofd in den nek, en trok, trotsch als een pauw, met zijn gevolg verder. De ander zag hem schouderophalend na, en riep Gorgias vragend toe, wat hij daarboven van de godin begeerde.

»Uw bijzijn,” riep de bouwmeester vroolijk terug.

»Dan wil Isis u heden hare gunst bewijzen,” luidde het wederwoord, en een oogenblik later schudden de beide jonge mannen elkander hartelijk de hand. Beiden waren welgevormd en groot; beider gelaat getuigde van hunne Grieksche afkomst, en men had hen bijna voor broeders kunnen houden, indien niet aan den bouwmeester alles krachtiger en minder schoon gevormd geweest was dan aan den ander, dien hij »Dion” en zijn vriend noemde.

Deze begon dadelijk den spot te drijven met den bekranste die hem zooeven verlaten had, en die Anaxenor heette. Hij was een beroemd citerspeler, wien Antonius de inkomsten van vier steden had geschonken en daarbij de vergunning om een lijfwacht te houden. Gorgias deed met zijne zware stem lustig mee, maar weerhield hem ook nu en dan door een verstandige opmerking om al te ver te gaan. Het bleek hieruit duidelijk hoe verschillend de beide vrienden van karakter waren, ofschoon van één leeftijd en van eenzelfde afkomst. Wel bezaten beiden een zelfvertrouwen, dat voor hunne jaren ongewoon was, doch de bouwmeester had zich dat door arbeid en verdienste verworven, terwijl Dion het aan rijke bezittingen en een onafhankelijke positie te danken had. Als men niet wist dat Dion in den raad der stad reeds meer dan eens door het gewicht van zijn weldoordachte en goed uitgesproken redevoeringen bij een besluit den doorslag gegeven had, dan zou men hem licht voor een van die zorgelooze, wereldsche rijke lieden gehouden hebben, waaraan het onder de jeugd van Alexandrië toenmaals niet ontbrak. Aan den bouwmeester echter sprak alles, van den blik zijner oogen af tot aan het grove leder der sandalen toe, van een ernstigen geest en de bescheiden degelijkheid van zijn geheele persoon.

Zij hadden vriendschap gesloten toen Gorgias voor Dion een nieuw paleis had gebouwd, in de plaats van het oude, waar zijn familie had gewoond. Bij zulk een langdurigen omgang, vooral wanneer het niet enkel om voorschrift en uitvoering is te doen, komt men licht nader tot elkander. Daarenboven was in dit geval hij, die de opdracht deed, slechts de wenschende en raadplegende, de kunstenaar daarentegen de hartelijke vriend geweest, die zijn beste krachten inspant om tot werkelijkheid te maken wat den ander als het hoogste voor oogen staat. Op deze wijze hadden zij elkander leeren waardeeren, en eindelijk was de een den ander onmisbaar geworden. Evenals de bouwmeester in den jongen aanzienlijken man veel had ontdekt dat hij niet vermoed had, zoo was het ook voor dezen een verrassing geweest in den ernstigen kunstenaar een geschikten makker te vinden, dien het—en dat maakte hem zijn vriend nog dierbaarder—geenszins aan kleine fouten ontbrak.

Zoodra het paleis tot tevredenheid van Dion en als een sieraad der stad was voltooid, verkreeg de vriendschap der jonge lieden een nieuwe gedaante, en het zou moeilijk zijn te zeggen, wien van de twee zij het meeste waard was.

Zooeven was Dion door den citerspeler aangehouden, omdat deze hem naar bevestiging vroeg van het bericht dat de vereenigde strijdmacht van Antonius en Cleopatra een groote overwinning had behaald, te water en te land.

In het eethuis te Kanopus, waar hij zijn ontbijt had gebruikt, waren allen reeds vol geweest van de blijde tijding, en er was veel wijn gedronken op het welzijn der overwinnaars en den ondergang van den vijand.

»Nu is het,” riep Dion, »dezer dagen niet alleen de onnoozele citerspeler die mij voor alwetend houdt, maar ook menig verstandig mensch. En dat waarom? Omdat ik de neef ben van den zegelbewaarder Zeno, die zelf wanhopig is, omdat hij niets weet, zelfs het allergeringste niet.”

»Maar hij staat ook het dichtst bij den Regent,” merkte Gorgias op, »en zoo iemand, dan moet hij toch hooren wat er met de vloot is gebeurd.”

»Zegt gij dat ook al!” klaagde de ander. »Als ik zoo vaak op een steiger of muur, hoog boven den grond moest staan als gij, architect—wel, bij den Hond, dan zou het mij niet zijn ontgaan uit welken hoek de wind waait. Nu reeds sinds veertien dagen blaast hij uit het zuiden en houd de schepen tegen, die van het noorden komen. De Regent weet niets, in het geheel niets, en mijn oom natuurlijk even weinig. En wanneer zij al iets wisten, zouden zij wel zoo wijs zijn om niet ook mijne kennis daarmede te verrijken.”

»Er zijn toch ook andere geruchten,” zeide de bouwmeester bedenkelijk. »Als ik in Mardions plaats was...”

»Zeg de goden dank, dat gij het niet zijt,” lachte de ander. »Hij zit in de zorgen, als een visch in zijn schubben. En die eene, de grootste van allen... daaraan brandde zich gisteren de jonge onnoozele Antyllus, toen hij bij Barine was. Arme knaap! Te huis kreeg hij zeker nog heel wat daarover te hooren van zijn gouverneur.”

»Gij meent zijne aanmerking op de tegenwoordigheid der koningin bij de vloot?”

»Stil!” viel Dion hem in de rede, en legde den vinger op zijn mond; want vele mannen en vrouwen kwamen de trap van den tempel op. Verscheidene droegen bloemen en koeken in de hand, en op het gelaat van de meesten lag blijde ontroering. De tijding van een overwinning was ook hen ter oore gekomen, en nu wenschten zij een offer te brengen aan de godin, die Cleopatra, »de nieuwe Isis”, boven alle andere begunstigde.

In het voorhof van het heiligdom heerschte groote levendigheid. Men hoorde het gekletter der ringen aan het sistrum1), en het halfluid gezang der priesters. Het stille voorportaal van het kleine heiligdom der godin, dat hier in de Grieksche paleizenwijk even weinig bezocht werd als de groote Isistempel in de Rhakotis overvol placht te zijn, was nu de allerongeschikste plek geworden, waar mannen, die de leiders der staatszaken zoo van nabij kenden, elkander rustig konden spreken. Het gezegde van Antyllus, de negentienjarigen zoon van Antonius, dat hem ontsnapt was in het huis van Barine, een jonge, schoone vrouw, die alle aanzienlijke jonge lieden van Alexandrië tot zich trok, was des te onvoorzichtiger, omdat het zoo geheel overeenkwam met het gevoelen der meer verstandige menschen. De lichtzinnige jongeling koesterde eene dwepende vereering voor zijn vader, maar Cleopatra, die door de Aegyptenaren als diens wettige gemalin werd beschouwd, was niet zijne moeder. Dat was Fulvia, de eerste vrouw zijns vaders geweest; daarom gevoelde hij zich vóór alles Romein, en zou duizendmaal liever aan de Tiber gewoond hebben dan hier. Daarbij was het een uitgemaakte zaak, die de beste vrienden zijns vaders niet verhelen konden, dat de aanwezigheid der koningin bij het leger Antonius hinderde, en afbreuk moest doen aan den koenen moed van den veldheer. Dat had Antyllus met de onvoorzichtige openhartigheid, die hij van zijn vader had, uitgesproken ten aanhoore van alle gasten van Barine, en wel in een vorm, die te Alexandrië, waar men zoo iets aardig vond, maar al te snel verbreid werd.

Tot de geringe lieden die in den tempel bijeengebracht waren door het bericht der overwinning, drong iets dergelijks slechts langzaam door, maar menigeen kende zeker den zoogenaamden koning Cæsarion, dien de bouwmeester hier verwachtte. Daarom vond hij het geraden den zoon der koningin beneden aan de trap te ontvangen. Zoo daalden dan beiden af naar het plein, doch de talrijke menigte die hier den tempel binnenkwam en daar voor het huis van den geleerde bijeenstroomde, maakte hun het heen en weer gaan zeer moeilijk. Zij waren beiden verlangend om te weten of het gerucht, dat men Didymus zijn tuin wilde ontnemen, om er het standbeeld te plaatsen, zich reeds had verbreid, en al spoedig vernamen zij, dat dit werkelijk zoo was. Men zeide zelfs dat ook het huis moest worden gesloopt, en dat wel binnen enkele uren. Natuurlijk verhief zich daartegen een felle tegenstand, maar een lange magere man scheen zich tot taak gesteld te hebben de overheid te verdedigen.

De beide vrienden kenden hem wel. Het was de Syriër Philostratus, een knap improvisator en volksredenaar die de slechtste zaken verdedigde en zijn gladde tong ter beschikking stelde van ieder, die hem goed betaalde. »Thans,” zeide Dion, »staat de schelm zeker in dienst van mijn oom. Het denkbeeld om het beeld daar ginds te plaatsen, is immers van hem afkomstig, en het zal moeilijk gaan hem van zoo iets af te brengen. Daarbij zijn hier zeker ook andere bedoelingen in het spel. Dat zij nu juist dien Philostratus hebben omgekocht! Wie weet of er niet iets met Barine achter steekt, die immers helaas met dien pleitbezorger gehuwd was, eer hij haar verstootte.”

»Verstootte!” viel Gorgias hem driftig in de rede. »Dat klinkt al te sterk. Het is waar, dat heeft hij gedaan, doch om hem zoover te brengen, offerde de beklagenswaardige vrouw de helft van het vermogen op, dat haar vader met zijn penseel had verdiend, en nog meer dan dat. Gij weet evengoed als ik dat het leven aan de zijde van dien ellendeling haar eindelijk onverdragelijk geworden was.”

»Gij hebt gelijk,” gaf Dion kalm ten antwoord. »Toen geheel Alexandrië bij haar Jamelos2) op het Adonisfeest van bewondering was vervuld, had zij den nietswaardigen levensgezel niet langer noodig.”

»Hoe kunt gij er een genoegen in vinden op de vrouw die gij gisteren nog zoo vlekkeloos noemdet, zoo bevallig, zoo eenig, nu zulk een schaduw te werpen?”

»Dat doe ik opdat het sterke licht, dat van haar uitgaat, u niet geheel verblinde. Ik weet hoe gevoelig gij zijt.”

»Spaar mij dan liever, in plaats van mij te prikkelen. Bovendien geeft uwe veronderstelling te denken. Barine is de kleindochter van den man, wien zij zijn huis willen afnemen, en de pleitbezorger wil het voor beide kanten goedmaken. Maar ik zal er tusschenbeide komen. Het is aan mij, de plaats voor het standbeeld te bepalen.”

»Aan u?” vroeg de ander. »Ja, als geen machtiger dan gij u vóór is. Ik wilde mijn oom al overreden, maar ook boven hem staat nog deze en gene. De koningin is weliswaar weg, maar Iras, wier bevelen ook niet in den wind gesproken zijn, zeide mij nog dezen morgen dat zij omtrent de plaatsing van het beeld hare eigen gedachten had.”

»Dus gij zijt het,” riep de bouwmeester uit, »die Philostratus hierheen hebt gebracht!”

»Ik?” vroeg de ander verbaasd.

»Ja, gij!” hield Gorgias vol. »Hebt gij mij niet zelf gezegd dat Iras, met wie gij als knaap hebt gespeeld, u nu lastig begon te worden, omdat zij al uwe schreden naging? En ook... gij zijt een trouw bezoeker van Barine, en zij trekt u zoo openlijk boven ons allen voor, dat Iras het licht gehoord kan hebben.”

»Als Argus honderd oogen heeft, zoo heeft de jaloerschheid er duizend,” gaf zijn vriend ten antwoord, »en toch verlang ik van Barine niets dan in dezen vervelenden tijd van wachten, in den avond een paar aangename uren. Het zij zoo! Iras—zoo denkt men—heeft gehoord dat de gevierde vrouw mij genegen is. Iras zelve is dat ook een weinig, en daarom juist heeft zij getracht de gunst van Philostratus te winnen. Gelooft gij dat zij zooveel moeite deed om de vrouw, die zich tusschen haar en mij plaatst, of ook om den ouden man, die het geluk of ongeluk heeft de grootvader van haar mededingster te zijn, kwaad te doen? Neen, neen. Dat zou al te laag zijn! En waarlijk, wanneer Iras Barine ten val wilde brengen, dan had zij daarvoor niet zulk een langen, listigen omweg behoeven te gaan. Bovendien is zij niet werkelijk boos. Of zou zij het toch zijn? Ik weet alleen, dat zij geen middelen schuwt, als het er om te doen is voor de koningin iets gedaan te krijgen, en verder, dat de uren in haar gezelschap bijzonder snel voorbijgaan. Ja, Iras, Iras.... ik spreek dien naam gaarne uit. En toch bemin ik haar niet, en zij, zij bemint allereerst zich zelve, en wat maar weinigen kunnen zeggen, een tweede nog meer. Wat geeft zij om de wereld, wat geeft zij om mij, vergeleken bij de koningin, de afgod van haar hart? Sedert die weg is, voelt zij zich als de verlaten Ariadne, als een jonge ree, die van haar moeder is afgedwaald. Maar wacht eens, misschien is zij toch er bij in 't spel; de koningin vertrouwt haar als eene zuster, als haar eigen dochter. Niemand weet wat zij en Charmion voor haar zijn. Zij heeten kamervrouwen maar eigenlijk zijn zij de hartsvriendinnen van hare gebiedster. Toen Cleopatra, bij het uitzeilen der vloot, Iras hier moest laten, daar zij toen aan koorts leed, droeg zij haar op voor de kinderen te zorgen. Ook voor die welke reeds een baard kregen, den »Koning der koningen” Cæsarion, wien zijn gouverneur voor iedere ongehoorzaamheid kastijdt, en voor den woesten knaap Antyllus, die de laatste avonden toegang verkreeg bij onze vriendin.”

»Zijn eigen vader, Antonius, heeft hem dien verschaft.”

»Juist, en Antyllus bracht weder Cæsarion bij haar. Dat hindert Iras, evenals alles wat de koningin verdriet kan doen. Ter wille van Cleopatra, die zij voor ergernissen sparen wil, zit Barine haar in den weg, en misschien haat zij haar ook een weinig ter wille van mij. Nu laat zij toe, dat den grootvader, dien Barine zoo liefheeft, iets aangedaan wordt, dat de verwende, onvoorzichtige vrouw zeker niet kalm opnemen kan, en dat haar prikkelen zal om een dwaasheid te begaan, die weder gelegenheid geven zal iets tegen haar te beproeven. Het is Iras zeker niet te doen om haar van het leven te berooven, maar misschien denkt zij aan verbanning of iets dergelijks. Zij kent de menschen evengoed als ik haar ken. Zij was in vroeger tijd mijn buurmeisje, dat ik menigmaal uit den boom heb moeten helpen, als het vlugge ding daarin geklauterd was.”

»Ik heb u zelf deze vermoedens aan de hand gedaan, maar toch geloof ik niet dat zij tot zulke kuiperijen in staat is,” zeide Gorgias ongeloovig.

»Wat ik van haar geloof?” viel de andere hem levendig in de rede. »Ik verplaats mij alleen maar in gedachte aan het hof, en in de ziel der vrouw, die daar medehelpt om zonneschijn en regen te maken. Gij laat, als bekwaam bouwmeester, eerst zuilen afronden en balken hakken, opdat die later het dak zullen dragen, waarop gij de aandacht vestigen wilt, wanneer de tijd daartoe gekomen is. Zij, en al degenen die aan het hof een woordje meespreken, denken het eerst aan het dak, en dan zoeken zij wat zij maar krijgen kunnen bijeen, om het in de hoogte te brengen en te steunen. Daartoe kunnen zelfs lijken dienen, verwoeste levens en gebroken harten. Al waar het op aankomt is, dat het dak zoo lang blijft staan, totdat de bouwmeester—de koningin—het ziet, en voor goed verklaart. Het andere.... maar zie eens, die wagen dáár brengt zeker.... gij wildet....”

Hier bleef hij steken, legde de hand op den arm van zijn vriend, en fluisterde hem haastig toe: »daar zit zeker Iras achter, en het is niet Antyllus, maar de zwaarmoedige knaap daarginds, voor wien zij werkt. Toen zij zooeven van het standbeeld sprak, vroeg zij in één adem naar hem, en of ik hem eergisteravond had gezien, en juist dien dag was hij bij Barine. De aanslag is stellig op haar gemunt, en Iras doet niets ten halve. Men vangt geen muizen als de val dicht is, en Iras heft haar kleine hand al op, om haar te openen.”

»Indien maar geen mannenhand haar tegenhoudt,” antwoordde de bouwmeester knorrig. Daarop ging hij het voertuig te gemoet en te gelijk den ouden man, die juist uitgestapt was, en die nu naar de beide vrienden toe kwam.

1) Geraasmakend muziekinstrument, bij den Isisdienst in gebruik.

2) Klaagzang.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Dion wilde zich bescheiden verwijderen, toen Cæsarions metgezel op hen toetrad en hen groette. Hij kende beiden goed, en verzocht daarom ook Dion, te blijven. Er was iets rustigs en afgemetens in de stem en de bedaarde bewegingen van dezen forschen man met de breede schouders en de hooge gestalte. Wel was hij nog niet eens diep in de veertig, maar zijn grijze haren en zijn geheele wijze van optreden die achting afdwong, schenen een hoogeren leeftijd aan te duiden.

»De jonge koning daar,” begon hij, met een vriendelijke klankrijke stem, terwijl hij op den wagen wees, »wenscht u, Gorgias, hier persoonlijk te spreken, doch op mijn raad wil hij zich liever niet onder de volksmenigte vertoonen. Daarom komen wij ook in een gesloten rijtuig.—Als ge er niet tegen hebt, stap dan een oogenblik bij hem in, en luister naar hem, terwijl ik hier eens rondzie. Er schijnen belangrijke dingen te gebeuren, en daar—of vergis ik mij? Is het gevaarte, dat zij hierheen sleepen, misschien het standbeeld van de koningin en haar vriend? Waart gij het zelf Gorgias, die deze plek daarvoor uitgekozen hebt?”

»Neen,” antwoordde de bouwmeester beslist. »Deze overbrenging geschiedt zelfs zonder mijn medeweten, en tegen mijn zin.”

»Dat dacht ik al,” was het antwoord. »Cæsarion wenscht u juist te spreken omtrent dit beeld. Indien gij de oprichting daarvan op het stuk grond van Didymus verhinderen kunt,—des te beter. Ik zal gaarne doen wat ik kan om u bij te staan, maar in de afwezigheid der koningin vermag ik slechts weinig.”

»Wat zal ik u van mijn eigen invloed zeggen?” vroeg de bouwmeester. »Wie van ons weet in dezen tijd of de hemel morgen blauw zal zijn of grijs? Eén ding staat bij mij vast: voor zoover het van mij afhangt, zal alles geschieden om deze onrechtmatige bejegening van een achtbaar burger dezer stad, deze inbreuk op de wet en beleediging van den goeden smaak te voorkomen.”

»Zeg dat aan den jongen koning, maar vooral voorzichtig,” verzocht Archibius, terwijl de bouwmeester zich omkeerde om naar den wagen te gaan.

Zoodra Dion en de andere man alleen waren, trachtte de eerste iets naders te hooren omtrent de reden van het toenemend rumoer, en daar hij, evenals ieder welgezind Alexandrijn Archibius hoogachtte, en wist dat hij den eigenaar van den veelbesproken tuin en ook diens kleindochter Barine kende, deelde hij hem zonder voorbehoud alles mede, waarover hij zich ongerust maakte.

»Iras,” zeide hij op zijn vertrouwelijke wijze, »is immers uwe nicht, en ik weet dat gij haar kent. Zij schept er thans behagen in om op den weg eener vrouw, die zij geen goed hart toedraagt, en die zij voor onvoorzichtig aanziet, een gouden appel neer te leggen, in de hoop dat zij dien zal oprapen, en daardoor aanleiding geven dat zij van diefstal wordt beschuldigd.”

Archibius zag hem bij deze beeldspraak vragend aan, en daarom ging hij op een anderen toon ernstiger voort: »Zeus is groot, maar het noodlot is machtiger dan hij. Mijn oom Zeno vermag veel, maar als Iras en uwe zuster Charmion, die nu helaas bij de koningin is, iets willen doorzetten, dan moet hij en de Regent Mardion de zeilen strijken. Hoe beminnelijker Cleopatra is, des te zekerder stelt ieder een plaats in hare nabijheid op den allerhoogsten prijs, en vooral hooger dan zulke kleinigheden als recht en wet.”

»Dat zijn harde woorden,” antwoordde de ander, »en zij schijnen mij te bitterder, omdat zij een kern van waarheid bevatten. Ons hof deelt het lot van alle andere in het Oosten, en hij, wien Rome vroeger het voorbeeld gaf van recht en wet heilig te houden.....”

»Die,” viel Dion in, »mag nu dáárheen gaan, om te zien hoe ruw men beide met voeten treedt. De machthebbenden hier en ginds mogen elkander uitlachen zooals de waarzeggers doen, zij zijn toch broeders van ééne soort....”

»Slechts met dat onderscheid,” merkte Archibius op, »dat bij ons aan het hoofd van den Staat de beminnelijkheid en gratie in eigen persoon staan, terwijl het in Rome het tegenovergestelde is: ruwe hardvochtigheid en wreede overmoed of verachtelijk gekruip voeren dáár de teugels.”

Hier hield Archibius plotseling op, en wees op een troep schreeuwende lieden, die op hen afkwamen. Dion zeide: »Gij hebt gelijk. Laten wij dit gesprek liever voortzetten in het huis van de schoone Barine. Doch ik vind u daar slechts zelden, en toch hebt gij haar vader zoo goed gekend, en is er bij haar altijd iets belangwekkends te hooren. Ik ben haar vriend. Dat kan op mijn leeftijd ook beteekenen: haar geliefde, maar in ons geval is dit niet zoo. Misschien gelooft gij mij, want gij hebt immers zelf het recht u de vriend van de bevalligste aller vrouwen te noemen.”

Een weemoedige glimlach gleed bij deze woorden over het ernstige, fijnbesneden gelaat van den veertiger, en met een afwerend gebaar antwoordde hij luchtig:

»Ik ben met Cleopatra opgegroeid, maar de geringe man bemint een koningin niet anders dan als een godheid. Ik geloof gaarne aan uwe vriendschap voor Barine, maar ik houd die toch voor gevaarlijk.”

»Wanneer gij daarmede bedoelt dat zij haar schaden kan,” hernam Dion, en hief het hoofd op, als om te kennen te geven dat hij van hem geene waarschuwing noodig had, »dan hebt gij misschien gelijk. Maar ik verzoek u mij niet verkeerd te begrijpen. Ik ben niet ijdel genoeg om te denken, dat ik indruk kan maken op haar hart, maar er zijn helaas velen, die het de jonge vrouw niet vergeven dat zij op mij aantrekkingskracht uitoefent, evenals zij dat op allen doet. Zoovele mannen als het huis van Barine gaarne bezoeken, zoovele vrouwen moeten er noodzakelijk zijn, die het gaarne gesloten zouden zien. Tot haar behoort natuurlijk ook Iras. Zij heeft een wrok tegen mijn vriendin, ja ik vrees zelfs, dat wat gij daar ginds ziet, de appel is, dien zij daar geworpen heeft om haar daarmede, zoo niet in het verderf te storten, dan toch uit de stad te verwijderen, eer de koningin—de goden verleenen haar de overwinning! terugkeert. Gij kent Iras, want zij is uwe nicht. Evenals uw zuster Charmion vreest zij voor niets, wanneer het er op aan komt voor de koningin eenig leed of verdriet uit den weg te ruimen, en het zal Cleopatra allerminst verheugen, als zij verneemt, dat de beide knapen, wier welzijn haar ter harte gaat, Antyllus en Cæsarion, hun weg naar eene Barine gevonden hebben—hoe onbesproken overigens haar naam ook is.”

»Dat heb ik ook reeds gehoord,” antwoordde Archibius, »en ik maak er mij ook ongerust over. Antonius' zoon heeft veel van de onverzadelijke genotzucht zijns vaders. Maar Cæsarion! Die waagde zich nog niet uit het droomleven dat hij leidt, in de wereld. Wat een ander nauwelijks opmerkt, is genoeg om hem te kwetsen. Ik vrees dat Eros voor hem fijngepunte pijlen gereed maakt, die diep in het hart doordringen. Toen hij onlangs bij mij kwam, vond ik hem zeer veranderd. Zijn droomerige oogen schitterden alsof hij in een roes van opgewondenheid was, terwijl hij van Barine vertelde. Ik vrees, ik vrees.”

»Dat zou iets zijn!” riep Dion verrast, ja bijna verschrikt uit. »Als de zaken zóó staan, dan heeft Iras niet geheel ongelijk, en dan moeten wij het anders aanvatten. Vóór alle dingen moet het een geheim blijven, dat Cæsarion zich mengt in de onderhandelingen met den ouden grondbezitter daar ginds. Het spreekt vanzelf dat men beproeft voor den grijsaard het zijne te behouden, en ik neem het op mij om den improvisator, die daar juist in den dienst van Iras zoo prachtig met zijn armen zwaait, zijn taak te doen opgeven. Wat Barine betreft, het beste zal zijn haar te overreden vrijwillig de stad te verlaten, waar men het haar zoo moeielijk maakt. Gij, waardige man, zoek haar daartoe te brengen. Indien ik zelf met zulk een voorstel kwam, ik, die nog gisteren... Neen, neen! Zij hoorde toch reeds dat Iras en ik.... Zij kan licht allerlei dwaasheden vermoeden. Gij weet wat jaloerschheid is. Naar u, die zij hoogacht, luistert zij echter zeker, dat weet ik, en zij behoeft ook zoo ver niet te gaan. Als het hart van dezen dweepzieken knaap, die het toch ook wel eens in zijn hoofd kan krijgen, om met enkel in naam »Koning der koningen” te zijn, in ernst voor Barine ontvlamd is, wat zou daardoor dan een groot onheil kunnen ontstaan! Wij moeten haar voor hem in veiligheid brengen. Naar mijn landgoed bij de papyrusvelden nabij Sebennytus mag zij niet gaan. Dat zou aan de booze tongen te veel voedsel geven. Maar gij... uwe villa te Kanopus is te dicht in de nabijheid—maar gij hebt immers, als ik mij niet vergis—”

»Mijn landgoed aan de kust is ver genoeg verwijderd, en dat staat tot hare beschikking,” hernam de ander. »Het huis staat altijd voor mijn bewoning gereed; ik zal doen wat ik kan om haar te overreden, want uw raad is verstandig. Zij moet dien knaap niet meer onder de oogen komen!”

»En ik,” ging Dion voort, »zal morgen naar den afloop van uwe zending laten hooren, misschien van avond nog. Als zij er in toestemt, dan vertel ik aan Iras, geheel toevallig, dat zij naar Opper-Aegypte gaat om daar versche melk te drinken. Iras is verstandig en zij zal blij zijn, dat zij, in een tijd, die over het lot van Cleopatra en de geheele wereld beslissen moet, zich nu met dergelijke kleinigheden niet meer behoeft in te laten.”

»Zoo zijn mijne gedachten,” zeide Archibius, »ook telkens weder bij het leger. Hoe nietig wordt alles in vergelijking met de beslissing, die ons in deze dagen te wachten staat! Doch het leven bestaat uit kleine dingen. Die voeden en sterken en steunen ons! Al keert de koningin zegevierend terug, doch vindt zij Caesarion op verkeerde wegen....”

»Die moeten wij voor hem afsluiten!” riep Dion uit.

»Opdat de knaap Barine niet nareist bedoelt gij?” vroeg Archibius, en schudde het hoofd. »Daarvoor behoeven wij, geloof ik, niet te vreezen. Hij zou dat misschien wel vurig wenschen, maar tusschen verlangen en volbrengen vloeit bij hem een breede stroom. Antyllus is van een gansch anderen aard. Hij zou in staat zijn, dadelijk een paard te laten zadelen of op een boot de zeilen te doen hijschen om haar na te ijlen, desnoods tot over den waterval. Daarom moeten wij streng verzwijgen waar Barine in vrijwillige ballingschap heengaat.”

»Ik zie haar nog niet gaan,” voegde Dion er met een zucht bij. »Zij is aan deze stad als met ketenen gebonden.”

»Ik weet het,” bevestigde Archibius, maar de andere wees op den wagen en zeide snel en met nadruk:

»Gorgias wenkt. Nog eens, vóór wij scheiden: doe alles om Barine van hier te verwijderen. Zij wordt ernstig bedreigd. Verzwijg haar niets en zeg haar, dat de vrienden haar niet al te lang in de eenzaamheid zullen laten.”

Archibius wierp den jongeling nog een veelbeteekenden blik toe, en daarop traden beiden den gesloten wagen tegemoet.

Het welbesneden doch bleeke gelaat van Caesarion, dat trek voor trek op dat van zijn vader, den grooten Caesar geleek, zag reeds door de opening boven het portier naar hen uit, en hij begroette hen met een afgemeten hoofdbuiging en een beschermenden blik uit dezelfde oogen, die nog zooeven, bij het wederzien van zijn ouden vriend, zoo vroolijk hadden gestraald. Nu wilde hij zich echter tegenover den vreemde als koning toonen. Hij wilde hem doen gevoelen hoe hoog hij boven hem stond, want hij was hem niet genegen. Hij had hem immers boven zich zelven bevoorrecht gezien door de vrouw, die hij meende lief te hebben, en wier bezit hem door de geheime wetenschap der Aegyptenaren die, naar hij vast geloofde, de toekomst ontsluieren kon, verzekerd was.

Antyllus, de zoon van Antonius, had hem bij Barine binnengeleid, en zij had hem ontvangen met al de onderscheiding, die aan zijn hoogen rang toekwam. Toch had zijn jongensachtige verlegenheid hem verboden om de jonge bevallige vrouw, die zich door vele oudere en voortreffelijke mannen omringd zag, van liefde te spreken. Alleen zijn vochtige, sprekende oogen hadden haar moeten zeggen wat hij voor haar voelde. Dat was dan ook niet onopgemerkt gebleven, want vóór enkele uren was hij aangehouden door een Aegyptische vrouw, terwijl hij zich naar den tempel van Caesar, zijn vader begaf. Bij zijn geregelde levenswijs deed hij dit iederen dag op hetzelfde uur, om daar te bidden, te offeren, den steen van het altaar te zalven of een krans te hangen om het beeld van den overledene. Hij had in die vrouw dadelijk de slavin herkend, die hij in het atrium3) van Barine had gezien, en aan zijn gevolg bevolen achter te blijven.

Gelukkig voor hem, had zijn gouverneur Rhodon zijn plicht om hem overal te vergezellen, verzuimd, en zoo had hij het durven wagen haar te volgen. Hij had in de schaduw der mimosa's in het kleine boschje naast den tempel Barine's draagstoel gevonden. Met kloppend hart en vol bange vrees had hij aan haar wenk om bij haar te komen gehoor gegeven. Doch zij had hem geen andere gunst bewezen dan dat hij een wensch van haar vervullen mocht. Zijn hart was tot barstens toe vol geweest, toen zij, met haar blanken arm op het portier van den draagstoel geleund, hem had medegedeeld dat men zoo onrechtmatig haar grootvader Didymus zijn tuin wilde ontnemen, en dat zij van hem, die immers de »Koning der koningen” heette, verwachtte, dat hij alles zou doen om daaraan paal en perk te stellen.

Terwijl zij sprak had het hem moeite gekost den zin harer rede te vatten, want het had in zijne ooren gesuisd alsof hij in plaats van in het stilste boschje dat den tempel omgaf, op een stormachtigen dag te midden der branding aan het uiteinde van de Lochias stond. Hij had de oogen niet durven opslaan om haar in het gelaat te zien. Doch toen zij hem rechtstreeks vroeg of zij op zijn bijstand mocht hopen, had zij hem met haar blik gedwongen tot haar op te zien, en wat had hij toen niet gelezen in die blauwe smeekende oogen, en hoe onbeschrijfelijk schoon was zij hem voorgekomen! Hij had bijna als een zinnelooze tegenover haar gestaan, en wist alleen nog dat hij haar, met de hand op het hart had beloofd alles te doen om haar dat verdriet te besparen. Daarop had zij hem de kleine hand met de schitterende ringen toegestoken, en hij had die willen kussen, maar op hetzelfde oogenblik had zij hare slaven gewenkt, en de draagstoel was opgenomen en weggedragen.

Toen had hij daar gestaan als de man die afgebeeld was op een oude vaas van zijn moeder, die verbijsterd de voorbijvliegende Fortuin naoogt, die hij zoo gemakkelijk bij het lange golvende haar had kunnen vasthouden. Hij ergerde zich aan die ongelukkige wankelmoedigheid, die hem reeds zooveel goeds had doen ontgaan. Maar er was toch nog niets verloren. Wanneer het hem gelukte haar wensch te vervullen, dan moest zij hem dankbaar zijn en dan... Hij dacht nu na, tot wien hij zich wenden kon. Tot Mardion, den Regent, of tot den zegelbewaarder? Neen, die hadden immers juist de oprichting van het beeld in den tuin van den philosoof bevolen. Tot Iras, de vertrouweling zijner moeder? Dat het allerlaatst! Die listige vrouw had hem doorzien en aan den Regent hare opmerkingen medegedeeld. Ja, als Charmion, de andere kamervrouw zijner moeder hier geweest was, maar deze was immers mede op de vloot, die misschien reeds heden tegen die van den vijand slag leverde.

De herinnering daaraan deed hem de oogen neerslaan, want hem was het niet vergund geweest de plaats in het leger die hem toekwam in te nemen, terwijl zijn moeder en Charmion... maar hij wilde deze pijnlijke gedachte van zich afzetten, want een ernstig verwijt drong zich daarbij aan hem op, en joeg hem het bloed naar de wangen. Hij wilde een man zijn, en in dezen gewichtigen tijd, in deze dagen die over het lot van zijn moeder, van zijne vaderstad, van Aegypte moesten beslissen, en tegelijk van dat Rome, dat men hem, den eenigen zoon van Caesar, als zijn erfdeel leerde beschouwen—sloop hij naar een schoone vrouw en dacht aan haar, en verder aan niets anders. Met allerlei dwaze plannen om haar tot de zijne te maken, bracht hij de dagen en halve nachten door, en vergat daarbij wat hem het naast aan het hart had moeten liggen.

Iras had hem nog gisteren in scherpe bewoordingen voorgehouden dat het in deze dagen plicht was voor iederen vriend van Cleopatra en iederen vijand van hare vijanden, om ten minste in gedachte bij het leger te zijn. Dat had hij zich nu herinnerd, maar in plaats van op de vermaning van het geestkrachtige meisje acht te slaan, was hij daardoor alleen op haren oom Archibius gebracht geworden, die niet alleen door zijn rijkdom, doch ook omdat iedereen wist, hoe hoog hij bij de koningin stond aangeschreven, grooten invloed bezat. Ook had de verstandige, welwillende man hem, van kind af, veel vriendelijkheid bewezen, en als een lichtstraal was het denkbeeld bij hem opgekomen, dat hij zich tot hem, en tegelijkertijd tot den architect moest wenden, die in deze zaak ook wat te zeggen had. Bovendien had Gorgias hem, toen hij den vleugel van het paleis op de Lochias voor hem verbouwde, zeer voor zich ingenomen.

Zoo had hij dan een dienaar uit zijn gevolg dadelijk met een wastafeltje uitgezonden, om Gorgias uit te noodigen tot een bijeenkomst bij den Isistempel. Na den middag had Cæsarion zich in het geheim met een boot naar Kanopus aan de zeekust begeven, waar het paleis van Archibius lag, en nu deze met zijn vriend aan zijn wagen stond, legde hij hen uit, dat hij met den architect naar den ouden Didymus wilde gaan, om hem van zijn hulp te verzekeren.

Dat was in geen enkel opzicht geraden, en al de welsprekendheid van Archibius was noodig, om er hem van af te brengen. De gevolgen die het hebben kon, wanneer hij partij koos tegen den Regent, en het volk zijne macht erkende, waren niet te voorzien. Maar ditmaal had de jonge »Koning der koningen” weinig lust zich te voegen en toe te geven. Hij zou zich tegenover Dion zoo gaarne als man getoond hebben, en nu dit niet ging, trachtte hij toch den schijn daarvan aan te nemen, en verzekerde daarom, dat hij zijn voornemen alleen opgaf om den ouden geleerde en zijne kleindochter niet in ongelegenheid te brengen. Daarop verzocht hij den bouwmeester nog eens om Didymus toch in het bezit van zijn eigendom te laten. Toen hij eindelijk met Archibius wegreed, was de avond reeds gevallen. Voor den tempel en het kleine mausoleum dat naast de cella gelegen was, werden de fakkels, en op het plein de pekpannen aangestoken.

3) Voorzaal.

DERDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

»Het gaat niet goed met dien knaap,” zeide de architect, terwijl het voertuig over het plaveisel der straat ratelend wegreed; en hij schudde bedenkelijk het hoofd.

»En daar ginds,” voegde Dion er bij, »ziet het er ook niet verblijdend uit. Philostratus brengt de menschen geheel van de wijs. Maar die omgekochte onruststoker zal spoedig genoeg wenschen, dat hij het goud van Iras minder gretig aangenomen had.”

»En dan te moeten denken,” riep de bouwmeester uit, »dat Barine de vrouw, de wettige echtgenoot van dezen ellendeling was! Hoe dat zoo ver kon komen....”

»Zij was nog een kind toen men haar uithuwelijkte,” zeide Dion. »Wie vraagt hier naar het hart van een vijftienjarig meisje, als men een man voor haar kiest? En Philostratus, die op Rhodus mijn medestudent was, beloofde in dien tijd veel goeds. Het zou zijn broeder Alexas, den bevoorrechten gunsteling van Antonius gemakkelijk gevallen zijn hem vooruit te brengen. Barine's vader was dood, en haar moeder was gewend den grootvader om raad te vragen. Dien ouden Didymus had de slimme Syriër zand in de oogen gestrooid. Hoe lang en mager hij ook is, toch ziet hij er nog zoo slecht niet uit. In den tijd toen hij als redenaar optrad, viel hij wel in den smaak. Dat is hem naar het hoofd gestegen, en hij heeft daarbij aanleg om een verkwister te worden. Om zijn jonge schoone vrouw een voorname woning te kunnen bezorgen, heeft hij de slechte zaak van den roofzuchtigen ontvanger der belastingen Pyrrhus verdedigd en hem vrijgepleit.”

»Hij had voor geld een dozijn valsche getuigen weten te krijgen.”

»Er waren er zeker zestien. Later kwamen er nog evenveel bij, als op het oogenblik geopende monden hem toejuichen. Het wordt tijd die tot zwijgen te brengen. Ga gij in het huis, en stel den ouden man gerust, ook Barine, als zij bij hem is. Zoo gij er reeds een bode van den Regent vindt, spreek dan krachtig uw gevoelen uit over het schandelijk besluit. Gij kent de wet genoeg, om te weten welke artikelen daarvan ten gunste van Didymus kunnen aangehaald worden.”

»Sedert den tweeden Euergetes is het wettig grondbezit onaantastbaar, en toch heeft men op het zijne beslag gelegd.”

»Des te beter. Zeg ook in vertrouwen aan den beambte dat gij weet, hoe de Regent misschien door pas opgekomen bedenkingen tot andere gedachten te brengen zou zijn.”

»En in de eerste plaats, sta ik zelf op mijn recht om voor het standbeeld een plaats uit te zoeken. De koningin heeft zelve bevolen dat de anderen naar mijn gevoelen moesten luisteren.”

»Dat legt nog het meeste gewicht in de schaal. Nu dan, tot wederziens! Ga heden avond liever niet naar Barine. Mocht gij haar zien, zeg haar dan, dat Archibius zich heeft laten ontvallen dat hij haar wilde bezoeken; waartoe dat dient, verklaar ik u later. Misschien ga ik zelf later naar Iras, om ook haar tot rede te brengen. Intusschen moeten wij van Cæsarions wensch nog niet reppen.”

»Neen, zeker niet. En geef vooral niets aan dien redenaar daar ginds!”

»Integendeel, ik ben juist tot mildheid gestemd. Als Peitho4) mij wil bijstaan, dan krijgt die onverzadelijke man meer van mij te doen, dan hem misschien lief is.”

Hiermede stak Dion den bouwmeester de hand toe en baande zich een weg door de menigte, die zich verzameld had om het hooge gevaarte waarop het zorgvuldig bedekte standbeeld stond.

De poort van het huis des geleerden stond open, want werkelijk was zooeven een beambte van den Regent naar binnen gegaan. Doch de Scythische wacht, die daarheen gezonden was door den magistraat der stad Demetrius, ook een der vrienden van Barine, hield de nieuwsgierigen terug.

De bouwmeester kende den aanvoerder goed, en spoedig was hij in het huis gegaan en bevond zich in het impluvium. Dit was een langwerpige ruimte met in het midden geopende zoldering, waaronder een rond bloembed voortdurend werd besproeid door het water uit een kleine fontein, dat zich naar alle zijden in fijne droppeltjes verspreidde. De oude slaaf van het huis had juist eenige drie-armige lampen op hooge voetstukken aangestoken.

De beambten, die de Regent gezonden had, waren zooeven gekomen om aan Didymus de mededeeling te doen, dat zijn tuin in een openbare wandelplaats veranderd moest worden. Toen de bouwmeester het huis binnenging, waren de beambten, de schrijvers en de getuigen, eene schaar van wel twintig mannen, hem reeds voorgegaan. Aan hun hoofd stond Apollonius, een aanzienlijk man, en opzichter van de koninklijke schatkist. De slaaf, die Gorgias naar binnen bracht, vertelde hem dit alles.

In het atrium werd hij tegengehouden door een jonkvrouw, die zeker behoorde tot de familie van den ouden geleerde. Hij vergiste zich niet, toen hij in haar Didymus' jongste kleindochter Helena meende te zien, van wie Barine hem reeds gesproken had. Zij geleek echter noch in gestalte, noch in gelaat op hare zuster. Terwijl het haar der jonge vrouw golvend en blond was, had het meisje een gladde zwarte vlecht om het hoofd gewonden. Doch vooral trof hem de diepe ernstige klank harer stem, waaruit een hevige gemoedsbeweging sprak, toen zij de korte vraag tot hem richtte, waarin een zacht verwijt lag opgesloten: »Verlangt gij nog iets?”

Eerst wenschte hij te weten of hij met Helena, de zuster zijner vriendin, sprak, en daarop legde hij haar spoedig uit wie hij was en hoe hij juist haar grootvader voor een groot onheil kwam behoeden. Bij de eerste kennismaking in de slecht verlichte ruimte, was zijn indruk van haar niet gunstig. Het reine, blanke voorhoofd scheen hem voor een vrouwengelaat te hoog toe, en hij had daarop ook een eenigszins onvriendelijke plooi ontdekt. En de mond, hoe fraai die ook gevormd was, vertoonde een onrustigen trek, waardoor de geheele uitdrukking iets scherps en bitters kreeg. Maar nauwelijks had zij gehoord wat hem daar gebracht had, of zij drukte de hand op haar hart, haalde diep adem, en zeide:

»O, doe wat gij kunt om dat vreeselijke plan te verhinderen! Niemand weet, hoe de oude man aan dit huis is gehecht. En mijn grootmoeder ook. Als het hen afgenomen wordt, zullen zij het beiden besterven!”

Zij zag hem met haar groote oogen vol ontroering smeekend aan, en uit die strenge stem van zooeven klonk hem nu teedere liefde voor de haren toe.

Hoe gaarne wilde hij haar helpen. Hiervan verzekerde hij haar, en zij zag in hem een redder uit den nood. Zij verzocht hem met aandoenlijke innigheid, dat hij haar grootvader toch verzekeren zou dat alles nog niet verloren was. De bouwmeester vroeg vol verbazing of Didymus dan nog niet wist, wat hem te wachten stond, en zij antwoordde snel:

»Hij is ginds in het tuinhuis bij de zee aan het werk. De intendant Apollonius is een welwillend man, en heeft mij beloofd te wachten, totdat ik mijn grootvader voorbereid heb. Daarom moet ik mij nu haasten. Hij heeft wel reeds een dozijn malen zijn leerling Philotas gezonden, die gewoonlijk zijn boeken voor hem uitzoekt en oprolt, om te vragen wat al die drukte beteekent, maar ik heb hem laten zeggen dat die menigte bijeengekomen was om de koningin de haven te zien binnenzeilen. Er is immers zoo dikwijls een oploop van het volk. Maar grootvader laat zich nooit door iets storen, als hij aan den arbeid is, en de leerling, een jong student uit Amphissa, houdt veel van hem en houdt zich stipt aan wat ik zeg. Grootmoeder weet ook nog niets. Zij is doof, en hare slavinnen mogen het haar niet zeggen. Sedert zij onlangs een duizeling heeft gehad, zou een plotselinge schrik haar kwaad kunnen doen, zegt de arts. Als ik nu de rechte woorden maar kon vinden, om grootvader niet al te veel leed te doen!”

»Mag ik met u medegaan?” vroeg Gorgias vriendelijk.

»Neen,” antwoordde zij. »Het duurt bij hem altijd lang, eer hij vreemden vertrouwt. Maar als de opzichter hem alles heeft uiteengezet en de smart de overhand op hem krijgt, troost hem dan, en laat hem zien dat wij nog vrienden hebben die bereid zijn ons voor onrecht te behoeden.” Hiermede groette zij hem dankbaar, en ging door een zijpoortje in den tuin.

De bouwmeester zag haar met stralende oogen na. Welk een goed meisje moest dit zijn, dat zoo vol zorg was voor hare grootouders! En hoe flink handelend trad zij op, zoo jong als zij was! Hij had haar slechts in halflicht gezien, maar schoon was zij toch zeker. De oogen, de mond en het haar waren dat bepaald. Zijn hart klopte sneller, terwijl hij daaraan dacht, en tegelijk vroeg hij zich af, of deze jonkvrouw die met alles was bedeeld wat de eigenlijke waarde eener vrouw uitmaakt, niet nog boven hare zuster Barine gesteld moest worden, ofschoon van deze misschien meer dadelijke bekoring uitging? Hij was op dat oogenblik dankbaar dat hij een vollen baard droeg om wang en kin, want hij voelde hoe hij kleurde, ofschoon hij toch zoo jong niet meer was. Hij wist ook wel waarom. Nog geen half uur geleden had hij aan Dion bekend, dat hij Barine voor de aantrekkelijkste van alle vrouwen hield, en nu reeds wierp het beeld van een andere een schaduw op het hare, en vervulde zijn hart met een nieuw, misschien nog sterker gevoel.

Zoo iets was hem al meer overkomen, en zijn vrienden, met Dion aan het hoofd, hadden zijne zwakheid ontdekt, en hem menigmaal daarmede geplaagd. Het aantal bruinen en blonden, grooten en kleinen, voor wie zijn hart was ontgloeid, was dan ook al vrij groot, en telkens als een nieuwe neiging in hem was gewekt, had hij gedacht dat het voorwerp daarvan de eenige was, die de zijne moest worden om hem tot een gelukkig man te maken. Doch eer het zoover kwam, was altijd de vraag opgekomen of hij een andere nog niet vuriger begeerde. Daarom had hij getracht zich zelven wijs te maken dat zijn hart zich niet aan ééne verbinden wilde, maar dat het klopte voor het geheele geslacht, voor zoover het jong en schoon was. Wel wist hij dat hij ook trouw zou kunnen zijn, want aan zijn vrienden was hij innig gehecht en voor hen tot ieder offer bereid, maar hij dacht dat het met vrouwen anders was. Zou nu ook weder Helena's beeld, dat hem nu zóó beminnelijk scheen, even snel verbleeken? Het tegendeel zou wel wonderlijk zijn, en toch geloofde hij vast en zeker dat Eros er ditmaal ernst mede maakte. De lachende Eroten5), die om hem en al hare voorgangsters rozenguirlanden geslingerd hadden, waren met deze ernstige jonkvrouw niet medegekomen.

Dit alles ging met de snelheid des bliksems door zijn hoofd en hart, terwijl hij het impluvium binnentrad, waar de beambten ongeduldig op den eigenaar van het huis wachtten. Op zijne levendige, warme wijze verklaarde hij hun waarom hij hoopte, dat zij vergeefs zouden gekomen zijn, en de intendant verzekerde hem dat niemand zich meer zou verheugen dan hij, indien de Regent hem morgen machtigde, zijn opdracht in te trekken. Hij zou hier gaarne nog een tijdlang wachten, als het de kleindochter van den ouden geleerde mocht gelukken deze met bedachtzaamheid mede te deelen, wat hem boven het hoofd hing.

Intusschen werd het geduld van den welmeenenden man niet lang op de proef gesteld, want toen Helena in het tuinhuis was gekomen, vond zij haar grootvader reeds ingelicht omtrent het lot dat hem wachtte.

De philosoof Euphranor, een bejaard lid van het Museum, was door de tuindeur tot hem doorgedrongen en had hem alles medegedeeld, zonder te letten op de veelbeteekende wenken en gebaren van zijn leerling Philotas. Maar Didymus kende zijn bezoeker, die evenals hij van de wereld afgezonderd al zijn tijd en kracht aan de wetenschap wijdde. Daarom had hij enkel ongeloovig het hoofd geschud, de dunne haarvlok, die over zijn gelaat hing, naar achteren gestreken, en op een licht verwijtenden toon uitgeroepen: »Wat denkt gij nu weder gehoord te hebben! Nu, wij zullen zien!”

Toen was hij opgestaan, doch te zeer door het onverwachte bericht getroffen om aan zijn sandalen op de mat en aan den mantel te denken die op een boekenkist lag, en wilde hij zonder die de kamer verlaten, toen zijn vriend, die hem eerst sprakeloos liet begaan, hem tegenhield, en tegelijk Helena in het tuinhuis kwam. De grijze philosoof wendde zich nu tot haar, en verzocht dat zij haar grootvader mocht bewijzen, dat dingen die men niet gaarne gelooven wil, daarom toch wel waar kunnen zijn. Dat deed zij dan ook, maar zoo omzichtig mogelijk, daarbij denkende aan den bouwmeester en wat hij hoopte.

Doch Didymus zag naar den grond, en schudde langzaam het grijze hoofd. Eensklaps richtte hij zich op, liep, zonder te letten op den mantel dien Helena reeds gereed hield, op de deur toe, en opende die met den uitroep: »En toch moet en zal het anders gebeuren!”

Euphranor en Helena volgden hem, maar hij liep met vluggen, krachtigen tred, hoewel in gebogen houding, het tuintje door, en ging daarop rechtstreeks het impluvium binnen. Het schelle licht hinderde aan zijn zwakke oogen, en door zijn gewoonte om recht voor zich uit of naar den grond te zien, duurde het een tijdlang eer hij recht wist wie zich om hem heen bevonden. De intendant was hem echter tegemoet gegaan, had hem eerbiedig gegroet en verzekerde zeer te betreuren, dat hij hem moest storen in het werk, dat de geheele wereld met belangstelling te gemoet zag, maar het was voor een gewichtige zaak.

»Ik weet het al,” antwoordde de geleerde, met een kalmen glimlach. »Wat moet dat alles toch beteekenen?”

Hij zag de aanwezigen beurtelings allen aan, doch hij kende niemand dan den intendant die aan de administratie van het Museum verbonden was, en den bouwmeester, voor wien hij het opschrift had gemaakt dat op het door hem gebouwde Odeon stond.

Toen nu zijn blik ook op het gelaat der anderen alleen verwondering las, begon zijn vertrouwen toch eenigszins te wankelen. Toch nog overtuigd dat men hem onmogelijk den eisch kon stellen, waarvan de philosoof gesproken had, zeide hij:

»Men beweert dus, dat het plan bestaat om mijn tuin in een openbare wandelplaats te herscheppen. En tot welk doel? Om er een standbeeld te plaatsen. Dat kan toch niet ernstig gemeend zijn, want mijn eigendomsrecht staat opgeteekend in de boeken, en de wet...”

»Vergeef mij,” zeide de intendant, »indien ik u hier in de rede val. Wij kennen die verordening zeer goed, doch men wil hier een uitzondering maken. De Regent wil u niets ontnemen, hij biedt u veeleer uit naam der koningin een schadeloosstelling aan, die gij zelf bepalen moogt voor dat stuk grond, dat door het standbeeld der hoogstgeplaatsten in dit land—het stelt Cleopatra met Antonius hand in hand voor—een bijzondere eer te beurt zal vallen. Het is reeds hierheen gebracht. Als een werk van den voortreffelijken, te vroeg gestorven Lysander, zal het uw huis zeker tot sieraad strekken. Het kleine huis aan de zee moet trouwens morgen reeds gesloopt worden; want gij weet dat de genadige koningin iederen dag, als overwinnares, naar wij hopen, verwacht worden kan. Dit beeld, dat bestemd is om haar een verrassing te bereiden en te eeren, moet haar reeds bij haar aankomst begroeten, en daarom heeft de Regent mij nog heden gezonden, om u zijn wensch kenbaar te maken. Daar het ook die der koningin is...”

»Intusschen,” zeide de bouwmeester, die nogmaals aan de kleindochter van den grijsaard zijn bijstand had beloofd, »zullen uwe vrienden toch beproeven den Regent tot een andere keus te overreden.”

»Dat staat hen vrij,” merkte de intendant op. »Wat later gebeuren zal moge de tijd leeren. Mijn taak is alleen den waardigen bezitter van dit huis en dezen tuin reeds heden te overtuigen, dat hij zich moet onderwerpen aan het bevel der koningin, ofschoon de Regent en mijn eigen hart mij daaraan den vorm van een wensch hebben doen geven.”

Gedurende deze samenspraak had de oude man eerst zwijgend toegeluisterd en hem met gespannen blik daarbij aangestaard. Het was dus werkelijk zoo. Hij moest van zijn tuin en het huisje, dat een halve eeuw lang het tooneel van zijn werken en denken geweest was, afstand doen, ter wille van een standbeeld. Zoodra hij de zekerheid hiervan verkregen had, zag men hem den blik op den grond gevestigd houden, als iemand die met zijn gedachten afwezig is. De groote smart verlamde zijn tong, en Helena, die hem dit aanzag en met hem mede voelde, had zich aan zijne zijde geplaatst.

Het schreeuwen en joelen der menigte drong door de open zoldering van het impluvium tot hen door, maar de grijsaard scheen het niet te hooren, en bemerkte ook zijn kleindochter niet. Nauwelijks echter voelde hij hare aanraking, of hij trok zich haastig terug en zag den kring der indringers opnieuw in het rond.

Nu brandde in het anders zoo matte oog van den ouden commentator het vuur van jeugdige hartstocht. Als een worstelaar, die naar het rechte punt van aanval zoekt, haalde hij diep adem en mat den intendant met vertoornden blik, van het hoofd tot de voeten. De gebrekkige, eenzelvige grijsaard scheen een tot den kamp bereid strijder geworden te zijn. Zijne lippen en fijne neusvleugels trilden, en toen de intendant herhaalde dat hij den inhoud van het tuinhuis nog heden diende in veiligheid te brengen, daar die anders morgen vroeg uitgedragen moest worden, hief Didymus zijn arm op en riep uit: »Dat zal men niet doen! Geen enkele rol mag uit het tuinhuis weggehaald worden. Morgen vroeg ben ik als altijd aan mijn werk te vinden, en als gij bij uw voornemen blijft om mij van mijn eigendom te berooven, dan zult gij geweld moeten gebruiken om dat doel te bereiken.”

»Wees kalm, waardige man,” zeide de intendant. »Ieder moet zich buigen voor een hooger wil: de goden voor dien van het noodlot, de stervelingen voor dien der koningen. Gij zijt een wijze, en ik volbreng slechts de plichten die aan mijn ambt verbonden zijn. Maar ik ken het leven, en wanneer ik u raden mag, dan laat gij toe wat niet te veranderen is. Ik zou tien tegen één durven wedden dat gij daarbij wel varen zult, en de koningin u de middelen in de hand geeft...”

»Die zullen wel toereikend zijn,” viel Didymus met bitterheid in, »om een paleis te bouwen, in plaats van het huisje, dat mij ontnomen wordt.” En toen barstte hij weder uit: »Maar wat vraag ik naar uw geld! Ik wil mijn recht, mijn goed eerlijk recht. Dáárop sta ik, en wie mij een duimbreed ontnemen durft van den grond, die het erfgoed van mijn vader en grootvader is....”

Hij hield stil want daarbuiten was het volk weer in luid gejubel losgebarsten, en toen het ophield en de grijsaard voortging met zijn goed recht te verdedigen, werd hij in de rede gevallen door een heldere vrouwenstem die hem den Griekschen groet: »wees blijde!” toeriep. Dat klonk zoo welluidend en vroolijk, dat de doffe stemming die als een grauwen nevel over de aanwezigen hing, er als het ware door weggevaagd werd.

Terwijl de een luisterde naar het opgewonden volk, en de ander den ouden man aanzag, wiens tegenstand moeilijk door goedheid overwonnen zou kunnen worden, zagen de jongeren uit het gezelschap de schoone vrouw aan, die zich bij hen had gevoegd. Door de haast waren hare wangen hooger gekleurd; uit den donkerblauwen doek die haar blond hoofd bedekte, zag een lieftallig gelaat blijde en vertrouwelijk haar zuster, haar grootvader en den bouwmeester aan.

De intendant en ook velen onder de overigen hadden een gevoel alsof het geluk in eigen persoon dit bedreigde huis was binnengetreden, en menige blik verhelderde zich toen de oude man zijn kleindochter, op een geheel anderen toon dan zooeven, toeriep: »Gij hier, Barine?” en zij hem daarop, zonder op de anderen acht te geven, met warmte omhelsde.

Helena, de bouwmeester en de oude philosoof Euphranor, kwamen nu ook naderbij, en deze vroeg haar verwijtend maar toch hartelijk: »Maar onvoorzichtig kind, hoe zijt gij door die volksmenigte heengekomen?” Vroolijk klonk haar antwoord: »Het ééne geleerde lid van het Museum ontvangt mij met de vraag, of ik er werkelijk ben, hoewel ik van kind af door een vriendelijk of vijandelijk noodlot—hoe verkiest gij het, grootvader?—gespaard ben voor het overzien-worden. En de ander wil zoo grimmig verwijtend weten, hoe ik door het volk heen kwam, alsof het een onrecht ware door het water te waden en een hand uit te steken naar mijn liefste betrekkingen, als zij er bijna onder raken.—Maar dit geschreeuw is werkelijk te erg.”

Zij legde haar kleine handen op den hoofddoek tegen haar ooren, en ging eerst met spreken voort toen het geraas verminderde, ofschoon zij verzekerde dat zij haast had, en alleen maar eens was komen zien, hoe het hier ging. Het scheen alsof het haar, frisch en bevallig als zij was, onmogelijk viel om ook maar één oogenblik ongebruikt te laten, al was het maar om een blik van welgevallen op te vangen of te beantwoorden.

De bouwmeester en hare zuster moesten vlug op hare vragen antwoorden, en zoodra zij vernomen had wat die vreemde mannen hier deden, dankte zij den intendant, en drukte de overtuiging uit dat de oude vrienden hun best zouden doen om haar grootvader dat leed te besparen.

Toen de beide grijsaards hunne vraag, hoe zij hier gekomen was, herhaalden, antwoordde zij: »misschien zal niemand mij gelooven, omdat op 't oogenblik mijn mond geen oogenblik stil staat, maar toch deed ik als een stomme visch, en kwam over het water.”

Daarop nam zij haar grootvader ter zijde en vertelde hem hoe zij aan de haven naar de boot was gegaan, en Archibius haar uit zijn wagen had gezien en stil had laten houden, om haar voor dezen avond zijn bezoek aan te kondigen. Hij zou over een gewichtige zaak komen spreken. Zij had dus te zorgen, dat zij alleen met hem bleef, en daarom kon zij dan ook niet langer blijven. Nu keerde zij zich weder tot de overigen, en vroeg, nog vóór zij wegging, waarom het volk toch zoo schreeuwde. De bouwmeester antwoordde dat Philostratus zich moeite gaf om aan de menigte te beduiden, dat het bewuste standbeeld nergens dan in den tuin van haar grootvader geplaatst kon worden, en hij dacht ook wel te weten, wie hem dat opgedragen had.

»Niet de Regent,” zeide de intendant op een toon van overtuiging. Doch toen Gorgias den volksredenaar genoemd had, was er over Barine's zonnig gelaat een lichte schaduw gegleden en zij dankte den beambte met een hoofdbuiging. Vervolgens fluisterde zij hem haastig, doch met nadruk toe, dat zij op zich nam den grijsaard tot rede te brengen, zoo men haar slechts tijd tot nadenken liet. Morgen zoodra het op de markt vol werd zou de beambte de onderhandelingen opnieuw kunnen beginnen, indien de Regent bij zijn plan bleef. Zij zou intusschen het hare doen om haar grootvader toegevender te maken, al behoorde hij ook niet tot de menschen die zich lieten leiden. Dan moest de intendant den Regent ook herinneren dat het geraden was in dezen tijd openbare ergernis te vermijden, en den leeftijd en het goed recht van Didymus in het oog te houden.

Terwijl Apollonius nu verder met de andere afgevaardigden sprak, wenkte zij den bouwmeester, en nam spoedig van de haren afscheid. Zij beweerde dat er volstrekt geen gevaar voor haar was, daar zij weder op visschenmanier terugging, maar dat zij daarbij nu toch behoorlijk haar spraakvermogen gebruiken zou. Zij hoopte daarmede den man te winnen die dit alles wel zou voorkomen hebben, indien de Koningin er maar was geweest.

Tot op dit oogenblik had zij aller oogen en ooren geboeid, want ieder vond het een genot haar te hooren en te zien. Eerst toen zij met den bouwmeester was verdwenen, kwamen de beambten tot een besluit, en spoedig daarop verwijderde zich de intendant met zijne geleiders, om nog eens met den Regent over deze ongelukkige zaak te spreken.

Ditmaal bewees Gorgias zijne diensten aan de jonge vrouw met gemengde gewaarwordingen. Nog geen uur geleden zou het hem gelukkig hebben gemaakt Barine te mogen vergezellen en beschermen, maar nu zou hij gaarne bij hare zuster zijn gebleven, die zijn afscheidsgroet zoo dankbaar, en toch zoo echt jonkvrouwelijk bedeesd beantwoord had. Maar ook bij den wankelmoedigste kan de eene neiging niet in de plaats der andere geschoven worden als een witte damschijf voor een zwarte, en hij vond het nog altijd heerlijk zoo dicht in Barine's nabijheid te zijn. Alleen de gedachte dat Helena nu misschien zou denken dat hij in vertrouwelijke betrekking tot hare zuster stond, had hem onaangenaam aangedaan, toen zij hem opriep om met haar mede te gaan.

In den tuin verzocht Barine hem of hij haar helpen wilde om, vóór zij naar de landingsplaats van de boot gingen, de smalle trap te beklimmen, die naar het platte dak van het poortwachtershuisje voerde. Van daaruit konden zij al de drukte op het plein volgen zonder zelf gezien te worden, want het was geheel door dichte laurierstruiken omgeven. Van de beide tempels ter zijde van den «Muzenhoek” sloegen heldere vlammen uit de pekpannen omhoog, en dat licht werd nog zeer versterkt door de fakkels in de hand der Scythen. Toch kon men midden op het plein geen mensch onderscheiden. Wel blonken bij dat vuur de marmeren wanden der tempels, de standbeelden aan de poort van Didymus en de Hermen6) aan den koningsweg die langs het bedreigde huis liep, en de noordzijde van het plein met de zeekust verbond; maar de walm der fakkels verduisterde den hemel en doofde het licht der sterren.

Alleen Dion was duidelijk zichtbaar, die zich op het hooge zijstuk der slede geplaatst had, waarop het omhulde standbeeld hierheen gebracht was, en verder Philostratus, de pleitbezorger, die op het voetstuk van een der dolfijnen geklommen was, die om de fontein tusschen den Isistempel en de straat stonden. De ruimte van een twaalf schreden ongeveer, die hen scheidde, liet den strijders toe elkander te verstaan, en de algemeene aandacht was op hen gevestigd.

Het behoorde tot de grootste genoegens der Alexandrijnen zulk soort van gevecht met woorden aan te hooren, en iedere gelukkige zinwending werd met teekenen van goedkeuring, ieder woord dat hun mishaagde met geschreeuw, sissen en fluiten begroet.

Barine kon zien en hooren wat daarbeneden gebeurde. Zij had de lauriertakken, die haar verborgen, op zijde gebogen, en luisterde aandachtig naar het gesprek der strijdende mannen. Toen de ellendeling, die eens haar echtgenoot was, en dien zij nu te diep verachtte om hem te haten, hare familie beleedigde met de aantijging dat zij zich van geslacht tot geslacht gevoed hadden uit de ruif van het Museum, beet zij zich op de lippen. Maar spoedig verscheen om haar mond een trek, die bewees dat het gehoorde al te grooten weerzin bij haar opwekte, want de pleitbezorger had zich nu tegen Dion gekeerd. Hij beschuldigde er hem van dat hij den welmeenenden Regent wilde verhinderen den roem der groote Koningin te verhoogen, en haar edel hart een vreugde te bereiden.

»Mijn tong,” riep hij, »is het instrument, dat den kost voor mij verdient. Waarom praat ik haar hier moede? Ter eere van Cleopatra, onze verheven Koningin, en haar grootmoedigen vriend, aan wien ieder van u een weldaad te danken heeft. Al wie haar, en den goddelijken Antonius, den nieuwen Herakles en Dionysos, liefheeft—en beiden zullen spoedig in triomf met den krans der overwinnaars tot ons terugkeeren—die legge met den Regent en ieder welgezinde de hand op dat ellendige stukje gronds daar ginds, dat snoode gierigheid ons zoo kleingeestig onthoud. Daaruit spreekt een gezindheid—een gezindheid—hoort gij?... die ik nu niet nader aanduid, omdat al wat leelijk is mij tegenstaat, en omdat ik hier niet als aanklager sta. Wie partij trekt voor dien woordenvitter, die boeken te voorschijn brengt, even gemakkelijk als die dolfijn dáár water, die mag zijn gang gaan, ik zal het hem niet benijden. Maar laat hem eerst acht geven op den bondgenoot en lofredenaar van Didymus. Daar staat hij tegenover mij. Het zou beter voor hem zijn, als hij van steen, en de dolfijn aan zijn voeten een levend wezen was. Dan had men hem in de duisternis kunnen laten, waar hij behoort. Maar zooals het nu is, moet ik hem u wel, tegen wil en dank vertoonen, en dat zal ik doen, medeburgers, al gaf ik u liever dingen te zien, die minder mijn gal doen overloopen. Het flauwe licht verhindert u de kleur van zijn gewaad te onderscheiden, maar ik ken die, want ik zag het bij dag. Het is hyacinthen-purper! Gij weet wat zoo iets kost. Een flink man uit uw midden onderhoudt daarvan tien jaren lang zijn vrouw en kinderen. »Hoe zwaar moet de buidel wel wegen van een man, die zulk een schat aan zon en regen blootstelt!” denkt gij zeker allen, die hem daarin zoo trotsch als een pauw ziet rondwandelen. En zijn buidel weegt dan ook vele talenten. Jammer maar, dat de meesten van u iederen dag uw kinderen een brood minder geven en u zelven menigen teug wijn onthouden moeten om hem zoo deftig uit te dossen. Zijn vader Eumenes was ontvanger der belastingen, en wat die bloedzuiger u en uw kinderen afperste, dat gebruikt nu zijn zoon om daarmee in het purper te pronken op zijn wagen met vier paarden, die velen van u het slijk in het gezicht deed spatten, als hij voorbijreed. Bij den Hond! Het heerschap weegt niet zwaar, en toch gebruikt hij het vierspan om vooruit te komen. En, waarom doet hij dat, medeburgers? Dat zal ik u zeggen. Hij is bang om te blijven steken, te blijven steken, overal, ook in zijn redevoering.”

Hier liet Philostratus zijn stem dalen, want die wending van het »blijven steken” had eenige toehoorders aan het lachen gemaakt. Maar Dion, wiens vader in zijne betrekking van ontvanger der belastingen inderdaad het familiegoed aanzienlijk vermeerderd had, bleef hem het antwoord niet schuldig.

»Ja, ja,” zeide hij verachtelijk, »die Syrische prater dáár heeft het ditmaal bij het rechte einde. Daar staat hij tegenover mij, en wie zou niet licht blijven steken zóó in de buurt van een slibberig moeras? Wat mijn purperen mantel betreft, dien draag ik, omdat mij dat behaagt. Ik vind den zijnen van crocus-geel veel minder mooi. Trouwens, in den zonneschijn ziet hij daar heel deftig mee uit. Hij schittert als een paardenbloem in het gras. Gij kent die plant wel. Als zij uitgebloeid is,—en zou iemand zeggen dat Philostratus nog veel op een knopje gelijkt?—dan wordt zij een licht, met lucht gevuld bolletje, dat een kind wegblazen kan. Hoe zoudt gij het vinden om voortaan die ronde zaadhuisjes »Philostratushoofdjes” te noemen? Bevalt u dat denkbeeld? Dat doet mij genoegen, medeburgers, en ik dank u daarvoor. Het bewijst uw goeden smaak. Laat ons dus bij dit beeld blijven. Bij ieder hoofd behoort een tong, en Philostratus zegt dat de zijne het werktuig is, waarmee hij den kost verdient.”

»Hoort dien trotschaard eens!” viel de ander woedend daarop in. »In zijn oogen strekt eerlijke arbeid, waarmee iemand zich in het leven houdt, een mensch tot schande.”

»Van eerlijken arbeid, vriend,” sprak Dion, »is hier niet zoozeer sprake. Ik sprak immers alleen van uwe tong. Gij begrijpt mij, medeburgers. Mocht een van u dezen waardigen man nog nooit ontmoet hebben, dan zal ik hem toonen wie hij is, want ik ken hem goed. Het is waar, hij is mijn tegenstander, maar ik kan hem toch aan velen onder u met volle overtuiging aanbevelen. Wie een dóór en dóór slechte zaak voor de rechtbank te brengen heeft, dien raad ik sterk aan zich tot dien paardenbloemenman daar bij de fontein te wenden. Hij zal er mij dankbaar voor zijn. Gelooft mij, alleen reeds omdat deze advokaat zich zoo uitslooft, staat de zaak van Didymus uitstekend. Ik heb u vroeger al gezegd wat de quaestie is. Wie van u, die een tuin bezit, kan dien in het vervolg nog zijn eigendom noemen, wanneer het geoorloofd is dien in de afwezigheid der Koningin eenvoudig iemand af te nemen en tot een ander doel te bestemmen? Zoo wil men doen met dien van Didymus. Wordt dat hier zoo de gewoonte, dan moet men maar liever geen radijs meer zaaien, noch een struik of boom planten; want vóórdat de eene rijp is en de andere schaduw geeft, is hij hem misschien al afgenomen, als de vrouw van een voornamen heer bijgeval verkiest haar waschgoed daarin te drogen te hangen.”

Luide toejuichingen volgden op deze woorden, doch de pleitbezorger riep met een harde stem: »Hoort naar mij burgers, en laat u niet misleiden! Niemand zal hier beroofd worden. Tegen ruime schadevergoeding wil men de plek, die men noodig heeft om de stad te verfraaien en de Koningin te eeren, van hem overnemen. Zouden de Regent en de bevolking zich deze schoone gelegenheid laten ontgaan om hunne dankbaarheid en vreugde over de grootste der overwinningen aan den dag te leggen, alleen omdat het een slechtgezind man en—het woord moet er uit—een vijand van zijn land, anders behaagt?”

»Nu komt het moeras te dicht bij mij,” riep Dion driftig uit, »en dat, »blijven steken,” waarvoor gij mij waarschuwdet, kon nu wel eens ernst worden. Want een schaamtelooze die den vuigsten laster durft uitspreken, benijd ik niet om zijn vlugheid van geest. Gij weet immers, gij allen die mij hoort, door hoevele geslachten heen de familie van Didymus tot eer van de stad hier heeft gewoond en roemvollen arbeid heeft verricht. Gij weet dat de oude man tot de leermeesters der koningskinderen behoorde.”

»En toch,” hield Philostratus vol, »zag men hem nog eergisteren met Arius, den vriend en gouverneur van Octavianus, den doodvijand van onze koningin, arm in arm in den tuin van het Paneum wandelen. Aan ieder die het hooren wilde, verzekerde Didymus dat juist deze Arius tot zijn liefste leerlingen behoorde.”

»Inderdaad,” hernam Dion, »de geringste schoolmeester zou zich wel schamen u ooit zoo te noemen, zelfs al waart ge hem in verstand en kennis boven het hoofd gegroeid. Ja, al had men u, in plaats van bij de rhetoren, bij vischhandelaars in de leer gedaan, dan zouden deze het ook niet gaarne bekennen, want zij verkoopen alleen goede waar voor goed geld, maar bij u is ook het allerslechtste nog voor goud te krijgen. Ditmaal treedt gij daarvoor den goeden naam van een achtenswaardig man met voeten. Maar ik zal dat niet gedoogen: gij hoort het, medeburgers: ik daag den Syriër daar ginds uit te bewijzen dat Didymus het vaderland verraden heeft, of zich te laten welgevallen dat ik hem, ten aanhoore van u allen een snood lasteraar en omkoopbaar opruier noem.”

»Smaad uit zulk een mond is gemakkelijk te verdragen,” antwoordde de pleitbezorger op een toon van minachting, maar toch duurde het eenigen tijd, eer hij zich weder tot zijn toehoorders richtte, en met al de warmte, waarover hij beschikken kon, voortging: »Wat ik dan wil, medeburgers? Waarom het te doen is? Ik treed hier op voor de koningin, alleen omdat mijn hart mij daartoe dringt. Om een waardige plaats te verzekeren aan datgene wat Cleopatra tot eer en roem strekken zal, treed ik in het strijdperk met haar vijand, stel ik mij bloot aan den hoon waarmede gij den trotschen overmoed vergunt zijne woede aan mij te koelen. Toch heb ik er geen berouw van, al doe ik mijn natuur geweld aan; want de man, tegen wien ik mijn stem verhef, is ook mijn leermeester geweest, en vóór hij van den weg van waarheid en recht werd afgebracht, heeft hij ook menigmaal mij, voor vele getuigen, tot zijn beste leerlingen gerekend. Ik was ook stellig een der dankbaarste. En zijn kleindochter werd mijn echtgenoot. Door haar bezit...”

»Bezit?” riep Dion luid en heftig. »Zóó kon een door de zee aangespoeld lijk zich evengoed beroemen die zee te bezitten!”

