Kitabı oxu: «Het Leven der Dieren: De Tandeloozen, De Slurfdieren & De Onevenvingerigen»
Alfred Edmund Brehm
Het Leven der Dieren: De Tandeloozen, De Slurfdieren & De Onevenvingerigen

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066301606
Inhoudsopgave
Achtste Orde.
De Tandeloozen (Edentata) .
Negende Orde.
De Slurfdieren (Proboscidea) .
Tiende Orde.
De Onevenvingerigen (Perissodactyla) .
Achtste Orde.
De Tandeloozen (Edentata).
Inhoudsopgave
De bloeiperiode van deze Zoogdieren-orde is voorbij. In den voortijd leefden in Brazilië Tandeloozen, zoo groot als een Neushoorndier en nog grootere; de kolossaalste, thans nog levende leden der orde hebben hoogstens de afmetingen van een flinken Wolf. Onder de uitgestorven soorten waren er, die een overgang vormden tusschen familiën van hedendaagsche Edentaten, die nu door diepe kloven van elkander gescheiden schijnen. Maar ook aan enkele van de thans nog bestaande soorten zal misschien weldra het lot beschoren zijn om, evenals de vormen der voorwereld, vernietigd te worden: hunne dagen zijn geteld.
Bij de leden dezer diergroep is weinig te bespeuren van overeenstemming, die men bij de vertegenwoordigers van elk der andere Zoogdieren-orden opmerkt. Het belangrijkste kenmerk, dat zij gemeen hebben, en dat hen van de overige Zoogdieren onderscheidt, is de eigenaardige samenstelling van het gebit. Er zijn onder de Tandeloozen wezens, waarop de naam der orde in haar zuiverste beteekenis toepasselijk is, daar bij hen geen spoor van tanden voorkomt; bij de overige, die wel degelijk (en soms zelfs zeer vele) tanden hebben, ontbreken nagenoeg altijd de snijtanden; de tusschenkaaksbeenderen zijn nl. bij alle Edentaten weinig ontwikkeld, en alleen de in deze beenderen voorkomende tanden met die, welke er in de onderkaak aan tegenovergesteld zijn, heeten snijtanden. (Alleen bij de Gordeldieren treft men een paar onbeduidende tandjes in het tusschenkaaksbeen aan.) Echte hoektanden zijn er evenmin; deze naam komt nl. toe aan de tanden, die op den grens van het tusschenkaaksbeen en van het eigenlijke bovenkaaksbeen geplaatst zijn. Nu is wel bij eenige Luiaards de voorste kies zeer dicht bij den voorrand van het bovenkaaksbeen gelegen en door een tusschenruimte van de overige kiezen gescheiden; hij onderscheidt zich echter in geen enkel opzicht van de maaltanden behalve door zijn grootere lengte. De maaltanden of kiezen hebben steeds een eenvoudigen, cilindrischen of prismatischen vorm en zijn door tusschenruimten van elkander gescheiden. Zij zijn wortelloos en bestaan uitsluitend uit tandbeen en cement, zonder eenig email. Slecht bij weinige soorten (Aardvarkens en sommige Gordeldieren) worden zij gewisseld,—gewoonlijk dus maar éénmaal gevormd. Het aantal van deze tanden varieert van de eene familie tot de andere, en verschilt soms zelfs aanmerkelijk bij soorten, die tot eenzelfde groep behooren: eenige hebben slechts 20, andere wel 100 tanden.
De nagels zijn bij deze dieren zeer krachtig, maar eveneens vreemdsoortig ontwikkeld. Zelden zijn de teenen volkomen beweeglijk, altijd echter dragen zij nagels, die het uiteinde van het nagellid geheel omgeven, en zich hierdoor reeds duidelijk onderscheiden van de eigenlijke klauwen, die altijd aan het onderste gedeelte van de holle zijde een spleet vertoonen. Bij sommige zijn zij zeer lang, sterk gekromd en zijdelings samengedrukt, en bewijzen bij ’t klimmen belangrijke diensten, bij andere zijn zij korter, breed, bijna schopvormig en uitmuntend geschikt voor ’t graven en wroeten in den grond.
