Kitabı oxu: «Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815»

Şrift:

A.-J.-B. Defauconpret

Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066402501

Inhoudsopgave

Ik ben te Douvres.

II.

Nog al te Douvres.

III.

Reis naar en aankomst te Londen.

IV.

Het Keizerlijk Hof van St. Petersburg .

V.

De begrafenis.

VI.

Hier houdt men opene tafel!

VII.

Het koffijhuis.

VIII.

De Londensche Zondag.

IX.

De Brand.

X.

De Schellen.

XI.

De Schouwburg.

XII.

De straten en huizen.

XIII.

* * * * * *

XIV.

Het Britsche Museum.

XV.

De Engelsche wellevendheid.

XVI.

De Speculant.

XVII.

Het Engelsche middagmaal.

XVIII.

De Sherifs.

XIX.

De Vuistvechters. (Boksers.)

XX.

Engelsche zindelijkheid.

XXI.

De wandeling.

XXII.

Korte beschrijving van Londen door eenen Italiaanschen Schilder .

XXIII.

Goddam!

XXIV.

De Dagbladen .

XXV.

De Spotprenten.

XXVI.

Roovers, Afzetters, Zakkerolders en Beurzensnijders.

XXVII.

De Tower.

XXVIII.

Eene onverwachte ontmoeting.

XXIX.

Geschiedenis van eenen Franschen kunstenaar.

XXX.

Eene tooneelvertooning in de Latijnsche taal.

XXXI.

De Zelfmoord.

XXXII.

Het afscheid.

Ik ben te Douvres.

Inhoudsopgave

Onmogelijk, mijnheer! volstrekt onmogelijk! gij kunt morgen niet naar Londen vertrekken—

—„En waarom niet, met uw verlof, mijnheer?”

—„Wel, omdat gij een paspoort moet hebben.”

—„Mijn hemel, mijnheer! gij hebt daar mijnen pas immers in uwe handen! Heb slechts de goedheid te lezen. Wijl gij Fransch spreekt, zult gij, als ambtenaar, het toch ook wel kunnen lezen.”

—„Zeer wel, mijnheer! zeer wel; uw paspoort is in orde, en zonder dat zou men u ook geen permis, om aan wal te komen, gegeven hebben.”

Geenszins acht ik het overtollig, hierbij aan te stippen, dat de paketboot—de overbrengster van mijnen waarden persoon—reeds des namiddags ten twee ure de haven was binnen geloopen, dat ik niet voor zeven ure des avonds het permis tot ontscheping bekwam, en ik dus vijf doodelijk vervelende uren op de paketboot tusschen hoop en vrees doorbragt, altijd door eenen tolbediende, welken ik in mijn hart met den naam van scheepsverklikker bestempelde, in het oog gehouden wordende; maar die mij nogtans de vrijheid vergunde, naar goedvinden op het dek heen en weder te wandelen; want de lezer moet niet uit het oog verliezen, dat ik mij thans in een vrij land bevond.

„Maar, vervolgde hij, dit is immers een Fransche pas, en om naar Londen, of eenige andere plaats in Engeland te kunnen vertrekken, moet het alien-office—dat is—het bureau der paspoorten voor vreemdelingen, u een paspoort uit Londen toezenden.”

—„En is er veel tijds noodig, om mij met zulk een paspoort te voorzien?”

—„Och neen, slechts drie dagen, om te schrijven en antwoord te ontvangen.—Dan ter zaak, mijnheer! Waarom komt gij eigenlijk in Engeland?”

—„Waarom, mijnheer! waarom? Wel, om dezelfde reden, waarom honderd andere Franschen in Engeland komen, en welken men waarschijnlijk nooit deze vraag gedaan heeft.”

—„Onverschillig, mijnheer! Een beetje kort af, als het u belieft; mijn tijd is kostbaar: geef mij de reden te kennen, ten einde ik dezelve kan opschrijven.”

—„In waarheid, mijnheer! dezelve is juist niet al te duidelijk; want ik kom hier geenszins, om hulpmiddelen tegen de spleen te zoeken, welke ik nimmer, dan bij naam, kende, doch waaronder ik thans door vijf uren wachtens naar een permis, om te mogen aan wal komen, bijna zoude bezweken zijn: ook kom ik hier geenszins met oogmerk van bezuiniging; wijl men hier, volgens het algemeene zeggen, wel driemaal zoo veel moet verteren, als in Frankrijk, en men er zich tevens wel driemaal slechter bevindt. De eenvoudige reden van mijne reize is alleen om de schoonheden van het beroemde Londen te bewonderen—om mijne luchtige Fransche hersenkas met een weinigje Engelsche zwaarmoedige deftigheid, het karakter uwer natie, aan te vullen;—om eenige nadere kennis met uwe letterkunde, welke mij niet geheel en al vreemd is, te maken; en eindelijk om—om—”

Hier werd onze vriend ongeduldig en riep—„genoeg, mijnheer! genoeg: ik zie al, wat het is!” Met deze woorden greep hij naar zijne pen, welke, tot op dit oogenblik, onbewegelijk achter zijn oor was blijven steken, even als een krijgsman naar zijn zwaard; want dit is een vast aangenomen gebruik van alle Engelschen, die schrijven kunnen, en nu mompelde hij, al schrijvende, tusschen de tanden:—„Reis voor vermaak en onderrigting.”

—„Verder, mijnheer! voegde hij er bij, wien kent gij te Londen?”

—„Niemand, mijnheer!”

—„Hoe, niemand! riep hij uit, terwijl hij zijne pen weder achter zijn oor plaatste: niemand? in dat geval, mijnheer! zult gij wel doen, maar weder terstond naar Frankrijk terug te keeren, want men zal u geen paspoort toezenden.”

—„Wat wil dat zeggen?”

—„Dat het, om een paspoort te bekomen, hoogst noodzakelijk is, dat een geboren Engelschman, die tevens gegoed en geloofwaardig is, aan het bureau der paspoorten verklaart, in te staan voor uw zedelijk en politiek gedrag, en wiens naam en verklaring ik in mijn rapport moet invullen.”

Gelukkig herinnerde ik mij in dit oogenblik, dat een lid van de Fransche Akademie van Wetenschappen mij eenen aanbevelingsbrief had medegegeven voor mylord A...., lid van de Koninklijke Societeit te Londen.

„Mijnheer!” zeide ik nu tegen den eeuwigen prater; „schoon ik niemand te Londen ken, kent men er mij evenwel, en mijn voornemen is, bij mijne aankomst, ten huize van mylord A.... af te stappen.”

—„Wel, mijnheer! hernam hij, dit is genoeg! mylord A.... is een man uit duizenden, alom geacht wegens zijne uitgebreide kunde, en bemind wegens zijne heerlijke grondbeginselen: één woord van hem bij het alien office is voldoende.”—Hier nam hij ten tweede male de pen van achter zijn oor en schreef: „speciaal bekend bij mylord A....”

Nu ging het weder aan een vragen. „Denkt gij langen tijd in Engeland te blijven?”—

—„Zoo lang, als het er mij zal bevallen.”

—„Maar nog eens, mijnheer! verklaar u: denkt gij er wel drie maanden te vertoeven?”—

—„Om u de waarheid te zeggen, dat geloof ik niet; de voorrede maakt mijne ongerustheid eenigzins gaande omtrent het boek zelve. Doch schrijf slechts ten langste drie maanden. Ik zal dan, naar goedvinden, mijn verblijf kunnen bekorten: is het niet zoo, mijnheer?”

—„Gij zult kunnen vertrekken, wanneer gij wilt. Nog dezen avond zal ik uwen Franschen pas naar het alien-office opzenden, en binnen drie dagen, namelijk Woensdag, zal het antwoord hier kunnen zijn.”