Het zwakke licht der fakkels was sterk genoeg om de omstanders te doen zien hoe de pleitbezorger verbleekte. Eén oogenblik scheen het, of hij, die nooit verlegen werd, nu toch in verwarring was geraakt, maar spoedig riep hij weder: »Medeburgers, lieve vrienden! Ik wilde u spreken van de ellende waarin eene schoone doch lichtzinnige vrouw iemand storten kan.....”

Maar hij kon niet verder gaan, want velen der aanwezigen, die den gevierden, milden Dion en Barine, de schoone zangeres van het laatste Adonisfeest, kenden, gaven duidelijk hun ongenoegen te kennen. Een volksmenigte verheugt er zich altijd in, als zij een man van het vak door een ander die dat niet is, overwonnen ziet.

Toch zou de strijd nog zoo spoedig niet geëindigd zijn, als niet op dit oogenblik onrust en schrik zich van het volk hadden meester gemaakt. Er ontstond een geroep van: »Terug! gaat uiteen!” en tegelijk hoorde men hoefgetrappel en het commando van den aanvoerder eener afdeeling Libysche ruiters. De aanleiding was niet gewichtig genoeg, dat het volk zich daarvoor aan een ernstig gevaar mocht blootstellen. Ook was de heftige woordenstrijd vroolijk geëindigd, en onder de angst- en waarschuwingskreten mengde zich een luid gelach, want de golvende menigte had zich in de richting van de fontein bewogen, en den pleitbezorger in het volle waterbekken doen vallen. Men wist niet of dit met opzet of door een toeval was gebeurd, doch de vergeefsche pogingen van het slachtoffer om zich langs het gladde marmer er uit te werken, waren zoo komiek, en zijn gebaren, toen hij met den bijstand van hulpvaardige handen weder op het plaveisel van het plein terecht was gekomen, wekten zoo onweerstaanbaar de vroolijkheid op, dat veel meer gelach dan gemor onder het gepeupel werd gehoord. De een riep: »Toen hij Didymus zoo zwart maakte, heeft hij zijn eigen handen zwart gemaakt, en nu wil hij ze wasschen!” Een ander: »Een wijze arts heeft hem in de fontein geworpen. Hij had voor al de houwen die hij van Dion heeft gekregen, koude omslagen noodig.” Den Regent, die de ruiters hierheen gezonden had om de menigte voor het huis van Didymus uit elkander te jagen, was het zeer welkom dat deze maatregel nu zoo weinig tegenstand ontmoette. Het volk ging spoedig uiteen, en reeds bij het Dionysostheater werd de aandacht door iets nieuws getrokken. Op de trappen daarvan had de citerspeler Anaxenor eerst afgekondigd dat Cleopatra en Antonius de schoonste aller overwinningen hadden behaald, en daarna een loflied gezongen dat aller harten diep had geroerd. Hij had het al lang geleden vervaardigd, en deze eerste gelegenheid, zoodra het gerucht zich verbreid had, aangegrepen, om de uitwerking er van te beproeven.

Zoodra het plein weer ledig was, verliet Barine haar toeschouwersplaats. Sinds lang had haar hart niet zoo snel geklopt. Van al degenen die haar gunst zochten te verwerven, stond niemand hooger bij haar aangeschreven dan Dion; doch nu gevoelde zij voor het eerst dat zij hem liefhad. Wat hij daar op het plein voor haar en haar grootvader had gedaan, verdiende haar grootste dankbaarheid; het bewees dat hij niet maar, zooals de meesten, alleen bij haar kwam om de lange avonduren door te komen.

Het was geen kleinigheid voor den aanzienlijken jongen man geweest om zich, voor het geheele volk, in een strijd in te laten met dien schaamteloozen man, wien Barine eenmaal had toebehoord, en hoe goed was het hem gelukt den gevreesden improvisator tot zwijgen te brengen. Bovendien had hij hare partij gekozen tegen zijn eigen, machtigen oom, en misschien den broeder van zijn tegenstander, Alexas, die een der voornaamste gunstelingen van Antonius was, tot zijn vijand gemaakt. Dat verhief Barine in eigen oogen, want dat, dacht zij, zou hij die voor geen der Macedonische edelen der stad behoefte achter te staan, voor geene andere gedaan hebben. Zij had door dit alles een gevoel alsof zij verlost was.

Sedert zij de liefelijke opgeruimdheid van geest, die in haar ongelukkig huwelijksleven gedreigd had verloren te gaan, voor zich zelve teruggevonden had, en haar huis een middelpunt van geestelijk leven had zien worden, had zij altijd getracht al hare gasten met dezelfde vriendelijkheid te gemoet te komen. Zij had begrepen dat zij zich niet meer veroorlooven mocht aan een enkelen die macht over haar te geven, die een vrouw aan den man dien zij liefheeft vanzelve schenkt. Aan Dion had zij niets meer toegestaan dan aan de anderen, maar nu gevoelde zij duidelijk dat zij al het genot van een gevierde vrouw te zijn, en de grootste vernuften der stad tot zich te trekken, gaarne zou prijsgeven voor het zooveel grootere geluk door hem bemind te worden en de zijne te zijn. Met hem, door zijne liefde gesteund, geloofde zij iets beters te zullen vinden in de eenzaamheid, dan in de drukte en de opwinding van haar tegenwoordig leven.

Zij wist nu wat haar te doen stond indien hij hare hand vroeg, en voor het eerst had de bouwmeester een stilzwijgend gezelschap aan haar. Hij zou haar gaarne teruggebracht hebben naar het huis van haar grootvader; daar had hij toch andermaal hare zuster Helena ontmoet, terwijl zij het teleurgesteld verlaten had, omdat haar moedige verdediger daar niet teruggekeerd was.

Na het onverwachte slot van den woordenstrijd, had Dion zich recht behagelijk gevoeld. De voldoening van voor een goede zaak opgetreden te zijn, en de verheffende zekerheid van den uitslag waren voor hem wel is waar niets nieuws, maar toch had hij het zelden zóó ondervonden als nu. Hij had vurig verlangd naar de eerstvolgende ontmoeting met haar, en zich voorgesteld hoe hij haar alles verhalen en haar dank voor zijn goede diensten aanhooren zou. Hij had dat alles in zijn verbeelding al doorleefd, maar nauwelijks was dat lachende beeld verdwenen, of de vroolijke uitdrukking van zijn mannelijk gelaat werd ernstig en vol bezorgdheid. Ofschoon het nachtelijk donker slechts spaarzaam door het vuur in de pekpannen werd verlicht, was het hem een oogenblik geweest alsof hij in het heldere daglicht in den bloeienden tuin van zijn paleis stond, en als had Barine, toen hij het loon voor zijn dapper optreden van haar verlangde, hem innig bewogen aan haar borst gedrukt en hij haar hartstochtelijk de betraande oogen gekust. Het visioen was spoedig verdwenen, maar zoo duidelijk geweest als de levendigste droom.

Zou Barine hem toch dierbaarder zijn dan hij dacht? Was het geen welbehagen in haar buigzamen geest en schitterende schoonheid alleen geweest, dat hem in de laatste maanden zoo menigmaal tot haar aangetrokken had? Was een werkelijke, sterke hartstocht in hem ontwaakt? Bestond er gevaar dat de wilskracht, die zijn vrijheid bewaken moest, bezwijken zou? Moest hij vreezen eenmaal, door een geheimzinnige, onwederstaanbare macht gedwongen, in weerwil van de tegenkanting der bedachtzame wijsheid, een verbond voor het leven te sluiten met haar, Barine, die eens een Philostratus toebehoord had? De vrouw die iets geven wilde aan ieder die haar huis bezocht, en wien het daar alleen te doen was om streeling van oog en oor, of een aangenaam onderhoud. Al was haar eer ook zoo rein als het dons van een zwaan—er was toch geen reden om daaraan te twijfelen—toch werd haar naam te gelijk genoemd met dien van Aspasia en vele anderen, bij wie de gasten nog meer vonden dan gezang en geestvolle gesprekken. De gaven, waarmede de goden haar zoo rijk hadden bedeeld, waren reeds door te velen genoten dan dat hij, de laatste spruit uit een edel Macedonisch geslacht, er aan had mogen denken haar als gebiedster binnen te leiden in een huis, dat met Gorgias' hulp zoo rijk en fraai was gebouwd en versierd.

Zeker, er ontbrak niets aan, dan het vriendelijke bestier eener vrouw. En als zij er eens in toestemde zonder den zegen van Hymen de zijne te worden? Neen, dat nooit. De kleindochter van Didymus, die reeds zijns vaders leermeester was geweest, de vrouw die hij steeds zoo van harte had hooggeacht, ondanks de vroolijke vrijheid waarmede zij met zoovelen omging, wilde hij blijven eeren. Dat zou hij doen, zelfs al zouden zijne vrienden hem er om uitlachen. Wat gaf men ook om de heiligheid van den echt, in een stad waar de Koningin in vrije liefde met den gade van een ander leefde? Hij zelf had reeds zoo menige korte verbintenis gesloten, en juist daarom hinderde het hem Barine gelijk te stellen met hen, wier liefde hij waarschijnlijk alleen aan zijn goud te danken had.

Aan moed en vastberadenheid had het hem nooit ontbroken, maar hij voelde dat hij ditmaal rekening te houden had met een macht, waarmede hij zich nog nooit gemeten had. Dat verwenschte visioen! Hij zag het weder, en het lachte zoo lieflijk, dat de dag wel komen moest, dat alle weerstand vruchteloos zou zijn. Indien hij in hare nabijheid bleef, dan zou hij zeker doen wat hem later berouwen zou. Hij had graag een offer gebracht aan Peitho, opdat zij de overredingskunst van Archibius bevleugelen mocht, en Barine tot het besluit brengen om Alexandrië te verlaten.

Het zou hem wel moeilijk vallen haar te missen, maar veel zou reeds gewonnen zijn wanneer zij de stad verliet. Tusschen het tegenwoordige en den verwijderden tijd van het wederzien lag het uitstel van het gevaar, en misschien de kans op de overwinning. Hij herkende zich zelven niet. Hij was in eigen oogen zoo wankelmoedig als een riet, omdat hij den wensch bij Didymus binnen te gaan en hem toe te spreken, onderdrukt had, en het huis voorbijgeloopen was. Hij zou dan Barine bij haar grootvader gevonden hebben, en hij wilde haar nu niet zien, hoewel alles in hem verlangde naar haar aangezicht, hare stem en een woord van dank uit haar lieven mond. In de plaats van blijdschap was een gevoel van misnoegdheid gekomen, zooals van iemand die aan een kruisweg staat, en weet dat hij langs geen der drie wegen tot zijn eigenlijk doel komen zal. De koningsweg, waarover hij zich door de menigte liet voortstuwen, leidde langs de zee, tot aan het theater van Dionysos. Zoodra hij dat zag herinnerde hij zich eensklaps dat zijn vriend Gorgias het beeld van het koninklijke paar vóór dit grootsch gebouw wilde doen oprichten, en als hij nu een onderzoek instelde naar de geschiktheid van deze plaats, zou hij vanzelf op andere gedachten komen.

Toen hij het theater naderde, had de citerspeler juist zijn lied geëindigd, en de menigte ging uiteen. Ieder was vol van de blijde tijding der overwinning, en de een riep de ander toe wat Anaxenor de gunsteling van den grooten Antonius, die het dus weten moest, hun in verzen had meegedeeld. Daarop weerklonk menig „Io” en „Evoë”7) op Cleopatra, de nieuwe Isis, en Antonius, den nieuwen Dionysos. Gebaarde en gladde, fijne Grieksche en dikke Aegyptische lippen vereenigden zich in het geroep: „Naar het Sebasteum!” Dat was namelijk het koninklijk paleis, waar tegenover het gebouw der Regeering stond en het huis van den Regent. Men wilde het kostelijk bericht bevestigd zien en door een uiting van dankbare vreugde lucht geven aan het volle hart.

Ook Dion wilde zekerheid erlangen, en hoewel de luidruchtige ontboezemingen van het volk hem altijd te veel tegenstonden om er aan deel te nemen, maakte hij zich nu toch gereed om de joelende schaar te volgen naar het Sebasteum. Doch plotseling hoorde hij het geroep van mannen, die een dichtgesloten draagstoel vooruitliepen. Het was die van Iras, de vertrouwde kamervrouw der Koningin. Als iemand mededeelingen kon doen, dan was zij het, maar het was in dit gedrang onmogelijk een gesprek met haar aan te knoopen. Zij scheen echter van een ander gevoelen te zijn, want zij had hem opgemerkt en riep hem tot zich. Haar anders zoo heldere stem klonk ditmaal schor. Men hoorde daaraan dat zij heftig bewogen was, terwijl zij Dion met allerlei vragen overstelpte. Zonder zich tijd te gunnen voor de gewone begroeting, wilde zij dadelijk weten wat de menigte zoo opgewonden maakte, wie hun de tijding der overwinning gebracht had, en waarheen het volk zich begaf.

Terwijl Dion haar te woord stond, had hij moeite genoeg niet voortgedrongen te worden. Dat merkte zij, en daar zij juist den Meander voorbij kwamen, den dwaaltuin die na zonsondergang gesloten werd, liet zij zich naar den ingang daarvan dragen, maakte zich aan de wachters bekend, liet den draagstoel daar nederzetten, en beval de dragers en voorloopers te blijven wachten, totdat zij hen roepen zou.

De ongewone gejaagdheid van het meisje vervulde Dion met gegronden angst. Toen hij haar verzocht uit te stappen en met hem op en neder te wandelen, wees zij dit af met de betuiging, dat er in het leven te veel dwaalwegen waren, dan dat men die met opzet zoeken moest. Hij scheen ook wel op wegen te gaan, die niet juist tot de rechte behoorden. „Waarom,” besloot zij, en stak het hoofd daarbij door de opening van den draagstoel „maakt gij het den Regent en uw eigen oom zoo moeielijk om hunne bevelen door te zetten, en trekt partij voor het volk als een omgekochte oproermaker?”

„Als Philostratus, bedoelt gij, dien ik als toevoegsel tot de gouden belooning uit uwe hand, nog eenige ribbenstooten toegediend heb?”

„Zooals gij wilt. Waarschijnlijk waart gij het ook, die hem in het water deedt werpen, nadat gij uw gemoed aan hem gekoeld hadt? Gij moet uwe zaak goed verstaan hebben. Wat men met liefde op zich neemt, gaat gewoonlijk goed. Het zij zoo, wanneer nu maar zijn broeder Alexas, Antonius niet tegen u in het harnas jaagt. Wat mij betreft, ik wil alleen maar weten, waarom en voor wien dat alles is geschied.”

»Voor wien anders dan voor den braven ouden man, die reeds de leermeester mijns vaders is geweest, en voor zijn goed recht,” antwoordde Dion rustig. »En behalve dat ook ter wille van den goeden smaak, want er is geen ongunstiger plek voor het standbeeld denkbaar dan juist die tuin.”

Iras lachte, een korten, scherpen lach, en haar smal, zeer regelmatig gezicht, dat men schoon had kunnen noemen als de rug van den fijnen rechten neus niet wat lang en de kin iets te klein waren geweest, vertrok zich, terwijl zij uitriep: »Dat is ten minste openhartig.”

»Daaraan moest gij bij mij gewoon zijn,” hernam hij bedaard. »In dit geval is trouwens de deskundige bouwmeester Gorgias geheel van hetzelfde gevoelen.”

»Ook dat kwam mij ter oore. Gij beiden zijt ijverige bezoekers van—hoe heet zij ook weer?—de betooverende Barine.”

»Barine!” herhaalde Dion, alsof die naam hem verraste. »Gij zorgt er voor, vriendin, dat ons gesprek onze omgeving, den dwaaltuin, eer aan doet. Ik spreek van werken der beeldende kunst, en gij doet alsof gij dat toepast op een overigens zeer wel gelukt levend werk der scheppende goden. Ik was er mijlen ver van af bij dat alles aan de kleindochter van den ouden geleerde te denken, toen ik voor hem in 't strijdperk trad.”

»Zooals,” voegde zij er bitter bij, »alle jonge heeren van uwe soort altijd eerder denken aan de waardige leermeesters van hun vader, dan aan die vrouwen die, sedert Pandora haar doos opende, alle kwalen in de wereld brachten. Maar,”—en zij streek de zwarte lokken van haar voorhoofd, »ik begrijp mij zelve niet, hoe ik er nu, bij den zwaren last, die op mijn ziel ligt, toe kom, om ook maar één woord aan zulke beuzelingen te verspillen... En toch! De oude geleerde raakt mij even weinig als het geheele aantal van zijn commentaren en andere geschriften, al zijn zij mij niet geheel onbekend.... Hij mocht, wat mij betreft, even veel kleinkinderen hebben als hier in Alexandrië booze tongen zijn, als het er mij niet om te doen was alles wat een schaduw op den weg der Koningin werpt te verwijderen. Ik kom zooeven van de Lochias, uit het paleis der koninklijke kinderen, en wat ik daar hoorde.... Maar ik wil en kan het nog niet gelooven.... Ik ben er geheel van vervuld.”

»Zijn er slechte tijdingen van de vloot?” vroeg Dion vol belangstelling. Zij antwoordde niet, maar knikte bevestigend met het hoofd, en legde den waaier van struisvederen als teeken van stilzwijgen tegen haar mond. Tegelijk beefde zij zoo hevig, dat hij het, niettegenstaande de duisternis, zag. Hij begreep hoe moeilijk het spreken haar viel, toen zij met doffe stem vervolgde: »Het moet nog geheim blijven.... Schippers van Rhodus.... het is, de Goden zij dank, nog geheel onzeker.... het kan, het mag niet waar zijn! En toch.... het is een schande dat die citerspeler bij het volk zulke blijde verwachtingen durft opwekken. Wie het meest aan de grooten der aarde te danken heeft, doet hun gewoonlijk het meeste kwaad. Gij kunt zwijgen Dion, dat weet ik. Dat toondet gij reeds als knaap, als gij iets te verbergen hadt voor uw ouders. Of gij nu nog, evenals toen, voor mij in het water zoudt springen? Ik geloof het niet! Maar vertrouwen mag ik u, en dat doe ik zelfs hier in dezen dwaaltuin. Mijn hart dreigt te bersten, maar geen woord daarvan aan wien ook! Ik heb geen vertrouweling noodig, en zou ook u alles kunnen verzwijgen, maar ik wensch dat gij mij begrijpt, juist gij, die de rol gespeeld hebt, die gij speeldet. Vóór ik op de Lochias in mijn draagstoel stapte, kwam ook die knaap tehuis, en ik sprak hem nog even.”

»De jonge Cæsarion,” viel Dion haar ernstig in de rede »bemint Barine.”

»Dus bleef deze ontzettende dwaasheid ook al niet geheim?” vroeg zij opgewonden. »De droomer toont een hartstocht, dieper dan ik ooit van hem zou hebben gedacht. Stel u voor dat de Koningin terugkomt, minder gelukkig dan wij wenschen, dat zij allen terugziet van wie zij nog iets verblijdends, goeds of groots verwacht, en dan hoort wat er met den knaap is gebeurd,—want wat zou haar verlichte geest niet opmerken en doorzien?Hij is haar dierbaar, meer dan gij allen vermoedt—hoe zal dat dan haar onrust, haar ellende vermeerderen! Hoe rechtmatig zal haar toorn zijn over hen, wien plicht en liefde geboden over den knaap te waken!”

»Daarom,” zeide Dion, »is het noodig dat de steen des aanstoots weggenomen wordt. Met dien aanval op Didymus hebt gij tot dat doel reeds het uwe gedaan.”

Hij had terecht ingezien, dat zij met het geheele complot tegen den geleerde eigenlijk alleen beoogde aan de machthebbers het recht te geven om tegen den ouden philosoof en de zijnen, dus ook tegen Barine, krachtig op te treden. De Aegyptische wet eischte, dat ook de bloedverwanten dergenen die tegen de regeering iets hadden misdaan, verbannen werden. Deze aanval op een onschuldige was schandelijk, en toch begreep Dion uit ieder woord dat Iras sprak, uit iederen trek van haar gelaat, dat het niet alleen lage jaloerschheid, maar iets edelers was, wat haar daartoe bracht: de liefde voor hare gebiedster, de groote begeerte om haar voor kommer en leed te behoeden. Hij kende Iras, haar ijzeren wil, en de meedoogenloosheid waarmede zij aan het hof altijd haar doel had trachten te bereiken. Zijn eerste werk moest nu zijn Barine te bewaren voor het gevaar dat haar dreigde; vervolgens moest hij Iras, de dochter van Krates, die langen tijd naast zijn vader had gewoond, met wie hij als knaap had gespeeld en die tot nu toe in al zijn lotgevallen had gedeeld, bevrijden van den angst die haar drukte.

Zijn uitspraak verraste haar. Zij zag hoe de man, die haar meer waard was dan ieder ander, haar doorzag, en een vrouw die bemint, verheugt zich altijd als zij de meerderheid van den geliefde gevoelt. Daarbij was zij van kind af—en zij was maar twee jaar jonger dan Dion—opgegroeid in kringen waar men niets hooger stelde dan de oefening van den geest, ten einde dien helder en scherp te maken. Haar zwarte oogen, die eerst uitvorschend en wantrouwend gefonkeld en daarna van hartstochtelijke droefheid gegloeid hadden, namen nu een nieuwe uitdrukking aan. Smeekend zochten zij den blik van haar vriend, terwijl zij op zijn vermoeden hernam: »Ja Dion, de kleindochter van den philosoof mag hier niet blijven. Of ziet gij een ander middel om den knaap voor onberekenbaar onheil te bewaren? Gij kent mij lang genoeg om te weten dat het mij, evenzeer als u, tegen de borst stuit om het goed recht van een ander te krenken, en dat ik, als het niet noodig is, zoo hardvochtig niet ben. Ik acht u zeer hoog. Niemand is zoo waarheidlievend als gij, en gisteren hebt gij mij nog stellig verzekerd, dat Eros met uwe bezoeken bij de jonge vrouw niets te maken had, dat gij enkel zoo dikwijls tot hare gasten behoort omdat zij uw geest zoo aangenaam opwekt. Wat ik ook leerde wantrouwen in de wereld, op uw woord vertrouw ik nog. En toch, toen ik vernam hoe gij voor Didymus in de bres gesprongen waart, en u zag trachten naar den dank en de gunst van zijn kleindochter.... gij mannen zegt immers, dat Zeus de betuigingen der minnenden niet hoort,—toen hief de argwaan het hoofd weder op. Nu schijnt gij mijn gevoelen te deelen....”

»Ja,” viel hij in, »evenals gij, geloof ik dat Barine onttrokken moet worden aan de wenschen van den knaap, die u niet onaangenamer kunnen zijn dan haar zelve. Daar Cæsarion op het oogenblik Alexandrië te minder verlaten kan, omdat de zaken zoo slecht staan, blijft er niets anders over dan de jonge vrouw van hier te verwijderen;—maar natuurlijk met alle mogelijke omzichtigheid.”

»O, in een gouden wagen, en met rozen bekranst, als gij dat verkiest!” riep Iras levendig uit.

»Dat zou maar opzien wekken,” antwoordde hij glimlachend, en met een afwerend handgebaar. »Nu ik de drijfveeren uwer handelwijze ken, behaagt die mij wel is waar altijd nog niet, doch ik wil u gaarne helpen om uw doel te bereiken. Ook langs kronkelpaden komt men waar men wezen wil, en daarop loopt men minder gevaar den voet te stooten; de rechte weg is mij echter liever, en ik geloof dat ik dien ook reeds gevonden heb. Een harer vrienden noodigt de jonge vrouw uit naar zijn landgoed te komen dat ver van hier gelegen is.”

»Zijt gij dat?” vroeg Iras, terwijl haar fijne wenkbrauwen zich pijnlijk samentrokken.

»Gelooft gij dan dat zij mij volgen zou?” hernam hij op licht verwijtenden toon. »Neen. Gelukkig hebben wij nog vrienden die ouder zijn, en de voornaamste van die is toevallig uw oom, die als was is in de handen der koningin.”

»Archibius?” riep Iras uit. »Ja, als hij haar daartoe overreden kon.”

»Dat zal hij beproeven. Hij maakt zich ook ongerust over den knaap. Terwijl wij hier samen spreken, noodigt hij Barine uit van zijn landgoed gebruik te maken. De buitenlucht daar zal haar zeker goed doen.”

»Ik wensch haar toe dat zij zoo gezond moge worden als een herderinnetje!”

»Dat is een goede wensch, want komt de Koningin niet zegevierend terug, dan worden wij Alexandrijnen nog veel prikkelbaarder. Toen gij den tuin van Didymus in beslag wildet nemen, waart gij al zoo ijverig aan de oprichting van een eerepoort bezig, dat gij daarbij vergeten hebt....”

»Wie twijfelde dan ook aan den gelukkigen afloop van dezen oorlog?” riep Iras. »En zij zullen zeker, zeker overwinnen! De man uit Rhodus zeide, dat de vloot uiteengedreven was. Dat zou dan gebeurd zijn aan de kust van Akarnië. Dat klonk zeer stellig, maar intusschen had hij het zelf ook slechts van een tweede of derde gehoord. En wat beteekent een gerucht! Hoe dikwijls blijkt later dat het verkeerd was. Bovendien, al werd de zeeslag ook verloren, dan zouden wij altijd nog onze geduchte landmacht hebben. Zij beteekent veel meer dan die van Octavianus. En welke veldheer is opgewassen tegen Antonius? Hoe dapper zal hij strijden, als het de allergewichtigste dingen geldt: roem, eer, heerschappij, haat en liefde. Waarom zouden wij zoo beangst zijn? Na Dyrrhachium hield ieder de zaak van Cæsar voor verloren, en hoe spoedig daarop werd hij te Pharsalus de beheerscher der wereld! Is het niet beneden een verstandig mensch om door schipperspraatjes den moed te verliezen?—En toch—toch! Reeds toen ik ziek werd, begon het. En dan die zwaluwen aan het admiraalsschip! Daar sprak ik u vroeger al van. Mardion en uw oom Zeno hebben het met eigen oogen gezien, hoe vreemde zwaluwen de andere uit haar nest bij het roer verjoegen en de jongen met hare snavels dood pikten. Dat was een slecht voorteeken! Ik kan het maar niet vergeten. En dan mijn droom, toen ik de koorts had!—Maar ik heb hier al veel te lang vertoefd. Toch ben ik dankbaar voor dit onderhoud met u, Dion, want nu kan ik gerust zijn wat den knaap Cæsarion betreft. Zet het standbeeld neer waar gij wilt. Het volk moet weten dat wij acht geven op hun tegenstand, en, als hunne vrienden, rechtvaardig zijn. Help gij mij nu ook om alles ten beste te keeren voor de Koningin.... en als het Archibius gelukt Barine voor eenigen tijd buiten de stad te houden, dan.... Ja, zoo ik maar iets wist wat u aangenaam kon zijn, dan zou ik u dat zeker verschaffen. Maar wat geeft de gevierde Dion om zijn verwelkende vroegere speelkameraad?”

»Verwelkende?” herhaalde hij op een toon van verwijt. »Zeg liever de volschoone, die van haar koninklijke vriendin het geheim geleerd heeft van jong te blijven.”

Met een rassche beweging stak zij hem dankbaar de witte slanke hand toe, die, na die van Cleopatra, de fraaiste aan het hof werd genoemd; doch toen hij de fijne vingertoppen eerbiedig en zacht aan zijn lippen bracht, trok zij snel de hand terug en riep, alsof zij plotseling berouw voelde: »In dezen tijd, met zulk een angst in het hart, dit onbeduidende gebeuzel! Het is onwaardig en beleedigend. Als Barine met Archibius medegaat, zal de tijd haar zeker niet lang vallen op zijne landgoederen. Ik geloof dat ik wel weet wie haar spoedig na zal reizen om haar gezelschap te houden.—Hier, Pasis! De dragers! En nu naar de Zonnepoort!”

Dion staarde den verdwijnenden draagstoel nog een oogenblik na; toen liet hij de hand door zijn bruine lokken gaan, liep daarop naar het strand, en sprong, zonder zich te bedenken, in een der booten die daar verhuurd werden. Hij gebood de schippers, die met hem mede wilden gaan, op het land te blijven, spande zelf de zeilen met een geoefende hand, en voer zoo de haven uit. Die krachtsinspanning kwam hem juist te stade, en hij ging nu meteen zelf op verkenning uit.

4) De godin der overreding.

5) Kleine liefdegoden, in het gevolg van Eros.

6) Vierkante steenen zuilen met den kop van Hermes er op.

7) Een juichkreet bij de Dionysosfeesten.

VIERDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Het huis dat Barine bewoonde, dicht bij de tuinen van het Paneum, was het eigendom harer moeder, die het van hare ouders geërfd had. Haar vader, de schilder Leonax, de zoon van den philosoof Didymus, was lang geleden gestorven. Zoodra Barine's ongelukkig huwelijk met Philostratus ontbonden was, had zij weder haar intrek genomen bij haar moeder, die de huishouding bestierde. Ook deze stamde van een geleerde familie af, en was opgegroeid met een broeder, die naam gemaakt had als philosoof, en de studiën van den jongen Octavianus had geleid. Dit was echter lang vóór het begin der twisten, die den erfgenaam van Cæsar en Marcus Antonius vaneen scheidden. Doch zelfs nadat deze laatste zijne gemalin Octavia, Octavianus' zuster, verstooten had, om tot Cleopatra, de geliefde van zijn hart, terug te keeren, en nadat het tusschen de mededingers om de heerschappij der wereld tot een openlijke breuk gekomen was, had Antonius zich vriendelijk getoond jegens Arius, en in geen enkel opzicht zijn innige betrekking tot Octavianus gewraakt. De milde Romein had den vroegeren Mentor van zijn vijand ten overvloede een fraai huis ten geschenke gegeven, om hem te toonen hoe gaarne hij hem in Alexandrië en in zijne nabijheid behield.

De weduwe Berenice, Barine's moeder, was zeer gehecht aan haar eenigen broeder, die dikwijls tot de gasten harer dochter behoorde. Zij was een bedaarde, stille vrouw, die den tijd toen zij zich wijden kon aan de opvoeding harer kinderen, den vurigen Hippias, Barine en Helena, den gelukkigste haars levens noemde. De laatste woonde nu al sinds jaren bij haar grootouders, en verzorgde hen met de meeste toewijding. Zij was altijd gemakkelijker te leiden geweest dan haar oudere zuster en broeder. De hoog strevende geest van den knaap had hem dikwijls aan de moederlijke leiding onttrokken, en het schoone, levendige meisje had van jongsaf iets bijzonder betooverends gehad, zoodat een nauwlettend toezicht dubbel noodig was geweest.

Eerst te Alexandrië, later te Athene en op Rhodus had Hippias zich tot redenaar ontwikkeld, en drie jaren geleden had zijn oom Arius hem met goede aanbevelingen naar Rome gezonden, om het leven daar te leeren kennen, en te beproeven met zijne zeldzame gave van welsprekendheid daar zijn weg te maken.

Twee ongeluksjaren aan de zijde van een gewetenloos man, dien zij niet liefhad, hadden den kinderlijken overmoed van Barine langzaam doen overgaan in haar tegenwoordige kalmere opgeruimdheid. Haar moeder was zich bewust dat zij met de beste bedoelingen haar zestienjarige dochter een huwelijk had laten sluiten met Philostratus, in wien Didymus toenmaals een veelbelovenden jongen man dacht te zien, terwijl diens broeder Alexas, Antonius' gunsteling, die dezen in den oorlog had vergezeld, beloofd had hem voort te helpen op zijn verdere loopbaan. De goede vrouw had gedacht dat het bevallige schepseltje op deze wijze het best voor de gevaren der wufte stad beschermd zou zijn; doch de onwaardige echtgenoot had moeder en dochter veel leed berokkend, en niet veel minder deed dit zijn invloedrijke broeder, die niet moede geworden was zijn jonge schoonzuster met onwaardige voorstellen te vervolgen.

Thans zag vrouw Berenice vaak haar kind met stomme verbazing aan, omdat zij, uit al die smart en vernedering nog die onschuldige vroolijkheid had weten te redden, die den schijn gaf, alsof haar leven slechts rozen zonder doornen opgeleverd had.

Haar vader Leonax had tot de beroemdste der Alexandrijnsche schilders behoord, en van hem had zij die veerkrachtige kunstenaarsziel, die ook na den zwaarsten druk weder krachtig opsprong. Hem had zij ook die bijzondere gave van den zang te danken, die zorgvuldig aangekweekt was, en die haar in de koren der jonkvrouwen op de hooge feesten der godinnen, eene eerste plaats hadden doen verwerven. De lof van haar kunst was in aller mond, sedert zij op het Adonisfeest bij het wassen beeld van den lieveling der goden, die door het everzwijn was gedood, in het koninklijk paleis den »Jalemos” gezongen had. Men rekende het als een voorrecht haar te hebben gehoord, te meer daar zij zich enkel in haar eigen huis of bij bijzondere gelegenheden »ter eere der goden” liet hooren.

Ook de Koningin had haar gehoord, en na dat Adonisfeest was Antonius door haar oom Arius in haar huis binnengeleid. Met al de warmte van zijn vurige, openhartige natuur had hij zijne bewondering voor haar uitgesproken, en zich een volgend maal ook doen vergezellen door zijn zoon Antyllus. Zeker zou hij nog wel meer gekomen zijn, indien hij niet, daags na het tweede bezoek, zich gedwongen had gezien de stad te verlaten.

Barine's moeder had het Arius verweten dat hij den geliefde der koningin bij haar had gebracht, en door het herhaald bezoek van Antonius' zoon, nog meer door dat van Cæsarion, dien Antyllus medegebracht had, had hare vrees nieuw voedsel gekregen. Deze jongelieden behoorden niet tot de gasten die zij gaarne komen zag, en naar wier gesprek zij gaarne luisterde. Wel was het vleiend dat zij haar eenvoudig huis met hunne tegenwoordigheid vereerden, doch zij wist dat Cæsarion buiten voorkennis van zijn gouverneur kwam, en zag hem duidelijk aan wat hem tot haar dochter aantrok. De arme vrouw Berenice had bij de opvoeding van die beide kinderen van veel zorgen, het blijde vertrouwen van vroeger tijd verloren. Thans zag zij van al het nieuwe, dat het leven haar bracht, altijd de donkere zijde het eerst. Als een brandende kaars voor haar stond, zag zij eerst de schaduw van den kandelaar, en dan eerst de vlam. Haar geheele inwendig leven was een aaneenschakeling van angsten geworden, maar de goedhartige vrouw had hare kinderen te lief, om hen dat te laten merken. Het gaf haar alleen een kleine verlichting wanneer zij, als haar vrees bevestigd werd, verzekeren kon, dat zij dat van te voren wel geweten had.

Op haar nog altijd lief, vriendelijk gelaat was van dat alles niets te lezen. Zij sprak slechts weinig, maar wat zij zeide was verstandig, en bewees hoe oplettend zij gewoonlijk toeluisterde. Daarom waardeerden Barine's gasten hare tegenwoordigheid. Zelfs de meestbeteekenende ontving nog wat van haar, daar hij voelde dat de stille vrouw hem begreep.

Eer Barine dezen avond te huis was gekomen, was er iets gebeurd, dat haar moeder dubbel deed betreuren, dat haar broeder Arius eergisteren een ongeval overkomen was. Toen hij in het donker van Berenice kwam, was hij door een wild rijdenden wagen op den grond geworpen en zwaar gekwetst naar huis gedragen. Daar lag hij nu roerloos in een hevige koorts, en het maakte zijn lijden niet lichter, dat hij hoorde hoe zijne beide zoons den woesteling, die dit hun vader had aangedaan, met hunne wraak bedreigden. Om goede redenen hield hij zelf Antyllus voor den boosdoener, en uit een ongenoegen met Antonius' zoon kon voor hem en de zijnen een nieuw onheil ontstaan, want de jonge Romein scheen weinig van de menschlievende grootmoedigheid zijns vaders geërfd te hebben. Trouwens, Arius kon het zijn zoons niet kwalijk nemen, als zij de handelwijze van den onvoorzichtige in de scherpste bewoordingen laakten. Hij zelf had zijn zuster nog gewaarschuwd voor den niets ontzienden overmoed van den jongen man, wiens vader door zijn eigen toedoen in haar huis gekomen was. Hoeveel reden hij daarvoor had gehad, was nu reeds gebleken. Bij het ondergaan der zon waren namelijk heden eenige gasten, en later ook de negentienjarige Antyllus aan de poort gekomen en door den wachter afgewezen. Daarop had hij onstuimig verlangd Barine toch te zien, had den ouden portier, die hem wilde tegenhouden op zijde geduwd, en was zonder vergunning doorgedrongen tot de werkplaats van den overleden heer des huizes, waar de vrouwen gewoonlijk hare gasten opwachtten. Eerst toen hij deze ledig vond, was hij teruggekeerd, maar te voren had hij een bloemruiker, dien hij had meegebracht, vastgebonden aan een beeld van Eros, dat daar stond. De poortwachter en Barine's kamermeisje beweerden dat hij dronken was geweest. Dat hadden zij gezien, toen hij met zijne makkers, die op hem wachtten, strompelend weder weg was gegaan.

Dit ongepaste gedrag vervulde vrouw Berenice met hevige verontwaardiging. Het mocht ook niet ongestraft blijven. Terwijl zij hare dochter verwachtte, ging zij bij zich zelve na welke slechte gevolgen het hebben kon, wanneer men aan Antyllus het huis verbood en hem bij zijn gouverneur aanklaagde, maar ook hoe hij, als dit niet gebeurde, tot allerlei ondragelijke handelwijzen komen kon.

Zij was vol droeve voorgevoelens, en juist omdat zij met zooveel grond het ergste moest vreezen, hoopte zij in stilte dat haar dochter toch nog misschien iets verblijdends zou mede te deelen hebben. Reeds dikwijls had zij ondervonden dat de dingen, die zij zoo somber ingezien had, op het laatst zich toch nog ten goede keerden. Eindelijk verscheen Barine, en in lang had haar moeder haar niet zoo vroolijk en gelukkig gezien.

De weduwe voelde den angst uit haar hart verdwijnen. Haar dochter moest iets bijzonder verblijdens overkomen zijn, want zij straalde van vreugde. Toch moest zij zeker reeds gehoord hebben wat hier was geschied, althans, daar zij zonder mantel en zorgvuldig gekapt binnenkwam, moest zij in het slaapvertrek zijn geweest, waar de spraakzame Cyprische slavin, die niet licht een nieuwstijding vóór zich hield, haar zeker bij het kleeden geholpen had. Het meisje had hare handigheid heden weder duidelijk bewezen. »Niemand kan mijn kind voor ouder dan negentien houden,” dacht de trotsche moeder. »Hoe goed staan haar het witte gewaad en het peplos8) met den blauwen rand! Hoe fraai slingert zich het blauw zijden lint door dat zware golvende haar! Wie zou gelooven dat geen brandijzer die gouden lokjes krulde, die zoo bevallig op het voorhoofd liggen; dat aan het rood en wit op die wangen, en de albasten tint dier armen geen enkele penseelstreek mededeed? Het is waar, zooveel schoonheid wordt licht een geschenk der Danaërs, maar het is toch ook een heerlijke gave der goden! Doch waarom zou zij nu den armband dragen, dien Antonius haar na zijn laatste bezoek gezonden heeft? Zeker niet voor mij alleen. Dion kan zij toch ook zoo laat niet meer verwachten. Misschien pakt zich op dit oogenblik reeds weder een nieuwe wolk boven haar hoofd samen.”

Dit alles ging haar door het hoofd, terwijl hare dochter opgewekt vertelde wat zij bij haar grootvader en voor diens huis had beleefd. Zij had zich ondertusschen gemakkelijk in de kussens van een rustbank neergevlijd, en toen zij over het onbehoorlijke gedrag van Antyllus sprak, noemde zij dat met een luchthartigheid die Berenice deed schrikken, slechts een grove onbeleefdheid, die niet weder plaats hebben mocht.

»Maar wie zal zich daartegen verzetten?” vroeg haar moeder.

»Wie anders dan wij?” was het antwoord. »Wij ontvangen hem niet meer.”

»En wanneer hij dan toch binnendringt?”

Barine's groote blauwe oogen schoten vonken, terwijl zij met vaste stem uitriep: »Dat moest hij eens beproeven!”

»Maar over welke macht hebben wij dan te beschikken,” zeide Berenice, »dat wij Antonius' zoon terug zouden kunnen houden? Ik ken die niet.”

»Maar ik wel,” verzekerde hare dochter. »Luister, moeder; ik zal kort zijn, want wij verwachten een bezoek.”

»Zoo laat nog?” was de bezorgde vraag.

»Archibius wenscht ons te spreken over een gewichtige zaak.”

Eén oogenblik ontrimpelde zich bij deze woorden het voorhoofd van Berenice, maar spoedig fronste zij de wenkbrauwen weder, terwijl zij uitriep: »Een gewichtige zaak op zulk een ongewoon uur! Reeds lang vermoedde ik niets goeds. Op weg naar mijn broeder vloog een raaf voor mij op, en vloog linksom den tuin in.”

»Maar ik,” zeide Barine, »zag zeven witte duiven, niet meer en niet minder, want zeven is het allerbeste getal, die alle met snellen vleugelslag rechtsom vlogen. Vooraan de schoonste. Zij droeg in haar snavel een korfje, en daarin lag de macht om den zoon van Antonius van ons af te houden. Ja, zie mij maar niet zoo verbaasd aan, lieve moeder, gij toonbeeld van bezorgdheid, dat gij zijt.”

»Maar kind, gij hebt toch gezegd dat Archibius zoo laat zou komen om iets gewichtigs te bespreken,” zeide Berenice.

»Hij zal ook spoedig komen.”

»Spreek daarom niet in raadsels, want ik ben niet vlug in het raden.”

»Dat zijt gij wel,” hield Barine vol. »Maar wij hebben inderdaad geen tijd te verliezen. De schoone duif was dus een goede gedachte, en wat er in dat korfje was, zult ge dadelijk hooren. Zie eens moeder, wie er ook anders over denke moge, en of ook iemand ons beklaagt: zoo kan het hier niet voortgaan! Met iederen dag dat ik ouder word, voel ik het duidelijker, en het zal nog jaren duren eer dit gevoel geheel verdwijnt. Ik ben te jong om ieder, die aan mij voorgesteld wordt als gast welkom te heeten. Het is waar, onze ontvangzaal was eenmaal de werkplaats van mijn eigen vader, en de meesteres van dit huis zijt gij, mijn waardige, vlekkelooze moeder, maar door uw nederigen aard, houdt gij, die in alles beter zijt dan ik, u zoo bescheiden op den achtergrond, dat zij u slechts opmerken als gij er niet zijt. Zoo is het gekomen dat de menschen die ons bezoeken, altijd zeggen: »ik ga naar Barine,” en het getal van hen die zoo spreken wordt mij al te groot. Ik kan niet meer uitkiezen—en deze gedachte....”

»Kind, kind!” riep haar moeder hoogst verheugd. »Welken god hebt gij heden op uw weg ontmoet?”

»Dat weet gij wel,” was het antwoord. »Er waren zeven duiven, en toen ik uit den snavel van de voorste het korfje nam, vertelde zij mij een geschiedenis. Wilt gij die hooren?”

»Zeker, zeker! Maar spoedig, anders komt men ons storen.”

Barine lag achterover in de kussens, sloeg de oogleden neer en begon: »Daar was eens een vrouw, die een tuin bezat in het aanzienlijkste gedeelte der stad, hier in de buurt van het Padeum, zoo gij wilt. In den herfst, als de vruchten aan hare boomen rijp waren, liet zij de deur open, al deden alle buren ook het tegenovergestelde. Maar om nu toch de ongewenschte liefhebbers van hare goede vijgen en dadels af te houden, hechtte zij aan de deur een bordje met het opschrift: »Men mag ongestraft binnentreden en genieten van het gezicht van den tuin: doch wie een bloem plukt, het gras vertreedt of een vrucht neemt, wordt door de honden verscheurd.” Nu bezat de vrouw slechts een schoothondje, dat haar echter niet altijd gehoorzaamde. Maar het opschrift deed goede diensten, want in het eerst kwamen enkel de buren uit de voorname wijk. Zij lazen de bedreiging, en zouden ook wel zonder die het eigendom der vrouw, die hen zoo vriendelijk liet binnengaan, ontzien hebben. Zoo ging het een tijdlang voort, totdat er eens een bedelaar kwam en toen een Phoenicische matroos en een diefachtige Aegyptenaar uit de Rhakotis, die geen van allen konden lezen. Daarom was voor hen het opschrift als niet geschreven, en daar zij buitendien niet zeer goed het mijn en dijn onderscheiden konden, vertrad de een het grasperk, de ander stal een bloem of vrucht van de takken. Steeds kwamen er meer van dat gepeupel, en gij kunt wel begrijpen hoe het verder ging. Niemand strafte hen voor hun euveldaad, want het keffen van het schoothondje verschrikte hen niet, en dat gaf ook aan de anderen, die wel lezen konden, moed, om zich niet meer aan de waarschuwing te storen. Nu verloor de fraaie tuin zeer spoedig zijn bekoorlijkheid en ook zijn vruchten. Toen eindelijk de regen het schrift van het tafeltje uitwischte en baldadige knapen het bekrasten, kwam het er verder niet op aan. Wie nu nog in den tuin kwam, vond er dan ook niets meer dat hem aantrok. Daarom sloot de eigenares voortaan de deur, evenals de buren hadden gedaan, en het volgend jaar verheugde zij zich opnieuw in het groene gras en de bonte bloemen. Nu genoot zij zelve van de vruchten, en het schoothondje hinderde haar niet meer met zijn gekef.”

»Dat wil zeggen,” zeide de moeder, »als alle menschen van goede zeden en zoo beschaafd waren als Gorgias, Lysias en eenige anderen, dan zouden wij kunnen voortgaan met ons huis open te stellen. Maar nu er ook ruwe lieden zijn, zooals Antyllus....”

»Goed begrepen!” riep de dochter uit. »Wij zijn immers vrij om de enkelen, die ons schrift lezen kunnen, uit te noodigen? Morgen reeds zullen wij aan onze bezoekers mededeelen, dat wij hen niet meer kunnen ontvangen zooals vroeger.”

»En,” voegde haar moeder er bij, »Antyllus' gedrag doet daartoe een voortreffelijk voorwendsel aan de hand. Ieder weldenkende moet dat begrijpen.”

»Ja zeker,” zeide Barine, »en als gij, die de verstandigste van alle vrouwen zijt, daarbij het uwe doet....”

»Dan zullen wij het in ons eigen tehuis eerst recht goed hebben. Geloof mij kind—als gij maar niet....”

»Geen »als!” Ditmaal niet!” riep de jonge vrouw uit, en hief smeekend hare handen op. »Ik denk zoo gaarne aan ons nieuwe leven, en als het, zooals ik hoop en wensch, eenmaal komt—gelooft gij ook niet, moeder, dat de goden mij dan een vergoeding schuldig zijn?”

»Waarvoor dat?” klonk plotseling de zware stem van Archibius, die onaangemeld binnengekomen was, en nu eerst door de beide vrouwen werd opgemerkt.

Barine stond snel op, reikte haar ouden vriend beide handen toe, en riep uit: »Nu zij mij u toezenden, begint de afrekening al!”

8) Wijd opperkleed zonder mouwen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Voor een kunstenaar, en vooral voor een schilder, is het gemakkelijk zijn huis fraai en aantrekkelijk te maken. Hij wil het gaarne behagelijk zien en alleen het schoone behaagt hem. Alles wat de harmonie zou verstoren beleedigt zijn oog, en om de edelste versieringen aan te brengen, behoeft hij geen vreemde over zijn drempel te laten komen. De Muze alleen komt hem ongeroepen hare onovertrefbare hulp aanbieden. Zij was het ook die Leonax, Barine's vader, geholpen had om zijn huis tot een bekoorlijk verblijf te maken. In zijn werkplaats had hij op de muren tooneelen geschilderd uit het leven van Alexander den Grooten, den stichter zijner vaderstad, en op de kroonlijst een krans van dansende liefdegoden.

In dit vertrek placht Barine hare gasten te ontvangen, en de roem van deze schilderijen had mede Antonius tot een bezoek uitgelokt, en hem ook zijn zoon doen meebrengen, in wien hij althans een vluchtig welgevallen in de kunst wilde opwekken. Barine's schoonheid en zangkunst wist hij natuurlijk ook naar waarde te schatten; doch de vurige hartstocht dien hij op rijpen leeftijd voor Cleopatra had opgevat, bleef voor deze alleen bewaard. De man, die door zijn licht ontvlambaar hart vroeger van de eene liefde op de andere overgegaan was, was nu door de Koningin met onverbreekbare ketenen geboeid, en bij haar vergeleken was Barine enkel een kunstwerk, dat leven en een liefelijke stem had gekregen. Toch had hij haar te danken voor eenige aangename uren, en in zulk een geval wilde hij altijd geschenken geven. Het streelde hem als men hem voor den grootmoedigsten verkwister van de wereld hield. Thans had hij daartoe een gladden armband uitgekozen van een kostbaren steen voorzien, waarin Apollo met de lier gesneden was, omgeven door de luisterende Muzen. Het geschenk scheen eenvoudig, maar het was in werkelijkheid een stuk van onberekenbare waarde, want de kunstenaar die het bewerkt had, was de grootste steensnijder van Alexandrië ten tijde van Philadelphus geweest, en ieder der kleine figuren in den slechts drie vingers breeden onyx was een zorgvuldig uitgewerkt meesterstuk van groote schoonheid. Antonius had dezen band gekozen, omdat hij dien geschikt vond voor eene vrouw, wier gezang hem had bekoord. Hij had er niet aan gedacht naar den prijs te vragen. Dien had ook slechts een kenner kunnen raden; en daar de band niet al te zeer in het oog viel en zeer goed stond aan haar welgevormden bovenarm, droeg Barine hem gaarne.

Zoo niet de oorlog Antonius tot vertrekken had genoopt, dan zou zijn tweede bezoek zeker niet het laatste zijn geweest, want behalve het gezang dat hem had verrukt, was het gesprek levendig en belangwekkend geweest, en bij de kunstwerken van Leonax had hij daar ook nog vele andere gevonden, die de schilder bij vaardige vakgenooten ingeruild had. Ook aan beeldhouwwerken ontbrak het in dat groote vertrek niet.

Men zag er onder anderen het beeld van een krachtig man die uit een zak van bokkenleder over zijn schouder hangende, water in een schelp goot, hetgeen een aangenaam geluid veroorzaakte. De meester, die dezen bukkenden Nubiër gebeeldhouwd had, was dezelfde aan wien men het veelbesproken standbeeld van het koninklijke paar te danken had. Ook de Eros uit kleiaarde, die zijn boog richtte op een slachtoffer dat hij alleen zien kon, was zijn werk. Bij zijn tweede bezoek had Antonius den meegebrachten krans schertsend voor dien »machtigsten der overwinnaars” nedergelegd, terwijl zijn zoon Antyllus eerst een ruiker gestoken had in de opening gevormd door den gebogen rechterarm die den boog spande. Hij had daarbij de klei een weinig beschadigd. Thans lagen de bloemen onopgemerkt op het kleine altaar op den achtergrond van het zwak verlichte vertrek, want de vrouwen hadden het met haar gast verlaten. Zij bevonden zich nu in de kleine lievelingskamer van Barine, die behangen was met eenige schilderijen van haar overleden vader. Over Antyllus' ruiker en het beschadigen van het Erosbeeld was reeds veel door hen gesproken, en daardoor was de taak van Archibius veel verlicht.

De late bezoeker was door vrouw Berenice ontvangen met een klacht over het ongepaste gedrag en de onvoorzichtigheid van den jongen Romein, en Barine had hierbij de verklaring gevoegd, dat zij nu aan Zeus Xenios, den beschermer van het gastrecht, naar haar inzien reeds genoeg geofferd hadden. Zij was van plan, zeide zij, in het vervolg haar leven te wijden aan de bescheiden huisgoden en aan Apollo, die haar de geringe, maar kostbare gave des lieds geschonken had. Dit had Archibius uitermate verrast, en zij moest hem eerst nog eens uitleggen hoe zij dat bedoelde, eer hij er op antwoordde. Spoedig werd het hem dan ook duidelijk, dat zij zich haar leven in de toekomst zonder al die gasten, met haar moeder alleen voorstelde.

De levendige phantasie der jonge vrouw verplaatste haar nu reeds in dat nieuwe, stille leven. Hoe aanschouwelijk zij dat echter maakte, toch scheen haar bezadigde toehoorder er nog niet geheel in te gelooven. Somtijds vloog er een fijne glimlach over het krachtig, een weinig zwaarmoedig gelaat. Zelf was hij een man die niet meer meedeed aan den wedstrijd des levens, en nu liever rustig toezag hoe anderen daarbij den prijs behaalden of bezweken. Wellicht deden de wonden, die hem vroeger waren toegebracht, nu nog pijn, maar al zijn doorworsteld leed verhinderde hem niet een oplettend toeschouwer te zijn. Men zag het aan den blik van zijn helder oog dat hij alles, wat zijne belangstelling wekte, ook mee doorleefde. Wie zóó de kunst van luisteren verstond en daarbij, zooals uit zijn edel voorhoofd bleek, zich zoo in het denken had geoefend, die moest wel een goede raadsman zijn, en als zoodanig deed de Koningin, meer dan op iemand anders, vaak een beroep op hem. Ook heden legde hij zijn kalme bedachtzaamheid aan den dag, want hoewel hij gekomen was om Barine tot een verblijf op het land te overreden, sprak hij daar niet eerder van dan toen zij haar eigen belangen als het ware had uitgeput, en hem zelven had gevraagd naar de gewichtige beweegredenen van zijn bezoek.

In hoofdzaak was zijn verzoek al aangenomen, nog voor dat hij dit had geuit. Daarom kon hij nu de vraag doen of moeder en dochter niet zouden denken dat de overgang tot het nieuwe leven beter zou gaan, indien zij voor een tijdlang de stad verlieten. Het zou zulk een opzien wekken als de gewone bezoekers morgen het huis gesloten vonden en, daar zij niet voor de ware reden uit wilden komen, kon licht de een of ander zich beleedigd gevoelen. Als zij daarentegen besloten om voor eenige weken uit de stad te gaan, dan zou wel is waar menigeen dat betreuren, maar wat allen tegelijk trof kon geen enkele zich persoonlijk aantrekken.

Vrouw Berenice gaf dit alles gereedelijk toe, maar Barine bewaarde eerst het stilzwijgen. Archibius verzocht haar daarom zich ook uit te spreken, en op hare vraag waarheen zij dan moesten gaan, sloeg hij haar voor op zijn eigen landgoed te komen. Zijn scherpe, grijze oogen hadden reeds lang gezien dat er iets was dat haar aan de stad boeide, en hij begreep dat bij een vrouw als Barine haar hart daarbij in het spel moest zijn. Dat had hij goed gezien, want zoodra hij het vermoeden uitsprak dat ook daarbuiten haar liefste vrienden haar zeker wel bezoeken zouden, hief zij het hoofd op, en zeide met een helderen gloed in haar blauwe oogen met opgewektheid tot haar moeder: »Ja, wij moeten gaan!”

De levendige verbeeldingskracht der kunstenaarsdochter tooverde haar ook nu weder de toekomst duidelijk voor oogen. Wel is waar wist zij alleen wien zij bedoelde, als zij van bezoekers sprak, die zij buiten op het landgoed Irenia verwachtte. Deze naam die »Oord des Vredes” beteekent, beviel haar goed.

Archibius hoorde haar glimlachend aan, maar toen zij in haar voorstelling ook hem er bijhaalde en hem liet meedoen aan het rijden met de kleine Sardinische paarden en de vogeljacht, was hij wel genoodzaakt haar te zeggen, dat hij er waarschijnlijk niet lang tegelijk met haar vertoeven zou. Hoe gaarne hij dat zou doen, het zou moeten afhangen van eene andere vrouw. Hij was met een verlicht hart hier gekomen omdat hij juist gehoord had van een groote overwinning der Koningin. Maar indien het hem vergund was nog wat te blijven, dan zou hij hier nog eerst de bevestiging van dat bericht afwachten.

Het was hem aan te zien hoe hem dat in spanning hield en dat zijn hart niet vrij van vrees was. Vrouw Berenice deelde die, en haar vriendelijk gezicht, dat eerst bij het verstandig besluit harer dochter, van blijdschap had gestraald, kreeg nu een uitdrukking van angst, toen Archibius zeide: »Wat het doel van mijn komst hier betreft, gij hebt mij dat gemakkelijk gemaakt. Als ik het niet oneerlijk vond, dan zou ik nu wel kunnen verzwijgen dat ik met een voorstel kwam om u de stad te doen verlaten. Van Antonius' zoon en zijn jeugdigen overmoed ducht ik geen gevaar. Maar voor Cæsarion moet gij voortaan niet te genaken zijn, mijn kind.”

»Als gij mij om die reden naar de maan kondt brengen, dat zou mij nog het allerliefste zijn,” antwoordde Barine vroolijk. »Daarom juist wilde ik zelve ook van levenswijs veranderen, want ik kan nu eenmaal niet mijn huis sluiten voor dien knaap. Eigenlijk behoort hij nog in de school thuis, maar hij gebruikt zijn rang als sleutel om alle deuren te openen. En dan dien zwaarmoedigen droomer met de smeekende oogen ook nog »Koning” te moeten noemen.”

»Doch welke machtige neiging,” zeide Archibius, »zou er niet kunnen sluimeren in de borst van den zoon eener Cleopatra en van een Julius Cæsar? Ik weet wel kind, dat gij geen schuld daaraan hebt, maar de hartstocht is nu eenmaal bij hem ontwaakt. Wat daar ook van komen moge—het hart uwer moeder maakt zich daarover bezorgd. Laat ons daarom uw vertrek verhaasten en streng geheim houden waarheen gij gaat. Tot nu toe heeft hij niets wezenlijks beproefd, maar men kan van het kind van zulke ouders ieder oogenblik alles verwachten.”

»Gij maakt mij bang,” riep Barine uit. »Van de kirrende duif die ons huis binnenvloog, maakt gij een vreeselijken grijpvogel.”

»Daar moogt gij hem gerust voor houden,” was het ernstig antwoord. »Gij zult mij een welkome gast zijn Barine, want reeds toen gij nog een kind waart, hield ik van u, en gij zijt de dochter van mijn besten vriend. Toch was het niet alleen om u een dienst te bewijzen, dat ik u uitnoodigde naar Irenia te komen; het is veeleer om smart, of ook maar verdriet, te besparen aan haar, aan wie ik alles verschuldigd ben.”

Nu begrepen de beide vrouwen eerst goed, dat, hoe lief zij Archibius ook waren, zij en misschien alle andere menschen, toch moesten achterstaan bij de Koningin. Barine had ook niets anders van hem verwacht. Zij wist dat hij, de zoon van een philosoof, door Cleopatra tot een rijk grondbezitter en aanzienlijk man gemaakt was, doch zij voelde ook, dat zijn vaderlijke zorg voor de Koningin, nog een andere oorzaak had. Cleopatra van hare zijde schatte hem hoog. Ware hij eerzuchtig geweest, dan had hij reeds aan het roer van den Staat gestaan, maar de gansche stad wist, dat hij deze eer reeds meer dan eens geweigerd had, omdat hij dacht als eenvoudig, geheim raadsman, zijne gebiedster des te beter van dienst te kunnen zijn.

Barine's moeder had haar verhaald hoe Archibius en Cleopatra van jongs af aan met elkander in betrekking hadden gestaan. Meer wist zij daar evenwel niet van. Wel gingen daarvan allerlei geruchten rond, die gaandeweg opgesierd en met verdichte vertellingen doorweven waren.

Barine had vooral altijd gaarne geloofd dat de philosoof reeds in zijn prille jeugd met innige liefde aan de vorstin verbonden was geweest, en nu werd zij daarin nog versterkt.

Toen Archibius ophield te spreken, verzekerde de jonge vrouw dat zij hem begreep. Zij wees op het portret der negentienjarige koningin, door haar vader geschilderd, waarop de albasten lamp aan de zoldering een helder licht deed vallen, en vroeg hem op den man af: »Was zij in dien tijd niet verwonderlijk schoon?”

»Zooals uw vaders kunst haar daar voorstelt,” was het antwoord. »Leonax heeft in datzelfde jaar de beeltenis van Octavia geschilderd, en misschien was in zijne oogen de Romeinsche vrouw nog schooner.”

Daarbij wees hij haar op het portret van Octavianus' zuster, dat haar vader geschilderd had, toen zij nog de vrouw van haar eersten echtgenoot, Marcellus, was.

»Daarin vergist gij u,” zeide Berenice. »Ik herinner mij zeer goed hoe Leonax destijds terugkwam. Welke vrouw zou niet jaloersch geworden zijn bij zijn geestdrift voor de Romeinsche Hera. Ik had toen het portret nog niet gezien, en op mijn vraag of hij Octavia nog schooner vond dan de koningin, barstte hij los op de driftige manier die gij van hem gekend hebt, met een: »Octavia is de eerste onder degenen die schoon of minder schoon genoemd worden; maar de andere, Cleopatra, staat geheel alleen, en niemand is met haar te vergelijken.””

Archibius knikte toestemmend met het hoofd, en zeide beslist: »Als kind, zooals ik haar het eerst heb gezien, zou zij zelfs onder liefdegoden de schoonste zijn geweest.”

»En hoe oud was zij toen?” vroeg Barine vol belangstelling. »Acht jaren,” antwoordde hij. »Hoe ver ligt dat alles al achter ons, en toch heb ik geen uur daarvan vergeten.”

Nu verzocht Barine hem dringend nog meer te vertellen van dien tijd. Archibius zag een oogenblik nadenkend naar den grond, richtte toen zijn hoofd op, en sprak: »Misschien is het goed voor u beiden, nog wat meer te weten van de vrouw, die thans een offer van u vraagt. Arius is uw broeder en oom. Hij is nauw verbonden aan Octavianus, daar deze eens zijn leerling was. Hij vereert Octavia, de zuster van den Romein, als een godin, dat weet ik. Op dit oogenblik kampt Marcus Antonius met Octavianus om de wereldheerschappij; Octavia is reeds bezweken in den strijd tegen de vrouw van wie gij wenscht te hooren. Het komt mij niet toe hier een beslissende uitspraak te doen, doch wel mag ik raden en waarschuwen. De matrone's te Rome branden wierook voor Octavia, en als Cleopatra's naam uitgesproken wordt, bedekken zij haar gelaat van verontwaardiging. Dat doen velen in Alexandrië haar na. Wie zich zelve aan de zijde van het vlekkeloos reine schaart, hoopt in stilte dat iets van de heiligheid die daarvan uitgaat, ook haar deel worde. Octavia wordt nu eenmaal de wettige gemalin genoemd, en Cleopatra de listige vrouw die haar zijn hart ontstal.”

»Zoo noem ik haar niet!” riep Barine met levendigheid uit. »Hoe dikwijls zeide ik het niet tot mijn oom: Antonius en Cleopatra gevoelden reeds lang voor elkaar de allervurigste liefde. Nooit hadden Eros' pijlen twee harten dieper getroffen. In dien tijd gold het den Staat te bewaren voor burgeroorlog en bloed vergieten. Antonius liet zich overreden met zijn mededinger een verbond te sluiten, en als het ware tot een onderpand voor den ernst der verzoening sloot hij een echt met de zuster van zijn voormaligen vijand, Octavia, die eerst sinds kort haar gemaal Marcellus verloren had. Doch zijn hart bleef het eigendom der Aegyptische Koningin. En ofschoon Antonius ontrouw werd aan de gade die dat om staatkundige redenen geworden was, zooveel te vaster bleef hij verbonden aan die andere, die oudere rechten op hem had. Zoo Cleopatra den man niet verlaten heeft, met wien zij geloften van eeuwige trouw had gewisseld, zoo is zij duizendmaal in haar recht. Wat mijn moeder ook beweren moge, in mijne oogen is en blijft Cleopatra, ook voor de goden, Antonius' ware gemalin, en de andere, al werd er bij de bruiloft geen enkel gebruik, geen woord, geen pennestreek, geen gebaar verzuimd, een indringster. De goden verheugen zich in dit verbond der liefde, hoezeer de menschen, en—vergeef mij, moeder—de deugdzame huisvrouwen zich daaraan mogen ergeren.”

Vrouw Berenice had haar dochter met spanning aangehoord, doch nu viel zij levendig in: »Ja, ik weet wel, dat dit de denkbeelden zijn van den nieuwen tijd; dat Antonius in de oogen der Aegyptenaren, en misschien ook volgens hunne zeden, de eigenlijke gemaal der Koningin is, en daarbij weet ik ook dat ik u beiden tegen mij heb. Maar Cleopatra is nu eenmaal in haar hart een Grieksche vrouw en daarom.... beklaag ik haar van ganscher hart. De echt is niettemin heilig, en ik wil op Octavia geen enkele smet laten werpen. Hoe trouw verzorgt en hoedt zij de kinderen van haar trouweloozen echtgenoot, die zijn eerste vrouw hem schonk, en die zij even goed aan vreemden overlaten kon. En het is meer dan gewoon menschelijk zooals zij voor haar gemaal, die haar vijand werd, de struikelblokken uit den weg ruimt. Met dat al kan geen vrouw in Alexandrië vuriger dan ik bidden dat Cleopatra en haar vriend mogen zegepralen over Octavianus. Diens koelheid staat mij altijd tegen. Maar als ik Octavia dáár in het wonderschoone, zedige, edele gelaat zie, de spiegel van vrouwelijke reinheid....”

»Welnu, vermeid u dan daarin,” viel Archibius haar in de rede, en legde daarbij zijn rechterhand op haar arm, »alleen zou het raadzaam zijn dat gij tegenwoordig aan deze beeltenis een andere plaats gaaft, en dat gij niet met andere menschen over Octavia en haar broeder spraakt. Als wij overwinnen dan zal het niet schaden, maar indien het anders mocht zijn..... de bode laat lang op zich wachten.”

Barine verzocht hem daarom met zijn verhaal voort te gaan. Zij zelve had slechts ééns, en wel nadat zij gezongen had op het Adonisfeest, het geluk gehad, door de Koningin te worden opgemerkt. Bij die gelegenheid was Cleopatra naar haar toe gekomen om haar te bedanken. Met enkele vriendelijke woorden slechts, doch met een stem die regelrecht tot haar hart was doorgedrongen, had zij haar toen als met onzichtbare banden tot zich getrokken. Daarbij had echter haar blik dien der vorstin ontmoet, en dit had voor het eerst bij haar den wensch doen opkomen, om haar lippen te drukken, al was het maar op den zoom van haar kleed. Tegelijkertijd had in haar verbeelding een gevaarlijke slang uit een der liefelijkste bloemen de giftige tong naar haar uitgestoken....

Archibius maakte nu de opmerking dat hij zich wel herinnerde, hoe Antonius evenzeer haar bij die gelegenheid had aangesproken, en dat de koningin ook niet van vrouwelijke zwakheid vrij te pleiten was.

»Jaloerschheid?” vroeg Barine verwonderd. »Ik was niet verwaand genoeg om zoo iets te vermoeden. Wel vreesde ik in stilte dat Alexas, de broeder van Philostratus, haar tegen mij ingenomen had. Hij is mij even vijandig gezind als mijn vroegere gemaal omdat.... Maar alles wat dat broederpaar betreft is zoo laag, en verachtelijk, dat ik dit gezellig uur niet door zulke herinneringen wil laten bederven.—Toch was mijn vrees dat Alexas mij bij de Koningin verdacht gemaakt zou hebben, niet geheel zonder grond. Hij is immers even slim als zijn broeder, en door Antonius, wiens gunst hij wist te verwerven, komt hij steeds in de nabijheid der Koningin. Ook is hij mede ten strijde getrokken.”

»Dat heb ik eerst gehoord toen het te laat was, en ik ben tegenover Antonius volkomen machteloos,” verzekerde Archibius.

»Maar sprak het daardoor niet vanzelf,” vroeg Barine, »dat ik vreesde dat men mij bij de Koningin had zwart gemaakt? In ieder geval meende ik iets vijandigs in haar blik te lezen, en daarom voelde ik mij evenzeer door haar afgestooten, als zij mij eerst aantrok.”

»En als er niet zoo iets tusschen beide gekomen was,” verzekerde haar vriend, »dan zoudt gij haar nooit hebben kunnen loslaten. Ik zeide u reeds, toen ik haar zelf voor de eerste maal zag, was ik nog een knaap, en zij een achtjarig kind.”

Barine zag Archibius dankbaar aan, bracht toen aan haar moeder het spinnewiel, goot water bij den wijn in het mengvat, en dook daarna weder diep in de kussens weg. Doch weldra nam zij een andere houding aan: zij leunde met den arm op haar knie, legde haar kin op de hand, en zóó luisterde zij aandachtig toe. Haar moeder spon daarbij haar vlas, eerst langzaam, toen steeds sneller.

»Gij kent mijn landhuis te Kanopus,” begon de verhaler. »Oorspronkelijk was het een klein zomerverblijf van het Koninklijk gezin. Sedert wij er onzen intrek namen, is er maar weinig veranderd. De tuin is ook nog geheel zoo als toen, vol zware, oude boomen. De lijfarts Olympius had dit verblijf uitgezocht opdat mijn vader daar de hem toevertrouwde taak der opvoeding naar eisch volbrengen zou. Daarvan zult gij spoedig meer hooren. Het was destijds onrustig in Alexandrië; want Rome had den Koning nog niet erkend, en scheen als een hoogere macht over het lot der stad te beschikken. Toch werd het testament, waarbij de nietswaardige Alexander Aegypte als een akker of een slaaf aan Rome als eigendom vermaakt had, door die stad niet als geldig beschouwd.

»De Koning van Aegypte, die zichzelven den nieuwen Dionysos noemde, was een zwakke man, die zelfs door zijne geboorte niet het volle recht op de regeering had. Gij weet dat hij bij het volk »de fluitspeler” heette. Hij kende dan ook werkelijk geen grooter genot dan muziek te hooren, en zelf bespeelde hij meer dan één instrument, en dat in het geheel niet slecht. Daarbij deed hij als wijndrinker ook zijn anderen naam eer aan. Wie op het feest van Dionysos, voor wiens mensch-geworden evenbeeld hij zich zelven hield, nuchter bleef, moest met het leven daarvoor boeten.

»Zijn gemalin, Koningin Tryphaena, en hare oudste dochter die heette zoo als gij, vrouw Berenice, maakten hem het leven zuur. Bij die twee vergeleken, was de Koning een achtenswaardig, deugdzaam man. Wat was er geworden van het roemrijk geslacht der Ptolemaeërs? Alle hartstochten, alle ondeugden waren hun paleis binnengekomen!

»De fluitspeler, Cleopatra's vader, was op verre na de slechtste niet. Hij gaf ijverig aan zijn liefhebberijen toe, doch niemand had hem geleerd dat men zijn hartstochten beteugelen moet. Als het noodig was, nam hij wel eens zijn toevlucht tot een gewelddadigen dood, maar dat was bij de vroegere koningen van zijn geslacht ook al niets ongewoons geweest. Hierin was hij beter dan zij, dat hij nog afschuw gevoelen kon voor de ergste misdaden, en geloofde aan de mogelijkheid om deugd en zielegrootheid in jonge zielen aan te kweeken. Als knaap had hij de leiding van een degelijk leermeester gehad. Daarvan was hem altijd nog iets bijgebleven en dit deed hem besluiten om ten minste zijne meest geliefde kinderen, twee meisjes, zooveel hij kon aan den invloed harer moeder te onttrekken.

»Zooals ik later hoorde, had hij gewenscht de meisjes geheel aan mijne ouders toe te vertrouwen. Maar er was één onoverkomelijk bezwaar. Hoewel de koningsdochters onderricht van Grieken mochten ontvangen in alle wetenschappen, hare godsdienstige opleiding moest altijd aan Aegyptenaren overgelaten worden. De waardige oude arts Olympius had er op aangedrongen, dat de teere Cleopatra de barre wintermaanden in Opper-Aegypte zou doorbrengen, waar de hemel nooit bewolkt is, maar den zomertijd in de nabijheid van de zee, in een lommerrijken tuin. Zulk een was juist bij het kleine paleis te Kanopus, en die werd dus tot dit doel bestemd.

»Toen wij met onze ouders daarheen trokken, was er eerst nog niemand, maar weldra zouden de koningskinderen komen. Voor den winter deed Olympus ons het eiland Philae aan de hand, dat op de grens van Nubië ligt; want daar was de beroemde tempel van Isis met de priesterschap die zich gaarne met de taak belasten zouden de prinsessen te onderwijzen.

»De koningin wilde van dat alles niets weten, want de gedachte Alexandrië te verlaten en den winter door te brengen op een eenzaam eiland zoo dicht bij den keerkring, was haar onverdragelijk. Zij liet dus den Koning zijn gang gaan, en het was haar zeer aangenaam dat zij van de zorg voor de kinderen ontheven werd. Nadat haar gemaal uit Alexandrië verdreven was, verzette zij geen voet meer voor de beide meisjes. Trouwens, de dood liet haar niet lang meer tijd daartoe.

»Haar oudste dochter Berenice, die haar opvolgde, drukte haar voetstappen, en bekommerde zich weinig om hare zusters. Ik heb later gehoord dat het haar genoegen deed te vernemen dat zij onder menschen waren, die andere dingen bij haar opwekten, dan het verlangen naar de heerschappij alleen.

»Haar broeders werden op de Lochias opgevoed, door onzen landgenoot Theodotus, onder de oogen van hun voogd Pothinus.

»Het leven in ons gezin werd natuurlijk door het bijzijn der koningskinderen geheel anders. Vooreerst verhuisden wij uit onze woning op het Museumplein, naar het kleine paleis te Kanopus, en het beviel ons goed in den grooten schaduwrijken tuin. Alsof het gisteren was, herinner ik mij den morgen,—ik was toen eerst vijftien jaar—waarop vader ons meedeelde dat de twee dochters des konings onze huisgenooten zouden worden. Wij waren toen nog met ons drieën in het ouderlijk huis: Charmion, die met de Koningin mede in den strijd is gegaan, omdat de andere kamervrouw, onze nicht Iras, ziek was, ik, en Straton, die nu reeds lang niet meer leeft.

»Men prentte ons in dat wij ons behoorlijk en met eerbied jegens de koningsdochters gedragen moesten, en wij bemerkten spoedig dat hare komst werkelijk allerlei plichtplegingen noodig maakte. Het paleis dat leeg en verwaarloosd was, werd ook weder opnieuw opgeknapt van den kelder tot het dak.

»Op den dag vóór de aankomst der meisjes, kwamen paarden, wagens en draagstoelen, en over de zee booten en een schip dat op staatskosten volledig was bemand en uitgerust. Verder een geheel gezelschap mannelijke en vrouwelijke slaven.

»Ik zie nog den misnoegden blik van mijn vader en hoe hij dat alles nauwkeurig opnam. Hij reed dadelijk naar de stad, en bij zijn terugkeer zagen de heldere oogen van den waardigen man zoo vroolijk als ooit. Een beambte van het hof was medegekomen, en nu bleef er van al dien ballast van menschen en dingen alleen over wat mijn vader wenschelijk vond.