Door het bespreken van het gebit en van de nagels hebben wij de algemeene kenteekenen van de Edentata uitgeput; want in alle andere opzichten vertoont hun lichaamsbouw een zeer groote menigvuldigheid van verschijnselen. Hun lichaamsbekleeding vooral wisselt af binnen zeer wijde grenzen; deze afwijkingen zijn nagenoeg even groot als bij alle overige Zoogdieren tezamen genomen. Sommige dragen een dichte, zachte vacht, andere een ruig, dor haarkleed; deze zijn met borstels, gene met schubben bedekt; bij eenige is het lichaam gehuld in een uit schilden (door een hoornlaag bedekte beenplaten) samengesteld pantser, zooals bij geen der andere Zoogdieren gevonden wordt.
De Edentaten zijn thans tot drie faunistische rijken beperkt, n.l. tot het Oostersche, het Ethiopische en het Zuid-Amerikaansche. Azië bevat slechts Schubdieren, Afrika bovendien nog Aardvarkens. De Edentaten-fauna van Zuid-Amerika biedt een grootere verscheidenheid van vormen aan; hier vindt men de Luiaards, de Mierenleeuwen en de Gordeldieren. Van de thans levende zoowel als van de uitgestorvene Tandeloozen, valt in overeenstemming met de ongelijkheid van hun lichaamsbouw, ook een zeer belangrijk verschil in levenswijze te vermelden.
In de eerste plaats moet de familie van de Luiaards (Bradypodidae) genoemd worden omdat de weinige, hiertoe behoorende soorten nog het meest van alle Edentaten door hun uiterlijk op de overige Zoogdieren met klauwen gelijken. Naast deze maken zij echter door hun onbehaaglijken lichaamsbouw, hunne stompzinnigheid en traagheid een zeer treurige figuur. Buffon beschouwde ze als “door de natuur stiefmoederlijk bedeelde diervormen, de eenige, die reeds bij de geboorte ware toonbeelden van ellende zijn.”—De voorste ledematen zijn bij hen aanmerkelijk langer dan de achterste, de voeten met kolossale, sikkelvormige klauwen gewapend. De hals is betrekkelijk lang en draagt een ronden, korten kop. Wegens de geringe ontwikkeling der tusschenkaaksbeenderen, de kortheid en breedte der neusbeenderen verkrijgt het aangezicht een zonderling stomp aanzien, waardoor het op dat van een Aap gelijkt; de kleine mondopening wordt door meer of minder harde, weinig beweeglijke lippen begrensd; de oogen zijn klein, de oorschelpen geheel in de vacht verborgen. De staart is een niet of nauwelijks zichtbaar stompje. De haren van het volwassen dier zijn lang en grof als hooi, en hebben een geheel anderen val dan bij de overige dieren; zij zijn n.l. van den buik naar den rug gericht. Bij de in vrijheid levende dieren hebben zij een groenen tint door een Alge (Chroolepus), die er op leeft. Zeer opmerkelijk en geheel afwijkend van ’t geen bij de overige Zoogdieren voorkomt, is de bouw van de wervelkolom. In plaats van 7 halswervels, zooals bij alle andere leden der klasse, vindt men er bij enkele Luiaards 6, bij andere 9, bij uitzondering zelfs 10; het aantal ribbendragende wervels (rugwervels) bedraagt bij den Aï 14, bij den Unau 24. Het gebit bestaat uit 5 cilindervormige maaltanden in elke helft van de bovenkaak; in de onderkaak zijn er bij Choloepus vier, bij Bradypus vijf; de voorste van elke reeks is bij Choloepus grooter dan de volgende en hoektandvormig; bij Bradypus is hij daarentegen kleiner dan de overige.
Het verbreidingsgebied van de Luiaard is tot Zuid-Amerika beperkt. De groote wouden in de vochtige vlakten van dit vasteland, waar de plantenwereld het toppunt van ontwikkeling bereikt, verschaffen woonplaatsen aan deze merkwaardige wezens. Hoe wilder, donkerder en schaduwrijker het woud is, hoe ondoordringbaarder de wildernis, des te geschikter schijnen deze plaatsen voor het leven van de genoemde dieren, die, daar zij tegen andere dieren niet opgewassen zijn, op een minder goed beschutte woonplaats reeds voor lang het onderspit gedolven zouden hebben.
