Kitabı oxu: «In de Amsterdamsche Jodenbuurt»
Jan Feith
In de Amsterdamsche Jodenbuurt

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066071424
Inhoudsopgave
Omslag
Titelblad
I
II
I
Inhoudsopgave
Toen de directie van dit blad mij de verzameling photo’s van den heer K. Job Jr. ter inzage zond en mij verzocht, bij deze reeks kunstvolle opnamen door een knap vakman en artistiek waarnemer een bijschrift te willen leveren, dat uitteraard eveneens onder den vooropgezetten verzameltitel “In de Amsterdamsche Jodenbuurt”, zou moeten passen—heb ik even geaarzeld, omdat het leveren van bijschriften zulk een onheusch werk is!
Wat toch is hierbij doorgaans het geval? Het publiek, dat het geïllustreerde tijdschrift doorbladert, kijkt de reproducties der foto’s op tweeërlei wijze aan; òf het is vluchtig bij zijn beschouwing—en dezulken komen in geen geval in aanmerking; òf het is aandachtig en ziet, hoe de kunstenaar zich voor zijn object wist te plaatsen, om een mooi-belicht geval vast te leggen, hoe de fotograaf zijn opname technisch-vaardig op papier bracht.

Aan het kousenstoppen.
Wat heeft dan nog de leverancier van het bijschrift van noode?
Daar zit een Joden-memmele op de stoep van haar gang; dit is wel een Jodin; haar flodderig mutsje, met het strikje d’r-op, zegt dat ze gehuwd is; ze is niet mooi; ze is niet jong; ze is ook niet òver-weelderig gekleed; ze stopt sokken, die grof zijn. Verder: haar woning is verveloos, weinig onderhouden; oud en verzakt genoeg om dat zekere “artistieke” te verkrijgen, waaraan wie oogen heeft om zich door kleur en lijn te laten bekoren, gaarne behagen schept. Maar er wacht nog meer taak voor den bijschrijver; nu gaat hij over tot het ònaanschouwelijke; onder den breeden lachplooi en achter de rond-bollende wangen gist hij den tandeloozen mond; onder het hobbezakkende jak vermoedt hij de afwezigheid van een corset, en spreekt, al naar hij speelsch of hygiënisch gestemd is, van haar “reform”; de afhangende rok verbergt de voeten en hij veronderstelt, zoo zijn verbeeldingskracht zóó ver reikt, dat memmele ’toffels draagt, of sloffies, of ongemanierd ongeschoeid is, dus knus-knus in haar kousen op den drempel zit. De bijschrift-schrijver kan steeds verder gaan, zoo hem belieft: de sokken, de één in bewerking, de ander, zwaar bestopt, over het houten stoepleuninkje, kunnen hem zich doen verbeelden haar man, hem doen insinueeren, dat deze vandaag uit armoe zijn bloote voeten in de laarzen stak, of dat die nu zijn beste paar draagt, of wel dat de man binnen met kamerarrest zit te mopperen tot de gaten in z’n sokken gedicht zijn. O, hij kan nog altijd voortgaan, als hij wil: door de open deur gaat hij langs memmele binnen; z’n lezers verzoekt hij, hoogst onbescheiden, mee; hij wandelt het gangetje in, gaat het kamertje links binnen, kijkt door het eigenste venster, dat nog even op de foto te zien kwam, naar buiten. Nu vertelt de bijschrift-maker over dit kamertje, en hoe ’t er uitziet, en hoe ze er leven, en—waarachtig zoo’n fantasie soms!—hoeveel kinderen er geboren werden, en wat ze ’s middags wel eten, en hoe oud de oudste, en hoe jong de jongste is, en—misschien is zijn gistend brein zoo stout!—daar keuvelt hij over de zeere oogjes van op één na de oudste, en van de kliertjes van op twee na de jongste....
Ik heb geaarzeld, om een bijschrift te leveren bij deze, als fotografische opnamen hoogst-verdienstelijke reeks kijkjes in de Amsterdamsche Jodenbuurt, omdat ik het bijschrift-leveren, om zijn meestal noodelooze aanvulling, een te ondankbaar werk achtte.