»Den volgenden morgen,—het was aan het einde van Februari, en in gras en struiken bloeiden de bloemen, aan de boomen prijkte het jonge groen,—moesten zij komen. Ik zat tegenover het huis op den dikken tak van een sycomore, en zag naar hen uit. Zij lieten een geruimen tijd op zich wachten, en terwijl ik onzen tuin nog eens goed rondzag, dacht ik, dat het hen hier zeker wel bevallen zou. Men kon bij geen paleis in de stad een fraaieren vinden.

»Eindelijk kwamen de draagstoelen, zonder voorloopers noch gevolg, zooals mijn vader had verzocht, en toen de beide meisjes tegelijk uitstapten, wist ik niet waarheen ik mijn blik het eerst wenden zou. Wat daar uit dien eersten draagstoel niet uitstapte, maar zweefde als een elf, dat was geen meisje als andere van dien leeftijd, dat scheen mij toe een wensch, een verwachting te zijn. En toen het teedere, wonderschoone schepsel het hoofdje omwendde en met haar groote stralende oogen nu mijn vader en moeder, dan mijn zusters vragend aanzag, alsof zij hen om hulp smeekte, toen dacht ik: zoo moet Psyche er uitgezien hebben, op het oogenblik toen zij om genade smeekend den troon van Zeus naderde.

»Maar het was ook de moeite waard naar de andere te zien. Of dat Cleopatra was? Zij had zeer goed de oudste kunnen zijn, want zij was niets kleiner dan hare zuster, maar zoo geheel anders. Bij de eerste, die toch Cleopatra bleek te zijn, had alles van de golvende haren af, tot aan de bewegingen van lichaam en handen toe, mij toegeschenen alsof het vloeide. Aan de tweede was niets dat niet stevig bleek te zijn; het leek zelfs tegenwerkende kracht te bezitten. Met beide voeten te gelijk sprong zij uit den draagstoel, hield zich vast aan de deur, en wierp het hoofd met het zware, donkere krulhaar trotsch achterover. Het gelaat was wit en rood, en hare blauwe oogen waren vol uitdrukking. Maar in plaats van te vragen, zagen zij mijn ouders uitdagend aan, en terwijl zij rondkeek trok de lip van het roode kindermondje zich op, alsof alles wat zij zag verachtelijk en harer onwaardig was.

»Dat verdroot mij in het zevenjarige kind, maar ik moest toch ook bij mijzelven bekennen, dat hoe mooi alles bij ons was gemaakt door de zorg van mijn vader, het toch hoogst eenvoudig was, wanneer men het vergeleek met het marmer, het goud en het purper van het koninklijk paleis, dat zij immers zooeven eerst verlaten had.

»Zij had evenals haar zusje een fijn besneden gezicht, en zou iedereen zeker in het oog gevallen zijn. En toen ik haar weldra zoo gebiedend hoorde spreken en aan al hare wenschen zulk een krachtige uiting geven, toen dacht ik in mijn kinderlijke wijsheid dat Arsinoë de oudste had moeten zijn, omdat zij, beter dan haar zuster, geschikt was den scepter te voeren. Dat besprak ik ook met mijn broers en zusters, maar spoedig bleek het ons, wie de ware majesteit bezat. Als Arsinoë haar zin niet kreeg, kon zij schreien en snikken en tieren, of ook bedelen en plagen, terwijl Cleopatra als zij iets wenschte, dat langs een geheel anderen weg bereikte. Reeds toen wist zij wel welke wapenen haar de overwinning moesten verschaffen, en ook wanneer zij zich daarvan bediende, bleef zij toch altijd een koningskind.

»Wel kon geen arbeidersdochter verder verwijderd zijn van overdreven gevoelsuitingen, dan dit toonbeeld van echt liefelijke, kinderlijke bevalligheid; maar wat haar warm hart het vurigst begeerde en wat zij het moeilijkst krijgen kon, dat wist zij toch te veroveren door den klank harer stem, den betooverenden glans harer oogen, en somtijds ook door een enkelen stillen traan. Als zij daarbij de handen smeekend ophief en er een enkel woord bijvoegde, als: »het zou mij zoo gelukkig maken,” of »ziet gij niet, hoe het mij leed doet?” dan werd alle tegenstand onmogelijk. Later hebben die tranen, en de onbeschrijfelijke welluidendheid van haar stem haar in beslissende oogenblikken nog menige overwinning doen behalen.

»Wij kinderen werden spoedig speelkameraden en goede vrienden, want onze ouders lieten de koningskinderen niet eerder met de lessen beginnen, dan nadat zij zich bij ons thuis gevoelden. Aan Arsinoë beviel dat goed, hoewel zij reeds lezen en schrijven kon; Cleopatra echter uitte menigmaal het verlangen om iets te hooren van de wijsheid mijns vaders, waarvan men haar veel verhaald had.

»De Koning en hare vroegere leermeesters hadden de verwachtingen der ouders omtrent dit buitengewone kind hoog gespannen, en de arts Olympus hield mij eens ernstig voor, dat dit koningskind mij, den zoon van een philosoof, wel eens boven het hoofd kon groeien. Doch daar ik altijd tot de beste leerlingen had behoord, antwoordde ik daarop lachend, dat daarvoor nog geen gevaar bestond. Intusschen merkte ik weldra dat zijn waarschuwing niet zonder grond was geweest. Gij denkt misschien dat het hart den ouden dwaas parten speelt, en dat in den toovertuin der herinneringen het begaafde meisje een jonge godin geworden is. Dat was zij echter niet, want de hemelsche machten deelen de fouten en zwakheden der menschen niet.”

»En wat deed Cleopatra dien roem verliezen, den goden gelijk te zijn?” vroeg Barine nieuwsgierig.

Archibius antwoordde met een fijnen glimlach, die niet geheel vrij van verwijt was:

»Als ik van haar deugden had gesproken, dan zoudt gij er niet aan gedacht hebben mij om nog meer bijzonderheden te vragen! Doch waarom zou ik verbloemen wat zij duidelijk genoeg aan de geheele wereld te zien heeft gegeven? Leugen of huichelarij kwamen evenmin bij haar op, als een woestijnbewoner aan vischvangst zou denken. De grondtrekken van haar wezen, die dit bevoorrechte schepsel van haar kindsheid af, tot nu toe beheerscht hebben, zijn twee nooit rustende wenschen; de eene is: iedereen in alles ook het moeilijkste te overtreffen, en de andere: te beminnen, en te weten dat zij bemind wordt. Dat heeft haar zoo ver boven andere vrouwen doen uitblinken. En die eerzucht en behoefte aan liefde zullen haar ook steeds doen blijven op die trotsche hoogte, waartoe zij haar als twee machtige vleugels hebben opgeheven, ten minste zoolang zij hunne kracht eendrachtig blijven uitoefenen. Door de gunst van het lot was dit tot nu toe het geval, en de goden geven, dat het zoo blijven moge!”

Hier hield Archibius even op, veegde zijn voorhoofd af, en vroeg of de bode er nog niet was. Vervolgens ging hij kalm voort:

„De koningskinderen waren onze huisgenooten geworden, en mettertijd werd het als één gezin. In de eerste winters vergunde de Koning hen alleen in de wintermaanden te Philae te blijven, want hij wilde hen niet missen. Hij zag hen dan ook maar zeer zelden, want er gingen dikwijls vele weken voorbij, zonder dat hij bij ons kwam. Op andere tijden daarentegen kwam hij iederen dag eenvoudig gekleed in zijn draagstoel naar onzen tuin, en van deze bezoeken wist niemand behalve de arts Olympus. Dan zag ik den grooten forschen man met zijn rood gezicht met de kinderen stoeien als een arbeider, die van zijn werk komt. Gewoonlijk bleef hij echter maar kort. Het scheen hem genoeg te zijn, als hij ze maar even had gezien. Misschien wilde hij alleen maar weten, hoe het hen bij ons beviel. Wij moesten ten minste altijd op een afstand blijven, als hij met hen sprak. Ik verborg mij echter dikwijls in de kruinen der olmboomen, en ik weet dus niet alleen van hooren zeggen, dat hij hen uitvroeg. Cleopatra voelde zich al zeer spoedig tehuis bij ons, doch met Arsinoë duurde dit langer. De Koning hechtte evenwel alleen gewicht aan het gevoelen der oudste, die zijn lieveling was. Hij placht in de grootste verrukking naar haar te luisteren, en soms lachte hij om een harer treffende antwoorden of opmerkingen zoo hartelijk, dat men zijn luide stem tot in het huis hooren kon.

„Maar eens zag ik traan op traan langs zijn wangen rollen, en toch duurde toen het bezoek nog korter dan anders. Toen hij ons huis verliet, bracht zijn goed gesloten draagstoel hem naar het schip, waarmede hij naar Cyprus en Rome moest oversteken. De Alexandrijnen, met de Koningin aan het hoofd, hadden hem gedwongen de stad en het land te verlaten.

„Zeker had hij zich de kroon onwaardig gemaakt, maar toch beminde hij zijn dochtertjes als een echte vader. Alleen was het vreeselijk zooals hij tegen die jonge kinderen hare moeder en oudere zuster vervloekte, en haar in één adem beval die beiden te haten en te verwenschen, doch hemzelf nooit te vergeten en lief te hebben.

„Ik was in dien tijd zestien, Cleopatra tien jaar oud, en ik werd eerst ijskoud en toen weder warm, toen ik, na het vertrek haars vaders de kleine Arsinoë haar zusje hoorde toefluisteren: „Ja, wij zullen haar haten! De goden mogen haar verderven!” en hoe Cleopatra met betraande oogen daarop antwoordde: „Laten wij liever beter worden dan zij, Arsinoë, zoo héél goed, dat de goden ons liefhebben, en vader weer tot ons terugbrengen.”

„„Omdat gij dan Koningin wordt,” zeide Arsinoë verachtelijk, en nog trillend van opgewondenheid.

„Hier zag Cleopatra haar verwonderd aan. Het was duidelijk, dat zij de beteekenis dier woorden overwoog, en ik zie nog de kleine gestalte zich oprichten, en vol zelfbewustzijn zeggen: „Ja, ik wil ook Koningin worden!”

„Doch plotseling veranderde zij van toon, en met de lieflijkste klanken van haar zoete stem verzocht zij haar zuster: „Niet waar, gij zult niet weder zulke leelijke dingen zeggen?”

„Dat was in den tijd toen mijns vaders lessen reeds eenigen indruk begonnen te maken op haar jonge ziel. Wat Olympus had voorspeld, kwam toen reeds tot vervulling. Ik zelf ging toen naar de school der rhetoren9), maar als vader aan de meisjes een taak opgaf dan mocht ik hetzelfde onderwerp behandelen als zij, en ik moest dikwijls erkennen dat Cleopatra het beter had gedaan dan ik. Spoedig kon zij tot moeielijker oefeningen overgaan, want de geest van dit kind had krachtiger voedsel noodig, en nu begonnen de lessen in de Philosophie. Mijn vader behoorde zelf tot de school van Epicurus, en boven verwachting gelukte het hem Cleopatra voor de leer van dezen meester te winnen. Zij leerde ook de leerstellingen van andere philosofen kennen, doch kwam altijd weer terug op Epicurus. Zij wilde dat wij allen als echte leerlingen van dien grooten Samiër leven zouden.

„Gij zijt zeker door uw vader en broeder meer met de leer der Stoa vertrouwd geraakt, maar gij zult toch ook wel weten, dat Epicurus het laatste gedeelte van zijn leven met zijn vrienden en leerlingen, in stille overdenkingen en wijsgeerige gesprekken, doorgebracht heeft in zijn tuin te Athene. Op die wijze wenschte Cleopatra, dat ook wij leven zouden, en wij moesten ons daarbij „leerlingen van Epicurus” noemen. Behalve Arsinoë en mijn sterke broeder Straton, die meer van levendiger spelen hielden, vonden wij dat allen goed. Ik werd tot meester gekozen, maar daar ik haar aanzag, dat zij dat graag was, stond ik het haar af.

„Den eerstvolgenden vrijen middag gingen wij in den tuin op en neder wandelen, en onderhielden ons in allen ernst over het hoogste goed. Zij leidde daarbij onze gesprekken met zooveel vaardigheid, en wist in twijfelachtige gevallen zoo goed uitspraak te doen, dat het ons speet toen de klok ons naar huis riep en wij ons 's avonds al verheugden op den volgenden middag.

„Dien morgen zag mijn vader eenige landlieden voor den afgelegen tuin bijeen staan, maar hij had geen tijd te vragen wat zij daar kwamen doen, want Timagenes, die de geschiedenis onderwees, dezelfde, die later als krijgsgevangen slaaf te Rome kwam, liep op hem toe, en liet hem een bordje zien. Daarop stond het opschrift te lezen, dat Epicurus eenmaal geplaatst had boven de poort van zijn tuin: Vreemdeling, hier zult ge u gelukkig gevoelen; hier is het hoogste goed, het levensgenot te vinden.

„Cleopatra had dit vóór zonsopgang met groote letters op het bordje geschreven, en dat door een slaaf aan de poort doen bevestigen. Deze inval had intusschen bijna een eind gemaakt aan ons heerlijk samenzijn, doch zij had het slechts gedaan om bij ons spel het voorbeeld getrouw na te volgen. Mijn vader liet ons ook toe daarmee voort te gaan, alleen verbood hij ons streng dat wij elkander, buiten den tuin, „Epicuristen” zouden noemen, want aan dezen schoonen naam hadden de menschen reeds lang een verkeerde beteekenis gegeven. Epicurus zegt immers dat de ware levensvreugde slechts in zielsrust en afwezigheid van smart te vinden is.”

„Maar toch houdt iedereen,” bracht Barine in het midden, „iets anders dan dat voor de ware leer van Epicurus. Isidorus, bijvoorbeeld, een godloochenaar, wiens levensdoel daarin bestaat dat hij den beker van het genot tot op den bodem ledigen wil, wordt voor een echt Epicurist gehouden. Mijn moeder zou mij zeker niet toevertrouwd hebben aan een opvoeder, voor wien het levensgenot het hoogste goed is.”

„Gij, dochter van een philosoof,” hernam Archibius hoofdschuddend, „moest beter weten wat bij Epicurus „de vreugd” beteekent, en dat begrijpt gij ook wel. Wie er niet meer van gehoord heeft, kan trouwens niet weten dat de meester verbiedt naar genoegen te trachten in de enkele dingen van het leven. Hebt gij wel een klare voorstelling van zijn leer? Niet? Laat mij dan beproeven u die in weinige woorden te verklaren. Epicurus wordt maar al te dikwijls verward met Aristippus, die de genoegens der zinnen boven die van den geest stelt, evenals hij gelooft dat lichaamssmarten moeilijker te dragen zijn dan zielesmart. Maar Epicurus stelt juist het genot van den geest het hoogst, want het zinnelijke, al veroordeelt hij dat niet, blijft toch altijd maar tot het tegenwoordige bepaald, terwijl het geestelijke zich tot in het verleden en de toekomst verlengt. Het doel van het leven is, zooals ik zeide, bij den Epicurist: zielsrust te erlangen en van smarten bevrijd te zijn, wat hij als het hoogste goed beschouwt. Oók de deugd wil hij alleen beoefend hebben ter wille van het genot dat zij schenkt; want wie zou deugdzaam kunnen blijven, zonder ook wijs, edel en rechtvaardig te zijn, en wie dit is, die heeft de grootste rust der ziel, en zal waarachtig gelukkig zijn, naar de bedoeling van den meester. Ik heb nu reeds lang het gevaar van deze leer ingezien, dat daarin ligt, dat zij niet van zedelijke waarde spreekt; maar in dien tijd scheen zij mij werkelijk het allerhoogste toe. En hoe gretig werd dit alles opgenomen in de nog geheel hartstochtlooze ziel van dat nadenkende kind! Men kon haar wondersterken geest bijna nooit genoeg voedsel geven, en het was haar grootste genot dien te verrijken. Voor haar was ook de afwezigheid van smart, die de eerste voorwaarde tot het genot werd genoemd, werkelijk een eerste vereischte om gelukkig te zijn. Zij kon het even moeilijk verdragen dat een harde hand haar aangreep, als dat een kleine teleurstelling haar trof.

„En toch droeg dit kind, dat mijn vader eens „een bloem, die nadacht” noemde, haar droevig lot, de verwijdering van haar vader, den dood harer moeder en de wreedheid harer zuster Berenice, als een ware heldin, zonder een enkele klacht. Zelfs met mij sprak zij over deze dingen slechts in bedekte termen, hoewel zij mij, als aan een broeder haar vertrouwen schonk. Ik weet dat zij volkomen begreep wat er voorviel, en het diep voelde. De smart plaatste zich tusschen haar en het hoogste goed, maar zij overwon haar. En als zij aan het werk was, dan worstelde het teere kind met taaie volharding, totdat zij het Charmion en mij ook in het moeilijkste had afgewonnen.

„In dien tijd begreep ik waarom men onder de goden aan een jonkvrouw de wetenschap heeft toevertrouwd, en waarom zij met wapenen toegerust is.—Gij hebt immers al gehoord, hoe vele talen Cleopatra spreekt? Een woord van Timagenes was eens als een zaadkorrel in haar ziel gevallen. Het was dit: „met iedere taal die gij leert, wint gij een volk.” Nu behoorden er vele volken tot het rijk van haar vader, en als zij eenmaal koningin was, dan moesten zij haar alle liefhebben. Het is waar, zij begon met die der heerschers, niet met die der beheerschten. Het eerst wilde zij Lucretius verstaan, die de leer van Epicurus in verzen overgebracht heeft. Mijn vader onderwees ons, en reeds in het tweede jaar las zij dit dichtstuk even gemakkelijk als een Grieksch boek. Het Aegyptisch kende zij ook nog maar half. Nu leerde zij het vlug. Gedurende ons verblijf op het Isiseiland Philae vond zij een Troglodiet die haar in zijne taal onderrichten moest. Hier in Alexandrië waren genoeg Joden, die haar in de hunne inwijdden, en daarbij leerde zij ook het daaraan verwante Arabisch.

„Toen zij vele jaren later Antonius opzocht te Tarsus, dachten de krijgslieden dat zij met Aegyptische tooverkunst te doen hadden, want zij sprak iederen bevelhebber aan in de taal van zijn volk, en stond hem te woord alsof zij een landgenoot van hem was. En zoo ging het met alles wat zij leerde. Op ieder gebied streefde zij ons ver vooruit. Haar brandende eerzucht kon niet gedoogen dat zij in één enkel ding achterblijven zou.

„De Romein Lucretius werd haar lievelingsdichter, hoewel zij van zijn volk even weinig hield als ik. Maar de zelfbewuste kracht van haar vijand maakte indruk op haar, en eens hoorde ik haar uitroepen: „Ja, als de Aegyptenaars Romeinen waren, dan zou ik onzen tuin geven voor den troon van Berenice.”

„Lucretius bracht haar telkens weer terug op Epicurus en deed in haar nooit rustenden geest een tweestrijd ontstaan. Hij leert, zooals gij weet, dat het leven op zichzelf niet zulk een heerlijk bezit is, dat men niet-leven voor een ongeluk zou moeten houden. Men bederft het juist daardoor, dat de dood ons als het grootste ongeluk voorkomt. Alleen die ziel verkrijgt rust, die niet meer aan den dood als aan een ongeluk denkt. Wie overtuigd is dat tegelijk met het leven ook het voelen en denken voorbij is, die kan het einde niet vreezen. Hoeveel liefs en kostbaars een afgestorvene ook achtergelaten heeft, met zijn leven verliest hij toch ook voor altijd het verlangen daarnaar. Hij noemt het daarom de grootste dwaasheid dat men zich bekommert om een lijk, en dat alles is juist het tegenovergestelde van het geloof der Aegyptenaars, dat Anubis Cleopatra trachtte in te prenten. Tot op zekere hoogte gelukte hem dit ook, want zijn persoon maakte een machtigen indruk op haar, en daarbij was haar een groote neiging tot het mystieke en bovenzinnelijke aangeboren, evenals mijn broeder Straton zijn lichaamskracht, en u Barine, de gave des lieds.

„Gij kent Anubis zeker wel van aanzien. Welk Alexandrijn zou dien merkwaardigen man nooit gezien hebben, en wie dat eenmaal deed, zal hem niet licht vergeten. Hij beschikt inderdaad over geheimzinnige krachten, en deze heeft hij ook toegepast op het opgroeiende vorstenkind. Als zij nu nog vasthoudt aan het geloof van haar volk en, ofschoon een Helleensche tot in merg en been, haar Aegypte liefheeft, zóó dat zij daarvoor tot alle offers is bereid, dan is dat zijn werk. Zij laat zich „de nieuwe Isis” noemen, en Isis is het middenpunt der Aegyptische tooverkunst. Anubis heeft Cleopatra ingewijd in de geheime wetenschap, en heeft haar zelfs overreed om op de Sterrenwacht en in het laboratorium....

„Doch dat alles begon eerst in den tijd toen wij onzen Epicurustuin hadden, en mijn vader kon er niets aan doen, daar de Koning uit Rome had laten zeggen hoe het hem verheugde dat Cleopatra behagen schepte in haar volk en zijn geheime wetenschap. En de fluitspeler had aan de Tiber het Aegyptische goud goed besteed en velen, door hen tot zijn schuldenaren te maken, aan zijn belangen verbonden. Nadat Pompejus, Cæsar en Crassus het verbond der driemanschap gesloten hadden, kwamen zij te Lucca overeen dat de Ptolemaeër op zijn troon zou worden hersteld. Millioenen waren hem daarvoor niet te veel. Het liefst zou Pompejus hem zelf naar Aegypte teruggebracht hebben, doch dat liet de naijver der anderen niet toe. Deze taak werd aan Gabinius, stadhouder van Syrië, opgedragen. Maar zij, die nu den Aegyptischen troon bezet hielden, waren niet gezind dien zoo dadelijk weer op te geven. Gij weet, Koningin Berenice, Cleopatra's oudste zuster, was in dien tijd tot tweemaal toe in het huwelijk getreden. Haar eersten, nietswaardigen gemaal had zij om het leven doen brengen, doch in den tweeden had zij een moedigen verdediger geworden. Hij hield zich dapper, maar sneuvelde op het slagveld.

„Weldra vernam de Senaat, dat Gabinius den Ptolemaeër in zijn land teruggebracht had, maar tot ons kwam dat bericht eerst later. Wij luisterden destijds met evenveel spanning naar elk geluid, als wij het nu doen.

„Cleopatra was nu veertien jaar geworden, en allerbevalligst opgegroeid. Dat portret aan den wand toont u de geheel geopende bloem, doch het knopje was nog bekoorlijker. Hoe helder en ernstig waren hare oogen! Maar als zij vroolijk was, konden zij schitteren als sterren, en dan kreeg ook haar mond een onbeschrijfelijk ondeugende betoovering, terwijl in hare wangen de kuiltjes te voorschijn kwamen, die nu nog ieder in verrukking brengen. Haar neus was fijner dan hij nu is, en men zag nog nauwelijks de lichte kromming die het portret te zien geeft, en die op de munten te sterk uitkomt. Het haar is eerst later donker geworden. Mijn zuster Charmion vond er haar grootste genoegen in die zware golvende lokken in orde te brengen. Zij verzekerde dikwijls dat het precies zijde was, en dat was het ook. Dat weet ik omdat Cleopatra het bij het Isisfeest, als zij het beeld moest volgen met het sistrum, loshangend droeg. Onder het naar huis gaan schudde zij dikwijls schertsend het hoofd, en dan stroomde dat haar als een waterval om haar heen, en verborg haar gelaat en gestalte. Zij was van gewone grootte, maar alles was in volkomen juiste verhouding, alleen iets fijner en teerder dan tegenwoordig.

„Zij verstond sinds lang de kunst om alle harten te veroveren. Het scheen alsof zij mijn vader het meest vereerde, mij het meest vertrouwde, voor Anubis een eerbiediger schroom had, en met den scherpzinnigen Timagenes liever redeneerde dan met anderen; doch zij liet het altijd voorkomen alsof allen haar even lief waren. Arsinoë daarentegen vergat mij als Straton er bij was, en wierp vurige blikken op Menodor, een leerling van mijn vader, zoo menigmaal die bij ons was.

„Zoodra het heette dat de Koning door de Romeinen zou worden teruggebracht, kwam Koningin Berenice de meisjes afhalen om naar de stad te gaan. Cleopatra verzocht haar echter bij mijn ouders te mogen blijven en hare lessen voort, te zetten. Berenice antwoordde hierop met een verachtelijken glimlach, en terwijl zij zich tot haar gemaal Archelaus wendde, zeide zij kort af: „Ik zou denken dat voor haar uit de boeken het minste gevaar dreigt.”

„Pothinus, de voogd, had vroeger wel eens aan de broeders der prinsessen toegestaan haar te bezoeken, doch nu mochten zij de Lochias niet meer verlaten. Dat trokken Cleopatra en Arsinoë zich echter weinig aan. De kleine knapen hadden altijd hare liefkozingen verlegen afgeweerd, en met hun Aegyptischen haartooi en kleederdracht, die Pothinus voorgeschreven had, waren zij aan de zusters ook vreemd gebleven.

„Toen zij hoorden dat de Romeinen uit Gaza optrokken, werden de beide meisjes hartstochtelijk opgewonden. Dat zag men Arsinoë dadelijk aan, maar Cleopatra wist het te verbergen, ofschoon haar jong gezichtje menigmaal van kleur verschoot. En toch was haar gelaat niet wit en rood, zooals dat van haar zuster, maar van een, hoe zal ik het zeggen.....?”

»Ik weet wat gij bedoelt,” zeide Barine. »Toen ik haar zag, vond ik niets bekoorlijker dan die zachte tint, waar het rood slechts even doorschijnt, als het licht door die albasten lamp of de kleur der perzik door het dons. Ik heb dat dikwijls opgemerkt bij pas herstellende zieken. Dat spreidt Aphrodite slechts over hare lievelingen uit, evenals de god van den tijd het fraaie groen over het brons. Niets schooners, dan wanneer zulke vrouwen blozen!”

»Gij ziet scherp,” zeide Archibius glimlachend. »Het was inderdaad alsof niet Eos10) zelve, maar haar zachte weerschijn aan den westelijken horizon den hemel kleurde, zoo vaak vreugde of schaamte haar het bloed naar de wangen joeg. Doch als zij door toorn werd beheerscht, en dat gebeurde dikwijls, dan kon zij er uitzien als een marmeren beeld, ja alsof alle leven uit haar geweken was. Doch laat ik verder gaan. Misschien komt de bode nu spoedig.

»Gabinius bracht den Koning dus terug. Doch sedert hij aanrukte met het Romeinsche leger en de hulptroepen van den Ethnarch van Judea, sprak niemand meer van hem of van Antipater, die het leger van Hyrkanus aanvoerde, maar men hoorde enkel van den Romeinschen veldheer Antonius. Hij had de troepen gelukkig door de woestijn tusschen Syrië en de Aegyptische Delta heen geleid en op dien tocht geen enkelen man verloren, hoewel in die streken vroeger reeds velen het leven hadden moeten laten. De Joodsche bezetting van Pelusium had die stad niet aan hun stamgenoot Antipater, maar aan hem, zonder slag of stoot overgeven. Hij had in twee veldslagen overwonnen, en in den tweeden, waarin, zooals gij weet Berenice's gemaal sneuvelde, werd het lot van het land beslist.

»Sinds zijn naam aan de beide meisjes voor het eerst was genoemd, konden zij niet genoeg van hem hooren. Men zeide, dat hij de voornaamste der voorname Romeinen, de stoutste der dapperen, de uitgelatenste en dolste der verkwisters en de schoonste van alle mannen was. De kamervrouw uit Mantua, met wie Cleopatra zich in de Romeinsche taal oefende, had hem dikwijls gezien en nog meer van hem gehoord, en zijn leven gaf aan de Romeinen veel te spreken. Het heette dat hij in rechte lijn van Hercules afstamde, en dat zijn gestalte en fraaie zwarte baard aan dezen voorvader herinnerden. Gij kent hem en weet, dat er van hem veel te verhalen valt wat aan een meisjesoor niet onverschillig is, en hij was toenmaals bijna vijf lustra jonger dan nu.

»Hoe luisterde Arsinoë, hoe bloosde en verbleekte Cleopatra, toen Timagenes waagde hem een zedeloozen woesteling te noemen. Deze Marcus Antonius had dan ook haar vader den weg naar zijn vaderland weder geopend.

»De fluitspeler had zijn dochtertjes niet vergeten. Hij was zelf buiten het gevecht gebleven en kwam dadelijk na de beslissing in de stad. Zijn weg voerde langs onzen tuin. De Koning had maar één kwartiers uurs tijd gehad om door een snellooper zijn aankomst te doen melden, en zijn verlangen om haar te begroeten. In allerijl werden zij feestelijk uitgedost, en beiden boden nu een aanblik, die het vaderhart goed moest doen.

»Cleopatra was nog altijd niet zoo groot als Arsinoë, maar ofschoon pas veertien jaar, geleek zij toch geheel en al op een volwassen jonkvrouw, terwijl gelaat en houding der jongste verrieden dat zij nog een kind was. In haar hart was zij dit echter niet meer.

»Zoo goed het ging waren in der haast ruikers saamgebonden, en de meisjes hadden beiden een in de hand, toen de reizigers naderden. Mijne ouders gingen tot aan de tuinpoort mede. Ik kon zien wat er gebeurde, maar alleen verstaan wat de mannen zeiden.

»De Koning stapte uit zijn reiswagen, die met acht Medische schimmels bespannen was. De aanzienlijke kamerheer die hem vergezelde, moest hem daarbij ondersteunen. Zijn rood gezicht glansde toen hij zijne meisjes begroette. Men zag hoe blijde hij verrast was, vooral door Cleopatra. Wel kuste hij ook Arsinoë, maar hij had toch alleen oogen en ooren voor de andere. Toch had ook de jongste zich schoon ontwikkeld, en zonder haar zuster ware ook zij zeker de aandacht waardig geweest. Doch Cleopatra was als de zon, die ieder ander hemellicht naast haar verbleeken doet. En toch mocht men haar niet zonnig noemen. Dat was juist voor een deel het bekoorlijke in haar, dat ieder zich gedrongen voelde zijn blik op haar te laten rusten, alleen om uit te vorschen waarin toch de betoovering bestond die van haar uitging.

»Ook Antonius werd door die aantrekkingskracht geboeid, zoodra de eerste woorden over hare lippen gekomen waren. Hij was te paard tot naast den wagen van den koning komen aanrijden. Zoodra hij de dochters aan de zijde van haar vader had gezien, begroette hij haar met vluchtige beleefdheid. Toen vraagde hij Cleopatra of hij op haar dank mocht hopen, omdat hij zoo spoedig haar vader had teruggebracht, en zij zeide dat zij, als dochter, gaarne erkentelijk wilde zijn, maar dat het haar als Aegyptische koningsdochter moeite kostte. Bij dit antwoord zag hij haar scherper aan dan te voren. Ik zelf hoorde daarvan pas later, maar ik zag hoe de Romein, zoodra zij ophield met spreken, van het paard sprong, en den voornamen kamerheer Ammonius, die den Koning uit den wagen had geholpen, de teugels toewierp, alsof hij een stalknecht was. De man, die zulk een oog had voor vrouwenschoonheid, had hier een zeldzame vondst gedaan, en terwijl hij het gesprek met Cleopatra voortzette, mengde zich ook haar vader daarin, en telkens hoorden wij zijn luiden lach. Men zou de ernstige leerlinge van Epicurus niet herkend hebben. Reeds menigmaal hadden wij treffende gezegden en verrassende denkbeelden van haar gehoord, doch zij had nog maar een enkele maal de scherts van Timagenes op dezelfde manier beantwoord. Maar nu gaf zij op ieder woord van Antonius een geestige repliek. Het was alsof zij nu eerst iemand gevonden had tegenover wien zij het de moeite waard vond om alle gaven van haar vluggen en diepen geest aan den dag te leggen. En toch verloor zij daarbij geen oogenblik haar vrouwelijke waardigheid. Hare oogen schitterden niet meer dan zij in een levendig gesprek met mij of met mijn vader deden.

»Met Arsinoë was het anders. Toen Antonius van het paard was gestegen, was zij hare zuster genaderd, doch daar de Romein haar voortdurend over het hoofd zag, zag ik hoe zij kleurde. Zij beet zich op de lippen en kreeg iets onrustigs over zich. Ik zag aan haar oogen en de trillende neusvleugels dat zij slechts met moeite hare tranen weerhield. Ofschoon Cleopatra mij veel liever was, ging mij dit toch aan het hart, en ik had dien trotschen Romein, die er werkelijk uitzag als de oorlogsgod zelf, aan zijn arm willen schudden en hem toefluisteren dat hij die andere koningsdochter toch niet zoo mocht veronachtzamen.

»En nog wat ergers wachtte de arme Arsinoë. Op het oogenblik dat de koning tot afscheidnemen vermaande, nam Antonius hem een der bloemruikers, die hij nog in zijn hand hield, af en zeide met zijn diepe, schoone stem: »Wie zulk een bloem zijn dochter noemt, heeft geen andere noodig.” Daarbij reikte hij den ruiker aan Cleopatra, en met de hand op het hart sprak hij den wensch uit dat hij haar te Alexandrië zou mogen wederzien. Toen sprong hij op het paard, dat de verontwaardigde kamerheer nog altijd bij den teugel hield.

»De fluitspeler was over zijn oudste dochter werkelijk verrukt, en deelde mijn vader mede, dat hij de meisjes overmorgen in de stad zou laten brengen. Morgen had hij daar allerlei dingen te doen, die zij liever niet moesten bijwonen. Mijn vader mocht het zomerpaleis met den tuin ten teeken van dankbaarheid voor zich en zijn nageslacht in eigendom behouden. Hij zou zorgen dat dit in de boeken ingeschreven werd. Inderdaad had dit op denzelfden dag nog plaats. Zelfs zou het zijn allereerste werk zijn geweest, indien niet een andere zaak vóór moest gaan: de terechtstelling van zijn dochter Berenice.

»Dezelfde koning die in de oogen van allen, die zijn ontmoeting met zijn dochters hadden gezien, een gevoelig man en teeder vader scheen, zou in die dagen half Alexandrië hebben laten ter dood brengen, zoo niet Antonius tusschenbeide gekomen ware. Deze verbood al dat bloedvergieten, en eerde de nagedachtenis van Berenice's gemaal nog met een prachtige begrafenis.

»Terwijl hij te paard wegreed, zag hij nog meermalen naar Cleopatra om, doch aan Arsinoë kon hij geen groet meer geven, want zij was haastig naar den tuin teruggegaan. Haar gezwollen gelaat toonde duidelijk de sporen van pas vergoten heete tranen. Van dien dag haatte zij Cleopatra met bitteren wrok.

»De Koning liet op den bepaalden tijd de beide meisjes afhalen. Dat geschiedde met vorstelijke praal. De Alexandrijnen juichten de koningsdochters luide toe, terwijl zij op vergulde troonzetels, met waaiers van struisvederen toegewuifd, omringd door veldheeren, hooggeplaatste ambtenaren, lijfwachten en den senaat, langs den koningsweg stadwaarts gedragen werden. Cleopatra dankte het voor zijne begroeting met een trotsche majesteit alsof zij nu reeds Koningin was. Wie haar gezien had, zooals zij met betraande oogen van ons allen afscheid nam en ieder van ons verzekerde dat zij met hartelijkheid aan hen zou blijven denken, zooals zij mij, die toen reeds gekozen was tot hoofd van den bond der epheben11), zoo zusterlijk innig.....”

Hier werd het verhaal van Archibius afgebroken door een slaaf, die de aankomst van zijn bode meldde, en hij stond onmiddellijk op, om hem in de werkplaats, waar men hem gebracht had alléén te spreken.

9) Leeraars in de welsprekendheid.

10) De godin van den dageraad.

11) Jonge mannen.

ZESDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

De lieden, die door Archibius op kondschap uitgezonden waren, hadden nog geen zekere berichten ingewonnen, doch een hardlooper van den Koning had kort geleden een tafeltje voor hem afgegeven, waarop Iras hem uitnoodigde haar den volgenden dag een bezoek te brengen. Er waren verontrustende, doch gelukkig nog onzekere tijdingen gekomen. De Regent wilde alles doen om zekerheid te verkrijgen, doch hij kende het wantrouwen der zeelieden en dergenen die aan de haven woonden ten opzichte van de Regeering. Een onafhankelijk man als hij, zou meer te weten kunnen komen dan de havenopzichter met al zijn schepen en volk.

Bij dit tafeltje was nog een tweede, waarop de overbrenger van den Regent de vergunning gekregen had te allen tijde de havenketen te doen ontsluiten, met zijn schip in de open zee te loopen en ongehinderd terug te keeren.

De bode, de opzichter der scheepsslaven van Archibius, was een man van ondervinding. Hij nam op zich, de »Epicurus” een snelzeiler, dien Cleopatra aan haar vriend ten geschenke gegeven had, binnen twee uren tot een tocht in de volle zee gereed te maken. Intusschen zou zijn meester afgehaald worden met een wagen, opdat geen tijd zou verloren gaan.

Nu keerde Archibius tot de vrouwen terug, en vroeg haar, of het geen misbruik maken van hare gastvrijheid zou zijn, indien hij zijn vertrek nu, kort voor middernacht, nog eenigen tijd uitstelde. Zij toonden zich integendeel oprecht verblijd en verzochten om het vervolg van zijn verhaal.

»Ik moet mij bekorten,” zeide hij, nadat hij den maaltijd dien Berenice gedurende zijn afwezigheid voor hem had doen gereed maken, eer aangedaan had. »Ook is er in de daaropvolgende jaren niet veel gebeurd, wat de vermelding waardig is. Ik moest toen ook al mijn tijd aan mijne studies in het Museum wijden. Wat Cleopatra en Arsinoë betreft, zij werden aan het hof als koninginnen behandeld. Met den dag, toen zij ons huis verlieten, eindigde ook haar kinderjaren. Was het de herstelling van haar vader op den troon, of de ontmoeting met Antonius, die deze groote verandering bij Cleopatra veroorzaakt had? Wie zal het zeggen?

»Kort vóór Cleopatra's afscheid, had mijn moeder nog betreurd dat zij haar moest afstaan aan een vader, zooals de fluitspeler was, en niet aan een waardige moeder; want zelfs de allerbeste zou zich gelukkig rekenen in het bezit van zulk een schat. Doch later was haar aard en manier van doen meer geschikt om een mannenhart in verrukking te brengen, dan juist dat eener moeder. Het scheen alsof haar streven naar zielevrede geheel voorbij was. Toch werden haar de drukke feestmalen, het zingen en muziekmaken, waaraan het in het paleis van den koninklijken virtuoos nooit ontbrak, wel eens wat te veel. Dan kwam zij in onzen tuin, en bleef daar dikwijls verscheidene dagen. Arsinoë kwam nooit mede, want deze liet zich nu eens boeien door een blonden officier der Germaansche ruiterij, die Gabinius achtergelaten had ter bezetting van de stad, dan weder door een Macedonisch edelman onder de koninklijke jongelingen, die toenmaal nog de wacht hadden in het paleis.

»Cleopatra leefde geheel van haar gescheiden, en sedert zij hare zuster eens hare minnarijen verweten had, legde deze haar vijandige gezindheid openlijk aan den dag. Cleopatra's belangstelling was op andere zaken gevestigd. Hoewel zij zich somtijds bezighield met de magische kunsten der Aegyptenaars, was haar helder verstand toch het meest tehuis in de wijsbegeerte der Hellenen. Het was een genoegen haar in het Museum met de leiders der verschillende scholen te hooren spreken of redetwisten. Haar gevoel van eigenwaarde was zeer toegenomen. Hoewel zij bij ons altijd verklaarde, dat zij met smart terugverlangde naar den tijd van den vreedzamen Epicuristen tuin, zoo nam zij toch zeer levendig deel in wereldsche zaken en politiek. Zij wist evengoed wat te Rome voorviel, wat de partijen dáár wilden en najaagden, als wie hunne leiders waren en welke bijzondere bedoelingen zij hadden.

»Met hartelijke belangstelling volgde zij de loopbaan van Marcus Antonius. Voor hem was de eerste neiging van haar jonge hart geweest. Zij had de grootste verwachtingen van hem gekoesterd, maar zijn latere handelwijze scheen daaraan niet te beantwoorden. Van toen af was iedere uiting omtrent hem met een tintje van minachting gekleurd, en toch voelde men ook daarin haar hart.

»Pompejus, wien haar vader zijn terugkeer te danken had, zag zij voor meer gelukkig, dan groot en wijs aan. Daarentegen sprak zij van Julius Cæsar, lang vóór zij hem persoonlijk had ontmoet, met gloeiende geestdrift, al wist zij, dat hij Aegypte tot een Romeinsche provincie had willen maken. Het grootste wat zij van hem verwachtte was, dat hij een einde zou maken aan de republiek, die zij haatte, en zichzelven tot beheerscher der wereld verheffen zou. Alleen had zij gaarne Antonius in zijn plaats gezien. Dikwijls nam zij in dien tijd tooverkunst te baat om iets van zijn toekomst te weten te komen. Haar vader deed hieraan mede, te meer omdat hij daarvan genezing van zijn lichaamskwalen verwachtte.

»Cleopatra's broeders waren nog aankomende jongelingen, die hun voogd Pothinus moesten gehoorzamen. Aan dezen, en hun opvoeder Theodotus, een knap doch gewetenloos redenaar, liet de Koning het bewind over zijn land geheel over. Zij beiden, en ook de veldheer Achillas zouden gaarne Dionysus, den oudsten erfgenaam des konings aan de regeering gebracht hebben, om dien ook later te kunnen beheerschen, maar op dit punt haalde de Koning een streep door hunne rekening. Zooals gij weet, benoemde hij in zijn laatsten wil zijn lieveling Cleopatra tot zijn opvolgster, maar haar broeder Dionysus moest de heerschappij als haar gemaal met haar deelen. Dit wekte in Rome veel ergernis, hoewel het overeenkwam met een oud Aegyptisch gebruik.

»De fluitspeler stierf. Cleopatra werd koningin en ook de gemalin van een tienjarigen knaap, voor wien zij zelfs niet een gewone zusterlijke genegenheid had. En zoo verbond zij zich met het eigenzinnige kind dat zich door de inblazingen van zijn raadslieden als alleenheerscher beschouwde, en tegelijk met de voormalige regeeringspersonen van het land.

»Er brak nu een droeve tijd voor haar aan. Haar leven was een voortdurende strijd tegen de kuiperijen, waaraan vooral haar zuster Arsinoë meedeed. Zij hield er een eigen hofhouding op na, aan welker hoofd de eunuch Ganymedes stond, die een ervaren veldheer en tegelijk een wijs en welmeenend raadsman voor haar was. Hij wist haar in aanraking te brengen met Pothinus en de overige staatslieden, en zoo vereenigden zich ten slotte allen in het ééne streven: Cleopatra van den troon te dringen. Pothinus, Theodotus en Achillas haatten haar omdat zij hunne fouten doorzag en hun de meerderheid van haar geest gevoelen liet. Ook zou het aan hunne vereende pogingen reeds vroeger zijn gelukt haar te doen vallen, wanneer de Alexandrijnen, en vooral de bond der jongelingen, die nog altijd eenigszins onder mijn invloed stonden, haar niet zoo trouw hadden bijgestaan. Alles wat zich »jongeling” noemde, gloeide voor haar, en ook onder de Macedonische edelen bij de lijfwacht, zouden de meesten voor haar door het vuur zijn gegaan, hoewel zij zonder hoop tot haar op moesten zien, als tot een ongenaakbare godin.

»Toen haar vader stierf, was zij zeventien jaar oud, doch zij wist zich als een man te verdedigen tegen hare vijanden en belagers. Mijne zuster Charmion die zij bij zich in dienst had genomen, stond haar daarbij trouw ter zijde. Zij was een mooi en lief meisje, en menigeen dong naar haar hand, maar de tooverkracht der Koningin hield haar als met ketenen geboeid. Zij gaf vrijwillig de liefde van een edel man op,—gij weet hij werd later uw gade, vrouw Berenice—om niet de Koningin te verlaten, in een tijd dat zij haar bijzonder noodig had. Van dien tijd af was het hart mijner zuster voor de liefde gesloten. Het behoorde geheel aan Cleopatra. Zij leeft, denkt, zorgt alleen voor haar. Voor u Barine, gevoelt zij bijzondere genegenheid omdat uw vader Leonax haar dierbaar was. Iras, die zoo dikwijls tegelijk met haar wordt genoemd, is de dochter van mijn oudste zuster, die reeds gehuwd was, toen de Koning de prinsessen aan mijn vader toevertrouwde. Zij is twaalf jaren jonger dan Cleopatra, en ook bij haar is hare gebiedster de eerste. Haar vader, de rijke Krates, deed alles om haar van den dienst der koningin terug te houden, maar het was te vergeefs. Na één enkel onderhoud met die wonderbare vrouw was zij voor goed voor haar gewonnen.

»Maar ik moet kort zijn! Gij hebt zeker zelve gehoord hoe Cleopatra ook Pompejus' zoon, bij zijn bezoek te Alexandrië geheel voor zich innam. Sedert de ontmoeting met Antonius, had zij geen man zoo vriendelijk behandeld als hem, en dat was geen opwelling van haar hart geweest, maar ter wille van het vaderland, dat haar zoo lief was. De vader van dien Gnejus had destijds de grootste macht in handen, en uit staatkundig overleg trachtte zij hem te winnen door middel van zijn zoon. De jonge Romein was dan ook bij het afscheid »vol van haar” zooals de Aegyptenaars zeggen. Dat deed haar genoegen, maar dit bezoek gaf ook voedsel aan den laster van haar vijanden. De aanvoerders der lijfwacht, aan wien zij zich altijd slechts als de trotsche Koningin vertoonde, hadden haar, heette het, met den zoon van Pompejus zien omgaan als met haars gelijken; in het theater en bij vele andere gelegenheden waren de Alexandrijnen getuige geweest hoe zij zijn betuigingen van welgevallen evenzoo beantwoordde. Maar de haat tegen Rome was in dien tijd hoog geklommen. De regenten en Arsinoë strooiden uit dat Cleopatra Aegypte aan Pompejus wilde afstaan, indien de senaat haar verzekerde van de alleenheerschappij over het nieuwe wingewest, en haar vrijheid wilde geven zich te ontslaan van haar koninklijken broeder en gemaal.

»Nu moest zij vluchten, en begaf zich allereerst naar de grenzen van Syrië om onder de Aziatische vorsten vrienden te winnen voor hare zaak. Aan mij en mijn broeder Straton, die zooals gij weet, bij den worstelstrijd te Olympia een krans behaalde, werd bevolen haar hare schatten na te dragen. Dat was wel is waar een gevaarlijke tocht, doch wij ondernamen dien met blijdschap, en vertrokken uit Alexandrië met eenige kameelen, een ossenwagen en verscheidene vertrouwde slaven. De reis ging tot Gaza, waar zij reeds een leger bijeenverzameld had. Wij hadden ons beiden verkleed als Nabateesche kooplieden, en de talen die ik geleerd had, om niet bij Cleopatra achter te staan, kwamen mij nu goed te pas.

»Het was een veelbewogen tijd. De namen van Pompejus en Cæsar waren in ieders mond. Na de nederlaag bij Dyrrhachium scheen de zaak van Julius Cæsar verloren, maar de slag bij Pharsalus gaf hem de heerschappij terug, indien zich het Oosten niet voor Pompejus verklaarde. Het scheen alsof beiden gelukskinderen waren. De vraag was maar wie dat het langst zou blijven.

»Mijne zuster Charmion vergezelde de Koningin, doch door eene haar toegedane vrouw uit het gevolg van Arsinoë hadden wij reeds uit het paleis vernomen, dat het lot van Pompejus beslist was. Hij kwam na zijn nederlaag bij Pharsalus als vluchteling hierheen, en verzocht den Koning van Aegypte, of liever de mannen die voor hem het bewind voerden, om gastvrijheid. Toen bevonden zich Pothinus en de zijnen in groote verlegenheid, want de troepen en schepen van Cæsar waren in de nabijheid, en vele vrienden van Gabinius dienden in het Aegyptische leger. Wanneer men den verslagen Pompejus vriendelijk ontving, dan maakte men zich den overwinnaar Cæsar tot vijand. Ik moest getuige zijn van de verschrikkelijke oplossing van dit dilemma. Het afschuwelijke gezegde van Theodotus: »doode honden bijten niet meer”, gaf den doorslag.

»Mijn broeder en ik waren met onze kostbare vracht reeds tot aan den berg Casius gekomen en hadden daar onze tent opgeslagen om een bode af te wachten, toen een groote schaar gewapende krijgslieden uit de stad naar ons toe kwam. Eerst vreesden wij dat wij vervolgd werden, maar een verspieder meldde, dat de Koning zelf zich onder de soldaten bevond, en op hetzelfde oogenblik zagen wij een groot Romeinsch admiraalsschip van de zijde der kust naderen. Dat kon niet anders dan van Pompejus zijn. De Koning was dus van gevoelen veranderd, en kwam zelf zijn gast verwelkomen. De troepen legerden zich langs de vlakke kust, waarboven de tempel van Ammon zich verhief.

»Het was een heldere Septemberdag en de wapens glinsterden in de zon. Van den hoogen rotswand der droge rivierbedding, waarin wij onze tent hadden opgeslagen, zagen wij iets roods zich op en neer bewegen. Het was de purperen mantel des konings. De blauwe golven, door een zacht windje bewogen, kabbelden over het gele duinzand. De koning bleef stilstaan. Hij tuurde met de hand boven de oogen naar het naderende admiraalsschip. Achillas, de bevelhebber, en de tribuun Septimius, die tot de Romeinsche bezetting in Alexandrië behoorde, en van wien ik wist dat hij onder Pompejus gediend, en hem veel te danken had, waren intusschen in een boot gegaan, en voeren hem tegemoet, daar het schip daar niet landen kon.

»Nu begonnen de onderhandelingen, en Achillas' voorslagen moeten zeer aannemelijk en vertrouwen-inboezemend geweest zijn, want een hooggeplaatste vrouw, Cornelia, de gemalin van den Imperator maakte een gebaar dat haar dank moest uitdrukken.”

De verhaler hield een oogenblik op, haalde diep adem, en drukte de hand tegen zijn voorhoofd, terwijl hij voortging:

»Nu komt iets.... ach, dat ik dat verschrikkelijk tooneel mee moest aanzien! Hoe dikwijls heeft men het verkeerd weergegeven, en toch ging alles zoo akelig eenvoudig!

»De Fortuin geeft haar gunstelingen vertrouwen. Dat had Pompejus dan ook. In weerwil van zijne acht en vijftig jaren, stapte hij vlug in het bootje. Alleen een vrijgelaten slaaf bood hem zijn hulp. Een zwarte matroos stiet het scheepje met zulk een kracht van het groote schip af, dat het scheen alsof de ijzeren stang een speer en het vaartuig zijn vijand was. De man struikelde, doordat de riemslagen der roeiers de boot reeds vooruit dreven, en daarbij viel het bruine mutsje van zijn hoofd. Het is of ik dat zwarte, wollige haar nog zie. Eer het mij nog recht helder werd dat dit geen goed voorteeken was, lag de boot reeds stil.

»Het water stond laag. Ik zag hoe Achillas naar het land wees. Hij kon het met één sprong bereiken. Pompejus zag naar den Koning; de vrijgelatene legde de hand onder zijn arm om hem bij het opstaan te helpen, Septimius stond op naar het scheen om hem te steunen. Doch neen! Wat is dat? Op eens flikkert iets naast het grijze haar van den Imperator in het helle zonlicht, alsof er een vonk uit den hemel gevallen was. Wil Pompejus die afweren, of waarom beweegt hij zijn hand? Hij nam zijn toga op, en zonder geluid te geven bedekte hij daarmede zijn gelaat. Nog eens zwaait de tribuun met zijn arm, en toen.... welk een verwarring! Hier, ginds, overal opgestoken handen, en weder flikkert iets in de lucht. De veldheer Achillas stoot zijn dolk met zulk een vaste hand, alsof hij zich in het moorden geoefend had. Het zware lichaam van den Imperator zijgt neder. De vrijgelatene ondersteunt hem nog.

»Nu hoorde men een geschreeuw van woede, van weeklachten, en boven dat alles uit de pijnlijke smartkreet eener vrouw. Die komt van het schip, van Cornelia, de gemalin van het slachtoffer. Daarop weder toejuichingen uit het kamp van den Koning, trompetsignalen; de Aegyptenaars trekken weder af. Daar vertoonde de vuurroode mantel zich weder. Septimius gaat hem tegemoet, met een bloedend hoofd in de hand. De jonge Koning ziet in de gebroken oogen, die zoovele gevechten, die Rome, die twee werelddeelen hebben beheerscht. Dit gezicht is het kind toch te machtig: hij wendt zich af. Het schip zeilt weer weg; de Aegyptenaars scharen zich in rijen, en trekken af. Achillas wascht zijne bebloede handen in de zee, en naast hem de vrijgelatene eveneens het hoofdelooze lichaam van zijn heer. De trouwe dienaar roept den veldheer iets toe, maar deze haalt alleen de schouders op.”

Archibius moest weder een oogenblik ophouden om adem te scheppen. Toen ging hij weder kalmer voort:

»Ik hoorde later dat Achillas het leger niet naar Alexandrië terugbracht, maar naar het Oosten, naar Pelusium.

»Mijn broeder en ik stonden op den steilen rotswand. Het duurde lang eer wij een van beiden spraken. Een stofwolk onttrok den Koning en zijn gevolg aan ons gezicht, en het zeil van het admiraalsschip verdween ook. Het werd donker, en Straton wees naar het Westen, waar Alexandrië lag. Daar ging de zon onder, zoo rood, alsof een stroom van bloed over de stad werd uitgegoten.

»Thans daalde de nacht. Er brandde aan de kust nog een zwak vuur. Vanwaar kwam op die dorre vlakte dat hout? Hoe had men dat daar ontstoken? Dicht bij het tooneel van den moord had een wrakke schuit gelegen. De vrijgelatene en zijn makker hadden die in stukken gehakt, en het vuur werd gevoed met dorre takken, de verscheurde kleeren van het slachtoffer en droog zeegras. De vlammen sloegen nu hooger op. Wij zagen hoe op dezen armzaligen brandstapel behoedzaam een menschenlichaam werd neergelegd. Het was dat van den grooten Pompejus. Een veteraan van den Imperator bood den trouwen dienaar de behulpzame hand.”

Archibius zonk op den rustbank achterover, en voegde er ter verklaring bij:

»De man heette Cordus, Servius Cordus. Later is het hem goed gegaan, want daar heeft de Koningin voor gezorgd. Maar de anderen werden alle spoedig genoeg door het noodlot achterhaald. Theodotus werd later door Brutus tot een ellendigen dood veroordeeld. Terwijl hij zieltogend luid schreeuwde, riep een oud dienaar van Pompejus hem toe: »Doode honden bijten niet meer, maar zij huilen als zij sterven.”

»Het was Julius Cæsar waardig, dat hij zich vol afschuw afwendde toen hem later het hoofd van zijn vijand gebracht werd. En Pothinus wachtte te vergeefs een belooning voor zijn schandelijke daad.

»Spoedig na de terugkomst des Konings in Alexandrië zeilde Cæsar uit. Eerst in Aegypte hoorde hij welke ontvangst men daar Pompejus had bereid. Gij weet dat hij hier negen maanden lang gebleven is. Menigmaal heb ik hooren zeggen dat het Cleopatra was, die hem hier geboeid hield. Dat is waar, en toch ook weder niet waar. Een half jaar was hij gedwongen te blijven; de overig drie maanden schonk hij aan zijne geliefde, want het hart van den vierenvijftigjarigen man had zich werkelijk nog eenmaal voor een grooten hartstocht geopend. Evenals alle wonden, zoo zijn ook die van Eros' pijlen moeilijker te heelen, wanneer iemands jeugd al achter hem ligt. Ook waren het niet slechts oogen en zinnen die dit, in leeftijd zoo verschillende paar tot elkander aantrokken, maar veeleer beider innerlijke hoedanigheden. Twee gevleugelde geesten hadden elkander hier ontmoet. Het genie van den een had dat van de ander erkend. De echte mannelijkheid was de volkomen vrouwelijkheid tegemoet gekomen. Het kon niet anders of zij moesten elkander aantrekken. Ik zag het aankomen, want reeds lang had Cleopatra met gespannen aandacht de vlucht van dezen adelaar gevolgd. Hij vloog hooger dan alle anderen, ook dan hij, dien zij reeds als kind vol verlangen had nagestaard. En zij voelde zich sterk genoeg hem ter zijde te blijven.

»Wij kwamen zonder ongeval bij Cleopatra aan, en hoorden hoe Cæsar in het paleis der Ptolemaeërs afgestapt was, in weerwil van den vijandige gezindheid der burgers, en hoe hij de taak op zich genomen had de orde in Aegypte te herstellen. Wij wisten op welke wijze Pothinus, Achillas en Arsinoë zouden trachten invloed op hem uit te oefenen. Wat Cleopatra betreft, zij maakte zich ongerust dat hare vijanden Aegypte onvoorwaardelijk aan Rome zouden afstaan, wanneer Cæsar hen de teugels der regeering overliet, en haar daarvan uitsloot. Zij had reden dit te vreezen, maar ook den moed om voor haar eigen zaak het leven te wagen.

»Zij moest nu naar de stad, en wel naar het paleis, in de tegenwoordigheid van den Dictator gebracht worden. Mijn broeder en ik hielpen haar. Aan kinderen heeft men het verhaaltje opgedischt, dat Cleopatra door een sterken man in een zak door de poort van het paleis werd gedragen. Het was nu wel geen zak, maar een Syrisch tapijt. De sterke man was mijn broeder Straton. Ik liep vooruit en maakte ruim baan.

»Julius Cæsar en zij zagen en vonden elkander. Het lot trok nu het besluit, dat uit de gegevens vanzelf voortvloeide. Nooit zag ik Cleopatra meer schitterend in al hare gaven van verstand en hart dan toen. Toch was zij door gevaren omringd, en had Cæsar al zijn veldheerstalent noodig om den tegenstand, dien hij hier vond, te bedwingen. Ik herhaal: dat was het, wat hem hier hield; Cleopatra niet. Waarom zou hij niet, zooals hij later deed, zijn geliefde meegenomen hebben naar Rome, wanneer hem dat mogelijk ware geweest? Dit was echter in geenen deele het geval. Daar zorgden de Alexandrijnen wel voor.

»Hij had het testament van den fluitspeler erkend, en zelfs aan het Aegyptische koningshuis nog meer rechten toegestaan, dan de Koning had kunnen doen. Cleopatra en haar broeder en gemaal Dionysus moesten de heerschappij deelen; aan Arsinoë en haar jongsten broeder werd daarbij nog Cyprus toebedeeld, dat de Republiek aan hun oom Ptolemæus had ontnomen. Natuurlijk moest Rome de voogdij over de kinderen behouden.

»Deze beschikkingen waren ondragelijk voor Pothinus en de voormalige bewindvoerders van den staat. Cleopatra als Koningin, en Rome, dat was Cæsar, de dictator die haar vriend was, als voogd, dat was zooveel als ontzetting uit alle macht, ja hunne geheele vernietiging, en daarom verzetten zij zich daartegen met alle kracht.

»De Aegyptenaars en ook de Alexandrijnen waren aan hare zijde, en de jonge Koning torste met tegenzin het juk der zooveel meer ontwikkelde zuster, die hij nooit had liefgehad. Cæsar was met een strijdmacht aangekomen die op verre na niet gelijkstond met de hunne, en misschien konden zij den algemeen gevreesden man hier ten val brengen. Zoo streden zij dan van weerszijden met zooveel inspanning en ijver, dat de dictator groot gevaar liep het onderspit te delven. Maar Cleopatra verlamde waarlijk niet zijn kracht, noch belemmerde hem in zijn bewegingen. Neen! nooit was hij grooter geweest, nooit bewees hij zóó duidelijk de macht van zijn genie! En welk een overmacht, welk een haat, had hij te bestrijden! Ik zag hoe de jonge Koning, toen hij hoorde dat het Cleopatra was gelukt in het paleis binnen te dringen en Cæsar te zien, als bezeten van woede de straat op liep, zich de kroon van het hoofd rukte, die op den grond wierp en de voorbijgangers toeriep, dat hij verraden was. Dit duurde zoolang totdat Cæsar's soldaten hem in het paleis terugbrachten en de menigte uiteendreven.

»Arsinoë had meer gekregen dan zij had durven hopen, en toch voelde zij zich ook nu weder het meest beleedigd. Toen Cæsar in het paleis zijn intrek had genomen had zij hem als Koningin ontvangen, en al haar hoop op hem gevestigd. Daar was haar gehate zuster gekomen en als altijd geraakte zij door Cleopatra op den achtergrond. Dat was te veel, en met haar vertrouweling Ganymedes, die een geducht krijgsman was, verliet zij het paleis, en ging tot de vijanden van den dictator over.

»Nu volgden hevige gevechten te water en te land. In de stad zelve streed men om de drinkwaterleiding te bemachtigen die door den vijand was afgedamd, om haar te gebruiken bij den brand die in een deel van het Bruchium woedde, en de bibliotheek van het Museum al verwoest had. Maar ofschoon hij half versmachtte van dorst, en nauwelijks aan het gevaar van verdrinken ontkomen was; ofschoon hij aan alle zijden werd bedreigd door den grimmigsten haat, toch stond de overwinnaar pal, en bleef zegepralen, evenals later in een veldslag, waarvoor de jonge Koning een leger verzameld en zich aan het hoofd daarvan gesteld had.

»Zooals gij weet, is de jongeling op zijn vlucht verdronken.

»Onder dergelijken strijd en doodsgevaren verliep een half jaar, eer het Cæsar en Cleopatra vergund was de vruchten te plukken van hun gemeenschappelijken arbeid. De dictator verhief haar tot Koningin van Aegypte, en benoemde haar jongsten broeder, nauwelijks half zoo oud als zij, tot haar mederegent. Aan Arsinoë schonk hij het leven, dat zij eigenlijk had verbeurd, maar zond haar naar Italië.

»Op de overwinning volgde de vrede. Nu hadden werkelijk ernstige plichten den Staatsman naar Rome moeten terugroepen doch hij bleef nog volle drie maanden hier. Wie het leven van den eerzuchtigen Cæsar kent, en weet wat dit verzuim hem had kunnen kosten, die slaat zich met de hand tegen het hoofd en vraagt: kan dat waar zijn, dat hij dezen kostbaren tijd gebruikte om met zijne geliefde een tochtje op den Nijl te doen, tot aan het eiland van Isis toe, aan de uiterste zuidgrens van het land? Toch is dat zoo geschied, en ik was zelfs in het tweede schip met haar gevolg. Niet alleen zag ik hen meermalen bijeen, maar ik deelde ook nu en dan hunnen maaltijd en hunne gesprekken. Dat was dan een geven en nemen, een terugtrekken en zich verheffen, kortom een opeenvolging van dissonanten, die men gaarne aanhoorde, omdat men wist, dat zij zich in de schoonste harmonie moesten oplossen. Dat waren dagen van genot voor alle zintuigen te gelijk.”

»Deze geheele Nijlreis,” viel Barine hem in de rede, »stel ik mij evenzoo voor als die fabelachtige tocht, toen het zeil van purperkleurige zijde Cleopatra op den Kydnos Antonius tegemoet voerde.”

»Neen, neen!” riep Archibius uit. »Van Antonius heeft zij eerst geleerd het aardsche leven door aardsche genietingen te veraangenamen; Julius Cæsar verlangde meer dan dat. Haar geest verschafte hem een veel grooter genot.”

Een oogenblik later ging hij voort:

»Het is waar, al datgene waarmede zij Antonius in later jaren altijd nieuw vermaak verschafte, kwam niet altijd uit haar zelve.”

»En dat,” riep de jonge vrouw uit, »was nu hetzelfde wezen, dat in de rust der ziel eenmaal het hoogste goed had erkend!”

»Hetzelfde,” antwoordde Archibius nadenkend. »Maar dat moest alles zoo wezen. Het levensgenot was voor het aankomende meisje het voornaamste geweest. Vóórdat de hartstocht bij haar ontwaakte, was zielsrust het hoogste wat zij kende. Toen de tijd kwam dat deze onbereikbaar voor haar bleek te zijn, bleef toch nog het vastgewortelde verlangen naar geluk in haar gemoed den boventoon voeren. Mijn vader had haar, als de toekomstige Koningin, moeten inprenten dat het goede de grondwet van haar bestaan was. Dat deed hij niet, omdat hij zelf in zijne afzondering dat geluk gevonden had, dat de meester aan zijn jongeren voorspiegelt. Van Athene naar Cyrene, van Epicurus naar Aristippus is slechts één enkele schrede. Zij deed die, toen zij vergat dat de meester geenszins in het najagen van genoegens alléén het hoogste goed zocht. De gelukzaligheid, zooals Epicurus die bedoelde, moest niet minder zijn dan die van Zeus, zelfs al had men enkel gerstebrood en water, om zijn honger en dorst mede te stillen.

»Toch geloofde zij nog altijd zijn leerling te zijn en toen later Antonius ten strijde trok tegen de Parthen, waardoor zij langen tijd alleen bleef, begon zij weder te wenschen naar afwezigheid van smart en rust der ziel. Doch de staat, haar kinderen, de echtverbintenis van Antonius met Octavia, haar eigen hartewenschen, de magische kunst en de Aegyptischen leer van het leven na den dood; meer dan dit alles nog de brandende eerzucht, de nooit sluimerende behoefte bemind te worden door hen, die zij zélve beminde, en de eerste te zijn onder de eersten....”

Op dit oogenblik kwam de bode binnen, die hem aankondigde, dat het schip in gereedheid was.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Archibius had zich zoo geheel in het verleden verdiept, dat hij eenigen tijd noodig had om tot het tegenwoordige terug te keeren. Hij sprak nu met de vrouwen af wanneer zij gereed moesten zijn tot het vertrek.

Het viel vrouw Berenice zeer moeilijk haar overreden broeder in de stad achter te laten, en Barine had gaarne vóór het afscheid Dion nog eens gezien. Ook vonden beiden het hard Alexandrië te verlaten, eer de beslissende tijding van leger en vloot aangekomen was. Zij verzochten daarom nog eenige dagen uitstel, maar met een vastheid, die den beminnelijken vriend veranderde in een strengen gebieder, wees Archibius dat af, en verklaarde dat zij den volgenden dag vóór zonsondergang tot het vertrek gereed moesten zijn. Zijn Nijlboot zou in de Agathodemonhaven voor haar klaar liggen, en dan zouden zij in zijn reiswagen, met zooveel slavinnen en kisten als zij wilden meenemen, verder gebracht worden. Vervolgens herinnerde hij haar op zachten toon aan de onaangenaamheden die een langer verblijf in de stad haar op den hals kon halen, verontschuldigde zijn gestrengheid met den haast dien hij had, drukte moeder en dochter de hand, en ging heen. Barine riep hem nog eens terug, maar hij deed alsof hij dat niet hoorde. Zijn wagen bracht hem spoedig aan de groote haven.

De wassende maan weerspiegelde als een zilveren zuil trillend in het golvend water, en verlichtte den zoelen herfstnacht. Verderop stond de zee zeker hol; dat zag men aan de beweging der schepen, die voor anker lagen in den hoek, gevormd door den prachtigen Poseidontempel en den Choma. Dat was een landtong, die zich als een vinger in de zee uitstrekte, en aan welker punt een klein paleis stond. Cleopatra had dit voor Antonius laten bouwen om hem te verrassen, nadat hij zich een enkel woord daarover had laten ontvallen. Een ander paleis van wit marmer op het eiland Antirrhodus blonk in den maneschijn tegenover de plaats van afvaart, en op grooter afstand nog zag men een helder vuur branden. Op den beroemden, hoogen vuurtoren op het eiland Pharus, aan den ingang van de haven, flikkerden de vlammen, door den wind bewogen, op en neer. Daardoor werd de gezichteinder en het kalme havenwater tot aan den uitersten rand met beweegelijke lichtmassa's overstroomd, die nu eens sterker dan weer flauwer de duisternis verhelderden.

Aan de haven was het, in weerwil van het late uur, nog levendig, en de wind was zoo hevig, dat de mantels der mannen dikwijls over hun hoofd waaiden, en de vrouwen hare kleederen moesten vasthouden. Het handelsverkeer was wel is waar afgeloopen, maar velen waren hier gekomen om nieuwstijdingen op te doen, of het eerst terugkomende schip van de zegepralende vloot te begroetten. Niemand twijfelde er immers aan of Antonius had in den slag tegen Octavianus de overwinning behaald. De haven werd goed bewaakt, en juist was een afdeeling Syrische ruiters uit de kazerne ten zuiden van den Lochias naar den kant van den Poseidontempel getrokken. Hier, en niet in de Eunostushaven, die van de andere was gescheiden door den breeden op een brug gelijkenden dam van het Heptastadium, die op zijne beurt weder het vasteland met het eiland Pharus verbond, moesten de koninklijke schepen het anker uitwerpen. In deze buurt stonden de paleizen en tuighuizen en daarom moesten alle berichten hier het eerst gebracht worden. De andere haven was alleen ten gebruike voor den handel bestemd, en het was verboden dat pas aankomende schepen hier binnenliepen, omdat het verspreiden van valsche geruchten voorkomen moest worden.

Trouwens, men kon moeilijk verwachten zelfs in de groote haven eenig nieuws te vernemen, want de geheele opening was versperd door een keten, die van de punt van het eiland Pharus af, tot een tegenoverliggende klip aan den Alveus Steganus liep. Maar als er een schip van den staat met gewichtige tijdingen aan mocht komen, dan kon die afsluiting weggenomen worden, en daarop hoopten de talrijke zwervers aan den oever.

Velen van hen kwamen van feestmalen, uit gaarkeukens, herbergen of van nachtelijke bijeenkomsten van godsdienstige secten, maar aller opgewekte stemming werd gedempt onder den druk van een bange verwachting. Waar Archibius zijn blikken wendde, overal zag hij gespannen en angstige gelaatstrekken. Ook moesten velen om den wind zich voorover buigen, en al de wapperende vlaggen, en opstijgende stofwolken vermeerderden nog de onrust van het geheele tooneel.

Op het oogenblik dat het schip van wal stak en de roeiers de riemen grepen voelde de eigenaar daarvan zich zóó gedrukt, dat hij bijna niet meer durfde hopen een goede tijding te zullen hooren.

Zijn verhaal had lang verleden dagen als het ware weer uit het graf doen verrijzen, en terwijl hij van zijn bank op het achterdek opzag naar den hemel, waar de sterren telkens verduisterd werden door voorbij vliegende wolken, trok menig tooneel van vroegeren tijd aan zijn geestesoog voorbij.

»Wat kan men veel onder zijn woorden verbergen, zonder zich nog schuldig te maken aan een leugen,” dacht hij, toen hij alles nog eens naging, wat hij aan de vrouwen had verhaald.

Ja zeker, hij was al vroeg Cleopatra's vertrouweling geweest, maar hoe had hij haar bemind, hoe was hij met hart en ziel haar toegedaan geweest! Zij moest dit niet alleen vermoeden: hij had het haar duidelijk genoeg getoond en bekend. En zij.... zij had dat aangenomen, als een recht dat haar toekwam. Toen hij slechts éénmaal had beproefd, in een overvloeiend gevoel van teederheid, haar in de armen te sluiten, had zij hem met ontevreden hooghartigheid afgeweerd. Maar een betuiging van liefde is een misdaad, die de hoogstgeplaatste den geringste toch altijd weer vergeven kan, en reeds enkele uren later was Cleopatra hem met de oude, hartelijke vertrouwelijkheid tegemoet gekomen.

Nu dacht hij ook weder aan al de kwellingen die hij had doorgestaan, in den tijd toen hij moest aanzien hoe zij door Antonius werd geboeid. Die Romein was toenmaals nog maar als een even snel verschenen als verdwenen meteoor door haar leven heengegleden, maar allerlei dingen hadden verraden dat zij hem niet vergeten kon. Hare liefde voor den grooten Caesar had Archibius zonder smart bij haar zien ontkiemen en opgroeien, doch toen zij zich te Tarsus aan den Kydnos met Antonius verbonden had, was er in zijn hart een pijnlijk gevoel van afgunst ontwaakt. Thans waren zijne haren vergrijsd, en al had niets zijn vriendschap voor de Koningin verzwakt, al was hij ten allen tijde bereid haar te dienen, toch had dit dwaze gevoel zich nog niet voor goed laten onderdrukken, en telkens weder maakte het zich van zijn gansche ziel meester. Hij ontkende geenszins de goede eigenschappen van Antonius, maar hij zag ook dat de zwakke zijden van zijn karakter veel meer in 't oog loopend waren. Telkens wanneer zijne gedachten zich bezig hielden met dit hooge paar, ging het hem als een kunstkenner, die het edelste kleinood uit zijn verzameling moet afstaan aan een rijkaard die de waarde ervan niet kent, en het eene verkeerde plaats geeft.

Met dat al wenschte hij den Romein van harte een schitterende overwinning toe, want zijne nederlaag zou ook die van Cleopatra zijn, en zou zij de gevolgen daarvan kunnen dragen?

Het schip naderde nu den lichtkring aan den voet van den Pharus, en juist wilde Archibius het sein geven om de keten te doen wegnemen, toen hij in den stilte van den nacht zijn naam hoorde roepen.

Het was Dion, die hem riep. Hij zat in een der booten, die aan den ingang van de haven op de golven dobberden, en had den snelzeiler van Archibius herkend aan den kop van Epicurus aan den voorsteven, die door het licht der lantaarns beschenen werd. Cleopatra had dit schip voor haar vriend laten bouwen en het met dit kopstuk doen versieren. Dion wenschte nu bij hem te komen, en weldra stonden beiden op het dek.

Hij was op het eiland Pharus geland en in een herberg voor matrozen binnengegaan, om daar te vragen, of iemand ook iets wist; maar niemand had iets zekers durven vertellen. De wind kwam nog altijd van de landzijde, en daardoor konden de grootere vaartuigen alleen met de hulp van roeiers de Aegyptische kust bereiken. Eerst sinds kort was de wind van het Zuiden naar het Zuidoosten omgeloopen, en een ervaren Rhodisch stuurman had verzekerd dat hij »nooit weder een beker wijn aan zijn mond zou zetten,” als hij nu morgen of overmorgen niet uit het Noorden kwam. Was dat het geval, dan konden er schepen en tijdingen bij dozijnen te gelijk naar Alexandrië komen; dat was te zeggen, had de grijskop met een uittartenden blik op den fijnen heer uit de stad er bij gevoegd, indien men die voorbij den Pharus of door het Poseidon-bekken in den Eunostus liet binnenloopen. Met zonsondergang had hij aan den horizont reeds zeilen meenen te zien, maar de vlugste watervogel werd een egel, als de wind hem tegen was, en zelfs zijn zwempooten vasthield. Anderen verzekerden hetzelfde, en gaarne zou Dion daarom uitgezeild zijn in de open zee om ze op te zoeken. Hij was echter geheel alleen in een gebrekkig huurbootje geweest, en dit had de haven niet mogen verlaten.

