Kitabı oxu: «Het hedendaagsche Londen»

Şrift:

George R. Sims

Het hedendaagsche Londen


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066071851

Inhoudsopgave

Hoe Londen ’s morgens wakker wordt.

Van vrijen en trouwen en doopen in het hedendaagsche Londen.

Het hedendaagsche Londen.

Enkele plichten en genoegens der “upper ten”.

Hoe Londen ’s morgens wakker wordt.1

Inhoudsopgave


4 Uur ’s morgens.

Londen gaat laat naar bed en staat vroeg op. In de weinige uren, die tusschen zijn naar bed gaan en zijn opstaan liggen, brandt er in de hoofdstraten het volle licht en het verwaarloosde kind, dat voorzichtig rondsluipt, kan zich een koning droomen, voor wien al die verlichting is ontstoken. Hoog geladen wagens uit de graafschappen, die nog tot Londen behooren, waggelen voort op zeurige manier, terwijl de voerlui op hun paarden vertrouwen, dat ze zelf wel den weg zullen weten te vinden naar de Borough, naar Convent Garden en Spitalfields; een motorwagen snort voorbij met een ingepakten chauffeur, die brommig is omdat hij zoo weinig menschen kan doen opschrikken in hun bedrijf.

Het ronde licht van de lantarens der politiemannen danst van de voordeuren langs de vensters, van de vensters door de open ruimten voor de souterrains, gaat als een vlindertje, links en rechts afwijkend, in doodloopende stegen binnen en als het dan soms een bundel lompen ziet liggen, blijft het erop rusten. De politieman zegt niet onvriendelijk: “Neen, hoor eens, goeie vriend, dat gaat maar zoo niet”, en de bundel lompen antwoordt heesch en heftig: “Te moeten denken, dat zulken als ik zulken als jij aan een bestaan helpen.” Maar hij gaat toch opstaan en stapt het slop uit met het air van iemand, die aan een belangrijke afspraak gevolg gaat geven. Maar zoodra is niet het schuifelend geluid van de voetstappen der politie onhoorbaar geworden, of hij scharrelt het steegje weer binnen.

Als het vier uur is, en de lucht in plaats van zwart donkerblauw begint te worden, terwijl een half maantje en de sterren nog niet verdwenen zijn, gaat Londen hier en daar teekenen van leven geven. Vuurroode postkarren, die hun hooge kleur misschien wel hebben gekregen uit overmaat van haast, vliegen door de straten, leidend naar de stations; melkwagens houden wagenrennen, courantenwagens, die in de op Fleet Street en het Strand uitkomende straten staan te wachten, en luisteren naar het gebrom en de zware ademhaling van drukpersen, vangen de groote pakken, die naar hen toe geworpen worden, en vliegen weg, om het spelletje aan den gang te houden, door ze naar de kruiers aan de stations te gooien.

Er zijn maar weinig cabs op straat, en de laatste vigelante is klaar, om naar huis te schommelen naar een stal, als de koetsier met zijn koffie gereed zal wezen, die hij aan een kraampje gebruikt; bestelkantoren gaan open; de trams, die den geheelen nacht rijden aan de zuidzijde der rivier, brengen nachtwerkers naar huis en vroege vogels naar Blackfriars en Westminster.

De bruggen, waar maar zoo nu en dan een vrachtkar over ging, krijgen meer levendigheid, en mannen met de kragen in de hoogte, de zakken gezwollen van het meegenomen ontbijt in papier, haasten zich van den zuidkant over te komen, om een of ander wonderlijk baantje op te doen, dat door de gewone jagers over het hoofd is gezien of door hen niet begeerd wordt.

De nachtelijke zwerver, die aanhoudend in zichzelf een verslag mompelt van den een of anderen denkbeeldigen strijd, waarin de andere partij totaal verslagen schijnt, drijft af naar de parken, om op het opengaan van de hekken te wachten en zich voor te bereiden op het dutje van den dag, of wel, door een vage herinnering aan vroegere lessen aangeklampt, gaat hij naar Trafalgar Square en steekt er zijn hoofd in het water van de stille fonteinen. Hij wascht zijn handen, en mag soms nog vollediger zijn toilet maken met een stukje zeep, dat hij van een dame leent.