—„Thans mijnheer! hoop ik, dat gij mij mijne goederen zult doen ter hand stellen. Gelukkiger dan hun meester, hebben zij geen permis tot ontscheping noodig gehad, en het zijn reeds meer dan vijf uren, dat wij van elkander gescheiden zijn.”

—„Mijnheer! uwe goederen moeten eerst gevisiteerd worden.”

—„Niet meer dan billijk, mijnheer! en ik ben zoo vrij, u te verzoeken, die visitatie te bespoedigen.”

—„Onmogelijk, mijnheer! onmogelijk! Het is thans zondag, een dag, waarop wij hier nimmer gewoon zijn te werken: gij zult dus tot morgen ochtend dienen te wachten.”

—„Ik mag toch mijne slaapmuts wel uit mijnen reiszak krijgen?”

—„Onmogelijk, zeg ik u nogmaals, mijnheer! Er mag volstrekt niets geopend worden.—Ik heb de eer, u dienaar te zijn.”

De lezer zal reeds opgemerkt hebben, dat dit geheele tooneel aan het tolkantoor te Douvres werd afgespeeld. De kommies, die met mijne bewaking belast scheen, had mij, zoodra het geoorloofd was, voet aan land te zetten, derwaarts gebragt; want dit is de eerste visite, welke men, bij het aan wal stappen, verpligt is te doen.—In minder dan drie uren tijds, had ik, bij het fraaiste weder, dezen overtogt die waarlijk een pleizierreisje te noemen was, van Calais naar Douvres gedaan, en geene de minste aandoening van de zoo genaamde zeeziekte bespeurd, schoon ik mij voor de eerste maal op dat trouwelooze element bevond. Reeds te negen ure des morgens had ik mijn ontbijt te Calais genomen: thans was het acht ure des avonds, dus gevoelde zich mijne arme maag, na elf uren vastens, door eenen hevigen eetlust besprongen, welke door de ongewone zeelucht nog sterker was toegenomen. Ik verzocht derhalve een dier nuttige gedienstige wezens, welke men in alle landen en plaatsen, met de armen over elkander, werkeloos tegen eenen boom, muur of huis leunende, aantreft, mij in het logement, waar de postwagen afreed, te brengen. Daar hetzelve niet verder dan eenige voetstappen van het tolkantoor was, gaf ik mijnen geleider eenen halven schelling, denkende, hem rijkelijk voor zijne moeite te betalen; doch ik leerde hier, dat een echte Engelschman zich nooit minder dan voor eenen heelen schelling beweegt, en moest dus mijne fooi verdubbelen.

Ligtelijk zal men zich kunnen verbeelden, dat mijne eerste gedachte zich tot een goed avondmaal bepaalde: derhalve vroeg ik den knecht om de keukenlijst. Mijn hoofd was echter nog geheel vervuld met Fransche denkbeelden en begrippen, en het was mij geheel onbekend, dat in de Engelsche logementen de lijst der geregten op het puntje van des knechts tong hare zitplaats houdt. Intusschen behoefde deze zijn geheugen in het geheel niet te pijnigen, om zich die lijst te herinneren; want alles, wat hij mij konde opdisschen was brood met een koud stuk ossenvleesch, kaas en thee. De thee scheen mij een al te luchtig voedsel voor eene maag, razende van honger en dol van appetijt. Ik bepaalde mij dus tot het gebruik der drie eerstgenoemde artikelen. Nu dischte men ook een stuk koud gebraden ossenvleesch op, dat nagenoeg nog een pond of negen of tien zal gehouden hebben; schoon ik uit deszelfs omvang en de reeds ontbloote beenderen, het facit ligtelijk kon opmaken, dat het reeds dikwijls de eer had gehad voor een aanzienlijk getal van mijne voorgangers te compareren. Ook plaatste men eene kan bier voor mij op de tafel, benevens een klein stuk brood, zoo wit als krijt, hetwelk niet onaangenaam van smaak, maar zoodanig hard en uitgedroogd was, dat het wel eenen steen geleek, en ik niet verder durfde wagen, mijn gebit er op te oefenen, uit vrees van een’ mijner tanden er bij in te schieten. Bij dit alles kwam nog een zoutvat, eene flesch azijn, en een klein fleschje met peper te voorschijn: ja, lieve lezer! een fleschje met peper, dat veel overeenkomst had met die houten zoutvaatjes, welke de kostgangers in de kollegien te Parijs voormaals meestal bij zich droegen, om er gebruik van te maken, wanneer men hen op een eitje uit den dop, zonder zout, of op een slaadje zonder olie onthaalde. Ten laatste zette men een bord voor mij neder, waar naast men ter regterzijde een mes en ter linkerzijde eene vork legde, waarmede men mij naar welgevallen met het stuk vleesch liet omspringen. Vruchteloos zat ik op een servet te wachten, hetwelk mij echter niet gebragt werd; want dit stuk huisraad schijnt geenszins in de Engelsche logementen in gebruik te zijn, even min als bij den geringen burger, ja zelfs niet eens bij den middelstand. De mond en handen veegt men af aan de randen van het tafellaken, en draagt wel ter dege zorg, alle Zondagen zonder verzuim een schoon tafellaken te spreiden.

Hier hoor ik mijne lezers, bijzonder hen, die een weinigje ongemakkelijk vallen, in drift uitroepen: „Hoe is het mogelijk, zijnen mond aan den rand van een tafellaken te kunnen afvegen, hetwelk reeds ten zelfde gebruike aan zoo vele andere monden gediend heeft? en de Hemel wete, aan welke monden!” Een oogenblik, mijne heeren! een oogenblik! Zeker hebt gij wel eens eene kat het middag- of avondmaal zien houden? Hebt gij dan, bij die gelegenheid, nimmer opgemerkt, hoe zindelijk en met welk eene verbazende vlugheid zulk eene kat, als zij hare bekomst heeft, eerst hare tong over de onderste lip laat gaan, dezelve vervolgens over de bovenste insgelijks de ronde laat doen, en aldus deze kunstbewerking twee of drie malen herhalende, zich van het overtollige overblijfsel van haar maal op eene gemakkelijke wijze weet te ontlasten? Welnu, mijne vrienden! de goede moeder Natuur heeft u immers met een dergelijk servet mildelijk beschonken: schaamt u dan geenszins van eene kat of van eenen Engelschman de wijze te leeren, om er u met vrucht van te bedienen.

Na het eindigen van mijn soupé, hetwelk mij echter niet lang bezig had gehouden, begon mij de zelfverveling te bekruipen: ik dacht dus geen betere partij te kunnen nemen, om dezelve te verdrijven, dan om eene kamer te vragen en vervolgens te gaan slapen. Het duurde echter ten minste nog een goed uur, eer men aan mijn verzoek voldeed. Eindelijk kwam eene stevige, frissche meid, van een vrolijk voorkomen, met den blaker in de hand, mij zeggen, dat mijn bed gereed was. Ik volgde haar langs eenen kleinen smallen trap, zoo als de meeste trappen in Engeland zijn, tot zij mij in eene groote kamer bragt, waarvan het geheele behangsel bestond in vier wel gewitte muren, en het ameublement uit vier ledikanten, allen zonder gordijnen, en uit even zoo veel stoelen.

Oogenblikkelijk schoot mij, bij de beschouwing van dit geheel, de gewigtige aanmerking te binnen, dat er nog een allernoodzakelijkst en onmisbaar stuk huisraad ontbrak; doch onder de ledikanten ziende, ontdekte ik, dat men het niet vergeten had, en dat er juist zoo veel nachtspiegels als bedden en stoelen op de kamer aanwezig waren.

Bij het opnemen der meubelen had ik nog eene kruik met water en eene handenwaskom, beide in de vensterbank geplaatst, vergeten, en welke ten algemeenen gebruike van de bewoners dezer slaapzaal geschikt schenen.

Inmiddels ik mij aldus bezig hield met den boel eens rond te zien, trachtte de dikke, bolle meid een praatje met mij te maken; doch, ofschoon ik het Engelsch genoegzaam kon spreken, en zij mij redelijk wel verstond, kan ik den geëerden lezer of lezeresse op mijn woord van eer verzekeren, dat zij hare tong met zoodanig eene vlugheid wist te bewegen, of, om mij klaarder uit te drukken, zoodanig rabbelde, dat het mij onmogelijk was, den zamenhang harer woorden te bevatten. Ons gesprek bestond derhalve, van mijne zijde, uit woorden, en van haren kant uit gebaren en teekens.

—„Lieve meid, kunt gij mij geene kamer met één bed geven?”

—Zij schudde het hoofd; waaruit ik het antwoord—neen!—meende te bespeuren.

—„Kunt gij mij dan ten minste geene tafel bezorgen? Ik heb iets te schrijven.”

Hierop trachtte zij met wijzen en wenken mij te beduiden, dat ik beneden in het vertrek, waar ik mijn avondmaal gehouden had, kon gaan schrijven.

—„Inderdaad, ik ben hier zeer slecht gehuisvest!”

Nu nam ze mij bij de hand, bragt mij naar het achterste ledikant, vlak tegenover het kleine en zelfs eenigste raam in deze heerlijke slaapzaal, hetwelk, bij vollen zonneschijn, slechts een zeer flaauw licht scheen te kunnen verspreiden, hief beide hare armen lijnregt in de hoogte, en liet dezelve terstond weder zachtjes op het bed nederzinken, terwijl zij haar hoofd op het kussen scheen neder te leggen, zonder het echter in de daad aan te raken, en kneep haar oogen digt, even als of zij sliep.

Ik voor mij kon dit gebarenspel niet al te wel bevatten, en zelfs de grootste uitlegkundige zou het, mijns bedunkens, op onderscheidene wijzen hebben kunnen verklaren.

Intusschen hield ik mij, als of ik haar volmaakt wel verstond, en, even als zij, mij door gebaren trachtende begrijpelijk te maken, vroeg ik haar, of—maar wat baat het den lezer, te weten, wat ik vroeg?—Genoeg, in plaats van mij te antwoorden, lachte zij als eene bezetene, vloog, als een pijl, uit de kamer en liet mij tot gezelschap een eindje kaars, dat mij, als het ware, scheen toe te roepen: „Ik brand nog maar een kwartier!” Schoon het niet later dan tien ure was, besloot ik echter, in ’s hemels naam, naar bed te gaan. Een witte zakdoek, welken ik gelukkiglijk bij mij had, moest de rol van eene slaapmuts vervullen: het bed was redelijk, en ik zoude er volmaakt wel op gerust hebben, bijaldien ik niet, tot zesmaal toe, door mijne slaapkameraden ware gestoord geworden, die op drie onderscheidene oogenblikken binnen kwamen, en op dezelfde wijze ook ieder afzonderlijk weder vertrokken.

II.
Nog al te Douvres.

Inhoudsopgave

„Mijnheer Pot-de-Vin,” zeide ik, den anderen morgen, zoo haast als ik beneden kwam.—

Gij moet weten, geëerde lezer! dat mijnheer Pot-de-Vin meester van den huize in het logement is, waar de postwagen van Douvres op Londen afrijdt. Hij is een Franschman van geboorte, doch reeds sinds vele jaren in deze stad gevestigd, en overigens in doen en laten een volmaakte Engelschman, zoo dat men in houding en manieren, ja zelfs in het stroeve, ernstige voorkomen tusschen hem en eenen inboorling bijna geen onderscheid kan ontdekken.

„Mijnheer Pot-de-Vin,” zeide ik dan tegen hem, „ik verzoek u, mij een vrije kamer te geven, en vooral eene tafel; ik wenschte naar welgevallen te kunnen lezen en schrijven, en bovenal niet van zelfverveling te sterven gedurende den tijd, dat het alien-office mij veroordeelt te Douvres zijne nadere bevelen af te wachten. Indien u dit dus niet mogelijk is, zal ik verpligt zijn, elders mijnen intrek te nemen.”

—„Ik heb slechts één vertrek te missen,” zeide hij; „heb de goedheid, eens te zien, of het u bevalt.”

Een kleine, ongemakkelijke trap, veel gelijkheid hebbende met eenen molenladder, en in de keuken opgaande, bragt ons op den zolder en vervolgens in de zoo genaamde kamer, welke geen ander licht ontving, dan door eene enkele ruit, uitgehouwen in den muur. Ook hier was geen ander dan het reeds bekende huisraad, te weten een bed, een stoel en een nachtspiegel, welk laatste meubel ik den vorigen avond gevreesd had vergeten te zijn. Toen men mij eindelijk, op mijn dringend verzoek, eene tafel had doen bezorgen, kon ik niet dan uiterst voorzigtig en met alle behoedzaamheid op mijne kamer komen, dewijl men er door de volte zich naauwelijks kon omkeeren. Ik bevond er mij echter beter naar mijnen zin, dan op de slaapzaal van den vorigen avond, en de heer Pot-de-Vin beloofde mij, dat ik er, gedurende mijn verblijf, alleen bezitter van zou blijven.

In afwachting van het ontbijt schreef ik aan mylord A...., en zond hem den aanbevelingsbrief, mij voor zijne lordschap ter hand gesteld, hem verzoekende, zich voor mij bij het alien-office te vervoegen, ten einde mij eenen pas, om mijne reize voort te zetten, te doen bezorgen.

Beneden komende werd ik op eene zeer aangename wijze aan de ontbijttafel verrast. Ik vond hier drie mijner landslieden en eene dame, welke insgelijks hunne paspoorten, ter vervolging hunner reize naar Londen, afwachten; en ik vernam tevens van hen, niet zonder bezorgdheid voor mij zelven, dat zij zich reeds sinds acht dagen te Douvres bevonden, en tot dusverre nog geene de minste tijding van wege het alien-office bekomen hadden.

Indien ik mij te midden der onbeschaafdste en woestste horden van Hottentotten, in de brandendste zandwoestijnen van Lybië, of op de Groenlandsche ijsvelden verdwaald had gevonden, zouden mijne ooren nimmer met grooter vermaak de Fransche uitspraak hebben opgevangen, dan in dit oogenblik, toen ik deze mijne landgenooten in het prachtige logement van mijnheer Pot-de-Vin mogt aantreffen. Welhaast hadden wij kennis gemaakt; want het Fransche karakter heeft hiertoe juist niet veel tijd noodig, vooral in een vreemd land. Ook scheidden wij niet van elkander, zoo lang ik te Douvres bleef, en hun gezelschap verminderde merkelijk mijne verveling, welke mijn gedwongen oponthoud aldaar mij veroorzaakte.

„Mogt ik eenmaal Minister van buitenlandsche zaken in Frankrijk worden,” zeide een van hen; „ik verzeker u, ik zou de wet der wedervergelding uitoefenen en de Engelschen met gelijke munt betalen. Geen hunner zou eenen voet verder dan Parijs mogen zetten, zonder eenen behoorlijken borgtogt van een gegoed en geloofwaardig Franschman, aldaar woonachtig.”