Zijn vermoeden dat voor Archibius iedere weg openstond, had hem niet bedrogen, en spoedig werd de ketting voor den »Epicurus” weggenomen. Nu kliefde het schip, door den Zuidoosten wind gedreven, met volle zeilen den vloed.

In het Noorden werd een flauw licht zichtbaar, dat zich heen en weer bewoog. Dat kon niet anders zijn dan een schip. Nu had wel de stuurman in de herberg op Pharus, die er zelf had uitgezien alsof hij niet enkel koopvaardijschepen had bevaren, gesproken van vaartuigen die aan bezoekers aan boord niets ten geschenke gaven, maar toch vreesden de mannen op den goed uitgerusten, stevigen »Epicurus” niet voor zeeroovers, te meer daar de dag weldra aanbreken zou, en hij juist twee zware oorlogsschepen, die de Regent had uitgezonden, voorbijgestevend was.

De sterke wind blies in de zeilen, roeien zou vergeefs zijn geweest en het licht in de verte scheen naar hen toe te komen. Reeds was in het Oosten een bleeke lichtstreep te zien, toen de Epicurus het vaartuig met het licht naderde. Dit scheen echter voor het Alexandrijnsche schip te willen uitwijken, en wendde zich plotseling naar het Noordoosten. Nu overlegde Archibius met Dion of het de moeite waard kon zijn den vluchteling te achtervolgen. Het was een klein vaartuig, dat in de flauwe schemering een Cilicisch zeerooversschip van de kleinste soort scheen te zijn.

Welke de bemanning ook mocht zijn, het beproefde en talrijke scheepsvolk van den veel grooteren Epicurus behoefde die niet te vreezen. Bovendien had de kapitein op de vloot van Sextus Pompejus gediend en reeds menig zeerooversschip geënterd.

Toch vond Archibius het dwaasheid zonder noodzaak een strijd aan te gaan, doch Dion was in een stemming om ieder gevaar, wat het ook ware, te trotseeren. Ging het op leven en dood—welnu des te beter!

Hij had aan zijn vriend de booze vermoedens van Iras meegedeeld. Het stond zeker niet goed met de vloot, en als de kleine Ciliciër niets voor hen te verbergen had, dan zou hij hen niet uit den weg zijn gegaan. Daarom was het stellig van belang te vernemen waarom hij, zoo dicht bij de haven was omgekeerd.

Ook de strijdlustige kapitein was vóór de vervolging, en zoo gaf Archibius dan eindelijk toe; de onzekerheid was voor hem ook het ondragelijkste van alles. Dion was ook gedrukt. Hij kon het beeld van Barine maar niet uit zijn herinnering verbannen; sedert Archibius hem had medegedeeld, dat zij van plan was haar huis voortaan voor bezoekers te sluiten, en hoe gewillig zij gehoor gegeven had aan zijn uitnoodiging om bij hem buiten te komen, had hij zich telkens weder afgevraagd, waarom hij dan ook niet haar, die toch de dochter van een beroemd schilder was, tot de zijne zou maken.

Archibius had gezegd dat Barine haar beste vrienden en natuurlijk ook hem, gaarne in haar landelijke afzondering bij zich ontvangen zou. Dat betwijfelde Dion geen oogenblik, maar evenmin of zulk een bezoek hem niet misschien voor goed van zijn vrijheid zou berooven. Maar kon eigenlijk een Alexandrijn nog op echte vrijheid bogen, wanneer de Romeinen het bewind voerden in zijn stad, evenals zij in Karthago of Korinthe deden? Indien Cleopatra verslagen was en Aegypte een Romeinsche provincie werd, dan kon het hem enkel vernederen deel te nemen aan de besluiten van den Raad, die heden nog uit »Macedonische mannen” bestond en waaraan hij zoo was gehecht; dan kon hij nooit meer voldoening van zijn werk verwachten. Dan mocht de lans van een zeeroover aan het onvrije leven onder een Romeinsch juk, en aan dit onwaardig verlangen en weifelen een einde maken! Op dezen najaarsmorgen, onder een grijzen hemel, waaruit een lichte, vochtige nevel neerdaalde, met zooveel bange vrees en twijfel in het hart, zag Dion van alle tegenwoordige en toekomstige dingen enkel de schaduwzijde. Maar op dit oogenblik had de Epicurus den vluchteling ingehaald en zich van hem meester gemaakt. De eerste zwakke tegenstand was spoedig opgegeven, zoodra de kapitein van Archibius hem toegeroepen had, dat de Epicurus niet behoorde tot de koninklijke vloot, en alleen op kondschap uitgegaan was.

Nu haalden de Ciliciërs de riemen in, Archibius en Dion gingen op hun schip over, en namen den bevelhebber in het verhoor. Het was een oude verweerde zeeman, die het zwijgen niet eerder verbrak, dan nadat hij zeker wist wat zijn vervolgers verlangden.

Hij begon met de verzekering dat hij aan de Peloponnesische kust getuige was geweest van een groote overwinning der Aegyptische vloot op die van Octavianus, maar door de strikvragen der vrienden raakte hij in zijn eigen woorden verward, en beweerde dat hij in het geheel niets wist. Hij had dat maar gezegd om den Alexandrijnschen heeren welgevallig te zijn. Dion doorzocht daarop met eenige lieden van den Epicurus het schip, en in de kleine kajuit vond hij een man, die sterk geboeid was, en door een der zeeroovers werd bewaakt. Het was een matroos uit Pontus, die alleen de taal van zijn eigen land sprak. Men kon dus niets verstaanbaars uit hem krijgen. Daarentegen stonden er belangrijke aanwijzingen in een briefrol, die zij in de kajuit in een kist vonden, onder kleederen, sieraden en andere geroofde voorwerpen.

Dion kon zijn oogen niet gelooven, toen deze brief bleek gericht te zijn aan zijn vriend, den bouwmeester Gorgias. Daar de zeeroover het schrift niet lezen kon, had hij hem niet geopend, doch Dion verbrak zonder aarzelen het zegel. De brief was geschreven door den Griekschen rhetor Aristokrates, die met Antonius in den oorlog was gegaan, uit Tænarum in het Zuiden van den Peloponnesus. Uit naam van zijn veldheer verzocht hij Gorgias daarin, het kleine paleis op het uiteinde van den Choma ten spoedigste in gereedheid te brengen, en aan de havenzijde door een hoogen muur af te sluiten. Een deur daarin was niet noodig. Alle verkeer met het huis kon over het water plaats hebben. Hij moest maar zorgen dat het werk spoedig gereed was.

De beide vrienden zagen elkander, bij het lezen van deze opdracht, vol verbazing aan. Wat kon de aanleiding zijn tot dit vreemdsoortig bevel? Hoe kwam het in bezit van den zeeroover? Dit alles moesten zij zien uit te vorschen.

Wanneer Archibius, wiens zachtaardige, vertrouwen-wekkende persoonlijkheid de menschen altijd spoedig voor zich innam, een enkel maal in hartstochtelijke drift losbarstte, dan miste deze plotselinge omkeering nooit zijne uitwerking, omdat zijne hooge, trotsche gestalte en harde trekken er dan werkelijk onheilspellend uitzagen. Ook nu zag de kapitein vol ontzag tot hem op, toen de Alexandrijn hem dreigde alle genade die hij beloofd had, weer in te zullen trekken, indien hij hem ook maar het geringste verzweeg, wat samenhing met dezen brief. De zeeroover bemerkte spoedig genoeg dat het vergeefs zou zijn leugenachtige verklaringen af te leggen; de gevangene uit Pontus sprak wel is waar geen Grieksch, maar hij verstond deze taal toch goed, en alles wat de andere zeide, bevestigde hij met levendige gebaren, of anders gaf hij op dezelfde wijze te kennen, dat het onwaar was.

Zoo kwam dus alles aan het licht. De bark van den zeeroover had met een veel grooter schip in de nabijheid van Kreta op een prooi geloerd. Nog hadden zij van de tegenover elkander liggende vloten niets gezien of gehoord, toen een sierlijke snelzeiler »de vlugste en schoonste die ooit de zee had bevaren,” misschien wel »de Zwaluw” een scheepje van Antonius, dat hem als bode dienst deed, in het vizier was gekomen. Zij hadden het gemakkelijk prijsgemaakt. De beide schepen hadden den buit gedeeld, maar het leeuwenaandeel van menschen en goederen had het groote schip gekregen.

De zeeroover had een aanzienlijk man, misschien Antonius' gezant, die toen zwaar gewond en sedert gestorven en in de zee geworpen was, een tasch met brieven en eenig geld afgenomen. De eerste had hij gebruikt om het vuur mee aan te houden; doch die aan den bouwmeester was toevallig overgebleven.

De gevangen matrozen hadden verklaard dat de vloot van Octavianus die van Cleopatra verslagen had, dat de Koningin was gevlucht, doch dat de landmacht nog onaangetast was, en de overwinning daardoor ten slotte nog aan de zijde van Antonius kon blijken te zijn. Maar de zeeroover wist niet waar het leger stond—misschien bij Tænarum, vanwaar het buitgemaakte schip gekomen was. Het was vreeselijk jammer, maar zijn eigen manschappen hadden het in brand gestoken, en het was vóór zijn oogen gezonken.

Deze berichten hadden allen schijn van waarheid; maar de kust van Akarnië, waar dan de slag geleverd moest zijn, lag zoo ver van de Zuidpunt van den Peloponnesus af, dat de brief van Antonius wel gedurende zijn vlucht moest geschreven zijn. Alleen dit scheen zeker te zijn: de vloot was op den tweeden of derden September verslagen en uiteen gedreven.

Waar zou de Koningin nu zijn? Waar waren de groote, prachtige schepen gebleven, die haar in den strijd hadden gevoerd? Zelfs tegenwind had ze niet zóó lang kunnen ophouden, want zij waren immers voldoende met roeiers bemand. Zou Octavianus ze bemeesterd hebben? Waren zij verbrand of gezonken? Maar hoe zou Antonius dan naar Tænarum zijn gekomen?

Op dit alles kon de zeeroover geen antwoord geven. Waarom zou hij het verzwegen hebben, als hij iets wist?

Archibius liet eindelijk het geroofde goed uit het schip van Antonius, benevens den bevrijden matroos, op den Epicurus overbrengen, maar de zeeroover moest hem zweren nooit meer het water tusschen Kreta en Alexandrië onveilig te maken. Daarna liet hij hem ongehinderd zijn koers vervolgen.

Met dit geheele avontuur waren ettelijke uren verstreken, en nu ging de terugvaart, tegen den wind op, langzaam, want de Epicurus was, zoolang de vervolging duurde, door den sterken wind een goed eind de volle zee ingestuwd. Toen zij nu nog maar enkele mijlen van de haven van Pharus verwijderd waren, bleek het intusschen dat de stuurman uit Rhodus goed had voorspeld; het weder veranderde ongewoon snel, en de wind kwam nu uit het Noorden. De zee wemelde van schepen, die voor een deel behoorden tot de koninklijke vloot, voor een ander deel bezet waren met nieuwsgierige Alexandrijnen, uitgezeild om het groote nieuws zoo spoedig mogelijk te vernemen.

Archibius en Dion hadden den nacht, en ook den volgenden morgen en middag slapeloos doorgebracht. De lucht, nu vochtig geworden door den fijnen motregen, was koel. Zij versterkten zich eerst aan een hartig maal, en liepen daarna samen op het dek op en neder. Zij spraken slechts weinig, en trokken hunne mantels dichter om zich heen. De krachtige wijn, die ook op den Epicurus niet ontbrak, had hen reeds eenigermate goed gedaan, maar toch waren zij nog niet warm geworden. Dat had zelfs een helder houtvuur in de kajuit ook niet gedaan kunnen krijgen. De gedachten van Archibius waren bij zijne geliefde Koningin, en zijn levendige verbeeldingskracht toonde hem alles, wat haar overkomen kon zijn. Geen enkele mogelijkheid, ook de vreeselijkste niet, werd hierbij vergeten, en het bloed verstijfde in zijne aderen, als hij haar met het schip zag zinken, en naar hem, haar ouden vriend, smeekend de schoone armen uitstrekken. Of, wat nog erger was, hij zag haar als gevangene vóór den vijandigen, hardvochtigen Octavianus. Eindelijk kon hij het niet meer uithouden. Hij liet zijne vilten mantel los, drukte zijn gebalde vuist tegen de slapen, en steunde luid. Hij had met het oog zijns geestes gezien hoe zij bij den triomftocht van den overwinnaar, voor zijn zegekar uitging met gouden kettingen om de teere polsen, en bij dat schouwspel had hij het Romeinsche gepeupel hooren losbarsten in jubelkreten!

Dat zou het ergste van alles zijn! Zich zóó iets in te denken ging de kracht van den trouwen man te boven, en Dion zag geroerd naar hem om, toen hij hem hoorde snikken, en de tranen zag, die langs zijn wangen stroomden.

Ook hem was het bang om het hart, maar hij kende de gehechtheid van zijn ouderen vriend aan de Koningin, en daarom legde hij zijn arm om diens schouder, en bad hem ernstig de kalmte van geest te bewaren die hij zoo vaak in hem bewonderd had. In de moeilijkste toestanden had hij in zijn oog altijd zoo ver boven alle anderen gestaan, als de wachter op den vuurtoren boven de wild bewogen zee. Wanneer hij bedaard als altijd al het gebeurde met hem overdacht, dan zou hij moeten toegeven, dat Antonius toch zeker vrij moest zijn en nog in staat om over zijne toekomst te beschikken, daar hij immers het paleis op den Choma voor zich in orde liet brengen. Wel begreep hij niet, wat die muur moest beduiden, maar misschien kwam er wel een hooggeplaatst gevangene met hem mede, die niet vrij in en uit de stad mocht gaan. Het kon immers wel zijn, dat alles veel minder erg was dan zij nu dachten, en dat zij nog eens zouden lachen om deze bange vrees. Toch maakte hijzelf zich ook ongerust, want hij gunde de Koningin het allerbeste, vooreerst om haar zelfs wil, maar ook omdat met haar en haar gelukkigen strijd tegen Rome, de vrijheid van Alexandrië stond of viel.

»Die,” zeide hij, »is voor mij tot nog toe het liefste en hoogste. Voor u is dat de beheerscheres van dit land. Mijn wereld zou verduisterd zijn, en mijn leven niet meer de moeite van het leven waard, wanneer de ijzeren voet van Rome onze zelfstandigheid en vrijheid vertreedt.”

Dit alles klonk warm en trouw, en Archibius had gretig naar hem geluisterd. Zijn diepdenkende geest moest toegeven dat er nog niets gebeurd was, waaruit men het ergste besluiten moest; en daar dikwijls niets een bedroefde beter troost dan anderen te troosten, verlichtte hij nu ook zijn eigen hart door zijn vriend voor te houden, dat, ook al bleef Octavianus overwinnaar en Aegypte in zijne macht, hij toch aan de vrije beschikking der Alexandrijnen over hunne eigen aangelegenheden geen afbreuk zou durven doen. Vervolgens hoe hij, de jonge, vastberaden, onafhankelijke man, zich dubbel nuttig kon maken, wanneer hij de bedreigde vrijheid zijner vaderstad moest bewaken, en hoeveel schoons het leven hem ook dan nog brengen kon.

De klank van zijn stem verried aan zijn jongen vriend zijn hartelijke genegenheid. Nog nooit had iemand, sedert zijns vaders dood, zóó met hem gesproken.

Nu zou de Epicurus weldra den havenmond bereiken, en zoodra zij aan land kwamen, zouden de vrienden moeten scheiden. Voor beiden was dit het beslissend uur geweest, dat ernstige geesten dikwijls vaster verbindt dan voorheen een geheele reeks van jaren had gedaan. Zij hadden voor elkander hunne harten geopend. Slechts één ding had Dion in zijn ziel opgesloten gehouden en dit vervulde hem met nieuwe onrust, zoodra hij de eerste huizen der stad in het oog kreeg. Hij was sinds lang niet meer gewend anderen om raad te vragen. Velen, die den zijnen hadden gevraagd, waren wel met veel dankbetuigingen heengegaan, maar zij hadden juist het tegendeel gedaan van wat hij had geraden, ofschoon het wezenlijk tot hun bestwil was geweest. Meer dan eens had hij zelf evenzoo gehandeld, maar nu voelde hij zich onweerstaanbaar gedrongen om Archibius zijn volle vertrouwen te schenken. Deze ook kende Barine, en wenschte hem zelf het beste toe. Misschien zou het hem helpen indien hij iemand, die het zoo goed met hem meende, eens deelgenoot maakte van wat zijn hart zoo nadrukkelijk van hem vorderde, terwijl zijn nadenkende geest het hem verbood.

Plotseling wendde hij zich nogmaals tot zijn vriend en zeide:

»Gij hebt u zoo even als een vader voor mij betoond. Stel u nu eens voor dat ik werkelijk uw zoon ben, en als zoodanig u beken dat ik een vrouw heb lief gekregen. En nu vraag ik u, of het u verheugen zou haar als uw dochter te begroeten.”

Archibius antwoordde met den uitroep: »Een lichtstraal in den donkeren nacht! Haal maar zoo spoedig mogelijk in, wat gij al veel te lang hebt verzuimd. Het is de plicht eens burgers in den echt te treden. De Griek wordt pas werkelijk man, als hij echtgenoot en vader is. Dat ik zelf ongehuwd gebleven ben, heeft zijn bijzondere reden, maar ik heb dikwijls den armen schoenmaker benijd, dien ik op feestdagen met zijn kind op den arm voor zijn werkplaats zag staan, of den stuurman, wien bij zijn thuiskomst groote en kleine armen toegestoken worden. Als ik te huis kom, is niemand blij, dan mijn honden. Maar gij, die een fraai paleis bezit dat leeg staat, gij, van wien een trotsch geslacht verwachten mag dat gij voor het voortbestaan er van zult zorgen....”

»Dat is het juist,” zeide Dion, „wat mij in tweestrijd brengt, ofschoon mij dat anders niet licht overkomt. Gij kent mij, en mijne positie. En ook haar, die ik bedoel, kent gij reeds lang.”

»Is het Iras?” vroeg Archibius aarzelend. Zijn zuster Charmion had hem wel eens gesproken van de neiging van haar jonge mede-kamervrouw.

Maar Dion hielp hem onmiddellijk uit den droom en zeide:

»Het is Barine, de dochter van uw overleden vriend Leonax. Ik bemin haar, maar ik ben trotsch en teergevoelig omtrent het oordeel over mijn toekomstige gemalin. Ik zou den man die haar met schuinsche blikken durfde aanzien, eenvoudig verachten, want ik ken hare waarde. Gij herinnert u zeker mijne moeder. Die was anders dan zij. Haar huis, haar kind, haar slaven en haar weefstoel waren haar wereld, en zij eischte ook van andere vrouwen dezelfde strenge teruggetrokkenheid, die zij bezat. Toch had zij een teeder hart, en beminde mij, haar eenigen zoon, boven alles. Zij zou Barine met open armen bij zich ontvangen hebben, zoodra zij bemerkt had dat ik haar noodig had voor mijn geluk. Maar zou het voor de jonge vrouw, die aan een opwekkenden omgang met ontwikkelde mannen gewend is, mogelijk zijn zich in dien eisch te schikken? Als ik moest denken, dat de gewoonte om omringd en gevleid te worden, haar zou bijblijven ook in haar huwelijk; als ik mij voorstel, dat de onvoorzichtigheid der aan vrijheid gewende vrouw de tongen in beweging kon brengen en een smet werpen op de reinheid van mijn naam, als ik zelfs”—en hij hief zijn gebalde vuist reeds op.

Doch Archibius viel hem in de rede:

»Wanneer Barine u warm en blijde haar geheele hart schenkt, dan is deze vrees onnoodig. Het is een zonnig, echt beminnenswaardig vrouwenhart, en daardoor vatbaar voor een groote liefde. Schenkt zij u die, zooals ik vast van haar vertrouw, breng dan een dankoffer aan de goden, want die bedoelden uw geluk, toen zij uwe keus vestigden op haar, en niet op Iras, het kind mijner zuster. Waart gij mijn zoon, dan zou ik nu uitroepen: Gij kondt mij geen liever dochter brengen, wanneer gij—dat herhaal ik—slechts zeker zijt van hare liefde.”

Dion zag een oogenblik vóór zich; toen riep hij vol overtuiging uit:

»Dat ben ik!”

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

De Epicurus lag voor den Poseidontempel voor anker. Aan de bemanning was het stilzwijgen opgelegd. Zij hadden ook niets anders vernomen dan dat aan boord van het zeerooversschip een brief was gevonden, waarin Antonius beval een muur op te richten. Dat kon een gunstig teeken zijn, want aan bouwen denkt men alleen in vredestijd.

De regen had opgehouden, maar de wind blies heviger uit het Noorden en de lucht was koel geworden. Toch was er een golvende menigte op de kade van de zuidzijde van het Heptastadium tot aan de Lochias. Tusschen de spits van den Choma en het Sebasteum was het gedrang het grootst, want van hier uit zag men de zee, en in de hier gelegen woning van den Regent moesten de eerste tijdingen aankomen. Dien morgen hadden reeds honderd tegenstrijdige berichten de ronde gedaan, en zoodra de Epicurus in het derde uur van den middag aangekomen was, had men het schip omringd, om te hooren wat men daar ginds in zee had ontdekt. Met andere schepen ging het evenzoo, maar geen daarvan bracht vertrouwbare berichten mede.

Men zeide dat twee snelzeilers van de oorlogsvloot een triere12) uit Samos hadden ontmoet, die van een groote overwinning van Antonius te land, en van Cleopatra ter zee wist te verhalen, en daar de mensch gaarne gelooft wat hij hoopt, trokken gansche scharen al jubelend langs den oever. Bij velen, die eerst bezwaard waren geweest, versterkte dit de hoop. Anderen daarentegen, die zich terecht verontrust hadden over het lang uitblijven van het eerste schip der vloot, hadden nu alleen oor voor de slechte berichten, en zagen de toekomst donker in. Doch zij durfden dit niet uitspreken, want een voornaam goudborduurder, die het volk gewaarschuwd had voor al te voorbarige vreugd, was deerlijk toegetakeld naar huis gehinkt, terwijl men twee andere ongeluksprofeten in de zee geworpen had, en hen juist op dat oogenblik weder druipnat ophaalde.

Men kon het volk zijn goed vertrouwen ook niet kwalijk nemen, want er werden immers reeds overal eerepoorten opgericht, bij het Serapeum, het Dionysos-theater, de hooge pylonen van het Sebasteum, de hoofdpoort van het Museum, voor den ingang van het paleis, in het Bruchium en voor de brug op de Lochias. En die allen werden versierd met goden der overwinning, tropeeën van gips of met gips bestreken doek, opschriften die een gelukwensch of dank aan de goden behelsden, lofwerk en bloemfestoenen. Het omkransen van de Aegyptische pylonen en obelisken, de voornaamste tempels en standbeelden in de stad, was reeds in den nacht begonnen, en nu legde men de laatste hand aan dit werk. Evenals zijn vriend Dion, had ook Gorgias sedert den vorigen avond geen oog toegedaan, want hij moest zorgen voor de versiering van het Bruchium, waar het eene prachtige gebouw naast het andere stond. En ook in het Sebasteum, het koninklijk paleis waar Iras verblijf hield, zoolang de koningin afwezig was, en het tegenoverliggende Prætorium, de woning van den Regent, was de slaap der bewoners ontvlucht.

Toen Archibius bij de kamervrouw der Koningin werd binnengeleid, schrikte hij zooals zij er uitzag. Pas twee dagen geleden was zij bij hem te Kanopus geweest, maar wat was zij in dien tijd veranderd! Het was of haar lang en smal gelaat nog uitgerekt was, hare trekken geleken nog scherper, en de zevenentwintigjarige, die tot nu toe in den vollen bloei der jeugd had geprijkt, scheen eensklaps tien jaren ouder geworden. Zij had iets koortsachtigs over zich, toen zij haar oom de hand reikte en hem angstig toeriep: »Gij brengt zeker ook niets goeds?”

»Evenmin iets kwaad,” antwoordde hij kalm. »Maar uw uiterlijk, mijn kind, met die donkere kringen onder uw oogen, bevalt mij niet. Hebt gij verontrustende tijding gekregen?”

»Meer dan dat,” gaf zij met zachte stem ten antwoord.

»Wat dan?”

»Lees!” zeide zij, en met een zenuwachtigen trek om mond en neus gaf zij Archibius een waschtafeltje aan. Met een haast die hem anders vreemd was, nam hij het haar uit de hand en onder het lezen werd hij doodsbleek. Het was Cleopatra's schrift en bevatte het volgende:

»De zeeslag is verloren, en dat door mijne schuld. Het leger te land zou ons nog kunnen redden, maar niet zoolang het onder zijn bevel staat. Hij is bij mij, niet gewond maar als het ware doodgebloed, geheel anders dan vroeger, zonder moed, zonder kracht tot handelen, als een gebroken man. Ik zie nu het begin van het eind. Zoodra deze u bereikt, zorg dan dat dadelijk na zonsondergang, iederen avond eenige eenvoudige draagstoelen voor ons gereed staan. Het volk moet blijven gelooven dat wij hebben overwonnen, totdat het uitgemaakt is hoe Canidius en de troepen ter land zich gedragen hebben. Als gij de kinderen voor mij kust, doe dat dan met teederheid. Wie weet hoe spoedig zij weezen zullen zijn. Nu reeds hebben zij een ongelukkige moeder; zij blijven er voor gespaard aan een moedelooze te moeten denken. Neem, behalve degenen aan wie ik volmacht gaf, en Archibius, niemand in uw vertrouwen, ook niet Cæsarion en Antyllus. Zorg dat allen, wier bijstand mij van dienst kan zijn, gemakkelijk te bereiken zijn, als ik terug kom. Ik kan ditmaal niet besluiten met het gewone: verblijd u! Het »houd moed”13) dat men immers ook op grafsteenen zet, schijnt mij gepaster. Gij, die mij niet benijd hebt in mijn geluk, zult mij nu wel willen helpen mijn ongeluk te dragen. Epicurus had gelijk, toen hij de goden uit hun zalige woonplaats werkeloos op het lot der menschen liet neerzien. Zoo het anders ware, hoe konden dan de liefde en trouw, die nog gehecht blijven aan hen die in het ongeluk zijn, met harteleed en tranen vergolden worden? Hoe het zij, houd niet op hen lief te hebben.”

Bleek en sprakeloos liet Archibius het tafeltje vallen. Het duurde lang eer hij met heesche stem uitstootte:

»Ik heb het alles wel vooruit gezien, maar nu het gekomen is....” Hier begaf hem zijn stem, en zijne geheele lichaam beefde van een hevig snikken zonder tranen, hij viel op een rustbank neder en verborg zijn gelaat in de kussens. Iras zag hem aan en schudde zachtjes het hoofd.

Ook zij had de Koningin lief, ook hare oogen waren bij het lezen van deze tijding met tranen gevuld geweest, maar reeds terwijl zij las, waren allerlei plannen om dit onheil te herstellen in haar rusteloos brein opgekomen. Enkele minuten na het ontvangen der ongelukstijding was zij reeds in overleg getreden met den plaatsvervanger der Koningin, en had maatregelen genomen om bij het volk het geloof aan de zegepraal der vloot te bestendigen.

Wat was zij, het fijne, zelfs niet moedige meisje, vergeleken met dezen ijzersterken man, die, zooals zij wist, in den dienst der Koningin de grootste gevaren had getrotseerd. En daar lag hij nu, geheel gebroken, met het aangezicht in de kussens. Zou een vrouwenziel hare veerkracht spoediger herkrijgen onder den druk van het lijden, of was de hare buitengewoon sterk en verborg haar zwak lichaam het hart van een held?

Zij had reden om dit laatste te gelooven, toen zij bedacht hoe ook de Regent en de zegelbewaarder de treurige tijding hadden ontvangen. Zij hadden als wanhopigen de groote zaal waar de zitting gehouden werd, op en neder geloopen. Maar Mardion telde eigenlijk niet mede, en Zeno was een karakterlooze oude dichter, die daarom alleen bij de Koningin goed aangeschreven stond en zulk een hoogen post had gekregen doordien zijn levendige phantasie telkens weer nieuwe tooneelvoorstellingen, vermaken en spelen wist te verzinnen en met tooverachtigen praal te doen opvoeren.

Maar Archibius dan, de moedige bedachtzame raadsman en helper!

Daar zag zij weder hoe zijn schouders zich optrokken alsof hij een slag had gekregen, en plotseling schoot haar door het hoofd wat zij wel al lang wist, maar nog nooit zoo duidelijk had begrepen: die vergrijsde man beminde Cleopatra, beminde haar zooals zij Dion deed; en zij vroeg zich af of zij sterk genoeg geweest zou zijn kalm te blijven wanneer zij had gehoord dat dezen door een wreed lot leven, eer of vrijheid was ontroofd.

Zij had Dion reeds van uur tot uur vergeefs verwacht, en toch had hij gisteren gezien hoe ongerust zij zich maakte. Had zij hem misschien beleedigd, of werd hij vastgehouden door de schoone kleindochter van Didymus? Wel verweet zij zichzelve, dat zij bij het onbeschrijfelijk treurig lot van haar gebiedster nog altijd dacht aan haar vriend; doch evenals zijn beeld in haar eigen hart, zoo leefde dat van Cleopatra in de ziel van haar oom, en zij besefte, dat de liefde niet bij vrouwen alleen, zich noch aan leeftijd, noch aan grijze haren stoort.

Op dit oogenblik richtte Archibius zich weder op, streek met zijn hand over het voorhoofd, en zijn stem had weer den gewonen diepen rustigen klank toen hij zeide: »Wie door een pijl getroffen is, verlaat het slagveld om verbonden te worden.

Met mij heeft de wondarts nu afgedaan. Ik had u dit jammerlijke schouwspel moeten besparen, mijn kind. Maar nu ben ik ook weder gereed om den strijd voort te zetten. En wat dien brief van Cleopatra betreft, ik begrijp nu beter de tijding, die wij vroeger ontvangen hebben.”

»Wij?” vroeg Iras, »Wie was er dan bij u?”

»Dion,” was het antwoord, doch toen hij haar verhalen wilde, wat hij in den laatsten nacht had doorleefd, viel zij hem in de rede met de vraag, of Barine er in toegestemd had de stad te verlaten.

Hij antwoordde kortaf: »ja!” Zij deed alsof zij niet anders had verwacht, en verzocht hem verder te vertellen. Hij deed dit dan ook, en zoo wist zij spoedig alles wat er op het zeerooversschip was gebeurd. »Dion” zoo eindigde hij, »is nu op weg om de boodschap van Antonius aan zijn vriend Gorgias over te brengen.”

»Dat had iedere slaaf anders evengoed kunnen doen,” merkte zij schamper op. »Ik zou denken, dat hij meer reden had om hier te blijven en nieuwe berichten af te wachten. Maar zoo zijn de mannen!”

Zij hield op maar daar haar oom haar vragend aanzag, ging zij voort: »Ik geloof dat niets hen vaster verbindt, dan een gezamenlijk vermaak. Doch nu moet het daarmee uit zijn. Zij zullen nu andere verstrooiingen moeten zoeken, hetzij bij Heliodora of bij Thaïs, dat is mij om het even. Ware die vrouw maar eerder weggegaan! Toen zij den jongen Cæsarion inpakte.....”

»Niet verder kind,” viel haar oom bestraffende in. »Ik weet hoe vurig zij wenschte dat Antyllus den knaap nooit medegebracht had.”

»Ja, nu,—omdat zijn razernij haar bang maakt.”

»Neen, reeds van het eerste bezoek af. Zulke jonge knapen passen niet bij de voortreffelijke mannen die zij altijd placht te ontvangen.”

»Wie zijn deur altijd openzet, krijgt ook dieven in huis.”

»Zij ontving enkel vertrouwde kennissen en de vrienden die deze meebrachten. Voor anderen bleef haar huis zorgvuldig gesloten, en voor dieven was geen gevaar. Maar wie had aan een zoon der Koningin den toegang durven weigeren?”

»Tusschen een gewone verwelkoming en het aanwakkeren van een hartstocht, tot krankzinnigmakens toe, ligt nog een zeer groote afstand. Waar een houtvuur brandt, is een vonk noodig geweest om dat aan te steken. Gij mannen ziet zoo niet hoe zulke vrouwen dat aanleggen. Eén blik, een handdruk, en de vlam slaat uit, wanneer reeds zooveel droge brandstof gereed ligt.”

»Laat ons de felheid van den brand liever betreuren,” zeide Archibius ernstig. »Gij draagt Barine geen goed hart toe.”

»Ik voel even weinig voor haar, als deze rustbank voor de Herme daar op de straat!” riep Iras hooghartig uit. »Geen mensch staat verder van een ander af dan ik van haar. Ik, en de vrouw met de open deur, hebben niets met elkander gemeen, dan ons geslacht.”

»En daarbij,” zeide Archibius »vele schoone gaven die de goden evenzeer aan u, als aan haar hebben verleend. Wat die open deur betreft, die werd gisteren reeds gesloten. De dieven, zooals gij ze noemt, hadden haar het genoegen der gastvrijheid bedorven. Antyllus was haar huis op vermetele wijze binnengedrongen. Dat voorspelde haar voor het vervolg nog erger dingen, en daarom is zij reeds binnen enkele uren op weg naar Irenia. Dat verheugt mij voor Cæsarion en nog meer voor zijne moeder, die wij ten onrechte zoo lang vergeten hebben, ter wille van eene andere vrouw.”

»Waarom moesten wij dat ook?” riep Iras opgewonden. »En dat heden, op dit uur, terwijl iedere gedachte in mijn arm hoofd, iedere druppel bloed in mijn aderen voor haar moest zijn! Toch konden wij het niet helpen. Cleopatra keert tot ons terug met een hart dat uit honderd wonden bloedt, en de gedachte dat, zoodra zij den vaderlandschen grond weder betreedt, een nieuwe pijl haar treffen zal, is vreeselijk. Gij weet hoe zij gehecht is aan dien knaap, het evenbeeld van den man, die haar het grootste geluk deelachtig heeft doen worden. En hoort zij nu dat hij, Cæsars zoon, zijn jonge hart gezet heeft op de vrouw die verstooten is door een volksredenaar, en die nu allerlei mannen in haar huis lokt—o, ik weet, dat zal haar zijn als zout in een versche wond. En bij dat eene verdriet zal het niet blijven! Antonius heeft ook reeds zijn weg naar Barine gevonden. Hij heeft haar reeds een paar maal bezocht. Gij weet dat zoo niet, maar Charmion kan getuigen hoe gevoelig zij is, sedert de bloem van haar jeugdige schoonheid het eene blad na het andere verliest. Want zoo is het, al zult gij dat niet toegeven. De jaloerschheid zal haar nu kwellen, en—ik ken haar—misschien heeft ten slotte geen mensch aan de sirene een grooteren dienst bewezen dan ik, toen ik haar noodzaakte de stad te verlaten.”

In de oogen van het meisje schitterde bij deze verklaring zulk een boosaardige gloed, dat Archibius een rechtmatigen vrees begon te koesteren voor de dochter van zijn overleden vriend. Ofschoon nu nog geen eigenlijk gevaar Barine dreigde, zijn nicht kon haar dat op den hals halen. Dion had hem verzocht te zwijgen, maar ook indien hij had mogen spreken, toch zou hij het nu niet gedaan hebben. Zooals hij Iras kende, wist hij dat zij geen middel schuwen zou om den vriend harer jeugd en Barine ten val te brengen, zoodra zij hooren zou, dat deze zich tusschen hem en haar had geplaatst. Hij dacht aan de edele Macedonische jonkvrouw, die de Koningin in het begin voorgetrokken had boven haar, en wier dood zij door allerlei listige kuiperijen veroorzaakt had. Wel waren weinig vrouwen verstandiger, en als zij eenmaal liefhad, trouwer en volgzamer, in goede oogenblikken zelfs aantrekkelijker dan zij, maar reeds als kind had zij liever kromme dan rechte wegen bewandeld. Het was altijd geweest alsof haar scherpzinnigheid het beneden zich rekende hare wenschen door voor de hand liggende middelen te bereiken. Zijn moeder en zijn tweede zuster Charmion hadden er altijd een genoegen in gevonden voor de slaven te zorgen, en hen, als zij ziek waren, te verplegen. Charmion's Nubische kamervrouw Anukis was zelfs zulk een trouwe vriendin van haar geworden, dat zij voor haar in den dood zou zijn gegaan. Ook Cleopatra had als kind gaarne aan de ziekelijke grijze huisbezorgster van haar ouders bloemen gebracht, en aan haar bed gezeten, om haar met haar vroolijk gebabbel den tijd te verkorten. Dit had zij geheel uit zich zelve gedaan, zonder dat iemand het haar zeide, doch bij Iras was alles anders. Zij was dikwijls gestraft, als zij in haar ouderlijk huis, waar ook vele slaven gehouden werden, het leven dezer ongelukkigen onnoodig zuur maakte. Dat had haar oom reeds vroeg reden tot bezorgdheid gegeven en ook later had hij haar om haar trotschen omgang met hare minderen, onmogelijk onder de goede vrouwen kunnen rekenen.

De trouwe, onbaatzuchtige liefde, waarmede zij zich tot nu toe aan den dienst der Koningin had gewijd, was hem echter meegevallen. Cleopatra had, op den wensch zijner zuster Charmion, Iras haar tot helpster gegeven, en het meisje, dat voor hare eigen moeder geene liefdevolle dochter was geweest, had zich nu met innige hartelijkheid aan hare gebiedster gehecht. Dat waardeerde Archibius zeer in haar, maar hij wist wat andere menschen van haar te wachten hadden, zoo zij hen haatte. Bij de vrees dat zij Barine in wezenlijk gevaar zou brengen, kwam nu nog de grootere angst voor Cleopatra. In de droevige overtuiging dat hij machteloos stond tegenover de kwade bedoelingen zijner nicht, wilde hij afscheid nemen, toen de gedachte dat iedere tijding het eerst in het Sebasteum en tot haar zou komen, hem nog terughield. Het kon toch licht eene zijn die hij met zijn kalm doorzicht beter begrijpen kon dan zij. Haar geest geleek op dit oogenblik in zijne oogen op een stilstaand water, dat door daarin geworpen steenen troebel was geworden.

De vertrekken van zijn zuster Charmion, die door een gang met de hare verbonden waren, stonden ledig. Zij verzocht hem daar een weinig rust te nemen. Zij zelve dreigde te sterven van angst en onrust; het zou een weldaad voor haar zijn, indien zij hem in hare nabijheid wist.

Eerst aarzelde Archibius, want het was zijn plicht Cæsarion, op wien hij wel eenigen invloed had, op het hart te drukken dat hij uit liefde voor zijn moeder van zijn dwaze wenschen moest afstand doen. Iras verzekerde hem echter, dat hij hem nu niet vinden zou, want hij was met Antyllus en eenige vrienden op de jacht; zij had dat plan goedgekeurd, omdat het hem van de stad en het noodlottige huis van Barine verwijderd hield.

»Daar de Koningin hem nog onkundig laten wil van het verschrikkelijke nieuws,” zeide zij, »zou zijne aanwezigheid ons maar in moeilijkheden gebracht hebben. Blijf gij alzoo hier, en zoodra het donker wordt, rijdt gij mede naar de Lochias. Mij dunkt, de ongelukkigen zullen bij het aan wal stappen gaarne uw welbekend gelaat zien, dat hen aan vroeger, beter dagen herinnert. Bewijs mij die weldaad, en blijf!”

Zij strekte hare beide handen naar hem uit, en hij drukte die en beloofde het haar.

De maaltijd was gereed, en beiden zetten zich aan tafel; doch hoe uitgezocht de spijzen ook mochten zijn, Iras roerde die in het geheel niet aan, en hij at slechts zeer weinig. Zonder het nagerecht af te wachten, stond hij op, om zich naar de vertrekken zijner zuster te begeven. Iras verzocht hem echter op den divan in het zijvertrek te blijven rusten, en hij willigde dit gaarne in. Maar ofschoon de kussens zacht waren en hij zeer naar slaap verlangde, hij kon die maar niet vatten. De onrust in zijn ziel hield hem wakker, en door het voorhangsel, dat Iras kamer van de zijne scheidde, heen, hoorde hij nu eens den lichten tred van het rusteloos heen en weer loopende meisje, dan weder het komen en gaan van boden, die kwamen hooren of er al tijdingen waren.

Zijn geheele leven trok nog eens aan zijn ziel voorbij. Cleopatra was de zon daarvan geweest, en nu kwam de zwarte wolk, die dit licht misschien voor altijd verduisteren zou. Hij, de leerling van Epicurus, die zich eerst in later jaren ook in de leerstellingen van anderen had verdiept, beschouwde de goden met hetzelfde oog als zijn meester. Evenals hij, zag hij in hen zalige, onsterfelijke wezens, zonder zorgen en zich zelven genoeg, tot wie men moest opzien enkel om hunne volmaaktheid, doch die zich evenmin bekommerden om het bestuur der wereld dat van eeuwige wetten afhankelijk was, als om het lot der enkele menschen. Ware hij van het tegendeel overtuigd geweest, gaarne zou hij al het zijne geven om de hemelsche machten door middel van offers gunstig te stemmen voor haar, aan wie hij zijn leven had gewijd.

Hij bleef den geheelen nacht even onrustig als Iras was, en toen zij ook zijne voetstappen hoorde, riep zij hem toe, waarom hij niet sliep en zijne schade inhaalde? Want men kon met weten wat in de volgende nachten van hem geëischt zou worden. Hij antwoordde bedaard: »Men zal mij wakker vinden.”

Nu trad hij aan het venster dat tegenover de pylonen voor het Sebasteum lag, en uitzag op het Bruchium en de zee. Het wemelde op dit oogenblik in de haven van schepen van allerlei grootte, die met kransen, vlaggen en wimpels waren versierd. Allen geloofden aan het gerucht van den goeden afloop van den eersten zeeslag, en velen verlangden er naar de vloot te begroeten en de Koningin bij hare aankomt toe te juichen.

Aan land, tusschen de alleenstaande hooge pylonen en de groote poort, die toegang verleende tot het Sebasteum, waren ook vele menschen, draagstoelen en voertuigen bijeen. De meeste hunner behoorden tot de aanzienlijke kringen der stad, en werden door rijk gekleede slaven gevolgd. Sommigen waren bekranst, en menige wagen was met gouden en zilveren sieraden, edelgesteenten en geslepen glas getooid. Vóór het paleis was een voortdurend heen-en-weder-geloop, en Iras, die naast haar oom was gaan staan, wees hem daarop en zeide: »Zie, wat het gerucht reeds uitwerkt! Gisteren kwam slechts een enkele, heden verdringen zich hier allen, die tot den kring der »onnavolgbare kunstenaars van het leven” behooren om iets van een bericht op te vangen. De overwinning is afgekondigd op de markt, in het theater, in de gymnasiën en in het kamp. Alles wat nu kransen of wapens draagt, heeft van een gewonnen slag gehoord. Gisteren was er onder duizenden niet één, die daaraan twijfelde, maar heden—hoe komt dat toch? Zelfs onder de »onnavolgbaren” die alle vermaken, genietingen en vertooningen van ons edel paar gedeeld hebben, is het geloof aan het wankelen gebracht. Als zij vast overtuigd waren van die »glansrijke overwinning” die hen verkondigd werd, dan zouden zij niet zelve gekomen zijn, om te vragen, te bespieden, te luisteren. Zie eens daar ginds! Dat is de draagstoel van Diogenes—die dáár van Lysander. Gindsche wagen behoort aan Alexander; die slaven in roodzijden rokken zijn in dienst van Hermias. Die allen maken deel uit van de »onnavolgbaren” en deden aan al onze feesten mede. Diezelfde Apollonius, die nu al een half uur lang bezig is de dienaren van het paleis uit te hooren, liet eergisteren nog voor Ares, Nike en de groote Isis, als de godin der Koningin, ieder vijftig ossen slachten. Toen ik hem in den tempel aantrof, riep hij mij toe, dat dit de grootste verkwisting was, waaraan hij zich ooit had schuldig gemaakt, want ook zonder al dat rundvee waren Cleopatra en Antonius van hunne overwinning zeker. Maar nu blaast ook bij hem de wind van het gerucht zijn goed vertrouwen weg.

»Zij mogen mij niet zien. De poortwachters zeggen dat ik uit de stad ben. En ik zou het besterven als ik mij moest vertoonen met een verblijd gezicht.—Daar komt Apollonius aan. Wat ziet hij er stralend uit! Hij gelooft het goede nieuws, en zoodra de zon ondergaat, zal geen enkele van die allen meer te zien zijn, want daar geeft hij reeds zijn slaven bevelen. Hij noodigt zijn vrienden tot een gastmaal uit, en zal daarbij den kostelijken wijn niet sparen. Goed zoo! Dan kan ten minste geen van hen ons hinderen! Dion is zijn neef, en ook hij zal tot de gasten behooren. Wat zullen deze liefhebbers van feestvieren wel zeggen als zij de schrikkelijke waarheid moeten hooren?”

»Ik denk,” antwoordde Archibius, »dat zij aan de wereld dit merkwaardig schouwspel te zien zullen geven: vrienden, die men in dagen van voorspoed heeft opgedaan, en die in tegenspoed getrouw blijven.”

»Zoudt gij dat denken?” vroeg Iras met fonkelende oogen. »Als dat waar is, dan zou ik hen roemen en prijzen, al waren zij zoo arm als bedelaars! Maar zie eens dáár! Is dat niet Dion, met dien witten mantel, naast den obelisk? De menigte stuwt hem voort.... ik geloof zeker, dat hij het was.”

Toch vergiste zij zich; de man, dien zij meende te zien, omdat haar hart zoo vurig naar hem verlangde, bevond zich niet zoo dicht bij het Sebasteum, en zijne gedachten waren nog verder van haar af.

Eerst was hij naar Gorgias gegaan om hem den bewusten brief te brengen. Hij had gedacht hem te vinden bij de eerepoort die aan het strand in het Bruchium opgericht was, doch hij vernam al spoedig dat hij naar het huis van Didymus gegaan was om het beeld van Cleopatra en Antonius, dat daar nog altijd stond, weg te halen en voor het Dionysostheater te doen opzetten. Dat geschiedde op bevel van Mardion, en Gorgias had gezorgd dat het voetstuk er reeds stond. Hij had de groote steenblokken die hij daarvoor noodig had, genomen van den tempel van Nemesis, die onder zijne leiding in aanbouw was, en de eerste opzichter had gezegd dat hij beschikken kon over zoovele staatsslaven als hij maar hebben wilde. Met trots voegde hij hierbij, dat de bouwmeester, nog eer de zon onderging, aan de Alexandrijnen het wonder zou doen zien, hoe men in één dag het standbeeld van twee personen van de eene plek naar de andere vervoeren kon, en zóó zorgvuldig nederzetten, dat het zoo vast stond als de duizendjarige kolos van Thebe.

Vóór den tuin van Didymus vond Dion het beeld ter overbrenging gereed, doch de bouwmeester liet de slaven, die de rollen al vóór de slede hadden gelegd, nog een geruimen tijd wachten.

Hij was ten derden male naar het huis van den ouden philosoof gegaan. Den eersten keer had hij hem en de zijnen moeten meedeelen, dat hun eigendom geen gevaar meer dreigde, daarna was hij gekomen om te zeggen op welk uur hij het standbeeld zou doen weghalen en eindelijk was hij nog eens gaan melden, dat het nu dadelijk gebeuren zou. Hij had al die boodschappen zeer goed door een slaaf of onderopzichter kunnen laten brengen, doch Didymus' kleindochter Helena had hem zelf telkens weder naar dat huis getrokken. Hij zou om harentwil nog vaker gekomen zijn, want bij iedere ontmoeting had hij nieuwe bekoorlijkheden ontdekt in het schoone, stille, bedachtzame meisje, dat zoo liefderijk haar oude grootouders verzorgde. Hij geloofde dat hij haar beminde, en dat ook zij hem gaarne bij zich zag. Maar dat gaf hem nog niet het recht naar hare hand te dingen, al had zijn groot, ledig huis ook dringend een meesteres noodig. Zijn hart had reeds zoo menigmaal gegloeid; hij wilde eerst afwachten of het ditmaal zoo blijven zou. Hij kon geen echtgenoote vinden die beter voor hem paste. Was hij ook maar eenige dagen aan deze neiging getrouw, dan zou hij zichzelf daarvoor als het ware beloonen, door bij Didymus te komen met het aanzoek om haar hand.

Hij verontschuldigde zijn talrijke bezoeken voor zichzelven met de noodzakelijkheid zijn toekomstige gemalin te leeren kennen, en Helena maakte hem deze taak gemakkelijk. Hare terughoudendheid verdween hoe langer hoe meer, en het groote vertrouwen dat hij haar al dadelijk ingeboezemd had, was door zijn krachtdadige hulp nog toegenomen. Bij een vorig bezoek had zij hem zelfs hare hand toegestoken, en naar den voortgang van het werk gevraagd.

Overstelpt met bezigheden als hij was, gaf het gesprek met haar hem toch zooveel genoegen, dat hij haar langer, dan hij ooit onder dergelijke omstandigheden zichzelven veroorloofd zou hebben, te woord stond, en het een onaangename stoornis vond, toen Barine, die hij nog onlangs zoo hoog schatte, ook het tablinum binnentrad.

De jonge vrouw liet het niet bij een korte begroeting, maar nam weldra Helena geheel in beslag. Zij omarmde haar zuster zoo teeder en hartstochtelijk, als hij nog nooit van haar had gezien, en vertelde haar in levendige bewoordingen, dat zij gekomen was om van iedereen afscheid te nemen. Vrouw Berenice was met haar medegekomen, maar deze was eerst naar den ouden Didymus en zijn vrouw gegaan.

Terwijl Barine Helena alles uitlegde, maakte Gorgias in stilte zijne vergelijkingen. Hij kon wel begrijpen dat hij eenmaal gemeend had Barine te beminnen, maar zij zou toch nooit geschikt zijn geweest voor zijn echtgenoote. Het leven met haar zou een aaneenschakeling van jaloersche opwellingen en bezorgdheid voor haar man geworden zijn. Die vrouw, die met haar levendige opmerkingen en weetgierige vragen steeds al zijn oplettendheid vorderde, zou hem als hij vermoeid van zijn werk tehuis kwam, de rust niet bezorgen die hij in zulke uren noodig had. Alsof het een onderzoek naar den afstand van twee pas opgerichte zuilen gold, zoo dwaalde zijn oog van haar naar haar zuster, en toen de jonge vrouw dat opmerkte, barstte zij in een vroolijken lach uit, en vroeg of zij ook weten mocht met welk gebouw zijn geest zich bezighield, terwijl een goede vriendin hem kwam vertellen dat het met de prettige uurtjes in haar huis gedaan was.

Nu kwam hij met allerlei verontschuldigingen voor den dag, maar daaruit bleek zoo zonneklaar hoe onoplettend hij toegeluisterd had, dat Barine zich in ernst beleedigd had kunnen voelen. Maar een blik op haar zuster en daarna op hem, deed haar plotseling de waarheid vermoeden. Dat verheugde haar, want zij waardeerde Gorgias en had al eens gevreesd dat zij hem, als hij haar hand vroeg, met een afwijzend antwoord zou moeten bedroeven. Maar hij scheen als geschapen voor haar zuster. Haar binnenkomen had hen zeker gestoord, en daarom zeide zij tot Helena: »Ik ga moeder en mijn grootouders opzoeken. Houd gij ondertusschen onzen vriend bezig. Wij kennen hem goed. Hij behoort tot de enkelen die men vertrouwen kan. Dat meen ik in ernst, bouwmeester! En gij Helena, denk er aan!”

Nu zeiden zij elkander vaarwel, en Gorgias was weder met het geliefde meisje alleen. Het kostte beiden moeite het gesprek weer op gang te brengen, en daarom was de stem van den opzichter die hem weder aan het werk riep, hem ditmaal welkom. Hij beloofde nu spoedig terug te zullen komen, en legde hierop zooveel nadruk, alsof men er hem ernstig om had verzocht. Daarna verliet hij haar door de deur die naar het woonvertrek leidde.

Doch op den drempel deinsde hij reeds weder terug, en Helena, die hem gevolgd was, ook, want daar stond zijn vriend Dion, en het bevallige hoofdje van Barine leunde tegen zijn borst, terwijl zijn hand als om haar te zegenen, op het blonde haar rustte. Daarbij—neen, Gorgias vergiste zich met—zag hij het teere persoontje die door haar opgewekten levenslust hem en anderen zoo dikwijls had meegesleept, nu sidderen, alsof zij door een diepe, smartelijke ontroering werd geschokt. Hij zag hoe zij het hoofd ophief en Dion aanzag met een gelaat dat door tranen bevochtigd was, maar toch kon de bron daarvan geen leed zijn, want hare blauwe oogen blonken van gelukzaligheid. Bovendien ontdekte Gorgias in hare trekken nog iets waaraan hij geen naam kon geven. Het was de weerschijn van de warme dankbaarheid, die hare ziel op dat oogenblik geheel vervulde.

Barine had Dion ontmoet toen hij den bouwmeester zocht, en zij naar hare grootouders ging. Wat hij den vorigen dag had gevreesd, werd nu waarheid. De eerste blik uit hare oogen die hem trof, had reeds het beslissende woord op zijne lippen gebracht. Toen had hij haar in korte, ernstige woorden bekend dat hij haar liefhad, en niets vuriger begeerde dan haar, als de trots en het sieraad van zijn huis, tot de zijne te maken. In de overmaat van haar geluk waren toen de heete tranen gekomen, en alsof zij onder den indruk van een groot wonder was, had zij geen woorden gevonden om hem te antwoorden. Maar hij had hare hand gevat, die in beide de zijne gedrukt, en zóó alles bekend: hoe hij eerst met het beeld zijner strenge moeder voor oogen geweifeld had, maar hoe eindelijk de liefde oppermachtig in hem geworden was. Nu vroeg hij haar vol vertrouwen, of zij er in toestemde als de eer en het sieraad van zijn oude huis, als meesteres daarin het gebied te voeren. Hij wist wel dat haar hart hem reeds toebehoorde, maar één ding moest hij toch nog uit haar mond vernemen....

Toen riep zij uit »Dit ééne: uwe vrouw wil voor u, en voor u alléén leven, in vreugde en leed. De geheele wereld mag voor haar ondergaan, nu gij haar tot u opheft en zij de uwe is.”

Bij deze verzekering, die hem als een plechtige gelofte in de ooren klonk, was het alsof hem een pak van het hart viel. Hij sloot haar met hartstochtelijke teederheid in de armen, en herhaalde: »In vreugde en leed!”

Op dat oogenblik hadden Gorgias en Helena hen gevonden, en voor het eerst van zijn leven voelde de bouwmeester, niet zonder eenige verwondering, dat er geen eigenlijk onderscheid is tusschen het geluk van ons zelven, en dat van iemand die ons lief is.

Zijne vriendin Helena scheen hetzelfde te gevoelen, toen zij zag wat deze dag haar zuster had gebracht. Het huis van den ouden philosoof, waar in den laatsten tijd zoovele zorgen en angsten binnengeslopen waren, weerklonk nu van enkel blijde, elkander geluk wenschende stemmen.

De bouwmeester voelde dat hij nu niet langer blijven mocht in dezen vertrouwelijken kring, die door ééne groote, gemeenschappelijke vreugde werd bezield, en na een korte verklaring van Dion, hoorde men hem weldra buiten bij het werk zijne bevelen geven aan de arbeiders.

12) Schip met drie rijen roeiers.

13) „Verblijd u“ en „houd moed“ staat op vele grafsteenen te lezen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Gorgias zette nu zijn werk ijverig voort. Toen het standbeeld alleen nog maar opgezet moest worden vóór het Dionysostheater, kwam Dion hem opzoeken. Eer hij met zijn verloofde de stad verliet, wenschte hij nog ééns zijn vriend te spreken. Sedert zij van elkander waren gegaan, had deze handen vol werk gehad, want het bouwen van den door Antonius verlangden muur op den Choma had een aanvang genomen, terwijl de herstelling van het kleine paleis aan de spits daarvan, en nog veel meer alles wat betrof de versiering der eerepoorten en triomfbogen, voltooid was. Zijn bekwame opzichter had moeite zijne bevelen bij te houden, terwijl hij het een na het ander op zijn schrijftafel voorschreef. Het onderhoud met zijn vriend duurde dan ook niet lang, en Dion had bovendien aan de vrouwen beloofd haar te vergezellen op haar tocht naar het landgoed van Archibius. Het vertrek moest, in weerwil van de verloving, nog heden plaats hebben, want in den loop van den dag was Cæsarion nog tot tweemaal toe bij Barine aan komen rijden. Zij had hem natuurlijk niet ontvangen, maar deze herhaalde pogingen van zijn kant deden haar zelve aandringen op een verhaast vertrek.

Om alle opzien te vermijden wilden zij liever gebruik maken van den grooten reiswagen en de Nijlboot van Archibius, hoewel Dion zelf een dergelijke bezat, die even gemakkelijk was.

Op »Vrede-oord” zou de bruiloft worden gevierd. Het eigen schip van den jongen Raadsheer, waarop het jonge paar later naar Alexandrië terug zou varen, heette Peittho, naar de godin der overreding, omdat Dion gaarne herinnerd werd aan zijn triomfen als redenaar in den Raad. Doch van nu af aan zou het »Barine” heeten en veel worden verfraaid.

Dion vertrouwde zijn vriend nu ook toe wat hij gehoord had omtrent het lot van de Koningin en de vloot, en hoe druk Gorgias het ook had, toch luisterde hij vol belangstelling, zoodra Dion sprak over de toekomst van hunne stad en hare bedreigde zelfstandigheid en vrijheid, want deze dingen lagen ook hem het naast aan het hart.

»In tijd van voorspoed,” riep Dion uit, »deed ik wat mij behaagde; nu schijnt het mij de plicht van ieder rechtgeaard man, in zijn eigen huis de gezindheid aan te kweeken die hij van zijne vaderen geërfd heeft, en die niet mag uitsterven zoolang Alexandrië nog Macedonische burgers heeft. Wij moeten ons laten welgevallen dat Rome's overmacht Aegypte maakt tot een provincie der Republiek, doch wij zijn nog in staat het beste deel van de vrijheid onzer stad en van haar Raad te behouden. Wat er ook gebeuren moge, wij zijn en blijven toch de bron, waaruit Rome de wetenschappen put, die zijn geestelijk leven verrijken.”

»En vergeet niet de kunst,” voegde Gorgias hier bij, »die de schoonheid daaraan geeft. Als Rome ons zonder genade vernietigen wil, dan zal het hun wellicht gaan als het meisje dat reeds haar voet oplichtte om een schoone, zeldzame bloem te vertreden, maar dien terugtrok omdat het een misdaad zou zijn zulk een kostelijk werk van de goden te verwoesten.”

»En wat heeft dat meisje ook niet te danken aan die bloem!” riep Dion, »en Rome aan onze schoone stad! Indien wij zijne eischen maar met waardige standvastigheid beantwoorden, dan geloof ik dat wij nog niet zulk een verschrikkelijk lot te duchten hebben.”

»Laat ons dat maar hopen! Maar gij vriend, houd uwe oogen open, ook voor andere vijanden dan die uit Rome alleen. Wees op uwe hoede voor Iras, nu het een bekende zaak wordt dat gij haar versmaadt. Zij heeft iets, dat mij somtijds aan een jakhals doet denken. Haar jaloerschheid!—Ik acht haar tot alles in staat....”

»Maar,” zeide Dion, »wat Iras mij zou willen aandoen, dat zal Charmion verhinderen; en mijn oom Archibius, hoewel ik niet al te zeer op hem rekenen wil, staat toch boven haar, en keurt mijn verbintenis met Barine goed.”

»Als dat zoo is,” riep Gorgias met een verlicht hart uit, »dan wensch ik u geluk!”

»En begint nu ook eens voor uw eigen geluk te zorgen,” zeide Dion met hartelijkheid. »Laat uw hart niet langer dat zwervende nomaden leven leiden. Ik zou denken dat een bouwmeester niet op den duur genoegen nemen kan met tenten, die de wind omverblaast. Bouw nu voor u zelf eens een stevig huis, dat de stormen trotseert. Ik gun het u van harte, en heb u immers reeds gezegd: de tijden vorderen het.”

»Ik zal aan uw raad denken,” antwoordde Gorgias, »doch daar zie ik reeds weder zes oogen, die om inlichtingen vragen. Er is zooveel gewichtigs te doen, en men besteedt zijn tijd aan het bouwen van triomfbogen voor verslagenen, en tropeeën voor een nederlaag! Toch heeft uw oom bevolen het werk zoo prachtig mogelijk uit te voeren. De wegen van het lot en van de grooten der aarde zijn duister; dat de uwe door een helder zonlicht bestraald worde! Wij hooren natuurlijk nog wanneer gij bruiloft viert, en als ik kan, dan kom ik ook een lied voor Hymen zingen. Gelukkige, die gij zijt! Daar word ik alweder geroepen. Mogen Castor en Pollux en alle goden die de reizigers beschermen, Aphrodite en alle Eroten uw tocht naar het land aan het meer en naar het rijk van Eros en Hymen begunstigen!”

Hierop drukte de hartelijke man zijn vriend voor het eerst aan zijn borst en Dion liet dit gaarne toe, en met den uitroep: »Tot weerziens in Irenia op mijn trouwdag, mijn beste, trouwe vriend!” drukte hij hem de vereelte rechterhand.

Dion vertrok in den wagen die voor hem gereed stond, terwijl Gorgias hem met zorg nazag.

Nog was de purperen mantel, dien Dion ook heden droeg, niet uit zijne oogen verdwenen, of hij hoorde vlak achter zich een luid gekraak, geraas en gedreun. Een vluchtig opgeslagen steiger, die de katrollen droeg waar mede het beeld moest worden opgeheschen, was ingestort. De schade kon gemakkelijk worden hersteld, maar dit voorval maakte op den bouwmeester toch een pijnlijken indruk. Hij was een kind van zijn tijd, en het was dus zijn plicht als bedachtzaam man om op voorteekenen acht te geven. Bovendien had de ondervinding hem ook geleerd, dat als hem bij zijn werkzaamheden iets dergelijks overkwam, daarop gewoonlijk iets droevigs voor een zijner vrienden volgde. Wat nu misschien het jonge paar dat hem zoo dierbaar was, te wachten stond, was onder den sluier der toekomst verborgen, maar hij besloot voor Dion goed uit de oogen te blijven zien, en Archibius te verzoeken hetzelfde te doen.

Onder den arbeid werd dit onaangename gevoel echter weldra tot zwijgen gebracht. De schade was spoedig hersteld, en daarna deelde Gorgias zijne bevelen weer uit, nu eens met de eene, dan weder met een andere tafel of rol in de hand.

De avond begon te vallen, en vóór den nacht, waarin storm en regen kon komen, reed hij op zijn muildier nog eens naar het Bruchium, om te zien hoe het werk daar vorderde en nieuwe beschikkingen te maken, want het moest den geheelen nacht daar voortgezet worden. Het begon uit het Noorden zoo hevig te waaien dat het moeite kostte de fakkels en lampen aan te houden. De wind dreef hem den regen in het gelaat, en hij zag tegenover de haven en den vuurtoren nog zware wolken hangen. Alles voorspelde een kwaden nacht, en weder overviel hem dat sombere gevoel alsof er een onheil te wachten stond. Toch was hij met ijver en zorgvuldigheid bij het werk, en hielp zelfs mede waar dit noodig bleek. Het was nu geheel donker geworden, en geen enkele ster stond aan den hemel. Zelfs werd het zoo koel, dat Gorgias eindelijk zijn lijfslaaf veroorloofde hem zijn mantel om te slaan. Terwijl hij de kap over zijn hoofd trok, zag hij een stoet menschen en draagstoelen naar de Lochias trekken.

Misschien waren het de koningskinderen, die van een uitstapje terugkeerden. Toch schenen het eerder gewone burgers te zijn, die zich tot een feest der overwinning opmaakten, want op dit oogenblik geloofden alle menschen aan een zegepraal en den goeden afloop van den oorlog. Dit bewees het gejubel en de vreugdekreten dergenen die zich, in weerwil van het slechte weder, nog altijd in den omtrek van de haven bevonden.

Juist was de laatste fakkel van den stoet Gorgias voorbij gedragen, en had hij bij zichzelven overlegd dat de draagstoelen die tot het koninklijk huis behoorden, niet zoo slecht verlicht moesten worden, of een man met een lantaarn in de hand kwam snel van de andere zijde aanloopen. Het flikkerende licht viel op een gerimpeld gelaat, en toonde hem den ouden Phryx, den huisslaaf van Didymus, die hij had leeren kennen in den tijd toen het opschrift voor het pas gebouwde Odeum door den oude geleerde was vervaardigd. De grijze dienaar had hem toen menigmaal veranderingen in het eerste ontwerp van zijn heer moeten overbrengen, en Gorgias daaraan nog gisteren herinnerd.

De arbeiders hadden middelerwijl het standbeeld bij helder fakkellicht en onder eentonig gezang, op het voetstuk gezet, en zij waren nu bezig de touwen, katrollen en hefboomen op te bergen, toen de bouwmeester den slaaf herkende.

Wat kwam die oude man daar zoo laat nog doen? Op eens kwam hem de ingestorte steiger weder in de gedachte. Zocht de slaaf hulp voor iemand van het gezin? Had Helene hem misschien noodig?

Hij hield den ouden man staande, en deze beantwoordde zijne vraag met een diepen zucht en het spreekwoord: »een ongeluk komt nooit alleen.” Daarop ging hij voort: »Gisteren was er rede tot groote vrees, en toen er heden zooveel blijdschap bij ons was om Barine, dacht ik dadelijk: »na vreugde leed!” de tweede ramp zal ons niet gespaard worden. En zoo is het dan ook!”

Gorgias vermaande hem alles wat er gebeurd was nauwkeurig te verhalen, en nu kwam de oude naderbij en fluisterde hem toe dat de jonge Philotas uit Amphissa, die een leerling en helper van Didymus was, en een wellevend jonkman van goede familie, naar een gastmaal was gegaan, waarop Antyllus, Antonius' zoon, eenige van zijn medestudenten genoodigd had. Dat was wel meer gebeurd, en daarom had hij, de oude Phryx, hem gewaarschuwd, want als de kleinen met de grooten omgaan, komen de eerste er zelden zonder kleerscheuren af. De jonge man, die overigens niet slechter was dan de andere epheben, was van zulke feesten altijd teruggekomen met een rood gezicht en onvasten gang, maar heden had hij zelfs zijn kamertje op de bovenverdieping niet kunnen wedervinden. Alsof hij door vervolgers achterna gezeten werd, was hij het huis binnengedrongen, en toen hij de trap wilde opvliegen—of eigenlijk was het maar een vaststaande ladder—had hij een misstap gedaan en was gevallen. Hij voor zich geloofde niet dat hij zich had bezeerd, want geen enkel lid deed hem pijn als men het aanraakte of het uitrekte, en de beschonkenen stonden immers in de hoede van Dionysos; maar het scheen wel of er een booze geest in hem gevaren was, want hij deed niets dan kreunen en weenen, en bleef op alle vragen het antwoord schuldig. Nu wist hij wel van de Dionysosfeesten, dat deze jonge man als hij te veel gedronken had altijd jammerde, maar ditmaal moest er toch iets bijzonders met hem zijn gebeurd, want vooreerst was zijn gezicht zwart gemaakt, en zag het er afschuwelijk uit nu de tranen het roet op vele plaatsen hadden afgewischt, maar daarbij sprak hij enkel wartaal. Het was iets verschrikkelijks!

Toen men hem naar zijn kamer had willen brengen, had hij zich met handen en voeten verweerd. Daarom geloofde Didymus zelf, dat demonen zich van hem hadden meester gemaakt, zooals niet zelden gebeurde wanneer iemand van de trap was gevallen en op zijn hoofd neergekomen, en daardoor bij de aardgeesten aangeklopt en hen gewekt had. Wel zeker, demonen zouden het wel zijn, maar zooals hij dacht, geen andere dan die van den wijn. De student had zich zeker daaraan te buiten gegaan. Maar de oude philosoof hield bijzonder veel van dezen leerling, en had hem bevolen Olympus te gaan halen, die zoo lang hij zich herinneren kon, de arts van het huis was.

„De oude lijfarts van de Koningin?” vroeg Gorgias afkeurend, en toen de slaaf dit bevestigde, zeide hij: »Dat is in mijn oogen niet goed, dien eerwaardigen grijsaard met zulk een fellen Noordenwind ter wille van zoo iets te laten uitgaan. De ouderdom is tegenover den ouderdom nooit bijzonder barmhartig. Ik kan, nu dat ding daar eindelijk op zijn plaats staat, wel voor een half uurtje mijn post verlaten, en ik ga met u mede. Ik zou denken dat om deze demonen te bezweren, geen lijfarts noodig is.”

»Dat is goed, heer,” riep de slaaf, »maar Olympus is een vriend van ons. Hij bezoekt nog maar weinig zieken, maar bij ons komt hij door alle weer en wind. Hij bezit ook draagstoelen, wagens en prachtige muildieren. De Koningin geeft hem alles wat het beste en gemakkelijkste is. Hij is wijs en kan misschien spoedig helpen. Wat men krijgen kan, daar moet men gebruik van maken.”

»Alleen als het noodig is,” hernam de bouwmeester. »Daar staan mijn beide rijdieren, volg gij mij op het tweede, en als ik met de booze geesten niet klaar kom, dan is het nog altijd tijd genoeg om den lijfarts te halen.”

Deze voorslag behaagde den ouden man, en korten tijd daarna trad Gorgias het tablinum van den philosoof binnen.

Helena heette hem welkom alsof hij een oud vriend was. Zoodra hij maar verscheen, dacht zij, was het gevaar reeds half voorbij. Ook Didymus was blijde hem te zien, en leidde hem het kleine vertrek binnen, waar de jongeling op een divan lag.

Hij steunde en jammerde nog steeds. De tranen liepen hem over de wangen, en zoodra een lid van het gezin hem naderde, stootte hij hem weenend van zich af. Toen Gorgias echter zijne beide handen vasthield en hem streng beval te bekennen wat hij zich te verwijten had, toen zeide hij snikkend dat hij de ondankbaarste booswicht op aarde was. Zijn slechtheid had zijn goede ouders, hem zelven en zijn vrienden te gronde gericht. Daarop beschuldigde hij zich, dat door zijn toedoen Didymus' kleindochter in her verderf werd gestort. Hij zou zeker niet weder naar Antyllus zijn gegaan, als deze hem niet kort geleden door zijne grootmoedigheid opnieuw tot zich getrokken had.

Maar nu moest hij er voor boeten, ja boeten.... en hij stamelde dit woord »boeten” zoo onophoudelijk, dat er vooreerst niets anders uit hem te krijgen was.

Intusschen bezat Didymus den sleutel op dit raadsel. Enkele weken geleden was Philotas met andere leerlingen van den rhetor wiens lessen in het Museum hij volgde, door Antyllus op een ochtendmaaltijd uitgenoodigd. Toen de student de fraaie gouden en zilveren bekers waaruit gedronken werd, zoo luide bewonderde, had de overmoedige jonge gastheer gezegd: »Welnu, zij zijn voor u, neem ze maar mede!” Philotas had dit eerst niet voor ernst opgenomen, maar bij het heengaan had de schenker hem aangemoedigd het geschenk aan te nemen. Antyllus had hem immers de bokalen vereerd? Maar hij raadde den jongen man aan, zich de waarde in geld te laten betalen, want er waren eenige oude kunstig bewerkte stukken onder, die Antyllus' vader, Antonius, misschien ongaarne zou missen.

Daarop had hij den verbaasden jongeling verscheidene rolletjes goudstukken in de hand gegeven. Doch dit geld had hem niet veel goeds gebracht, want daardoor was het hem mogelijk geworden met rijke, aanzienlijke mede studenten om te gaan en deel te nemen aan hunne uitspattingen. Toch had hij bij Didymus altijd trouw zijn plicht gedaan.

Al had hij dikwijls den nacht tot dag gemaakt, tot nu toe had zijn gedrag geen ernstige reden tot klagen gegeven. Kleine zonden zag men hem gaarne over het hoofd, omdat hij een aardige, vroolijke jonkman was, die de kunst verstond zich bij ieder lid van het huisgezin, ook bij de vrouwen, aangenaam te maken.

Maar wat was den beklagenswaardigen jongeling nu toch overkomen? Didymus had het grootste medelijden met hem, en hoewel hij Gorgias dankbaar was voor zijn komst gaf hij hem toch te verstaan, dat het wegblijven van den arts hem verdroot.

De bouwmeester was echter in zijn veeljarig jonggezellen leven in het Dionysos-vereerende Alexandrië vertrouwd geraakt met ziekten als die van Philotas, en wist hoe men dergelijke lijders behandelen moest. En nadat men Gorgias verscheidene kannen water gebracht en eenigen tijd met den lijder alleen gelaten had, verheugde de philosoof zich in stilte toch ook dat hij den lijfarts niet door het stormachtige weer had laten komen. Spoedig bracht Gorgias zijn leerling met natte haren, maar overigens in een toestand van snel vorderend herstel weder bij hem.

Het fraaie gelaat van den jongeling was nu ontdaan van het roetzwart, doch hij zag beschaamd naar den grond, en sloeg zich nu en dan voor het hoofd. De philosoof had al zijn redeneerkunst noodig om hem aan het spreken te brengen, en Philotas verzocht vóór hij begon, dat Helena hem met de mannen alleen zou laten.

Hij was van plan zich stipt aan de waarheid te houden, doch vreesde dat de onzinnige streek, waartoe hij zich had laten overhalen, noodlottige gevolgen kon hebben voor zijn geheele leven. Hij hoopte echter op goeden raad, vooral van den bouwmeester, die hem nu zoo goed geholpen had, en wiens vriendelijke persoonlijkheid hem vertrouwen inboezemde. Den grijsaard was hij zooveel verplicht, dat hij hem nu ook oprechtheid schuldig was,—en toch durfde hij hem één der beweegredenen zijner dwaze handelwijze niet bekennen.