Maar ik heb niet geaarzeld, om, na mijzelf het kunstgenot van de beschouwing der oorspronkelijke foto’s gegund te hebben, ook boven deze korte aanteekeningen, die niet de bedoeling en pretenties van “Bijschrift” willen hebben, te schrijven “In de Amsterdamsche Jodenbuurt”.
Want het toeval wilde ditmaal, dat ik juist rondliep vol Jodenbuurtsche indrukken. En van zeer bijzonderen aard.
Dit verklaar ik, met eenigen wijdloopigen omhaal, aldus:
Er bestaat in Amsterdam een vereeniging, die zich ten doel stelt de tuberculose te bestrijden; zij draagt een naam gelijkend op zoovele andere nuttige stedelijke vereenigingen: “Vereeniging tot bestrijding der tuberculose”. Dit zei zoo weinig, sprak amper tot de verbeelding; er bestaan en werken immers zoovele nuttige vereenigingen in een groote stad met al haar ellenden. Door het bestuur was mij gevraagd, in verband met een groote reclame, die zij voor de vereenigingskas op touw zette—een Weldadigheidszegel zou in de maand December uitgegeven en aan alle Amsterdamsche postkantoren verkocht worden—of ik het werk zelf der vereeniging in een schets in het “Handelsblad” nader onder de aandacht van het groote publiek wilde brengen? Toen, vanzelf, omdat ieder onderwerp weer belangrijk is wanneer men er in doordringt, wilde ik den werkkring kennen van deze vereeniging, maakte ik een gedeelte mee van den veldtocht, die zij in de groote stad strijdt tegen dezen vreeselijken volksvijand, de tuberculose. Ik werd binnengeleid in het Consultatiebureau; ik was tegenwoordig bij het onderzoek der patiënten; om geen aanstoot te geven werd ik evenals de geneesheeren in den wit-linnen dokterskiel gekleed; ik zag het sputum-onderzoek; ik sprak met de doctoren over de longtering, luisterde naar hun wetenschappelijke indeeling in phasen, de plaatselijke constateering, de diagnose der ziekte, naar de theorieën van geleerde onderzoekers, naar de middelen om de tuberculose te bestrijden, naar de resultaten van behandeling, naar het percentage der genezingen.
Daarna vergezelde ik de bezoeksters der Vereeniging op haar tochten door de Amsterdamsche volksbuurten; wij gingen door oude en nieuwe wijken, door de buitenkwartieren, de buurten in het hartje van de stad, door Jordaan, door de Jodenbuurten....
De onzichtbare ziekte woedde daar vreeselijk!
En overal gingen de bezoeksters daar de huizen binnen.
Zoo heb ik toen de Amsterdamsche Jodenbuurt gezien!
Nu ik over de Jodenbuurt in Amsterdam een algemeen tijdschrift-opstel heb te leveren, wil mij dezen gruwelijken tocht niet uit het hart.
Daarvóór had ik anders wel gemeend ook dàt deel van mijn Amsterdam zoowat te kennen!
Als je van ’n stad houdt, beslenter je haar hoofdstraten, haar grachten, haar parken, haar volksbuurten. Je kijkt rond. Overal waar je gaat en stilstaat en omme-kijkt, bloeit er het stadsmooi voor je oogen op. De straten roezen van groot-stadsleven; de pleinen krioelen van trams en rijtuigen, de menschen, gezellig voor de café’s, zitten er als in een schouwburg; de grachten statigen om het stadsmiddenpunt, den Dam, als de jaarringen om den oer-eik; in de volksbuurten leeft en zwoegt, en ruziet en herriet het hut-en-mut door elkaar. Als een nieuwsgierige lanterfanteraar kuier je er langs. Op een rood-gepand dak brandt de uitbundige zon..., langs de grachtpaden spreidt zich de blakend-witte sneeuw... de asfaltstraten onder de regenbuien glimmeren als glad-geboende vloeren... uit een steegspleet mist de herfstdamp...
De stad, de stad, de groote stad! het is er van een eeuwige, steeds wisselende pracht!
Al naar je stemming van den dag, al naar de nuk ’t je laat avonturen, ga je vandaag hier, morgen daar.