„Dat zou toch een weinigje hard zijn! hernam ik; want tegen eenen Franschman, die in Engeland komt, komen wel twintig Engelschen in Frankrijk: naar deze berekening zoudt gij dus twintig slagtoffers voor één maken.”

—„Zoudt gij dan niet gelooven, dat het meer dan tijd is, dit stroeve, ongastvrije volk te doen gevoelen, dat de Franschen hunne eigene waarde weten te schatten, dat zij de pligten van beleefd- en welvoegelijkheid, aan vreemde natien verschuldigd, weten te berekenen naar die, welke hun aldaar wederkeerig bewezen worden? Ik voor mij wenschte, dat ieder Engelschman, die in eene onzer havens aanlandde, aldaar quarantaine moest houden, even gelijk de koopmansgoederen, welke uit de Levant komen.”

—„Het is wel te zien, dat gij u te Douvres verveelt. Pas maar op, dat de spleen u niet te na kome.”

—„Maar meent gij dan, dat men zich koelbloedig acht dagen lang in deze satansche stad kan zien ophouden, als men bij zich zelven nagaat, dat de Engelschen, die in Frankrijk komen, geen het minste beletsel ondervinden, dat zij meer voorregt genieten dan de inboorlingen zelve, en eindelijk, dat ieder zich beijvert, dit zwartgallige menschengeslacht van dienst te zijn. En zou men dit alles zoo maar stilzwijgende moeten verduwen? Wat hebben zij bij ons te maken? De een komt er uit eene razende modezucht; wijl het tot de vereischten van eenen welopgevoeden Engelschman schijnt te behooren, dat hij een reisje naar het vaste land gedaan heeft. Een ander komt er uit hoofde van bezuiniging; want zich eene maitres uit eene der actrices van de Opera of van de Boulevards naar welgevallen verkiezende, en overal, zoo in koffijhuizen als in logementen, in een woord, op alle plaatsen, waar slechts vermaak en pleizier te scheppen is, den gebraden haan spelende, verteren zij nog niet de helft der sommen, welke zij in hun waard en dierbaar vaderland, als het ware, te grabbel smijten, om onder de zelfverveling en den spleen te verkwijnen. Sommigen hunner geven, zoodra zij in hun voortreffelijk land zijn teruggekeerd, allerlei ellendige blaauwboekjes in het licht, onder den naam van: Een Toertje naar Parijs.—Eene Reize door Frankrijk, of iets dergelijks, en trachten, dusdoende, ten koste der waarheid, een volk belagchelijk te maken, welks eenigste misdaad is, deze Engelsche snoeshanen al te beleefd en te vriendelijk behandeld te hebben. Zie dit werkje slechts eens in, hetwelk ik hier gekocht heb, met oogmerk, om mij den tijd te verdrijven. Sla slechts op, welk blad gij wilt, het eerste, dat u maar voorkomt; en ik ben zeker, gij zult er logen, lastertaal of zoutelooze spotternij vinden.”

Hier gaf mijn landsman mij het boekje in handen; de titel was: Bezoek aan Parijs in 1814, of onderzoek naar den zedelijken, staatkundigen, geleerden en gezelligen toestand van de hoofdstad der Franschen, door John Scott, uitgever van den Kampvechter, een staat- en letterkundig dagblad.

„Quid dignum tanto feret hic promissor hiatu?”

„De titel belooft wonderen!”

zeide ik bij mij zelven, het boekje gedachtenloos openende, toen mijn oog op de volgende regels viel, welke ik ook letterlijk vertaalde.

„De huwelijksche staat geeft in Frankrijk der vrouw eenen zekeren kunstmatigen invloed en vermogen. Dezelve verheft haar ver boven al hetgene haar geslacht immer zou kunnen wenschen of verwachten; maar het is ook ten koste dezer hartelijke overeenstemming, dezer teedere en belanglooze liefde, welke het uitsluitend en onderscheidend bewijs eener verbindtenis opleveren, op vastere en meer verstandige gronden gesloten, dan de zoo even bedoelde.

„Wel is waar, de Fransche vrouw schijnt een aantal voorregten te genieten, welke, in den eersten opslag, aanlokkende en behagelijk voorkomen, maar die eindelijk uitloopen met haar eene levenswijze te doen houden, welke haar door het gevoel van hetgene, wat zij zelve aan hare sekse verschuldigd is, hatelijk zou moeten worden, indien de mannen slechts de kunst bezaten, haar deze gewaarwordingen in te boezemen, en haar voor vermaken en genoegens vatbaar te maken, welke haar geenszins onverschillig zouden zijn, zoo zij hare eigene waarde gevoelde.

„Het zoo genaamde boudoir, bidkamertje der Fransche vrouwen, is uitsluitend de zetel en hoofdplaats van haar gebied, en als het ware een eigendom, dat haar-alleen behoort, in één woord, een tempel gewijd aan de weelde en de stilzwijgendheid. Tot dit verblijf durft zelfs de echtgenoot niet doordringen: ja, al wist hij ook, dat zijne vrouw zich in dit heiligdom met haren minnaar had opgesloten, zou hij het geenszins durven wagen, deze vrijplaats door zijne verschijning te ontheiligen. Wel te verstaan, dat ik hier de lieden van den goeden smaak bedoel. Een getrouwd man, die zich anders gedroeg, zou overal voor eenen lomperd uitgekreten, en het algemeene doel der verachting en bijtendste spotternij van beide de seksen worden. Het boudoir is dan, zoo als ik reeds heb opgemerkt, het prachtigste en sierlijkste vertrek in het geheele huis. De kinderkamer is bij aanzienlijke lieden in den afgelegensten hoek van de woning aan te treffen; daar het boudoir der moeder integendeel prijkt met de heerlijkste standbeelden, de voortreffelijkste schilderijen, de welriekendste bloemen, en de zachtste, tot wellust noodigende sopha’s. In één woord, het boudoir der Fransche vrouwen is een verblijf, waar Venus zelve met genoegen zou kunnen verblijven, en dat bijzonder schijnt ingerigt, om de ziel te openen voor gewaarwordingen, welke deze Godin inblaast en begunstigt.”

„Zie daar reeds meer dan te veel,” zeide ik, en smeet het paskwil op de tafel. Ik geloof zeker, dat de oordeelkundige mijnheer Scott niet veel verder, dan in de Parijsche antichambres is geweest, en in zijne verbeelding onze zalen en boudoirs versierd en gebouwd heeft, even als een Spanjaard kasteelen in de lucht bouwt, of zoo als de Abbé Vertot ons het verhaal van het beleg van Rhodes heeft opgedischt. Intusschen zal mijnheer Scott met al zijne sprookjes mij niet doen vergeten, dat het tijd wordt, om mijne goederen van het tolkantoor te halen.

Mijn koffer en reiszak werden geheel en al uitgehaald, en alles werd, stukje voor stukje, ten uiterste naauwkeurig gevisiteerd en nagezien. Ik had eenige paren, nog weinig gedragene, zijden koussen en eenige bijna nieuwe: de komiezen waren op het punt, deze voor goeden prijs te verklaren; doch, daar ik hun aantoonde, dat zij reeds ten gebruik gediend hadden, ging er dit nog, hoewel niet zonder moeite, door: maar nu kwamen er vier ponden versterkende chocolade aan de beurt, welke ik uit Parijs had medegenomen. Hierover maakten de heeren tolbedienden een geweldig geschreeuw, en alles, wat ik ook mogt zeggen, om dezelve te lossen, was vergeefs. Ik bood hun aan, den impost en zelfs de volle waarde van de chocolade te betalen; ik voegde er zelfs, op eenen eenigzins steekeligen toon bij, dat deze chocolade tot mijn bijzonder gebruik vervaardigd, en uit sommige ingredienten zamengesteld was, welke voor ieder ander schadelijk zouden kunnen zijn; maar ook deze kleine noodlogen baatte mij niets; men behield de chocolade, doch beloofde, mij dezelve, bij mijne terugreize naar Frankrijk, weder ter hand te zullen stellen. Nu vroeg ik een klein schriftelijk bewijs, en het antwoord was: wij zijn niet gewoon, dit te geven.

Om op dit onderwerp niet weer terug te komen, zal ik hier, in het voorbijgaan, aanstippen, dat ik meer uit nieuwsgierigheid, dan om eenige andere reden, mijne chocolade, bij mijne doorreize naar Frankrijk, te Douvres aan het tolkantoor terug vroeg: doch men kon ze onmogelijk vinden. Zeker had dezelve geene onsmakelijke afwisseling met de thee gemaakt, welke de heeren kommiezen, even als andere Engelschen, meestal des morgens in eene ruime mate gebruiken, en de vrees, welke ik hun had trachten in te boezemen, wegens de voorgewende zamenstelling dezer versterkende chocolade, had dezelve niet kunnen beschermen: ik vond mij dus, ten profijte der magen van de Engelsche tolbedienden, verstoken van eenen lekkeren en aangenamen drank, dien ik mij zelven had toegedacht. Deze trek is zeer geschikt tot een bijvoegsel van de geschiedenis der Engelsche tolkantoren.

Den maandag en dingsdag bragt ik door in het bezigtigen van Douvres en den omtrek buiten de stad. Ik zou hier voegelijk eene beschrijving kunnen geven van de haven, van de straten, van de met allerlei kleuren beschilderde huizen, welke veel overeenkomst met een Arlequinspak hebben, van de vlakten, heuvels, weilanden en velden, welke de stad omgeven, als ook van eenen beek, die zich op eenen kleinen afstand rondom de muren kronkelt; maar het schilderen is nimmer mijne zaak geweest, en bijaldien de een of ander mijner geachte lezers in dit werkje eene schets van schilderachtige gehuchten, wegslepende gezigten, of romantische beschrijvingen denkt aan te treffen, kan hij gerust, zonder verdere moeite aan te wenden, het boekske ter zijde leggen.

Woensdag morgen kwam de heer Pot-de-Vin mij, met eene zegepralende houding, berigten, dat de pas uit Londen was aangekomen. Ik zeg hier uitdrukkelijk met eene zegenpralende houding; want met welk een genoegen hij ook de reizigers tot zijnent ziet inkeeren, met geen minder vermaak, ziet hij dezelve weder vertrekken. Dit zal menigeen eenigzins vreemd toeschijnen; dan het zal voldoende zijn, te doen opmerken, dat mijnheer Pot-de-vin bij uitstek juist zijne berekening weet te maken. Zijn huis is zeer klein, en heeft hij werkelijk het plan, van woning te veranderen, om zich voortaan de onaangename gewaarwording te besparen, van aan arme reizigers de herbergzaamheid te moeten ontzeggen. Ook weet hij door eene langdurige ondervinding, dat men voor éénen dag minder acht slaat op de vertering in eene herberg, dan wanneer men er, tegen wil en dank, eene geheele week, en soms nog langer, moet vertoeven.

Ik kon reeds dienzelfden avond vertrekken, maar, bij verkiezing, geen liefhebber van het nachtreizen zijnde, besloot ik, tot donderdag morgen te wachten.

Eindelijk verscheen die lang gewenschte morgen, en zie daar al weder nieuwe zwarigheid! De postwagen was geheel vol, derhalve deed men mij het vriendelijke voorstelletje, in den pakkorf boven op den postwagen, bij het aldaar reeds plaats genomen hebbende gezelschap, dat zelden het aanzienlijkste gedeelte der reizigers uitmaakt, mijn verblijf te nemen, hetgeen mij tevens het voordeel zou verschaffen, van de frissche opene lucht en een ruim, vrij gezigt te genieten. Daar de plaatsen op deze hoogste en ongedekte verdieping, slechts half geld zijn, wilde men mij ook edelmoedig de helft van de reeds vooruit betaalde penningen terug geven. Dan ik weigerde volstandig, in eenige onderhandeling te treden, en drong er op aan, om mijne bestelde en reeds voluit betaalde plaats te bezitten; en hier moet ik, tot lof van de naauwgezetheid, waarmede de Engelschen hunne aangegane verbindtenissen vervullen, ronduit bekennen, dat er voor mij-alleen terstond een tweede postwagen werd aangelegd. Wel is waar, dat dezelve onder weegs aldra voltallig werd; doch of de postmeester dit al of niet vooruit hebbe kunnen gissen, hierover wil ik mij liefst niet inlaten.

Ik nam dus een hartelijk afscheid van mijne drie landslieden en van de dame, welke ik te Douvres had aangetroffen, in de hoop van hen spoedig te Londen te zullen ontmoeten; doch drie dagen later ontving ik eenen brief, waarin zij mij berigtten, dat zij ongetroost naar Frankrijk terug moesten keeren; wijl zij op geenerlei wijze eenen pas van het alien-office hadden kunnen bekomen.

Het is waar, zij hadden te Londen geene andere kennissen dan Franschen, die zich zeker reeds meer dan twintig of dertig jaren aldaar met der woon gevestigd hadden en grooten handel dreven, maar welker getuigenissen niet konden opwegen tegen den borgtogt van één’ eenigen koopman in aardappelen of zwavelstokken, in Engeland geboren, en eigenaar van het een of ander vervallen hutje in eene der voorsteden van Londen, hetwelk te Parijs, bij verkoop, geen vijftig Louis d’or zou opgebragt hebben.

III.
Reis naar en aankomst te Londen.

Inhoudsopgave

Ik bevond mij dan eindelijk op weg naar Londen, en bijna zeker van er spoedig te zullen zijn. Terwijl men te Canterburij van paarden verwisselde, had ik den tijd, om, met behulp van drie Engelsche schellingen, (want in Engeland is het algemeene motto—niets voor niets!) had ik den tijd, zeg ik, om de hoofdkerk van deze stad te bezigtigen, een trotsch en prachtig gebouw, waarvan ik niets zal zeggen; wijl iedereen er reeds van gesproken heeft.

Wij hielden het middagmaal te Rochester, eene kleine stad, wier naam dien van den beruchten hertog van Rochester altijd zal doen herinneren; en des avonds ten acht ure deden wij onzen intogt in de hoofdstad der drie rijken.

De postwagen moest ons afzetten in de herberg de Witte Beer, in Piccadilly, waar ook tevens het verhuurkantoor werd gehouden van de vaartuigen naar Calais. Ik was dus zeer verwonderd, toen ik den voerman op het eerste plein, waar eene menigte huurkoetsen stond, zag stil houden, terwijl hij ons tevens verzocht, uit te klimmen. Een Engelschman had de vriendelijkheid, mij te onderrigten, dat er in den Witten Beer noch wagenhuis noch stalling zijnde, de postwagen in eene andere wijk stalde, en het postwezen, op zijne kosten, de reizigers met huurkoetsen naar de bestemde plaats deed brengen. Ik liet mij dan met mijnen koffer en reiszak in eene dezer koetsen pakken, waar ik nog twee Engelschen aantrof, die ook in dezelfde wijk en digt bij den Witten Beer moesten wezen. Aldaar gekomen en gevraagd hebbende, of men mij konde huisvesten, kreeg ik ten antwoord, dat alle kamers, geene uitgezonderd, bezet waren. De koetsier vroeg mij dus, naar welk ander logement hij mij zoude brengen; dan daar ik geenszins de eer had, van er een eenig in de geheele stad te kennen, zeide ik hem, dat hij slechts voor het eerste het beste stil moest houden. Wij deden nog twee vergeefsche pogingen, en reeds begon ik te vreezen, den eersten nacht van mijne aankomst te Londen in eene huurkoets te zullen moeten doorbrengen, toen men mij eindelijk in het Keizerlijk Hof van St. Petersburg, in de Douversche straat, of (om met het Engelsche gebruik, waaraan ik mij in het vervolg zal houden, in te stemmen) in Dover-street eene ledige kamer wilde laten betrekken.

Middelerwijl de bedienden mijnen koffer en reiszak in huis bragten, vroeg mij de koetsier om geld. Niettegenstaande ik hem met alle mogelijke welsprekendheid trachtte te beduiden, dat de voerman van den postwagen hem deze koetsvracht moest betaald hebben, hield hij hardnekkig het tegendeel staande; en buiten staat, om te bewijzen, welke van de gaauwdieven hier den schelm speelde, moest ik hem vier goede Engelsche schellingen geven, welke hij, op de allerbeschaafdste en beleefdste wijze der wereld, van mij eischte, voor omtrent drie kwartier uurs rijdens.

De vrouw van den huize, eene dikke, vette mokkel, die er wel genoeg uitzag, kwam al waggelende, als eene gans, naar mij toe, om te vragen, wat er van mijnen dienst was? Met het voornemen, om mij naar de Engelsche gewoonten en gebruiken te schikken, vroeg ik om thee. Terwijl zij vertrokken was, om die thee voor mij te doen gereed maken, hield ik mij bezig met de bezigtiging van het verblijf, hetwelk men mij had toegedacht, en waarin ik mij thans geheel alleen bevond. Maar, hemel! welk een onderscheid met het uwe, mijn waarde Pot-de-Vin!

Het is waar, bij u had ik zoo ten naastenbij slechts zeven schellingen daags verteerd, en in het Keizerlijk Hof van St. Petersburg.... Dan, laat ik mijn verhaal niet vooruit loopen. Het voor mij bestemde verblijf bestond uit eene voorkamer, eene zaal, het slaapvertrek en twee kabinetjes, al de kamers, de kabinetjes niet uitgezonderd, waren met fraaije tapijten belegd, stoelen, tafels en al de meubelen waren van echt mahonijhout, de schoorsteenen alle met sierlijk bewerkte metalen armblakers voorzien, verscheidene schoone spiegels, het behangsel in het eene vertrek nog vrolijker en smaakvoller dan in het andere, overheerlijke kunstplaten in kostbare lijsten, en rondom gordijnen, wit als sneeuw en van het fijnste batist, een zacht donsen bed, hetwelk bij voorraad reeds eene aangename rust scheen te beloven, in één woord, er ontbrak niets aan dit bevallige geheel. Nog naauwelijks had ik al deze heerlijkheden met een vlugtig oog beschouwd, of men bragt mij de thee. Twee welgekleede bedienden zetten dezelve op een groot en kostbaar theeblad op tafel, en het geheele servies bestond uit het fijnste porselein, met vergulde randen. De zaal werd verlicht door eenige waskaarsen, op twee fraaije koperen vergulde kroonkandelaren, en tevens werd er nog een zilveren blaker bij het theegoed gezet, om er mij, bij het naar bed gaan, van te kunnen bedienen.

Eene lieve, aardige meid, die er smakelijk genoeg uitzag, en netjes en zindelijk gekleed was, kwam het bed opmaken.

Ik bemerkte, dat er twee hoofdkussens waren, en vroeg haar schertsende, voor wien het tweede bestemd was: zij antwoordde mij.... niets, nam het mede en wenschte mij schalkachtig eene aangename nachtrust.

Niettegenstaande al deze heerlijkheid en luister, kon ik echter niet nalaten, met eenige ongerustheid op het einde te denken. Ik stelde mij levend voor, dat mijn vertrek uit het Keizerlijk Hof van St. Petersburg voorzeker met veel minder aangename omstandigheden, dan mijne aankomst, zou gepaard gaan, en daar ik wist, dat men zich te Londen zeer gemakkelijk van gemeubeleerde kamers bij de week of maand kan voorzien, nam ik bij mij zelven het ernstige besluit, om mij reeds den volgenden morgen met zoeken bezig te houden.

Des vrijdags morgens nogmaals mijn kopje thee genuttigd en mij vervolgens gekleed hebbende, besloot ik, bij mylord A... een bezoek af te leggen, om hem te bedanken voor de aangewende moeite en den spoed, waarmede hij mij mijn paspoort had doen toekomen. Ik begaf mij dan ten zijnent en klopte eenmaal en zachtjes aan. Na eenen geruimen tijd wachtens, opende een bediende de deur: ik vroeg hem zeer bescheiden, of zijn heer zich te huis bevond, doch ik begreep zijn antwoord, dat vrij beknopt en kort af was, niet wel, en tegelijk sloot hij mij, tamelijk onbeleefd, de deur voor den neus.

Ik had nog eenen anderen brief bij mij voor eenen Franschman, die reeds sinds vijf en twintig jaren te Londen gezeten was: het opschrift luidde in de Mary-le-bone-street.

Ook had ik mij voorzien met eene kaart van de stad Londen; maar haar ontbrak eene alphabetische tafel met aanwijzingen, hetwelk de Parijsche kaart zoo gemakkelijk maakt, en een ieder oogenblikkelijk de straat, welke hij zoekt, kan doen vinden. Na lang zoekens, vond ik eindelijk deze straat; zelfs was zij niet ver van mijn logement, en digt bij het goude plein, (of liever, om mij van de Engelsche benaming te bedienen) Golden-Square. Ik klopte aan het huis, welks nommer mij mijn brief opgaf.

De heer C..... was daar echter in het geheel niet bekend; ik kwam dus op het denkbeeld, dat er in Londen misschien twee straten van denzelfden naam konden wezen; en een hernieuwd zoeken deed mij in de daad eene tweede straat van denzelfden naam, bij de Manchester-Square, ontdekken.

Dan ook deze gang was nogmaals vergeefsch, even als een volgende, welke mij in eene derde straat voerde, insgelijks van denzelfden naam, digt bij de Portland-place, en niet, dan in eene vierde, even zoo genoemde straat, bij de Fitz-Roy-Square, had ik het geluk, het bedoelde nommer te vinden, en mijn avontuurlijk dolen te eindigen.

Het is zeer dienstig voor de vreemdelingen, die Londen willen bezoeken, te weten, dat tien, twaalf, ja meer straten somtijds denzelfden naam voeren, en dat men haar alleen onderscheid door den naam van het naastbij gelegen plein. Indien ik gevraagd hadde naar de Mary-le-bone-street, bij Fitz-Roy-Square, zoude ik terstond te regt zijn geweest.

Nooit had ik den heer C.... gezien, ook mijn naam was hem onbekend, en echter ontving hij mij met eene hartelijkheid, als of ik een zijner oudste en beste vrienden was. Hij bood mij terstond aan, mij bij mijne wandelingen te verzellen, en al het merkwaardige van de stad Londen te doen zien.

„Dit zal spoedig gedaan zijn!” voegde hij er lagchende bij, ten gelijken tijde met mij vertrekkende, om mij behulpzaam te zijn in het zoeken naar een gemeubeleerd verblijf; en, dank zijner moeite en vriendelijkheid! eindelijk vonden wij ook in Portland-street eene lieve, kleine en zeer zindelijk gemeubeleerde woning, voor eene guinie in de week, bestaande uit eene slaapkamer en een zaaltje, welke ik reeds den volgenden morgen zou betrekken.