De aanslag, waarin hij zich had laten meeslepen, was op Barine gemunt geweest. Hij had reeds lang gedacht dat hij haar beminde met al den gloed van zijn twintigjarig hart. Kort vóór hij naar dat noodlottige gastmaal ging, had hij evenwel gehoord, dat zij hare hand aan Dion had beloofd. Dat had hem diep gegriefd, want in menig stil uur had hij het voor mogelijk gehouden haar voor zich te winnen, en haar als echtgenoot binnen te leiden in zijn ouderlijk huis te Amphissa. Hij was immers maar weinig jonger dan zij, en als zijne ouders haar maar eerst hadden gezien, zouden zij zijn keus zeker billijken. En de andere menschen te Amphissa hadden Barine voor een godin moeten houden!

Doch nu was de voorname heer gekomen, die zijn hoop den bodem ingeslagen had. Zeker, er was nooit van liefde tusschen hem en Barine sprake geweest, maar hoe vriendelijk had zij hem altijd aangezien, en hoe gaarne zijne kleine diensten aangenomen! Nu was zij voor altijd voor hem verloren.

In het eerst had hij dit alleen bedroevend gevonden, maar toen hij veel wijn had gedronken en Antyllus bij den maaltijd, waarvan Cæsarion symposiarch14) was, Barine beschuldigd had de harten door magische kunsten te betooveren, toen was hij op eenmaal tot de overtuiging gekomen, dat zij die ook op hem had toegepast.

Hij had zichzelven wijs gemaakt dat hij haar òf als speelgoed had gediend, òf dat zij van hem had gehouden en alleen de voorkeur gegeven had aan Dion om zijn rijkdom. In ieder geval geloofde hij reden genoeg te hebben om op haar vertoornd te zijn, en bij iederen beker dien hij ledigde, nam zijn wrok toe.

Juist toen had men hem verzocht mee te doen aan de dwaze streek, die nu zoo zwaar op zijn geweten drukte, en hij had gretig daarin toegestemd, om haar te straffen voor het onrecht, dat hem in zijn verhitte verbeelding door haar was aangedaan.

Dit alles verzweeg hij echter voor de oude lieden, en verhaalde alleen in het kort van het prachtige gastmaal, dat Cæsarion zoo bleek en onverschillig als altijd, geleid had, en dat vooral door den dollen overmoed van Antyllus opgevroolijkt was.

De »Koning der koningen” en de zoon van Antonius hadden, onder voorwendsel van op de jacht te gaan, zich van hunne gouverneurs bevrijd. Zij hadden gezegd dat de opperjachtmeester hun dit genoegen wilde verschaffen en dat zij hem beloofd hadden 's morgens vroeg gereed te zullen zijn voor een tocht in de woestijn. Toen na den maaltijd de mengvaten neergezet en de bekers nog sneller gevuld werden, had Antyllus met Cæsarion allerlei dingen in stilte besproken en het gesprek gebracht op Barine, de schoonste der schoonen, die door de goden bestemd was voor den grootste en hoogstgeplaatste van allen. Dat was immers »de Koning der koningen” Cæsarion, en daarom mocht hij rekenen op de gunst der hemelsche machten. Maar men wist ook dat Aphrodite zichzelve voor nog grooter hield dan den hoogsten koning, en daarom waagde Barine het, voor den symposiarch hare deur te sluiten, op een wijze die niet alleen voor hem, maar voor de geheele jeugd van Alexandrië krenkend zijn moest. Alles wat zich »ephebe” noemde moest de vuist ballen van verontwaardiging, als hij hoorde dat de overmoedige jonge vrouw de jeugd op een afstand hield, omdat zij alleen oudere mannen hare aandacht waardig keurde.

Dat mocht zoo niet blijven! Veeleer moesten de jongelingen van Alexandrië haar hunne macht doen gevoelen. En dit werd des te dringender bevolen, daar Cæsarion hierdoor het doel zijner wenschen bereiken zou.

Barine zou dien avond de stad verlaten. De beleedigde Eros zelf wees hen daardoor den weg. Hij gebood hun haar wagen aan te houden en haar te brengen bij den jongeling, die in naam der geheele jeugd op zich nam haar te bewijzen dat de hartstocht der epheben, die zij van zich verwijderde, vuriger was dan die der oudere mannen die zij om zich heen duldde.

Hier viel Gorgias den verhaler in de rede met een luiden uitroep van misnoegen, en de oogen van den ouden Didymus schenen uit hunne kassen te willen komen, toen hij zijn leerling met barsche stem een ongeduldig »ga voort!” toeriep.

En Philotas, die nu weder geheel ontnuchterd was, schilderde met levendige kleuren hoe wonderbaar de stille Cæsarion veranderd was. Hij scheen werkelijk betooverd te zijn, want nauwelijks hadden Antyllus' makkers hem toegejuicht en zich bereid verklaard de jeugd van Alexandrië aan Barine te wreken, toen »de Koning der koningen” eensklaps opstond van de rustbank, waarop hij tot zoolang bijna onverschillig gelegen had, om met fonkelende oogen uit te roepen dat, wie zich zijn vriend noemde, hem bij dezen aanval helpen moest.

Hier werd hij door een tweede ongeduldig »ga voort!” tot grooter spoed gedrongen, en nu verhaalde hij minder uitvoerig hoe zij hunne aangezichten zwart gemaakt en zich met zwaarden en lansen gewapend hadden. Tegen zonsondergang waren zij in een overdekte boot door het Agathodemonkanaal naar het Mareotische meer gevaren. Het bleek dat alles goed van te voren beschikt was, want zij waren precies op het aangegeven uur aangeland.

Daar zij zich op het water steeds met krachtigen wijn hadden versterkt, had hij al moeite gehad om aan wal te stappen en had zich door de anderen laten voortsleepen. Verder wist hij niets meer, dan dat hij zich te gelijk met hen had geworpen op een groote harmamaxa15), en daarbij gevallen was. Toen hij opstond was alles voorbij.

Als in een droom had hij gezien hoe Scythen en andere bewakers der veiligheid Antyllus hadden aangegrepen, en hoe Cæsarion op den grond met een ander lag te worstelen. Als hij zich niet vergiste, den was dat Barine's verloofde, Dion geweest! Al deze mededeelingen waren door menigen uitroep van ongeduld en verontwaardiging afgebroken, en nu stootte Didymus, buiten zich zelven van angst, de vraag uit: »En het kind—en Barine?”

Doch Philotas kon geen antwoord geven dan een sprakelooze hoofdbuiging, en de toorn overmande daardoor zoo zeer den ouden philosoof, dat hij zijn leerling bij den chiton greep, hem schudde, en toornig toeriep:

»Weet gij het niet, booswicht? In plaats van haar te beschermen zooals het uw plicht was tegenover een kind van mijn huis, hebt gij medegedaan met lichtzinnige verkrachters van zeden en recht, als een handlanger van deze schaamtelooze aanranders in het koninklijk purper gekleed?”

De bouwmeester bracht den vertoornden grijsaard in eerbiedige bewoordingen onder het oog, dat op het oogenblik alles moest achterstaan bij de noodzakelijkheid om Barine en Dion te laten opsporen. Zijn hoofd liep om van al zijn werk, maar toch wilde hij spoedig met zijn opzichter alles bespreken en daarna zelf beproeven zijn vriend weder te vinden.

»En ik,” riep de oude man, »moet aanstonds naar mijn ongelukkig kind. Breng mijn mantel Phryx, en mijn sandalen!”

En toen Gorgias hem vermaande aan zijn leeftijd en het stormachtige weer te denken, ging hij driftig voort:

»Ik ga, zooals ik heb gezegd. Al moest de storm mij op den grond werpen en de bliksemstraal van Zeus mij treffen, wat geef ik daarom! Op een onheil meer of minder komt het niet aan, in een leven dat ééne aaneenschakeling van rampen is. Drie zonen heb ik begraven in den bloei van het leven, en twee heb ik verloren in den oorlog. Barine was mijn oogappel, en dwaas die ik was, heb ik haar zelf geketend aan den booswicht, die haar zonnig leven voor goed verduisterd heeft, en nu ik haar gelukkig dacht, en beveiligd voor zorg en miskenning, aan de zijde van een voortreffelijk man, wordt misschien haar verloofde gewond of zelfs vermoord door die vervloekte booswichten, die door hunne hooge geboorte aan mijn wraak ontsnappen! Zij sleepen haar goeden naam en mijne grijze haren door het slijk. Mijn tuinhoed Phryx, en mijn staf!”

Sinds lang woedde de storm om het huis aan de zee, en het zeil dat gespannen was boven de opening van het impluvium, rukte met luid geraas aan de metalen ringen die het vasthielden. Nu kwam er zulk een hevige windvlaag, dat twee vlammen van de drie-armige lamp uitwoeien. Tegelijk werd de huisdeur geopend, en de Nubische portier van vrouw Berenice kwam binnen, druipend van den regen, en met de kap van zijn mantel over zijn bruine hoofd. Hij was in een deerniswaardigen toestand, en kon in het eerst niet den groet en al de vragen der mannen beantwoorden. Helena had zich bij hen gevoegd en hield den arm van haar grootmoeder vast. De bode was geheel buiten adem van het loopen, doch eindelijk kon hij zijn boodschap overbrengen. Het was niet veel. Barine liet hen enkel weten, dat, wat zij ook mochten gehoord hebben, haar moeder en zij ongedeerd waren. Dion had een wond aan den schouder gekregen, maar dat was niet erg. Zij verpleegde hem met hare moeder. Haar grootouders konden zonder zorg zijn; de aanslag die tegen haar ondernomen was, was volkomen mislukt.

Vrouw Doris die zeer doof was, had te vergeefs met de hand aan haar oor getracht iets van dit alles op te vangen, en nu zeide Didymus wat Helena hiervan aan hare grootmoeder overbrengen moest. De oude vrouw placht naar de lippen van het meisje te zien, en verstond haar beter dan een ander. Het verheugde Didymus natuurlijk dat zijn lieveling aan het gevaar ontkomen was, maar toch was hij nog niet geheel gerust. Ook Gorgias vreesde het ergste nog. Hij wilde zelfs uitgaan op nadere berichten, en verzekerde den grijsaard dat hij, zoodra hij die ingewonnen had, bij hem terugkomen zou. Daardoor alleen kon hij hem afhouden van een nachtelijken tocht door den storm.

De student Philotas vroeg smeekend met betraande oogen of men hem als bode wilde gebruiken, doch Didymus beval hem ter rust te gaan. Hij zou later wel een gelegenheid vinden om goed te maken wat hij door zijn lichtzinnigheid bedorven had.

In het stille huis van den geleerde werd dien nacht niet aan slapen gedacht. Gorgias vertrok, en Helena uitte den wensch om door den ouden portier naar hare zuster gebracht te worden, maar dien kon Didymus niet inwilligen. Hij bleef nu met zijn vrouw in het tablinum alleen. Men had haar enkel gezegd dat Barine door dieven was aangevallen, die haren verloofde licht hadden gewond; maar haar hart en het gedrag van haren man maakten het haar duidelijk dat haar iets verborgen werd. Zij zou er gaarne meer van weten, maar Didymus vond het op dit oogenblik bezwaarlijk haar met zoo luide stem nog meer mede te deelen, en daarom moest zij haar verlangen nu tot zwijgen brengen. Doch niemand ging ter ruste, omdat zij eerst de terugkomst van den bouwmeester wilden afwachten.

Didymus was in een leunstoel neergevallen, en vrouw Doris zat in een hoek aan haar spinnewiel, zonder den draad van het spinrokken af te winden. Toen zij haar echtgenoot hoorde zuchten en het hoofd in zijn handen zag verbergen, stond zij op, ging op haar stokje geleund naar hem toe, en streek hem met de hand over het bijna kale hoofd. Zij sprak hem daarbij troostend toe, en toen zij de bedroefde uitdrukking toch nog niet uit zijn gelaat verdwijnen zag, herinnerde zij hem op hare hartelijke, vriendelijke manier hoe menigmaal zij reeds de wanhoop nabij geweest waren en toch alles altijd weer goed afgeloopen was.

»Zie oude,” zeide zij, »ik weet wel dat er weder dikke, zwarte wolken boven ons huis hangen, al weet ik het rechte er niet van. Ik voel alleen dat een zware slag ons dreigt. En toch, wat kunnen de menschen ons aandoen, als wij beiden maar bij elkander mogen blijven, wij beiden oudjes, en dan de kinderen der kinderen die Hades ons heeft geroofd. Als men zoo samen oud wordt, leert men dat het leven een hoofd heeft met vele aangezichten. Het kwade van het heden kan evenmin lang duren als die diepe rimpels in uw voorhoofd. Gij behoeft u voor mij geen geweld aan te doen, beste man. Laat het maar zoo. Ik behoef mijn oogen maar toe te doen, om te zien hoe glad en schoon het eens was in uw jeugd, en hoe vriendelijk gij er weder uit zult zien, zoodra de betere dagen zeggen: daar zijn wij weer!”

Hij kuste haar met een weemoedigen glimlach op het grijze haar, en riep haar toe aan het linker oor, dat beter hooren kon: »Hoe jong blijft gij nog altijd, oudje!”

14) Leider van het gastmaal.

15) Gesloten Aziatische reiswagen op vier wielen.

TIENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Een storm uit het Noorden woei over het eiland Pharus en de ondiepten van Diabathra heen, in de haven van Alexandrië. Op het anders zoo stille water waren nu golven te zien, en de lantaarn op den lichttoren van Sostratus scheen zijne heen en weer gaande vlammen met vijandige woede naar de stad te jagen. De vuren in de pekpannen en de fakkels aan de kust schenen het eene oogenblik uit te gaan, maar in het volgende flikkerden zij door den walm heen dubbel helder op.

De koninklijke haven, een uitgestrekt bekken dat het zuidelijk gedeelte van de Lochias en een deel van het noordelijke strand van het Bruchium in een halven kring omgaf, was iederen nacht sterk verlicht, doch heden schenen de lichten aan de westzijde, bij de ligplaats der koningsvloot, bijzonder bewegelijk. Kwam dat door den storm? Doch neen! Hoe had die de eene fakkel op de plaats van de andere kunnen zetten, en lichten of lantaarns tegen de richting van zijn onstuimige pogingen in, in beweging kunnen brengen? Het waren echter slechts weinigen, die dit opmerkten, want hoevelen ook vervuld waren van bange vrees, wie zou zich in zulk een stormnacht naar buiten op de kade wagen? Bovendien zou niemand toegang gekregen hebben tot de koningshaven, want zij was aan alle zijden afgesloten. Ook de havendam, die de koorde was van den boog dien het land ten westen vormde had slechts ééne opening, en die was, zooals ieder wist, ook met een keten bespannen, evenals de groote havenmond tusschen den Pharus en Alveus Steganus.

Twee uren vóór middernacht kwamen de lichten die zoo wonderlijk bewogen werden, tot rust, hoewel de storm eer toegenomen dan verminderd was. Maar het hart der menschen voor wie zij brandden, had zelden zoo onrustig geklopt als nu. Het waren de regeeringspersonen en hofbeambten die tot de naaste omgeving der Koningin behoorden: ongeveer twintig mannen, en Iras was onder hen de eenige vrouw. Zij en de Regent Mardion hadden deze allen hier bijeengeroepen, daar de brief van Cleopatra haar toeliet deze gevolmachtigden in het geheim te ontvangen. Na lange beraadslagingen waren zij overeengekomen de bevelhebbers der kleine achtergebleven Romeinsche bezetting niet mede uit te noodigen. Het was immers nog de vraag, of de verwachte personen reeds in dezen nacht zouden terugkomen, en de Romeinsche krijgslieden, die in het oog van Marcus Antonius iets beteekenden, waren met hem mede in den oorlog.

De overdekte doorgang in het midden der afgesloten aanlegplaats van de koninklijke haven, waar zij verzameld waren, was met vorstelijke praal ingericht, want de Koningin gebruikte die gaarne. Het ontbrak in de groote ruimte niet aan gemakkelijke zetels, en menigeen had zich uitgestrekt op een rustbank, terwijl anderen, door een inwendige onrust gedreven, op en neer liepen.

Daar deze gang maanden lang gesloten was gebleven, hadden vledermuizen er hun nest gemaakt, en toen de lichten ontstoken werden, zag men deze boven de hoofden der vergaderden rondfladderen. Iras had den bevelhebber der Mellakes, of jongelingen die een lijfwacht vormden uit de zonen der edelste Macedonische geslachten, verzocht die lastige dieren te verjagen, en het gaf den trouwen dienaar der Koningin eenige afleiding voor zijne zwaarmoedige gedachten, dat hij met zijn zwaard daarnaar kon slaan.

Anderen keken liever naar dit onbeduidend gevecht, dan toe te geven aan de vrees die hen vervulde. De Regent zag sprakeloos naar den grond, Iras luisterde bleek en verstrooid naar de uitleggingen van den zegelbewaarder Zeno, en Archibius was naar buiten gegaan om, zonder zich om den storm te bekommeren, over het onstuimige havenwater heen, naar de verwachte schepen uit te zien.

De bedienden, van de fouriers tot de dragers der draagstoelen toe, zaten bij groepen in een houten halfverlichte schuur, welker zoldering gesteund werd door bontbeschilderde zuilen, waar de wind doorheen blies. De Grieken zaten op houten zetels, de Aegyptenaars op matten op den grond. Den grootsten kring vormden de fouriers, die voor de bagage der Koningin moesten zorg dragen, benevens de hoogere slaven van het hof, en eenige kamervrouwen.

Men had hen gezegd dat de Koningin reeds dezen nacht verwacht werd, omdat het mogelijk was dat de sterke Noordenwind haar schip ongedacht snel uit den slag naar huis drijven zou. Maar zij wisten wel beter, want in paleizen zijn reten en spleten en gordijnen, en daarin woont een echo van een bijzondere soort, die binnen de muren zelfs, het gefluister voortdraagt van oor tot oor.

De vrijgelaten lijfslaaf van den veldheer Seleukus voerde het hoogste woord. Zijn meester was enkele uren geleden uit de grensvesting Pelusium, waar hij het bevel voerde, in Alexandrië aangekomen. Een geheimzinnig bevel van Lucilius, den trouwsten vriend van Antonius, dat hem overgebracht was door een snelzeiler van Tænarum, had hem hierheen gevoerd.

De vrijgelatene Beryllus, een welbespraakt Siciliër, die als tooneelspeler beter dagen had gekend, eer de zeeroovers hem van zijn vrijheid hadden beroofd, was menige nieuwstijding te weten gekomen, en allen luisterden gaarne naar hem, want te Pelusium waren schepen uit het Noorden aangekomen en deze hadden de slechte berichten, die men in het Sebasteum had gehoord, bevestigd en aangevuld.

Als men hem gelooven kon, dan wist hij alles zoo goed alsof hij den zeeslag zelf had bijgewoond, want hij verzekerde dat hij bij een gesprek van zijn heer met vele scheepsbevelhebbers en boden uit Griekenland tegenwoordig was geweest. Ook deed hij het voorkomen alsof hij een trouw dienaar was die goed zwijgen kon, en enkel mocht bevestigen of ontkennen wat de Alexandrijnen zelve reeds hadden vernomen. Intusschen bestond zijn geheele wetenschap in een verward samenraapsel van ware en onware feiten. Terwijl de Aegyptische vloot bij Actium was verslagen en Antonius met Cleopatra eerst gevlucht waren naar Taenarum aan de zuidpunt van den Peloponnesus, beweerde hij, dat het leger te land en de vloot elkander aan de Peloponnesische kust hadden ontmoet, en dat Octavianus Antonius vervolgde in de richting van Athene; Cleopatra zou onderwijl reeds op weg naar Alexandrië zijn.

Deze »zekere berichten” had hij opgemaakt uit enkele woorden die hij gehoord had onder den maaltijd, en ook terwijl de veldheer boden afzond en ontving. In andere opzichten echter was hij geloofwaardiger. Daar de haven van Alexandrië de laatste dagen afgesloten was geweest, hadden alle schepen in die van Pelusium mogen binnenloopen, en de kapiteins waren zoodoende verplicht geweest het eerst aan te komen bij Beryllus' meester, die de kommandant dier belangrijke grensvesting was.

Eerst den vorigen nacht was hij uit Pelusium vertrokken. De sterke wind had de triëre zoo snel voortgejaagd, dat de zeemeeuwen die bijna niet hadden kunnen bijhouden. Dit wilden zijne toehoorders gaarne gelooven, want de storm loeide steeds heviger, en gierde door de open ruimte waarin de bedienden zich bevonden. De meeste fakkels en lampen waren reeds uitgegaan; uit de pekpannen steeg een dikke zwarte walm omhoog, waarin men de gele vlammen bijna niet meer kon onderscheiden, en alleen de gesloten lantaarns gaven nog een flauw licht. Het was dus in die met rook gevulde, akelige schuur somber genoeg.

Een der fouriers had voor wijn gezorgd om den tijd wat te korten; maar men durfde dien niet anders dan in het geheim drinken, en er waren geen bekers. Zoo gingen de kannen van mond tot mond, maar iedere teug werd gretig genoten, te meer daar de rook de kelen prikkelde. Beryllus moest dikwijls midden in zijn verhaal ophouden om al het gehoest, vooral van de vrouwen. Van alles wat hij zeide beweerde hij echter dat hij voor de waarheid instond, en vooral aan de voorteekenen die men te Pelusium aan zijn meester had medegedeeld, hechtte hij zelf veel waarde.

Eene der kamervrouwen van Iras vertelde hierbij ook van de zwaluwen, die op de »Antonias” het admiraalschip van Cleopatra, waren gezien. Zij dacht dat dit nog het slechtste voorteeken van allen was geweest. Maar Beryllus zag haar met zulk een medelijdenden glimlach aan, dat de verwachting der anderen nog hooger gespannen werd. De opperfourier riep dan ook op barschen toon den lastdragers een: »stilte!” toe. Nu hoorde men in de open zaal een tijdlang ook niets anders dan het langgerekte fluiten van den wind, nu en dan een commando aan de wachters vóór de koningshaven, en de stem van den vrijgelatene. Hij sprak zacht, om daardoor aan zijne geheimzinnige mededeelingen nog meer bekoring te geven.

Hij begon met hoogdravende loftuitingen op Cleopatra en Marcus Antonius, en herinnerde zijn toehoorders dat de imperator een afstammeling van Herakles was. Daarbij zouden de Alexandrijnen zeker wel weten, zeide hij, dat de Koningin »de nieuwe Isis” en Antonius »de nieuwe Dionysos” wenschten genoemd te worden. Ieder moest dan ook erkennen, dat hij in gelaat en houding veel meer op een god geleek dan op een mensch.

Voornamelijk te Athene had de imperator zich voor Dionysos uitgegeven. Daar was aan den gevel van het theater een voorstelling van den gigantenstrijd in reliëf-figuren te zien, een beroemd werk van een ouden beeldhouwer—dat hij goed kende—en uit dit aan beelden zoo rijk reliëf was door den storm een afgerukt, en welk zou dat geweest zijn? Geen ander dan dat van den god Dionysos, het afbeeldsel van Antonius, zooals hij eens, vóór de oogen der Atheners, in een priëel door wijnranken begroeid, had zitten drinken. De storm van heden was maar als de adem van een kind bij den orkaan, die het beeld van het harde marmer waarop het stond had kunnen losmaken. Maar de natuur spande dan ook al hare krachten in, als zij de kortzichtige menschen verkondigen moest welke wereldschokkende gebeurtenissen op handen waren.

Die laatste woorden sprak hij zijn heer na, die te Athene gestudeerd had, en wien zij uit de diep ontroerde ziel geweld waren, toen hij van een ander voorteeken hoorde, waarvan een schip uit Ostia de tijding medebracht. De bloeiende stad Pisaura....

Doch hier werd hij weder in de rede gevallen, want velen hadden al weken geleden gehoord, dat deze plaats in de zee verdwenen was, en zij hadden alleen de ongelukkige bewoners der stad betreurd.

Beryllus liet rustig toe dat zij zich zuiverden van de verdenking, als zou men te Alexandrië deze merkwaardige gebeurtenis minder spoedig gehoord hebben dan te Pelusium. Toen men hem vroeg wat dat met den oorlog te maken had, antwoordde hij eerst alleen met een stilzwijgend schouderophalen, maar nadat ook de opperfourier zijn nieuwsgierigheid had getoond, ging hij voort: »Dit voorteeken maakte een bijzonder diepen indruk, want wij wisten wat Pisaura was, of liever hoe het is ontstaan. De ongelukkige stad, die door den duisteren Hades verzwolgen is, behoorde op geheel bijzondere wijze aan Antonius, want in de dagen van zijn voorspoed had hij die zelf gesticht.”

Bij deze woorden zag hij uitvorschend in het rond, en het ontbrak in den kring zijner toehoorders ook niet aan teekenen van ontzetting; eene kamervrouw zelfs gilde het uit, want juist op dat oogenblik had de storm een fakkel uit den ijzeren ring in den muur gerukt, en die vlak naast de luisterende schaar neergeworpen. De spanning scheen nu haar hoogste punt bereikt te hebben, en toch was het Beryllus aan te zien, dat hij zijn laatsten pijl nog niet verschoten had. De kamervrouw, die ook de anderen aan het schrikken had gemaakt, werd weer kalm. Zij scheen nu nog het allermeest te verlangen naar iets nieuws en verschrikkelijks, en zij bad den vrijgelatene met een smeekenden blik, dat hij toch niets van wat hij wist zou verzwijgen.

Hij zag echter hoe het angstzweet op haar voorhoofd stond, en zeide: »Van het hooren alleen zijt gij reeds buiten u zelve. De steenen beelden zijn van een hardere stof dan gij, en toch bezitten ook zij een ziel. Zij zijn of hard of zacht van gemoed, en brengen ons rampen of heelen onze smart naar dat zij ons goed of slecht gezind zijn. Ieder die zijne handen smeekend naar hen opheft, ondervindt dat. Zulk een standbeeld staat ook te Alba. Het stelt Marcus Antonius voor, tot wiens eer de stad het heeft opgericht. En dit beeld heeft vooruit gezien wat den man, wiens steenen dubbelganger het is, te wachten stond. Ja, luistert maar goed! Een dag of vier geleden liet zich bij mijn meester een scheepskapitein aandienen, en die man heeft in mijn bijzijn, zoo bleek als een doek, verhaald wat hij zelf had gezien. Het standbeeld van Antonius te Alba had zweetdroppelen op het gelaat gekregen; de geheele burgerij was er van ontzet; mannen en vrouwen kwamen met doeken om ze af te wisschen, maar steeds waren er meer gekomen, en dat dagen en nachten achtereen. Zoo had dus het steenen beeld vóórgevoeld wat den levenden Antonius overkomen zou. Het was vreeselijk geweest om te zien, zeide die man.”

Hier hield de verhaler een oogenblik op, en door den geheelen kring der toehoorders liep een koude rilling. Te gelijk hoorde men in de lucht een geluid alsof er op een metalen schijf geslagen werd, en een oogenblik later vlogen allen op hun post.

Ook in den versierden doorgang waren de wachtenden opgestaan. Hier had men enkel zacht gefluisterd of gezwegen, de aangezichten hadden sinds lang angstig en somber gestaan, doch thans werden de meesten doodsbleek, en men durfde elkander bijna niet aanzien.

Archibius had het eerst van allen den rooden schijn van het licht op den vuurtoren ontdekt, die het sein was van een naderend koninklijk schip. Zóó vroeg had niemand dat nog verwacht, en daar voer het nu reeds voorbij den toren de koninklijke haven binnen. Het kon wel het admiraalsschip Antonias zijn, hetzelfde waarop de oude zwaluwen hunne jongen doodgebeten hadden.

Hoe hoog de golven ook gingen in de wel-beschermde haven, toch brachten zij het groote gevaarte slechts weinig in beweging. Een ervaren stuurman moest het voorbij de ondiepten en klippen aan de oostzijde der reede sturen; want in plaats van, zooals anders, om het eiland Antirrhodus te varen, zette het koers tusschen dit en de Lochias in, en naderde zóó in rechte lijn den ingang van de kleine koninklijke haven. Aan weerszijden daarvan werd in de pekpannen nieuwe hars en werk aangebracht om den weg beter te verlichten, en de menschen die aan wal stonden, konden nu duidelijk het schip onderscheiden.

Het was de Antonias, en toch weder de Antonias niet. De zegelbewaarder Zeno, die naast Iras stond terwijl zij haar mantel dichter om haar heen sloeg, maakte haar daarop opmerkzaam en fluisterde haar in het oor: »Het heeft iets van een vrouw die haar ouderlijk huis in bruidstooi heeft verlaten, en nu als een arme weduwe daarin terugkomt.”

Bij deze woorden richtte Iras zich in haar volle lengte op, en antwoordde scherp: »Of van de zon, die door de nevelen omsluierd is, maar binnen korten tijd weder zoo heerlijk stralen zal als ooit.”

»Dat hebt gij mij uit het hart gesproken,” zeide de oude hoveling met warmte, »voor zoover het de Koningin betreft. Ik bedoelde natuurlijk niet haar, maar het schip. Gij waart ziek, en kondt dus niet zien hoe rijk met bloemen gesierd het was, toen de purperen zeilen geheschen werden, en het vertrok. En nu! Zelfs bij dit onzekere flikkerlicht kan men zien welk een schade het geleden heeft. Gij behoeft mij waarlijk niet te herinneren dat onze Cleopatra-zon hare oude kracht spoedig weer herwinnen zal, maar voor het oogenblik is het hier aan het water en in dien storm recht ijzig koud, en als ik aan het eerste wederzien denk....”

»Ach, was dit maar voorbij!” mompelde Iras, en wikkelde zich nog meer in haar mantel. Op eens overviel haar een huivering, want het kletterend geluid der zware kettingen die van den havenmond werden weggenomen, klonk akelig door de nachtelijke stilte, het was alsof een nachtmerrie alle aanwezigen benauwde, want het houten gevaarte, dat nu de haven binnenliep, kwam langzaam en stil als een spookschip nader. Er scheen geen leven meer te zijn op dat reusachtige, van menschen wemelende vaartuig, alsof de geheele bemanning aan een vreeselijke pestziekte bezweken was. Nu en dan een kommando en seinfluit der roeiers was het eenige teeken van leven aan boord. Op het onafzienbaar lange dek brandden slechts enkele lantaarns, omdat de schitterende verlichting die het anders had, de blikken van alle Alexandrijnen zou getrokken hebben.

Thans was het vlak bij de aanlegplaats gekomen. De toeschouwers volgden iedere beweging in ademlooze spanning, en zoodra het eerste touw aan de slaven toegeworpen werd, drongen eenige mannen in Grieksch gewaad tusschen hen door.

Zij brachten een gewichtige tijding die geen uitstel duldde bij den Regent Mardion, die voor den zegelbewaarder en Iras stond, het somber gelaat naar den grond gericht. Hij dacht er over na in welke bewoordingen hij de Koningin zou aanspreken, en het was mogelijk dat Cleopatra reeds binnen enkele oogenblikken aan wal stappen zou. Niemand die den lichtgeraakten, grilligen man kende, zou het wagen hem hierin te storen. En toch deed dat de Macedoniër, die zoo even alle blikken tot zich getrokken had. Het was de nachtstrateeg, het welbekende hoofd der politie van de stad.

»Een enkel woord slechts, heer,” fluisterde hij den Regent toe, »al komt het u op dit oogenblik ongelegen.”

»Dat komt het werkelijk zéér,” antwoordde Mardion streng.

»Laat ons maar zeggen even ongelegen als uwe spoedige uitspraak noodzakelijk is. De koning Cæsarion en Antyllus hebben met eenige makkers een vrouw aangevallen. Zij hadden hun gezicht zwart gemaakt, en er is gevochten. Cæsarion en de geleider der jonge vrouw, een man die zeer gezien is in den Raad, zijn licht gewond. Te rechter tijd kwamen er lictoren bij. De jonge lieden worden aangehouden. Eerst weigeren zij hunne namen op te geven....”

»Cæsarion licht gewond? Toch niet gevaarlijk?” vroeg nu de Regent ongeduldig.

»Dat niet. Zoo spoedig mogelijk wordt de arts Olympus ontboden. Hij vindt een gat in het hoofd. De aangevallene had hem in den strijd onzacht op de straatsteenen geworpen.”

»Dat was Dion, de zoon van Eumenes,” zeide Iras, die oplettend toegeluisterd had, »en de vrouw is: Barine, de dochter van den schilder Leonax.”

»Wist gij dat reeds?” vroeg de nachtstrateeg verbaasd.

»Dat schijnt zoo,” antwoordde de Regent, en zag daarbij het meisje veelbeteekenend aan. En terwijl hij zich meer tot haar dan tot den Macedoniër richtte, voegde hij er bij: »Mij dunkt, wij moesten de jonge boosdoeners in vrijheid stellen en zoo stil mogelijk naar de Lochias brengen.”

»Naar het paleis?” vroeg de beambte.

»Natuurlijk,” verzekerde Iras. »Ieder naar zijn eigen vertrekken. Daar moeten zij dan afwachten wat er van komt.”

»Het overige eerst na de verwelkoming,” voegde de Regent er bij, en de nachtstrateeg verliet hem met een zelfbewusten groet.

»Al weder een onheil!” zuchtte Mardion.

»Jongensstreken,” liet Iras er snel op volgen. »Maar nog erger rampen, als die bestaan, zouden minder dan niets zijn zoolang zij ons maar niet duidelijk voor den geest staan. Dit onaangename voorval moet voor de Koningin verzwegen blijven. Het is nu nog maar een kleinigheid, en dat moet het blijven. Het staat in onze hand den vergiftigen boom, waarvan het de vrucht is, met wortel en tak uit te roeien.”

»Gij ziet er uit, alsof niemand dat beter zou doen dan gij,” zeide de Regent, »en daarom draag ik het bij dezen aan u op. Het is het laatste, wat ik in de afwezigheid der Koningin te bevelen heb.”

»Het zal niet ontbreken aan mijn ijver,” verzekerde zij.

Nu zag zij naar de landingplaats en ontwaarde Archibius, die daar alleen en zich in zich zelven gekeerd naar den grond staarde. Een oogenblik dacht zij er aan haar oom te vertellen wat zij zoo even had gehoord; maar spoedig kwam zij van haar voornemen terug, en van de fijne lippen klonk het vastberaden: »neen!”

Haar vriend was een steen op haar weg geworden, en als het dan zoo zijn moest, zou zij wel middelen vinden om ook hem uit den weg te ruimen, in weerwil van zijn zuster Charmion en de oude banden die hem aan Cleopatra hechtten. Hij was zwak geworden met de jaren, doch Charmion was dat altijd geweest. Ware Iras' harteleed niet zoo groot geweest, dan zou zij nu tijd genoeg gehad hebben, reeds nu te bedenken hoe zij dat bewerkstelligen zou.

Toen het groote admiraalschip reeds vastgemeerd lag, duurde het nog eenige minuten eer de eersten die het verlieten, den steiger betraden. Dat waren twee pastophoren16) van Isis, die den beker van Nektanebus, die tot de tempelschatten der godin behoorde, bewaakten en in een beschilderde kist droegen. Op deze volgde de eerste kamerdienaar van Cleopatra. Hij meldde met gedempte stem de komst der Koningin, en gaf bevel om ruimte voor haar te maken. Van de landingsplaats tot aan de poort van het Bruchium en die aan de noordzijde, tegenover de paleizen op de Lochias, werd een dubbele rij fakkeldragers opgesteld, want men wist niet waar Cleopatra aan wal stappen zou. De kamerdienaar verzekerde intusschen dat zij althans dezen nacht zou doorbrengen op de Lochias, waar hare kinderen woonden, en hij beval dat men de meeste fakkels uitblusschen zou.

Mardion, de zegelbewaarder, Archibius en Iras stonden vóór al de overigen bij de brug, toen er eindelijk beweging ontstond op het schip, en de Koningin verscheen, voorafgegaan door eenige lantaarndragers, en met een groot gevolg van hofbeambten, pages, kamervrouwen en slavinnen.

Met haar kleine hand op den arm van Charmion, trad zij met hoog opgericht hoofd aan land. Een dichte sluier bedekte haar hoofd en aangezicht, een donker wijd opperkleed haar tengere gestalte. Doch hoe veerkrachtig was nog altijd haar tred, hoe trotsch en bevallig haar houding en gang, terwijl zij Mardion en Zeno een groet toewuifde.

Aan Iras, die voor haar op de knieën gevallen was, stak zij hare hand toe, ten teeken dat zij op moest staan, en terwijl zij haar op het voorhoofd kuste, fluisterde zij: »Hoe is het met de kinderen?”

»Alles goed,” antwoordde het meisje zacht.

Daarop begroette de aangekomene ook de anderen met een minzaam handgebaar, maar zij sprak niemand toe, alvorens de Regent naderbij trad om het woord tot haar te richten. Met een kort: »Dat later!” ging zij hem echter voorbij. En toen Zeno het portier van haar draagkoets opende, klonk het met gedempte stem: »Ik ga te voet. Na al dat dobberen op de golven, kan ik mij van geen draagstoel bedienen. Er is nog veel te overleggen, en onderweg is mij iets ingevallen. Ik moet den haven-admiraal en zijn voornaamste raadslieden, de krijgsbevelhebbers, en de bestuurders der land- en zeemacht bij mij zien; vooral ook den aristarch en Gorgias. Er is haast bij. In twee uur, neen, in anderhalf, moeten zij hier zijn. Ik moet hunne plannen en kaarten van de Oostelijke grens nazien. Vooral de vertakkingen der rivier en de kanalen van de Delta zijn van belang.”

Vervolgens wendde zij zich tot Archibius, die bij den draagstoel stond, en legde haar hand op zijn arm. De sluier verhinderde hem den glans harer oogen te zien, maar toch was het hem op dit oogenblik alsof die hem wonderbaar toeblonken, terwijl zij hem met die welluidende stem, die reeds zoo menigmaal zijn ziel had gevangen, toeriep: »Laat ons voor een gunstig voorteeken houden, dat gij het weder zijt, die mij in dezen moeilijken tijd naar het paleis brengt.”

Hij antwoordde met warmte: »In welken tijd ook, altijd, altijd behooren deze arm en dit leven u toe.” »Dat wist ik”, liet de Koningin op een toon van vaste overtuiging daarop volgen.

Zij liet hare hand nog op zijn arm rusten terwijl zij verder ging, en hij vroeg haar of er werkelijk aanleiding was om van moeilijke dagen te spreken; maar zij viel hem in de rede en zeide: »Nu niet. Laat ons daarover zwijgen. Het is erger dan erg—zoo slecht als het kan. Maar neen, dat is niet waar, want het is maar weinigen vergund te steunen op een zóó trouwen arm als de uwe.”

Hij voelde daarbij hoe haar kleine hand zacht zijn arm drukte, en op dat oogenblik was het of zijn hart weder geheel jong werd. Spreken mocht hij niet, want haar wensch was bevel, en zoo liepen zij zwijgend verder, eerst langs den zeekant, toen door de havenpoort, en eindelijk over de marmeren steenen, die naar het koninklijk paleis leidden. Het was Archibius te moede alsof hij, in plaats van naar het gesluierde hoofd der Koningin, opzag naar het met blonde krullen omgeven kopje van een gelukkig kind. Hij zag in den geest weder de kleine meesteres van den Epicuristentuin. Hij zag den blik uit hare groote blauwe oogen, die niet ophield te vragen, en die toch reeds het geheim dezer wereld scheen te verstaan. Hij geloofde weder den zilverhelderen klank harer stem en den betooverenden kinderlach te hooren, en hij moest zich geweld aandoen om niet te vergeten wat er nu van haar geworden was.

Door dit alles aan het tegenwoordige ontrukt, en toch met het besef dat hij in dezen moeilijken tijd de gunst van het lot genoot, ging hij naast haar voort, en geleidde haar door het hoofdportaal tot in het binnenhof van het paleis. Op den achtergrond opende zich de hooge poort, die toegang gaf tot de woonkamers en feestzalen der Koningin, en waar reeds de Regent, Iras, en hare begeleiders gereed stonden om haar te ontvangen. Links was nog een kleinere deur, waardoor men in het verblijf der kinderen kwam.

Archibius was van plan Cleopatra te vergezellen over het verlichte binnenplein, maar zij wees op de poort van den vleugel der prinsen, en hij begreep haar.

Op den drempel liet zij zijn arm los, en toen hij met een diepe buiging heen wilde gaan, zeide zij vriendelijk: »Daar staat Charmion reeds. U beiden komt het toe mij dáárheen te geleiden waar de jeugd droomt, en zielsrust zonder smart gevonden wordt. Ik geloof dat gij uit eerbied voor de Koningin elkander nog niet als broeder en zuster hebt verwelkomd, na zulk een lange scheiding. Doet dat dan nu, en komt daarna met mij mede.”

Met jeugdig-vluggen tred ging zij het atrium binnen en daarna de trap op, naar de slaapkamer der prinsen en prinsessen.

Archibius en Charmion deden wat zij gezegd hadden. Zij omarmden elkander hartelijk, en zij deelde hem in enkele woorden en met de oogen vol tranen mede, dat alles verloren scheen te zijn. Antonius had gehandeld op een manier, waarvoor zij geen woorden en geen afkeuring genoeg had. Waarschijnlijk zou hij Cleopatra wel spoedig volgen;—de vloot, en misschien ook het leger waren geheel vernietigd. Haar lot berustte in de handen van Octavianus.

Nu ging zij hem vooruit de trap op. Daar stond Iras, en naast haar een Syriër van lange gestalte, die in het oogvallend geleek op Philostratus, den voormaligen echtgenoot van Barine. Het was diens broeder Alexas, de vertrouwde gunsteling van Marcus Antonius, bij wien nu ook zijn plaats moest geweest zijn, en Archibius vroeg met een snellen blik aan zijn zuster, hoe deze man bij de Koningin kwam?

»Zijn kunst om in de sterren te lezen,” was het antwoord, »en zijn vleiende tong. Hij is een indringer van de ergste soort, maar hij bewijst haar veel dienst en geeft haar afleiding; vandaar dat zij hem bij zich houdt.”

Zoodra Iras had gezien waarheen Cleopatra hare schreden richtte, was zij haar nageijld om met haar mede naar de kinderen te gaan. De Syriër Alexas had haar slaande gehouden, om haar te verzekeren van zijn blijdschap dat hij haar wederzag. Reeds vóór de oorlog begon, had hij haar duidelijk zijne liefde doen blijken, en gedurende de lange scheiding was hij te haren opzichte niet bekoeld. Evenals bij zijn broeder, was ook bij hem het hoofd te klein in verhouding tot het lichaam, doch in het welbesneden gelaat blonken een paar oogen, waaruit groote scherpzinnigheid sprak.

Ook Iras zelve scheen verheugd bij het wederzien van den gunsteling, doch vóór Archibius en zijn zuster de trap op waren, liet zij hem staan om Charmion, hare tante, met de teederheid van een dochter te omarmen.

In de voorzaal van de woning der prinsen vonden zij de Koningin. De gouverneur van de kinderen, Euphronion, wachtte haar daar reeds op, en deed spoedig en in de meest vleiende bewoordingen allerlei verrassende mededeelingen omtrent de kinderen en de verwonderlijke gaven, waarmede zij bedeeld waren. Steeds duidelijker toonden zich die bij ieder afzonderlijk, nu eens als erfenis hunner moeder, dan weder als die van hun vader.

Cleopatra viel hem te midden van dien woordenstroom dikwijls in de rede, en trachtte daarbij den sluier dien zij om haar hoofd droeg los te maken, maar dat wilde aan de kleine handen, die aan zulk werk niet gewoon waren, maar niet gelukken. Zoodra Iras dat bemerkte, was zij zoo vlug als zij kon de trap opgegaan en bevrijdde haar nu met hare fijne handige vingers van het lange kanten weefsel.

De Koningin dankte haar met een genadigen hoofdknik, doch toen de opper-eunuch de deur van de slaapkamer der kinderen opendeed, riep zij alleen Archibius en Charmion vriendelijk toe: »Komt mede!” De gouverneur, die de slaapkamer toch steeds aan de eunuchen en de vrouwen moest overlaten, trok zich terug, en Iras gevoelde zich zeer beleedigd dat zij van dit bezoek uitgesloten werd. Zij verschoot van kleur, en hare dunne lippen klemden zich vaster op elkander. Zij tuurde daarbij zoo strak naar den mozaïeken vruchtkorf aan hare voeten, alsof zij de kersen daarin tellen moest. Plotseling streek zij het krullende haar van haar hoog voorhoofd weg, liep snel de trap af, en riep den pas aangekomen Alexas aan, die juist het atrium verlaten wilde.

De Syriër kwam dadelijk bij haar, en prees zich gelukkig dat in dezen nacht voor de tweede maal zijn zon voor hem opging. Doch zij viel ongeduldig in: »Geen dwaze vleierijen op dit oogenblik! Het zou voor ons beiden beter zijn in vollen bitteren ernst bondgenooten te zijn en te blijven. Ik voor mij ben daartoe bereid.”

»En ik dan!” riep de Syriër in verrukking uit, en drukte de hand op zijn hart.

Intusschen was Cleopatra in het vertrek gekomen waar de kinderen sliepen. Het was een hooge zaal met veelkleurige tapijten behangen, terwijl drie lampen van lichtrood glas er een zacht licht verspreidden. Er heerschte een diepe stilte. Door een boog, die op zuilen rustte van bont Libysch marmer, werd het ruime vertrek in tweeën gedeeld. In het eene stonden dicht bij het hooge, door gordijnen afgesloten venster, twee bedden van ivoor, rustende op den rug van gouden kinderfiguren. Aan het hoofdeinde prijkten kronen van goud en zilver bezet met paarlen en turkooizen, en in den geheelen rand van elpenbeen had een kunstvaardige hand dartele kleine geniën gesneden, dansende bij het gezang der vroolijke vogels in de bloeiende struiken.

Een zwaar gordijn hing tusschen de beide bedden, doch de eunuchen hadden dat bij de komst der Koningen opgetrokken. Nu kon zij beide met één blik overzien, en het was een liefelijk beeld van zeldzame bekoorlijkheid, want op die fraaie legersteden sluimerden de tienjarige tweelingen die Cleopatra Antonius geschonken had: Antonius Helios en Cleopatra Selene. Het meisje blank en rood, blond en van groote bevalligheid, de knaap niet minder schoon, doch met gitzwart haar, evenals zijn vader. Beide gekrulde hoofdjes lagen op zijde en rustten op de hand, die in het zijden kussen was gedrukt.

Op een derde bed, aan de andere zijde van den boog, sliep Alexander, de jongste prins, een aardige zesjarige knaap, de lieveling der Koningin.

Nadat zij een geruime poos van den aanblik der tweelingen had genoten, en ieder een zachten kus had gedrukt op de wangen die gloeiden van den slaap, keerde zij zich naar haar jongste, en zonk bij zijn bedje neer alsof een visioen, dat de hemel haar op dit oogenblik te zien gaf, haar drong de knieën te buigen. De tranen stroomden uit hare oogen, terwijl zij het kind behoedzaam naar zich toe trok, het kuste op mond, oogen en wangen, en het toen weder zachtjes op de kussens legde. Maar de knaap kon niet weder dadelijk in slaap komen; hij sloeg de ronde armpjes om den hals zijner moeder, en mompelde daarbij eenige onverstaanbare woorden. Met genot liet zij dit toe, totdat de slaap hem weder overmande en zijne handjes terugvielen op het bed.

Nu drukte zij haar voorhoofd een oogenblik op het elpenbeen van het ledikant. Zij bad voor dit kind en zijne broeder en zuster. Toen zij weder opstond, waren hare wangen nat van tranen, en zij drukte de hand op haar borst. Daarop wenkte zij Charmion en haar broeder om naderbij te komen, wees hen eerst op den kleinen Alexander, toen op de tweelingen, en zeide, daar zij beider oogen vochtig zag: »Ik weet het wel, gij beiden ontbeert dit geluk om mijnentwil. Voor een van deze kinderen zou een groot rijk mij niet te duur zijn, voor hen allen.... wat is er in de wereld, dat ik voor hen niet zou willen opofferen? Maar wat is er nog, dat ik het mijne kan noemen?”

Bij deze vraag werd haar lachend gelaat plotseling verduisterd. Zij dacht weder aan den verloren slag. Haar eigen macht was verspeeld, verloren, en de vrijheid van het vaderland dat zij liefhad, verbeurd. Reeds strekte Rome de hand er naar uit, om het als een nieuwe provincie bij de overigen te voegen. Doch dat mocht niet zoo zijn! Het tweelingpaar dat daar rustte onder de kronen, moest die eenmaal mogen dragen. En die knaap daar op het kussen? Antonius had reeds zoovele rijken weggeschonken; wat bleef haar thans nog te geven over?

Nog eens boog zij zich over het kind. Er moest een schoone droom op hem nedergedaald zijn, want hij glimlachte in zijn slaap. Een warme stroom van moederliefde welde eensklaps op in haar ontroerd gemoed, en toen zij zag hoe ook de speelmakkers harer jeugd met aandoening en teederheid neerzagen op den kleinen slaper, dacht zij aan haar eigen kindsheid en aan het stille geluk dat zij gesmaakt had in haar Epicuristen-tuin.

Macht en grootheid waren voor haar eerst begonnen toen zij dien had verlaten; maar naar mate die hooger geklommen waren, scheen het gevoel der zaligheid, die zij eenmaal genoten, en waarnaar zij altijd terugverlangd had, des te verder verwijderd en des te moeilijker terug te bekomen. Terwijl zij op dit oogenblik het slapende kind, dat nog geen smart of onrust kende, in het vredig glimlachende gelaat zag, was het alsof al de liefde van haar hart in vollen stroom hem tegengolfde, en de vraag kwam bij haar op, of niet misschien juist deze knaap, voor wien zij geen kroon meer had, bestemd was de eenige gelukkige van allen te worden,—gelukkig, in den zin zooals de meester had bedoeld.

Onder den diepen indruk dezer gedachten wendde zij zich tot Archibius en Charmion en zeide, om de slapenden niet te wekken, op zachten toon: »Wat er ook over ons beschikt moge worden, dit kind beveel ik aan uwe bijzondere liefde en zorg. Wanneer het lot hem den glans der kroon en het trotsche gevoel van macht ontzegt, leert gij hem dan dat hoogere geluk kennen, dat—hoe lang is het reeds geleden!—uw vader aan zijne moeder ontvouwde.”

Tot antwoord drukte Archibius een kus op haar gewaad en Charmion op hare handen, maar Cleopatra haalde diep adem, en zeide: »Reeds te lang liet de Koningin de moeder aan het woord. Ik had verboden dat men Cæsarion van mijne aankomst verwittigen zou. Dat was ook goed. Vóór dat ik hem wederzie, moeten de gewichtigste zaken afgehandeld zijn. Binnen een uur moet ik geheel en al den Staat toebehooren. Maar eerst.... behalve moeder en Koningin, ben ik ook nog iets anders. Ook de vrouw heeft hare rechten. Tot morgen mijn vriend, als ik tijd voor u vind! Eerst naar mijn slaapkamer, Charmion. Doch gij hebt de rust meer noodig dan ik. Ga met uw broeder mede, en zend mij Iras. Zij zal blijde zijn als zij voor hare meesteres weder eens haar vaardige handen gebruiken mag!”

16) Aegyptische priesters.

ELFDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

De Koningin had het bad verlaten, en Iras had haar altijd nog zwaar, golvend donkerbruin haar in orde gebracht, en hielp haar nu met het prachtgewaad, waarin zij de beambten ontvangen wilde, die zij nog in dit nachtelijk uur wachtende was.

Zij had zich verwonderlijk goed gehouden. De tijd scheen het niet te hebben gewaagd de hand te slaan aan dit volmaakte toonbeeld van vrouwelijke gratie. Maar het scherpe oog der Grieksche ontdekte toch hier en daar een spoor van het verdwijnen der betooverende jeugd. Zij had hare gebiedster hartelijk lief, en toch kwam er een heimelijk gevoel van blijdschap in hare ziel op, zoo menigmaal zij bij haar denzelfden achteruitgang opmerkte, die zich ook reeds bij haar zelve eenigszins vertoonde, ofschoon zij eerst zeven en twintig jaren oud was. Zij zou in staat zijn aan Cleopatra alles af te staan wat zij bezat, maar het was alsof zij de natuur moest prijzen voor hare rechtvaardigheid, zoo dikwijls zij bespeurde dat zij de algemeene wet niet geheel ophief ten gunste van haar koninklijke lieveling.

»Nu geen vleierij,” verzocht Cleopatra met een weemoedigen glimlach. »De menschen zeggen dat de werken der Pharao's hier aan den Nijl spotten met den tijd. Maar dat laat die onverbiddelijke zich niet welgevallen van de Koninginnen van Aegypte. Dit zijn grijze haren, en die zijn afkomstig van mijn hoofd, hoe ijverig gij dat ook moogt tegenspreken. En dan die rimpels aan de ooghoeken op mijn voorhoofd, van wie zijn die anders dan van mij? En dan die tand, dien de lip toch niet zoo vriendelijk bedekt als gij beweert? Het was op den avond vóór den ongelukkigen slag dat hij die schade leed. Mijn lieve, trouwe, bekwame Olympus, de arts der artsen, is de eenige die iets dergelijks onzichtbaar weet te maken. Maar ik kon dien grijsaard toch niet mede in den oorlog nemen, en Glaucus is veel minder handig dan hij. Hoe miste ik den ouden man in die noodlottige uren! Ik leek in mijn eigen oogen een monster, en hij.... Antonius' oogen zien dergelijke dingen maar al te goed. Wat is de liefde van mannen? Een slechte tand kan daar afbreuk aan doen. Eén kleinigheid die hun kritischen blik mishaagt, giet water op het heetste vuur. Toen had ik moeilijke uren te doorworstelen, Iras! Menige blik van hem was als een beleediging voor mij, en dan daarbij nog die martelende onzekerheid. Ik voelde dat er iets tusschen ons gekomen was, daar was geen twijfel aan!

»Het begon al spoedig, nadat hij Alexandrië verlaten had. Het knaagde als een worm aan mijn ziel, en nu ik weder hier ben, moet ik weten wat het is. Ik weet, dat hij mij binnen weinige dagen volgen zal. In Parætonium waarheen hij zich begeven heeft, is Pinarius Scarpus nog met versche troepen gelegerd. Te Tænarum had hij zich voorgenomen de wereld die hem zooveel geschonken heeft vaarwel te zeggen, want hij haat haar, omdat hij haar reden gegeven heeft het hoofd over hem te schudden.... Maar de oude geest begint al weder te ontwaken, en als de Fortuin hem weder even gunstig wordt als van ouds, dan voegt zich weldra een groot leger bij het nieuwe uit Afrika. De Aziatische vorsten.... maar het is waar, de beheerscheres van den Staat moet zwijgen. Ik ben in dit vertrek gekomen met het voornemen om aan de vrouw te geven wat haar toekomt, en dat zal zij ook hebben! Hij zal spoedig hier zijn, want hij kan zonder mij niet leven. Het is niet enkel de beker van Nektanebus, die hem tot mij aantrekt!”

»Toen de grootste onder de grooten, toen Julius Cæsar te Alexandrië naar uwe liefde dong en Antonius aan den Kydnos,” merkte Iras op, »toen hadt gij nog niets van die bokaal gehoord. Eerst twee jaren geleden veroorloofde Anubis u om het wonderbare voorwerp uit de schatten van den tempel te leenen, en binnen weinige dagen zijt gij gehouden die terug te geven. Dat van den beker een geheime invloed uitgaat, is zeker, maar gij zelve bezit in uw persoon een nog veel grooter toovermacht.”

„Indien die dan heden nog eens toonde wat zij vermag!” riep de Koningin uit. »In ieder geval heeft Antonius zich door de kracht van den beker tot allerlei dingen laten overhalen. Ik ben ook niet ijdel genoeg om te denken, dat het alleen liefde, de tooverkracht mijner persoonlijkheid was, die hem in dat ongelukkig uur tot mij trok. Ach, die slag, die onbegrijpelijke, schandelijke nederlaag! Gij waart ziek in dien tijd, en kondet onze vloot bij het uitzeilen dus niet zien: maar alle kenners zeiden, dat er nooit fraaier en grooter schepen geweest waren. Ik was in mijn recht toen ik vast geloofde dat aan haar de beslissing zou blijven. Ik mocht haar immers de mijne noemen. Indien wij gezegevierd hadden, met welk een trots zou ik dan tot mijzelve gezegd hebben: uwe wapenen hebben den geliefden man de heerschappij over de wereld verschaft! In de sterren had ik bovendien gelezen dat op de zee het geluk ons was weggelegd. Aan Anubis die hier, en Alexas, die op het schip van Antonius was, hadden zij hetzelfde verkondigd. En ook vertrouwde ik op de macht van den beker, die Antonius reeds zoo dikwijls genoopt had tot iets waarvan hij vroeger afkeerig was. Om al die redenen zette ik het plan, om de vloot over ons lot te laten beslissen, door. Maar het was verkeerd! Hoe verkeerd, zou spoedig genoeg blijken!

»Had men mij maar vroeger, toen het nog tijd was, medegedeeld, wat ik later vernam! Na de nederlaag sprak ieder zich meer uit. Dat ééne woord van een veteraan onder de bevelhebbers van het voetvolk, zou al genoeg zijn geweest mij de oogen te openen. Hij vroeg Marcus Antonius, waarom hij toch al zijn hoop vestigde op het zwakke hout, en riep daarbij uit: »Laat Pheniciers en Aegyptenaars te water strijden, maar laat ons het land, waarop wij gewoon zijn te overwinnen of te sterven!” Dat alleen, durf ik zeggen, zou mij te rechter tijd van gevoelen hebben doen veranderen. Doch het werd mij verzwegen.

»De slag begon toen de onzen hun geduld reeds verloren hadden. De linkerlinie van de vloot kwam het eerst op. In het begin zag ik den strijd aan met spanning en een kloppend hart. De groote schepen bewogen zich trotsch vooruit. Alles ging voortreffelijk. Antonius hield een toespraak, en verzekerde de strijders dat onze vaartuigen, zelfs zonder hun toedoen, door hun grootte en hoogte alleen, noodlottig voor den vijand moesten worden. Waar vind men een redenaar die zóó zijne toehoorders medesleept? Ik was dan ook geheel zonder vrees. Hoe zou men zich kunnen verontrusten, wanneer men zoo zeker de overwinning verwacht? Toen hij een oogenblik te voren op zijn admiraalsschip gegaan was, en mij minder hartelijk dan anders vaarwel gezegd had, was het mij veel angstiger te moede geweest, want ik dacht toen duidelijk te merken dat zijn liefde verkoelde. Wat was er ook niet van mij geworden, sinds wij uit Alexandrië gingen, en Olympus niet meer voor mij zorgde! Zóó kon het niet duren. Ik wilde het oorlogvoeren aan hem alleen overlaten, en hem zelve niet onder de oogen komen. Het is waar, nog altijd, als hij in den beker van Nektenebus keek, deed hij wat ik wenschte, maar niet zelden geschiedde dat met tegenzin. Die duidelijk zichtbare, door niets te verwijderen rimpels en de jaren, die wreede jaren!”

»Wat zijn dat voor gedachten!” riep Iras uit. »Laat mij u zweren, gebiedster, dat gij, zooals gij daar vóór mij staat....”

»Dat ben ik aan deze toilettafel en de nieuwe middelen van Olympus in deze doozen verschuldigd! In dien tijd, zeg ik u, kon ik schrikken van mijzelve. Het verdriet maakt iemand ook niet schooner, en hoe hadden de Romeinen zich niet uitgelaten over de vrouw die zich mengde in den oorlog, die het werk der mannen moet zijn! Ik antwoordde in denzelfden geest, doch ik wilde het niet langer dulden. Ik had al lang van te voren besloten niet bij den slag te land te zijn, maar, hoewel de kans toen goed scheen te staan; reeds bij het begin van het gevecht, werd ik er toe gedreven, Antonius te verlaten en naar mijne kinderen terug te keeren. Die vragen niet naar de kleur van het haar en de rimpels in het voorhoofd hunner moeder. En hij—zoodra hij te vergeefs naar mij zou uitzien zou hij eerst voelen wat hij in mij bezat. Hij zou mij missen en de oude liefde zou, tegelijk met het vurig verlangen naar mij, weder in zijn hart ontwaken. Zoodra de vloot de overwinning had behaald, wilde ik heengaan, het schip doen koers zetten naar het zuiden, en zonder afscheid naar Aegypte trekken, hem enkel toeroepend: »Tot wederziens in Alexandrië!”

»Ik riep Alexas, die bij mij gebleven was, en beval hem mij een teeken te geven, zoodra de strijd in ons voordeel beslist zou zijn. Ik zelf bleef op het dek. Ik zag hoe de schepen van den vijand een grooten boog beschreven. De nauarch17) zeide dat dit Agrippa was, die ons wilde omsingelen. Dat wekte reeds een vreeselijk voorgevoel bij mij op, en het begon mij al te spijten dat ik mij had ingelaten met dat mannenwerk.

»Antonius stond op het admiraalsschip en zag naar mij uit. Ik gaf hem een teeken om hem opmerkzaam te maken op het gevaar, doch in plaats van mij zooals vroeger, levendig en hartelijk terug te groeten, keerde hij mij den rug toe. Kort daarna hoorde ik een verschrikkelijk verward rumoer om mij heen. Het eene schip kwam in aanraking met het andere. Planken en ijzeren stangen braken met ijselijk gekraak. Het geschreeuw, gejammer en gesteun der vechtenden en gewonden vermengde zich met het gedreun der steenen die uit de catapulten vlogen, en den schellen toon der signalen die als noodkreten klonken. Vlak naast mij vielen twee krijgslieden door pijlen getroffen, op den grond. Het was ontzettend. Maar ik verloor niet den moed, zelfs niet toen een eskader—onder Aruntis—op onze vloot afkwam. Ik zag nog een geheele reeks andere schepen naderen, en ook hoe een Romeinsch vaartuig door een der mijne, dat ik Selene had genoemd, werd aangevallen, ter zijde overhelde en zonk. Dat verheugde mij, en scheen een voorteeken van de overwinning. Ik beval Alexas nog eens dat hij het schip moest doen wenden, zoodra aan den afloop niet meer te twijfelen viel. Terwijl ik dit zeide verscheen mijn dienaar Jason, dien gij wel kent, met eenige ververschingen. Ik nam een beker, doch ik had dien nog niet aan mijn mond gezet, toen de man met verpletterden schedel naast mij nederviel, en het vruchtennat zich vermengde met zijn bloed. Toen voelde ik dat mijn hart ophield te kloppen, en Alexas vroeg doodsbleek en met een bevende stem: »Beveelt gij, dat wij ons buiten het gevecht begeven?”

»Alles wat in mij was drong mij dit te doen, doch ik raapte al mijn geestkracht bijeen en vroeg eerst den nauarch, die vóór mij op de brug stond: »Is het voordeel aan onze zijde?” Hij antwoordde met overtuiging: »Ja!” Nu dacht ik dat de tijd gekomen was, en riep hem toe dat hij het schip moest omwenden en naar het Zuiden sturen. Maar de man scheen mij niet te verstaan. Het rumoer van den slag was dan ook steeds grooter geworden. Ik zond dus, in weerwil van Charmion, die mij smeekte niet op eigen gezag bevelen te geven, Alexas naar den bevelhebber op de brug. Terwijl hij met den grijzen zeeman sprak, die hem, ik weet niet wat toeschreeuwde, zag ik naar de omliggende schepen; ik kon niet meer onderscheiden of het vriend of vijand was, en terwijl al die rijen rustelooze roeiers vlak onder mijn oogen zich op en neder bewogen, was het alsof ieder schip een verbazend groote spin geworden was, en de lange houten roeiriemen haar pooten waren. Ieder van die ondieren scheen mij in zijn vreeselijk net te willen vangen, en toen de nauarch bij mij kwam om mij te bezweren dat ik blijven zou, gaf ik hem gebiedend te kennen dat hij mij te gehoorzamen had.

»De ongelukkige man boog, en deed wat zijne Koningin bevolen had. Het reuzenschip wendde den boeg, en baande zich een weg door al die verschillende vaartuigen heen. Ik haalde vrijer adem. De dreigende spinnenpooten werden weder roeiriemen. Alexas bracht mij onder een afdak, waar geen werptuig mij bereiken kon. Mijn wensch werd vervuld. Ik was onttrokken aan den blik van Antonius, en nu voeren wij naar Alexandrië en de kinderen terug. Toen ik eindelijk waagde nog eens om te zien, bespeurde ik dat ook mijne overige schepen mij volgden. Dat was niet mijn bedoeling, en ik schrikte niet weinig daarvan. Alexas was verdwenen. De centurio dien ik beval den nauarch te gebieden signalen te geven om de andere schepen te doen terugkeeren naar het tooneel van den strijd, antwoordde mij, dat men zoo even het lijk van den kapitein had weggedragen; doch mijn bevel moest daarom toch gehoorzaamd worden. Hoe men dat deed, kan ik niet zeggen, maar in ieder geval werkte het niets uit, en mijn angstig wuiven kon men op dien afstand niet meer zien.

»Wij hadden het admiraalschip van Antonius, die altijd nog op de kommandobrug stond, achter ons gelaten. Terwijl wij dicht langs hem heen voeren, had ik hem gegroet. Op dat oogenblik kwam hij naar beneden, om mij, over de verschansing leunende, iets toe te roepen. Ik zie nog hoe hij zijn handen, tegen elkaar gelegd om een spreekbuis te vormen, aan zijn gebaarden mond bracht. Maar wat hij zeide, kon ik niet verstaan, en ik wees alleen naar het Zuiden, dezen kant uit, als het doel van mijn tocht. In gedachte wenschte ik hem de overwinning toe, en dat deze scheiding tot heil van onze liefde mocht dienen. Hij schudde het hoofd, drukte de hand tegen zijn voorhoofd als een wanhopige, en zwaaide met zijn armen, alsof hij mij een teeken wilde geven; doch de Antonius liet zijn schip steeds verder achter zich en hield recht op het Zuiden aan.

»In het heerlijk gevoel van een tweevoudig gevaar ontkomen te zijn, ademde ik vrijer. Indien Antonius mij lang voor oogen had gehad zooals ik toenmaals was, hij zou.... Maar welk een jammerlijke dwaling van een beklagenswaardige vrouw! zeg ik nu.... Op dat tijdstip kon ik nog niet vermoeden, welk een vreeselijk lot ik in dat uur over ons, onze kinderen, misschien over de geheele wereld had gebracht, en zoo bleef ik verdiept in zorgen en gedachten betreffende mijn eigen kleine wereld, totdat ik vele gewonden mij voorbij zag dragen. Dat gezicht deed mij pijn; gij weet immers hoe gevoelig ik ben, en hoe slecht ik de smart kan verdragen en mede aanzien.

»Charmion bracht mij in de kajuit. Daar werd het mij eerst recht helder wat ik had gedaan. Ik had gehoopt den gehaten vijand te helpen vernietigen, en nu was ik het misschien geweest die de brug gelegd had die hem leidde tot overwinning, heerschappij en tot vernietiging van ons zelven. Zulke gedachten vervolgden mij als de Erinnyen18), terwijl ik in de groote kajuitzaal op en neder liep.

»Plotseling kwam er leven op het dek. Een stoot, gepaard met een dreunend gekraak, scheen het kolossale schip te doen wankelen. Men vervolgt ons! Een Romeinsch schip entert het mijne! dacht ik, en greep reeds naar den dolk, dien Antonius mij ten geschenke gegeven had.

»Maar daar kwam Charmion met een bericht, dat nauwelijks beter was dan onnoodige vrees. Ik had haar toornig gelast mij te verlaten omdat zij mij al te oneerbiedig had willen overhalen mijn bevel tot den terugtocht in te trekken. Nu kwam zij mij doodsbleek mededeelen dat Antonius het admiraalsschip had verlaten, ons op een klein vijf-roeiersvaartuig gevolgd was, en zooeven bij ons aan boord was gekomen.

»Van schrik voelde ik mijn bloed verstijven. Daar komt hij, dacht ik, om mij te dwingen tot terugkeer naar den slag! Doch toen haalde ik diep adem, en een trotsch gevoel van eigenwaarde drong mij hem te toonen dat ik Koningin was, en alleen gehoorzaamde aan mijn eigen wil. Tegelijk echter voelde ik in mijn hart een neiging om aan zijn voeten te vallen en hem te smeeken geen acht te slaan op mij, doch alleen bevelen te geven, die tot de overwinning konden leiden.

»Hij kwam echter niet, en ik zond Charmion weder naar boven. Hij was niet in staat geweest van mij gescheiden den strijd door te zetten. Daar zat hij nu aan den ingang der kajuit met zijn hoofd in de handen, als een zinnelooze naar de planken van het dek te staren. Hij.... Marcus Antonius! De dapperste van alle ruiters, de schrik zijner vijanden—als een herdersknaap, wien door een wolf zijn schapen zijn ontroofd, liet hij nu zijn armen vallen. Marcus Antonius, de held die duizend gevaren had getrotseerd, had nu het zwaard weggeworpen! En dat waarom? Omdat een vrouw had toegegeven aan ijdele vrees, omdat zij naar het verlangen van haar moederhart geluisterd had en heengegaan was! De man, dien zijne vermetelheid dikwijls tot roekeloosheid had gebracht, was van alle menschelijke zwakheden het minst van lafhartigheid te beschuldigen... En nu?... Maar neen, duizendmaal neen! Eerder laten zich water en vuur vereenigen, dan Marcus Antonius en lafhartigheid. Hij stond onder de macht van een boozen geest, een geheimzinnige kracht dwong hem....”

»Ja, de sterkste van allen, de liefde,” viel Iras de spreekster hier vol vuur in de rede. »Een liefde, grooter en machtiger dan ooit de ziel van een man bedwongen heeft.”

»Zoo is het,” antwoordde Cleopatra met zachte stem.

Toen vloog er een spottende glimlach over hare lippen en een bittere twijfel klonk uit hare stem, terwijl zij voortging: »Ware het slechts die liefde geweest, die twee zielen tot één versmelt, die het hart van den een verplaatst in dat van den ander, en mijn zielsangst wellicht overgoot in zijne heldenziel!... doch neen! Vóór den slag waren er hevige stormen geweest, en dan is het niet altijd mogelijk ons zóó te toonen als wij zouden wenschen dat onze geliefde ons zag. En zelfs nu, nadat uwe vaardige hand het hare aan mij heeft gedaan..... dáár in den spiegel.... dat beeld—het schijnt mij nu slechts als goed onderhouden overblijfselen....”

»Maar gebiedster!” riep Iras uit, en hief daarbij hare handen smeekend op, »moet ik u nogmaals zweren, dat noch de grijze haren, die al lang weder bruin zijn, noch de enkele rimpels, die Olympus spoedig weder onzichtbaar zal maken, noch iets anders dat u misschien beangst, aan uwe schoonheid ook maar de minste afbreuk doet? Ik verzeker u dat de betoovering van uwe goddelijke schoonheid, van hare overwinning zeker....”

»Houd op!” riep Cleopatra. »Ik weet wat ik weet. Geen sterveling kan ontkomen aan de groote, eeuwige wetten. Even zeker als de geboorte de aanvang van het leven is, gaat alles wat leeft en bloeit, de verwelking tegemoet.”

»Maar,” zeide Iras, »de goden geven aan al hunne werken een verschillenden levensduur. Gij kent de waterlelie, die slechts één dag bloeit. Daarentegen staat de duizendjarige sycomore in den tuin van het Paneum nog altijd frisch en krachtig. Tot nu toe is geen blaadje van uw bloesem afgevallen, en zoudt gij dan gelooven dat de liefde van den man die alles voor u heeft opgeofferd, en die u geen week, geen dag meer missen kan, ook maar het minste verkoelen kan?”

»Had hij mij maar kunnen missen!” zeide Cleopatra smartelijk. »Maar weet gij zoo zeker dat het liefde was, die hem mij volgen deed? Ik ben van een ander gevoelen. De echte liefde verlamt niet, maar verdubbelt al wat groot is aan een man. Dat ondervond ik toen Caesar in dit paleis door een overweldigende overmacht ingesloten werd gehouden, zijn schepen verbrand werden, en het water afgeleid werd. Ook bij hem, bij Antonius mocht ik twintig—wat zeg ik? honderdmaal van dat heerlijke schouwspel genieten, zoo lang hij mij nog beminde met al de kracht van zijn vurige ziel. Doch wat bij Actium gebeurde? Die schandelijke vlucht van den doffer om de duif te achtervolgen, waarop het nageslacht nog na eeuwen met den vinger wijzen zal.... dat onzalige vergeten van plicht, eer, roem, het tegenwoordige en de toekomst,—wie niet dieper ziet, zal dat wel aan den waanzin der liefde toeschrijven, maar ik, Iras—en dat is het, wat al het haar op mijn hoofd zal doen wit worden, en het overschot der vroegere schoonheid van uwe meesteres in slapelooze nachten spoedig verwoesten zal—ik weet het beter! Het was geen liefde, wat Antonius drong mij te volgen; niet zij was het, die zijn schitterende, trotsche persoonlijkheid in het stof vertrad; niet zij dwong den halfgod het onbeduidende spoor te volgen van een voortvluchtige vrouw.”

Haar stem daalde; zij greep met vastheid de hand van het meisje, trok haar naar zich toe, en fluisterde haar in: »de beker van Nektanebus is er bij in het spel. Ja, schrik maar! De krachten, die van dit wonder-voorwerp uitgaan, zijn inderdaad even vreeselijk als onnatuurlijk. De magische toovermacht van de bokaal veranderde, zoo dikwijls ik hem daarin den blik liet slaan, den heldhaftigen afstammeling van Herakles, den bovenaardschen mensch, in een jammerenden bloodaard, in dien ineengezonken, gebroken man, dien ik terugvond op het dek. Gij zwijgt? Uw vlugge tong vindt nu geen enkel gepast antwoord. Gij zult ook nog niet vergeten zijn hoe gij mij de weddenschap hielpt winnen, die Antonius noodzaakte in den beker te zien, eer ik dien voor hem vulde. Hoe dankbaar was ik, toen Anubis eindelijk toe stond dat ik het wonderwerk uit den tempelschat een tijdlang houden mocht, toen de eerste proef gelukte, en Antonius op mijn bevel, den schoonen krans dien hij droeg, op het hoofd van den ouden, norschen leerling van Aristoteles, Dimodes zette, van wien hij in zijn ziel een afkeer had. Dat is nog geen jaar geleden, en gij weet hoe zelden ik in het begin de kracht van het vreeselijke voorwerp te hulp riep. Bovendien gehoorzaamde mijn geliefde toch ook wel den wenk mijner oogen. Doch later, vóór den slag.... dat was een verschrikkelijke tijd. Ik voelde dat hij mij, die alles bederven kon, gaarne naar huis teruggezonden zou hebben. Ik wist ook, zooals ik reeds zeide, dat er iets tusschen ons gekomen was. Doch hoewel hij dikwijls op het punt was mij aan de voortdringende Romeinen op te offeren—ik behoefde hem maar in den beker te laten zien, en toe te roepen: »Zend mij niet weg; wij behooren bij elkander. Waar een van ons heengaat, daar gaat de ander mede!” of hij smeekte mij, dat ik hem niet zou verlaten. Nog op den morgen vóór den slag, gaf ik hem den beker aan, en drukte hem op het hart, dat hij, wat er ook gebeuren mocht bij mij blijven moest. En hij heeft mij gehoorzaamd, al was zij, aan wie hij door tooverkracht gebonden was, een vluchtende vrouw. Het is ontzettend! Maar heb ik daarom het recht de toovermacht van den beker te vloeken? Neen! Want zonder dat blinkende voorwerp van den magiër—dat heb ik wel duizendmaal in slapelooze nachten mij zelve voorgehouden—zou hij in mijne plaats een andere mede op het schip genomen hebben. Ik geloof ook dat ik die andere wel ken. Ik bedoel de vrouw wier gezang, vóór ons vertrek, bij het Adonisfeest ook mijn hart heeft bekoord. Ik merkte bij die gelegenheid reeds op, hoe hij haar blik zocht. En nu weet ik zeker, dat het niet alleen mijn oude bedriegelijke vijandin de jaloerschheid was, die mij waarschuwde. Ook heeft Alexas, de trouwste van zijn getrouwen, mij alles bevestigd wat ik vreesde. Ach, hij deelde mij nog meer mede, dat hij uit de sterren gelezen had! Hij kende de sirene ook wel, want zij is de vrouw van zijn eigen broeder geweest. Om zijne eer te redden heeft hij de behaagzieke Circe verstooten.”