*
De tweeteenige Luiaards (Choloepus) houd ik voor de hoogst ontwikkelde. Zij zijn te herkennen aan den tamelijk grooten kop met vlak voorhoofd en stompen snuit, den betrekkelijk korten hals, den slanken romp (die geen uitwendig waarneembaren staart draagt), de lange, schrale ledematen (de voorste zijn met 2, de achterste met 3 zijdelings samengedrukte, sikkelvormige klauwen gewapend), het sluike, zachte haar zonder wolhaar, het gebit en het gering aantal halswervels.
De Unau (Choloepus didactylus) bewoont Suriname en andere deelen van Guyana; hij kan ongeveer 70 cM. lang worden. Het lange haar, dat aan den kop naar achteren, aan den borst en den buik echter naar den rug gestreken is en hier een kruin vormt, is in het aangezicht, aan den schedel en in den nek witachtig olijfgroen-grijs, aan den romp olijfgrijs, op den rug donkerder dan aan de onderzijde, aan de borst op de voorpooten en schouders en op de onderbeenen olijfbruin; de onbehaarde lichaamsdeelen (de snuit en de zolen van voor- en achtervoeten) zijn vleeskleurig (de snuit met bruinachtigen tint); de klauwen zijn blauwachtig grijs.
*
In het tweede geslacht vereenigt men de Drieteenige Luiaards (Bradypus). Zij zijn gedrongen gebouwd, hebben een kleinen kop met scheef afgeknotten snuit en kleine, door harde lippen begrensde mondopening, een zeer langen hals, een duidelijk waarneembaren, zijdelings afgeplatten staart en tamelijk korte, krachtige ledematen; zoowel de voorvoeten als de achtervoeten zijn met drie zeer sterk zijdelings samengedrukte, sikkelvormige klauwen voorzien. Het haar vertoont op den kop een scheiding, van waar het naar onderen afhangt, overigens is het echter, evenals bij de dieren van het vorige geslacht, van de buikzijde naar de rugzijde gericht; de zolen zijn bijna geheel behaard.
De Aï (Bradypus tridactylus, B. pallidus) is een bewoner van Brazilië; hij bereikt een lengte van 52 cM., met inbegrip van den 4 cM. langen staart. De vacht bestaat uit fijne, korte, dicht bijeengeplaatste wolharen, waaraan men de drie overlangsche strepen van de rugzijde van den romp het best kan waarnemen, en uit lange, droge, harde, eenigszins gladde, op hooi gelijkende bovenharen. De vacht is bleek roodachtig aschgrauw op de bovendeelen, zilvergrijs op den buik; de klauwen zijn geelachtig of bruinachtig geel.
De Luiaards zijn echte boomdieren, evenals de Apen en de Eekhoorntjes. Deze gelukkige wezens bewegen zich echter naar welgevallen in de kronen der boomen, terwijl gene met moeite, als ’t ware kruipend, van den eenen tak op den anderen overgaan. Wat door de vlugge en overmoedige beheerschers der wouden een pleizierwandeling wordt geacht, is in de oogen van den Luiaard een lange, bezwaarlijke reis. Hoogstens tot een uit weinige leden bestaand gezelschap vereenigd, leiden deze trage dieren een eentonig leven, waarin zij langzaam van den eenen boom naar den anderen trekken. Vergeleken met hunne bewegingen op den grond, is hun behendigheid in ’t klimmen zeer opmerkelijk. Hunne lange armen veroorloven hen ver afgelegen takken te grijpen, terwijl hunne kolossale klauwen hen in staat stellen zich zonder moeite vast te houden. Hun wijze van klimmen is geheel anders dan die van alle overige boombewoners, want bij hen is het regel, wat bij deze als uitzondering voorkomt. Terwijl zij den romp naar onderen laten afhangen, reiken zij met hunne lange armen opwaarts naar de takken, haken zich hieraan vast met hunne klauwen en schuiven zich op hun gemak voort van twijg tot twijg, van tak tot tak. Zij schijnen echter trager, dan zij werkelijk zijn. Als nachtdieren brengen zij wel is waar den geheelen dag door zonder zich te bewegen; reeds in de schemering echter worden zij wakker en ’s nachts zwerven zij rond, wel is waar langzaam, maar toch niet lui, door een grooter of kleiner gebied al naar dit tot bevrediging van hunne behoeften noodig is. Zij voeden zich uitsluitend met knoppen, jonge loten en vruchten en vinden in den overvloedigen dauw, dien zij van de bladen aflekken, een voldoende vergoeding voor het hun ontbrekende water. Ook bij het zoeken en opnemen van het voedsel toonen zij een onmiskenbare traagheid: zij zijn sober, niet veeleischend en geschikt om dagen achtereen, volgens sommigen zelfs weken lang, honger en dorst te lijden, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Zij verlaten een boom niet, zoolang deze hun nog voedsel kan verschaffen; eerst wanneer de voorraad eetbare bestanddeelen schaarsch wordt, denken zij er aan een anderen boom op te zoeken; met dit doel gaan zij langzaam tusschen de takken naar beneden, zoeken een plaats uit, waar de takken van de naburige boomen tusschen die van den door hen bewoonden boom doordringen en bereiken langs dezen hoog boven den grond gelegen brug het einddoel van den tocht.

