Kitabı oxu: «Het Leven der Dieren: De Weekdieren»
Alfred Edmund Brehm
Het Leven der Dieren: De Weekdieren

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066404369
Inhoudsopgave
DE WEEKDIEREN (Mollusca) .
EERSTE KLASSE.
DE KOPPOOTIGEN (Cephalopoda) .
EERSTE ORDE.
DE TWEEKIEUWIGEN (Dibranchiata) .
TWEEDE ORDE.
DE VIERKIEUWIGEN (Tetrabranchiata) .
TWEEDE KLASSE.
DE BUIKPOOTIGEN (Gastropoda) .
EERSTE ORDE.
DE VINPOOTIGEN (Pteropoda) .
TWEEDE ORDE.
DE ACHTERKIEUWIGEN (Opisthobranchia) .
DERDE ORDE.
DE LONGSLAKKEN (Pulmonata) .
VIERDE ORDE.
DE KIELSLAKKEN (Heteropoda) .
VIJFDE ORDE.
DE VOORKIEUWIGEN (Prosobranchia) .
ZESDE ORDE.
DE KEVERSLAKKEN (Cnemidophora) .
DERDE KLASSE.
DE GRAAFVOETIGEN (Scaphopoda) .
VIERDE KLASSE.
DE PLAATKIEUWIGEN (Lamellibranchiata) .
EERSTE ORDE.
DE ASIPHONIDEN (Asiphonida) .
TWEEDE ORDE.
DE PLAATKIEUWIGEN MET MANTELBUIZEN (Siphonida) .
DE WEEKDIEREN (Mollusca).
Inhoudsopgave
Voor een nadere kennismaking met de Weekdieren zijn wij allen reeds eenigermate voorbereid door vroegere ervaringen. Een der eerste verkenningen op dit terrein heeft ons geleid tot het besef, dat een Slak en een Mossel nagenoeg in dezelfde richting afwijken van de Gewervelde en de Gelede Dieren; deze overtuiging hebben wij uitgesproken door aan beide den naam van „Weekdieren” te geven. Tot het erkennen van de noodzakelijkheid om deze dieren samen te voegen zijn wij gekomen, hoewel wij aan de Slak een kop met voelers en oogen opmerkten en deze bij de Mossel te vergeefs hebben gezocht. Ook over het verschil tusschen de Mosselschelp en het Slakkenhuis zijn wij heengestapt; zelfs aarzelden wij niet de naakte Kelderslak en de Huisjesslak als nauw verwante vormen te beschouwen en (met de Mossel) door één naam aan te duiden. Dat deze en vele andere dieren werkelijk een in ’t oogvallend karakter dragen, bleek duidelijk bij een bezoek aan het zeestrand en aan een visschersplaats: de talrijke vormen, die wij hier voor ’t eerst aanschouwden, werden, ondanks hun verscheidenheid, in den regel als Weekdieren herkend, niet met Gewervelde of met Gelede Dieren, meestal zelfs niet met Wormen verward. Deze karaktertrekken moeten wij nu trachten op te sporen.