»Barine,” klonk het beslist van Iras' lippen.

»Wist gij het reeds?” vroeg Cleopatra in spanning.

Het meisje hief nog eens hare handen smeekend naar de Koningin op, en riep uit:

»Ik weet van deze vrouw maar al te veel, en mijn hart krimpt ineen, o gebiedster, als ik bedenk dat ook ik moet medewerken om dit uur zoo bedroevend voor u te doen zijn. Maar toch moet ik u alles bekennen. De geheele stad weet dat Antonius die zangeres heeft bezocht, en ook tot tweemaal toe zijn zoon bij haar heeft gebracht. Toch is dat nog niets, want een Barine mededingster van u! dat zou al te belachelijk zijn. Maar wat kan paal en perk stellen aan de begeerlijkheid van deze vrouw? Geen rang, geen leeftijd is haar heilig. Het was haar te stil in de afwezigheid van het hof en het leger. Er waren geen mannen genoeg die haar de moeite waard schenen, om tot zich te trekken en daarom lokte zij jongelingen naar zich toe, en geen liet zich sterker door haar boeien dan de Koning Cæsarion.”

»Cæsarion!” riep Cleopatra uit, en over hare bleeke wangen vloog een donkere blos. »En zijn gouverneur Rhodon? En mijn strenge bevelen?”

»Antyllus bracht hem heimelijk bij haar,” antwoordde Iras. »Doch ik hield mijne oogen open. De knaap vatte een hevigen hartstocht voor Barine op. Ik kon niet anders doen dan haar uit de stad te verwijderen, en Archibius heeft mij daarbij geholpen.”

»Dan behoeven wij haar niet verder weg te zenden.”

»Helaas ja! dat is toch nog noodig; want onderweg is Cæsarion met eenige makkers haar overvallen.”

»En gelukte die dwaasheid?”

»Neen, gebiedster. Doch ik wilde, dat zij gelukt ware. Een andere dwaas, die haar ook bemint, verdedigde haar. Hij verhief zijne hand tegen Cæsars zoon, en wondde hem. Stel u gerust, gebiedster. Ik bid u, ik bezweer u.... de wond is niet gevaarlijk! De hartstocht van den jongeling geeft meer reden tot ernstige bezorgdheid.”

De Koningin sloot hare roode lippen zoo vast op elkander, dat haar mond daardoor al de liefelijkheid die hij anders bezat, verloor, en zeide beslist en streng: »Het is de plicht der moeder, om haar zoon te beschermen voor de verleidster! Alexas heeft gelijk! Haar ster is in de baan der mijne gekomen. Dat zulk een vrouw een zwarte schaduw werpen kan op den weg eener Koningin! Daartegen moet gewaakt worden. Zij is het, die zich tusschen ons heeft geplaatst, die Antonius.... Maar neen! waartoe mij zelf een rad voor de oogen gedraaid? De tijd, en wat hij de vrouw aan bekoorlijkheid ontneemt, is machtiger dan twintig van zulke kleine verleidsters. En dan de omstandigheden, die verhinderen de schade te bedekken, die de meest verwende van alle oogen kwetste. Dat alles was in het voordeel van de zangeres. Ik zie het duidelijk! Haar stonden alle middelen ten dienste, die ons vrouwen helpen het onaantrekkelijke te verbergen, en te doen uitkomen wat het oog bekoort,—doch mij niet, terwijl ik u niet had, noch de beproefde kunst van Olympus. Het godenbeeld moest zich in den storm op het schip, aan haar aanbidder meer dan eens vertoonen zonder krans, hoofdtooi of wierook.”

»Maar gebiedster!” riep Iras. »Al had zij alle kunsten van Aphrodite en Isis te zamen te baat genomen, toch zou zij zich niet kunnen meten met u, die immers onvergelijkelijk zijt? Hoe weinig is er toe noodig om een jongen man, die nog half een kind is, het hoofd op hol te brengen!”

»Arme knaap!” zuchtte de Koningin, en schudde langzaam haar hoofd. »Ware hij niet gewond, en deed het niet zooveel pijn te ontberen wanneer men bemint, dan zou ik er mij in verheugen dat hij ook in staat is wakker te zijn en te handelen. Wellicht—o Iras, indien dat eens gebeurde! komt, nu de poort eenmaal opengebroken is, in dit evenbeeld van Cæsar wat het uiterlijk betreft, ook nog eens de geest en de kracht tot handelen van dien grooten man voor den dag. Evenals de Aegyptenaars Horus den „wreker van zijn vader” noemen, groeit uit hem misschien nog eens de verdediger en wreker van zijn moeder. Hij zal dien gluiperige Octavianus, den zusterszoon, die hem, den eigen zoon, het erfdeel ontstal, dat weder afnemen, zoodra Cæsars geest geheel in hem is ontwaakt. Durft gij mij zweren dat het slechts een lichte wond is?”

»Dat hebben de artsen mij verzekerd.”

»Welaan, dan mogen wij hopen! Dan mag hij in de wereld optreden. Wij moeten hem ruim baan maken om zijn eigen weg te gaan. Geen dwaze hartstocht mag hem, als hij hersteld is, verhinderen om zijn vader te volgen naar de hoogte van roem en eer. Maar laat de vrouw die hem met hare netten omstrikt, de overmoedige, wier wenschen zich durven verheffen tot hen die mij het dierbaarst zijn, eens hier komen! Dan zullen wij eens zien welk een figuur zij maakt nevens mij!”

»Het zijn zware tijden,” klaagde Iras, verbaasd dat zij de groote oogen der Koningin eensklaps zag stralen, in het bewustzijn van haar zegepraal. »Gun aan uw voeten wat ze toekomt: doe ze haar vertreden! Er zijn op uwen weg reeds genoeg monsters, die gij met uwe schoenzool niet bereiken kunt. Als zich iets, in zulke dagen van strijd niet op zijde laat duwen, dan maar in den Hades er mede!”

»Bedoelt gij moord?” vroeg Cleopatra, terwijl haar edel voorhoofd zich fronste.

»Als het zoo zijn moet, ja!” antwoordde Iras met vastheid. »Zoo mogelijk verbanning op een eiland of naar een oase, maar zoo noodig, dan den arbeid in de groeve voor de sirene!”

»Zoo noodig?” herhaalde de Koningin. »Dat moet dus beteekenen: als het blijkt dat zij de allerzwaarste straf verdient.”

»Die heeft zij reeds op zich geladen, op het oogenblik toen zij mijne Koningin bedroefde. In de groeven vergaat iemand de lust om strikken te spannen voor mannen en jongelingen.”

»En daar kwijnt men onder vreeselijke pijnen weg, totdat de dood een einde maakt aan de ellende,” voegde Cleopatra er bij, op een toon van verwijt. »Neen meisje, deze overwinning is mij te gemakkelijk. Tot nu toe was het voordeel aan hare zijde, nu komt de beurt aan mij. Maar zelfs mijn vijand zou ik niet ter dood veroordeelen zonder hem te hooren, allerminst in dezen tijd, nu ik uit alles leer, wat het zeggen wil het oordeel af te wachten van een die machtiger is dan wij. Nu deze vrouw mij, als het ware zelve tot den strijd heeft uitgelokt, zal zij haar zin hebben. Ik verlang er al naar de zangeres weerom te zien, en de middelen te leeren kennen, waardoor het haar gelukte zoovelen, zoowel jongelingen als bezadigde mannen, aan haar zegekar te hechten.”

»Gebiedster!” riep Iras vol ontzetting, »gij wilt toch niet...”

»Ja, ik wil,” viel Cleopatra haar gebiedend in de rede, »ik wil de dochter van Leonax, de kleindochter van Didymus, die ik beiden hoogschatte, spreken, eer ik over haar lot beslis. Ik wil een blik slaan in het hart en de gezindheid van mijn tegenstandster, en dan overwegen en rechtspreken, eer ik veroordeel. Ik wil den strijd met haar wagen, waartoe zij immers zelve de minnende vrouw en de moeder uitdaagde! Maar, het is mijn recht en ik zal er haar toe dwingen, dat zij mij zich zóó vertoont, zooals Antonius mij in deze laatste weken zoo dikwijls heeft gezien, niet schooner of jonger gemaakt door de kunst, waarover wij beiden beschikken.”

Zonder verder acht te geven op Iras, trad zij aan het venster, en ging met een snellen blik op den hemel, kalmer voort: »Het eerste uur na middernacht spoedt ten einde. Al dadelijk zal de beraadslaging een aanvang nemen. Zij betreft een poging, die nog veel zou kunnen redden. De zitting zal twee uur duren, misschien ook maar één. De zangeres kan nog wachten. Waar woont zij?”

»In het huis van haar vader, den schilder Leonax, naast den tuin van het Paneum,” antwoordde Iras met heesche stem. »Indien gij nog eenige waarde hecht aan mijn gevoelen, gebiedster.....”

»Op dit oogenblik raadpleeg ik niemand, doch eisch alleen dat mijne bevelen worden ten uitvoer gebracht!” riep de Koningin met vastheid uit. »Zoodra de verwachtte personen er zijn.....”

Juist kwam een kamerdienaar binnen, en meldde de aankomst dergenen, die zij bij zich geroepen had. Cleopatra liet hen zeggen, dat zij terstond bij hen verschijnen zou. Daarop wendde zij zich weer tot Iras, en gelastte haar, met een waren woordenvloed, onverwijld in gezelschap van een vertrouwd man in een gesloten wagen naar Barine te gaan. Iras zou wel begrijpen, dat zij onmiddellijk bij haar moest gaan, desnoods haar uit den slaap wekken. »Alsof de storm haar gedwongen had op het dek van het schip te gaan,” besloot zij, »zóó wil ik haar zien!”

Zij greep een tafeltje dat op de toilettafel lag, en kraste in vliegende haast in het was: »Koningin Cleopatra wenscht Barine, Leonax' dochter, onverwijld te spreken. Geen oogenblik talmens wordt haar gegund. Zij moet iedere opdracht van Iras, Cleopatra's afgevaardigde, en van haar geleider, stipt gehoorzamen.”

Daarna sloeg zij het tafeltje toe, gaf het aan het meisje over en vroeg: »Wien neemt gij mede?”

Zonder zich een oogenblik te bedenken, antwoordde Iras: »Alexas.”

»Goed,” zeide Cleopatra. »Geef haar geen oogenblik tot voorbereidende maatregelen, welke ook. Maar ik beveel u: vergeet niet, dat zij een vrouw is.”

Nu keerde zij zich tot den kamerdienaar, om dien te volgen, doch Iras snelde haar achterna, om de diadeem op haar hoofd terecht te zetten en nog eenige plooien van haar gewaad te verschikken.

Cleopatra liet dat toe, en zeide vriendelijk: »Ik zie dat gij nog iets op het hart hebt.”

»Ach, gebiedster!” riep het meisje uit.»Na al deze schokken, al deze maanden vol aandoeningen, maakt gij nu nog den nacht tot dag, en neemt nieuwe inspannende zaken op uwe schouders. Als Olympus, de arts.....”

»Dat kan niet anders,” viel Cleopatra haar met zachtheid in de rede. »De beide laatste weken waren één lange, donkere nacht. Slechts enkele uren verliet ik mijn legerstede. Wie iets dat hem het liefst is uit den stroom moet halen, vraagt niet hoe het koude bad hem bekomen zal. Gaan wij ten gronde, dan komt het er niet op aan of wij gezond of ziek zijn; gelukt het daarentegen een nieuwe strijdmacht te verzamelen, en Aegypte te redden, dan moge het ons gezondheid en het leven kosten. De minuten die ik van plan ben aan de vrouw toe te staan, tellen mede in dien koop. Wat er ook gebeure, ik ben bereid het tegemoet te gaan. Ik sta voor een gewichtig keerpunt in mijn leven. In zulk een tijd rekent men af met alle verplichtingen die men nog heeft, de groote zoowel als de kleine.”

Enkele minuten later nam Cleopatra plaats op haar troonzetel en verwelkomde de mannen, die door hare oproeping in hunne nachtrust waren gestoord, omdat zij hen een grootsch, verheven denkbeeld ter beoordeeling wilde voorleggen. Want midden in den grootsten tegenspoed was dit plan in haar rusteloozen geest ontstaan, door den wensch om den zegevierenden vijand nieuwen tegenstand te bieden.

Vele jaren geleden, toen zij volgens den wil van haar vader, den troon deelde met een knaap, en deze met zijn voogd Pothinus, haar gedwongen hadden uit Alexandrië te vluchten, had zij aan de oostzijde van de Delta, op de landengte die Aegypte met Azië verbond, de overblijfselen van een kanaal gevonden, dat ondernemende Pharao's in den ouden tijd gegraven hadden, om de Middellandsche Zee te verbinden met de Roode Zee.

Reeds toen had zij dit, nu bijna verdwenen werk haar aandacht waardig gekeurd. Vol belangstelling had zij de Aeanieten die daar woonden, uitgevraagd naar de overblijfselen van dezen waterweg, en zelfs eenigen daarvan, in den tijd toen zij toch niets anders kon dan afwachten, zelve bezocht. Daarna had zij het mogelijk geacht, door inspanning van alle kracht het kanaal weder bevaarbaar te maken, dat de Pharao's reeds hadden gebruikt, om met hunne schepen van de eene zee in de andere te komen. De eerste Darius, de stichter van het Perzische wereldrijk had het, nog geen vijfhonderd jaren geleden, reeds ter beschikking van zijn vloot gesteld.

Cleopatra had zich met haar rustelooze weetgierigheid dat alles doen uitleggen, en zich in dagen van rust meermalen beziggehouden met het plan om de Grieksche met de Arabische zee in verbinding te brengen. Duidelijk, aanschouwelijk en grondig, op vele punten beter ingelicht dan de waterbouwkundigen zelve, zette zij nu voor de vergaderde mannen van het vak uiteen, wat haar plan was. Indien het uitvoerbaar bleek, dan zouden de gespaarde schepen der vloot, en andere, die nog op de reede van Alexandrië lagen, over de landengte heen in de Roode Zee worden gebracht, en zoo voor Aegypte gered en den vijand onttrokken worden. Met behulp van deze strijdmacht zou men weder van alles kunnen ondernemen; daardoor kon het mogelijk zijn den tegenstand aanmerkelijk langer te doen voortduren, en den tijd te gebruiken om nieuwe hulpmiddelen en bondgenooten te verzamelen.

Ging men later weder tot een aanval over, dan kon zij beschikken over een machtige vloot, en men kon voor die, welke te Klysma lag, nog een aantal kleinere schepen bouwen, op grond der ondervindingen die bij Actium waren opgedaan.

De mannen die van hun nachtrust afstand hadden moeten doen, hoorden vol verbazing naar de welsprekende woorden dezer vrouw, die midden onder den zwaarsten druk der omstandigheden een plan tot redding had bedacht, dat zóó omvangrijk was en beter scheen doordacht te zijn, dan wanneer het van hen zelve uitgegaan ware. Zij volgden haar met gespannen aandacht, van woord tot woord. En hare rede nam steeds hooger vlucht en verkreeg meer kracht en diepte, naarmate zij duidelijker de echte bewondering en geestdrift zag, waarmede zij naar haar luisterden. Het verrassende voorstel scheen zelfs den oudste en bedachtzaamste niet geheel onmogelijk en onuitvoerbaar. Sommigen echter hielden de moeilijkheden die een verhevenheid van den grond, in het midden der landengte, dreigde op te leveren, voor onoverkomelijk. Ook Gorgias die zijn vader geholpen had bij de herstelling van het Serapeum aan de oostzijde van de Delta, en zoodoende de landstreek van Heroonpolis had leeren kennen, deelde die vrees. Maar waarom zou hetgeen in Sesostris' tijd gelukt was, ook nu niet slagen? Bedenkelijker nog was de korte tijdruimte waarover men te beschikken had, en daarbij de mededeeling dat bij den aanleg van het kanaal, dat Pharao Necho bijna had voltooid, 120,000 arbeiders omgekomen waren. De waterweg was destijds niet gereed gekomen, omdat het orakel had gezegd dat hij enkel voordeel zou opleveren voor de Pheniciers.

Dit alles werd overwogen, maar kon toch het gevoelen niet aan het wankelen brengen, dat het plan der Koningin onder bijzonder gunstige omstandigheden uitvoerbaar was, al moesten ook, ter verwezenlijking er van, bergen van bezwaren worden geslecht. Allen die anders op het veld bezig waren, en niet in het leger werden gebruikt, moesten tot den arbeid worden opgeroepen. Het werk kon geen uur uitstel lijden. Waar geen water was om de schepen te dragen, moest men maar trachten ze over het land te sleepen. Aan hulpmiddelen zou het niet ontbreken. De werktuigkundigen die de obelisken en colossen van den waterval naar Alexandrië hadden verplaatst, zouden hier weder eens toonen wat hunne vindingrijkheid en werktuigen vermochten.

Nooit had de werkzame, tot daden aanvurende geest van Cleopatra in een vergadering levendiger, ja hartstochtelijker ingenomenheid met hare plannen gewekt dan in deze nachtelijke bijeenkomst. Toen zij eindelijke gesloten werd, klonken luide toejuichingen uit den mond der geestdriftige mannen.

De terugkomst der Koningin en alles wat de leden van den Raad gehoord hadden van den verloren slag, moesten zij zorgvuldig geheim houden.

Gorgias behoorde ook tot de leiders der onderneming, en Cleopatra's geestkracht, haar stem, haar hartveroverende bevalligheid hadden hem zóó verrukt, dat hij reeds meende te bemerken dat een nieuwe liefde die voor Helene begon te verdringen.

Het was immers een dwaasheid zulke verheven wenschen te koesteren; en toch zeide hij tot zich zelven, dat hij nooit een vrouw ontmoet had, die hem meer aantrok dan Cleopatra. Met dat al dacht hij met warmte aan de kleindochter van den philosoof, en het deed hem leed, dat hij nauwelijks tijd zou kunnen vinden, om afscheid van haar te nemen.

De zegelbewaarder Zeno, Dion's oom, had hem bij zijn binnenkomen in de vergaderzaal op een wonderlijk geheimzinnige wijze naar zijn neef gevraagd. Hij had hem ten antwoord gegeven dat de wond die Cæsarion hem met een kort Romeinsch zwaard, in zijn schouder had toegebracht, wel is waar niet licht was, maar tocht naar de meening der artsen, geneeselijk.

Dat had den oom schijnbaar bevredigd. Vóór dat de bouwmeester hem nog goed op het hart kon drukken zijn neef de beschermende hand boven het hoofd te houden, had hij zich verontschuldigd, en met een groet aan den gewonde hem den rug toegekeerd.

De hoveling was nog niet overtuigd hoe hare koninklijke majesteit dit pijnlijke voorval opvatten zou, en bovendien was hij werkelijk met bezigheden overstelpt. De nieuwe onderneming eischte het uitgeven van een groot aantal volmachten, die allen door zijne handen moesten gaan.

De Koningin gaf aan ieder der deskundigen, aan wie zij de uitvoering van haar plannen toevertrouwde, een vriendelijk, aanmoedigend woord ten afscheid mede. Ook aan Gorgias veroorloofde zij haar kleed te kussen, waarbij zijn bloed weder sneller stroomde. Hij voelde een neiging om zich aan de voeten van deze wonderbare vrouw te werpen en met zijne diensten ook zijn leven tot hare beschikking te stellen. En Cleopatra merkte den dwependen blik zijner oogen maar al te goed op.

Men had ook hem genoemd onder de vereerders van Barine. Die vrouw moest toch wel iets buitengewoons hebben! Maar zou zij er in geslaagd zijn een schaar van ernstige mannen te ontvonken voor een groot, bijna onmogelijk plan, hen tot zulk een geestdriftvolle bewondering op te voeren, zooals het haar, de overwonnene, de bedreigde, zooeven was gelukt? Dat zeker niet!

Zij voelde zich juist in de stemming om Barine als rechtspreekster en als gelukkige mededingster te gemoet te gaan.

Te midden van al hare ellende doorleefde zij nu een heerlijk uur. Met blijden trots gevoelde zij opnieuw dat haar geest, nog frisch en ongebogen, instaat was de besten te overvleugelen. Neen, waarlijk! Zij had nog geen tooverbeker noodig om de harten te winnen!—

17) Scheepskapitein.

18) Wraakgodinnen.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Sedert een uur bevond Barine zich in het paleis. Het rijk gemeubelde vertrek, waarin men haar had binnengeleid, lag boven de zaal waar Cleopatra zitting hield, en nu en dan deed zich door den stillen nacht de stem der Koningin of de luide toejuichingen der vergadering hooren.

Barine luisterde daarnaar, zonder zelfs te beproeven, den zin der woorden, die tot haar doordrongen, te verstaan. Zij verlangde alleen naar afleiding van de diepe, bittere aandoeningen die haar hart vervulden. Ja, diep en bitter tot heftigheid toe, was haar opgewondenheid in dit oogenblik, en zij gevoelde daarbij tegelijk hoe deze driftige wrok geheel in tegenspraak was met haar eigenlijk wezen.

Het is waar, ook het gedrag van Philostratus had in den tijd van haar ongelukkig huwelijk, haar kalme, heldere ziel dikwijls tot in haar diepste diepte geschokt, en toen later zijn broeder Alexas haar met schandelijke voorstellen tot wanhoop had gebracht, was bij die stormen in haar ziel nog groote bitterheid gekomen. Maar daarover kon zij zich nu verheugen, want zonder dien geweldigen opstand ten tijde van den strijd, zou zij misschien door een smachtend verlangen naar rust voor hem bezweken zijn.

Eindelijk, eindelijk was het haar en haar vrienden door groote offers gelukt, haar uit dien nood te redden. Philostratus had zich de toestemming, om haar de vrijheid te hergeven, laten afkoopen. Ook van de herhaalde aanzoeken van Alexas had zij sinds lang rust gekregen, want eerst was hij door zijn beschermer Antonius als gezant uitgezonden, en later genoodzaakt hem te vergezellen in den oorlog.

Hoe had zij daarna genoten van de vreedzame dagen in het huis van haar moeder. Aanstonds was de kalme tevredenheid, die zij reeds voor altijd verloren waande, in haar gemoed teruggekeerd, en op dezen dag had het lot haar den rijksten zegen geschonken, dien zij nog ooit had ondervonden. Wel had zij daarvan nog maar enkele uren genot gehad, want door den aanval der woeste jongelingen en de verwonding van haar verloofde was er een donkere schaduw op gevallen. Alweder had haar moeder gelijk gehad, toen zij met zulk een overtuiging voorspeld had, dat op het eerste ongeluk een tweede zou volgen.

Midden in den nacht was men Barine uit haar vredige omgeving, en van de legerstede waar haar gewonde minnaar lag, komen weghalen. Dit was geschied op bevel van de Koningin, en in hare bittere verontwaardiging erkende zij dat de mannen wel gelijk hadden wanneer zij de dwingelandij vloekten, die een vrij mensch tot een willoos voorwerp verlaagde. Wat haar te wachten stond, was zeker niets goeds. Dat bemerkte zij wel aan de personen die haar op dit ongewone uur uit naam van Cleopatra kwamen ontbieden. Dat waren immers hare ergste vijanden! Iras, die haar verloofde voor zich zelve wenschte, zooals Dion haar had bekend, en diezelfde Alexas, wiens aanzoek zij had afgewezen op een wijze, zooals een man nooit vergeeft.

Hoe Iras te haren opzichte gezind was, had zij reeds ondervonden. Dat slanke meisje met het smalle hoofd, den fijnen neus, de kleine kin en de spitse vingers, leek haar een lange, scherpe doorn. Deze vreemde vergelijking was al bij haar opgekomen op het oogenblik toen zij haar, in stijve, trotsche houding, den last der Koningin met haar schrille, hooge stem voorgelezen had. Alles aan dit harde, koude, vijandige schepsel scheen puntig als een stekel, en gereed om haar in het verderf te storten.

Haar overbrenging uit het huis harer moeder naar het koninklijk paleis was vlug en eenvoudig in zijn werk gegaan. Na den aanslag, waarvan zij eigenlijk weinig had gezien omdat zij, door vrees en ontzetting overmand, de oogen gesloten had, was zij met haar gewonden geliefde naar huis gereden. Daar had de arts hem verbonden, en vrouw Berenice had haar eigen slaapvertrek spoedig en met zorg in een ziekenkamer herschapen.

Barine was geen oogenblik van zijne zijde geweken, doch eerst had zij zich verkleed, want zij wist hoe hij gesteld was op uiterlijken tooi. Toen zij vóór zonsondergang terugkwam van het bezoek bij haar grootouders, was zij even alleen met hem gebleven. Hij had haar toen op den arm gekust, en gezegd dat er geen fraaier waren, zoo ver er Grieksch gesproken werd. De kostbare gesneden steen die hem sierde, was die eer waard. Daarom had zij dan ook met opzet haar reiskoffer weder geopend en den armband daaruit genomen, dien Antonius haar had vereerd. Deze versierde nu haar bovenarm, toen zij weder bij hem in de ziekenkamer kwam.

Hij had haar eens gezegd dat hij haar het liefste zag in het eenvoudige witte gewaad, waarin zij hem, weinige dagen geleden, toen hij alleen met Gorgias bij haar was, tot na middernacht zijn meest geliefde liederen voorgezongen had, alsof die alleen voor hem waren bestemd. Daarom was dan ook nu hare keus op dat kleed gevallen, en zij was daar nu blijde om toen zij zag hoe innig gelukkig en dankbaar de gewonde de oogen op haar liet rusten, terwijl zij zich tegenover hem neerzette.

De arts had hem het spreken verboden, en zooveel mogelijk slaap voorgeschreven. Daarom had Barine maar stil bij hem gezeten en zijn hand vastgehouden, om hem, als hij de oogen open deed, een hartelijk woord van liefde en opwekking toe te fluisteren.

Urenlang had zij zoo bij hem gezeten, en was alleen van haar post gegaan om hem geneesmiddelen toe te dienen of, met behulp harer moeder, nieuwe omslagen op de wond te leggen. Als daarbij zijn mannelijk gelaat zich van pijn vertrok, dan had dat haar ook pijn gedaan, maar toch was over het geheel een stil en vredig gevoel van welbehagen over haar gekomen. Zij had zich zoo veilig en geborgen gevoeld in het bezit van den geliefden man, ofschoon zij zich ten volle bewust was van de gevaren, die hem, en misschien ook haar zelve, bedreigden. Maar het veilig gevoel in haar hart vervulde haar geheel en al, en drong allen angst naar den achtergrond. Vóór hij de hare was, had zij vele anderen hoog gesteld en hun aangenamen omgang gewaardeerd, enkele zelfs waren haar begeerenswaardig voorgekomen, doch Dion was het geweest, die in hare levendige, doch weinig hartstochtelijke ziel voor het eerst den warmen gloed eener groote, ware liefde had gewekt. Het was als een heerlijk wonder, wat in de laatste dagen met haar was gebeurd. Hoe lang had zij gevreesd en gesmacht, totdat haar vurigste hartewensch werd vervuld! Thans had Dion haar zijne liefde geschonken, en niets kon haar die meer rooven.

Gorgias en de zoons van haar oom Arius hadden haar voor korten tijd in hare rust gestoord. Nadat zij met goede tijdingen vertrokken waren, had vrouw Berenice haar dochter ernstig verzocht te gaan liggen, en haar hare plaats aan het ziekbed over te laten. Barine had daartoe echter niet kunnen besluiten, en had juist de blonde haren losgemaakt en die opnieuw laten vlechten en om het hoofd leggen, toen, te twee uur na middernacht, met onbescheiden drift aan de vensterluiken werd geklopt. Vrouw Berenice was op dat oogenblik juist bezig den omslag op de wond te vernieuwen; daarom was Barine zelf naar het atrium gesneld om den portier te wekken.

De oude man was nog niet in de rust, en haar daardoor vóór geweest, en nu had zij met een gedempten kreet van ontzetting, in den eersten persoon die de verlichte voorzaal betrad, Alexas herkend. Iras was hem op den voet gevolgd, gesluierd, want buiten huilde nog altijd de storm. Ten laatste was ook nog een lantaarndrager meê naar binnen gekomen.

De Syriër was de verschrikte jonge vrouw met een deftige buiging tegemoet gegaan, maar Iras had, zonder haar te groeten, of een enkel woord ter voorbereiding te zeggen, het bevel der Koningin herhaald, en haar bij het licht van de lantaarn voorgelezen wat Cleopatra in het wastafeltje had gekrast.

Daarop had Barine, bleek en nauwelijks zich zelve meester, de boden der Koningin verzocht binnen te komen, en haar tijd te laten zich tot den nachtelijken tocht voor te bereiden en hare moeder vaarwel te zeggen, doch Iras had haar met geen antwoord verwaardigd, en alleen, alsof zij hier te gebieden had, den poortwachter bevolen onverwijld den mantel zijner meesteres te halen.

Terwijl de oude zich met bevende knieën verwijderde, had Iras gevraagd of de gewonde Dion zich daar bevond? Barine, die door deze vraag de bezinning terugkreeg, had met een afwerend gebaar trotsch geantwoord, dat het bevelschrift der Koningin haar niet gebood zich in haar eigen huis aan een verhoor te onderwerpen.

De andere had hierop de schouders opgehaald, en op een schamperen toon Alexas toegeroepen:

»Het is waar, ik heb te veel gevraagd. Wie zoovele mannen van iederen leeftijd tot zich trekt, hoe kan die van ieder afzonderlijk weten waar hij is?”

»Het hart heeft anders een goed geheugen,” gaf de Syriër ten antwoord; maar Iras riep verachtelijk: »het hart?”

Vervolgens bleef het stil, totdat in plaats van den poortwachter, vrouw Berenice zelve met den mantel aan kwam loopen. Zij legde dien, bleek en met witte lippen, om de schouders harer dochter, en fluisterde haar daarbij met vochtige oogen en nauwelijks in staat om te spreken, eenige teedere en geruststellende woorden toe. Iras maakte hier echter spoedig een eind aan, daar zij Barine verzocht met haar in den wagen te stappen.

Moeder en dochter omhelsden en kusten elkander; daarna bracht de gesloten wagen de vervolgde en beschuldigde vrouw door storm en duisternis, naar de Lochias.

Totdat zij in het vertrek waren gekomen, waar Barine op de Koningin moest wachten, was tusschen haar en Iras geen enkel woord gewisseld. Hier trachtte de laatste haar aan het spreken te brengen, maar reeds op de eerste vraag antwoordde Barine dat zij haar niets te zeggen had.

In het vertrek was het zoo helder licht, alsof het dag was, maar toch flikkerden de vlammen onrustig heen en weder, daar de lucht aan beide zijden van die hoekkamer door de reten der vensterluiken binnendrong, en daardoor een sterke tocht ontstond. Barine sloeg haar mantel vaster om zich heen, en de storm, die van den zeekant om het paleis gierde, was in overeenstemming met de onrust harer ziel. Hetzij zij den blik naar binnen of om zich heen sloeg,—niets kon haar rust geven dan de zekerheid zich bemind te weten. Dat was het wat haar tot nu toe alle vrees ontnomen had. Nu kwam er nog verontwaardiging bij, en zoodoende kon de angst niet de overhand op haar verkrijgen. En toch, als zij kalm nadacht, wist zij dat zij van alle zijden door gevaren werd bedreigd. Dit bemerkte zij reeds aan de wijze waarop Iras en Alexas met elkander fluisterden, zonder op haar te letten, want zóó onwellevend zijn lieden die aan het hof verkeeren alleen jegens diegenen, van wie zij weten dat hun de ongenade of ook de toorn van den heerscher boven het hoofd hangt.

Wel had Barine in haar huwelijk met den man, die zoo geheel zonder fijngevoeligheid, en even boosaardig als welbespraakt was, véél leeren verdragen wat haar in het begin zeer moeielijk viel, maar toen zij Alexas, na een opmerking van Iras, die haar zelve gelden moest, luid hoorde lachen, moest zij zich geweld aandoen, om haar vijandin niet in het gezicht te zeggen hoe diep verachtelijk zij de laffe wreedheid van haar gedrag vond. Toch gelukte het haar het stilzwijgen te bewaren. Maar die verkropte toorn moest toch op de eene of andere wijze een uitweg zoeken, en terwijl de smart harer gepijnigde ziel haar hoogste punt had bereikt, vloeiden de heete tranen over haar wangen.

Ook dit had haar tegenstandster opgemerkt, en haar daarom tot een mikpunt van haar geestigheden gemaakt. Ditmaal echter had de spot haar uitwerking op den Syriër gemist, want in plaats van te lachen, was hij ernstig geworden, en fluisterde het meisje iets toe, dat Barine voor eene berisping of een waarschuwing hield. Doch Iras had hierop enkel met een minachtend schouderophalen geantwoord.

Barine had al lang gezien, dat haar moeder haar, in den angst en de verwarring van het oogenblik, haar eigen mantel, in plaats van den haren, omgeslagen had; ook deze kleinigheid vond haar vijandin niet te gering om er een beleediging aan vast te knoopen. Toch was al die kinderachtige overmoed, die nu het anders geenszins onbeduidende meisje geheel scheen te beheerschen, slechts een masker, waaronder zij haar eigen bittere zielesmart bedekte. Aan de vroolijkheid, die de mantel van haar slachtoffer bij haar scheen op te wekken, lag een ernstige overweging ten grondslag. Het grijze, slecht passende kleedingstuk misvormde Barine, en Iras wenschte voor de Koningin de zekerheid, dat zij hare mededingster ook in uiterlijke bekoorlijkheid verre overtrof. Niemand, zelfs Cleopatra niet, kon het in dien kouden tocht, zonder een beschermend omhulsel doen, en haar zelve stond niets beter dan de purperen mantel met de zwarte en gouden draken en grijpvogels, die in de zachte stof waren geborduurd. Iras had dien voor haar klaar gelegd, en Barine moest nu naast haar wel een bedelares gelijken, hoewel Alexas volhield dat de blauwe hoofddoek haar allerliefst stond.

Hij was een laaghartig wellusteling, die, met rijke geestesgaven bedeeld en daarbij zeer geleerd, geen middel had geschuwd om zich in de gunst van Antonius, den mildste van alle beschermers, te dringen.—De weigering zooals de verwende man niet gewoon was te ontvangen en die hij van Barine had moeten verdragen, was voor hem moeilijk te verduwen geweest, doch hij gaf het nog altijd niet op haar voor zich te winnen. Nooit had hij haar aantrekkelijker gevonden dan in haar aandoenlijke machteloosheid. Een weerlooze te zien martelen wekt zelfs bij de laagste naturen weerzin op, en toen Iras nogmaals een giftigen pijl op haar afschoot, veroorloofde hij zich, op gevaar af zijn bondgenoote te ontstemmen, de zacht uitgesproken opmerking:

»Men zet anders altijd aan veroordeelden, vóór de terechtstelling, hun lievelingsgerecht nog eens voor. Ik heb geen reden haar iets goeds toe te wenschen, maar dat zou ik haar toch gaarne gunnen. U daarentegen schijnt het te vermaken nog alsem op haar laatste beten te gieten.”

»Zeker!” antwoordde zij stoutweg, terwijl hare oogen vonken schoten. »Leedvermaak is het zuiverste van alle genoegens; ten minste voor mij, tegenover deze vrouw.”

De Syriër stak haar met een wonderlijken glimlach de hand toe, en zeide: »Blijf mij maar genegen, Iras!”

»Want,” ging zij smadelijk voort, »het kon wel eens slechte gevolgen na zich sleepen mij tot vijandin te hebben. Dat geloof ik zelf ook. Voor mij zelve ben ik anders zoo bijzonder gevoelig niet. Maar wie het waagt,”—vervolgde zij met verheffing van stem—»aan ééne leed te doen, die ik.... Hoor eens, dat gejubel! Hoe sleept zij weder allen mede! Al had het noodlot een bedelares van haar gemaakt, dan nog zou zij de eerste van alle vrouwen zijn. Zij is als de zon. De wolk die zij op haar lichtend pad ontmoet, wordt opgelost en verdwijnt.”

Bij deze laatste woorden had zij haar hoofd geheel naar de zijde van Barine gekeerd, en Iras' scherpe stem drong weder als een doorn in Barine's oor, toen zij haar eindelijk gebood zich gereed te maken voor het verhoor. Op hetzelfde oogenblik viel de deur door den tocht knarsend in het slot terug, nadat zij eerst geopend was door den »binnenleider”19) die na een snellen blik in het rond uitriep:

»Hier, waar alle vier de winden elkander tegelijk ontmoeten, kan de Koningin u niet spreken. Hare Majesteit wenscht de late bezoekster in de schelpzaal te ontvangen.”

Hij verzocht Barine met een beleefde buiging met hem mede te gaan, en leidde haar en de beide anderen door verscheidene gangen en zalen heen, naar een goed verwarmd voorvertrek.

Hier waren alle luiken goed gesloten. Eenige lijfwachten en pages uit het corps der »Koninklijke Knapen” stonden tot hunne ontvangst gereed.

»Hier is het goed,” zeide Alexas tot Iras. »Moet de winter van daareven ons niet met dubbele dankbaarheid vervullen voor de genietingen van de zachte lente in deze heerlijke omgeving?”

»Dat is wel mogelijk,” antwoordde zij spijtig, en ging zachter voort: »Hier op de Lochias houden de jaargetijden zich overigens niet aan hunne gewone opeenvolging. Zij wisselen overeenkomstig den hoogsten wil. In plaats van vier, zooals bij ons, hebben de Aegyptenaars, zooals gij wel weten zult, er slechts drie;—daarentegen zijn zij in de paleizen aan den Nijl ontelbaar. Wat of deze rassche overgang in den zomer wel beteekenen zou? Ik had ditmaal den winter liever.”

De Koningin had, zonder dat Iras wist waarom, hare schikkingen tot de ontvangst van Barine veranderd. Dat verdroot het meisje, en hare trekken waren dreigend en somber, toen de jonge vrouw zich van haar mantel en hoofddoek ontdeed, en nu in het eenvoudige witte kleed, zoo fijn van stof en edel van snit, de Koningin afwachtte.

De dikke blonde vlechten, die op kunstelooze wijze om haar welgevormd hoofd lagen, deden er haar bijna kinderlijk uitzien, en bij dit onverwachte gezicht, was het Iras te moede alsof men met haar en Cleopatra een spel dreef.

In het halfdonkere atrium van het huis naast het Paneum had zij alleen opgemerkt dat Barine iets wits droeg. Was dit haar nachtgewaad, des te beter! Doch zóóals zij daar nu stond en heen en weer liep, had zij zich zelfs op het Isisfeest kunnen vertoonen. Met alle overleg had men onmogelijk een passender en smaakvoller gewaad kunnen vinden. Ging deze ijdele vrouw dan met hare gouden sieraden ter ruste? Of hoe kwam anders die band aan haar bovenarm? Al de bekoorlijkheden van Cleopatra waren voor Iras, die ze zoo goed kende, als het ware haar eigendom. Het verdroot haar ook maar de geringste daarvan door een ander overtroffen te zien, en dat zij nu bij die vrouw vormen ontdekte die zij niet minder schoon kon vinden, vertoornde haar, ja, sneed haar door de ziel.

Zij had Barine gehaat, van het oogenblik af dat zij wist hoe zij om harentwil niets meer te hopen had van den man, op wiens liefde zij van kind af recht meende te hebben. En tot alles wat hare vijandige gezindheid nog deed toenemen, behoorde ook het onaangename gevoel, dat zij zich in de laatste uren onwaardig tegenover haar gedragen had. Had zij maar eerder gezien wat hare vijandin onder haar mantel verborgen had gehouden, dan zou zij wel wegen en middelen gevonden hebben om er haar anders te doen uitzien. Intusschen, zooals zij nu was moest zij blijven, want daar kwam Charmion reeds binnen. Maar op dit uur zou een ander volgen, en wanneer dit niet over het lot der gehate vrouw besliste, dan zouden lateren dat toch doen.

Charmion, de zuster van haar oom Archibius, die tot nu toe zulk een lieve gezellin en moederlijke vriendin voor haar was geweest, had zij daarbij niet noodig. Doch wat had deze toch? Het scheen Iras toe, alsof op haar vriendelijk gelaat iets afwerends lag, dat zij daar nog nooit had gezien. Had de zangeres ook dááraan schuld? En wat zou het zijn? Dit gedrag van haar oudere gezellin besliste de vraag, of zij de pas teruggekeerde tante nog met dezelfde dankbare hartelijkheid tegemoet zou gaan als vroeger. Neen! dat zou zij nu niet meer van zich kunnen verkrijgen, Charmion moest voelen dat zij, Iras, dat voortrekken van haar vijandin, als een persoonlijke beleediging opnam. Het lag niet in haar aard, achter haar rug iets tegen haar te doen. Zij had moed genoeg om haar afkeer aan haar tegenpartij duidelijk te laten merken, en zij had voor Charmion niet zooveel ontzag, dat zij met haar anders zou handelen. Zij wist dat de schilder Leonax, Barine's vader, in het hart van haar gezellin een bijzondere plaats had gehad, maar daarom behoefde zij toch niet partij te trekken voor de vrouw die haar, haar eigen nicht, den man ontfutseld had, dien zij—haar tante wist daarvan—van haar kindsheid af had liefgehad.

Wat Charmion betrof, zij had zooeven een lang gesprek met haar broeder gehad en in het paleis gehoord dat Barine midden in den nacht bij de Koningin was geroepen. Vast overtuigd, dat de jonge vrouw, die heden al zoo velerlei geluk en ongeluk ondervonden had, niets goeds te wachten stond, was zij ook in de wachtzaal gekomen. Haar goedig, niet meer jeugdig gelaat, dat door het grijze haar zoo eenvoudig en aardig werd omlijst, was op dat oogenblik voor Barine, wat het toewenkende land voor den schipper in nood is.

Al de stormen harer ziel, alle gevoel van bitterheid en leed kwam tot rust, en als een beangst kind dat op haar moeder toeloopt, ging zij de zuster van haar vriend tegemoet. En Charmion zag haar dadelijk aan wat er leefde in hare ziel. Haar in dit paleis en in deze omgeving te kussen, ging niet aan; maar om Iras te toonen dat zij bereid was hare beschermende hand te houden boven deze vervolgde vrouw, drukte zij de dochter van haar vriend tegen zich aan. Barine zag met een smeekenden om redding vragenden blik naar haar op, en fluisterde met tranen in de oogen: »Help mij, Charmion. Met woorden en blikken heeft zij mij gekweld, beleedigd, vernederd—zoo wreed, zoo boosaardig! Help gij mij, ik kan het niet langer uithouden!”

Charmion schudde het vriendelijke hoofd en vermaande haar met zachte stem zich te beheerschen. Zij moest bedenken, dat zij Iras ook haar geliefde ontnomen had. Wat het haar ook kosten moest, zij mocht geen enkelen traan meer storten. De Koningin was genadig. Zij, Charmion zou haar bijstaan. Het voornaamste waar het op aan kwam was zich aan Cleopatra te toonen zooals zij was, niet zooals de laster haar afgeschilderd had. Zij moest haar maar antwoorden, alsof zij of Archibius haar ondervroeg.

Zij streek haar daarbij met moederlijke teederheid over voorhoofd en oogen, en het was de jonge vrouw alsof de goedheid zelve den storm in hare ziel had doen bedaren. Alsof zij uit een boozen droom ontwaakte, zag zij rond, en eerst nu bemerkte zij in welk een rijk versierd vertrek zij zich bevond, welke goedkeurende blikken de jongelingen van de Macedonische lijfwacht op haar wierpen, en hoe gezellig het vuur brandde in den schoorsteen. Het gehuil van den storm versterkte nog het welbehagelijk gevoel van onder een veilig dak te zijn, en Iras die den »binnenleider” aan de deur iets toefluisterde, scheen haar nu niet meer een stekende doorn, of een booze kwelgeest, maar een schoone vrouw, die haar weliswaar afstootte, maar die zij dan ook zelve het grootste kwaad had aangedaan dat men een vrouwenhart aan doen kan. Ook dacht zij nu weder aan haar gewonden minnaar tehuis, en hoe zijn hart, wat er ook gebeuren zou, aan haar alleen, en niet aan die andere toebehoorde. En eindelijk viel haar nog in, hoe Archibius het kind Cleopatra beschreven had, en deze herinnering wekte de overtuiging dat de alvermogende vrouw haar noch wreed noch onrechtvaardig bejegenen zou, en dat het voor een deel in haar eigen macht stond, haar voor zich in te nemen. Charmion was immers ook een vertrouweling der Koningin, en zoo de handelwijze van Iras en Alexas haar vrees had moeten aanjagen, dan mocht de hare haar met vertrouwen vervullen.

Dat alles vloog met bliksemsnelheid door haar brein. Zij had dan ook niet veel tijd tot nadenken meer, want reeds toen zij haar hoofd aan de borst van haar beschermster neergevlijd had, was de »binnenleider” in de kamer gekomen, met de aankondiging: »Binnen weinige minuten zal hare doorluchtige Majesteit de opgeroepenen verwachten!”

Spoedig daarop verscheen een kamerdienaar, en wenkte met een pluim van struisvederen. Nu gingen zij onder geleide der hofbeambten, door eenige helder verlichte, prachtig getooide zalen.

Barine liep weder recht op en met verruimde borst voort. Daar gingen de hooge, breede vleugeldeuren van ebbenhout open, tegen welker dofzwart het ivoor der ingelegde tritonen, zeemeerminnen, schelpen, visschen en zeemonsters zoo fraai uitkwam. Een schitterende aanblik verraste haar: de zaal, die Cleopatra tot hare ontvangst had uitgekozen, was geheel en al bedekt met de meest verschillende soorten van zeegewassen, van de schelp af tot de koraal en de zeester toe.

Op den achtergrond van de zaal bevond zich een diepe grot, gevormd door een hoog en breed gebouw in druipsteenvorm, van natuurlijke rotsblokken opgetrokken. Daaruit kwam het reusachtig groote hoofd van een monster te voorschijn en zijn wijd geopende muil vormde den haard in den schoorsteen. Daar brandde een vroolijk vuur van welriekend Arabisch hout; uit de robijnglasoogen van den draak straalde een roodachtige gloed, en smolt in de zaal samen met het licht der witte en rooskleurige lampen, in den vorm van lotosbloemen, die tusschen gouden en zilveren ranken en bosjes riet aan den muur en de zoldering bevestigd waren. Zij vulden de groote ruimte met dat zachte licht, welks rozenroode weerschijn de zachte gelaatstint van Cleopatra bijzonder voordeelig deed uitkomen.

Eenige oppervoorsnijders, schenkers, jachtmeesters, ceremoniemeesters, kamerdienaars, vrouwen die tot den dienst in het paleis behoorden, eunuchen en andere hofbeambten wachtten hier de Koningin op, en de pages van het Macedonische kadettencorps der »Koninklijke knapen” stonden slaapdronken en met gebogen hoofd om den kleinen troon van goud, koralen en barnsteen, tegenover den schoorsteen, waarop de Koningin zou plaats nemen.

Barine had deze prachtige zaal en andere in het Sebasteum die nog schitterender waren, vroeger reeds gezien; vandaar dat zij door al deze praal geenszins van haar stuk werd gebracht. Alleen zou zij gewenscht hebben, dat er niet zooveel hovelingen om haar heen waren. Zou Cleopatra van plan zijn, haar ten aanzien van al die mannen, vrouwen en jongelingen in het verhoor te nemen?

Zij was nu niet bang meer, maar toch klopte haar hart sneller dan anders. Het was hetzelfde gevoel dat zij als aankomend meisje gehad had, wanneer men haar vroeg om voor vreemden te zingen.

Eindelijk hoorde zij deuren opengaan, en door een onzichtbare hand werd rechts van haar het zwarte voorhangsel ter zijde geschoven. Zij verwachtte den Regent, den zegelbewaarder en de geheele rijk uitgedoste legerschaar te zien, in wier gezelschap de Koningin zich bij plechtige gelegenheden altijd in deze staatsiezaal vertoonde. Waarom zou zij die anders tot het tooneel van dit nachtelijk verhoor gekozen hebben?

Maar wat was dat? Terwijl zij nog terugdacht aan haar optreden bij het Adonisfeest, ging het voorhangsel reeds weder dicht. De hovelingen, die om den troon stonden, richtten zich op; de pages vergaten hunne vermoeidheid, en alle tegelijk riepen luide den Griekschen welkomstgroet uit, waarmede de Aegyptenaars gewoon waren hun beheerschers in te halen: »Leven, heil, gezondheid!”

Die vrouw van middelbare grootte, die zij vóór het voorhangsel zag, en die haar nu, terwijl zij alleen en los van hare omgeving de ruime zaal doorschreed, kleiner voorkwam dan vroeger in het bonte gewemel bij het Adonisfeest, moest wel de Koningin zijn!

Ja, zij was het! Iras stond reeds naast haar, en Charmion ging haar met den »binnenleider« tegemoet. De vrouwen beijverden zich om haar te bedienen. Iras nam haar den purperen mantel met den zwarten rand waarop de gouden draken geborduurd waren, van de schouders. Welk een kostbaar meesterstuk van weefkunst moest dat zijn! In Barine's geest verdrong zich nu achtereenvolgens alles, waartegen zij zich zou moeten verdedigen; en toch voelde zij onder dat alles ook even den dwazen, echt vrouwelijken wensch bij zich opkomen, om één oogenblik dien prachtigen mantel van nabij te mogen zien en betasten. Maar Iras legde hem reeds over den arm van eene der vrouwen, en nu zag Cleopatra om, en ging met jeugdigen, veerkrachtigen tred naar den troon toe. Daar kreeg Barine weder dat gevoel van angst, dat zij zich nog uit vroegere jaren herinnerde, maar tegelijkertijd viel haar ook weder in wat Archibius had verhaald van den Epicuristen-tuin, evenals zijne verzekering, dat ook zij stellig warme geestdrift voor de Koningin zou voelen indien er niets storends tusschen beide gekomen ware. Bestond er dan werkelijk zoo iets storends?

Neen! niet anders dan in de jaloersche phantasie van Cleopatra. Zoo zij haar wilde vergunnen zich uit te spreken, dan zou zij hooren dat Antonius even weinig naar haar had gevraagd, als zij naar den jongen Cæsarion. Waarom zou zij haar niet bekennen dat haar hart een ander toebehoorde? Zij behoefde immers ook zijn naam niet te verzwijgen. Het was Iras' eigen schuld, wanneer zij dien nu zonder mededoogen in haar bijzijn uit moest spreken.

Thans richtte Cleopatra zich tot den »binnenleider,” en wees op den troon en allen die daar om heen stonden. Ja, wel was zij schoon! Hoe helder en rustig was de blik uit haar groote, glanzende oogen, in weerwil van de droeve dagen die zij pas had doorleefd, en den doorwaakten stormnacht.

De goede ontvangst die haar plan tot redding bij de raadslieden gevonden had, hield de Koningin nog steeds in opgewekte stemming en met zachtmoedige gevoelens en bedoelingen kwam zij Barine tegemoet. Ook had zij, in plaats van de zaal, die Iras voor deze bijeenkomst had bestemd, een vriendelijker vertrek gekozen, want zij had voor iedere stemming een bepaalde omgeving noodig. Zoodra zij bemerkte hoe vele hovelingen zich om den troon hadden geschaard, gaf zij bevel die te laten gaan. De »binnenleider” had hen uit eigen beweging, en om te voldoen aan de gewone vormen, naar de gehoorzaal doen komen; maar hunne aanwezigheid gaf aan deze samenkomst iets vormelijks, dat de Koningin op dit oogenblik hinderde. Zij wilde slechts een onderzoek instellen, nog geen vonnis spreken.

In zulke goede uren gevoelde zij behoefte genadig te zijn. Misschien had zij zich toch zonder reden ten opzichte van deze vrouw verontrust. Dit hield zij nu zelfs voor waarschijnlijk, want wie haar zóó liefhad als Antonius, kon niet naar de gunst van een ander dingen. Een kort onderhoud met een waardigen grijsaard, den opperste der wichelaars, had haar daarin opnieuw bevestigd; want toen deze gehoord had hoe Antonius haar bij Actium achterna gesneld was, had hij in geestvervoering gelaat en handen naar boven gericht, en haar toegeroepen: »Ongelukkige Koningin! Gelukkigste van alle vrouwen! Zóó vurig werd nog geene bemind. Zoolang men verhalen zal van het edele Troje, dat om een vrouw zooveel moest lijden en dat gewillig verdroeg, zoolang zal ook het late nageslacht met lof gedenken aan de vrouw, wier onweerstaanbare betoovering den grootsten man van zijn tijd, den held der helden, dwong om overwinning en roem en de hoop op de wereldheerschappij als nietige beuzelarij te versmaden.”

De oude, wijze waarzegger had gelijk: het nageslacht, voor welks oordeel zij eenmaal had gebeefd, zou haar prijzen als de vurigst beminde, de begeerenswaardigste van alle vrouwen.

En Marcus Antonius? Al was het de tooverkracht van den beker van Nektanebus geweest, die hem had gedwongen haar te volgen en den slag te verlaten, dan bleef toch zijn testament bestaan, waarvan Zeno, de zegelbewaarder, haar een afschrift had laten zien, dat hem uit Rome was toegezonden. »Waar hij ook sterven mocht,” heette het daarin, »wenschte hij naast Cleopatra te worden begraven.” Octavianus had dit ontnomen aan de Vestaalsche maagden, die het in bewaring hadden, omdat hij de harten der Romeinen en hunner echtgenooten daardoor met verontwaardiging tegen hunnen vijand vervullen wilde. Dat was hem ook gelukt; maar haar herinnerde nu dit geschrift, dat haar hart zijn eerste bloesems aan dezen man geschonken had; dat de liefde tot hem de zonneschijn van haar leven was geweest.

Zoo had zij dan met opgeheven hoofd den drempel overschreden van de zaal, waarin zij de vrouw ontmoeten wilde, die zich vermeten had onkruid te zaaien in haar tuin. Zij wilde aan dit onderhoud slechts weinig tijd wijden, doch zij zag het tegemoet met het welbehagen van een sterke, die zeker is van zijne overwinning. Zoodra zij bij den troon gekomen was, verliet het gevolg de zaal, en niemand bleef achter dan Charmion en Iras, de zegelbewaarder Zeno en de »binnenleider.”

Cleopatra wierp een vluchtigen blik op den zetel, en een onderdanig handgebaar van den hoveling noodigde haar uit, daarop plaats te nemen; doch zij bleef staan en zag Barine aan.

Was het de gekleurde glans uit de robijnglas-oogen van den draak aan den schoorsteen, die nu dien rooden gloed over Cleopatra's wangen wierp? Zeker is het, dat het de schoonheid verhoogde van haar gelaat, dat thans maar al te vaak, wanneer het blanketsel niet te hulp kwam, vaal en kleurloos was; en Barine begreep op eens de gloeiende geestdrift van Archibius voor deze buitengewone vrouw, toen Cleopatra haar verzocht naderbij te komen.

Men kan zich onmogelijk iets innemenders voorstellen dan de ongekunstelde, van trotsche neerbuigendheid hemelsbreed verwijderde vriendelijkheid dezer machtige vorstin.

Daar Barine allerminst zulk een ontvangst verwacht had, was zij er zeer door getroffen; hare oogen werden vochtig van dankbare ontroering, hetgeen ze een verhoogden glans schonk. Daarbij stond de blijde verrassing haar zoo goed, dat de Koningin vond, dat de zangeres in de maanden, die sedert hare eerste ontmoeting verloopen waren, nog veel schooner was geworden.

Hoe jong was de beschuldigde dan ook nog! Cleopatra ging vluchtig na, hoeveel jaren Barine als gade van Philostratus, en daarna aan het hoofd van een veel bezocht gastvrij huis moest hebben doorleefd, en zij kon het uiterlijk van dit jeugdige, frissche schepseltje maar niet overeenbrengen met de uitkomst van deze berekening. Ook kon men niet ontkennen dat in de geheele verschijning der schildersdochter iets voornaams was, dat haar verraste. Dat zag men zelfs aan haar kleeding, en toch had Iras haar midden in den nacht in haar rust gestoord, en haar zeker geen tijd gelaten om aandacht te schenken aan haar uiterlijk.

Zij had gedacht bij deze vrouw, van wie men haar had gezegd dat zij zoo vele mannen tot zich trok, iets uittartends te vinden, iets dat niet fijn beschaafd was, maar daarvan kon haar bitterste vijand zelfs geen spoor bij haar ontdekken. Integendeel; de verlegenheid die zij nooit geheel overwonnen had, gaf haar iets jonkvrouwelijk schuchters. Alles bij elkaar genomen was Barine een bekoorlijk wezen, dat de mannen stellig aantrok door vroolijkheid, bevalligheid en haar heerlijk gezang, en niet door behaagzucht en driestheid. Dat zij ook door geestesgaven uitmuntte geloofde Cleopatra niet. Slechts één ding had Barine op haar vóór: haar jeugd. De tijd had aan deze vrouw nog niets van de betoovering daarvan ontroofd, maar aan haar zelve reeds veel; hoe veel, dat wisten alleen zij zelve en hare vertrouwde vriendinnen. Doch op dit uur miste zij dat niet.

Barine trad nader met een diepe, eerbiedige buiging voor de Koningin, en deze begon het gesprek met een vriendelijke verontschuldiging van het late uur, waarin zij haar bij zich had doen komen. »Doch,” ging zij voort, »gij zijt immers een van die filomeelen, die juist in den nacht het liefst en schoonst aan anderen te hooren geven, wat er in hen omgaat.”

Een oogenblik zag Barine zwijgend naar den grond, en toen zij haar blik weer opsloeg, antwoordde zij zacht en nog bedeesd: »Ik kan wel zingen edele Koningin, doch met een vogel heb ik thans niets meer gemeen. De vleugels, die mij, toen ik een kind was, brachten waarheen ik wilde, hebben hunne kracht verloren. Het is niet, dat zij mij geheel en al den dienst ontzeggen, maar tegenwoordig zijn er maar enkele uren waarin ik ze kan uitslaan.”

»Dat had ik van uwe jeugd, die uw schoonste bezit is, niet verwacht,” sprak de Koningin. »Doch het is goed zóó. Ook ik, al is het lang geleden, was eens een kind, en mijn verbeeldingskracht steeg in dien tijd hooger dan de vlucht eens adelaars. Dat mocht zij ook straffeloos wagen. Maar nu.... wie midden in het leven staat, doet wél de wieken te laten rusten. Een sterveling die zich iets anders onderstaat, komt licht te dicht bij de zon, en dan gaat het hem als Icarus, en het was smelt er van weg. Neem dit van mij aan: Voor een kind is de phantasie als voedzaam brood. Later moet men haar alleen als zout, kruiden, of opwekkenden wijn gebruiken. Wel wijst zij ons vele wegen aan, en waarop die uitloopen, maar van de honderd zwerftochten, waartoe zij hem roept, kan de mensch maar één tegelijk ondernemen. Geen lastiger parasiet wordt met meer volharding en stelliger afgewezen dan zij. Wie zou het die verstooteling daarom misduiden, wanneer zij met de jaren minder gaarne in onzen dienst treedt? De wijze houdt altijd een open oor voor haar, doch zelden leent hij haar de helpende hand. En toch, haar uit het leven te verbannen, zou hetzelfde zijn als aan de plant haar bloei, aan de roos haar geur, aan den hemel zijn sterren te ontnemen.”

»Iets dergelijks heb ik ook dikwijls als het leven mij bedroefde, tot mijzelve gezegd, hoewel in minder heldere en schoone bewoordingen,” hernam Barine licht blozend; want zij voelde dat deze toespraak toch wel bestemd was om haar te waarschuwen, voor al te hoog vliegende wenschen. »Maar edele vrouw, ook hierin hebben de goden u, de groote Koningin, boven ons allen bevoorrecht. Ons leven zou bedroevend arm worden, zonder de phantasie, die ons denkbeeldige goederen schenkt. Gij bezit de macht uzelve duizend dingen te verschaffen die ons, kleinen, alleen door de macht der phantasie bereikbaar voorkomen.”

»Gij denkt,” hervatte de Koningin, »dat het met het geluk evenzoo gaat als met den rijkdom, en die mensch de gelukkigste is, die den meesten voorspoed geniet. Ik geloof echter dat ik u spoedig genoeg het tegendeel zou kunnen bewijzen. Het gezegde: »hoe meer iemand heeft, des te minder behoeft hij te wenschen” is ook onwaar, ofschoon hier op aarde slechts een bepaald aantal begeerenswaardige zaken te vinden is. Wie van de tien solidi die er te verdeelen zijn, er reeds één bezit, moest eigenlijk nog maar negen solidi's begeeren, en zou dus één wensch armer zijn dan die andere, die er geen heeft. Maar zóó gaat het in de wereld niet. Dat de goden mij met ettelijke vergankelijke gaven meer belast of bevoorrecht hebben dan u en vele anderen, valt niet te loochenen. Gij schijnt u daarvan een hoog denkbeeld te vormen. Misschien is er ook wel de eene of andere onder, die gij u alleen met de hulp der verbeeldingskracht zoudt kunnen toe eigenen. Mag ik vragen welke u het allerbegeerlijkst toeschijnt?”

»Ik verzoek u,” zeide Barine verlegen, »mij van deze keus te verschoonen. Uit uwen voorraad heb ik niets noodig, en wat andere zaken aangaat.... Er ontbreekt mij nog zooveel; het is ook niet zeker hoe het edelste en hoogste uit den schat van de wondervol begaafde lieveling der goden passen zou bij het geringe en kleine, dat ik het mijne mag noemen en ik weet niet....”

»Dat is een zeer gerechte twijfel,” viel de Koningin haar in de rede. »Een lamme, die een paard wenschte te bezitten, ontving dat, en bij den eersten rit brak hij zijn nek. Het eenige—het is ook het hoogste—dat zeker tot gelukzaligheid leidt, laat zich niet wegschenken, en van den een op den ander overbrengen. Wie het verworven heeft, dien wordt het mogelijk in het volgende oogenblik al weder ontroofd.”

Die laatste zin had de Koningin zacht en nadenkend uitgesproken, doch Barine herinnerde zich het verhaal van Archibius en zeide op bescheiden toon: »Gij denkt aan het hoogste goed van Epicurus: de volmaakte rust der ziel.”

Op eens kwam er in Cleopatra's oogen een nieuw helder licht en zij vroeg met levendige belangstelling: »Gij kleindochter van een denker, kent gij ook de leer van dien meester?”

»Slechts oppervlakkig, groote Koningin. Mijn geest is van een geringere soort dan de uwe. Het kost mij moeite mij in een geheel philosophisch leer-gebouw tot in den kelder en de verst afgelegen kamers toe, tehuis te gevoelen.”

»Maar hebt gij het wel eens beproefd?”

»Veeleer hebben anderen zich moeite gegeven mij binnen te leiden in de Stoa. Het meeste ben ik vergeten, maar één ding is mij bijgebleven, en ik weet wel waarom: het behaagde mij.”

»En wat is dat ééne?”

»Het is het gebod om verstandig te leven, dat is: zóó als onze eigen natuur ons voorschrijft. Het bevel, om alles te vermijden wat in tegenspraak is met de eenvoudige manier van doen, die ons oorspronkelijk eigen is, trok mij aan, en overal waar ik iets gekunstelds, gemaakts, opgesierds zag, daar voelde ik mij afgestooten. Uit al de lessen van mijn grootvader leidde ik deze wet af: dat ik voor mijzelve en alle verstandige lieden niets beters kon doen dan, voor zoover het leven toelaat, zoo te blijven als ik als kind was geweest, eer ik nog het eerste woord van philosophie gehoord en den dwang gevoeld had, dien de samenleving en hare vormen ons opleggen.”

»Dus ook dáártoe komt men door de Stoa?” riep de Koningin opgewekt uit, en terwijl zij zich naar de deelgenoot van haar eigen studies keerde, voegde zij er bij: »Hebt gij het gehoord, Charmion? Ware het ons maar gelukt, de redelijkheid en ongestoorde, doelmatige orde van het leven in de wereld te erkennen, waaraan de Stoa, die zooveel verkeerds, ziekelijks, tot tegenspraak uitlokkends eischt, bijna al het andere vastknoopt. Hoe kan ik, om verstandig te leven, doen als de natuur, wanneer ik in haar worden, zijn en werken, zooveel ontmoet wat met mijn menschelijke rede, die een deel der goddelijke is, zoo beslist in tegenspraak is?”

Hier hield zij op, en haar gelaat veranderde plotseling van uitdrukking. Zij was dicht naar Barine toe gegaan, en toen zij tegenover haar stond, was haar blik op den gesneden steen gevallen, die haar bovenarm versierde.

Was het dit gezicht, dat Cleopatra op eens zóó heftig bewoog, dat hare stem alle liefelijke welluidendheid verloor, toen zij ruw en misnoegd voortging: »Dat is dus de bronwel van al dit onheil? Reeds als kind was ik afkeerig van die willekeur, die verstandig moest heeten, en die in de wereld voor zedelijke strengheid doorgaat. Ja, dat is het! Hoort gij den storm wel huilen? Evenals daarbuiten, zijn er ook in de menschelijke natuur onweders en verwoestende vulkanen, en het eigenlijke wezen van een sterveling is even vol van zulke woeste krachten als de streek van den Vesuvius of den Etna. Wat er van komt als men daaraan toegeeft, daarvan zien wij hier een levend voorbeeld. Wel zeker! Den Stoïcijn is het verboden de harmonie en de schoone orde der dingen van het leven, en ook die welke de staat, als bijzondere godheid, voorschrijft, te verstoren. Maar onze natuur te volgen waarheen zij ons ook voert—dat is een waagstuk, zóó gevaarlijk, dat wie de macht heeft daaraan bijtijds paal en perk te stellen, verplicht is dat te doen.—En ik bezit die macht, en ik zal er gebruik van maken!”

Daarop ging zij met ijzeren strengheid voort: »Evenals het tot de eischen uwer natuur, vrouw, schijnt te behooren, dat gij alles wat man heet tot u lokt en doet ontvlammen, zelfs al droeg het nog niet het ephebengewaad, zoo lijkt het ook gesteld te zijn met uw welbehagen in ijdele versieringen. Of”—en zij strekte de hand uit naar den schouder der jonge vrouw—»of hoe komt in dit middernachtelijk uur deze armband aan uw arm?”

Barine had met toenemenden angst de groote verandering in de houding en den toon der Koningin opgemerkt. Zij zag nu een herhaling van hetgeen er op het Adonisfeest was gebeurd, en ditmaal wist zij wat de jaloezie van Cleopatra opwekte. Zij, Barine, droeg een geschenk van Antonius aan haar arm. Doodsbleek zocht zij naar een gepast antwoord, doch vóór zij dat gevonden had, trad Iras op de opgewonden Koningin toe en zeide: »Deze armband is de wedergade van dien, welke uw doorluchtige gemaal u heeft vereerd. Ook deze is zeker een geschenk van Marcus Antonius, ditmaal aan de zangeres. Zij houdt, evenals iedereen, den edelen imperator voor den grootsten man van zijn tijd. Wie kan het haar dan ten kwade duiden dat zij zijn geschenk waardeert, en dat zelfs in den slaap niet afgelegd?”

Barine had bij deze woorden weder de gewaarwording alsof een doorn haar stak. Met hoeveel kracht echter de bitterheid van straks weder bij haar opwelde, toch dwong zij zich de gepaste kalmte te bewaren en spande zich in om een geschikt wederwoord te vinden. Maar zij vond het rechte niet, en zweeg.

Wat zij gezegd had, was de waarheid. Van jongsaf had zij, zonder naar het oordeel der menschen te vragen, zooals de Stoïcijnsche leer haar voorschreef, haar eigen aard gevolgd, en dat had zij gerust kunnen doen omdat deze aard zuiver was, waar, op het schoone gericht, en daarbij vrij van die onbedwingbare, vulkanische driften, die de Koningin bedoelde. Die opgeruimde gemoedsgesteldheid was tevreden geweest in het beoefenen van haar kunst en den gezelligen omgang met mannen, die haar vergunden deel te nemen aan hun opgewekt geestelijk leven. Eerst op dezen dag had zij ondervonden, dat de eerste groote liefde van haar hart beantwoord werd. Thans was zij aan haar geliefde vast verbonden, en zij wist, rein en vrij van schuld als zij zich gevoelde, dat zij meer gerechtigd was achting te vorderen, ook van de strengste zederechters, dan de Koningin die haar vonniste, en die andere boosaardige vrouw die niet opgehouden had bij Dion met hare liefde aan te komen.

Het smartelijke gevoel van misverstaan en onrechtvaardig veroordeeld te worden, paarde zich nu aan de vrees voor het schrikkelijk lot, dat de alvermogende vrouw, wier heldere geest nu door lage jaloezie en den wrok van een gekwetst moederhart beneveld werd, over haar kon doen komen, en deed haar geheel verstommen. Bovendien bracht haar het vijandige gevoel dat het gezicht van Iras bij haar opwekte, in verwarring. Twee- driemaal raapte zij haar geestkracht bijeen om een verklaring, een verdediging te beproeven, doch haar tong weigerde haar geheel en al den dienst. Toen Charmion eindelijk naar haar toekwam om haar toe te spreken, was het reeds te laat, want de vertoornde Koningin had haar den rug toegekeerd en Iras toegeroepen: »Zij moet op de Lochias blijven. Haar schuld is bewezen;—doch het komt de beleedigde partij, de aanklaagster, niet toe haar vonnis uit te spreken. Dat blijft overgelaten aan den rechter, in wiens handen wij haar stelden.”

Nu kreeg Barine haar spraakvermogen terug. Hoe kon Cleopatra beweren dat zij overtuigd was van een misslag, zonder hare verdediging aan te hooren? Zoo zeker als zij zich onschuldig voelde, moest zij ook kunnen bewijzen dat zij dat was, en in deze overtuiging riep zij de Koningin op roerend smeekenden toon achterna: »O, mocht Uwe Majesteit niet heengaan zonder mij gehoord te hebben! Zoo waar ik geloof aan uwe rechtvaardigheid, mag ik van u vragen mij nog éénmaal het oor te leenen. Geef mij niet over aan de willekeur van deze vrouw die mij haat, omdat ik de uitverkorene ben van den man, dien zij....”

Hier viel de Koningin haar weder in de rede. De vorstelijke waardigheid verbood haar te luisteren naar de jaloersche beschuldigingen van vrouwen onderling, doch met het fijne gevoel, waarmede de eene vrouw de gezindheid der andere doorziet, hoorde zij duidelijk in den klagenden uitroep van Barine, dat deze oprecht geloofde, dat zij te streng beoordeeld werd. Zij had misschien ook reden om aan den haat van Iras te gelooven, en Cleopatra wist hoe haar jonge vertrouweling allen die haar mishaagden, zonder mededoogen vervolgde. Haar raad, om de zangeres uit den weg te ruimen, had zij ook reeds moeten van de hand wijzen, en daarvoor beefde zij ook nog altijd terug, want alles wat in haar was, waarschuwde haar, om hare ziel niet juist nu met een nieuwe misdaad te belasten, die haar rust verstoren kon. Daarbij was er in dit eigenaardig, bevallig schepsel veel wat haar in den aanvang had aangetrokken; maar de grievende gedachte, dat Antonius haar en de dochter van den schilder, één en hetzelfde geschenk gegeven had, beheerschte haar nog in zulk een mate, dat zij de uiterste grens van genade en zelfbeheersching meende bereikt te hebben, toen zij, zonder zich tot een bepaalde persoon te wenden, nog eens in de zaal uitriep: »Op dit verhoor zal nog een ander volgen. Als de tijd daarvoor gekomen is, moet de beschuldigde ter beschikking van den rechter zijn, en daarom blijft zij op de Lochias in verzekerde bewaring. Ik wil, dat haar geen leed worde gedaan. Gij zijt haar genegen, Charmion. Voorloopig vertrouw ik haar aan u. Alleen,” voegde zij er met verheffing van stem bij, »vrees mijne ongenade, wanneer haar de mogelijkheid wordt gegeven het paleis, al is het maar voor één oogenblik te verlaten, en omgang te hebben met een ander, wie dat ook zij.”

Hierop verliet zij de zaal, en begaf zich naar hare eigen vertrekken. Zij had den nacht tot dag gemaakt, niet alleen om spoedig af te doen wat in hare oogen geen uitstel duldde, maar nog meer omdat zij sedert gruwde van de rustelooze uren op hare eenzame legerstede. Die wilden nooit een eind nemen, en zoo zij zich vroeger gaarne al de pracht en weelde te binnen riep waarmede zij haar leven met Antonius had omringd, zoo verweet zij zich nu, dat zij het geluk van haar volk roekeloos had verspeeld. Het tegenwoordige scheen haar ondragelijk toe, en uit de toekomst zag zij een heirleger droeve zorgen op haar aanstormen.

De volgende dagen brachten allerlei bezigheden meê, en de Koningin sleet halve nachten op de sterrenwacht. Naar Barine had zij nog niet weder gevraagd. Op den vijfden avond liet zij zich door Alexas naar de kleine sterrenwacht brengen, die haar vader op de Lochias had doen oprichten. De gunsteling van Antonius wist haar daar te bewijzen dat een ster, die de hare sinds lang bedreigd had, de planeet was der vrouw, die zij nu even zorgeloos scheen vergeten te hebben, als vroeger zijne waarschuwing voor dezelfde vijandin.

De Koningin gaf dit niet toe, maar hij ging vol ijver voort:

»In den nacht na uwe terugkomst, beweest gij weder uwe goedheid in hare onuitputtelijke, voor ons, die niet zoo edel zijn als gij, onbegrijpelijke volheid. Met diepe ontroering woonden wij toen onder dat belangwekkend verhoor, het treffend schouwspel bij, hoe het grootste van alle harten zich van zijn eigen maatstaf bediende om het kleine en nietige te meten. Doch vóór gij tot een tweede verhoor overgaat, gebieden mij de toekomst-voorspellende zwervelingen daar boven, u nog éénmaal te waarschuwen. Iedere gelaatstrek van die vrouw was vooruit berekend, ieder woord had zijn bedoeling, iedere klank harer stem moest iets uitwerken. Wat zij ook gezegd heeft, en nog zeggen zal, het kan niets anders bedoelen dan mijne verhevene gebiedster te bedriegen. Nog is het tot geen eigenlijk verhoor gekomen. Doch als gij daartoe zult overgaan, dan.... Wat zal zij niet maken van de geschiedenis van Marcus Antonius, Barine, en de beide armbanden? Dat zal een meesterstuk worden!”

»Weet gij hoe het zich werkelijk toegedragen heeft?” vroeg Cleopatra, en hare vingers sloten zich vaster om de stift, die zij in de hand hield.

»Als dat zoo was,” antwoordde Alexas met een veelbeteekenenden glimlach, »dan zou de stilzwijgende heler den steler niet mogen verraden.”

»Ook niet wanneer de bestolene, uwe Koningin, u beveelt het onrechtmatig verkregen goed terug te geven?”

»Tot mijn spijt moet ik zelfs in dat geval gehoorzaamheid weigeren; want zie, edele vorstin! er zijn slechts twee heldere hemellichamen, waarom mijn donker leven zich draait. Zou ik de maan verraden, als ik er zeker van ben dat ik daardoor niets uitwerk dan de warme lichtkracht der zon te verduisteren?”

»Wil dat zeggen dat uwe mededeeling mij, de zon, krenken zou?”

»Ja, wanneer uwe groote ziel ten minste niet te hoog staat om bereikt te worden door de schaduwen, die vrouwen van veel geringere soort dan gij, met onbegrijpelijke zucht tot zelfkwelling op zich neer doen dalen.”

»Denkt gij dat uwe woorden aangenamer worden door de sluiers die gij er over heen hangt? Trouwens, zij zijn doorschijnend, en hinderen het oog maar weinig. Gij gelooft dat mijne ziel vrij van jaloerschheid en van andere zwakheden van mijn geslacht zou zijn? Daarin vergist gij u. Ik ben een vrouw, en wil dat zijn en blijven. Zooals de Chremes van Terentius zegt, dat hij een mensch is, en niets wat menschelijk is hem vreemd, zoo aarzel ik niet mijn aandeel te bekennen in alles wat vrouwelijk is. Anubis heeft mij verteld van een Koningin uit den ouden tijd, van wie de opschriften niet mochten zeggen: »Zij,” maar »hij kwam,” of: »hij, de heerscheres, overwon!” Die dwaze! Wat mij betreft, mijne vrouwelijkheid staat in mijn schatting niet minder hoog dan de kroon. Ik was vrouw, eer ik Koningin werd. De menschen knielen nu zelfs voor mijn ledigen draagstoel neer, maar toen ik in jonger jaren met Antonius in dollen overmoed, verkleed door de straten liep om een feestterrein uit te zoeken, toen keken de jongelingen hunne oogen naar mij uit, en telkens hoorde ik achter mij: »Een schoon paar menschen!” Ja, dan mocht ik met fieren moed naar huis gaan. Maar er was nog iets grooters voor de vrouw te ondervinden. Wanneer het hart der Koningin troon en scepter vergat; wanneer in de heerlijke uren die door Eros waren gewijd, van mijn eigen ik niets overbleef dan de vrouw, dan was er een zaligheid te genieten, zooals de man die niet kent, daar hij enkel gelukkig wil zijn, terwijl wij.... Doch wat kunt gij mannen, die slechts vraagt en begeert, van de zaligheid van het geven en de toewijding weten?.... Ik ben een vrouw, en boven geen enkele aandoening van het vrouwengemoed verheven, want ik zou het niet willen zijn. En daarom, wat ik nu vraag, dat vraag ik u niet als Koningin, maar als vrouw.”

»Als dat het geval is,” viel Alexas in, met de hand op het hart, »dan legt gij mij geheel en al het stilzwijgen op; want indien ik aan de vrouw Cleopatra bekennen wilde wat in mijn ziel omgaat, dan zou ik mij aan een dubbele misdaad schuldig maken. Ik zou mijn belofte van geheimhouding verbreken, en den vriend verraden, die zijn verheven gemalin mede aan mijne bescherming heeft toevertrouwd.”

»Nu wordt de duisternis mij al te groot,” antwoordde Cleopatra en hief daarbij trotsch het hoofd op. »Of, indien het mij behaagde den sluier op te lichten, dan moest ik u wijzen op de grenzen....”

»Die aan de Koningin zijn gesteld,” voltooide de Syriër den volzin, terwijl hij onderdanig boog. »Daar ziet gij het al! Het behoort werkelijk tot de onmogelijkheden, de vrouw af te scheiden van de vorstin. Wat mij betreft, ik wil de eene niet in het harnas jagen tegen den al te vermetelen vereerder, en tegelijk jegens de andere de verschuldigde gehoorzaamheid in acht nemen. Daarom verzoek ik u, van den armband en al wat daar pijnlijks aan verbonden is, op iets anders over te gaan. Wellicht zal de schoone Barine zelve u dat alles nog eens bekennen, en voegt zij er dan nog bij, hoe zij den beminnelijken zoon van den grootsten aller mannen en de bewonderenswaardigste aller moeders, den jongen koning Cæsarion, in hare netten gevangen heeft.”

De oogen der Koningin begonnen te fonkelen, en misnoegd riep zij uit: »Zooeven zag ik den knaap als van demonen bezeten. Hij wilde het verband van zijn wond rukken, indien men hem de vrouw, die bij beminde, niet gunde. Het ligt voor de hand aan een tooverdrank te denken, en zijn gouverneur wijt natuurlijk alles aan magische kunsten. Charmion verzekert daarentegen dat zijne bezoeken de verleidster verdroten en haar zelfs beangstigd hebben. Alleen door een streng verhoor zal daarin licht te krijgen zijn. Wij zullen eerst de terugkomst van den imperator afwachten. Denkt gij, dat hij weder de zangeres zal bezoeken, als hij terug is? Gij zijt het meest in zijn vertrouwen. Beoogt gij zijn welzijn, en is u ook aan mijne gunst iets gelegen, dan aarzelt gij nu niet langer en beantwoordt mijn vraag.”

De Syriër liet het voorkomen alsof hij het na een moeielijken inwendigen strijd eindelijk met zichzelf eens geworden was, en gaf met vastheid ten antwoord: »Zeker en stellig zal hij Barine bezoeken, wanneer gij hem daarvan niet terughoudt. Alles zou zeker op de allereenvoudigste manier uitgemaakt worden, wanneer men....”

»Nu?”

»Wanneer men hem dadelijk bij zijn landing meedeelde dat zij niet meer te vinden is. Ik zelf zou bijzonder gaarne deze opdracht van mijn koninklijke Zon ontvangen.”

»En denkt gij dat het een weinig het licht van uwe maan benevelen zou, indien hij haar hier te vergeefs zocht?”

»Even zeker als het tegendeel het geval zou zijn, indien hij de onvergelijkelijke heerlijkheid zijner Zon steeds zoo dankbaar besefte als zij het verdient. Zoo lang Helios aan den hemel prijkt, duldt hij geen andere sterren naast zich. Zijn glans dooft dien van alle anderen uit. Mijne Zon gebiedt, en het kleine sterretje Barine verdwijnt.”

»Houd op! Nu weet ik wat gij bedoelt. Maar een menschenleven is niet zoo gering te tellen, en deze vrouw heeft een moeder. Daarom moet ik eerst overwegen en bepeinzen of er ook nog iets anders is dan dit uiterste redmiddel. Het moet met allen mogelijken spoed en met goeden wil geschieden.... Maar ik.... Nu, terwijl het lot van mijn land, van mijzelve en mijne kinderen op het spel staat, nu geen kwartieruurs mijzelve toebehoort, en er geen eind komt aan het schrijven en raadplegen, mag ik mijn tijd niet met dergelijke dingen verbeuzelen. De werkzame geest....”

»Dien moet het vergund zijn zich ongehinderd op zijn vleugelen te verheffen,” riep de Syriër met vuur. »Laat de oplossing van kleinere vraagstukken gerust aan vertrouwde vrienden over.”

Hier werden zij gestoord door den »binnenleider” die de komst van den Regent Mardion meldde. Hij liet zeggen, dat hij kwam voor zaken, die geen uitstel konden lijden, ofschoon het reeds zoo laat was.

Alexas geleidde de Koningin in het tablinum, waar zij den eunuch reeds vonden. Een slaaf droeg hem een zak vol briefrollen na, die hem zooeven gebracht waren door twee boden uit Syrië. Daar waren eenige onder, die onmiddellijk moesten beantwoord worden. Met hem wachtten ook de zegelbewaarder en de Exegeet. Deze waren zoo laat gekomen om te overleggen, welke maatregelen er moesten genomen worden tegenover de opgewonden burgerij. Den vorigen dag hadden allen die op de vloot waren overgebleven, op versierde schepen alsof er een overwinning was behaald, hun intocht in de haven gedaan. Eerst waren de terugkeerenden luide toegejuicht, maar met de snelheid van den wind had zich de tijding van de nederlaag bij Actium verspreid. Thans waren er samenrottingen onder de menigte; vóór het Sebasteum waren al allerlei bedreigingen geuit; op het Serapeumplein had men de hulp der troepen moeten inroepen, en er was reeds bloed gevloeid.

Daar lagen de briefrollen. De zegelbewaarder maakte de opmerking dat ook voor het kanaal nieuwe volmachten noodig waren, en de Exegeet verzocht dringend om een beslist antwoord.

»Het is wel veel!” mompelde Cleopatra bij zich zelve. Maar daarna richtte zij zich hooger op, en riep: »Welaan dan, aan het werk!”

Doch Alexas liet het daartoe nog zoo spoedig niet komen, want hij naderde ootmoedig, en terwijl zij zich aan de groote schrijftafel zette, fluisterde hij: »En kan mijn hooge gebiedster onder al die gewichtige zaken nog tijd en denkkracht verspillen aan die rustverstoorster? Uwe goddelijke Majesteit lastig te vallen met deze beuzeling, is misdaad, maar zij moet worden gepleegd, want als deze zaak onafgedaan blijft, dan kan uit het sijpelende beekje een bergstroom worden....”

Cleopatra, wier blik juist op een noodlottigen brief van Koning Herodes gevallen was, keerde haar gelaat ten halve naar den gunsteling van haar gemaal, en riep met gloeiende wangen hem enkel toe: »aanstonds.”

Vervolgens liep zij den brief vluchtig door, schoof dien driftig ter zijde, en liet den wachtenden Alexas gaan, met den ongeduldigen uitroep: »Zorg gij dan maar voor het verhoor, en wat daarbij behoort. Geen onrechtvaardigheid, maar ook geen ongepaste goedertierenheid. Ik zal zelf nog een blik slaan in deze onaangename zaak, eer de imperator terugkeert.”

»En de volmacht?” vroeg de Syriër weder met een diepe buiging.

»Die hebt gij. Hebt gij iets op schrift noodig, wend u dan tot Zeno. In een rustiger uur spreek ik u weder.”

De Syriër trok zich terug, doch Cleopatra keerde zich tot den eunuch en riep gloeiend van opgewondenheid, terwijl zij op den brief van den Koning der Joden wees: »Hebt gij ooit schandelijker ondankbaarheid gezien? De ratten denken dat het schip zinkt, en dat het voor hen tijd wordt het te verlaten. Als wij er in slagen het boven water te houden, dan komen zij bij troepen terug, en dat moet, moet, moet geschieden, ter wille der zelfstandigheid van dit dierbare land... En de kinderen, de kinderen!—Alle krachten moeten worden ingespannen, alle middelen uitgedacht en gebruikt. Op ieder wankelend vertrouwen zullen wij zoolang hameren, totdat het aan het harde staal der zekerheid gelijk wordt. Wij zullen de nachten veranderen in dagen. Het kanaal zal onze vloot behouden, in Afrika zal Marcus Antonius zeker Pinarius Scarpus vinden met nog versche, trouwe legioenen. De zwaardvechters zijn ook op onze hand. Die zullen wij gemakkelijk voor ons winnen, en nog allerlei andere gedachten dwarrelen in mijn hoofd. Maar eerst naar de Alexandrijnen. Geen geweld!”

Nu volgde nog het ééne bevel op het andere, en zij beloofde, als het noodig was zich aan het volk te zullen vertoonen.

De Exegeet aanvaardde vol bewondering hare heldere en verstandige opdrachten. Nadat hij zich met zijn metgezellen verwijderd had, richtte de Koningin zich weder tot den Regent, en zeide: »Het was toch goed, dat wij hen eerst verblijdden met dit bericht van de overwinning. De onverwachte ongelukstijding zou hen, ik weet niet tot welke waanzinnige daad hebben gebracht. Ontgoocheling is een meer alledaagsche pijn, waartegen minder sterke middelen reeds helpen. Buitendien was hier veel te regelen, vóór zij wisten dat ik er reeds was. Wat hebben wij niet al ten uitvoer gebracht, Mardion! Maar ik heb mij dan ook nog niet eens recht het genot van mijn kinderen gegund! Mijn oudste vrienden, zelfs Archibius, moest ik afschepen met de belofte van later met hem te zullen spreken. Als hij terugkomt, moet hij bij mij worden toegelaten. Ik heb reeds last daartoe gegeven. Hij kent Rome. Ik moet hem hooren over de zaken, die ik behandeld wil hebben.”

Plotseling overviel haar een huivering; zij drukte de hand tegen het voorhoofd en riep: »Octavianus de overwinnaar, Cleopatra de overwonnene! Ik, die voor Cæsar alles was, genade afbedelend van zijn erfgenaam! Ik, ik een smeekeling voor den broeder van Octavia! Doch neen, neen!.... Er zijn nog honderd manieren mogelijk om zoo iets vreeselijks te voorkomen. Wie het veld wil dwingen vruchten voort te brengen, moet echter vlijtig graven, water scheppen, ploegen en zaaien. Aan het werk dus, aan het werk!.... Als Antonius terugkomt, moet hij alles gereed vinden. Bij den eersten goeden uitslag krijgt hij zijn verloren kracht tot handelen terug. Ik heb dien brief dààr reeds doorgevlogen terwijl ik met den magistraat der stad sprak.... nu zal ik het antwoord dicteeren.”

En zoo zaten zij te lezen en te schrijven, liet zelve schrijven, luisterde, gaf antwoord en deelde bevelen uit, totdat het licht werd in het Oosten, de morgenster verbleekte, en de afgematte Regent haar dringend verzocht te denken aan haar eigen kracht en zijn jaren, en hem eenige uren rust toe te staan.

Toen liet zij zich eindelijk naar haar slaapvertrek leiden, waar het zoo donker mogelijk gemaakt was. Ditmaal sloot een zoete, droomlooze slaap spoedig haar oververmoeide oogen, en hield die gesloten, totdat zij gewekt werd door het luide geschreeuw der menigte, die gehoord had dat de Koningin teruggekeerd was, en daarom naar de Lochias was geijld.

19) Hofmaarschalk.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Gedurende dezen rusttijd waren Iras en Charmion bij afwisseling in de nabijheid der Koningin gebleven. Toen zij opstond bood de jongste van de twee haar de behulpzame hand. Tot den avond toe mocht zij zich weiden aan hare meesteres, want de gezellin, die haar de laatste dagen zoo in den weg stond, zou eerst dan terugkeeren. Vóór dat Charmion heenging, had zij intusschen gezorgd dat hare vertrekken, waarin Barine, op aanwijzing der Koningin behandeld werd als een welkome gast, goed werden bewaakt.

De bevelhebber der Macedonische jongelings-lijfwacht, die vele jaren geleden vergeefs naar hare hand had gedongen, en eindelijk haar trouwste, welmeenendste vriend geworden was, had de taak op zich genomen Barine zorgvuldig te bewaken.

Toch had Iras zich den slaap harer gebiedster en de afwezigheid harer oudere mede-kamervrouw ten nutte weten te maken. Zij had gehoord dat de vertrekken van deze, en daardoor ook Barine zelve, ongenaakbaar voor haar waren. Vóór zij iets tegen de gevangene ondernemen kon, moest zij ook eerst allerlei dingen met Alexas bespreken. Nu hare verwachting haar mededingster in het stof vernederd te zien, niet was vervuld, was haar jaloersche wrok in haat veranderd, en al was zij Charmion's nicht, een deel daarvan bracht zij op deze over, omdat zij zich beschermend geplaatst had tusschen haar en haar slachtoffer.

Zij had den Syriër bij zich ontboden, maar hij was ook eerst laat ter rust gegaan, en liet nu lang op zich wachten. De ontvangst, die hem door het ongeduldige meisje was bereid, kon dan ook in het begin alles behalve hartelijk heeten, maar spoedig werd zij vriendelijker jegens hem.

Vooreerst beroemde Alexas er zich op, dat hij de Koningin had overreed om Barine op genade of ongenade aan hem over te leveren. Wanneer hij haar des middags in het verhoor nam en schuldig bevond, dan kon niets hem verhinderen haar des avonds den giftbeker te laten drinken of te doen worgen. Maar die zaak was gevaarlijk, daar de aanhangers der zangeres vele in getal en niet van macht ontbloot waren. In den grond wenschte Cleopatra zeker niets vuriger dan zich van de gevaarlijke mededingster te ontslaan, maar hij kende de grooten der aarde. Als hij krachtig optrad en er spoedig een eind aan maakte, dan zou de Koningin, ter wille van haar goeden naam, de daad op zijne verantwoording stellen. Op Antonius viel niet te rekenen, en van diens gunst hing al zijn wel en wee af. De terechtstelling der zangeres van het laatste Adonisfeest kon op het Alexandrijnsche volk de allergevaarlijkste uitwerking hebben. Het was toch al zoo verontwaardigd en zijn broeder, die het volk goed kende, had gezegd: hier verging het van rouw, en dáár was het op het punt in dolle woede een bloedig oproer te verwekken. Van dit gepeupel kon men alles verwachten; doch Philostratus verstond ook de kunst het tot allerlei over te halen, en hij had zich te voren van zijn hulp verzekerd.

Inderdaad, het werk der verzoening was Alexas goed gelukt. In den tijd toen de improvisator met Barine gehuwd was, had zij haar zwager den toegang tot haar huis ontzegd en haar echtgenoot was met zijn broeder die zijn vrouw voor zich begeerde, in onmin geraakt. Nadat deze echter zoo hoog was gestegen in de gunst van Antonius, en door diens altijd geopende hand met goud was overladen, was Philostratus weder naar hem toe gekomen om zijn deel te eischen van dien pas verkregen rijkdom. En de bron, waaruit Alexas putte, vloeide zoo rijkelijk, dat het geven den gunsteling in het geheel niet zwaar viel. Beiden waren even gewetenloos als verkwistend, en bij hen werd de waarheid gestaafd, dat lage naturen er altijd een pad op na houden, dat de tweedracht overbrugt. Is dat van goud, dan wordt dat het spoedigste betreden. Zoo was het dan ook hier, en in de laatste dagen had dat pad een bijzondere vastheid verkregen, want wederkeerig hadden zij elkander noodig.

Alexas wenschte Barine te bezitten, terwijl Philostratus zich niet meer om haar bekommerde. Daarentegen haatte hij Dion met zulk een fellen dorst naar wraak, dat hij om dien te lesschen, zelfs de hoop op nieuwe veroveringen zou hebben prijsgegeven. De vernedering, die hem door den hoogmoedigen Macedonischen edelman aangedaan was, en de smaad, waarmede hij door zijn schuld was bedekt, lieten hem evenmin rust als lasterende vervolgers, en hij voelde dat hij zich van hen slechts tegelijk met den veroorzaker daarvan, kon ontdoen. Zonder zijn broeder had hij zich moeten vergenoegen met hen door zijne lastertong te benadeelen; met den steun van diens veelvermogenden bijstand kon hij hem veel erger dingen aandoen, ja zelfs de vrijheid en het leven benemen. Daarom hadden zij zooeven een afspraak gemaakt, waarbij Philostratus op zich nam het volk te verzoenen met alles wat Barine zou worden aangedaan, terwijl de ander beloofd had zijn broeder te helpen om een bloedige wraak te nemen op Dion.

Met den dood van Barine zou Alexas niet gediend zijn, want toen hij haar had wedergezien, was hij opnieuw voor haar ontvlamd, en hij wilde haar eindelijk de zijne noemen. In den kerker, misschien op de pijnbank, zou zij gedwongen worden zijn reddende hand aan te grijpen. Doch dit alles leed geen uitstel. Het moest alles afgeloopen zijn vóór Antonius terugkwam, en hij kon ieder oogenblik verwacht worden. De verkwistende beschermer had hem zoo rijk gemaakt, dat het hem thans onverschillig liet of hij door dit geval bij hem in ongenade viel. Ook zonder hem zou hij nu met Barine een weelderige huishouding kunnen opzetten in een der steden van zijn Syrisch vaderland.

Toen de gunsteling verzekerde dat hij reeds den volgenden dag Barine onttrekken zou aan de hoede van Charmion, werd Iras reeds vriendelijker jegens hem gestemd. Tegen zijn beweren dat het nieuwe verhoor wel is waar tot geene doodstraf zou kunnen leiden, maar wel tot een verwijzing naar de steengroeven of iets dergelijks, had zij niets ernstigs in te brengen.

Nu trachtte Alexas voorzichtig uit te vorschen hoe Iras dacht over den doodvijand van zijn broeder. Zij droeg dezen geen goed hart toe, doch zoodra hij er op zinspeelde dat ook hij aan de straffende gerechtigheid kon worden overgeleverd, kwam zij daar zoo ijverig tegen op, dat hij dat onderwerp liet rusten en het gesprek weder bracht op de vrouw, die veroordeeld moest worden. Zij stelde zich weder met haar gewone levendigheid tot zijn beschikking, en men besloot den volgenden dag, terwijl Charmion des voormiddags dienst had bij de Koningin, de gevangenneming te doen plaats hebben.

Iras wist goeden raad te geven, want in een der gevangenissen was zij goed bekend. Zij had de poorten daarvan geopend voor menig ongelukkige, van wien zij geloofde dat zijn verdwijnen de Koningin van dienst zou zijn. Zij had het bij zulke gelegenheden als haar plicht beschouwd, hand in hand met den zegelbewaarder haar gebiedster te voorkomen, wanneer het deze, in hare goedheid, te moeilijk zou gevallen zijn een streng vonnis uit te spreken. Cleopatra had zich dat dan laten welgevallen, zonder zich er over uit te laten, noch het te beloonen. Wat binnen die muren voorviel, drong, dank de stilzwijgendheid van den wachter, niet naar buiten door. Het was wellicht in dien kerker niet fraai, en toch, als Barine daar was en dan het leven verwenschte, had zij het altijd nog beter dan zij. Iras, die in de laatste nachten, wanneer zij dacht aan den man, die hare liefde had versmaad en haar had opgeofferd aan een ander, aan den rand der wanhoop was geweest.

Toen de Syriër haar reeds de hand tot afscheid reikte, vroeg zij op eens: »En Dion?”

»Hij zal zijne vrijheid wel verbeurd hebben,” was het antwoord, »want Barine is zijn geliefde; de dwaas was reeds op het punt haar als zijn echtgenoot in zijn fraai paleis binnen te leiden.”

»Is dat waar? zonder eenigen twijfel waar?” vroeg Iras, terwijl zij wel hare kalmte bewaarde, maar niet verhinderen kon, dat het bloed uit haar wangen en lippen verdween.

»Hij heeft het gisteren aan zijn oom, den zegelbewaarder, medegedeeld in een brief, en hem daarbij bezworen voor zijne uitverkorene, die hij voor altijd trouw gezworen had, het zijne te doen. Doch Zeno wil van deze nicht niets weten. Wilt gij den brief zien?”

»Als dat zoo is,” begon het meisje opnieuw, en haar hooge stem kreeg weder een schrillen klank, »dan kan men hem ook niet vrij laten. Voor zijn geliefde zet hij alles op het spel, en dat is veel—veel meer dan gij, die hier half vreemd zijt, vermoeden kunt. De Macedonische geslachten hangen alle aan elkander. Hij maakt deel uit van den Raad.... De ephebenvereenigingen staan als één man achter hem... En het volk... Toen uw broeder onlangs handelde zooals ik hem had gezegd, heeft hij hem in de wielen gereden op een manier die.... Men moest hem op het laatst ophalen uit het bekken der fontein, druipend van water en van schande....”

»Juist om dat alles zou men nu zijn mond moeten stoppen...”

Iras knikte hem goedkeurend toe, maar na een korte pauze viel zij uit: »Ik zal u helpen, om hem tot zwijgen te brengen, doch niet voor altijd. Vergeet dat niet! Dat gezegde van Theodotus, van de doode honden die niet meer bijten, heeft bij ons geen zegen gebracht aan hen die hem dat nazeggen. Er zijn andere middelen, om ons van dezen man te ontdoen.”

»Een vogel heeft mij voorgezongen, dat gij hem wel lijden mocht.”

»Een vogel? Dan zeker een uil, die bij daglicht niet ziet. Zijn ergste vijand, uw broeder, zou liever een offer voor zijn welzijn brengen, dan ik.”

»Dan begin ik belangstelling te krijgen in dien Dion.”

»Ik zag onlangs reeds hoe gij mij in medelijden overtreft. De dood is niet de ergste van alle straffen.”

»Dus daarom dat genadig uitstel?”

»Misschien wel. Maar wij hebben nog andere dingen te bedenken: vooreerst welk een tijd het is, nu alles wankelt, zelfs de macht der Koningin, die nog zoo kort geleden een muur gelijk was, die veel dekte, en voor iederen aanval beschutte. Vervolgens den persoon van Dion. Ik heb al opgenoemd wie al niet voor hem in de bres zal springen.... En de Koningin kan, sedert Actium, het veelhoofdige monster »Volk” niet meer toeroepen »gij moet”, maar »ik verzoek u”. Het andere....”

»Deze eerste bedenkingen zijn genoeg. Mag ik ook weten, wat mijn wijze vriendin over den beklagenswaardigen man, dien zij haar gunst onttrok, nu heeft beschikt?”

»Vooreerst gevangenschap hier op de Lochias. Hij heeft zijn hand bevlekt met het bloed van den »Koning der koningen”, Cæsarion. Dat is hoogverraad, ook in de oogen van het volk. Gij moet nog heden het bevel ter gevangenneming zien te krijgen.”

»Wanneer het doenlijk is, de Koningin met zoo iets aan te komen.”

»Het is niet voor mij, maar om haar voor onheil te behoeden, dat wij dat noodig hebben. Weg met alles wat in deze dagen der eindbeslissing haar helderen geest benevelt! Eerst met Barine, die haar thuiskomst bedorven heeft, en dan met den man, die in staat zou zijn terwille dezer vrouw, te Alexandrië een oproer te verwekken. Aan haar de groote zorgen voor staat en troon; aan mij de kleine die haar toilet en haar hart betreffen.”

Hier werd zij gestoord door eene der slavinnen van Cleopatra. De Koningin was ontwaakt, en Iras haastte zich om op haar post te zijn.

Toen zij de vertrekken van Charmion voorbijkwam, en daarvóór twee flinke krijgslieden uit de Macedonische jongelings-wacht ter bewaking op en neer zag loopen, nam haar gelaat een sombere uitdrukking aan. Haar mede-kamervrouw liet Barine bewaken alleen voor haar. Zij had zich van de oudere vrouw, wier nicht zij was, een strenge berisping op den hals gehaald, ter oorzake van de vrouw, die voor haar de oorzaak was van zooveel leed, en daarbij had zij spijt gehad dat zij haar vroeger had medegedeeld wat zij voor Dion gevoelde. Er mocht van komen wat wilde, de giftboom, waaruit al deze ellende, deze vrees en ergenissen waren opgegroeid, moest uitgeroeid, en zij uit de rijen der levenden geschrapt worden.

Eer zij in het voorvertrek der Koningin binnentrad, had zij in stilte het doodvonnis harer vijandin uitgesproken. Nu moest haar scherpzinnige geest nog den Syriër weten over te halen om de voltrekking daarvan op zich te nemen. Als deze steen des aanstoots eenmaal uit den weg was geruimd, zou het ook weder mogelijk zijn in goede verstandhouding met Charmion te leven, dan zou Dion weder vrij zijn, en dan.... Hoe hij haar ook had gekrenkt, zij zou hem toch beschermen voor den haat van Philostratus en diens broeder.

Met een verlicht hart kwam zij bij de Koningin. De vernietiging van het leven eens veroordeelden greep haar in de nabijheid der straffende Majesteit sinds lang niet meer diep in de ziel. Terwijl zij haar door den slaap verkwikte gebiedster de eerste diensten bewees, verhelderde zich haar gelaat hoe langer hoe meer, want de Koningin uitte ongevraagd hare blijdschap, dat zij op dezen dag door haar werd bediend, en niet altijd weder werd lastig gevallen met diezelfde onaangename zaak, die overigens spoedig genoeg afgehandeld zou zijn.

Dit zag op Charmion, die in het bewustzijn dat geen ander aan het hof dit wagen mocht, in weerwil van menige terechtzetting, niet moede geworden was Barine's verdediging te beproeven. Doch eindelijk had Cleopatra haar den vorigen dag toornig gelast, haar niet weder aan te komen met die onheilstichtster.

Toen Charmion haar daarop had verzocht den volgenden dag den dienst aan Iras te mogen overlaten, had de Koningin reeds berouw gevoeld over dien uitval tegen haar vriendin. Zij had Charmion het gevraagde verlof gaarne toegestaan, en haar zelfs vriendelijk verzocht hare drift toe te schrijven aan de zorgen die haar drukten. »En als gij mij weder uw goed, trouw gezicht vertoont,” had zij tot besluit gezegd, »dan zult gij hebben ingezien, dat een ware vriendin van een ongelukkige die zij liefheeft, alles verwijderen moet wat haar toch al beneveld levenslicht nog erger verduisteren zou. De enkele naam van deze vrouw klinkt mij als een spotlied in mijn moeilijk verkregen rust. Ik wil dien niet meer hooren.”

Dat alles had zoo lief en innemend geklonken, dat Charmion's geraaktheid was versmolten als sneeuw voor de zon. Toch had zij haar met angstige voorgevoelens verlaten, daar Cleopatra, eer zij uit de kamer ging, in het voorbijgaan had opgemerkt, dat zij de zaak der zangeres in handen van Alexas had gegeven. Zij waardeerde nu dubbel dat zij een vrijen dag vóór zich had, want zij wist, hoe deze gewetenlooze gunsteling omtrent de jonge vrouw gezind was, en zij wilde met Archibius overleggen, hoe zij haar voor het ergste behoeden zou.

Toen zij eerst laat ter ruste ging, hielp haar daarbij de bruine kamervrouw, die uit haar ouderlijk huis meegekomen was naar het hof. Zij was uit Nubië geboortig waar zij gekocht was, toen het gezin van Alypius het kind Cleopatra naar het Isis-eiland Philae had gebracht.

Charmion, die in dien tijd een aankomend meisje was, had Anukis, zoo heette de slavin, ten geschenke bekomen als eerste kamervrouw in haar eigen dienst, en het meisje had zich zoo verstandig, geschikt, voor ontwikkeling vatbaar en aanhankelijk getoond, dat hare meesteres haar medegenomen had tot haar persoonlijke hulp in het Koninklijk paleis.

Even innig als Charmion aan de Koningin was gehecht, was Anukis het aan haar. Zij had een hartelijke, onbaatzuchtige liefde opgevat voor haar meesteres, die iets jonger was dan zij, en haar sinds lang de vrijheid gegeven had, en Charmion had haar met zooveel vriendelijkheid bejegend, dat de belangen der Nubische bij haar eigene niet verre achterstonden. Haar eenvoudig doch scherp verstand en haar natuurlijke geestigheid hadden haar in het paleis een zekere vermaardheid doen krijgen. Cleopatra had zich menigmaal verwaardigd een snedig antwoord van haar uit te lokken, en ook Antonius had dat wel gedaan. Daar de licht gekromde rug die zij in haar jeugd had gehad, langzamerhand een bult geworden was, had hij haar den naam Aisopion gegeven, dat is de kleine, vrouwelijke Aesopus. Thans noemde iedereen in de omgeving der Koningin haar zóó, en ook, wanneer anderen, die lager geplaatst waren dan zij, dat deden, liet zij zich dat welgevallen, ofschoon haar vlugge geest haar menig scherp antwoord op een woord dat haar mishaagde, ingegeven had. Doch zij kende de levensgeschiedenis en de fabelen van Aesopus, die ook eens een slaaf was geweest, en vond het eervol bij hem te worden vergeleken.

Toen Charmion Cleopatra verlaten had en ter ruste wilde gaan, vond zij Barine reeds in vasten slaap, doch Anukis wachtte haar op, en hare meesteres besprak met haar de droeve vrees voor Barine, die de Koningin bij haar had opgewekt. Zij wist hoe de Nubische de jonge vrouw genegen was, die zij als kind reeds op de armen had gedragen, en wier vader Leonax dikwijls met haar geschertst had. Vol belangstelling had zij haar in haar verder leven gevolgd, en sedert Barine de gast harer meesteres was, had zij alles gedaan wat zij kon, om haar afleiding te geven en gerust te stellen.

Iederen morgen had zij de moeder van Barine bezocht om naar den toestand van Dion te vragen, en altijd goede tijdingen mee terug gebracht. Zij kende ook den zaakwaarnemer Philostratus en diens broeder, en daar zij Antonius, die zoo goedaardig met haar schertste, gaarne lijden mocht, had zij het betreurd dat zulk een gewetenloos man als Alexas zijn voornaamste vertrouweling was. Zij was ook op de hoogte van de aanzoeken, waarmede de Syriër Barine had vervolgd, en toen Charmion haar mededeelde dat de Koningin het lot van haar beschermeling in de hand van dezen man had gelegd, kreeg haar bruin gelaat een vale tint, doch zij bedwong zich om de ontzetting, die dit bij haar wekte, te verbergen.

Hare meesteres wist immers wat de keus van dezen rechter voor Barine beteekenen moest. Het zou haar verkeerd toegeschenen hebben hare nachtrust door de voorstelling van haar eigen zielsangst te storen. Het was goed dat Charmion den volgenden morgen vroeg Archibius, dien zij voor den wijsten van alle mannen hield, om hulp wilde vragen; maar toch stelde dat haar nog in geenen deele gerust. Zij kende de fabel van den leeuw en de muis, die men in haar land verteld had, al lang vóór den tijd van den dichter, aan wien zij haar bijnaam te danken had, en zij was zelve reeds meer dan eens in de gelegenheid geweest om een gewichtigen dienst te bewijzen aan menschen die veel grooter en machtiger waren dan zij. Om Charmion spoediger te doen inslapen en haar op andere gedachten te brengen, vertelde zij haar nu van Dion, dien zij heden veel beter gevonden had. Zij voegde er bij, hoe teeder hij Barine scheen te beminnen, en hoe aandoenlijk geduldig en haar vader waardig, zij de dochter van Leonax weder gevonden had.

Zoodra haar gebiedster sliep, ging zij naar de zaal, waar zij, in weerwil van het vergevorderde uur, mocht verwachten een deel van het dienstpersoneel te vinden, en overtuigd was als een zeer welkome gast te worden begroet. Toen kort daarna de lijfslaaf van Alexas verscheen, vulde zij zijn beker, zette zich naast hem neder, en zocht met alle middelen die haar ten dienste stonden, zijn vertrouwen te winnen. Dat gelukte de verstandige Nubische vrouw zoo goed, dat Marsyas, een aardige jonge Liguriër, toen zij weg gegaan was, aan de anderen verzekerde dat Aisopion met hare grappen en geschiedenissen de kunst verstond om de dooden weer levend te maken; met dat bruine monster ernstig te praten, zeide hij, was even prettig als te stoeien met zijn blonde geliefde.

Charmion ging den volgenden morgen weder van huis, en in dien tijd wist Anukis Marsyas weer te vinden, en hoorde van hem, dat Iras Alexas bij zich ontboden had, en op welk uur hij komen zou. Zijn heer scheen tegenwoordig met die slanke Macedonische jonkvrouw veel geheimen te moeten bespreken.

Voor Barine was het een teleurstelling, dat Anukis ditmaal geen nieuws medebracht van haar moeder en Dion, doch de Nubische verzocht haar geduld te hebben, en haalde boeken en een spinnewiel voor haar, om zich daarmede in de eenzaamheid den tijd te verdrijven. Zij zelve moest in de keuken gaan, omdat zij gisteren had gehoord dat de koks paddestoelen hadden gekocht, die wel eens vergiftig konden zijn. Zij kende echter de soorten goed uit elkander, en wilde ze daarom zelve in oogenschouw nemen.

Daarop ging zij door Charmion's slaapvertrek, in de gang, die de aangrenzende kamers der beide vertrouwelingen van de Koningin verbond, en sloop de vertrekken van Iras binnen. Zoodra Alexas binnenkwam, had zij zich verborgen achter een der tapijten, die de muren van de ontvangkamer geheel bedekten.

Nadat de Syriër weder vertrokken en Iras uit haar kamers geroepen was, keerde zij tot Barine terug en zeide dat er werkelijk vergiftige paddestoelen onder geloopen hadden, en nog wel van de gevaarlijkste soort. Men had die ook reeds gekookt, en daarom moest zij nu uitgaan om voor tegengif te zorgen. Daar kon Barine zeker niets tegen hebben, als zij wist dat meer dan één kostbaar menschenleven er mee gemoeid was.

»Ga gerust,« antwoordde deze vriendelijk. »Maar als gij nog de oude dienstvaardige Aisopion zijt, dan vreest gij zeker niet een kleinen omweg te maken.«

»En loopt eens aan in het huis naast den Paneumtuin,« viel de ander in. »Dat had ik mij toch al voorgenomen. Een smachtend verlangen is voor een minnend hart ook vergif, en dáárvoor is het tegengif: een goede tijding.«

Met een lachend gezicht liet zij nu haar lieveling alleen, doch nauwelijks was zij in de open lucht, of er kwamen diepe rimpels in haar bruin voorhoofd, en zij bleef een poos peinzend stilstaan. Vervolgens ging zij naar het Bruchium om een ezel te huren voor den tocht naar Kanopus, waar zij Archibius wilde opzoeken. Het was intusschen zeer moeielijk de plaats waar de ezels stonden, te bereiken. Op de kade tusschen de Lochias en den Muzenhoek was een groote volksmenigte bijeenverzameld, en troepen geringe lieden, matrozen en slaven stroomden nog altijd toe. Toch kwam zij eindelijk en ten laatste bij den ezelverhuurder, en terwijl de drijver haar hielp om het gekozen dier te bestijgen, vroeg zij hem, wat daar toch te doen was.

»Zij halen het huis van Didymus, den ouden man van het Museum omver,” was het antwoord.

»Hoe is dat mogelijk?” riep de Nubische vol schrik. »Die oude, kloeke man.”

»Kloek?” herhaalde de drijver smadelijk. »Hij is een verrader, die aan al het onheil mede schuld heeft. Dat heeft de pleitbezorger Philostratus, de broeder van den grooten Alexas en een vriend van Marcus Antonius, zelf verzekerd. Hij wilde het ook bewijzen, en dus moet het wel waar zijn. Hoor zij eens schreeuwen! en wat vliegen die steenen! Ja, zijn kleindochter en haar geliefde hebben samen Koning Caesarion opgewacht, om hem het leven te benemen. Doch de wacht is bijtijds toegeschoten, en nu ligt hij gewond op zijn legerstede. Als de groote Isis niet te hulp komt, dan zal het wel spoedig gedaan zijn met den jongen Koning.”

Hierop keerde hij zich weder naar zijn ezel, gaf hem met zijn langen stok twee flinke slagen rechts en links op zijn rug, en riep hem toe: »Niet waar, grauwtje? het doet toch goed te hooren, dat er op een koninklijken rug ook nog wel een plekje is, waar de slagen vallen.”

Ondertusschen was de Nubische in tweestrijd of zij den ezel niet zou doen omkeeren en eerst bij Didymus aangaan. Doch Barine dreigde een grooter gevaar, en haar leven was kostbaarder dan dat van het oude paar. Dat gaf den doorslag, en zonder verder oponthoud reed zij voort.

De ezel en zijn drijver deden hun uiterste best, maar toch kwamen zij te laat. Anukis hoorde in het kleine paleis te Kanopus reeds van den portier, dat Archibius naar de stad was gegaan met den geschiedschrijver Timagenes, een oud vriend van hem, die tegenwoordig in Rome woonde, en nu als afgezant scheen gekomen te zijn.

Charmion was daar ook reeds geweest, en zij had haar broeder evenmin te huis gevonden. Daarom was zij hem in een wagen nagereden. Dat was slecht nieuws, dat bovendien noodlottig kon worden door het tijdverlies dat er van komen zou. Liep die ezel maar wat harder! Het is waar, Archibius had zijn stal vol paarden, maar wie was zij, om te durven wagen zich daarvan te bedienen. Toch had zij in verloop van tijd iets verworven dat haar met vele vrij- en hooggeborenen gelijk stelde: den goeden naam van betrouwbaarheid en verstand. Daarop rekende zij, en deelde den ouden, trouwen huismeester mede, zoo goed en zoo kwaad het ging, waarom het haar te doen was. Spoedig daarna geleide hij haar zelf met twee muildieren naar de stad en de tuinen van het Paneum.

Hij koos den naasten weg daarheen, door de Zonnepoort en de Kanopische straat. Daar wemelde het altijd van menschen op dezen tijd van den dag, maar nu was het er niet bijzonder druk. Ieder die tijd en gelegenheid had, was naar het Bruchium en de haven gegaan, om de teruggekomen schepen van de verslagen vloot te zien, een nieuwstijding te hooren, zich aan te sluiten bij de aankondigingen en optochten die te wachten waren, en—als de fortuin gunstig was—de Koningin tegen te komen en het volle hart lucht te geven in toejuichingen.

Toen de wagen links den hoek omgeslagen was en het Paneum naderde, werd voor het eerst de doortocht bemoeielijkt. Een talrijke schaar was bijeen aan den voet van den heuvel, op welks top het heiligdom van Pan zich prachtig verhief boven de uitgestrekte tuinen die er omheen lagen. De lange gestalte van den pleitbezorger Philostratus viel de Nubische in het voorbij rijden dadelijk in het oog. Was die onheilstichter dan overal tegelijk? Doch ditmaal scheen hij tegenstand te ondervinden, want zijn rede werd door luid geschreeuw afgebroken. Juist toen het voertuig hem vlak voorbij reed, wees hij op de rij huizen, waartoe ook dat van de weduwe van den schilder Leonax behoorde, maar op deze beweging volgde een hevige tegenspraak.

Anukis begreep nu ook wat de menigte terughield, want toen de wagen bijna het doel van den tocht bereikt had, kwam hen een stoet gewapende jongelingen tegen. Met hun flinken in de Palestra gestaalden lichaamsbouw, en de krullende zwarte, bruine of blonde haren, boden zij een schoon schouwspel aan. Het waren leden van den epheben bond, welks hoofdman vroeger Archibius was geweest, en waartoe later Dion was gekozen. De jongelingen hadden gehoord wat er met hem was gebeurd, en dat hij door gevangenschap of misschien nog erger dingen werd bedreigd. In vroeger tijd zou het niet mogelijk zijn geweest zich tegen de handelwijze der Regeering te verzetten en over hun bedreigden vriend te waken, maar in deze ongeluksdagen moesten de machthebbers rekening met hen houden. Ofschoon zij innig gehecht waren aan de Koningin, en besloten hadden, in weerwil van haar nederlaag, voor haar in de bres te springen, zoodra dat noodig zou zijn, toch wilden zij niet dulden dat Dion gestraft werd voor een vergrijp, dat hem in hunne oogen tot eer verstrekte. Naarmate het hen meer ergerde dat de Raad der stad in dit geval dat toch een van hun medeleden betrof, zoo aarzelend optrad, waren zij zelve des te vaster besloten hem te beschermen. Zij waren het nog niet eens geworden over de vraag of voor den man, die den »Koning der Koningen” den zoon hunner gebiedster, had gewond, volledige vrijspraak of enkel een zacht oordeel mocht worden geëischt. Ook had de stille Cæsarion, die altijd gehoorzaam was aan zijn gouverneur, geenszins de kunst verstaan om de epheben voor zich te winnen. De verwijfde jongeling vertoonde zich nooit in de Palestra, al had zelfs de groote Marcus Antonius niet versmaad daar een bezoek te brengen. Hij had daar menigmaal aan de jongelingen proeven zijner reuzenkracht gegeven, en ook zijn zoon Antyllus nam dikwijls aan de oefeningen deel. De slag dien Dion aan Cæsarion gegeven had, was niet veel meer geweest dan een van die vuistslagen, zooals ieder die in het worstelperk van tijd tot tijd ontving.

Philotas van Amphissa, Didymus' leerling, had de jongelingen het eerst van den aanval in kennis gesteld, en al het mogelijke gedaan om weer goed te maken, wat hij tegen de kleindochter van zijn leermeester had misdaan. Zijn oproeping had luiden weerklank gevonden. De epheben voelden zich sterk genoeg een vriend, wie dat ook zijn mocht, te beschermen, en zij wisten dat zij in het uiterste geval waren gedekt door den Raad, den Exegeet, den bevelhebber der stad, een flinken Macedoniër, die eenmaal een sieraad van hun bond was geweest, en ook door het groote aantal cliënten van Dion en zijn geslacht. Geen enkele zwakkeling werd in hun midden geduld. Zij hadden ook reeds gelegenheid gehad hun naam te handhaven, want al waren zij ook te laat gekomen om het eigendom van Didymus voor schade te behoeden, toch hadden zij aan het tieren van het volk, dat door den pleitbezorger Philostratus opgestookt was, een eind gemaakt, en de menigte teruggedrongen, toen de Syriër die wilde leiden naar het huis van Barine om dat een zelfde lot te doen ondergaan.

Vóór het huis van vrouw Berenice stond reeds een ander voertuig, toen Anukis uit het hare stapte. Het was een van die, welke altijd ter beschikking waren voor de beambten der Koningin. Waren hier handlangers van Alexas aan het werk, of was hij misschien zelf reeds bezig Dion in het verhoor te nemen, of zelfs zich van hem meester te maken? De Nubische kende den wagendrijver, evenals allen die tot den dienst in het paleis behoorden, en vernam van hem, dat hij den bouwmeester Gorgias gereden had.

Anukis had dezen nog nooit ontmoet, hoewel zij gedurende de verbouwing van Cæsarion's woonhuis, hem dikwijls gezien en veel van hem gehoord had, ook dat het fraaie paleis van Dion zijn werk was. Hij was een vriend van den gewonde, dus behoefde zij hem niet te vreezen.

Zoodra zij het atrium binnentrad hoorde zij dat vrouw Berenice met Archibius en zijn Romeinsche vriend was uitgereden. De arts had den gewonde verboden veel bezoek te ontvangen, maar toch was behalve de bouwmeester nog een vrijgelatene van Dion bij hem toegelaten.

De tijd drong; lieden van één stand en gelijke gezindheid begrijpen elkander. De oude portier en de Nubische waren beiden trouw gehecht aan hunne meesters en daarenboven landgenooten, dus had zij maar weinig woorden noodig om den poortwachter over te halen haar aanstonds aan de legerstede van den gewonde te brengen. Vóór de deur der ziekenkamer stond de vrijgelatene, een groote, donkerbruine, eenvoudig gekleede grijskop, dien zij voor een stuurman aanzag. Hij had nog geen toegang tot den lijder gekregen, maar dit scheen hem volstrekt niet te verdrieten; hij stond bedaard tegen den muur geleund naast de deur der ziekenkamer, en zag naar zijn breedgeranden schippershoed, dien hij langzaam in de rondte draaide. Nauwelijks had Dion den naam Anukis gehoord of hij riep door de half geopende deur met levendigheid: »Laat zij binnen komen!”

Dat liet de Nubische zich geen tweemaal zeggen. Het scheen op haar bruin gelaat geschreven te staan dat iets ernstigs en dringends haar daar gebracht had, want op de eerste begroeting liet de gewonde dadelijk de angstige opmerking volgen, dat zij zeker niets goeds mede te deelen had.

Tot eenig antwoord knikte zij veelbeteekenend met het hoofd en wierp een zijdelingschen blik op den bouwmeester; Dion gaf hierop aan zijn vriend een korte verklaring wie zij was, en verzekerde van den anderen kant haar zelve dat hij alles, ook het grootste geheim, gerust hooren mocht.

Nu was dan ook alle vrees van haar geweken, en terwijl het zweet op haar voorhoofd parelde, gaf zij op een toon van ernstige waarschuwing te kennen dat zijn leven in groot gevaar was. Zij liet zich daarvan niet afbrengen toen hij zijn vertrouwen op de epheben te kennen gaf, die altijd bereid waren tot zijn bescherming, en op den Raad, die de zaak van een der leden tot de zijne zoude maken, doch zwoer hem zich zoo spoedig mogelijk in veiligheid te stellen, hetzelfde waarheen. Er werden reeds handen naar hem uitgestoken door machten, waartegen geen tegenstand baten zou. Maar ook deze verzekering bleek te vergeefs gedaan, want hij was overtuigd dat de invloed van zijn oom den zegelbewaarder, hem voor ieder wezenlijk gevaar behoedde. Nu besloot Anukis eindelijk te bekennen wat zij afgeluisterd had, doch sprak hierbij niet van Barine, noch van hetgeen haar dreigde. Ten slotte bezwoer zij hem met al het vuur van een trouw, bezorgd gemoed, toch hare waarschuwing niet in den wind te slaan.

Terwijl zij sprak, hadden de beide vrienden blikken van verstandhouding gewisseld, doch nauwelijks had de Nubische het laatste woord geuit of door de open gebleven deur trad de reuzengestalte van den vrijgelatene binnen.

»Gij hier, Pyrrhus!” riep de gewonde hem vriendelijk toe.

»Ja heer, ik ben het,” antwoordde de ander, en liet zijn schippershoed nog sneller draaien. »Ik ben anders geen man om aan deuren te luisteren, en kom ook nooit ongeroepen ergens binnen, maar wat daar zooeven gesproken werd, moest ik wel hooren, en het gekras van dien ouden ongelukskraai trok mij naar binnen.”

»Ik wilde,” hernam Dion, »dat gij verblijdender dingen hadt kunnen hooren; die bruine ongeluksvogel zingt anders vriendelijke liederen, en zij komen alle uit een trouw hart. Trouwens, als mijn stilzwijgende Pyrrhus zijn mond zoo wijd open doet, dan komt er zeker iets gewichtigs te voorschijn, en voor deze hier mag dat wel voor den dag komen.”

De schipper kuchte eens, drukte zijn groven, vilten hoed met zijn vereelte handen ineen, en zeide met zooveel ontroering en verlegenheid, dat zijn zware kin op en neertrok en zijn stem hem somtijds begaf: »Wanneer die bruinen vrouw te vertrouwen is dan moet gij van hier weg en naar een veilige schuilplaats heer. Ik kwam toch reeds hier om u die aan te bieden. Onderweg hoorde ik uw naam noemen. De menschen zeiden dat gij den zoon der Koningin een wond toegebracht hadt en daarvoor het hoofd zoudt moeten verliezen. Toen dacht ik: »dat zal niet gebeuren, neen, zeker niet, zoolang Pyrrhus nog leeft, die eenmaal zijn jongenheer Dion leerde de roeiriemen te gebruiken en de zeilen te hijschen,—Pyrrhus en al zijn eigen volk.” Waartoe zou ik herhalen, wat wij beiden lang genoeg weten? Van mijn eerste schuitje en het stuk grond op ons eiland af, tot aan de vrijheid toe, zijn wij alles verschuldigd aan uw vader en aan u. Er rustte zegen op uw geschenk en op onzen arbeid, en nu is al het mijne het uwe. Ik behoef er niets meer bij te zeggen. Gij kent immers onze klip aan de andere zijde van den Alveus Steganus, ten Noorden der groote haven; het Slangeneiland heet het. Voor iemand die het water daar kent, is het gemakkelijk te bereiken, doch voor ieder ander even ontoegankelijk als maan en sterren. Zij worden al bang als zij den naam maar hooren, ofschoon wij dat ongedierte al lang hebben uitgeroeid. Mijn jongens, Dionysus, Dionichus en Dionikus—gij ziet, ieder heeft wat van Dion in zijn naam—wachten op de vischmarkt, en zoodra het donker wordt...”

De gewonde liet hem niet uitspreken, hij stak hem de hand toe en dankte hem hartelijk voor zijne trouw en goedheid, maar toch wees hij het welgemeende aanbod van de hand. Hij moest bekennen dat hij geen veiliger schuilhoek weten zou dan de klip, waaromheen altijd meeuwen vlogen, en waar Pyrrhus met zijn gezin een overvloedig bestaan vond in de vischvangst en den dienst als loods. Doch de bezorgdheid voor zijn toekomstige gemalin hield hem van het verlaten der stad terug.

De vrijgelatene gaf het daarom toch niet op. Hij herinnerde hoe spoedig men van zijn eiland in de haven kon komen en dat er dagelijks visch naar de markt werd gebracht, zoodat het hem aan berichten nooit behoefde te ontbreken. Zijn zoons waren precies als hij, en spraken ook geen onnoodig woord, beweerde hij. Zij waren daar zelfs afkeerig van, terwijl de vrouwen maar zelden het eiland verlieten. Zoolang zij de geliefde gasten herbergen zouden, mochten zij geen stap daarbuiten doen. Als het noodig was, kon zijn heer spoedig genoeg weder te Alexandrië zijn om zijn plicht te doen.

De bouwmeester vond in dit voorstel veel goeds, en hij mengde zich dus in het gesprek, om het verzoek van den vrijgelatene te ondersteunen; doch Dion hield ter wille zijner geliefde, zijn weigering zoolang vol, totdat Anukis die reeds lang verlangde naar Archibius te kunnen gaan, nu ook voor haar gevoelen uitkwam.

»Volg dien man daarheen, heer!” riep zij uit. »Ik weet wat ik weet. Ik zal aan onze Barine vertellen van uwe trouwe standvastigheid, maar hoe kan zij u ooit hare dankbaarheid betoonen, zoo gij moet sterven?”

Dit laatste woord en de mededeelingen die er op volgden, hadden een beslissende uitwerking, en zoodra Dion er in had toegestemd den vrijgelatene te volgen, maakte de Nubische zich gereed haar verdere plannen uit te voeren. Eerst echter hield de gewonde haar nog terug, om haar allerlei dingen voor Barine op te dragen, en daarna ook de bouwmeester, die geloofde dat hij in haar de rechte helpster gevonden had voor alles wat hij nog in het schild voerde.

In den vroegen morgen was hij uit Heroonpolis teruggekeerd, waarheen hij met andere vakgenooten had moeten gaan om te onderzoeken of de waterweg weder bruikbaar gemaakt kon worden. De uitkomst was zóó slecht geweest, dat hij bijna allen moed op de mogelijkheid verloren had, en op verzoek der anderen was hij naar de Koningin gegaan, om haar te overreden het veelbelovende maar in dien korten tijd onuitvoerbare plan te laten varen.

Hij had den nacht tot dag gemaakt, en was ook, zoodra Cleopatra was opgestaan, bij haar ontvangen. Er was een wagen voor hem beschikbaar gesteld, want hij had nog veel te doen gehad in het arsenaal en bij verschillende bouwwerken. Hij was toen uitgereden van de Lochias, om den muur te gaan bezichtigen, dien hij voor Antonius op den Choma had opgericht, en ook den Isistempel bij den Muzenhoek, waaraan Cleopatra een nieuw gedeelte wenschte toegevoegd te zien. Doch nauwelijks had hij het schiereiland verlaten, of hij werd in het Bruchium opgehouden door een woeste menigte die het huis van Didymus berende met balken en masten, en zich daarbij te verweren had tegen de epheben die haar aanvielen.

Eindelijk was hij door dien woedenden troep heen gedrongen, om het oude echtpaar en hunne kleindochter te hulp te komen. De slaaf Phryx was al bezig geweest om de booten, die in de haven lagen in gereedheid te brengen. Gorgias had moeite genoeg den grijzen philosoof te bewegen om met de zijnen hem naar den zeekant te volgen. Hij was integendeel juist voornemens zich vóór die woestelingen te plaatsen, en hen, zelfs al zou het zijn leven kosten, toe te roepen, dat zij jammerlijk misleid waren, en zich schuldig maakten aan een schandelijke euveldaad. Gelukkig kon de bouwmeester hem overreden met de opmerking, dat het een Didymus onwaardig zou zijn, als hij zijn leven, waarop de hulpelooze vrouwen en de geheele wereld, voor wie zijn geschriften wegwijzers waren naar het rijk der waarheid, recht hadden, wilde prijs geven aan ruwe barbaarschheid. Toch zouden de grijsaard en zijn gezin nog bijna in de handen der woedende menigte zijn gevallen, daar Didymus niet eerder wilde heengaan, dan nadat hij het een en ander, vooral een twintig of dertig kostbare boeken, in veiligheid had gebracht. Bovendien begreep zijn oude doove levensgezellin, die er anders gaarne in berustte wanneer haar zwak gehoor haar verhinderde de dingen te verstaan, nu volstrekt niet, wat er toch gebeurde. Zij wilde daarom dat ieder die in haar nabijheid kwam, haar dat zou uitleggen, en hield daardoor haar kleindochter Helena op, die er voor zorgen wilde dat de kostbaarste zaken van het huis gered werden. Door dat alles werd het vertrek vertraagd, en het was alleen te danken aan het flinke optreden van Philotas, Didymus' helper, en aan eenige epheben die zich bij hem voegden, dat zij nog ongedeerd ontkwamen.

De Scythische wacht die ten laatste een eind maakte aan het onzinnige woeden van het opgeruide volk, kwam te laat om het sloopen van het huis te voorkomen, doch zij redde Philotas en de epheben uit de handen en van de steenen der volksmenigte.

Eerst toen de booten een eindweegs de haven uitgezeild waren, was de vraag bij hen opgerezen waarheen de philosoof en zijn gezin de wijk zouden nemen. Het huis van Berenice werd evenzeer bedreigd, en de wetten van het Museum verboden dat dáárin vrouwen werden opgenomen. Vijf van zijn bedienden waren hun heer gevolgd, en in de huizen der geleerde vrienden van Didymus ontbrak het voor zoovele gasten aan ruimte..... Terwijl de grijsaard en Helena alle huizen waar zij wisten dat zij een onderkomen konden vinden, opsomden, kwam Gorgias met het verzoek aan, of men het verblijf in het zijne voor lief zou willen nemen. Hij had dit van zijn vader geërfd. Het was zeer groot en ruim, stond zoo goed als leeg, en was gemakkelijk te bereiken, daar het ten Noorden van het forum aan de zee lag. De vluchtelingen konden zich daar geheel vrij bewegen, daar hem nog zooveel arbeid te wachten stond, dat hij alleen den nacht onder zijn eigen dak zou kunnen doorbrengen. Hij wist de kleine bezwaren, die zijne beschermelingen opperden, spoedig uit den weg te ruimen, en een kwartier nadat zij den Muzenhoek verlaten hadden, mocht hij reeds de poort van zijn woning voor hen openen en hij deed dit met ware vreugde. De oude huisbezorgsters en de bewaarder die reeds in den dienst van zijn vader was vergrijsd, zetten een verbaasd gezicht, maar gingen ijverig aan het werk, zoodra Gorgias zijn gasten aan hun zorg had toevertrouwd. De gewichtige bezigheden die hem riepen, verhinderden hem zelf de plichten van een gastheer waar te nemen.

Didymus en zijn gezin had alle reden hem dankbaar te zijn, en toen de oude philosoof in de groote boekerij, die de bouwmeester hun tot verblijf had aangewezen, vele goede geschriften en daaronder vele van zijn eigen hand vond, staakte hij eindelijk het op en neder loopen, en ging rustig zitten. Daarbij viel hem ook weder in dat hij, op raad van een vriend, zijn vermogen aan een vertrouwd bankier ter bewaring gegeven had, en het leven scheen hem nu wel is waar nog donkergrijs, maar toch niet meer zoo zwart als eerst.

Gorgias had in korte woorden de Nubische van alles op de hoogte gebracht, en daarop had Dion haar medegedeeld dat zij Archibius met den Romeinschen vriend bij den broeder van vrouw Berenice, den philosoof Arius zou vinden. Deze lag even als hij, gewond op zijn legerstede, tengevolge van een overmoedige streek van Antyllus. Zij zou ook Barine's moeder bij Arius vinden. Zij kon hen dan in kennis stellen van het lot van Didymus en de zijnen, en hen mededeelen dat hij, Dion, van plan was een uur na zonsondergang hun huis en de stad den rug toe te keeren.

»Doch waarheen gij gaat,” viel Gorgias hem in de rede, »mag niemand, ook vrouw Berenice en Arius niet vernemen. Gij vrouw, ziet er naar uit alsof gij zwijgen kunt.”

»Hoewel zij,” viel Dion hierop in, »haar naam Aisopion aan de vlugheid harer tong te danken heeft.”

»Maar die tong,” verzekerde de Nubische, »is toch maar als de zilvervischjes met de roode stippels in den tuin der koningskinderen. Zij schieten rad genoeg voort, doch zoodra zij een gevaar duchten, liggen zij in het water zoo stil alsof zij vastgenageld waren. En, bij de groote godin Isis!—aan gevaren is in dezen droevigen tijd geen gebrek. Wenscht gij vrouw Berenice en de anderen nog voor uw vertrek te zien?”

»De moeder, ja;—Arius' zonen zijn flinke jongens, maar heden is het toch beter, dat zij hier niet aan huis komen.”

»Zeker!” zeide Gorgias. »Ook hun vader zou goed doen als hij een schuilplaats zocht. Hij is nog altijd in goede verstandhouding met Octavianus. Het is echter wel mogelijk dat de Koningin hem wenscht te gebruiken. In dat geval kan hij misschien nog van nut zijn voor Barine, die toch het kind zijner zuster is. Timagenes, die uit Rome als bemiddelaar komt, krijgt ook veel invloed.”

»Op diezelfde gedachte” zeide Anukis »is mijn arm hoofd ook al gekomen. Nu ga ik mijn heer het gevaar aantoonen dat de jonge vrouw bedreigt, en als het mij gelukt.... Maar wat zou een dienares, die er uitziet als ik, kunnen uitrichten? En toch... mijn huis staat dichter bij den oever van den stroom dan dat van de meeste anderen, en als ik er een blad in werp, dan draagt hij dat misschien naar de goddelijke zee.”

»Die wijze Aisopion!” riep Dion uit; maar de wakkere Nubische haalde haar hooge schouders op, en zeide: »Men behoeft niet vrij geboren te zijn, om zich te verheugen in hetgeen recht is, en als wijs zijn beteekent: zijn hoofd gebruiken om te denken, en met zijn wil alles bevorderen wat goed en rechtvaardig is, dan moogt gij mij, wat mij betreft, zoo noemen. Dus na zonsondergang vertrekt gij?”

Zij wilde zich verwijderen, doch de bouwmeester, die iedere uitdrukking van haar gelaat had bespied, had een besluit genomen, en verzocht haar hem te volgen.

Toen zij in het zijvertrek waren, verlangde hij van haar een nauwkeurig verslag omtrent Barine en wat haar dreigde. Nu beraadslaagden zij te zamen over hetgeen er te doen stond alsof zij zijnsgelijke was, en daarop reikte hij haar de hand tot afscheid, en zeide: »Als het mogelijk is, om haar zonder dat zij herkend wordt naar den Isistempel te brengen, dan kan deze duisternis nog licht worden. Van het eerste uur na zonsondergang af ben ik te vinden in het heiligdom. Ik heb daar opmetingen te doen. Wanneer gij beweert te weten dat de hemelsche machten zich erbarmen over de onschuldigen, die zij tot aan den rand van den afgrond hebben gebracht, dan hebt gij in dat geval misschien gelijk. Het komt mij voor, alsof de dingen hier samenloopen op een wijze, die door degenen die het hoorden vertellen, niet geloofd zou worden.”

Toen Aisopion weg was, ging Gorgias naar zijn vriend terug, en verzocht den vrijgelatene dat hij met zijn schuit gereed zou liggen op een plek aan den oever, die hij hem nauwkeurig aan gaf. Daarna waren de vrienden weder alleen.

Gorgias had handen vol werk, maar hij kon toch niet nalaten aan Dion zijn verbazing te kennen te geven over de kalmte die hij bewaarde. »Alsof zij naar Kanopus moesten om oesters te eten,” besloot hij, en schudde daarbij zijn hoofd, als over iets, dat hem te hoog was.

»Wat wilt gij dan?” vroeg de andere. »U kunstenaars, laat de gevleugelde phantasie altijd een toekomst zien, die aan uwe bewegelijke stemming beantwoordt. Zijt gij vol hoop, dan maakt gij een aardigen tuin tot de Eliseesche velden; vreest gij iets, dan ziet gij, als het dak brandt, de geheele wereld opgaan in de vlammen. Wij, aan wier wieg de Muze niet verschenen is, en die alleen ons overleggend verstand gebruiken om te zorgen voor ons eigen welzijn en dat van ons huis en den Staat, wij zien de dingen zooals zij zijn, en behandelen de omstandigheden als de getallen in een rekenopgaaf. Ik weet dat Barine bedreigd wordt. Dat zou mij het verstand kunnen doen verliezen; maar achter haar zie ik Archibius en Charmion staan, als met uitgespreide vleugelen om haar te beschermen. Ik zie ook de vrees van al mijne vrienden, met inbegrip van het Museum, van den Raad, waartoe ik behoor, van mijn cliënten en de tijdsomstandigheden, die verbieden de misnoegdheid der burgerij te wekken.—En nu het resultaat dat ik uit de juiste bijeenvoeging van al deze bekende grootheden verkrijg....”

»Dat zal even lang het ware zijn,” viel zijn vriend in, »als de onberekenbaarste van alle factoren, de hartstocht, er zich niet in mengt, de hartstocht eener vrouw, en de Koningin behoort tot het, op het gebied van den hartstocht, stellig sterkere geslacht.”

»Toegegeven! Doch zoodra Marcus Antonius terugkeert, zal het blijken, dat haar jaloerschheid haar heeft doen dwalen.”

»Dat willen wij hopen. Het is ook alleen de op dwaalsporen geleide, bedrogen, verkeerd ingelichte Cleopatra, die ik vrees, want in den grond heeft zij in goddelijke goedheid haar gelijke niet. De vriendelijkheid waarmede zij aller harten wint, is onbeschrijfelijk. En dan die ijzeren kracht van haar geest! Ik zeg u Dion....”

»Vriend, vriend!” viel deze hem glimlachend in de rede, »wat vliegen uwe wenschen weer hoog! Sedert drie jaren heb ik al de branden in uw hart opgeteld. Ik geloof dat wij aan de zeventiende gekomen waren, maar deze laatste telt dubbel.”

»Dwaasheid!” riep de bouwmeester verachtelijk. »Zou men niet meer mogen erkennen wat heerlijk, wonderbaar, éénig is? Dat is zij! Kort geleden—wanneer was het ook weer?—kwam zij mij tegemoet in een glans van schoonheid....”

»Dat gij ditmaal wel zorgen moogt uwe oogen te bewaken. En toch spraakt gij nog zooeven zoo vurig over uwe jonge gast, van de liefdevolle zorg, de bevallige bedaardheid die Helena midden in het dreigende gevaar....”

Nu viel de bouwmeester knorrig in: »Alsof ik één syllabe daarvan wilde terugnemen! Helena wordt door geen enkele Alexandrijnsche jonkvrouw geëvenaard, maar die andere, zij, Cleopatra.... Zij is nu eenmaal in haar goddelijke majesteit boven al het menschelijke verheven. Dien spottenden trek om uw mond kondet gij mij en uzelven ditmaal wel sparen! Als zij u even als mij aangezien had met die vochtige, diepe, weemoedige oogen, en over haar ongeluk gesproken had, dan zoudt gij hand aan hand met mij voor haar door water en vuur gaan. Ik behoor juist niet tot de lichtbewogen menschen, en sedert mijn vader gestorven is, heb ik enkel bij anderen tranen gezien; doch toen zij sprak van het mausoleum, dat ik voor haar bouwen moest, omdat het noodlot haar, wie weet hoe spoedig, zou kunnen noodzaken een toevlucht te zoeken in de armen van den dood, toen was het met mijn zelfbeheersching gedaan. En zooals zij mij toen telde onder de vrienden, op wie zij zich verliet, en mij haar hand toestak—die hand, zooals er geen tweede is—toen, ja lach maar, als gij den moed daartoe hebt, ik weet zelf niet wat mij toen bezielde, maar ik voelde mij tot haar aangetrokken, en terwijl ik haar—de hand bedoel ik—kuste, werd zij misschien nat van mijn tranen. Ik schaam mij niet over die aandoening, en mijne lippen schijnen mij gewijd door de aanraking van die bleeke, kleine godenhand, die haar eigen taal spreekt, en die mij, waarheen ik den blik ook sla, voor oogen zweeft.”

Gorgias streek zich het zware haar uit het gelaat, schudde het hoofd alsof hij ontevreden over zichzelf was, en ging op een anderen toon voort: »Maar de tijd is slecht gekozen voor zulke ontboezemingen. Ik sprak van het mausoleum, dat de Koningin wil laten bouwen. Morgen wenscht zij het eerste vluchtige ontwerp er van te zien. Ik zie het reeds duidelijk voor mij. Het moet naast den tempel van Isis, haar eigen godin staan... Ik sloeg voor het te plaatsen in het groote heiligdom in de Rhakotis bij het Serapeum. Dat keurde zij niet goed... zij wilde het dicht bij het paleis op de Lochias hebben. Zij had zich den tempel in den Muzenhoek in het hoofd gesteld; maar het huis van Didymus stond een gebouw van grooter omvang in den weg. Als men dit weg dacht, dan zou men een weg kunnen aanleggen door den tuin van den ouden man heen, misschien zelfs langs de zee. Wij zouden ruimte gekregen hebben voor een reusachtig gebouw, en er zou toch nog altijd een fraaie tuin over gebleven zijn. Maar wij hadden gehoord hoe Didymus gehecht is aan zijn oude eigendom. Het zou de Koningin stuiten den grijsaaard met geweld te dwingen... Zij is rechtvaardig, en wellicht wordt zij gedreven door redenen die ik niet ken.... Ik heb daarom beloofd naar een andere plek uit te zien, hoewel ik zag, hoe zij er op gesteld was dat haar grafteeken met het heiligdom der godin verbonden zou zijn.... En ziet.... Ik heb het aan die slimme bruine heks al verteld—daar lieten de hemelsche machten, de goden, het noodlot, of hoe men anders de kracht noemen wil die de wereld en ons bestaan naar eeuwige wetten en naar haar eigen, geheimzinnigen, almachtigen wil bestuurt, een schelmstuk gelukken, waaruit redding voor u, en voor de Koningin iets wat in dezen moeilijken tijd haar zeer welgevallig zal zijn, schijnt te zullen voortkomen.”

»Mensch, mensch!” viel Dion weder in. »Waarheen zal deze nieuwe hartstocht u nu weder voeren? Daarbuiten trappelen de wachtende paarden, de plicht roept den plichtmatigsten van alle menschen, en alsof hij een ziener ware, vermeit hij zich in duistere uitspraken!”

»Maar waarvan de zin en inhoud,” hernam Gorgias, »u, met al uw koele berekeningen van gegeven omstandigheden, spoedig niet minder wondervol schijnen zal dan mij, al is het, volgens u, mijn onstuimig kunstenaarsbloed, dat mij parten speelt. Nu nog slechts dit ter verklaring: het huis van Didymus wordt aanstonds door mijne bouwlieden in beslag genomen, en ik onderzoek de benedenruimte van den Isistempel. Ik heb de volmacht bij mij om daar naar welgevallen te werk te gaan. Cleopatra heeft mij zelve de bouwplannen laten zien, ook dat geheimzinnige, waarop de loop der onderaardsche gangen aangeduid wordt. Er zal nu ook voor u eenig licht vallen op mijn duistere uitspraken, als ik u later door een van die geheime gangen aan uwe vijanden ontvoer. Men heeft u terecht verzwegen aan welk een dunnen draad het zwaard boven uw hoofd heeft gehangen, ondanks uw rekenopgaaf. Thans, nu ik de mogelijkheid inzie het op zijde te schuiven, mag ik het u aanwijzen. Morgen reeds zoudt gij reddeloos in de handen van wreede vijanden zijn gevallen en door uw eigen zwakken oom smadelijk prijsgegeven zijn, wanneer de onverzoenlijkste van allen zich niet het schandelijke genoegen had gegund de hand te slaan aan het huis van den grijsaard. Gij weet wat ik meen, wanneer niet de Koningin door een verpletterenden tijding op de gedachten gekomen was, voor zich zelve een mausoleum te laten bouwen. De gang,” en hij liet zijn stem dalen, »waarvan ik sprak, komt uit vlak bij het stuk grond van Didymus aan de zee; daar leid ik u door, en als het kan en noodig is, ook Barine. Op den gewonen weg zou men zoo iets slechts met het grootste gevaar kunnen bewerkstelligen. Als wij de gang gebruiken, dan komen wij ongezien aan een donkere plek aan het strand, en de vlucht blijft, als er geen bijzonder ongeluk gebeurt, onopgemerkt. De draagstoel en uw waggelende gang zouden, indien wij ergens anders aan de haven in de boot wilden gaan, alles verraden.”

»En dan willen wij, verstandige menschen, aan geen wonderen, gelooven!” riep Dion, en stak zijn vriend zijn witte hand toe. »Hoe zal ik u genoeg danken, gij lieve, verstandige, trouwste vriend van uw vrienden, met het hart zonder trouw voor uw vriendinnen. Voeg dit booze woord bij de andere van vroeger, waarvoor ik u nu om vergeving vraag. Wat gij voor mij en Barine wilt doen, geeft u het recht, mij uw leven lang al het kwaad aan te doen en te hooren te geven, wat gij maar wilt. Bezorgdheid voor haar zou mij heden avond, als het ernst geworden was met onze poging tot ontvluchten, zeer zeker aan dit huis en deze stad geboeid hebben gehouden, want zonder haar heeft het leven nu geen waarde meer voor mij. Doch wanneer ik mij voorstel dat zij mij zou kunnen volgen naar die klip van Pyrrhus...”