De markten zien er al volkomen wakker uit. Den geheelen nacht heeft de hall in Bow Street houten bakken in ontvangst genomen van goederenwagens, welke bakken met groote voorzichtigheid werden gehanteerd, en nu is het er van het eene tot het andere eind één bloemtuin, waar het heerlijk en uitlokkend geurt, waar levendige kleuren glanzen en waar men gereed is voor de komende inspectie.

Een herberg in Bow Street is open voor de marktmenschen en voor niemand anders, juist als er andere in Fleet Street alleen beschikbaar zijn voor typografen. Naar de markt komt ten pleziere van de marktlui de jonge brani, die nu en dan in de wintermaanden zich door een costumier laat verkleeden in een pakje, dat hem onkenbaar maakt en die na een vergeefsche poging om in het Covent Garden Theatre zichzelf wijs te maken, dat hij een eerste pretmaker is, nu met zijn metgezel probeert, of hij een meester kan wezen in de kunst van grappen maken en voor den gekhouderij, in welke bedrijven hij al evenmin gelukkig is als in het voorstellen van den persoon, dien hij op het gemaskerd bal verbeeldde. De twee partijen, werkers en luiaards, alias werkbijen en darren, kijken elkander aan bij hun ontmoeting in den korf en de darren zeggen: “Wat zou het vervloekt vervelend zijn, voor zijn levensonderhoud te moeten werken”, en de werkers maken de opmerking: “Wat is het een geluk, dat wij ons niet zoo als paljassen behoeven aan te stellen.”

Er zijn meer dan één manier, om in Londen aan den kost te komen; zoo staat in elke zijstraat bij de markt bij voorbeeld een fatsoenlijke, oudere vrouw met een witten boezelaar en een zwart mutsje, die de zwepen vasthoudt voor de boeren, die naar den markt gaan; zij treden ook op als gidsen voor kruiers, die heen en weer loopen met stapels manden op het hoofd, onder een heesch geroep van een waarschuwend woord.

Binnen enkele uren, om negen uur, als men precies wil wezen, zal dit alles verdwenen zijn; de brandspuitslang zal over de straten spelen en zal het vuur van den handel blusschen. Maar naar het Oosten opent de Citymarkt de vleeschwinkels en die van gevogelte; als men Smithfield meer naar het Noorden kon zien, zou men de bevroren schapen uit hun witlinnen jurken kunnen zien kruipen, die hun zijn aangetrokken, opdat ze beter koel zouden blijven.

Het Strand met de witte lichten heeft een rij van cabs dichtbij Waterloo Bridge, maar ik geloof, dat wij het best doen met te wandelen. De hoek van Arundel Street staat vol met courantenkarren; we moeten behendig wezen, om ongelukken te voorkomen.

De lucht is ook weer veranderd, en er is nu licht in het Oosten, waardoor de rivier bij hoog water er als zilver uitziet met een donkeren achtergrond van pakhuizen aan den Surreyschen kant, waar een dikke rook uit hooge schoorsteenen opstijgt.

Een sleepboot, met een wit licht aan den voorsteven en een groen licht achter, sleept een half dozijn schepen den stroom op, en onder een interessant gepuf brengt ze hen, waar ze moeten zijn. Dat voorbeeld schijnt zoo aanstekelijk, dat het door drie andere sleepbooten wordt gevolgd, terwijl de schepen zwaaien en draaien, alsof ze wilden zeggen: “Waarom in Gods naam kun je een schip niet met rust laten, opdat het kalm zijn nachtrust beëindige? Buiten Blackfriars Station en dichtbij het standbeeld van koningin Victoria wordt er een laatste hand gelegd aan het schoonmaken der straat door een verwoede bespuiting; de brandslang schuift in kronkels over de straat en geeft hier en daar een straal in de lucht. Als men achterom ziet, wordt men getroffen door den mooien Theemsoever, omzoomd met lichten, en de lampen in enkele kamers van de bovenverdiepingen der groote hotels schijnen wel sterren aan het uitspansel.