Ik had mijnen nieuwen vriend de onheusche bejegening en slechte ontvangst aan de deur van mylord A... medegedeeld. „Dat is onbegrijpelijk!” zeide hij, „ik ken hem niet; maar men houdt hem in het algemeen voor een zeer beleefd man, en gevolgelijk moesten zijne bedienden ook geene lomperds zijn: komaan, laat ons zamen het bezoek eens hervatten.”

Bij mylord A... gekomen, klopte hij met herhaalde slagen met zulk een geweld op de deur, als of hij dezelve wilde doen springen.

„Waar denkt gij aan, mijn vriend?” zeide ik. „Waarom zoo vreesselijk hard te kloppen?”

—„En hoe hebt gij dan geklopt?”

—„Slechts eenmaal, en wel zeer zachtjes.”

—„Ha, ha! nu begrijp ik het!” zeide hij, en op hetzelfde oogenblik opende de knecht, dien ik te voren reeds gezien had, met de grootste haast de deur, en bragt ons zeer vriendelijk in eene kleine kamer in den gang, welke bij de Engelschen het spreekvertrek wordt genoemd, en waar hij ons, op de beleefdste wijze der wereld, te kennen gaf, dat zijn meester zich sinds twee maanden buiten bevond, en niet voor het einde van Januarij in de stad zou komen. Het bleek dus duidelijk, dat hij geen den minsten stap tot eenen pas, ten mijnen behoeve, had kunnen aanwenden. Zijn naam-alleen heeft zonder twijfel denzelfden invloed op de kommiezen van het alien-office gehad, als het il Bondocani, in den Calif van Bagdad: de reden daarvan was mij onbekend, ook zocht ik geenszins dezelve uit te vorschen.

Bij het uitgaan betuigde ik mijnen vriend C... mijne verwondering over het verschillend onthaal van den knecht, met dat, hetwelk mij, een weinig vroeger, te beurt was gevallen.

„Uwe onkunde van de Engelsche manieren,” zeide hij, „is er de oorzaak van. Hadt gij, even als ik, aangeklopt, dan zou men u ook op dezelfde wijze ontvangen hebben. De trap van achting, den aankomenden verschuldigd, meet zich hier af naar de wijze, op welke hij de deur behandelt. Een bediende, een boodschapper, een werkman, in één woord, ieder ondergeschikt wezen klopt slechts eenmaal aan. Wordt er tweemaal geklopt, dan beteekent het, dat er de brievenbestelder is. Eindelijk, hoe harder en vaker men klopt, voor des te gewigtiger en aanzienlijker wordt het bezoek gehouden.

—„Inderdaad, dit is grappig genoeg! doch ik zal deze les wel in het geheugen prenten, en ongelukkig de deuren, die onder mijne handen vallen, zoo zij niet hecht en sterk zijn!—Maar welk een zonderling begrip van mylord A...., het ongunstigste jaargetijde buiten door te brengen!”

—„Ook al de mode van dit land! Zelden gaat men vroeger naar buiten, dan in het begin van September, en men komt niet voor het laatste van Januarij terug. Niemand der grooten is thans in de stad. Lieden van smaak zouden er zich, zonder blozen, niet durven vertoonen, en zij, die zelve geen buitengoed bezitten, noch vrienden, waar zij kunnen logeeren, hebben, houden zich met de grootste omzigtigheid schuil, om niet gezien te worden, of te doen vermoeden, dat zij in de stad zijn.”

—„Ziedaar waarlijk nog eene zeldzaamheid! Maar waarom toch maakt men van het schoone saizoen geen gebruik, om op het land te wonen?”

—„Waarom, waarom? Gij zijt een Franschman, en vraagt mij de reden, daar ik u reeds gezegd heb, dat het de mode is! Zouden in Parijs uwe saletjonkers en de zoo genaamde elegante vrouwen niet de koddigste en belagchelijkste kapsels dragen; indien de mode het slechts voorschreef? Bovendien is dit gebruik geenszins zonder eenigen grond aangenomen. Vooreerst zijn de Engelschen algemeen hartstogtelijke liefhebbers van de jagt, die in September eerst geopend wordt. Ten tweede duren de zittingen van het Parlement dikwijls tot in de maand Augustus; lieden van eenige beteekenis kunnen de hoofdstad niet wel voor derzelver sluiting verlaten, en dezen geven, zoo hier als elders, den toon aan het algemeen. Ten derde eindelijk wordt het verjaringsfeest der koningin, den achttienden Januarij gevierd: op dit tijdstip moet men ten hove verschijnen, en hierdoor wordt voornamelijk de terugkomst bepaald.”

—„Jammer, dat gij geen advokaat zijt! Het is onmogelijk, eene kwade zaak beter te bepleiten.”

—„Dat daar gelaten! welke plannen hebt gij voor heden? Wilt gij mijn gast zijn en kennis maken met den kok, bij wien ik gewoonlijk ga eten? Ik ben ongetrouwd en eet nooit ten mijnent.”

—„Hartelijk dank! Ik heb in het Keizerlijk Hof van St. Petersburg mijn middagmaal besteld, en wil dus, bij mijnen eersten intogt in Londen, den heeren Engelschen geene stof geven, om de Fransche ligtzinnigheid te gispen; maar morgen, zoo gij tevreden zijt, ben ik tot uwen dienst, en dan zijn wij onscheidbaar.”

—„Van harte!—Morgen is het voor u verhuisdag, en dat vordert eenigen tijd. Ik ben dus te elf ure bij u, en dan zullen wij onze wandeling hervatten.”

—„Derhalve tot morgen!”

—„Zonder vaarwel!”

IV.
Het Keizerlijk Hof van St. Petersburg.

Inhoudsopgave

Zonder twijfel denkt de lezer, dat, na drie vervelende dagen wachtens te Douvres, op mijnen mij van Londen toegezonden pas, mij niets meer kon in den weg komen, om stil en gerust in de hoofdstad te vertoeven. Dit was ook mijne meening; dan helaas! ik had de rekening buiten den waard gemaakt. Men zeide mij, bij het overgeven van dien pas, dat hij mij nergens anders toe kon dienen, dan om van Douvres naar Londen te vertrekken, en dat ik hem, bij mijne aankomst in de hoofdstad, moest gaan verwisselen aan het alien-office tegen een permis, om mij in Engeland op te houden.

Na het afscheid nemen van mijnen vriend C..., besloot ik derhalve, oogenblikkelijk dezen verdrietigen gang te doen, en begaf mij naar het kantoor van het alien-office, in de Crow’n-street, Westminster, eene van de kleinste en morsigste straten in geheel Londen. Daar moest ik, even als te Douvres, niet alleen weder op nieuw een naauwkeurig verhoor ondergaan, maar ook mijne verklaring plegtig onderteekenen. Nu meende ik, zou men mij een verlof, om in Engeland te vertoeven, ter hand stellen—geenszins! Men behield al mijne papieren en bescheidde mij over acht dagen. Om mijne lezers echter niet te doen deelen in het verdriet, hetwelk mij al deze formaliteiten veroorzaakten, zal ik slechts met korte woorden zeggen, dat, toen ik op den bestemden tijd terugkwam, mijne papieren niet meer te vinden waren. Langer dan een uur zocht men vruchteloos naar dezelve. Eindelijk ontdekte ik ze op den lessenaar van den klerk, aan wien ik ze had ter hand gesteld, en waar zij, gedurende al dien tijd, onaangeroerd gelegen hadden. Binnen vijf minuten was mijne zaak afgehandeld, hetgeen mij klaar deed zien, dat men, bij mijne eerste komst, indien men slechts gewild hadde, even hetzelfde zou hebben kunnen doen. Maar ongetwijfeld hechtte acht dagen wachtens meer gewigts aan eene gunst, en bovenal aan hem, die het werktuig is, om dezelve te doen verkrijgen. Hoe het ook zij, mijn permis vergunde mij in het lange en breede, door geheel Engeland te trekken, mids ik mij slechts op den achtenswaardigen afstand van tien mijlen van de kust en van des konings bosschen verwijderd hield, en zorg droeg, telkens, als ik van woonplaats veranderde, mijne opgave aan het alien-office te doen.

Middelerwijl men mijne verklaring in orde bragt, kreeg ongelukkig een der klerken, die zag, dat ik als kennis van mylord A.... was aangegeven, zeker bij toeval, zoo als ik vertrouw, het in zijn hoofd, mij duizend vragen naar zijne gezondheid, zijne familie, zijnen ouderdom, zijne reizen en honderd andere omstandigheden te doen, hetwelk mij in geene geringe verlegenheid bragt.

Meermaals had ik dergelijke tooneelen in komedien gelezen, maar had thans geenen lust om dezelve te herhalen. Om derhalve goedschiks weg te komen, zeide ik hem, dat ik, nimmer te voren in Londen geweest zijnde, mylord niet anders dan door briefwisseling kende, en op deze wijze ontsloeg ik mij van zijn pijnigend vragen. Nu kon ik dan eindelijk gerust gaan middagmalen, hetgeen mijne maag ook hoog noodig had, in welke ik eene sterke prikkeling gevoelde; want het was bijna zes ure.

Dikwijls heb ik vreemdelingen, ja zelfs onze landgenooten hevige klagten hooren doen, dat door geheel Frankrijk in de logementen meestal de schaar uithangt; dat men er vreesselijk medegenomen, ja zelfs gevild wordt: maar mijn hemel! het villen, hoe pijnlijk dan ook, kost slechts de huid, doch in het edelmoedige Engeland legt men u op de folterbank, en knijpt u met gloeijende tangen het vleesch van het gebeente. Deze zelfde wijze van martelen heeft in alle voorname logementen van Londen plaats; maar het Keizerlijk Hof van St. Petersburg spant boven allen de kroon, en mag niet slechts met drie, maar wel met vijf en twintig kruisjes geteekend worden; ja de plunderziekste kastelein van geheel Frankrijk (of liever moest ik zeggen, de grootste beurzensnijder) kan daar nog met vrucht een lesje nemen.

Bij mijne tehuiskomst kwam een groote, dikke keukenvorst mij aankondigen, wat er te eten was: ik had eene ruime keuze, en eischte eene moot verschen zalm en een beef-steakes (dit woord is door geheel Frankrijk bekend, en moet uitgesproken worden bif-steks). Het zou onwelvoegelijk geschenen hebben, in het Keizerlijk Hof van St. Petersburg bier over den maaltijd te gebruiken: ik nam dus eene halve flesch Port-wijn, waaronder ik mij bezig hield met een stukje lekkere Hollandsche kaas te peuzelen.

Ik vraag mijnen waarden lezers vergiffenis, dat ik hen met deze beuzelarijen bezig houd, doch mij dunkt, dat dezelve hier niet ten onpas komen; want, indien ik ook eene tafel voor twintig personen hadde doen aanrigten, zou men mij gevoegelijk niet meer in rekening kunnen gebragt hebben. Ook moet ik mijnen lezers hier niet verzwijgen, dat ik den volgenden morgen voor mijn vertrek, nogmaals mijn Engelsch ontbijt, te weten, mijn kopje thee, nuttigde. Derhalve had ik in het Keizerlijk Hof van St. Petersburg, te Londen, in Engeland, ééns het middagmaal gehouden, twee nachten geslapen, en driemaal een prachtig kopje thee gebruikt. Nu gaf ik te kennen, dat ik dit aangename verblijf vaarwel wilde zeggen, en verzocht dus, te weten, wat ik verteerd had, of, om mij van den Engelschen term te bedienen, ik eischte mij bill. Welnu, mijne lezers! duimpje op! hoe hoog schat gij mijne vertering?—Ik had van donderdag avond negen ure, tot zaturdag morgen, insgelijks bij klokslag van negen, mijn verblijf in het Keizerlijk Hof van St. Petersburg gehouden, hetgeen, wel uitgecijferd, juist zes en dertig uren maakt. Nu frisch uit de borst! wat raadt gij?—twee dukaten?...—vier dukaten?...—zes dukaten?—mis geraden! ver mis!—mijne rekening beliep vijf pond, vijf schellingen en zes pences, en derhalve, in goed Fransch geld, honderd zes en twintig livres en twaalf stuivers. Nimmer echter zal ik ontkennen, dat die rekening een klein meesterstuk was: niets was er op vergeten; ik herinner mij zelfs een postje van zes pences, of twaalf stuivers Fransch, voor pen en inkt, welke ik gebruikt had, om mijnen naam op een visitekaartje te schrijven.

Is het wel noodig, hier nog bij te voegen, dat de knecht, welke mij, gedurende mijn verblijf, bediend had, mij, bij mijn vertrek, hartelijk vaarwel zeide?—dat de lieve aardige meid, welke donderdag avond een mijner kussens had medegenomen, zonder het vrijdags terug te brengen, mij, op de eerbiedigste en beleefdste wijze, hare opwachting kwam maken? en eindelijk, dat een andere knecht, die eene huurkoets voor mijne overvoering naar mijn nieuw verblijf besteld en mijn verhuisboel daarin gepakt had, mij het portier opende met eene zekere manier, den Engelschen bedienden zoo eigen, dat ik, zonder een woord sprekens, zijne meening ten duidelijkste begreep? In één woord, dit afscheid, deze eerbewijzen, deze gedienstig- en oplettendheden ontlastten mij nogmaals van vijf goede Engelsche schellingen; doch, om der waarheid niet te kort te doen, moet ik ronduit verklaren, dat de laatste schelling veel minder in dit eerbetoon deelde, dan zijne vier medgezellen.

Ziedaar mij dan eindelijk in het rijtuig, dat mij van dit verwenschte Keizerlijk Hof verwijderde, terwijl ik bij mij zelven eenen duren eed zwoer, om nooit van mijn leven er eenen voet weder in te zetten. Onder het rijden (de geleerdheid is toch eene heerlijke zaak!) herinnerde ik mij gedurig den wijzen Cato. Telkens, wanneer hij zich in den raad te Rome liet hooren, wat dan ook het onderwerp mogte zijn, waarover gehandeld werd, sloot hij met deze woorden. „Dit is mijn gevoelen, en dat Carthago verdelgd moet worden!”

En zoo zal ik ook, indien immer een mijner landgenooten, naar Londen willende gaan, mij onderrigting komt vragen van hetgeen hij daar te doen of te laten heeft, hem, met het grootste vermaak der wereld, mijne ondervindingen en opmerkingen, welke ik daar gemaakt heb, mededeelen; maar ik zal altijd eindigen met de woorden: „ende en neemt uwen intrek niet in het Keizerlijk Hof van St. Petersburg!”

Pulsuz fraqment bitdi.

Janr və etiketlər

Yaş həddi:
0+
Litresdə buraxılış tarixi:
16 yanvar 2025
Həcm:
190 səh. 1 illustrasiya
ISBN:
4064066402501
Naşir:
Müəllif hüququ sahibi:
Bookwire
Yükləmə formatı:

Oxşar kitablar