»Vlei u niet met die hoop,” verzocht de bouwmeester. »Daar zou zij misschien wezenlijk hinderpalen ontmoeten.—Overigens, ik moet later nog eens met de Nubische overleggen. De anderen niet te na gesproken, houd ik haar raad toch voor den besten. Zij weet hoe het bij de grooten toegaat, en behoort zelve tot de kleinen. Buitendien heeft zij door Charmion toegang tot de Koningin, en niets wat er aan het hof geschiedt, ontgaat haar. Zij deed mij ook inzien dat wij de uitlevering van Barine aan Alexas als een geluk moesten beschouwen. Hoe licht had het niet kunnen gebeuren dat zij, wier wenschen altijd daden worden, wanneer zij den al te grooten ijver harer levende werktuigen niet beteugelt, door jaloerschheid tot een gruwelijke misdaad ware gedreven! Iemand die zelf door het lot met zoo harde slagen getroffen wordt, haast zich maar zelden anderen daarvoor te behoeden, wanneer de zorgen, die als een berg op haar drukken, zich maar tusschen de Koningin en de jaloersche verbolgenheid plaatsen, die voor hare groote ziel werkelijk te klein is!”

»Wat is groot of klein voor het hart eener minnende vrouw?” vroeg Dion. »In ieder geval doet gij wat gij kunt om Barine buiten de macht der vertoornde vorstin te brengen, dat weet ik.”

Gorgias drukte zijn vriend met warmte de hand, en door een plotselinge ingeving gedreven, kuste hij hem daarbij op het voorhoofd, en haastte zich naar de deur. Op den drempel werd hij door een zacht steunen van den gewonde teruggehouden. Zou hij zich dienzelfden avond reeds sterk genoeg gevoelen den langen tocht door de onderaardsche gang te doen?

Dion verzekerde, dat hij dat stellig geloofde, maar tegelijk verried zijn hooger gekleurd gelaat dat de reeds verdwenen koorts teruggekeerd was.

Gorgias sloeg den blik nadenkend naar den grond. Vele zieken die genezing behoefden, werden naar den tempel der godin gebracht, daarom kon de verschijning van Dion op die plaats niet bijzonder de aandacht trekken. Daarentegen scheen het gevaarlijk aan vreemden op te dragen den zieke door de gang te leiden. Hij zelf was sterk genoeg, maar het zou voor den allersterkste een onmogelijkheid zijn het zware lichaam van den langen man in gebukte houding tot aan de zee te dragen; want de gang was laag en van aanzienlijke lengte. Maar als het noodig was, dan zou hij het beproeven. Hij riep hem vertroostend toe: »Als uw kracht niet toereikend is, dan vinden wij er wel iets anders op!” en nam daarmede afscheid. Vervolgens schreef hij aan Barine's kamervrouw en den lijfslaaf van den gewonde voor, wat zij moesten doen, beval den poortwachter iederen bezoeker, wien ook, met uitzondering van den arts, den toegang te weigeren, en kwam eindelijk weder in de open lucht.

Voor het huis liep een kleine schaar epheben heen en weder. Anderen hadden zich neergezet op een grasperk, langs de struiken van den Paneumtuin naast het huis, en deden den edelen wijn eer aan, dien Dion's keldermeester, op bevel van zijn heer, hen hier geschonken had.

Het was een vroolijk tooneel; want cliënten van den lijder, die nadat zij hunne deelneming betuigd hadden, door den portier waren afgewezen, en aardig gekleede meisjes hadden zich bij de epheben gevoegd. Het ontbrak daarbij niet aan scherts en lach, en wanneer een bevallige jonge moeder of slavin voorbij kwam met kinderen, die in dezen tuin altijd bij voorkeur speelden en stoeiden, dan werd menig dartel woord gewisseld.

Gorgias wuifde de jongelingen vroolijk toe, verheugd over de frissche levenslust, waarmede de flinke knapen de plichtsvervulling tot een feest maakten, en menige ephebe hief den beker op om den beroemden kunstenaar, die nog niet zoo lang geleden een der hunnen was, een vroolijk »Io” en »Evoë” toe te drinken.

Een der eersten daarbij was een slank jongeling, de student Philotas uit Amphissa, Didymus' helper, dien Gorgias vóór enkele dagen uit de macht der demonen van de wijn had helpen verlossen. Terwijl de bouwmeester hem, uit zijn tweewieligen wagen, vriendelijk groette, viel de gedachte hem in, dat die aardige jongen, die zoo ernstig tegen Barine en Dion had misdreven, wel de rechte kon zijn om zijn vriend door de onderaardsche gang naar de zee te dragen. Als Philotas de man was, voor wien Gorgias hem hield, dan moest het hem als een geschenk voorkomen, wanneer hij zijn misdrijf bij de betrokken personen weer goed kon maken, en hij had zich daarin niet vergist. Nadat de jongeling eerst plechtig gezworen had dat hij, tegen ieder, wie het ook mocht zijn, er van zou zwijgen, vroeg de bouwmeester hem af, of hij hem bij de redding van Dion terzijde wilde staan. Overvloeiend van dankbaarheid toonde Philotas zich dadelijk daartoe bereid, en beloofde dat hij op het bepaalde uur aan de opgegeven plaats bij den Isistempel op hem zou wachten.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Terwijl Gorgias bezig was in den Isistempel de onderaardsche ruimte te onderzoeken, keerde Charmion, vroeger dan zij had gedacht, op de Lochias terug. Zij had haar broeder, niet te Kanopus, maar bij vrouw Berenice gevonden, en hem na een kort bezoek aan het ziekbed van Dion, deelgenoot van hare vrees gemaakt. Aan hem alleen vertrouwde zij het geheim toe dat de Koningin het lot van Barine in handen van Alexas had gelegd. Dit bericht zou de moeder der bedreigde jonge vrouw allicht tot wanhopige stappen hebben gebracht, want zelfs de onverstoorbaar kalme Archibius bleef zich zelven daarbij niet meester. Het liefst had hij zich onmiddellijk toegang tot de Koningin verschaft, als het moest zijn, met geweld, maar hij werd gewacht door den uit Rome gekomen geschiedschrijver Timagenes. Deze was niet als gewoon burger in zijn vaderstad wedergekeerd, maar met de opdracht van Octavianus, om als bemiddelaar een eind te maken aan den strijd, die bij Actium immers te zijnen gunste was beslist. De keus van dezen tusschenpersoon was gelukkig, want hij had Cleopatra in hare jeugd onderwezen, en was nog dezelfde strijdlustige man gebleven, die haar dikwijls tot tegenspraak geprikkeld had. Toen hij deelgenomen had aan een volksopstand tegen de Romeinsche overheid, was hij als slaaf naar de Tiber gevoerd. Hij was echter spoedig weder vrijgekocht en tot zulk een aanzien gekomen, dat Octavianus hem, die zoo goed bekend was in Alexandrië, deze gewichtige zending had toevertrouwd. Archibius had afgesproken hem te ontmoeten bij Arius, die nog altijd niet hersteld was van de kwetsuren, die hem door de wielen van Antyllus' wagen waren toegebracht, en zoo geleidde vrouw Berenice Timagenes naar haar broeder. Charmion mocht hen daar niet volgen, want men zou haar een bezoek bij den voormaligen Mentor van Octavianus euvel geduid hebben. Daarenboven verzette hare fijngevoeligheid zich ook tegen het denkbeeld, om juist nu in aanraking te komen met den vriend van den vijand en overwinnaar harer gebiedster.

Zij liet dus haar broeder alleen met vrouw Berenice naar het huis van den gewonde rijden, doch Archibius had haar eer zij scheidden, beloofd, dat hij in het ergste geval het uiterste beproeven zou, om de Koningin, die haar verboden had van de jonge vrouw te spreken, de oogen te openen en Alexas den voet dwars te zetten.

Uit den tuin van het Paneum, had zij zich naar de Kanopische straat en in de Jodenwijk laten dragen, waar zij allerlei gewichtige zaken voor Cleopatra moest inkoopen. Het was reeds langs over den middag, toen zij in haar draagstoel weder voor het paleis op den Lochias verscheen. Onderweg had zij reeds een droevig besef van haar eigen machteloosheid gehad. Zonder zelfs ook maar het geringste te hebben uitgericht, moest zij afwachten hoe andere daarin zouden slagen, en nauwelijks had zij den drempel van het paleis overschreden, of bij de oude zorgen, die hare ziel reeds zwaar genoeg drukten, kwamen nog nieuwe.

Zij verstond de kunst in de gelaatstrekken der hovelingen te lezen, en die van den poortwachter hadden haar al dadelijk doen zien, dat er in hare afwezigheid iets noodlottigs was gebeurd.

Het lag niet in haar aard om de onvrijen en minderen van het dienstpersoneel om inlichting te vragen, en dit deed zij dan ook niet, hoewel het in het paleis wemelde van wachters, beambten van allerlei soort, dienaren en slaven. Menigeen, die haar in het oog kreeg, zag haar aan met die eigenaardige schuwheid, die men gewoonlijk heeft voor iemand wien iets treurigs boven het hooft hangt. Anderen daarentegen, met wie zij in nadere betrekking stond, liepen op haar toe om zich het droevige genoegen te gunnen de eerste berichtgever van slecht nieuws te zijn. Doch Charmion stapte met ernstig afwerende blikken en woorden hen allen voorbij, totdat zij voor de deur van de groote wachtzaal, die overvol was met Aegyptische en Grieksche houders van verzoekschriften, den zegelbewaarder Zeno ontmoette. Dezen hield zij aan, om van hem te hooren wat er was geschied.

»Sedert wanneer?” vroeg de oude hoveling. »Iedere minuut heeft iets nieuws gebracht, en alles was even diep bedroevend. Welk een tijd, Charmion, en welk een onheil!”

»Toen ik uitging,” antwoordde zij, »was er nog geen bode aangekomen. Nu is het alsof bij dit oude monster van een paleis, dat toch al aan zoovele verschrikkingen gewend is, de adem stilstaat. Zeg mij ten minste de hoofdzaak, eer ik mijn gebiedster terugzie!”

»De hoofdzaak? Pest of hongersnood,—wat moet men het ergste noemen?”

»Spoedig Zeno, ik word gewacht.”

»Ik zelf heb ook haast, en er is ook waarlijk niets te vertellen waarbij men gaarne zou stilstaan. Vooreerst is Canidius gekomen, in eigen persoon en onmiddellijk uit Actium. Die man is stoutmoedig genoeg.”

»Is het leger te land ook verslagen?”

»Verslagen, verstrooid, overgeloopen; vooraan Koning Herodes met zijn legioenen.”

Nu sloeg Charmion hare handen voor het gelaat, en steunde luid, doch Zeno ging voort:

»Gij waart immers mede op de vlucht. Toen Marcus Antonius van u scheidde, zeilde hij met de schepen, die zich bij het zijne hadden gevoegd, op Parætonium aan. Daar stond een groote strijdmacht nog ongerept, waarop de Vorstin en Mardion hunne hoop vestigden. Andere troepen zouden zich bij deze kunnen aansluiten, en dan hadden wij weder een sterk leger tot onze beschikking.”

»Pinarius Scarpus staat aan hun hoofd; hij is een beleidvol krijgsman, en ik zelve dacht....”

»Hoe meer vertrouwen gij in hem steldet, hoe grooter uw dwaling was! Die vervloekte schelm, die zoo veel aan Antonius te danken heeft, had reeds tijding uit Actium ontvangen, vóór de schepen kwamen, en toen de imperator zelf verscheen, was hij reeds tot Octavianus overgeloopen. De ellendeling liet al de veteranen die zich tegen dit verraad verzetten, dooden. De dappere bezetting der stad was echter niet voor de snoode daad te winnen. Aan haar heeft Marcus Antonius het te danken dat hij nog leeft, en geen schandelijken dood vond door zijn eigen troepen. Nu heeft een ruiter de tijding gebracht, dat heden avond de verslagene hier zal terug komen. Om onbekende redenen stapt hij niet op de Lochias uit, maar in het kleine paleis op den Choma.”

»Arme, arme Koningin!” riep Charmion uit. »Hoe heeft zij dat alles gedragen?”

»Tegenover den verslagen Canidius en den bode van Antonius gedroeg zij zich als een heldin. Maar daarna.... het is waar, het jammeren duurde niet lang, maar dat stomme, wanhopige stilzwijgen.... Eer zij weder geheel zich zelve geworden was, zond zij ons allen weg, en ik heb haar nog niet wedergezien. Doch alles wat hier binnen leeft van gedachten en gevoel,”—en hij wees daarbij op voorhoofd en borst—»dat heeft van dat oogenblik af zijn woonplaats verlaten en blijft bij haar. Als een mensch zonder ziel waggel ik van de eene plaats naar de andere. O, Charmion, wat is ons overkomen! Waar zijn de tijden gebleven, toen kommer en vrees begraven lagen bij de andere dooden; die dagen en nachten, toen mijn geest zich verbond met dien der vorsten, om eene droeve aarde te herscheppen in de bloeiende velden der zaligen, den gewonen dag in een feest, en het feest in Olympisch genot? Welke fonkelnieuwe heerlijkheden had ik niet voor het overwinningsfeest, den triomf, ja zelfs voor den intocht in Rome ontworpen en gedicht! Mijn plannen, programma's, teekeningen en verzen vullen geheele kisten. Allen, die het timmermanslood, den kwast en den beitel hanteeren, die verzen en muziek maken, zouden mij hebben bijgestaan, en, dat kunt gij gelooven, het zou iets éénigs geworden zijn, waarvan het late nageslacht nog spreken zou, dat men zou geprezen en bezongen hebben. En nu—en thans?”

»Thans verdubbelen wij onze krachten, om te redden wat nog te redden is.”

»Nog te redden?” herhaalde de hoveling dof. »De Vorstin klampt zich trouwens ook nog vast aan dit schoone woord. Toen ik haar gisterennacht aan het werk zag, was het mij voortdurend alsof ik haar water zag gieten in het bodemlooze vat der Danaïden. Het is waar, heden, toen ik haar verliet, liet zij de armen zinken—en zóó—zoo staat zij mij nu voor mijn vochtige oogen, zoo.... Daarbij kan ik mijn neef Dion ook niet uit mijn gedachten bannen. Zorgen, niets dan zorgen, ook wat hem betreft! En ik meende het zoo goed met hem. In mijn testament vermaak ik hem alles wat ik bezit; maar nu wil hij in vollen ernst in den echt treden met de zangeres, de dochter van den schilder Leonax. Gij hebt op u genomen haar te beschermen;—doch uw eigen nicht, Iras, ligt u toch zeker nader aan het hart, en daarom zult gij wel goed vinden dat ik, als Dion bij zijn voornemen volhardt, het testament verscheur. Hij krijgt geen penning van mijn vermogen als hij de vrouw niet opgeeft, die de Vorstin een doorn in het oog is. Dat past nu eenmaal niet in ons oud, eerwaardig geslacht. Iras daarentegen is Dion's speelnoot, en ik heb haar sinds lang voor hem bestemd. Men kan geen verstandiger echtgenoot bedenken, en die daarbij de Koningin welgevalliger is. Hij was haar genegen, totdat de zangeres hem inpakte. Breng hen weder tot elkander, en ik zal hen als mijn eigen kinderen beschouwen. Indien de dwaas zijn oom, die enkel zijn welzijn beoogt, tegenstreeft, dan trek ik mijn hand van hem af. Hoe zijne vijanden ook tegen hem samenspannen,ik sla mijne armen over elkander, en zie het kalm aan. Ik neem de plaats in van zijn vader, mijn overleden broeder, en ik eisch gehoorzaamheid van hem. De Koningin is mijn alles, en hare genade is mij meer waard dan twintig weerspannige neven.”

»Gij zult de gunst der Vorstin toch wel behouden, al komt gij op voor den zoon uws broeders.”

»En Iras dan? Als zij zich door hem bedrogen ziet,—en dat doet zij nu reeds—dan zal zij niet rusten....”

»Totdat zij hem in de ellende heeft gestort,” voltooide Charmion den volzin, meer bezorgd dan verwijtend, en alsof zij het naderend onheil reeds vóór zich zag.

»Maar Iras staat niet nader bij de Koningin dan ik, en wanneer gij en ik, hand aan hand het onze doen om den wakkeren jongen man, die van uw eigen bloed is, te beschermen....”

»Ja, dat is waar.... gij staat zeker, ook om uw langeren diensttijd, nader bij de Koningin dan Iras... intusschen.... zulke dingen moeten wel overwogen worden, en ik heb het u immers al gezegd:... mijn geest heeft de oude woonplaats verlaten om de Vorstin als haar schaduw te volgen. Alleen datgene wat haar betreft, boezemt hem nog belang in. Al het andere mag gaan zooals het wil! De vloot is zoo goed als vernield, Canidius verslagen, Herodes tot den vijand overgeloopen, verraad op verraad,—en de Afrikaansche legioenen verloren. Hoe heet de god die het rad, dat in zijn vaart den berg afrolt, zou kunnen terug wentelen naar den top? En toch—laat ons offeren, vriendin, en op beter dagen hopen!”

De zegelbewaarder verwijderde zich, doch Charmion ging met gebogen hoofd verder, om bij Barine en haar trouwe Anukis tot zich zelve te komen en uit te weenen, voor dat zij de taak aanvaardde om hare dierbare meesteres te troosten en op te beuren. En toch had zij zelve zóózeer een vriendelijke toespraak noodig! Waarheen zij den blik ook wendde, overal zag zij ongeluk, gevaar, verraad en schandelijke listen. Het was haar te moede alsof zij lang genoeg had geleefd, en haar tijd nu voorbij was. Haar zachtmoedige aard, haar geest, die zich zoo gaarne in iets verdiepte, zich verrijkte, en wat zij verkregen had, met een ander deelde, had tot nu toe de Koningin veel kunnen schenken. Niet alleen was zij Cleopatra's vertrouwde geweest, maar de Koningin had haar ook noodig gehad om met haar de vragen te bespreken die haar rusteloos brein, midden onder de dagelijksche plichten, bezig hielden. Nu waren het gebeurtenissen, harde, wreede feiten, die de Koningin geheel en al in beslag namen, waaraan zij weerstand bieden, en die zij ten goede leiden moest. Haar leven was een en al strijd geworden, en Charmion voelde zich niets minder dan strijdlustig.

De harde, buigzame, scherp geslepen geest van Iras zou zich nu beter doen gelden, en de vrouw wier haren reeds grijs werden, zeide tot zichzelve dat het nu haar plicht was de jongere gezellin te laten voorgaan. Het zou haar rust gegeven hebben indien zij haar ambt had kunnen neerleggen, maar hiertoe kon zij niet besluiten. Juist omdat deze tijd zoo vol ellende was en misschien tot val en ondergang leiden kon, moest zij volharden, vooreerst ter liefde van de Koningin, en dan ook om over Barine te waken.

Nu moest zij weder naar Cleopatra terug. Zij wist dat hare enkele nabijheid reeds het gewonde hart der Koningin goed zou doen.

Voor de open deur van den tuin, waarop zij ijlings toe liep, klonk haar de zilverheldere lach van een kind tegemoet. De kleine zesjarige Alexander liep met open armen op haar toe, sloeg die om haar heen, vlijde zijn krulkopje tegen haar aan, en zag met zijn groote, heldere oogen tot haar op.

Daar ging haar hart van open. Terwijl zij het kind optilde en kuste, en daarbij de gedachte bij haar opkwam, welk een treurig lot het te wachten stond, liet al de met moeite verkregen zelfbeheersching haar in den steek. Hare oogen liepen over van tranen en luid snikkend drukte zij het knaapje vaster tegen haar borst.

Doch het koningskind, dat alleen aan opgeruimde gezichten en vriendelijke liefkoozingen gewend was, maakte zich verschrikt uit hare armen los, om hard terug te loopen naar zijn broertje en zusje. Toch had het kind een warm hart, en daar hij wel wist dat niemand weent en snikt zonder dat hij verdriet heeft, voelde Alexander medelijden met Charmion, van wie hij zeer veel hield, en daarom kwam hij nog eens bij haar terug. Wat hij van plan was haar te toonen, daarin had ook zijn moeder behagen geschept en het zou de tranen der bedroefde Charmion drogen. Het kind vatte hare hand, trok haar mede, en zeide dat hij haar iets héél moois en aardigs wilde laten zien. Zij liet zich gewillig medevoeren over de paden met fijn roodachtig zand bestrooid, van den kleinen tuin, dien Antonius voor hem en de andere kinderen op zijn gewone verkwistende en prachtlievende manier had laten aanleggen en voorzien was van allerlei schoone en zeldzame zaken.

Er was een vijver met goud- en zilvervisschen, waarop zeldzame lotosbloemen met rozenroode bloesems uit het groen der gladde bladeren te voorschijn kwamen, en een andere, waarop dwergeenden van allerlei kleuren rondzwommen, alsof zij opzettelijk voor kinderen waren gemaakt. Een gedeelte van de zee, die den tuin bespoelde, was met gouden traliewerk omheind, en op haar spiegel dreven tal van zwanen, sneeuwwit of zwart met roode snavels. In de bloemperken stonden inheemsche of Indische bloemen van alle kleuren. Doorgangen van gouddraad, omrankt door bontbloeiende slingerplanten, gaven schaduw op de smalle paden. Achter een dichtbegroeiden Indischen boom, noodigde een druipsteengrot tot rusten uit, en daarnaast stond een huisje, dat geheel voor de kinderen was ingericht. Niets ontbrak daarin wat tot het dagelijksch leven behoort, zelfs niet het gereedschap in de keuken, noch in het tablinum de portretten der familie, die een kunstenaar sierlijk geschilderd had op kleine platen van ivoor. Dat alles was in verhouding tot de grootte der kinderen, van de kostbaarste stoffen en met de meeste kunst vervaardigd.

Achter het huis was een kleine stal, waarin vier vlugge paardjes met gevlekte huid, zoo vreemd en aardig als men maar bedenken kan, een geschenk van den Koning van Medië, vol vuur op den grond stampten. Elders waren weder perken met gazellen, struisvogels, jonge giraffen en andere gras-etenden dieren. Bonte vogels en apen sprongen in de kruinen der boomen rond, en op den waterstraal der fontein werden gekleurde ballen voortdurend op en neder geworpen. Kindergeniën en godenbeelden uit marmer en brons kwamen uit het gras te voorschijn, en deze geheele tooverwereld was bijeen gebracht in een kleine ruimte en maakte door haar kleuren- en vormenrijkdom, haar geuren, gezang en gekweel een overweldigenden indruk op de verbeeldingskracht, en niet op die der kinderen alleen.

De kleine Alexander trok Charmion voort, vol opgetogenheid en zonder op al die heerlijkheden ook maar één blik te slaan. Eerst bij den lotosvijver bleef hij staan, legde zijn vingertje op den mond en zeide: »Nu zal ik het u laten zien. Kijk eens naar dezen kant!”

Hij ging zachtjes op zijn toonen staan, en wees op een hollen stam. Daarin had een paar vinken zijn nest gebouwd, en vijf jongen met breede, gele snavels, strekten hunne leelijke kopjes hongerig in de hoogte. »Is dat niet aardig?” riep het prinsje. »En nu moet gij eens zien als de ouden komen en hen voeden.”

Het lieve gezicht van den schoonen knaap straalde daarbij van verrukking en Charmion kuste hem teeder. Doch terwijl zij dat deed, dacht zij aan de dood gepikte jonge zwaluwen op het admiraalschip van zijn moeder, en een koude rilling ging haar door de aderen.

Nu hoorde men uit een verborgen hoekje achter het fraai bewerkte kinderhuisje heldere stemmen »Alexander” roepen. De knaap bedacht zich, en zei vol spijt:

»Nu heb ik u het nestje gewezen, maar daardoor heb ik wat vergeten. Agatha was ingeslapen, en Smerdis weggegaan, en dus waren wij alleen. Toen hebben zij mij gezonden naar den poortwachter Horus, om wat van zijn grof gerstebrood te halen. Hij geeft mij altijd alles, en wij houden daar zooveel van. Wij zijn boeren, en hebben hard gewerkt met de bijl en de schop, en nu gaan wij eten. Hebt gij ons huis al gezien? Wij hebben het zelf gebouwd! Selene, Helios, Jotape, daar ik mee ga trouwen, en ik.... Ja, ik! Zij hebben mij ook laten meehelpen, en wij hebben het heel, heel alleen gedaan! Het is heelemaal klaar. Morgen maken wij nog een stal voor de koe! De anderen mogen het niet zien, maar aan u mag ik het wel laten kijken.”

Hij trok haar weder mede, en Charmion volgde hem gewillig. Zij werden met vreugde begroet door de tweelingen en de kleine Jotape, die de zesjarige Alexander zijn aanstaand vrouwtje had genoemd. Het was een aardig blond kind van denzelfden leeftijd als hij, de dochter van den Koning van Medië, die men na den oorlog met de Parthen met den knaap verloofd had, en die nu aan Cleopatra's hof in gijzeling was. Met uitzondering van dit Medische Vorstenkind, had Charmion hen alle zien geboren worden, en zij hielden veel van haar.

De jonge vorstelijke bouwlieden toonden haar met blijden trots hun werk, en het was werkelijk goed gelukt. Zij hadden al wekenlang daaraan gewerkt, en in dien tijd den geheelen tuin met al zijn heerlijkheden vergeten. Bijzonder trotsch waren zij op de twee planken, die Helios zelf, met de hulp van Alexander, na den laatsten storm, uit de zee had opgevischt, toen men hen eens alleen gelaten had, en op het slot aan de deur, dat zij stilletjes en met veel moeite uit een oude poort hadden gehaald. Selene had zelf het voorhangsel voor de deur geweven. Nu wilden zij ook een haard bouwen.

Charmion prees hunne vaardigheid, terwijl zij vroolijk allen door elkander spraken, om haar te vertellen welke moeilijkheden zij hadden moeten overwinnen. Het pleizier in hun eigen werk straalde hen daarbij uit de oogen, en zij waren zoo daarvan vervuld, dat zij niet eens den man hoorden naderen, die hen overviel met den uitroep: »Nu genoeg met dat spel, uwe hoogheden! Er gaat toch al genoeg tijd mee heen!”

Daarop keerde hij zich tot de Koningin, die hij daarheen vergezeld had, en ging op verontschuldigenden toon voort: »Misschien is dit spel in uwe oogen bedenkelijk, doch er is ook veel vóór te zeggen. In ieder geval scheen het de jonge Vorsten zooveel genoegen te geven dat ik het voor korten tijd heb laten gaan. Indien echter uwe Majesteit beveelt”....

»Laat hun dit vermaak,” gaf de Koningin vriendelijk ten antwoord, en zoodra de kinderen hunne moeder zagen, liepen zij naar haar toe, drongen zich hartelijk en zonder vrees tegen haar aan, bedankten haar en verzekerden haar met levendigheid dat zij in den geheelen tuin niets zoo heerlijk vonden, als hun huis dáár.

Zij waren ook van plan nog een stal er bij te bouwen.

»Dat kon wel eens te veel worden,” merkte de gouverneur Euphronion op. Deze was een man, die reeds op jaren kwam, met een verstandig en welwillend gelaat; hij liet er op volgen: »Laat ons niet vergeten, hoeveel er nog te leeren is, opdat wij op den verjaardag van Hare Majesteit ons plan ten uitvoer brengen, en de proef goed doorkomen.”

Maar de kinderen vereenigden zich in het dringend verzoek, dat zij den stal nog mochten bouwen, en eindelijk stond hij hun ook dat nog toe.

Toen de gouverneur hen eindelijk wilde wegbrengen, hield de koninklijke moeder hen nog even tegen, en vroeg: »En wanneer ik u nu eens in plaats van dezen tuin een stuk land gaf, dat in het geheel niet aangelegd was, juist zooals een boer het beploegt, en gij mocht daarin, na de leeruren, graven en bouwen, zooveel gij maar wildet?”

Daar klonk een luide jubelkreet uit den mond der kinderen; alleen de kleine Medische Jotape vroeg bezorgd: »Maar dan mag ik mijn pop toch meenemen? Alleen maar de oudste van allen, Atossa. Zij heeft maar één arm, maar ik houd van haar het allermeeste.”

»Neem ons maar alles af wat gij wilt!” riep Helios, en trok den kleinen Alexander naar zich toe, om te toonen dat zij, de mannen, het met elkander eens waren, »geef ons alleen het land, en laat ons daar bouwen!”

»Wij zullen zien of het gaat,” antwoordde Cleopatra. »En gij Euphronion, zoudt misschien de rechte persoon zijn, om... Doch daarvan op een rustiger tijd.”

De gouverneur ging heen, en de kinderen volgden hem, terwijl zij nog lang naar hunne moeder omzagen, en haar groetten en toewuifden.

Zoodra zij achter de boomen in den tuin verdwenen waren, riep Charmion: »Hoe duister de hemel ook moge worden, zoo lang gij deze nog hebt, kan het er nooit ontbreken aan zonneschijn.”

»Indien,” ging de Koningin nadenkend voort, »niet een andere gedachte zich met deze samenvlocht, die den nacht nog zwarter maakt. Weet gij wat deze vreeselijke dag ons gebracht heeft?”

»Ik weet alles!” antwoordde zij met een diepen zucht.

»Dan kent gij ook den afgrond, aan welks rand wij wandelen, en deze kinderen door hunne ongelukkige moeder zelve medegesleept te zien in die gapende kloof,—dat, Charmion,—dat!”... Zij barstte daarbij in een luid snikken uit, sloeg hare armen om den hals van hare vriendin, de speelnoot harer kindsche jaren, en liet een oogenblik haar hoofd rusten aan dat trouwe hart, als een kind dat troost noodig heeft.

Zij weende enkele minuten zonder zich te bedwingen. Toen hief zij het vochtige gelaat weder op, en zeide zacht:

»Dat heeft goed gedaan! O, Charmion, ik heb meer dan iemand behoefte aan liefde. Aan uw warm hart is het hier binnen al stiller geworden.”

»Gebruik het maar, rust er aan uit, zoo dikwijls gij het noodig hebt, tot aan het einde toe!” riep Charmion diep ontroerd.

»Tot aan het einde,” herhaalde Cleopatra, en droogde hare tranen af. »Het is mij, alsof alles eerst heden begon. Straks was ik een uur alleen. Ik dacht dat ik zou ondergaan, en gij weet hoe licht ik mij door den hartstocht laat meesleepen. Maar wat was mij ook al niet overkomen! Het leger vernietigd, Herodes en Pinarius afvallig geworden, het grootmoedige, vertrouwende hart van Antonius verscheurd door snood verraad, zijn ziel verduisterd, de herstelling van het kanaal, mijn laatste hoop—Gorgias is het mij komen zeggen—zoo goed als mislukt.... Daar kwam de kleine Alexander, om mij naar zijn vogelnestje te brengen. Al het overige in den tuin scheen hem daarbij vergeleken, onbeduidend. Dat wekte nieuwe gedachten bij mij op, en dan dat huisje, dat de kinderen geheel alleen voor zich zelve hebben gebouwd! Dat alles,—het heeft mij met geheimzinnige kracht gedwongen terug te zien op mijn levensweg, tot in de lang verloopen dagen in het huis van uwen vader... Ik... De kinderen... Op hoe verschillende grondslagen bouwen wij ons leven op! Waartoe ik ook, toen mijn jeugd achter mij lag, gekomen ben, bij haar zoek ik het begin van alles. Mijn kindsheid viel midden in de verwikkelingen van den Staat, met de verdrijving van mijn vader en den dood van mijn moeder. Ik stond toen ook aan den rand van een afgrond. De tweelingen, die nu al tien jaar zijn, hebben ook bijna de kinderjaren achter den rug, en zij zullen spoedig hetzelfde lijden moeten doorstaan als ik, nadat zij genietingen hebben gesmaakt, waarvan ik ook niet de geringste heb gekend. Doch waren er voor ons niet betere weggelegd? Wat hen dagelijks ten deel is gevallen, daarvan hebben wij in onzen eenvoudigen tuin alleen maar gedroomd. Hoe dikwijls liet ik u deelen in de schitterende toekomstvisioenen die ik destijds had! Gij volgdet mij altijd gaarne in de sprookjeswereld mijner droomen. En ik.... wat de phantasie mij toonde, in die jaren van rust en nadenken, dat is in mijn later leven met mij medegegaan. Toen ik rijk en machtig op een troon zat, zag ik dat alles telkens weder. De middelen om die hersenschimmen tot werkelijkheid te maken, ontbraken mij niet, en toen ik den man ontmoette, wiens eigen leven de verwezenlijking van een droom geleek,—toen riep ik de visioenen uit mijn kindsheid weder op, en liet ze waarheid worden. De wonderen, waarmede ik het leven van mijn geliefde sierde, waren de kinderlijke phantasieën, waaraan ik een tastbaren vorm gaf. Deze tuin is een beeld van het leven waartoe ik geloofde opgeklommen te zijn, terwijl ik in waarheid daarin afdaalde. Alles wat de zinnen streelen kan, hebben wij op dit stuk grond bijeengebracht; doch geen daarvan komt tot rust, in deze enge ruimte, waar ieder die het waagt zich vrij te bewegen zich stoot aan al de overtolligheden die hier bijeen zijn.

»En toch had ik mij in uwe omgeving en aan de hand van uw wijzen vader leeren tevreden stellen met zoo weinig, en was ik reeds begonnen met het streven naar rust. Waar is zij, die rust zonder smart,—ons hoogste goed—toch heengegaan? Door mijne schuld hebt ook gij beiden haar verloren... maar de kinderen... Ik liet hen het leven beginnen op een brandpunt van alle mogelijke onrust, en nu zie ik hoe hun eigen gezonde natuur zich tracht los te maken uit dien verblindenden kleurengloed, den bedwelmenden geur, het geestverwarrend gezang en gekweel. Zij smachten naar den onontgonnen akker waarop het leven van den strijdenden mensch begonnen is. De knaap werpt alle beuzeling ver weg, om de kracht die hem aangeboren is te kunnen gebruiken. Het meisje doet evenals hij, en houdt zich vast aan haar pop, waarin zij het levende kind ziet, om toe te geven, aan de moederlijke aandrift, die het kenteeken is harer natuur. Wat hunne ziel met zooveel kracht begeert, dat is dan ook het ware, en dat moet hen worden gegund. Toen ik tien jaar oud was, zooals de tweelingen nu, toen had mijn geheele leven en streven reeds een bepaalde richting genomen. Zij gaan nog blindelings af op het doel dat hen voorgehouden wordt. Daarom: terug met hen naar het punt vanwaar hunne moeder uitging—naar de plek waar zij alles ontving, wat er goeds in haar is! Zij moeten naar den Epicuristen-tuin, om het even of het de oude te Kanopus is, of een andere. Wat bonte droomen aan hunne moeder hebben getoond, en wat zij met misdadige verkwisting heeft zoeken te verwezenlijken, dat heeft hen omringd van hunne geboorte af aan, en het heeft al spoedig zijn aantrekkingskracht voor hen verloren. Als zij eenmaal in de wereld komen, dan zullen zij alles wat alleen de zinnen prikkelt en bedwelmt verachten. Zij zullen vasthouden aan het streven naar smartelooze inwendige rust, wanneer zij geleid worden door een gids, die de gevaren, waarmede Epicurus' leer juist de jeugd omstrikt, verwijderd houdt. Ik heb dien leidsman gevonden, en gij zult ook vertrouwen in hem hebben, want het is uw broeder Archibius, dien ik bedoel.”

»Hij?” vroeg Charmion verrast.

»Ja, hij, die opgegroeid is in den Epicuristen-tuin, en die in het leven en de philosophie het steunpunt vond, dat hem midden in al den strijd van het dagelijksch bestaan de rust der ziel heeft doen behouden,—hij, die de moeder bemint, en wien ook hare kinderen dierbaar zijn,—hij, aan wien de knapen en meisjes gehecht zijn met warmte en oprecht vertrouwen. Ik wensch de kinderen onder zijne hoede te stellen, en indien hij er in toestemt dezen wensch van de ongelukkigste aller vrouwen te vervullen, dan zie ik mijn einde met kalmte tegemoet. Dat is nabij!—Ik voel het, ik weet het. Gorgias houdt zich reeds met een ontwerp voor mijn grafmonument bezig.”

»O, Koningin!” riep Charmion vol smart. »Wat er ook gebeuren moge, het kan toch nooit uw hoogheerlijk leven bedreigen! In Octavianus' borst klopt geen grootmoedig hart als dat van Marcus Antonius, maar toch is hij niet wreed, en juist omdat koele berekening datgene matigt waartoe de eerzucht hem drijft, zal hij uw leven sparen. Hij weet hoe deze stad, dit land u vergoden,—en indien het hem werkelijk gelukt op deze eerste overwinning andere te doen volgen, indien de goden toelaten dat uw troon en—wat zij verhoeden mogen!—ook uw geheiligde persoon in zijne handen valt...”

»Dan,” riep Cleopatra uit, en hare heldere oogen schoten vonken, »dan zal hij gewaar worden wie de grootste is van ons beiden—juist dan zal ik mijn recht laten gelden op hem neer te zien, al zou het blinde noodlot ook hem, die mij en Cæsars zoon het erfdeel ontstal, de heerschappij over de geheele aarde schenken.”

Zij had deze woorden uit gesproken met toornig fonkelende blikken, doch nu liet zij de kleine hand, die zich tot een vuist had gebald, zakken, en ging op een geheel anderen toon voort:

»Er kunnen nog maanden voorbijgaan, eer hij sterk genoeg is den aanval te wagen, en de goden zelve hebben het oprichten van het grafteeken goedgekeurd. De eenige hinderpaal die daaraan in den weg stond, het huis van den ouden philosoof Didymus, is reeds gesloopt. Zooeven heeft een bode van Gorgias mij daarvan kennis gegeven. Het moet het tweede grafteeken in deze stad worden, dat de aandacht waardig is. Het andere bedekt het lichaam van den grooten Alexander, aan wien zij het aanzijn en den naam te danken heeft. Hij, die de halve wereld onderwierp aan zijn macht en aan den genius van het Grieksche volk, was toen hij stierf, jonger dan ik. Waaraan heb ik, die door mijn ellendige zwakheid Actium deed verloren gaan, het recht te danken nog een dag langer onder de zon te wandelen? Misschien kunnen wij reeds binnen enkele uren Marcus Antonius verwachten.”

»En wilt gij dan,” vroeg Charmion, »den diep terneergebogen man in deze stemming verwelkomen?”

»Hij wil niet ontvangen worden,” gaf Cleopatra scherp ten antwoord. »Hij heeft zelfs mij verboden hem te begroeten, en ik begrijp dit verbod. Maar wat moet hem wel overkomen zijn, dat hij, de opgeruimde, de menschenvriend, naar eenzaamheid smacht, en schroomt te ontmoeten zelfs die hem het liefst en het naast zijn? Hij wenscht zich af te zonderen op den Choma, en daar is Iras nu, om te zien of alles in orde is. Zij zorgt ook dat de bloemen er zijn, die hij graag heeft. Het valt mij zwaar en hard dat ik hem niet als vroeger mag welkom heeten. O Charmion, wat was dat heerlijk, wanneer hij met open armen en wijd geopend hart als een jongeling met zijn krachtige gestalte aan land sprong, en uit zijn schoon heroëngelaat een stroom van vurige, machtige liefde mij tegenkwam. En als hij dan—dat hebt gij ook nog niet vergeten!—zijn zware stem verhief, om mij den eersten groet te brengen, dan was het mij alsof de visschen in het water daarmede instemmen, en de palmen aan den oever in zalig medegevoel met de pluimen wuiven moesten.—

»En hier! De droomen der kindsheid, die ik voor hem tot werkelijkheid maakte, namen ons op, en ons leven, door liefde en rozen omstrengeld, werd aan een sprookje gelijk! Van den eersten dag af dat hij ons te Kanopus tegemoet reed, en mij den eersten bloemruiker en een om liefde smeekenden zonnigen blik toewierp, staat zijn beeld voor mijn ziel als de belichaming der alles overwinnende mannekracht en der heldere, door niets te verduisteren, wereld-bezielende vreugde. En nu, nu?—Weet ge nog hoe wij hem als een somber droomer verlieten, vóór hij naar Paraetonium vertrok? Maar neen, duizendmaal neen, zóó mag hij niet blijven! Niet met gebogen hoofd, in opgerichte houding, zooals in de dagen van ons geluk, moet hij hand aan hand met haar die hij liefheeft, den drempel van den Hades overschrijden. En hij bemint mij nog altijd! Zou hij mij anders wel hierheen gevolgd zijn, hoewel het nu geen tooverbeker meer is, die hem naar mij toetrekt? En ik? Dit hart, dat reeds als kind de eerste neiging voor hem voelde, behoort hem nog altijd, en blijft het zijne....

»Zou ik mij toch niet naar de haven begeven, en hem opwachten? Zie mij in het gelaat Charmion, en antwoord mij zonder schroom, even waar als een spiegel: is het Olympus werkelijk gelukt de rimpels te doen verdwijnen?”

»Ik kon ze te voren ook nauwelijks zien,” luidde het antwoord, »en nu kan zelfs het scherpste oog niets meer ontdekken. Ik heb ook de haarzalf meegebracht, en wat Olympus u voor...”

»Stil, stil!” zeide Cleopatra zacht.... »Er zijn veel levende schepselen in dezen tuin, en men zegt immers dat de vogels het allerscherpste hooren.”

Tegelijk kwamen de schalksche kuiltjes in de wangen weder te voorschijn, en de blijdschap over deze betooverende bevalligheid dwong Charmion den uitroep af:

»Als Marcus Antonius u op dit oogenblik eens zag!”

»Vleister!” antwoordde de Koningin met een dankbaren glimlach, doch haar vriendin voelde dat nu het oogenblik gekomen was om nog eens een goed woord voor Barine te doen, en daarom zeide zij met levendigheid:

»Neen waarlijk, ik vlei u niet! Geen vrouw in Alexandrië, hoe zij ook heeten moge, zou het mogen wagen, zich ook maar in de verte met uwe bekoorlijkheden te meten. En daarom: laat toch de vervolging varen van die ongelukkige, die gij aan mijne hoede hebt toevertrouwd. Het is zichzelve beleedigen, wanneer men een Cleopatra is....”

Doch hier werd zij in de rede gevallen door een misnoegd:

»Al weder!”

Cleopatra's gelaat, dat gedurende dit gesprek alle gemoedsbewegingen eener vrouwenziel, van de diepste droefheid tot vroolijke schalkschheid weerspiegeld had, kreeg nu een uitdrukking van hardheid. Zij maakte de korte opmerking: »Gij vergeet weder, wat ik om goede redenen niet wilde hooren,—nu moet ik aan het werk,” en keerde daarmede de vriendin harer jeugd den rug toe.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Charmion ging nu naar hare woning terug. Wat reeds zoo menigmaal het geval was geweest, was het ook nu weder. Zoo vaak zij de diepte van gemoed, de mannelijke geestkracht, den rusteloozen ijver, de waakzame zorg van Cleopatra voor haar land, de moederlijke toewijding dezer zeldzame vrouw het vurigst had bewonderd,was zij op jammerlijke wijze ontgoocheld.

Dan had zij het moeten aanzien hoe de Koningin, om een droom uit de sprookjeswereld harer kindsheid te verwezenlijken, en haar geliefde daarmede te verrassen, ontzettende sommen verkwistte, die zoodoende aan de welvaart harer onderdanen onttrokken werden; hoe zij groote en gewichtige zaken liet achterstaan bij de ijdele en angstvallige verzorging harer eigene persoon; hoe kleingeestige jaloerschheid haar de rechtvaardigheid en goedheid deed vergeten die haar anders eigen waren; hoe zij, de vriendelijkste en meest vrouwelijke van alle gebiedsters, in een toornige opwelling tegen een ondergeschikte zich tot onrechtvaardigheid toe vergat, wanneer diens manier van doen haar met verontwaardiging vervulde. Dezelfde eerzucht, die haar van nature eigen was en haar de schoonste en roemrijkste harer daden ingegeven had, was meer dan eens de drijfveer geworden tot handelingen, waarvan zij later berouw had. Zooals zij het als kind reeds niet had kunnen hebben dat een ander haar in het oplossen van moeilijke vraagstukken overtrof, zoo had zij altijd de behoefte behouden om, waar zij zich vertoonde, de eerste te zijn en zich nooit geëvenaard te zien. Misschien lag daarom de voornaamste oorzaak van haar bitteren wrok tegen de ongelukkige Barine in de omstandigheid, dat Antonius haar de wedergade van een armband had vereerd, dien zij zelve droeg als een geschenk van haar geliefde.

Charmion had dikwijls gezien hoe Cleopatra menig onrecht, ja zelfs menige beleediging gewillig en grootmoedig had vergeven, maar zich door haar gemaal gelijkgesteld te zien in wat het ook zij, met eene Barine, kon haar licht onverdragelijk voorgekomen zijn;—daarbij gaf hetgeen met Cæsarion was gebeurd, ten gevolge van den dwazen hartstocht, dien de jonge vrouw bij hem had gewekt, haar het recht hare mededingster te straffen.

Vol vrees voor het lot van haar beschermeling, diep geschokt, en daarbij afgemat naar lichaam en ziel, naderde Charmion hare woning. Dáár hoopte zij verkwikking te vinden in de weldadige, gelijkmatig opgeruimde stemming van Barine; daar wachtten haar de trouwe, zorgzame handen van hare bruine dienares en vertrouweling.

De zon neigde reeds ten ondergang, toen zij de voorzaal betrad. De wachter, die op post stond, deelde haar mede, dat er niets belangrijks was gebeurd, en met een verruimd hart ging zij het woonvertrek binnen.

Evenwel, terwijl anders de Aethiopische haar met vriendelijke woorden tegemoet kwam om haar den sluier en mantel af te nemen, en de schoenen uit te trekken, was er ditmaal niemand om haar te ontvangen. Eerst in het aangrenzend vertrek, dat zij aan hare gast had aangewezen, vond zij Barine met roodgeweende oogen.

In Charmions afwezigheid was haar een brief van Alexas gebracht, waarin deze haar schreef, dat zij den volgenden morgen vroeg op bevel der Koningin een verhoor bij hem moest ondergaan. Haar zaak stond slecht, doch als zij hem niet door die hardheid, die hem vroeger reeds zooveel smart had berokkend, zijn plicht nog zwaarder maakte, dan zou hij zijn uiterste best doen, om haar te behoeden voor gevangenschap, dwangarbeid in de groeven, of nog erger dingen. Het onvoorzichtig spel, dat zij met den Koning Cæsarion had gedreven, had het volk helaas tegen haar vertoornd. Hoe diep dat ging bewees de woede, waarmede men het huis van haar grootvader Didymus had omvergehaald. Dion, die zich misdadig vergrepen had tegen den edelen zoon der Koningin, zou door niets voor de verbolgenheid der volksmenigte te bewaren zijn. Hij, Alexas, wist wel dat zij in dien Dion een vriend en beschermer verloor; doch hij was geneigd om zijn plaats in te nemen, wanneer haar gedrag het hem hem niet onmogelijk maakte genade met recht te vereenigen.

Deze boosaardige brief, die Barine een zachte behandeling beloofde tot den prijs van hare gunst, zonder dat Alexas daardoor in zijn hoedanigheid als rechter zichzelven aan de kaak stelde, verklaarde Charmion, waarom zij de dochter van haar vriend zoo diepbewogen vond.

Wel gaf het haar een kleine verlichting om aan haar afschuw en wrok tegen Alexas uitdrukking te geven, zoo sterk als haar zachtzinnige aard dat maar vergunde, maar toch bleven angst, bekommering en verontwaardiging in haar bedrukte ziel om den voorrang strijden.

Men zou verwacht hebben dat de jonge vrouw met haar levendigen geest, beproefd had alles te weten te komen wat Charmion bij de Koningin en Archibius had uitgericht, en wat er voor Cleopatra voor gewichtigs in staat en stad was gebeurd; maar met veel hartelijke belangstelling vroeg zij alleen naar den toestand van haar geliefde, van wien zij allerlei dingen wilde hooren, waarvan Charmion niets kon zeggen. Zij had bij haar kort bezoek aan Dion's legerstede niet vernomen hoe hij zijn eigen lot en dat van Barine droeg, hoe hij de toekomst tegemoet zag, en wat hij daarvan verwachtte.

Dat Charmion juist deze vragen met stilzwijgen beantwoordde, deed de vrees der arme bedreigde niet weinig toenemen, daar zij niet alleen zich zelve, maar ook hen, die zij het meeste liefhad, in zulk een groot gevaar zag. Zij drong er bij hare gastvrouw nog meer op aan haar te verlossen uit die slingering, die nog moeilijker te verdragen was dan de vreeselijkste zekerheid; doch noch over Cleopatra's bedoelingen, noch omtrent het lot en de verblijfplaats van hare grootouders en Helena kon zij haar iets naders meedeelen. Hierdoor klom haar angst, want indien de berichten van Alexas waarheid behelsden, dan moesten de haren nu zonder dak zijn. Toen Charmion eindelijk bekende dat zij Dion slechts even had gezien, voelde de arme gepijnigde ziel ten laatste hoe al de kracht van het in stilte dragen van haar leed gebroken was.

Zij, die altijd zoo rijk was geweest in hoop, die, als het licht van den avond verdween, zich reeds verheugde op het morgenrood van den volgenden dag, zag nu reeds in Cleopatra's hand de schrijfstift, waarmede zij het doodvonnis van haar zelve en van haar geliefde onderteekende. Met het oog van haar geest zag zij de haren, en hoe het instortende huis hen verpletterde, of hoe zij bloedden onder de steenen, geworpen door de woedende menigte. Zij hoorde Alexas den beul bevel geven om haar op de pijnbank te brengen, en zij dacht dat de Nubische niet naar huis terugkeerde omdat zij Dion niet gevonden had. Zeker hadden de trawanten der Koningin hem, met ketenen geboeid, naar de gevangenis gevoerd, in dien niet reeds Philostratus het volk had overreed hem door de straten te sleepen.

Met een koortsachtige opgewondenheid, die Charmion te meer deed schrikken, omdat het in de dochter van haar vriend zoo iets vreemds was, liet Barine haar al de schrikbeelden zien die hare door doodsangst, smachtend verlangen, liefde en afschuw gefolterde phantasie haar voortooverde. Charmion deed alles wat zij kon om haar tot rust te brengen en aan de wanhoop te ontrukken; nu eens bestrafte zij haar, dan weder overlaadde zij haar met liefkoozingen, doch niets hielp. Eindelijk slaagde zij er in de ongelukkige te overreden met haar aan het venster te gaan staan, vanwaar zij een verrukkelijk schouwspel konden gadeslaan. In het Westen, achter het Heptastadium, midden tusschen het mastbosch in de haven van Eunostus, ging de zon onder, en Charmion, die van de kinderen der Koningin had geleerd hoe men een geschokt jong hart de rust moest wedergeven, wees hare beschermeling op het gloeiende avondrood aan den westelijken horizont, in de hoop dat hare gedachten daardoor op iets anders gericht zouden worden. Zij vertelde haar daarbij hoe haar vader, de schilder, haar opmerkzaam had gemaakt op den prachtigen lichtgloed, dien de kleuren aannemen op dezen tijd van den dag, ook al gloeide de avondhemel niet zoo sterk als ditmaal het geval was.

Maar Barine, die zich op andere dagen aan zulk een tooneel niet verzadigen kon, was haar daar nu niet dankbaar voor, want deze zonsondergang deed haar denken aan een anderen, dien zij zoo kort geleden aan de zijde van Dion had bewonderd, en opnieuw barstte zij in hevig snikken uit.

Nu wist Charmion geen raad meer. Zij legde haar arm om Barine's schouder; op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en Anukis, de Nubische trad binnen.

Hare meesteres wist wel, dat het niets verkeerd kon zijn wat haar zoo lang van haar post bij Barine verwijderd had gehouden. Zeker was haar zelfs iets gewichtigs wedervaren, dat haar kracht op sterke proeven had gesteld. Dat bewees haar geheele uiterlijk. Haar glanzend bruine huid had een aschgrauwe tint gekregen, haar hoog, met krullend haar omgeven voorhoofd was vochtig, en de volle lippen waren bleek geworden.

Hoewel zij zich vreeselijk moest hebben ingespannen, scheen zij toch geen rust te behoeven. Zij groette de beide vrouwen haastig, verontschuldigde zich over haar lang uitblijven, en deelde Barine mede dat zij Dion nu werkelijk bijna hersteld had gezien, doch toen verzocht zij haar meesteres met een enkelen blik van verstandhouding, om haar te volgen naar het nevenvertrek. Toch was aan de beangstigde jonge vrouw die beteekenisvolle blik der Nubische niet ontgaan, en door nieuwe vrees overvallen, wilde zij alles hooren wat er gebeurd was.

Charmion gebood hare dienares dan ook te spreken. Anukis verzekerde, eer zij begon, dat de tijdingen die zij medebracht, werkelijk zeer goed waren,—alleen stelden zij groote eischen aan den moed en de standvastigheid van Barine, die zij trouwens gehoopt had anders weder te zien. Er was geen tijd te verliezen. Een uur na het ondergaan der zon werd zij op de afgesproken plaats verwacht.

Hier viel Charmion haar in de rede met den uitroep: »Onmogelijk!” en herinnerde haar aan de wachters, die Alexas, volgens overeenkomst met Iras, die in het paleis woonde, reeds den vorigen dag in de voorzaal en aan alle uitgangen, zelfs onder de vensters, had geplaatst.

Doch de Nubische verklaarde dat zij dat alles reeds had bedacht; alleen moest zij, om tijd te winnen, Barine verzoeken om onder het spreken zich het haar te laten zwart verwen en krullen.

De verrassing, die op het bedroefde gelaat der jonge vrouw eensklaps zichtbaar werd, deed Anukis uitroepen:

»Laat ons vol vertrouwen de hand aan het werk slaan. Gij zult spoedig alles vernemen. Er is veel te verhalen. Onderweg heb ik mij voorgenomen alles zorgvuldig achter elkander te vertellen, maar ik zie dat het niet gaat. Neen, neen! Wie een kudde schapen uit den brandenden stal wil halen, trekt eerst den belhamel er uit—de hoofdzaak bedoel ik,—en daarmede, al behoort die eigenlijk pas bij het einde, wil ik dan nu beginnen. De uitlegging hoe dat alles is gegaan....”

Doch hier viel Barine haar in de rede met den blijden uitroep: »Ik moet vluchten, en Dion weet er van, en zal mij volgen! Ik zie het aan uw gezicht.”

Inderdaad verried elke trek op het leelijke gelaat van de Nubische dat het iets verblijdends was, wat haar gemoed vervulde. Stoute ondernemingsgeest straalde uit haar zwarte oogen, en een vriendelijke glimlach verfraaide haar grooten mond met de dikke lippen, terwijl zij antwoordde:

»Zulk een verliefd hart verstaat de kunst van waarzeggen beter dan de eerste profeet van den grooten Serapis. Ja, jonge meesteres, hij dien gij bedoelt, moet uit deze gevaarlijke stad, waar u beiden zooveel gevaar dreigt, verdwijnen. Hem zal het stellig gelukken, en, als de goden ons bijstaan, en wij verstandig en moedig zijn, ook u.—Wie weet, hoe spoedig gij elkander zult wederzien! Van welke zijde de hulp komt, zeg ik u later. Nu komt het er het allereerst op aan u te veranderen, en wel—heb daar maar geen spijt van!—in het allerleelijkste: in de bruine Anukis. In hare gedaante moet gij uit dit paleis vluchten. Nu weet gij het, en terwijl ik het noodige uit mijn kleerenkast ga halen, verzoek ik u, meesteres, te bedenken, hoe wij de zwarte verf zullen krijgen voor het kleuren van deze ivoren huid en dit gouden haar.”

Zij verliet de kamer, doch Barine wierp zich aan de borst van haar vriendin, en riep half schreiend, half lachend uit: »Al moest ik ook altijd zoo bruin en krom blijven als de trouwe Aisopion, als hij mij zijn liefde maar niet onttrekt, zou ik door het vuur en het water willen gaan,—ik zou.... o, Charmion, wat wisselt sneller in ons hart dan vreugde en smart? Op dit oogenblik zou ik aan iedereen, zelfs aan uwe Koningin, die mij toch al die vrees berokkend heeft, een weldaad willen bewijzen!”

De wanhopige vrouw van zoo even was door de nieuw opgewekte hoop in een overgelukkige veranderd, en Charmion zag dat met dankbaarheid aan, terwijl zij in stilte wenschte, dat de Koningin dezen uitroep mocht hebben gehoord.

Zij begon nu al de haarkleurmiddelen die Cleopatra had afgekeurd, en waarvan zij daardoor een grooten voorraad in haren medicijnkist had, aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, doch onder die bezigheid zag zij achter al hetgeen nog onopgehelderd was en dat haar in verwarring bracht, nieuwe groote gevaren. Barine echter zag over die alle heen de vertroostende wedervereeniging met haar geliefde, die haar wachtte, en was vol vroolijke opgewektheid, toen Anukis terugkwam.

Nu begon onverwijld het werk der vermomming, en terwijl de Nubische de handen repte, stond ook haar mond geen oogenblik stil, en zoo kreeg Barine allengs het geheele verhaal te hooren van al wat er op dien gewichtigen dag voorgevallen was. Zij luisterde met toenemende spanning, en hare vreugde vermeerderde naarmate zij meer zag van den weg, dien de zorg en het beleid harer vrienden voor haar hadden gebaand. Daarentegen werd Charmion steeds stiller en ernstiger, hoe duidelijker zij het gevaar zag, dat haar beschermeling tegemoet ging. Toch moest zij bekennen dat het een misdaad zou zijn, tegen de veiligheid, misschien tegen het leven van Barine, indien zij haar van dit wel overlegde plan tot vluchten afhield.

Dat zij het ondernemen moest, stond bij haar vast, doch nu het oogenblik naderde dat het geliefde kind zich in gevaar begeven moest; nu zij zichzelve moest bekennen dat zij een plan steunde, dat tegen het uitgesproken bevel der Koningin indruischte, en daarmede iets beoogde waarvan het welslagen Cleopatra's misnoegen, ja zelfs haar toorn dreigde op te wekken,—nu werd zij daardoor pijnlijk aangedaan. Voor zichzelve koesterde zij geen vrees. Geen oogenblik dacht zij aan de slechte gevolgen, die Barine's vlucht voor haar zelve kon hebben. Het eenige wat haar drukte was het besef, dat zij voor het eerst handelde tegen den uitdrukkelijken wil van haar, wier wenschen te vervullen en wier pogingen te steunen, tot nu toe de dierbaarste plicht van haar leven was geweest. Wel bedacht zij ook dat zij, door Barine te helpen vluchten, Cleopatra behoedde voor naberouw, wel was zij vast overtuigd dat zij dit schoone jonge leven, welks bloesems door storm en vorst werden bedreigd, op het oogenblik dat het reinste geluk haar was weggelegd, moest trachten te redden; maar met dat al bracht deze daad, hoe loffelijk ook op zichzelve, haar in botsing met het voornaamste streven en trachten van haar bestaan. En hoeveel hooger stond in hare schatting de vrouw, die—zij durfde het niet indenken—die zij op het punt was te verraden, dan die andere: hoe veel meer aanspraak op hare liefde en trouw had Cleopatra niet bij haar verworven!

Zou zij iets anders dan dankbaarheid kunnen gevoelen, indien het reddingsplan gelukte? En toch kon zij slechts met tegenzin haar hand uitsteken om de fraaie, goed geëvenredigde gestalte van Barine op de mismaakte der Nubische te doen gelijken, of de vinger in de zalf te doopen, die eigenlijk voor Cleopatra was bestemd. Ook om de schoonheid der blonde haarvlechten van de jonge vrouw ging het haar aan het hart, een deel daarvan te moeten afsnijden.

Toch, zou de vlucht gelukken, dan was dat alles niet te vermijden, en hoe verder Anukis kwam met haar verhaal, des te minder tegenwerpingen vond hare meesteres. Alleen reeds het door de Nubische afgeluisterd gesprek tusschen Iras en Alexas, maakte het noodzakelijk om Barine en haar verloofde aan de macht van zulke vijanden te onttrekken. Het scheen inderdaad alsof het lot zelf den bouwmeester Gorgias aan Dion's legerstede bijeengebracht had met den trouwen man, dien Anukis bij hem gevonden had, wiens naam zij nu niet noemde, doch van wiens woonplaats zij verzekerde: dat de mol onder den grond geen veiliger schuilplaats bezat dan hij. Ook dat de bouwmeester juist vrijen toegang tot de onderaardsche gangen van den Isistempel gekregen had, geleek een wonder.

De verstandige Aisopion had eerst nu, nadat zij haar omtrent de hoofdzaak had ingelicht, aan hare meesteres een tafeltje in de hand gegeven, waarop te lezen stond: »Vooraf een groet van Archibius aan zijn zuster Charmion. Indien ik u goed ken, dan valt het u even moeilijk als mij, deel te nemen aan dit avontuur, maar toch moet dat geschieden ter wille van de nagedachtenis van haar vader, en om het geluk en het leven van zijn kind te redden van den ondergang. Daarom is het uwe taak Barine te brengen naar den tempel van Isis in den Muzenhoek. Daar zal zij haar geliefde vinden en, als het kan, met hem in den echt vereenigd worden. Ik zelf zal voor het offer daarbij zorgen. Zoodra de verbintenis heeft plaats gehad, zal het u vergund zijn naar huis terug te keeren. Daar het heiligdom zoo spoedig kan worden bereikt, behoeft gij maar voor korten tijd den dienst te verlaten. Zeg aan Barine nog niet welke plannen wij met haar hebben. De teleurstelling kon te groot zijn, wanneer het onuitvoerbaar zou blijken te zijn.”

Deze brief en de zaak, waarop hij het uitzicht opende, veranderde de welwillende doch gedrukte gezindheid van Charmion in den blijden, ja geestdriftvollen wensch om hare hulp te verleenen. Het huwelijk van Barine met den man wien haar hart toebehoorde, was nu mogelijk geworden, en zij was de dochter van Leonax, die eenmaal dierbaar was geweest aan haar eigen hart. Alle vrees en twijfel waren plotseling vervlogen, en toen Aisopion haar vermommingswerk had volbracht en Barine tegenover haar stond als een Nubische met hoogen rug en een bruin, gerimpeld gezicht, toen moest zij bekennen dat het niet moeilijk zou vallen in deze gedaante uit het paleis te ontsnappen.

Thans deelde zij ook aan Barine mede, dat zij van plan was haar zelve te vergezellen, en ofschoon de jonge vrouw zich met haar geverfd gelaat er van onthouden moest haar vriendin te kussen, zoo gaf zij toch in de volheid van haar hart aan haar en de trouwe vrijgelatene duidelijk genoeg te kennen, welk een groote dankbaarheid haar ziel deed ontroeren.

De Nubische bleef alleen achter. Eerst ruimde zij naar gewoonte zorgvuldig alle sporen harer werkzaamheid op; daarna hief zij biddend hare armen omhoog en smeekte de goden van haar vaderland om bescherming voor de schoone vrouw aan wie zij haar eigen misvormde gedaante, die nu toch ergens voor diende, had geleend en die nu zulke groote gevaren te gemoet ging, doch tegelijkertijd een geluk, waarop het lot haar reeds alle hoop had ontzegd.

Charmion had haar bevolen, indien Iras niet bijtijds van den Choma teruggekeerd zou zijn en de Koningin haar noodig mocht hebben, haar dan te verontschuldigen en te zeggen, dat zij onverwachts was uitgegaan, terwijl zij zelve dan in hare plaats den dienst moest waarnemen. Immers was het gedurende den veldtocht ook eens voorgekomen dat, toen Charmion plotseling onwel werd, aan Aisopion de zorg voor hare persoon werd overgelaten, en deze had daarbij toen veel lof ingeoogst.

Zooals gewoonlijk wanneer de vertrouwde der Koningin uitging om inkoopen te doen, werd zij gevolgd door een bruine vrouw. In de gangen van het uitgestrekte paleis waren reeds de lampen en lantaarns, op de binnenpleinen de fakkels en pekpannen aangestoken; maar hoe helder die ook op verscheidene plaatsen brandden, en hoeveel lijfwachten, officieren, eunuchen, beambten, schrijvers, trawanten, koks, bewakers en slaven, poortwachters en boden zij ook voorbijgingen, geen van allen schonk hen meer dan een vluchtigen blik.

Zoo kwamen zij tot aan het laatste binnenplein, doch toen kwam er een oogenblik waarin de beide vrouwen dachten dat haar hart stilstond, want zij ontmoetten den man, van wien zij het ergste te vreezen hadden: den Syriër Alexas. En hij ging de vluchtelingen niet voorbij maar hield Charmion staande, en deelde haar beleefd, ja zelfs nederig mede, dat hij van die lastige zaak van haar beschermeling, die hem zeer tegen zijn zin op de schouders was gelegd, gaarne ontslagen wilde zijn. Daarom had hij besloten, den volgenden dag in alle stilte Barine in het verhoor te nemen.

De lijfslaaf van den Syriër volgde zijn heer, en terwijl deze met Charmion sprak, wendde die zich tot de gewaande Nubische, gaf haar een lichten stoot tegen den schouder, en fluisterde haar toe: »Heden avond, evenals gisteren. Gij zijt ons nog het slot der geschiedenis van Prins Setnau schuldig.”

Het was de vluchtende Barine op dat oogenblik te moede alsof zij stom geworden was, en nooit weder het gebruik van haar spraakvermogen terugkrijgen zou. Toch kon zij het er toe brengen met het hoofd te knikken, en tegelijk maakte de gunsteling een buiging voor Charmion. De slaaf moest hem volgen, maar zij kwam met haar beschermster door de poort tusschen de laatste pylonentorens eindelijk in de open lucht. Daar woei haar de zeelucht opwekkend en verfrisschend tegen, als een groet uit het rijk der vrijheid en des geluks, en hoe vreesachtig zij ook was, kreeg zij thans, midden in het gevaar zooveel tegenwoordigheid van geest terug, dat zij haar vriendin kon meedeelen wat de lijfslaaf van Alexas haar had toegefluisterd, opdat Aisopion hem dien avond daaraan herinneren kon, en hem versterken in het geloof, dat niet zij, maar de Nubische de vertrouweling der Koningin had begeleid.

De weg naar den Isistempel was kort. Zij zagen aan de sterren dat zij op het rechte tijdstip het doel van hun tocht konden bereiken; doch onverwachts hadden zij een tweede oponthoud. Van de trappen, die naar het inwendige van het heiligdom leidden, kwam hen een optocht tegemoet, die geen einde scheen te willen nemen. Vooraan werd door acht pastophoren het beeld van Isis gedragen. Daarop volgde de korfdraagster der godin met eenige andere priesteressen, en de voorlezer met het opengeslagen boek. Achter hem aan kwamen de vier profeten; de opperpriester, hun aanvoerder liep vol waardigheid onder een baldakijn. De overige priesters der godin droegen geschriften, heilige voorwerpen, standaards en kransen. De priesteressen, onder welke eenige met loshangend haar en fraaie kransen, het sistrum of klapperblik van Isis schudden, mengden zich in den stoet der geestelijken, en paarde hare hooge stemmen aan die der zingende mannen. Neokoren of tempeldienaars en een groot aantal aanbidders en aanbidsters van Isis besloten den stoet, allen bekranst, en met bloemen in de hand. Fakkel- en lantaarndragers verlichtten den weg, en de geur van den wierook, die opsteeg uit het kolenbakje in de hand van een bronzen arm, die door pastophoren heen en weder werd gezwaaid, omzweefde de processie en vervulde nog lang daarna de lucht.

De wachtende vrouwen zagen hen den kant van de Lochias uitgaan, en vernamen uit de gesprekken der omstanders, dat zij aan »de nieuwe Isis”, de Koningin, den groet der godin gingen brengen, en tot doel hadden haar mede te deelen hoe trouw zij ook in nood en gevaar aan haar dacht.

Cleopatra kon niet anders dan dit vriendelijk huldeblijk aannemen, en was daarom verplicht zich te vertoonen met de kronen van het vereenigde koninkrijk Aegypte op het hoofd en in vol priesterlijk ornaat. Alleen de beide vertrouwde kamervrouwen waren in staat haar daarbij in alle bijzonderheden die het gebruik voorschreef, behulpzaam te zijn. Aan dienstdoende vrouwen van lager rang als de Nubische was, had zij dit nooit overgelaten. Dus zou Cleopatra de afwezige Charmion toch missen. Dit vervulde deze met nieuwe onrust, en toen eindelijk de trappen weder vrij waren, vroeg zij zichzelven af hoe dat alles zou eindigen.

Bovendien scheen het werkelijk, alsof de vluchteling en hare gezellin zich te vergeefs hadden blootgesteld aan zulk een groot gevaar. Eenige tempeldienaars drongen de aanwezigen, die het heiligdom wenschten te bezoeken, terug, en riepen de menigte toe, dat het tot aan de terugkomst der processie gesloten bleef.

Barine zag hare beschermster angstig vragend aan, doch eer deze nog haar gevoelen kon uiten, kwam hen reeds op de trappen van den tempel de hooge gestalte van een man tegemoet. Het was Archibius, en hij beval haar met kalmte en ernst dat zij hem zouden volgen. Nu leidde hij haar zwijgend rondom het heiligdom naar een zijpoort, waardoor een oogenblik te voren ook een draagstoel met begeleiders binnengelaten was.

Langs vele trappen in het inwendige van het lang uitgestrekte gebouw kwamen zij in de zwak verlichte cella.

Zooals in den tempel van Osiris te Abydos zeven zuilengangen waren, vond men er hier drie, die naar even zooveel kamers leidden, die het Sanctuarium van het heiligdom vormden. De middenzaal was aan Isis gewijd, die ter linkerzijde daarvan aan haar gemaal Osiris en ter rechter aan Horus, den zoon der groote godin. Daarvóór verhieven zich in de schemering slechts half zichtbaar de altaren, die op Archibius' bevel met offergaven waren bedekt.

Naast dat van Horus stond de draagstoel, die vóór de vrouwen uit, in den tempel was gebracht, en daaruit stapte nu, door zijn vrienden ondersteund, een slanke, jonge man.

Plotseling dreunde in de zuilenzaal een doffe slag. Het was de ijzeren hoofdpoort van den tempel die dichtgeslagen werd. Het knarsend geraas dat daarop volgde, ontstond door de metalen grendels, die een oude neokore dichtgeschoven had. Barine kromp van schrik ineen, maar vroeg evenmin naar de oorzaak van deze geluiden, als zij al het overige opmerkte dat zich in rijken overvloed aan haar oog vertoonde. De man, die daar aan den arm van een ander naar het altaar ging, was Dion, de geliefde die om harentwil zich in dit gevaar begeven had. Haar blik bleef op hem rusten, haar geheele ziel ging hem tegemoet, en zonder te weten wat zij deed, riep zij luide zijn naam.

Verschrikt zag Charmion den kring der omstanders rond, doch weldra haalde zij diep adem en was weer gerust gesteld, want de lange man die Dions arm ondersteunde, was de wakkere bouwmeester Gorgias, zijn beste vriend, en die andere, die nog grooter en forscher was, haar broeder Archibius. De gedaante, die zich daar van hare vermomming ontdeed, was vrouw Berenice, Barine's moeder. Enkel vertrouwde vrienden dus! Alleen den jongen aardigen ephebe, die naast haar broeder stond, kende zij niet.

Barine, die zij nog altijd aan den arm hield, trachtte zich nu van haar los te maken om haar moeder en den geliefden man tegemoet te ijlen; maar Archibius ging naar haar toe, en vermaande haar op zachten toon geduld te hebben, en zich te onthouden van alle vragen of begroetingen, »altijd in veronderstelling,” zoo besloot hij, »dat het volgens uw wensch is hier, voor het altaar, in den echt verbonden te worden met Dion, den zoon van Eumenes.”

Charmion voelde hoe bij dit vooruitzicht Barine's arm op den haren beefde, doch de jonge vrouw volgde den wenk van haar vriend. Zij wist eigenlijk niet wat er met haar gebeurde, en of zij, in de overmaat van de zaligheid die haar deel werd, luid zou juichen van vreugde, of stille tranen storten van dankbaarheid en ontroering.

Alle omstanders hadden tot nu toe gezwegen. Nu nam Archibius uit de hand van den verloofde een rol, stelde zichzelven aan de aanwezigen voor als kyrios of voogd der bruid, en vroeg Barine of zij hem als zoodanig erkende. Daarop gaf hij aan Dion het geschrift, dat het huwelijkscontract bevatte, spoedig terug, daar hij den inhoud kende en goedkeurde. Vervolgens deelde hij de aanwezige mede, dat zij hem bij dit huwelijk dat met zooveel spoed gesloten moest worden, ook beschouwen moesten als paranymph of leidsman en vrouw Berenice als leidsvrouw der bruid. Daarop ontstaken zij een fakkel aan het vuur van een der altaren. Archibius legde nu als kyrios naar Aegyptische, de moeder der bruid als leidsvrouw naar Grieksch gebruik, de handen der verloofden in elkander, en Dion gaf hierbij aan zijne uitverkorene een eenvoudigen ijzeren ring. Dat was dezelfde die zijn vader bij zijn eigen huwelijk aan zijn vrouw gegeven had, en hij fluisterde haar in het oor: »Mijn moeder stelde dien op hoogen prijs; nu is het aan u, dit oude kleinood in eere te houden.”

Nadat Archibius had verklaard dat de noodige offers gebracht waren aan Isis en Serapis, Zeus, Hera en Artemis, en dat de echtverbintenis tusschen Dion, den zoon van Eumenes en Barine de dochter van Leonax, voltrokken was, drukte hij hen beiden de hand.

Het scheen dat de tijd drong, want hij vergunde aan vrouw Berenice en aan zijn zuster nog slechts één oogenblik om Barine te omhelzen, en Gorgias om haar en Dion de hand te drukken. Daarop gaf hij een wenk, en de moeder der jonggehuwden volgde hem, wegsmeltend in haar tranen, en Charmion verbijsterd en als het ware bedwelmd. Niet eerder dan toen een oude neokore haar met de beide anderen door de zijpoort in de open lucht had gebracht, werd het haar recht duidelijk, welke gewichtige gebeurtenis zij als getuige had bijgewoond.

Barine zelve was het te moede alsof ieder oogenblik haar uit een zaligen droom kon wekken, en toch bekende zij zichzelve met blijdschap dat zij wakker was, want die man die daar aan den arm van zijn vriend voortliep, was Dion. Zij zag echter bij het flauwe schijnsel in de slecht verlichte tempelzalen wel dat hij pijn leed. Het gaan scheen hem zoo moeilijk te vallen, dat het haar verheugde toen hij gehoor gaf aan het verzoek van Gorgias om weder in den draagstoel te stappen.

Mövcud deyil
Bu kitab sizin ölkənizdə satılmır. Əgər VPN-ni aktiv etmisinizsə, onu söndürün
Yaş həddi:
0+
Litresdə buraxılış tarixi:
17 yanvar 2025
Həcm:
570 səh. 1 illustrasiya
ISBN:
4064066316761
Naşir:
Tərcüməçi:
Müəllif hüququ sahibi:
Bookwire
Yükləmə formatı:

Oxşar kitablar