Wij zullen niet naar St. Martin’s le Grand gaan, waar het licht en druk is; maar liever willen wij ons begeven naar den Citykant van London Bridge, waar zelfs op dit uur luie kerels over de gemetselde muurtjes leunen en moe worden van de inspanning, te kijken naar hen, die beneden op de schepen hard aan het werk zijn. Stoombooten lossen hun lading, kranen knarsen klagend over de noodzakelijkheid van zulk vroeg werk, en mannen met lederen kussentjes op het hoofd, waardoor dat een zeer bruikbare platheid erlangt, loopen met kratten bananen langs een loopplank, om in pakhuizen te verdwijnen.

Wij zijn vroeg voor Billingsgate, maar overal hangt reeds een reuk van versche visch; alom staan open kisten, die druipen van het gesmolten ijs, en de gasvlammen flikkeren boven de schelvisschen. Als ge likdoorns hebt, wees er dan voorzichtig mee. De haastige mannen, die van de natte, modderige gladde riviermarkt komen, met vrachten op hun zware, breedgerande, druipende hoeden, hebben geen tijd, om aan beleefdheid te denken, en ieder protest zal duidelijk toonen, dat de traditioneele woordenstroom nog onverzwakt in stand gebleven is tot in de twintigste eeuw.

Gij zult het prettig vinden, naar het Oosten verder te gaan langs den mooien opgang naar de Towerbrug, welker witte lichten voor de rivier een waarschuwing zijn, dat de brug neer is. Wij zullen den Tower zelven later beter kunnen zien, en gaan nu langs de ingangen van de eerste dokken en in de richting van St. George Street, Oost, vroeger bekend onder den naam van Ratcliff Highway. St. George street Oost is maar matig verlicht, maar ge zult zien, dat de straat haar best doet, om een niet vlekkeloos verleden weer goed te maken.

Ge vindt er nu geen danshuizen meer en geen knorrig kijkende geldwisselaars; daarvoor in de plaats zijn zendingszalen gekomen met uitnoodigingen in een half dozijn talen en een inrichting van het Leger des Heils. Mannen komen uit de huizen aan de rivier, sluiten zacht de deuren achter zich en zetten het dan op een loopen; de jongeren fluiten een deuntje. Een klein meisje van een jaar of twaalf haast zich naar haar werk in Commercial Road, met een mondharmonica tot eenig gezelschap.

Iedere tien minuten verandert het tooneel, en de gaslampen in Shadwell zien er net zoo schuw uit als een heer in gekleede jas bij daglicht. Niet dat het al licht is. Een flauwe mist is van de rivier komen aandrijven en hangt over de dokken, zoodat menschen, die van tegenovergestelde richtingen komen, tegen elkander aan bonzen. In een zijstraat zijn in verlichte vertrekken al vreemde kleermakers aan het werk, en in Commercial Road waggelen zwaar beladen hooiwagens tusschen werkmanstrams, gele en blauwe, die al even zwaar beladen zijn en in de richting van Aldgate zich voortbewegen.

De lucht heeft nu een lichter blauwe tint aangenomen met vlekken van witte wolken, en de gaslampen en het electrisch licht gaan uit. Het is vol op het plaveisel bij het Aldgate station, en hier zijn couranten te koop. Het is nu kwartier vóór zes; aan den overkant zijn de slagerswinkels open en er voor hangt een heele rij vette schapen. Met de haastige werklui, van wie er enkele het station binnengaan, om den eersten trein naar Hammersmith te nemen, ziet men ook nog het in een rooden zakdoek gepakte bundeltje, maar bij velen is er een net mandje voor in de plaats gekomen, plus een kan van blauw émail.