Aï (Bradypus tridactylus). ¼ v.d. ware grootte.
Op den bodem zijn deze tot levenslange gevangenschap op de boomen gedoemde wezens niet thuis. Hun gang, of liever het hiervoor in de plaats tredende, gebrekkig voortzeulen van het lichaam over den grond, is van dien aard, dat het medelijden van den toeschouwer er door gewekt wordt. Evenals de langzame Landschildpad tracht de plompe Luiaard zijn lichaam te verplaatsen. Met ver zijwaarts gestrekte ledematen, op de ellebogen steunend, met de pooten één voor één behoedzaam een cirkelboog beschrijvend, schuift hij telkens een klein stukje verder; de buik sleept intusschen bijna over den grond; kop en hals worden voortdurend op loome wijze naar links en rechts bewogen, alsof zij het zoo buitengewoon onbeholpen dier in evenwicht moeten houden. Men zou na zulk een schouwspel niet kunnen gelooven, dat dit zoo ellendig voorthompelend wezen in staat zal zijn om zich uit het water te redden, wanneer het er bij ongeluk in valt. Toch zwemt de Luiaard tamelijk goed; hij beweegt zich in ’t water vlugger zelfs dan in de boomen, houdt den kop hoog boven den waterspiegel, doorklieft de golven met vrij groot gemak en komt werkelijk weer op den vasten wal terug. Bates en Wallace zagen een Luiaard een rivier overzwemmen op een plaats waar deze 300 M. breed was. Hieruit blijkt, dat de naam Luiaard, hoe goed hij overigens ook gekozen moge zijn, eigenlijk alleen in den gang van dit dier zijn volkomen rechtvaardiging vindt; want op de boomen maakt hij niet den indruk van zóó traag te zijn, als men vroeger, verleid door de overdreven voorstellingen van de eerste beschrijvers van dit dier, meende te moeten aannemen. Opmerkelijk is de verbazingwekkende zekerheid, waarmede alle klimbewegingen plaats hebben. De Luiaard is in staat om zich met den eenen voet vast te haken aan een hooger gelegen tak en zich dan onbezorgd er aan te laten hangen; niet slechts wordt dan het volle gewicht van het lichaam door één poot gedragen, maar ook wordt dit door dezen poot opgetrokken tot aan den tot steun dienenden tak.
Het kost zeer veel moeite een Luiaard, die zich aan een tak heeft vastgeklemd, er van los te maken. De Luiaard slaapt en rust ongeveer in dezelfde houding als die, welke hij gedurende zijne werkzaamheden aanneemt. De vier pooten worden dicht bij elkander geplaatst; de romp wordt bijna tot een bol ineengekromd; de naar de borst gebogen kop rust of steunt niet op dit lichaamsdeel. In deze houding hangt het dier den geheelen, langen dag, steeds op dezelfde plaats, zonder moede te worden. Even ongevoelig als het voor honger en dorst schijnt te zijn, even gevoelig toont het zich voor vocht en hierdoor veroorzaakte afkoeling. In het regenseizoen hangt het dikwijls dagen achtereen treurig en ellendig op een en dezelfde plaats; stellig in de hoogste mate ontstemd over het naar beneden stroomende water.
Niet dan hoogst zelden, gewoonlijk alleen des avonds, of als de morgen aanbreekt, of ook, wanneer het zich niet veilig acht, verneemt men de stem van den Luiaard. Zij is niet luid, en bestaat uit een klagende, lang voortgezetten, fijnen, korten en snijdenden toon, die door sommigen nagebootst wordt, door een veelvuldige herhaling van den klank “i”. Een van de onderzoekers uit lateren tijd maakt melding van een geschreeuw, dat uit twee opeenvolgende klanken, of zelfs uit een klimmend en dalend accoord zou bestaan. Over dag hoort men van den Luiaard hoogstens diepe zuchten; op den grond schreeuwt hij niet, zelfs niet, wanneer hij geplaagd wordt.
Uit het bovenstaande valt af te leiden, dat de zinnen van de Luiaards geen hoogen graad van volkomenheid zullen bezitten. Zelfs schijnt het, dat zij alle even stomp zijn. Zeer weinig ontwikkeld zijn ook de geestvermogens. Deze dieren geven weinig blijken van verstand, maar toonen veeleer stompzinnigheid, domheid en onverschilligheid. Men noemt ze goedaardig en wil hiermede aanduiden, dat zij over ’t algemeen voor geen aandoeningen van den geest geschikt zijn. Volgens de berichten van de reizigers, komen bij hen geen ware hartstochten voor; zij gevoelen geen vrees, maar hebben ook geen moed, schijnen geen vreugde te kennen, maar ook niet voor treurigheid vatbaar te zijn. Deze berichten berusten volgens mijne ervaringen op geen goede gronden. Zoo laag als de meeste natuuronderzoekers ons deze dieren voorstellen, staan zij niet. Gewoonlijk wordt bij hun beoordeeling uit het oog verloren, dat zij nachtdieren zijn, welker geestvermogens men niet naar behooren kan leeren kennen, door ze alleen over dag na te gaan. De naam Luiaard is in zijn letterlijke beteekenis alleen geldig voor het slapende dier; wanneer het wakker geworden is en zijne bezigheden verricht, beweegt het zich in een engen kring, maar beheerscht dezen op voldoende wijze.
De Luiaard brengt slechts één jong ter wereld, dat bij de geboorte een volledig haarkleed, en zelfs tamelijk goed ontwikkelde teenen en klauwen bezit; het klemt zich dadelijk met de klauwen aan de lange haren van de moeder vast, en omstrengelt met de armen haren hals. Het wijfje voert haar jong altijd op deze wijze met zich mede. In den beginne schijnt zij er veel genegenheid voor te gevoelen; haar moederliefde bekoelt echter spoedig; ternauwernood getroost zij zich de moeite haar kind te zoogen en te reinigen, of andere moederzorgen op zich te nemen.
De traagheid en stompzinnigheid der Luiaards blijkt ook, wanneer zij mishandeld of gewond worden. Het is een bekend feit, dat de laagst ontwikkelde dieren naar verhouding het best bestand zijn tegen mishandelingen, verwondingen en smarten; bij de Luiaards vindt men een bevestiging van deze stelling. Blijkbaar hebben zij een zeer taai leven. Zij verdragen zware kwetsuren met de onverschilligheid van een lijk. Dikwijls nemen zij niet eens een andere houding aan, na door een flink schot hagel getroffen te zijn. Volgens Schomburgk blijft de werking van het vreeselijke curare-gif der Indianen bij hen langer uit, dan bij eenig ander dier.
Vele vijanden hebben deze weerlooze schepsels niet. Door hun leven in de boomen hebben zij weinig te lijden van de gevaarlijkste der dieren die hen bedreigen, n.l. van de Zoogdieren. Hierbij komt, dat hun vacht over ’t algemeen in kleur overeenstemt met de takken, waaraan zij onbeweeglijk hangen, als vruchten aan een boom, zoodat voor het ontdekken van een slapenden Luiaard het geoefend oog van een Indiaan vereischt wordt. Bovendien zijn deze dieren niet zoo volkomen weerloos, als men aanvankelijk zou kunnen vermoeden. Ervaringen hierover kan men, daar zij in den boom natuurlijk moeielijk te genaken zijn, alleen opdoen bij Luiaards, die op den grond aangetroffen en aangevallen worden; zij keeren dan spoedig hun buikzijde omhoog, en grijpen den vijand met de klauwen aan; hunne ledematen, vooral de voorste, zijn zeer gespierd. Zelfs een sterke man heeft moeite om zich los te maken uit een omhelzing van dit dier, of om het los te rukken van den boomtak, waaraan het zich heeft vastgeklemd; deze bewerking gelukt trouwens in ’t geheel niet, wanneer men niet den eenen voet na den anderen loshaakt en daarna vasthoudt.
Over het leven van den Luiaard in de gevangenschap was tot voor weinige jaren niet veel bekend. Buffon verhaalt, dat de Markies de Montmirail te Amsterdam een Luiaard kocht, die men tot aan dien tijd gedurende den zomer met malsche bladeren en gedurende den winter met scheepsbeschuit gevoed had. De Markies behield dit dier drie jaren lang in ’t leven en voedde het met brood, appels en wortels, welke het met de klauwen van de voorvoeten aanvatte en naar den mond bracht. Tegen den avond werd het dier wakker, zonder ooit eenige bewijzen van hartstochtelijkheid te geven en zonder ooit te toonen, dat het zijn verzorger had leeren kennen.
Bij een rondreis door de dierentuinen van Engeland, Frankrijk, Holland, België en de Rijnlanden was ik te Amsterdam voor ’t eerst in de gelegenheid, aan een levenden Luiaard waarnemingen te doen. De talrijke bezienswaardigheden van dezen dierentuin veroorloofden mij tot mijn spijt niet, langer dan een paar uren bij het hok van het merkwaardige dier te blijven. Maar reeds dit korte bezoek was voldoende om mij te leeren, dat de tot dusver gegeven beschrijvingen grootendeels zeer overdreven zijn. Later heb ik zelf verscheidene Luiaards gehad en bij hen mijne waarnemingen aangevuld. Ik wil niet zoo koen zijn te beweren, dat deze ook over de levenswijze van het dier in de vrije natuur onze denkbeelden kunnen wijzigen; toch kan ik verzekeren, dat de Luiaards volstrekt geen treurige, vervelende schepsels, maar integendeel zeer aantrekkelijk zijn, in alle opzichten waardig om in een dierenverzameling opgenomen te worden.
Kees, zoo heette de Luiaard van den Amsterdamschen dierentuin, bewoonde zijn hok reeds sedert negen jaren; hieruit blijkt, dat hij minstens even goed als andere dieren bestand is tegen de verandering van levenswijze, die met het verlies van de vrijheid gepaard gaat. Het door hem bewoonde hok was in ’t midden met een houten stellage voorzien, om het dier gelegenheid tot klimmen te geven; de vloer was met een dikke laag hooi bedekt, de zijden waren door dikke glazen platen gesloten, van boven was het hok alleen met traliewerk bedekt. Op soortgelijke wijze heb ook ik de woningen van mijne gevangenen ingericht.
Als men over dag een bezoek brengt aan het dier, ziet men in dezen glazen kast niets anders dan een bal, die veel op een hoop droog rietgras gelijkt. Deze bal schijnt vormloos, omdat men van de ledematen van den Luiaard eigenlijk zoo goed als niets zien kan. Bij nauwkeuriger onderzoek blijkt het, dat dit de houding is, die hij gewoonlijk bij ’t rusten en slapen aanneemt. De kop is teruggebogen naar de borst, zoodat de spits van den snuit op het onderste deel van den buik rust, en wordt door de pooten geheel bedekt. De ledematen liggen nl. dicht op elkander, de eene poot altijd afwisselend met den anderen, en zijn zóó overkruis gevouwen, dat men er niet tusschen door kan zien. In den regel zijn de klauwen van één of twee voeten om een stok van de stellage geslagen; niet zelden echter vat de Luiaard met de klauwen van den eenen voet de bovenarm of het bovenbeen van een anderen poot en slingert dus deze lichaamsdeelen op een vreemdsoortige wijze door elkander heen. Van den kop is op deze wijze niets te zien, men kan niet eens onderscheiden, waar de romp in den hals en deze in den kop overgaat: kortom, men ziet niets anders dan een harigen bal, en moet al zeer goed toekijken om op te merken, dat deze bal zich langzaam op en neer beweegt. De bal is volkomen onverschillig voor alle pogingen, die de toeschouwers aanwenden om door kloppen, roepen en snelle bewegingen met de handen de aandacht van het dier te trekken; door geen beweging verraadt het zijn leven; gewoonlijk gaan de omstanders ontevreden weg, nadat zij verbijsterd den naam van het dier gelezen en eenige niet bijzonder vleiende opmerkingen over het “leelijke beest” gemaakt hebben.
Er komt echter zeer spoedig leven en beweging in den haarbal, als men het goed aanlegt; want de Luiaard is volstrekt niet zoo stompzinnig, als wel beweerd wordt, maar een ordentlijke, brave gast, die op goede behandeling aanspraak maakt. Zoodra zijn oppasser bij het hok komt en hem roept, heeft er een verandering van tooneel plaats. Bedachtzaam, of, laat ik liever zeggen, langzaam en op een eenigszins houterige wijze, ontwikkelt de bal zich tot een dier, dat, moge het al niet op een schoone gestalte bogen, toch volstrekt geen wangedrocht is, zooals wel eens beweerd werd, geen wezen zonder begrip en waarnemingsvermogen. Langzaam en gelijkmatig steekt de Luiaard een van zijne lange pooten uit en klemt de scherpe klauwen om een van de dwarsstangen van de stellage, Het is hem daarbij volkomen onverschillig, of hij het eerst een achterpoot dan wel een voorpoot uitsteekt, ook of de klauwen aangehaakt worden in den stand, dien zij gewoonlijk ten opzichte van den arm hebben, dan wel, in dien, welken zij na het omdraaien van den arm verkrijgen; al zijn ledematen gelijken op kabels, die geen gewricht hebben, maar overal beweeglijk zijn. In allen gevalle is de beweging van de ellepijp ten opzichte van het spaakbeen zoo volkomen, dat misschien geen enkel dier te dezen aanzien den Luiaard overtreft of nabij komt. Hij kan zich met alle vier pooten zóó vast haken, dat de klauwen van iederen poot een andere richting hebben dan die van den anderen. Die van één achtervoet zijn b.v. naar buiten, die van één voorvoet naar binnen, die van den anderen voorvoet naar voren en die van den laatsten achtervoet naar achteren omgeslagen; welke combinaties van houdingen men ook bedenkt, bij den Luiaard komen zij alle voor. Hij kan zijne ledematen geheel om hun as doen draaien, zooals een geoefende acrobaat, en het blijkt duidelijk, dat dit hem in ’t geheel geen moeite kost. Hij haakt zich met de klauwen vast, zooals hem dit het best uitkomt, en kan ook, eens vastgehecht zijnde, zich geheel en al omdraaien, zonder in den stand der om de steunsels geklemde klauwen eenige verandering te brengen. Of de kop nu laag of hoog hangt, is hem eveneens onverschillig; hij grijpt even dikwijls met de achterpooten naar boven, als met de voorpooten naar onderen, hangt aan den rechter voorpoot of aan den linker achterpoot of omgekeerd, strekt zich dikwijls op zijn gemak uit, door zich met de achterklauwen vast te haken en den rug ergens op te laten rusten, zooals een luie Hond pleegt te doen. In deze houdingen, die steeds het bewijs zijn, dat de gemoedsrust van het dier niets te wenschen overlaat, krabt het zich vaak met een der niet vastgehaakte ledematen op alle deelen van zijn lichaam, ten deele door den poot er geheel om heen te slingeren. Het kan lichaamsdeelen bereiken, die voor een ander Zoogdier ontoegankelijk zijn zouden, kortom het geeft bewijzen van een werkelijk verrassende lenigheid. Wanneer de Luiaard zoo aan ’t luieren is, doet hij de oogen bij afwisseling open en dicht, gaapt, steekt de tong uit en opent daarbij den stompen snuit zoover mogelijk. Steekt men hem nu door het traliewerk, dat het hok van boven bedekt, iets lekkers toe, b.v. een klontje suiker, dan klautert hij tamelijk vlug naar boven om de lekkernij in ontvangst te nemen, snuffelt bij den wand langs en opent den bek zoover mogelijk, alsof hij vragen wilde, hem het stukje suiker maar dadelijk in den mond te laten vallen. Daarna vreet hij het smakkend met gesloten oogen op en geeft duidelijk te kennen, dat hij de zoetigheid lekker vindt.
Den vreemdsoortigsten indruk maakt de Luiaard, als men hem vlak van voren ziet. De kopharen zijn in ’t midden gescheiden, en hangen aan weerszijden van de scheiding naar beneden, waardoor de kop een uilachtig voorkomen verkrijgt. De kleine oogen zien er onnoozel uit, omdat de pupil nauwelijks de grootte van een speldeknop heeft en het oog dus geen uitdrukking bezit. Bij den eersten aanblik zou men kunnen meenen, dat het dier blind moet zijn. De lippen zijn steeds vochtig, alsof zij met vet bestreken zijn. Zij zijn bij den Unau niet zoo onbeweeglijk, als wel eens gezegd is, ook volstrekt niet hoornachtig, zooals soms beweerd werd, ofschoon zij vermoedelijk niet zoo buigzaam zijn als bij andere Zoogdieren; zij zijn trouwens bij het vreten tamelijk overbodig, want de beweging van de spitse tong vervangt de werkzaamheid van de lippen. De tong herinnert aan die van andere Tandeloozen, vooral van den Mierenleeuw. De Luiaard kan haar ver uitsteken en bijna als een hand gebruiken.
De Luiaard van den Amsterdamschen dierentuin werd met verschillende plantaardige stoffen gevoederd; gekookte rijst en wortels waren echter zijne gewone spijzen. De rijst gaf men hem op een bord, de wortels werden ergens op het hooi neergelegd. Gewoonlijk werd Kees vóór den maaltijd geroepen. Hij had dien tijd goed onthouden en richtte zich dadelijk op, zoodra hij zijn naam hoorde. In ’t eerst taste hij zeer onhandig en plomp met de lange armen in ’t rond; zoodra hij echter eens een wortel gegrepen had, verkregen zijne bewegingen dadelijk meer vastheid. Hij trok den wortel naar zich toe, vatte hem eerst met den mond, daarna met de beide pooten, of liever met de klauwen, aan, klemde hem er tusschen en beet nu, terwijl hij den wortel steeds verder in den bek schoof, betrekkelijk zeer groote stukken er van af; hij lekte zich intusschen voortdurend de lippen schoon en deed dit ook met den wortel, die hij nu eens aan de eene dan weer aan de andere zijde in den mond stak. Aan een bordje rijst en drie wortels per dag heeft hij genoeg.
De stompzinnige onverschilligheid, waarvan de reizigers melding maken, kan, althans bij den Unau, plaats maken voor een duidelijk merkbare opgewondenheid. Zoo goed als de Luiaard vriendschap toont voor zijn verzorger, zoo goed onderscheidt hij hem van andere personen; hun toont hij soms de tanden, of bedreigt ze met de klauwen, terwijl hij zich zonder weerstand te bieden van zijn oppasser elke aanraking en behandeling laat welgevallen. Nog onvriendelijker gedraagt de Tweeteenige Luiaard zich tegenover andere wezens. Mijn plan om den Unau en den Aï in een en hetzelfde hok te laten wonen, werd door den eerstgenoemden, den oudsten bewoner van het hok, verijdeld; de poging om de beide verwanten bij elkander te brengen moest onmiddellijk opgegeven worden. Al de luiheid, die hem toegeschreven wordt, geheel verloochenend, viel de Unau, zoodra hij zijn stamgenoot zag, dezen onmiddellijk aan, gaf hem eerst eenige goed gemikte slagen met een zijner krachtige pooten, en pakte hem vervolgens zoo woedend met de tanden aan, dat de oppasser de beide dieren zoo schielijk mogelijk van elkander scheiden moest, en den Aï, den onschuldigsten van de twee, in veiligheid moest brengen: hetgeen niet kon geschieden, voordat deze van den vertoornden Unau eenige slagen met de klauwen had ontvangen.