Hoewel men aan vele Weekdieren een kop en een romp kan onderscheiden, maakt toch hun lichaam algemeen den indruk van plomper, onbehouwener te zijn dan dat der vroeger behandelde dieren; het vertoont geen spoor van de geleding, die bij de Arthropoden zoo duidelijk op den voorgrond treedt en die ook den geheelen lichaamsbouw der Gewervelde Dieren beheerscht. De niet aan veranderingen onderhevige vorm, dien de Gewervelde Dieren aan hun inwendig geraamte, de Gelede Dieren aan het harde bekleedsel van de huid danken, wordt bij de Weekdieren gemist. De eenvoudiger gebouwde Wormen vormen den overgang. De tegenwerping, dat de schelp den vorm van de Mossel, het huisje dien van de Slak bepaalt, zal bij nader onderzoek ongegrond blijken, daar de beide huisjes eigenlijk niet veel van „huisjes”, van woningen, verschillen. Zij zijn wel is waar gevormd door het lichaam, maar hangen er zoo los mede samen, dat zij in geen vergelijking kunnen komen met het inwendig of uitwendig skelet. Deze zijn in den volsten zin van het woord deelen van het organisme. De beenderen nemen deel aan de stofwisseling: zij worden aanhoudend gevoed en vernieuwd. De Kever kan niet verwijderd worden uit zijn huidskelet; als het pantser van den Kreeft niet meer door levende deelen met het dier verbonden is, valt het af om door een nieuw pantser vervangen te worden. Deze innige samenhang bestaat niet tusschen het Weekdier en zijn „huis”; de schelp is een uitscheidingsproduct, dat wel is waar dikker wordt door aanvoeging van nieuwe lagen, een grootere uitgebreidheid verkrijgt door toevoeging van bestanddeelen aan de vrije randen en ook zelfs, als het beschadigd is, een gebrekkige reparatie ondergaat, maar slechts in een enkel punt, of op een gering aantal plaatsen, werkelijk met het dier in verband staat, en niet aan de stofwisseling deelneemt, kortom een doode massa is. Een Slak kan men uit zijn huisje lichten na het doorsnijden van eene spier, die haar er mede verbindt, welke operatie, op zichzelf beschouwd, het leven van het dier niet in gevaar brengt. De eenige deelen van een Weekdier, die bij oppervlakkige beschouwing, eenigszins op een skelet gelijken, zijn binnen in de huid gelegen; hoewel zij door haar ligging aan beenderen herinneren, stemmen ook deze inwendig afgescheiden hoorn- en kalkplaten in werkelijkheid met de uitwendige schelp overeen.
Om met de karakteristieke eigenschappen van de Weekdieren in ’t algemeen bekend te worden, moeten wij ons wenden tot die, welke geen schelp hebben, en aan de overige hun schelp ontnemen. Zij vertoonen zich dan als ongelede dieren met een dikwijls zeer plomp voorkomen; bovendien maakt de symmetrie, die aanvankelijk bij allen valt waar te nemen, op lateren leeftijd bij velen plaats voor een asymmetrischen lichaamsbouw. De huid is glibberig en week, bij alle vormen uitgegroeid tot lobben en mantelachtige plooien, die het lichaam geheel of ten deele bedekken. Van deze belangrijke eigenaardigheid der Weekdieren kan men zich gemakkelijk door aanschouwing overtuigen. Als een Slak in haar huisje kruipt, ziet men, terwijl de kop teruggetrokken wordt, dezen zich bedekken met een dikke huidplooi, die een stuk van den mantel is. Na ’t wegnemen van een Mossel uit de schelp, ziet men haar lichaam aan weerszijden geheel bedekt met een groote, vliezige huidplooi: dit zijn de beide mantelhelften. De schelp wordt door den mantel gevormd, vooral door zijne vrije randen.
Wanneer men bedenkt, dat de hoogst ontwikkelde Weekdieren niet zelden een lengte bereiken van 1 en zelfs van 2 M. (terwijl sommige reuzen onder hen meer dan 6 M. lang worden), met zintuigen zijn uitgerust, welke bijna met die der hoogere Gewervelde Dieren kunnen wedijveren, en een spierkracht toonen, die aan hun grootte geëvenredigd is,—wanneer men tevens in ’t oog houdt, dat dezelfde hoofdafdeeling ook microscopische vormen bevat, waarvan sommige aan Trilwormen herinneren,—zal men inzien, dat er van een algemeene beschrijving van den bouw, de levenswijze en de woonplaats dezer dieren geen sprake kan zijn.—Het voornaamste centrale deel van hun zenuwstelsel bestaat uit een slokdarmring, waarmede de overige door het lichaam verspreide zenuwen en zenuwknoopen samenhangen. Het bezit van zintuigen hangt af van den trap van ontwikkeling, dien het lichaam in ’t algemeen bereikt, voorts van de verblijfplaats en de levenswijze. De spijsverteringsorganen zijn bij alle Weekdieren zeer volkomen; voor de ademhaling bezitten de meeste kieuwen, die dan steeds een aanzienlijke uitgebreidheid hebben.
De liefhebbers van merkwaardigheden hebben reeds sinds eeuwen met grooten ijver Slakkenhuizen en Mosselschelpen verzameld en zich verlustigd aan de bonte kleuren en de groote verscheidenheid van liefelijke en grillige vormen dezer voorwerpen. Hoewel het volstrekt niet onze bedoeling is, het genoegen, dat een fraaie collectie conchyliën den eigenaar verschaft, te verminderen, moeten wij echter doen opmerken, dat zulk een verzameling een even onbevredigenden indruk achterlaat als b.v. een sorteering van hoeven en klauwen. De invloed van de schelp op het leven van het Weekdier is nog veel geringer dan die van de hoeven en klauwen op het bestaan der Zoogdieren. Van overwegend belang is dus de studie der inwendige organen.
EERSTE KLASSE.
DE KOPPOOTIGEN (Cephalopoda).
Inhoudsopgave
Van den lichaamsbouw der Koppootigen zullen wij den lezer een denkbeeld trachten te geven door de bespreking van den Dwerginktvisch (Sepiola Rondeleti). Talrijke exemplaren van deze kleine soort worden den bezoeker van de vischmarkten in Italië te koop geboden en door den verkooper wegens hun fijnen smaak ten zeerste geroemd. Den kop kan men zeer duidelijk van den romp onderscheiden. Kringsgewijs om den mond geplaatste armen doen dienst als grijp- en bewegingsorganen. De romp bestaat uit een ingewandenzak, omhuld door een mantel, die aan de rugzijde vastzit en samenhangt met de huid, die den kop bedekt, maar aan de buikzijde een holte overlaat, waarin de kieuwen voorkomen. Naar het aantal van deze ademhalingsorganen onderscheidt men de Koppootigen in Tweekieuwigen (b.v. Sepiola) en Vierkieuwigen (Nautilus). Aan de buikzijde ziet men in de afbeelding, boven de hier van voren geopende mantelholte het nauwste uiteinde uitsteken van den zoogenaamden trechter; de veel wijdere, achterste opening is onder den mantel verborgen. De zeer taaie, sterk gespierde en rekbare armen kunnen zich in alle richtingen bewegen, zoodat hunne kronkelingen niet zelden aan die van Slangen herinneren. Bij alle hedendaagsche Koppootigen (met uitzondering van Nautilus) bedraagt hun aantal 8 of 10 en zijn zij bezet met zuignappen, die bij het grijpen van den buit en bij het kruipen een belangrijke rol spelen. Bij de Tienarmigen rusten de zuignappen op een korten, gespierden steel en hebben in den rand een kraakbeenigen ring. Door het hierbinnen aanwezige spierkussen een weinig terug te trekken, hecht het dier zich vast aan de oppervlakte, waartegen de rand van den zuignap wordt aangedrukt. De verbinding is zoo stevig, dat een gezond dier dikwijls niet zonder verscheuring van enkele zuignappen losgerukt kan worden, en dat het, eerder dan het gegrepen voorwerp, den geheelen arm in den steek laat, wanneer deze door de gelijktijdige werking van verscheidene zuignappen bevestigd is. Bij vele soorten is de rand der zuignappen van haakvormige doorntjes voorzien. De armen zijn volkomen symmetrisch geplaatst en worden daarom van den rug te beginnen, bij paren geteld. Daar men de „grijparmen” der Tienarmige Koppootigen buiten rekening laat, zijn de armen van het 4e paar die, welke naast elkander aan de buikzijde liggen. De huid, die de armen bij hun oorsprong (en bij eenige soorten zelfs tot aan den top) verbindt, schijnt vooral bestemd om een aan alle zijden gesloten holte te vormen, waarin de buit, die met de armen gegrepen werd, geheel weerloos aan de werking van de kaken en tanden is blootgesteld. Na het buitenwaarts ombuigen van de armen ziet men, te midden van den door hen gevormden kring, de mondopening en de kringvormige lippen, die haar omgeven, bovendien 2 zwartbruine, hoornachtige kaken, die gezamenlijk aan den snavel van een Papegaai herinneren, hoewel bij ’t sluiten van den bek de bovenkaak door de onderkaak omgeven wordt. Een verhevenheid op den bodem van de mondholte heet tong en is bedekt met een wrijfplaat (radula), die uit verscheidene dwarsrijen van 7 à 13 spitse tandjes bestaat.

Dwerginktvisch (Sepiola Rondeleti): a) rugzijde, b) buikzijde. Zeer groot exemplaar. Ware grootte.
Aan weerszijden van den kop puilen de bijzonder groote, goed ontwikkelde, glinsterende oogen uit, ieder beschut door een napvormig zijstuk van het kopkraakbeen, dat de centrale deelen van het zenuwstelsel omhult en tevens in afzonderlijke holten de beide gehoororganen bevat.
De beide platte, afgeronde aanhangsels aan de zijden van den romp van Sepiola heeten vinnen, dienen voor het zwemmen en kunnen ook den stand van het lichaam en zijn bewegingsrichting wijzigen. Deze huidplooien ontbreken bij eenige geslachten en zijn bij de overige verschillend van vorm en grootte.
Van den trechter maakt het dier een zeer belangrijk gebruik. Door den vrijen rand van den mantel van den ingewandenzak te verwijderen, wordt de mantelholte gevuld met het water, dat voor de ademhaling dient. Door vervolgens, na den rand, ook de overige deelen van den mantel tegen den ingewandenzak te drukken, wordt het water met groote kracht door de achterste opening in den trechter en van hier, door de voorste, enge opening, als een straal naar buiten geperst. Hierdoor verkrijgt het lichaam in achterwaartsche richting een stoot, die voldoende is om de slankst gebouwde leden der klasse pijlsnel door het water te doen schieten.
Behalve het spijskanaal, komt bij de meeste Koppootigen ook de afvoerbuis van een ander belangrijk orgaan, n.l. van den inktzak, in den trechter uit. Het uitwerpen van de zwartbruine stof, die door deze klier wordt afgescheiden, heeft willekeurig plaats; een kleine hoeveelheid is voldoende om het dier met een donkere wolk te omhullen, waardoor het eensklaps voor zijne vervolgers onzichtbaar wordt. Op deze eigenschap berust de onjuiste benaming „Inktvisschen”. Onder den naam „sepia” wordt de bedoelde stof door de schilders gebruikt. Men heeft haar zelfs bij fossiele Cephalopoden gevonden.
Aan vele in spiritus geconserveerde exemplaren van Koppootigen neemt men op de huid fijne, paarse en bruinachtige stipjes waar. Dit is al wat er overblijft, van de prachtige kleurveranderingen, die het levende dier te aanschouwen geeft; de kleur wisselt af in verband met den toestand waarin het verkeert, hangt af van de verlichting, is verschillend al naar het dier zelf aanvalt, of aangevallen en geprikkeld wordt. Kleurige wolken en strepen schieten over het lichaam heen, vereenigen zich, spreiden zich uit en gaan in den regel gepaard met een algemeene verhooging van den glans, met een bliksemsnel optreden van het glinsteren en iriseeren van de geheele oppervlakte; men is getuige van een schitterend onweer van toorn en zenuwoverprikkeling. De mechanische oorzaken van dit buitengewoon fraaie kleurenspel zijn van tweeërlei aard. In de huid bevinden zich cellen, die een uiterst fijn verdeelde kleurstof bevatten. Wanneer deze cellen in den toestand van rust verkeeren en door de veerkracht van haar wand tot haar geringste volume zijn ingekrompen, is de invloed van de kleine pigmentklompjes op de kleur van de huid zeer gering. Door talrijke spiervezels, die straalswijs met den wand der kleurstofcellen of „chromatophoren” verbonden zijn, kan deze echter uitgerekt worden, zoodat de kleurstof zich over een grootere oppervlakte uitbreidt. Bij de op deze wijze veroorzaakte kleuren komen nog die, welke een gevolg zijn van interferentie-verschijnselen, waarbij fijne, dicht opeengepakte plaatjes, die dieper dan de chromatophoren liggen, de hoofdrol spelen.
Alle Koppootigen bewonen uitsluitend de zee; hier leefden ook al hunne voorouders, die reeds in de alleroudste lagen van de Silurische formatie sporen van hun bestaan hebben achtergelaten, en in ’t Jura- en ’t krijttijdvak hun hoogsten bloei bereikten. De alleroudste fossiele Tweekieuwigen werden in de lias-lagen gevonden. Vele hedendaagsche soorten leven gezellig, gelijk vooral blijkt, wanneer zij van grootere diepten en uit de open zee naar de kustwateren trekken. Alle leven van roof; zij verslinden een menigte Visschen, Schaaldieren, Slakken en Plaatkieuwige Weekdieren. Als een staaltje van hun vraatzucht kan dienen, dat zij zelfs aanvallen op soortgenooten, die zich door een lokaas hebben laten verschalken, en met deze boven water getrokken en gevangen worden. Bij de soorten, die in de nabijheid van de kust, op rotsen en tusschen waterplanten kruipend, op buit loeren, komen velerlei draadvormige aanhangsels voor, welker beweging de prooi aanlokt. De door hen aangerichte schade wordt vergoed, doordat een aantal voor ons zeer belangrijke dieren, b.v. verscheidene walvisschen, de Potvisschen, de Kabeljauwen, zich bijna uitsluitend of bij voorkeur met Cephalopoden voeden; bovendien worden verscheidene soorten ook door den mensch gegeten.
De Cephalopoden zijn de hoogst ontwikkelde Weekdieren; de sterkste, grootste en zwaarste leden van de hoofdafdeeling behooren tot hun klasse. Aan de oostkust van Noord-Amerika zijn exemplaren gevangen van het geslacht Architeuthis, die een totale lengte van 12 M. hadden; de romp was 2.5 M. lang en had een omvang van 2.12 M.; de armen zijn zoo dik als eens menschen dij. Prachtige nabootsingen in ware grootte van dezen reusachtigen Inktvisch, die misschien aanleiding heeft gegeven tot de sprookjes van den Kraken en de Reuzenzeeslang, heeft Prof. Verrill van Newhaven (Connecticut) voor verscheidene Amerikaansche musea laten vervaardigen.
Men kent tegenwoordig ongeveer 7000 soorten van Koppootigen, waarbij ongeveer 6500 Vierkieuwigen (met 4 thans nog levende) en ruim 450 Tweekieuwigen (met 240 thans nog levende soorten).
EERSTE ORDE.
DE TWEEKIEUWIGEN (Dibranchiata).
Inhoudsopgave
Tot deze orde, waarvan een lid als uitgangspunt voor ons algemeen overzicht heeft gediend, behooren alle Cephalopoden, welker kringvormig om den mond geplaatste armen zuignappen dragen en welker mantelholte twee kieuwen bevat: een aan de rechter- en een aan de linkerzijde. Een inktzak is steeds aanwezig. Naar het aantal armen worden zij in twee groepen verdeeld.
De Achtarmige Cephalopoden (Octopoda) missen de beide grijparmen en hebben bijna zonder uitzondering een korten en breeden romp, die geen vinnen draagt. Het ruggedeelte van den mantel scheidt bij hen geen tot steun dienende plaat af. De meeste Achtarmigen bewonen de zee in de nabijheid van de kust; zij kruipen en loopen meer dan zij zwemmen. Hunne gewone verblijfplaatsen zijn spleten en gaten in het gesteente, vanwaar zij op buit loeren. Zij kunnen in alle richtingen kruipen, maar bewegen zich bij voorkeur zijwaarts, spreiden de armen uit, heffen den kop omhoog, geven den romp een eenigszins hellenden stand boven het 4e paar armen en wenden de opening van den trechter naar een zijde. Vooral het tweede en derde paar armen doen bij het kruipen dienst. Op deze wijze verplaatsen zij zich tamelijk vlug, zoowel in als buiten het water. Uit eigen beweging verlaten zij het natte element nooit, hoewel sommige soorten uren lang op het droge in ’t leven kunnen blijven. Een bewonderenswaardig instinct stelt hen in staat om de zee terug te vinden, nadat zij op betrekkelijk grooten afstand van de kust landwaarts gebracht zijn; zelfs van plaatsen waar het water niet meer te zien is, gaan zij regelrecht over de steendammen heen naar de zee terug.
De oude Grieken en Romeinen noemden de hun bekende Koppootigen „Veelvoeten” (Polypous Polypus); nagenoeg dezelfde naam (tot Polpo vervormd in Italië, tot Poulpe in het Fransch) dient thans nog tot aanduiding van de geslachten Octopus en Eledone. Zij maken deel uit van de familie der Octopodiden, die o.a. kenbaar zijn aan de breedte van den „nekband”, waardoor de mantel aan de rugzijde met den kop verbonden is.
De lange armen der Achtarmen (Octopus) zijn aan den wortel door een huid vereenigd en aan de binnenzijde met 2 reeksen van zuignappen uitgerust.

Gewone Achtarm (Octopus vulgaris), in zijn van steenen vervaardigd nest op buit loerend.
De Gewone Achtarm (Octopus vulgaris) is de grootste soort en tevens die, welke het sterkst vertegenwoordigd is in de meeste deelen van haar uitgestrekt verbreidingsgebied. De witgrijze huid verkrijgt, zoodra het dier in opgewonden toestand verkeert, bruine, roode en gele tinten, terwijl tevens de geheele bovenzijde zich bedekt met wratvormige verhevenheden. Men vindt dezen Inktvisch niet slechts in alle deelen van de Middellandsche Zee, maar ook aan de kusten van den Atlantischen Oceaan, bij de eilanden van West- en Oost-Indië en bij Mauritius. Enkele malen zijn exemplaren naar onze kust afgedwaald. Het meest vindt men hem op een rotsachtige zeebodem, in welks gaten en spleten zijn buigzaam lichaam gemakkelijk doordringt; van uit deze verblijfplaats beloert hij de dieren, waarmede hij zich voedt. Bij ’t zien van een prooi verlaat hij voorzichtig zijn schuilhoek, nadert, pijlsnel achterwaarts zwemmend, zijn slachtoffer tot op korten afstand, keert zich zoo vlug om, dat men hem nauwelijks met de oogen kan volgen, omstrengelt den buit met de nu uiteenwijkende armen en houdt hem met de zuignappen vast. Soms vestigt hij zich op eenigen afstand van een rotsachtig terrein op zandgrond en in een nest van steenen, die hij met de zuignappen grijpt, met de armen vervoert en opeenhoopt tot een soort van kom; hierin verborgen, wacht hij geduldig, tot er een Visch of Kreeft in de nabijheid komt, die dan behendig gevangen wordt.
In den zomer ziet men de jongen in de nabijheid van de kust op den met steenen bedekten zeebodem, soms ook op slib. Zij worden gewoonlijk gevangen aan een hengel zonder haak met een wit, in ’t oog vallend lokaas, dat bezwaard is door een steentje en leveren een smakelijke spijs; die, welke meer dan ½ KG. wegen, worden wegens de taaiheid van hun vleesch veel minder geschat dan de Sepia’s en Kalmars. Het grootst bekende exemplaar van deze diersoort was ongeveer 3 M. lang en woog 25 KG.; het werd bij Nizza door een visscher na zeer groote inspanning gevangen. Exemplaren van 15 KG. zijn niet zeldzaam. Onbeschrijfelijk woest is het voorkomen van deze dieren bij het grijpen van een slachtoffer; de hevigheid en snelheid van den aanval, de kleursveranderingen van de huid en de wratten, die zich er op vertoonen, maken een diepen indruk.
Collmann was getuige van een gevecht tusschen een Zeekreeft en een Achtarm in het groote aquarium te Napels en beschrijft dit op de volgende aanschouwelijke wijze: „Een Zeekreeft had zich vergrepen aan een zijner metgezellen—een Zeeschildpad ter grootte van een tafelbord, welker schedel hij geheel verbrijzelde—en moest tot straf naar het reservoir der Achtarmen verhuizen. Deze verloren den indringer niet uit het oog, bewogen zich in uitdagende houding om hem heen, maar bleven aanvankelijk op een eerbiedigen afstand. Af en toe sloop een van hen naderbij, slingerde de uiteinden van eenige armen als zweepen over den vreemdeling, maar trok zich weldra aarzelend terug, zoodra de geweldige scharen of het steenharde rugpantser van de tegenpartij zijn aandacht trokken. Langzamerhand verminderde de opgewondenheid van de meeste bewoners van het bassin. Een der Achtarmen gaf den strijd echter niet dadelijk op, maar deed nog vele pogingen om den Kreeft ongemerkt te naderen. Ook hij kwam eindelijk, naar het scheen, tot andere gedachten en nam een onverschillige houding aan. Toen nu de Kreeft, hierop vertrouwend, zijn vroegere waakzaamheid liet varen, werd hij onverhoeds aangegrepen en zoo stevig omstrengeld, dat hij zich niet meer verweren kon. De beide kampioenen werden echter onmiddellijk gescheiden door een oppasser, die getuige was van den strijd.—Voordat een uur verloopen was, had de Achtarm den Kreeft opnieuw gepakt en het pantser van het Schaaldier met de kronkelingen zijner gespierde armen omstrengeld. Indien hij soms zijn vijand op één plaats losliet, geschiedde dit slechts met het doel om hem op een andere, beter gekozen plaats te vatten. Terwijl de strijders zich als een kluwen woedende Slangen over den grond wentelden en in de fijne grint, die de kampplaats bedekte, diepe voren trokken, was er bijna niets van den Kreeft te zien: de Achtarm omgaf hem geheel. Opeens echter keerde de kans; de Achtarm staakte den strijd en snelde, tegen wil en dank zijn vijand medesleepend, naar de overzijde van ’t slagveld. Eén zijner armen, die dicht bij de plaats van aanhechting aan den kop door den Kreeft gegrepen was, werd door een der geweldige scharen zoo stevig saamgeknepen, dat hij reeds doorgesneden scheen. Toch had er geen amputatie van dit lichaamsdeel plaats; alsof het uit caoutchouc bestond, bood het weerstand aan de vreeselijke drukking. Dit bleek vooral, toen de gepijnigde Octopus, die her- en derwaarts zwom en snelle wendingen maakte om zijn vijand van zich af te weren, dezen een paar malen tegen de steenen wanden van het reservoir had geslingerd en hem eindelijk noopte zijn schaar te openen. De Kreeft trok zich in een donkeren hoek terug; de Achtarm hechtte zich aan een uitstekende rotspunt. Als naar gewoonte waren zijne armen voortdurend in beweging; soms werden zij ineengekronkeld, soms langzaam gestrekt en tastend in alle richtingen bewogen. Zelfs de zoo vreeselijk geknepen arm bewoog zich. Een lichaamsdeel van een Gewerveld Dier zou na zulk een behandeling verlamd zijn geweest. De bloedsomloop van een Weekdier kan echter voortduren in deelen van het vaatstelsel, die niet meer met het hart in gemeenschap staan. Na weinige dagen was van de geleden schade bij den Achtarm geen spoor meer waar te nemen.
„De beide kampioenen hadden echter geen vrede gesloten. Herhaaldelijk moest de oppasser hen scheiden. Eens gelukte dit eerst, nadat de Kreeft een zijner scharen had verloren. Om den invalide voor verdere verminking te behoeden, werd hij overgebracht in een volgend bassin, dat door een massieven cementmuur, die ongeveer 2 cM. boven den waterspiegel uitsteekt, gescheiden is van de beide onderling in gemeenschap staande ruimten, die het tooneel waren van den reeds beschreven strijd.—De hoop, dat de Kreeft nu rust zou hebben, bleek ijdel te zijn. Reeds op den dag der overbrenging klom een der Achtarmen over den muur, viel onverwachts op zijn tegenstander aan en scheurde hem na korten kamp letterlijk in tweeën. Ongeveer 40 seconden nadat de overval begon, was het pleit beslecht en bekroonde de overwinnaar zijn zege door het slachtoffer te verslinden.
„Ontegenzeggelijk getuigden de handelingen van den Achtarm van veel overleg. Op indirecte wijze tot het besluit gekomen, dat een voor hem onzichtbare prooi zich aan de andere zijde van den scheidingsmuur bevindt, aarzelde hij niet dezen te overschrijden, hoewel dit niet kon geschieden zonder voor een oogenblik het water te verlaten.—Bovendien valt nog te vermelden, dat de hier bedoelde Achtarmen sinds geruimen tijd in de beste verstandhouding leefden met twee Kreeften en eenige Visschen, die gelijktijdig met hen in het reservoir waren gebracht. Hieruit blijkt, dat geen roofzucht één van hen tot het plegen van den moord had vervoerd, maar haat tegen den indringer, die ongenood, een deel kwam nemen van de ruimte en van het voedsel, die zij als hun uitsluitend eigendom hadden leeren beschouwen. Dat dit hun drijfveer was, bleek uit de ontvangst, die ten deel viel aan een anderen Achtarm, die later in hetzelfde bassin werd gebracht; ook deze werd gedood en verslonden. Dat blinde haat en moordlust geen kenmerkende eigenschappen van den Octopus zijn, valt af te leiden uit de gehechtheid van hierboven bedoelde dieren aan hun oppasser. Streelend omstrengelden zij zijne bloote armen en namen hem omzichtig het voedsel uit de hand. Zonder boosheid te toonen, speelden zij met hun verzorger, die de voor hun maal bestemde brokken nu en dan plagend terugtrok.”
Het geslacht Eledone verschilt van Octopus vooral door het bezit van slechts één rij zuignappen op iederen arm. De meest gewone soort is de Muscus-eledone (Eledone moschata), die haar romp willekeurig van vorm kan doen veranderen, zoodat deze zakvormig, langwerpig, eivormig, van achteren afgerond of spits, aan de oppervlakte glad of met wratten bedekt kan zijn. De kleine, uitpuilende oogen kunnen geheel door de oogleden bedekt worden en hebben een zeer veranderlijke iris. De grijze grondkleur neemt nooit een rozeroode of andere roodachtige tint aan. Symmetrische, zwartachtige vlekken en een blauwachtige zoom aan het scherm, dat de armen verbindt, zijn verdere kenmerken van deze soort, die haar naam dankt aan de muscuslucht, die van haar uitgaat, ook wel bij andere soorten voorkomt, doch bij haar bijzonder duidelijk is. Zij schijnt tot de Middellandsche Zee beperkt te zijn, maar is hier aan alle kusten een zeer gewone verschijning. Het meest vindt men haar op een slijkerigen bodem van 10 à 100 M. diepte, in alle jaargetijden echter ook op zand- en grintgrond, minder dikwijls op rotsen.—Ondanks hun muscuslucht worden deze dieren in menigte op de markt gebracht om tot spijs te dienen.
*
Een derde, reeds in overouden tijd beroemden, herhaaldelijk beschreven vorm van de Achtarmige Tweekieuwigen is de Papier-nautilus (Argonauta argo). Alleen het wijfje is met de afgebeelde, fraaie en dunwandige schelp uitgerust. Het veel kleinere mannetje bezit geen schelp. Beide hebben een afgerond lichaam met kleinen kop en ver vooruitstekenden, langen trechter; het wijfje kenmerkt zich door de vliezige verbreeding van het bovenste paar armen en door een zeer fraaie, schitterende kleur. De romp is van onderen en onder aan de zijden bruinachtig met zilverglans en met een lichte weerschijn, die, al naar de richting en de sterkte der invallende lichtstralen, blauwachtig, grijsachtig of roodachtig is. Bovendien komen op deze van kleur wisselende oppervlakte een groot aantal glinsterende stipjes voor, sommige geel en kastanjebruin, andere rozerood; hoe sneller beweging, hoe fraaier kleuren. De rug en het bovenste deel van de zijden zijn met een fraaie, lichtgroene kleur getooid, die, vooral tegen den avond, pistache-groen wordt. De zilverkleur van de onderdeelen breidt zich in den vorm van strepen ook over de (overigens groenachtige) bovenste gedeelten der zijden uit, zoodat beide kleuren hier met elkander afwisselen. Dergelijke kleuren vertoonen de kop en de armen.

Papier-nautilus (Argonauta argo): Schelp van het wijfje. Klein exemplaar. Ware grootte.
De sierlijke, papierdunne, hoogstens 20 cM. lange schelp van het wijfje is naar verhouding rijk aan organische stof en daarom tamelijk veerkrachtig, althans veel buigzamer dan de veel dunnere schelpen van andere Weekdieren, b.v. van de Vinpootigen. Zij bevat slechts één holte, geen door dwarsschotten gescheiden kamers, gelijk de schelp van Nautilus welker spiraalwindingen in zooverre met de hare overeenkomen, dat iedere omgang den vorigen geheel bedekt. In één opzicht verschilt de Argonauta-schelp echter van iedere andere, n.l. doordat het dier er op geenerlei wijze mede vergroeid is en een vorm vertoont, welke in ’t geheel niet overeenkomt met die van de holte, waarin het zich ophoudt. Men meende daarom vroeger, dat deze schelp door een nog onbekend Weekdier gevormd en na diens dood door den Papier-nautilus in bezit genomen werd. Thans weet men, dat de vliezig verbreede armen geschikt zijn voor de taak, die bij andere Weekdieren verricht wordt door den mantel. Zij hebben een achterwaartsche richting en krommen zich, naar onderen en naar voren, zoodat hunne vliezige lobben de schelp aan weerszijden bedekken. Het dier kan deze woning verlaten en eenigen tijd daarbuiten leven.