De jonge mannen, ofschoon in gruwelijke haast, staan een ondeelbaar oogenblik stil, om te kijken naar de plaat, waarop een heer, die blijkbaar geen heer is, het hoofd van een vriendelijk eruitziend jongmensch onder de guillotine brengt; dit is uit het melodrama van de week in het plaatselijk theater. In een rij van stille burgerhuizen maakt een jongeling met een boezelaar voor een Deutscher Gasthof de vensters schoon, en heeren van den nieuwen politiepost kijken naar hem met gezichten, alsof een incident hun niet onwelkom wezen zou.

Hier hebben wij ook den Tower van Londen. Grijs en wit, met duidelijke omtrekken, verrijst hij tegen het morgenlicht van den oostelijken hemel; in de ontbottende boomen, die aan de diepe, droge gracht staan, zingen vogels even luid als een straatjongen fluit, blij, dat er nog geen menschen op zijn en zichzelven wijsmakend, dat ze buiten zijn. Inderdaad gevoelt men de opwekkende frischheid van de morgenlucht; men komt tot het besef, dat de natuur aan Londen zoowel als aan het platteland een goed begin toestaat, en dat Londen in den loop van den dag zelf zijn lucht vuil maakt.

Een vermoeide roodharige soldaat stapt naar de poort, die naar de rivier voert, en maakt een praatje met den daar op post staanden schildwacht. Dan gaan we verder naar Billingsgate, waar de beladen spoorwagens losse, met ijs besprenkelde tarbot bevatten, en nu in volle zijstraten rijden op weg naar Eastcheap, en hebt ge daarna nog een oogenblikje tijd, ga dan mee naar de kade van het Douanekantoor.

De duiven worden opgeschrikt en vliegen weg, maar komen gauw terug onder den indruk, dat waar menschen zijn ook een ontbijt moet wezen en dus ook broodkruimeltjes moeten vallen, die brave vogels kunnen eten. Een agent vertelt, dat er in het Asyl voor vrouwen en weduwen van dragers en schuitenvoerders vijf open plaatsen zijn. Mogen er altijd open plaatsen wezen en moge er nooit een zieke vrouw, een bedroefde weduwe te vergeefs op plaatsing wachten.

De schuitevoerders en mannen van de lichters zijn nu buiten op de rivier al aan het werk; schepen in de haven worden gewekt en mannen roepen van den rivierkant naar mannen midden op de rivier, en op de eene of andere manier weten ze zich door elkaar te doen begrijpen. De Batavier III van Rotterdam, met witten schoorsteen en blauw dek, verlaat de kade onder geen ander toezicht dan dat van een afwindend touw, en verder beneden op de rivier gaan de twee bascules van de Towerbrug beleefd omhoog, om haar een doortocht te verleenen.

Bij het Mansion House, waar men op de muren een aankondiging kan lezen, geteekend Edward, Koning en Keizer, zijn de verlichte tunnels open, maar ze zijn nu niet noodig, want men kan er even veilig oversteken, als men dat op een dorpsweide doen kan. ’t Is waar, er gaat een vrachtwagen van de spoor voorbij, en een courantenkar vliegt over de straat; maar diegenen, die het drukke plekje bij dag kennen, zouden het nu nauwelijks herkennen. Een postkar komt van Londen Bridge terug, en een half dozijn brievenbestellers, die hun leege postzakken als sjerpen dragen, rennen er achteraan en mogen meerijden tot St. Martin’s le Grand.

Langs Cheapside beginnen de huishoudsters, die het vroegst bij de hand zijn, de zinken vaten te vullen, die bij het trottoir staan; ze kloppen het stof uit matten, een werkje, dat de wetten van de city niet toestaan op een later uur. Rook stijgt hoog uit de schoorsteenen op, en de goedkoope restauraties, die adverteeren “vleeschpoddingen, net als moeder maakt”, ontsluiten hun deuren en steken het kringetje van gasvlammen aan onder koperen kannen. Jongste klerken komen voor onder de aangroeiende menigte in Holborn, en enkele wielrijders bewegen zich op den weg. Van beneden zenden de stations van den ondergrondschen spoorweg nu en dan hoopen passagiers naar boven, die een zwart vlekje vormen, maar een, dat zich spoedig in eenheden oplost.

Ginder in de kleinere voorsteden, waar de meeste Londenaars wonen, worden dienstmeisjes gesmeekt, toch geschikt te zijn en vroeg op te staan, om voor Mijnheers ontbijt te zorgen, anders komt hij te laat in de City, en de hemel alleen weet, wat er dan gebeurt. Athletisch aangelegde jonge mannen en vrouwen gaan er met hun fietsen op uit. In de stad begint de Serpentine de aandacht te trekken van enkele personen, in wier huizen vermoedelijk geen badkamers zijn; de hekken van Green Park, Battersea Park, Finsbury Park en Victoria Park worden geopend. Arbeiderstreinen komen overvuld en in snelle opvolging aan elk station aan, en dichtbij Liverpool Street is een gastvrije kerk open, opdat meisjes, die van Westham komen op den tijd, dat er de goedkoope treinen nog rijden, maar te vroeg voor het begin van haar werk, er een uurtje kunnen wachten; gele omnibussen en roode, en trams van alle kleuren komen te voorschijn uit stallen met paarden, die vlug en krachtig zijn, bereid om het werk aan te vangen.

Nu worden de koffiestalletjes gesloten, en de menschen gaan er, nu de zaken afgeloopen zijn, naar huis. Het is thans volle dag, en snel gaat de tijd voort. Een zacht geluid van gesprekken hangt al in de lucht, preludium van het luidruchtiger koor, dat later zal volgen. Piano-orgels worden getrokken door dames in italiaansch costuum, die de zuiverste taal van Clerkenwell praten, en gaan slaperige zijstraten wakker maken.

De geasfalteerde rijweg vóór Mansion House is niet meer de open ruimte, die hij zoo wat een uur geleden was; er rijden omnibussen van het Oosten naar het Westen, van het Noorden naar het Zuiden, en City-treinen loopen buffer aan buffer in hun haast, om voor den arbeid van den dag versterkingen aan te voeren van die regimenten van zijden hoeden, die van het Mansion House als middelpunt uit zich snel verwijderen met hun kleine bruine pakjes, naar honderden zijstraten, waar ze hun betrekkingen op kantoren vervullen.

Londen, waar wij soms op brommen, maar waar wij niemand anders over willen hooren klagen, die groote, uit haar kracht gegroeide, lompe, goedmoedige stad, waarvan enkelen onzer houden met de liefde, die wij voor onze moeders voelen, Londen is wakker geworden.


Bij Mansionhouse, om 9 uur ’s morgens.

Nu moet het opstaan volgen, want ofschoon Londen eigenlijk nooit echt slaapt, neemt toch een zeer groot deel van de inwoners zijn nachtrust, dus moet er ook worden opgestaan. Dat proces, dat op zichzelf zoo eenvoudig is, wordt op allerlei manieren gevarieerd. Er zijn luie menschen, die soms den huishond benijden, omdat hij, als hij wakker wordt, zich eens uitrekt, zich schudt, met zijn staart kwispelt en klaar is, om zijn nieuwen dag te beginnen. Er zijn ook anderen, voor wie het morgenbad of de morgenwaschpartij en het toilet maken een der genoegens van het leven is, dat men niet te haastig mag afroffelen of als een machine verrichten moet.

Een wonderlijk beeld vol menschelijk leven is dat opstaan van de menschen in een groote stad, om hun werkzaamheden of genietingen van den dag te beginnen, en wel zou het ons treffen, als we met Asmodeus de daken van de huizen konden lichten, om naar binnen te gluren. Laat ons een paar bijzonderheden er van in het oog vatten.

Mövcud deyil
Bu kitab sizin ölkənizdə satılmır. Əgər VPN-ni aktiv etmisinizsə, onu söndürün

Janr və etiketlər

Yaş həddi:
0+
Litresdə buraxılış tarixi:
18 yanvar 2025
Həcm:
84 səh. 24 illustrasiyalar
ISBN:
4064066071851
Naşir:
Müəllif hüququ sahibi:
Bookwire
Yükləmə formatı: