Kitabı oxu: «Beówulf»
Anoniem
Beówulf
Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066402549
Inhoudsopgave
EEN WOORD VOORAF
Te raadplegen Literatuur over den Beowulf.
INLEIDING.
De Beschaving in den Beowulf.
Christendom.
Heldensage en Volksepos.
Geschiedenis.
Mythos.
Geátas .
Nationaliteit van den Beowulf.
Tijd van voltooiing.
Het Handschrift.
De Versbouw.
Epische stijl.
Innerlijke Geschiedenis.
INHOUD.
I.
Tekstcritische noten
II.
Tekstcritische noten
III.
Tekstcritische noten
IV.
Tekstcritische noten
V.
Tekstcritische noten
VI.
Tekstcritische noten
VII.
Tekstcritische noten
VIII.
Tekstcritische noten
IX.
Tekstcritische noten
X.
Tekstcritische noten
XI.
Tekstcritische noten
XII.
Tekstcritische noten
XIII.
Tekstcritische noten
XIV .
Tekstcritische noten
XV
Tekstcritische noten
XVI.
Tekstcritische noten
XVII.
Tekstcritische noten
XVIII.
Tekstcritische noten
XIX.
Tekstcritische noten
XX.
Tekstcritische noten
XXI.
Tekstcritische noten
XXII .
Tekstcritische noten
XXIII.
Tekstcritische noten
XXIV.
Tekstcritische noten
XXV.
Tekstcritische noten
XXVI.
Tekstcritische noten
XXVII.
Tekstcritische noten
XXVIII.
Tekstcritische noten
XXIX.
Tekstcritische noten
XXX.
Tekstcritische noten
XXXI.
Tekstcritische noten
XXXII.
Tekstcritische noten
XXXIII.
Tekstcritische noten
XXXIV.
Tekstcritische noten
XXXV.
Tekstcritische noten
XXXVI.
Tekstcritische noten
XXXVII.
Tekstcritische noten
XXXVIII.
Tekstcritische noten
XXXIX.
Tekstcritische noten
XL.
Tekstcritische noten
XLI.
Tekstcritische noten
XLII.
Tekstcritische noten
XLIII.
Tekstcritische noten
De Bestorming van den Finnsburg.
Tekstcritische noten
AANMERKINGEN.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
81
82
83
84
85
86
87
88
89
91
92
DRUKFOUTEN.
EEN WOORD VOORAF
Inhoudsopgave
Mijn doel bij het uitgeven dezer Beowulf-bewerking was, in eene leemte te voorzien en tevens de uitkomsten van de onderzoekingen over een der belangrijkste letterkundige voortbrengselen in breeder kring te verspreiden.
Daarom zijn aan de vertaling talrijke ophelderingen en eene breedvoerige inleiding toegevoegd.
Ik heb den tekst van Socin gevolgd; daar waar ik de voorkeur geef aan eene andere lezing, heb ik mijne handelwijze gerechtvaardigd in de Aanmerkingen op het einde van het werk.
Van de vertaling valt niets bijzonders te zeggen; ik sluit mij zoo getrouw mogelijk bij mijn voorbeeld aan, en dat dit geene gemakkelijke taak was, zal hij, die in den ingewikkelden tekst van het oorspronkelijke thuis is, het best begrijpen, vooral als hij nagaat, hoe ver ons Nederlandsch in rijkdom van zinverwante woorden ten achter staat bij de Angelsaksische epiek.
Een enkel woord over de versmaat.
Ik had, evenals de Geyter, het Reinaertsvers kunnen aanwenden, dat uit het algemeen Oudgermaansche vers gesproten is, vooral daar het heel wat meer speelruimte aanbiedt dan de, door mij gebezigde, eng begrensde vijfvoetige jambus; nochtans heb ik van zijn gebruik afgezien, omdat het, zooals Max Rooses te recht aanmerkt, «te gemeenzaam klinkt voor epische verhalen».
Buitendien leent zich de vijfvoetige jambus zeer goed tot de indeeling in halfverzen, het hoofdkenmerk der oude epische versmaat.
Heb ik mij door het verwerpen van het Reinaertsvers een blok aan ’t been gelegd, van den anderen kant veroorloof ik mij meer vrijheid van beweging bij het stafrijm; en geen wonder, want onze taal is er geheel en al aan ontwend. In dit opzicht sluit ik mij aan bij de Middelengelsche dichters, die op dit punt wat minder nauwgezet waren dan hunne voorgangers.
Vandaar dat de twee halfverzen niet altijd door een gemeenschappelijk stafrijm (naar het voorbeeld ab ab) tot een geheel vereenigd worden, maar integendeel elk op zich zelf een afzonderlijk stafrijm hebben (aa bb).
Het schijnt mij zelfs toe, dat het stafrijm in onze tegenwoordige taal op deze laatste wijze alleen het best tot zijn recht komt.
Men leze en oordeele.
Te raadplegen Literatuur over den Beowulf.
Inhoudsopgave
De volgende uitgebreide lijst is ontleend aan James M. Garnett, Beowulf, An Anglo-Saxon Poem; Boston U. S. A. 1893.
Eenige na dien tijd verschenen werken heb ik er aan toegevoegd.
Uitgaven:
Thorkelin. De Danorum rebus gestis secul. III et IV poema Danicum dialecto Anglosaxonica. Havniae, 1815, met eene Latijnsche vertaling.
Conybeare. Illustrations of Anglo-Saxon Poetry, London, 1826. Thorkelin’s uitgave wordt er met het Hs. vergeleken en eene Latijnsche en voor sommige plaatsen eene Engelsche vertaling aan toegevoegd.
Kemble. The Anglo-Saxon Poems of Beowulf, the Traveller’s song and the Battle of Finnsburg, London, 1833; 2de uitgave, 1835–37, in twee deelen, waarvan het tweede eene volledige Engelsche vertaling behelst.
Schaldemose. Beowulf og Scopes Widsidh, Kopenhagen, 1847, 2de uitgave, 1851. Kemble’s tekst met Deensche vertaling.
Thorpe. The Anglo-Saxon Poems of Beowulf, the Scôp or Gleeman’s Tale, and the Fight at Finnsburg, Oxford, 1855; met Engelsche vertaling. Herdruk zonder wijzigingen in 1875.
Grein. Bibliothek der Angelsächsischen Poesie, 1ste deel, blz. 255, Beowulf; Göttingen, 1857.
Grundtvig. Beowulfes Beorh; Kopenhagen, Londen en Leipzig, 1861, met eene vergelijking van de twee afschriften van het Hs. in 1786 door Thorkelin gemaakt.
Heyne. Beowulf; Paderborn, 1863; 2de uitgave, 1868; 3de uitg., 1873; 4de uitg., 1879; 5de uitg., door Socin bezorgd, 1888; met het beste glossarium.
Grein. Beowulf nebst den Fragmenten Finnsburg und Waldere; Cassel en Göttingen, 1867.
Ettmüller, Carmen de Beowulfi Gautarum regis rebus praeclare gestis atque interitu, quale fuerit antequam in manus interpolatoris, monachi Vestsaxonici, inciderat. Turici, 1875.
Arnold, Thomas. Beowulf. A heroic poem of the eighth century, London, 1876; met eene Engelsche vertaling.
Wülcker. Grein’s Bibliothek der A. S. Poesie. Neu bearbeitet u. s. w. 1ste deel, 1ste helft; Cassel, 1881. Herstelde tekst met critische nota’s in 1ste deel, 2de helft; Cassel, 1883.
Holder. Beowulf. I. Abdruck der Handschrift; 2de uitg. Freiburg en Tübingen, 1882. Hs. door Holder vergeleken in 1875 met gebruik van Thorpe’s oorspronkelijke collatie in 1830. II. Tekst en glossarium. 1884.
Harrison en Sharp. Beowulf; volgens Heyne’s tekst en woordenlijst. Boston, 1883; 2de uitg., 1885; 3de vermeerderde uitg., 1888.
Zupitza. Beowulf; Autotypes of the unique Cotton MS. Vitellius A. XV. in the British Museum; with a transliteration and notes; London, 1882; Early English Text Society.
Kölbing. Zur Beowulf-Handschrift. Herrig’s Archiv für das Studium der neueren Sprachen; LVI, 91. Eene volledige vergelijking van het Hs.
Afzonderlijke vertalingen.
Grundtvig. Bjowulfs Drape; Kopenhagen, 1820, 2de uitgave, 1865.
L. Ettmüller, Beowulf. Heldengedicht des achten Jahrhunderts, zum ersten Male aus dem Angelsächsischen in das Neuhochdeutsche stabreimend übersetzt und mit Einleitung und Anmerkungen vorsehen. Zürich, 1840.
Wackerbarth. Beowulf, translated into English verse; London, 1849.
Grein. Dichtungen der Angelsachsen, stabreimend übersetzt; 2 deelen; Göttingen, 1857–59; 1ste deel, 2de uitg., 1863. Afzonderlijke uitgave van de Beowulf-vertaling, Cassel, 1883.
Sandras. De carminibus Caedmoni adjudicatis; Parijs, 1859; met uittreksel van Beowulf en Latijnsche vertaling.
Simrock. Beowulf, übersetzt und erläutert; Stuttgart en Augsburg, 1859.
Heyne. Beowulf; Paderborn, 1863.
Von Wolzogen. Beowulf; Leipzig, Reclam-Bibliothek.
Botkine. Beowulf. Epopée Anglo-Saxonne, traduite en francais pour la première fois; Havre, 1877.
Lumsden. Beowulf, translated into modern rhymes; London, 1881; 2de uitg., 1883.
Zinsser. Der Kampf Beowulfs mit Grendel. Probe einer metrischen Uebersetzung des A. S. epos Beowulf; Jahresbericht van de Realschule te Forbach, 1881.
Grion, Giusto. Beovulf, poema epico anglo-sassone del VII secolo, tradotto e illustrato; Lucca, 1883. De eerste Italiaansche vertaling.
Wickberg. Beowulf, en fornengelek hjeltedikt, äfersatt; Westervik. De eerste Zweedsche vertaling.
Voegen wij er nog bij de reeds aangehaalde Engelsche vertaling van Garnett.
Werken van bijzonderen aard.
Müllenhoff. Beowulf. Untersuchungen über das Angelsächsische Epos und die älteste Geschichte der germanischen Seevölker; Berlijn, 1889. Mythus, geschichtliche Elemente; die Geaten und Schweden, die Dänen, die Angeln und Sachsen.
B. ten Brink. Beowulf. Untersuchungen; Strassburg, 1888. De schrijver houdt er zich vooral bezig met de innerlijke geschiedenis van het epos.
Sarrazin. Beowulf-Studien; Berlijn, 1888. Ursprung der Sage, die Skand. orig. Dichtung, die Angels. Bearbeitung, die Stellung des Beowulf-epos in der Entwicklung der altengl. Poesie.
Kemble. Ueber die Stammtafel der Westsachsen; Munchen, 1836.
Heyne. Ueber die Lage und Construction der Halle Heorot; Paderborn, 1864.
Botkine. Beowulf. Analyse historique et géographique; Parijs, 1876.
Dederich. Historische und geographische Studien zum Angelsächsischen Beowulfsliede; Keulen, 1877.
Grein. Die historischen Verhaltnisse des Beowulfliedes. Ebert’s Jahrbuch für rom. und engl. Literatur, IV, 260 (1862).
Schultze. Altheidnisches in der A. S. Poesie, speciell im Beowulfsliede; Berlijn, 1877.
Skeat. The Name Beowulf. Academy, 1877, I. 163.
Leo. Beowulf, das älteste deutsche, in angelsächsischer Mundart erhaltene Heldengedicht, nach seinem Inhalte und mythologischen Beziehungen betrachtet; Halle, 1839; met vertaalde uittreksels.
Sarrazin. Der Schauplatz des ersten Beowulfliedes und die Heimat des Dichters. Paul und Braune’s Beiträge, XI, 528–541.
Id. Die Beowulfsage in Dänemark. Anglia, IX, 195–199.
Id. Beowa und Böthvar. Anglia, IX, 200–204.
Id. Beowulf und Kynewulf. Anglia, IX, 515–550.
Id. Altnordisches im Beowulfliede. Beiträge, XI, 528–541.
Sievers. Die Heimat des Beowulf-dichters. Beiträge, XI, 354–362.
Id. Altnordisches im Beowulf? Beiträge, XII, 168–200.
Klöpper. Heorot-Hall in the Anglo-Saxon Poem of Beowulf. Festschrift für K. E. Krause. Rostock.
Haigh. The Anglo-Saxon Sagas; Londen, 1861; eene poging om de in het epos vermelde plaatsen in Engeland thuis te brengen.
Müller, N. Die Mythen im Beowulf in ihrem Verhältniss zur germanischen Mythologie betrachtet; Leipzig, 1878.
Suchier. Ueber die Sage von Offa und Thrydho. Beiträge, IV, 500.
Vigfusson. Grettis Saga, in de voorrede van zijne Sturlunga Saga; Oxford, 1878.
Gering. Der Beowulf und die Isländische Grettissaga; Anglia, III, 74.
Smith, C. Sprague. Beowulf Gretti, in New Englander, IV, 49.
Ettmüller. Altnordischer Sagenschatz, 1870.
Symons. Heldensage. Grundriss der Germanischen Philologie; VII Abschnitt.
G. Kurth. Histoire poétique des Mérovingiens; Paris, 1893.
Müllenhoff. Der Mythus von Beowulf. Haupt’s Zeitschrift, VII, 419.
Skeat. The Monster Grendel in «Beowulf». Journal of Philology, No 29, XV.
Schneider. Der Kampf mit Grendels Mutter. Program des Friedrichs-Realgymnasiums; Berlijn, 1887.
Hornburg. Die Composition des Beowulf. Program van het Lyceum in Metz, 1877.
Möller. Das altenglische Volksepos in der ursprünglichen strophischen Form; Kiel, 1883.
Rönning. Beowulfs-Kvadet. En literaer-historisk undersögelse. Kopenhagen, 1883.
Krüger. Ueber Ursprung und Entwickelung des Beowulfliedes. Herrig’s Archiv, LXXI, 129, 1884.
Id. Zum Beowulfliede. Program des städtischen Realgymnasiums in Bromberg, 1884.
Merbot. Aesthetische studiën zur angelsächsischen Poesie; Breslau, 1883.
March. The World of Beowulf. Proceedings of the Amer. Phil. Association, 1882.
Harrison. Old Teutonic Life in «Beowulf». Overland Monthly, July, 1884.
Bugge. Studien über das Beowulfepos. Beiträge XII, 1–80 en 360–375.
Sarrazin. Entgegnung. Englische studien, XIV, 421–427. Een antwoord op Koeppel’s beoordeeling van Sarrazin’s Beowulf-Studien. Eng. Stud. XIII, 475.
Koeppel’s antwoord; Eng. Stud. XIV, 427–432.
Deskau. Zum Studium des Beowulf. Berichte des freien deutschen Hochstiftes. 1890.
Hertz. Beowulf, das älteste germanische Epos. Nord und Süd, XXIX, 229–253; 1884.
Weinhold. Altnordisches Leben, 1856.
Kalund. Sitte. Skandinavische Verhältnisse. Grundriss der Germanischen Philologie, XIII. Abschnitt.
Schultz. Sitte. Deutsch-Englische Verhältnisse. Grundriss enz.
Deze schrijver maakt er een komaf mee met de volgende verklaring: «Von hoher Bedeutung dagegen für die Sittengeschichte der Angelsachsen ist das Beowulflied.»
Fahlbeck. Beowulfsqvädet enz. Antiquarisk Tidskrift för Sverige, VIII.
Lehmann. Brünne und Helm im angelsächsischen Beowulfliede; Leipzig, 1885.
Id. Ueber die Waffen im angelsächsischen Beowulfliede, Germania, XXXI, 486–497.
Bugge. Til de oldengelske digte om Beowulf og Waldere. Tidskrift for Philologi og Pädagogik, VIII, 1869–70.
Davidson, Chas. Differences between the Scribes of «Beowulf». Modern Language, Notes, V, 85 en 378; 1890.
Mc Clumpha, Chas. Differences between the Scribes of «Beowulf». Mod. Lang. Notes, V, 245, 1890.
Schultze. Ueber das Beowulfslied. Program van de Realschule te Elbing, 1864.
Schröder. Om Bjowulfs-drapen. Kopenhagen, 1875.
Arnheim. Ueber das Beowulflied. Bericht über die Jacobsonsche Schule zu Seesen, 1867–71.
Kölbing. Kleine Beiträge. Kölbing’s Englische Studiën, III, 92; zu Beowulf, 168.
Outzen. Ueber das A. S. Beowulfs-Gedicht. Kieler Blätter, III, 312; 1816.
Schemann. Beowulf. Antichissimo poema epico de’ popoli Germanici. Giornale Neapolitano di filosofia e lettere, scienze morale e politiche, IV, Vol. VII, 63, 175.
Earle. Beowulf. Canadian Monthly, II, 83, 1872.
Id. Beowulf. Household Words, XVII, 459.
Id. Beowulf. London Times, Weekly ed., Oct. 9, 1885.
Gibb. Gudrun, Beowulf and Roland; 2de uitg. Londen, 1883.
Powell. Recent Beowulf Literature (Harrison, Holder, Lumsden). Academy, no 648, Oct. 4, 1884.
Id. Harrison’s «Beowulf». Academy, no 654, Nov. 15, 1884.
Harrison. Beowulf. Academy, no 653, Nov. 8, 1884.
Garnett. The Translation of Anglo-Saxon Poetry. Public. of the Mod. Lang. Assoc. of America. Vol. VI, no 3; 1891.
Bright. Review of Harrison and Sharp’s «Beowulf». Litteraturblatt für germ. und rom. Philologie; Juni, 1884.
Gummere. The Translation of «Beowulf». Amer. Journal of Philology, VII, 1886.
Schilling. The Finnsburg-Fragment and the Finn-Episode. Mod. Lang. Notes, II, 291, 1887.
Corson. A passage of Beowulf (2724 vlg.). Mod. Lang. Notes, III, 193; 1888.
Krüger. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 571–578.
Kittredge. Zu Beowulf, 107 vlg. Beiträge, XIII, 210.
Miller. The Position of Grendel’s Arm in Heorot. Anglia, XII, 396–400.
Zupitza. Zu Beowulf, 850. Herrig’s Archiv, 84, 124; 1890.
Joseph. Zwei Versversetzungen im Beowulf. Zeitschrift für deutsche Philologie, XXII, 385–397.
Schröer. Zur Texterklärung des Beowulf. Anglia, XIII, 333–348.
Sievers. Zur Texterklärung des Beowulf. Anglia, XIV, 133–146.
Kluge. Sprachhistorische Miscellen. Beiträge VIII, 532.
Id. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 187.
Cosijn. Zum Beowulf. Beiträge, VIII, 508.
Id. Beowulf. Taalkundige bijdragen, I, 286.
Id. Aanteekeningen op den Beowulf; Leiden, 1892.
Sievers. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 135 en 370.
Nader. Zur Syntax des Beowulf. Twee programma’s van de Staats-Oberrealschule te Brünn, 1879–80.
Lichtenheld. Das schwache Adjectiv im Angelsächsischen. Haupt’s Zeitschrift, XVI, 325.
Nader. Der Genitiv im Beowulf. Program van de Staats-Oberrealschule te Brünn, 1882.
Id. Dativ und Instrumental im Beowulf. Jahresbericht van de Weener Oberrealschule, 1882–83.
Hotz. On the Use of the Subjunctive Mood in Anglo-Saxon and its further history in Old English; Zurich, 1882.
Köhler. Der syntaktische Gebrauch des Infinitivs und Particips im Beowulf; Münster, 1886.
Nader. Tempus und Modus im Beowulf. Anglia, X, 542–563, en XI, 444–449.
Davidson. The Phonology of the Stressed Vowels in «Beowulf». Public. of the Mod. Lang. Associat. of America. Vol. VI, no 3. 1891.
Harrison. List of Irregular (strong) Verbs in «Beowulf». Amer. Journal of Philology, IV, 462.
Schubert. De Anglosaxonum arte metrica; Berlijn, 1870.
Vetter. Ueber die Germanische Alliterationspoesie; Weenen, 1872.
Rehrmann. Essay on Anglo-Saxon Poetry. Program van de Hoogere Burgerschool in Lübben, 1876.
Rieger. Die Alt- und Angel-sächsische verskunst; Halle, 1876.
Schipper. Englische Metrik. I deel, Altenglische Metrik; Bonn, 1882.
Tolman. The Style of Anglo-Saxon Poetry. Transactions of the Modern Language Association of America; Vol. III, 1887.
Hirt. Untersuchungen zur West-germanischen verskunst; Leipzig, 1889.
Guest. History of English Rhythms, 2 deelen, 1838; heruitgegeven in 1 deel door Skeat, 1882.
Banning. Die epischen Formeln im Beowulf; Marburg, 1886.
Bode. Die Kenningar in der angelsächsischen Dichtung; Darmstadt en Leipzig, 1886.
Arndt. Ueber die altgermanische epische Sprache; Paderborn, 1877.
Schemann. Die Synonyma im Beowulfsliede, mit Rücksicht auf Composition und Poetik des Gedichts; Hagen, 1882.
Hoffmann. Der bildliche ausdruck im Beowulf und in der Edda. Englische Studien, VI, 1883.
Heinzel. Ueber den Stil der altergermanischen Poesie; Strasburg, 1875.
Gummere. The Anglo-Saxon Methaphor; Halle, 1881.
Schulz. Die Sprachfonnen des Hildebrandsliedes im Beowulf. Program van de Realschule te Koningsbergen, 1882.
Sievers. Zur rhythmik des germanischen alliterationsverses. I. Vorbemerkungen. Die metrik des Beowulf. Beiträge, X, 209–314. II. Sprachliche ergebnisse. Beiträge, X, 451–545.
Id. Der angelsächsische Schwellvers. Beiträge, XII, 454–482.
Id. Altgermanische Melrik. Grundriss der Germanischen Philologie. IX Abschnitt.
ten Brinck. Altenglische Literatur. Grundriss enz. VIII Abschnitt.
Haupt’s Zeitschrift für Deutsches Altertum:
V. 10. Haupt. Zum Beowulf.
VII. 410. Müllenhoff. Sceaf und seine Nachkommen.
VII. 524. Bachlechner. Die Merovinge im Beowulf.
XI. 59. Bouterwek. Zur Kritik des Beowulfliedes.
XI. 176. Rieger. Ingaevonen, Istaevonen, Hermionen.
XI. 272. Müllenhoff. Zur Kritik des A. S. Volksepos.
XI. 409. Dietrich. Rettungen.
XII. 259. Müllenhoff. Zeugnisse und Excurse zur deutschen Heldensage.
XIV. 193. Müllenhoff. Die innere Geschichte des Beowulfs.
Zeitschrift für deutsche Philologie (Höpfner en Zacher):
II. 305. Köhler. Die Einleitung des Beowulfliedes, en Die beiden Episoden von Heremod.
II. 371. Rieger. Beoordeeling van Heyne’s 2de uitgave.
III. 381. Rieger. Zum Beowulf.
IV. 192. Bugge. Zum Beowulf.
Germania (Pfeiffer):
I. 297 en 455. Bachlechner. Eomaer und Heming (Hamlac).
I. 384. Bouterwek. Das Beowulflied. Eine Vorlesung.
VIII. 489. Holtzmann. Zu Beowulf. (Textkritik.)
XIII. 129. Köhler. Germanische Alterthümer im Beowulf.
Anglia IV, 69. Wülcker. Bespreking van de Beowulfvertalingen.
ten Brink. Geschichte der englischen Litteratur; 1ste deel, Berlijn, 1877.
Wülcker. Grundriss zur Geschichte der angelsächsischen Litteratur; Leipzig, 1885.
Robinson, W. Clarke. Introduction to our Early English Literature; Londen, Durham en Heidelberg, 1885.
Earle. Anglo-Saxon Literature; 1884.
Taylor. Historic Survey of German Poetry; 3 deelen, 1830.
Lonfellow. Anglo-Saxon Literature. N. Am. Review, XLVII, no 100; 1838.
Petheram. Historical Sketch of Anglo-Saxon Literature in England, 1840.
Wright. Biographia Britannica Literaria, Vol. I, Anglo-Saxon Period, 1842.
Lappenberg. History of England under the Anglo-Saxon kings. Translated by B. Thorpe, 2 vols. 1845.
Kemble. Saxons in England, 2 vols. 1849.
Green. The Making of England, 1882.
Grimm. Deutsche Mythologie.
Simrock. Handbuch der Deutschen Mythologie, 1878.
Mone. Untersuchunqen zur Geschichte der deutschen Heldensage, 1836.
Grimm. Die Deutsche Heldensage, 1867.
Wagner. Deutsche Heldensage, 1881.
Wagner en Mc Dowall. Epics and Romances of the Middle Ages, 1883.
INLEIDING.
Inhoudsopgave
Wat is den arme ’t schoon der lente? Niets!
Een starrenhemel? Niets! Wat is hem kunst?
Wat zijn hem tonen, tinten, geuren? Niets!
Wat is hem Poëzie?
Zonder zich juist op het standpunt te moeten plaatsen van Multatuli, zal wel menig dichter met hem instemmen bij het zien van de practische richting onzer eeuw, waarin onder de ontwikkelden slechts weinigen, eenige fijnproevers en voor het overige beoordeelaars, wier vak het meebrengt, belang stellen in de poëzie, terwijl de groote menigte in de beslommeringen en bekommeringen van den strijd om ’t bestaan doof blijft voor alle «godentaal» en «hemelval».
Welk verschil met de eerste eeuwen onzer beschaving, met het heldentijdperk onzer Germaansche voorouders, toen de poëzie, in en door het volk geschapen, aan een gemeenschappelijk ideaal beantwoordde, alle borsten deed zwellen, aller begeestering afdwong en zoozeer vergroeid was met het «profanum vulgus», dat de dichter, welke thans als eene scherpe, hooger begaafde persoonlijkheid optreedt, in de groote massa verloren ging, als een druppel in den oceaan.
Evenals het tot man opgroeiend kind zijne begoochelingen aflegt, naarmate het, door weetgierigheid geprikkeld, de koude en ernstige werkelijkheid leert kennen, zoo ook hebben de beschaafde volken sinds lang de ongekunstelde voorstellingen hunner jeugd over boord geworpen; en indien er nog eenige sporen voorhanden zijn van de oude, dichterlijke overleveringen, dan zijn ze tot den nederigen rang van sprookjes afgedaald, welke nog alleen in de kinderwereld onder de strooien daken rond den zetel van het goedhartige, kind geworden grootje, te vinden zijn.
Hofdijk zegt te recht van de sage:
Toen vlood de onterfde maagd, door twijfels kille handen
Beroofd van kroon en bloemenwâ,
En vond in ’t halflicht van de ruwe, leemen wanden
Der schaamle eenvoudigheid genâ.
Welnu, keeren wij in deze lang vervlogen tijden, in het rijk der sage terug; het is immers zoet voor het hart, zich de schoone jeugd weer voor den geest te halen.
Aan de Oudengelsche letteren is het voorrecht te beurt gevallen den Beowulf, het oudste Germaansche epos, te bezitten. Alle Germaansche volken hadden wel is waar dichterlijke overleveringen, doch deze gaven slechts het ontstaan aan afzonderlijke liederen of sagen.
Op dezen trap bleven de Scandinaviërs staan, terwijl bij de Franken de oude heldensage grootendeels voor de poëzie verloren ging. Alleen de Duitschers kunnen met rechtmatigen trots op volksheldendichten als de Nibelungen en Gudrun wijzen, doch deze zijn van veel lateren oorsprong dan de Beowulf.
Het is waar, de Beowulf is geen eigenlijk heldendicht in de hooge beteekenis, welke men, verwend als men is door het Grieksche epos, aan dit woord toekent.
Er wordt geene gebeurtenis van zulk algemeen nationaal belang als de oorlog van Troje geschilderd; zelfs ontbreekt de eenheid, welke alleen een letterkundig voortbrengsel tot volmaakt kunstwerk kan stempelen; het Angelsaksische epos werd immers in het midden zijner ontwikkeling tot staan gebracht door de uitbreiding van het Christendom. Doch dit neemt niet weg, dat het een juweel is, en als zoodanig onze warme belangstelling verdient.
Immers het gedicht, dat in de grondtrekken heidensch is gebleven, is een der weinige schatten, welke gered zijn uit de schipbreuk van de rijke Germaansche volkspoëzie; de taal, de epische stijl, de geschied- en aardrijkskundige bijzonderheden, de aanwezigheid der voornaamste heldensagen, de bestanddeelen waaruit het tot een geheel is saamgevloeid, dat alles spreekt tot den beschaafden lezer en tot den dichter, dat alles biedt de taalwetenschap, geschiedenis, letterkunde en tekstcritiek een rijk veld ter ontginning aan.
Wat de laatste wetenschap betreft, zij heeft zich in de herstelling van den Beowulftekst een blijvend gedenkteeken gesticht.
De gebrekkige toestand van het handschrift hulde het gedicht in een apocalyptisch duister; dank aan de onderzoekingen van Bugge, Cosyn, Kluge en Sievers is er licht ontsproten uit den baaierd, zoodat wij ons thans in eenen leesbaren tekst kunnen verheugen. Om zich hiervan te overtuigen vergelijke men de oude vertaling van Ettmüller en zelfs die van Heyne met die van Grein, en men zal moeten bekennen, dat op dit gebied reuzenstappen zijn gedaan.
Voor ons, Nederlanders, heeft het gedicht nog eene bijzondere reden tot belangstelling: de inval der Denen, het eenige geschiedkundig na te wijzen feit, heeft op Nederlandschen bodem plaats gehad. Dit is des te meer opmerkelijk, nu diezelfde gewesten zich niet onbetuigd hebben gelaten bij de totstandkoming van de Nibelungen en Gudrun1.
Doch nog om eene andere reden is de Beowulf belangrijk. Indien het boven allen twijfel verheven is, dat elk letterkundig werk van eenigen omvang de uitdrukking zijn moet van zijnen tijd, wil het op den naam van meesterstuk aanspraak maken, dan is dit vooral waar van het volksepos, dat natuurlijk uitvloeisel van de ziel der natie, van het gemeenschappelijk leven en streven gedurende heel een tijdvak.
Dit vinden wij bij het Oudengelsche gedicht bewaarheid; het is de uitdrukking van het volksideaal en bijgevolg de nagenoeg trouwe afbeelding van het karakter, van de zeden en gewoonten der oude Germanen.
De krijgshaftige inborst van het volk, welke wij uit de geschiedenis als zijn hoofdkenmerk leerden waardeeren, zijn leven verdeeld tusschen oorlog en drinkgelagen, zijn voorliefde en afkeer, zijn rechtsbegrippen, de opvoeding van den jongen krijgsman, de inrichting van de woningen der grooten, de beschrijving van de gastmalen en begrafenisplechtigheden: het treedt hier in kleur en beeld, in levenden lijve voor het voetlicht.
Beter dan de kronieken met hare dorre opsomming van feiten stelt het volksepos den geschiedschrijver in staat, om den juisten maatstaf te leggen aan de beschaving der eerste middeleeuwen, daar wij eenen dieperen blik slaan in de geaardheid van het volk, waarvan de gebeurtenissen slechts eene afspiegeling zijn.
Onderzoeken wij daarom den toestand van de maatschappij, die in ons epos te voorschijn treedt, zoo zullen wij ons rekenschap kunnen geven van
De Beschaving in den Beowulf.
Inhoudsopgave
Men kan gerust staande houden, dat de oud-engelsche beschaving, zooals zij zich in ons gedicht afteekent, eene verrassing, ja eene openbaring mag heeten voor elken onpartijdigen lezer, die niet behept is met de Fransche vooroordeelen omtrent Germaansche toestanden.
Deze vooroordeelen dagteekenen reeds van de vroegste tijden.
Met uitzondering van Tacitus, den man gewapend met den adelaarsblik van het vernuft, hebben geschiedschrijvers als Gregorius van Tours, wiens geest gevormd was in de school der Romeinsche beschaving, niet altijd recht laten wedervaren aan de Noordsche denkbeelden.
Welnu uit den Beowulf straalt eene betrekkelijk hooge ontwikkeling, waarop wij ons geenszins bij de «Noordsche barbaren» verwachten, en die gunstig afsteekt bij de bloederige tooneelen der Edda en de reusachtige, teugellooze hartstochten der Nibelungen.
Deze ontwikkeling spreekt zich uit op maatschappelijk, stoffelijk, geestelijk en zedelijk gebied.
Op maatschappelijk gebied zijn de toestanden, zooals Tacitus die beschreven heeft, in hoofdzaak ongewijzigd gebleven. Nog altoos treedt het volksleger op, dat op de bloedverwantschap is gevestigd, zoodat ieder gezond, vrij man dienstplichtig is; zelfs ontmoeten wij nog de dienstgevolgschappen, comitatus van Tacitus; doch het gezag des konings heeft zich uitgebreid, en zijne waardigheid is erfelijk geworden.
De koning blinkt uit door edele geboorte en door persoonlijken moed; hij voert het leger ten strijde.
Van Hrodgar heet het:
Nooit aan de legerspits, als lijken vielen,
Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden. (Vert. 1055–56.)
Het gevolgschap was eene vrijwillige vereeniging van strijdlustige mannen, waaronder ook bloedverwanten, onder het gezag van eenen vorst, wien zij onvoorwaardelijk trouw en gehoorzaamheid beloofden.
Het bestond uit beproefde krijgers (dugudh) en aankomende jongelingen (geogodh).
Bij voorkeur schaarden zij zich onder de banier van een dapper krijgshoofd.
Geluk der wapens werd verleend aan Hrodgar,
De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre magen
Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam,
De breede jonglingschaar. (65–68.)
Deze afhankelijkheid was geene schande, immers de zonen der aanzienlijkste geslachten gingen er toe over: Beowulf had in zijne jeugd Hredel gediend en op zijne beurt stelt hij aan Hrodgars zoon de gelegenheid open, om zich bij Hygelac aan te sluiten.
De dienstgevolgschappen doen zich in het gedicht voor als een bond van blijvenden, ten minste niet van voorloopigen aard, evenals bij Tacitus; ofschoon niets belet, dat de verplichting met toestemming des vorsten voor een tijd lang kan opgeheven worden. Zoo zien we, dat Beowulf met Hygelacs oorlof de Denen ter hulp snelt, om daarna weer tot zijnen vroegeren heer terug te keeren:
Eerbiedig aan te biên. Geheel mijn hulde
Zij wendt zich weder uwaart. (2206.)
De dienstman ontving van den vorst: 1o huisvesting en voedsel:
(Wij zijn) Hygelacs genooten aan de haardstee. (263.)
2o zijne wapens; Wiglaf zegt:
Den tijd gedenk ik, toen wij mede ontvingen
En in de hal aan onzen heer beloofden,
Die ons de ringen schonk, dat wij de rustings
Vergelden zouden enz. (2715–18.)
3o allerhande geschenken, kleinoodiën, paarden en vooral spiraalvormige ringen, die tot munt dienden, zoodat men er een stuk van kon afbreken; 4o daarenboven een aandeel in den krijgsbuit:
Niet lag aan ’t lot wie rooven zou den rijkdom. (3239.)
en 5o ook landerijen. Beowulf zegt van Hygelac:
Hij gaf me land en goed, ’t genot des erfgronds. (2565.)
Wiglaf herinnert zich Beowulfs mildheid:
Hij was alsdan het eigendom gedachtig,
Waarmee hem gene vroeger had begiftigd,
De weeldevolle woning der Waegmundings,
Elk volksbezit, gelijk bezat zijn vader. (2685–88.)
Wij zien insgelijks, dat Hygelac met landerijen Wulf en Eotor beschenkt en zelfs den laatste met de hand zijner dochter. Uit de aangehaalde woorden van Wiglaf blijkt, alsmede uit andere plaatsen, dat de koning een stuk van het aan de gezamenlijkheid, aan den stam behoorend eigendom aan enkelen toewees.
De latere Engelsche koningen pasten die handelwijze in het breede toe, en zoo ontstond mettertijd de dienst- en bezitsadel, welke den oorspronkelijken geboorteadel over het hoofd wies. In den Beowulf zijn dus de kiemen van het leenstelsel reeds aanwezig.
Uit het gevolgschap koos de vorst soms eenige dapperen uit voor eene moeilijke onderneming; dit zien wij bij gelegenheid van Beowulfs tocht naar Denemarken en later bij zijnen kamp met den draak.
In tijd van vrede maakten de mannen van het gevolgschap den hofstoet des konings uit.
Zij bekleedden de hoogste waardigheden, als daar zijn: raadsheer (Aeschere); schenker (501, 2088); zanger (Unferd); ceremoniemeester (Wulfgar); hofmeester (1835).
Men wane niet, dat wij met eene maatschappij te doen hebben, welke een bekrompen en armoedig bestaan leidde, zooals die bij Tacitus. Verre van daar.
Onder stoffelijk oogpunt heerscht er aan de vorstenhoven zoo niet weelde, dan ten minste welvaart.
Het verblijf der Deensche koningen bestaat uit de burcht, welke nogal aanzienlijk moet geweest zijn, en uit Heorot, de troonzaal, die zich in de nabijheid verheft; het geheel is omgeven met een ruim plein, het medeërf v. 1674, waar zich ongetwijfeld andere bijgebouwen bevonden.
Het gedicht vermeit zich in de beschrijving van Heorots pracht,
De trots gebouwde zaal in bonten goudglans.
Het was de wijdst vermaarde woon ter wereld
Bij ’t menschdom, waar de machtige verwijlde.
De vuurglans lichtte over vele landen. (310–13.)
Het gebouw was van binnen met ijzeren bouten versterkt; kostbare kleeden met geborduurde tafereelen bedekten de wanden; goudversieringen blonken allerwegen, en een veelkleurig geplaveide weg, breed genoeg om een troep ruiters te laten draven, voerde er heen:
De baan was bont bevloerd. (321.)
De schepen zijn met een zeil en met kunstig gesmukten steven voorzien. Bij de onbekrompen feestmalen, waar een beker de ronde doet, wordt niet alleen bier en honigdrank, maar ook wijn geschonken. De beschrijving van den drakeschat met zijn schemerenden standaard en kostbaar vaatwerk, die van de sieraden, welke de koning ten geschenke geeft, bewijst ten volle, dat de kunst van het goudsmeden, die alleen bestaanbaar is met eene zekere welvaart, eene aanzienlijke hoogte had bereikt.
Wat het meeste pleit voor den stoffelijken vooruitgang en de zucht tot weelde en prachtvertoon is de kleederdracht of beter de uitrusting.
Mannen zoowel als vrouwen dragen versierselen:
De man (zal) geen tooisel dragen tot gedachtnis,
Geen ringsieraad de jente jonkvrouw hebben. (3123–24.)
Het harnas is een meesterwerk van smeedkunst, de helm draagt een gulden everbeeld. Beide zijn dikwijls uit kostbaar metaal vervaardigd, zoo Beowulfs helm:
Getooid met goud, met vorstenwrong omgeven. (1478)
Hoe rijk de verschillende wapens ook zijn, het zwaard met deugdelijk ijzeren lemmer en sierlijk bewerkt gevest overtreft ze alle; enkel aan het schild wordt minder pracht ten koste gelegd; het is gewoonlijk van lindenhout en slechts bij uitzondering van staal en wel dan, als het voor Beowulf zake is zich voor het vuur des draaks te beschutten.
Paarden staan de edellieden ten dienste; dikwerf is zadel en tuig met goud belegd; wandelritjes worden tot uitspanning ondernomen, en alsdan hebben zelfs wedrennen plaats, welke als de voorloopers kunnen beschouwd worden van het zoo geliefkoosde tijdverdrijf der Engelschen.
Stappen wij over tot de verstandelijke ontwikkeling.
De helden koesteren den grootsten eerbied voor de rijpe ervaring, voor de meerderheid van den geest; dit mag als een grondtrek van het epos aanzien worden.
Hrodgar is de «wijze heerscher» (1428) «door jaren wijs» (1758) «bekend door kundigheden.» (930)
De raadsheeren staan in hoog aanzien, hunne uitspraak wordt op prijs gesteld. In de Finn-episode treden zij als scheidsrechters op.
Hygelac keurde Beowulfs tocht naar Denemarken af, toch zet deze zijn plan door, want de raadslieden stijven hem in zijn voornemen:
Bij lang niet laakten wijze liên die reize. (208)
Degene, die door den koning het meest gewaardeerd wordt, is Aeschere, des konings
alvertrouwde en raad verstrekker tevens. (1349)
Bij de oprichting van Beowulfs grafheuvel worden deskundigen in den arm genomen:
Zij wierpen eenen wal er om, zoo deugdelijk
Als ’t hoogst ervaren mannen konden vinden. (2276)
Niet alleen bij de ouderlingen, maar ook bij de jongeren werd wijze bezadigdheid op prijs gesteld. Hrodgar vat Beowulfs aanspraken op vermaardheid in twee woorden samen:
Gestadig waakt gij op dit alles, sterkte
En wijsheid van gemoed. (1738)
Is het dus te verwonderen dat de welsprekendheid zoo hoog aangeschreven stond bij deze ernstige mannen?
Eene wijze rede wordt op ééne lijn gesteld met het kostbare goud: Beowulf «opent de schatten des woords» (261) en verzoekt om met Hrodgar «den woordenschat te mogen wisselen.» (367)
Voor deze «barbaren» bestond het ideaal van den held niet alleen in lichaamskracht, maar ook in de evenredige ontwikkeling van hart en geest!
Op meer dan eene plaats wordt dit uitgesproken.
De kustwachter zegt:
De dappre dienstman: Ja, een scherpe schildman
Van beide weet bescheid, van woord en werken.
Hrodgar reikt aan Beowulf het volgende getuigschrift uit:
U in ’t gemoed. Van geenen man nog hoorde
Ik op die jonge jaren rijper rede.
Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig,
Aan woorden wijs. (1884–87)
Welke diepe kloof ligt er niet tusschen dezen held en de ridders van het leenwezen, die ijzervreters, wier bekrompen verwaandheid de domme kracht alleen huldigde, zoodat de dichter van Reinaert, ons Nederlandsch volksepos, ze in Bruin den beer aan de kaak heeft gesteld tot lachwekkend schouwspel voor alle eeuwen!
Al de redevoeringen munten uit door eenen ernstigen, kalmen, waardigen toon, welken de Engelsche letterkunde niet meer heeft afgelegd.
Niet minder dan de welsprekendheid staat de dichtgave hoog aangeschreven, de kunst om (882) «naar eisch gerangschikt nieuwberijmde woorden» d. i. stafrijmen te vinden.
Wij gelooven niet, dat Hrodgar er eenen hofnar op zou nagehouden hebben, doch hij bezat iets beters, den hofdichter, den thyled of spreker, die niet alleen aangesteld was om de daden der beroemde helden te bezingen, maar ook om het gezellige onderhoud gaande te houden.
Dit ambt vervult Unferd. Hij behoort tot het gevolg des konings en is, wat edele geboorte en dapperheid betreft, de evenknie van den besten onder zijne wapenmakkers. Zelfs kunnen wij zeggen, dat hij boven al de overigen gewaardeerd wordt, want zijne plaats is aan de voeten des konings, d. i. op de derde eereplaats na Hrodgar en Beowulf.
Evenals het ambt van hofdichter zoo stond ook de dichtkunst zelve in hooge eer. Zij speelt eene rol in al de omstandigheden des levens, in lief en leed, bij feestmalen en begrafenis.
In dit opzicht heeft het Oudengelsch gedicht eenige overeenkomst met dat der Finnen, de Kalewala, bij welke de macht der poëzie schering en inslag is van het volksepos.
Halen wij eenige voorbeelden aan tot staving van het gezegde.
Hildeburg treurt bij den brandstapel van de in den strijd gesneuvelde dierbaren:
De ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder
In klaaggezang. (1130)
Hredel heeft zijnen oudsten zoon op noodlottige wijze verloren en vindt nog alleen vertroosting in de poëzie:
Hij gaat naar ’t rustvertrek en zingt een rouwlied. (2530)
Rookwolken vermengd met treurzangen verheffen zich boven Beowulfs brandmijt:
Het beendrenstel. Zij klaagden lustverstoken
Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings.
Ook zong alzoo de jonkvrouw jammerspreuken
Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken,
Door zorgen aangezet enz. (3262–66)
Is eindelijk de lijkheuvel opgeworpen, dan rijden de zonen van de twaalf rijksgrooten rond het gedenkteeken:
Zij wilden weder klagen, weer gewagen
Van hunnen koning, weder spreuken konden
En nopens hem verhalen al het goede. (3286–88)
Bij de drinkgelagen, welke het grootste gedeelte van den dag tot laat in den nacht duurden, werd de luidruchtige vroolijkheid, scherts en lach afgewisseld door het zingen van oude sagen met begeleiding van de harp.
Zoo laat de inlasscher den dichter het scheppingsverhaal voordragen, zoo luisteren de aanzittenden met gespannen aandacht naar de Finn-episode, het krijgslied van de onverzoenbare wraakzucht.
Ziehier het tafereel, dat Beowulf aan Hygelac ophangt van de gezellige bijeenkomsten aan het Denenhof; wij zien er uit, dat de Germanen, zoo zij zich ook aan den drank te buiten gingen, desniettegenstaande bevrediging schonken aan de hoogere eischen van het dichterlijk gevoel.
Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding
Vertelde uit vroeger tijd, naar menig vorschend.
Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte,
De zoete harp, het hout der vriendenvreugde.
Te met ontspon hij sproken waar en weevol,
Ofwel de grootgezinde koning zette
Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid.
Dan weer begon de grijze wapenvoerder,
Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht
Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste ’t binnenst,
Wanneer, door winters oud, hij ’t aantal nadacht. (2160–70)
Zelfs in omstandigheden, waar de dichterlijke voordracht alles behalve gemakkelijk kan geschieden, wordt dit zoo geliefkoosde tijdverdrijf niet vergeten. Terwijl het moedig gezelschap van het meer terugkeert, waar zij het spoor van den gewonden Grendel gevolgd hebben, en de paarden stapvoets gaan, haalt een hunner de sage van Sigmund op, terwijl hij zelfs, en dit is merkwaardig genoeg, Beowulfs wapenfeit, dat den vorigen dag heeft plaats gehad, voor de vuist bezingt en met dien held der dichterlijke overlevering in verband brengt. Ziedaar een sprekend voorbeeld van het ontstaan der sage, die haren oorsprong neemt uit een werkelijk feit en dit met eenen mythischen held samenvlecht.
Een ander bewijs voor de verstandelijke ontwikkeling der Oudengelsche wereld zouden wij kunnen vinden in de beschrijving van den veldslag tusschen de Gooten, onder Hadcyn en Hygelac, van den eenen, en Ongentheow, den koning der Zweden, van den anderen kant. (3025 vlg.)
Het is geen ordelooze kamp, maar een geregeld gevecht, dat getuigt van een voor dien tijd niet gewoon krijgsbeleid.
Ongentheow doet eenen uitval uit zijne versterkte stelling, drijft Hadcyn terug en sluit hem in het Ravenbosch in; den volgenden morgen daagt Hygelac tot ontzet op, verslaat Ongentheow en werpt hem terug in zijne verschansing.
Hier hebben wij met geregelde krijgsbewegingen te doen; doch nog meer: De Zweden worden uit hunne stelling verjaagd en slaan op de vlucht, doch Ongentheow wordt tot staan gebracht. Op welke wijze dit zich toegedragen heeft, wordt niet gezegd, maar het zal niet al te gewaagd zijn te veronderstellen, dat een gedeelte der Gooten den vijand in den rug heeft aangetast.
Doch wij willen liever bij een ander punt stilstaan, dat het helderste licht werpt op de ontwikkeling van deze zoogenaamde barbaren.
Het zijn de beschaafde vormen, de heusche manieren, ja zekere voorgeschreven plichtplegingen, welke aan het hof van Hrodgar den toon geven.
De hoffelijkheid was, niet minder dan de moed, eene eigenschap van den edelman, en de helden rekenden het zich tot eene eer, door hun gedrag te toonen, dat zij geene vreemdelingen waren in de kennis der hofgebruiken.
Het zijn allen in meer dan een opzicht echte «gentlemen,» al is het woord dan ook van latere Engelsche vinding.
Vriendelijkheid, welwillendheid, onderlinge waardeering drukken hunnen stempel op het dagelijksch verkeer.
Als de Gooten, die met Beowulf koers zetten naar de Deensche kust, aan wal gestapt zijn, vraagt de kustwachter naar hunne afkomst en bedoelingen. Dit doet hij in beleefde taal.
Wie zijt gij, rustingrijken, staalbeschutten? (241)
Vooral trekt de aanvoerder zijne aandacht; want zijn edel uiterlijk heeft niets gemeen met dat van eenen dorper:
’k Ontwaarde nooit ter wereld koener krijger
Dan uwer een, dien ridder in de rusting.
Voorwaar geen huisman is ’t, gedost in ’t wapen,
Tenzij ’t gelaat, die leest, die eenge, liege. (251–54)
Met welke voorkomendheid bejegent hij niet de vreemdelingen, nadat zij het doel hunner reis hebben blootgelegd! Hij doet hun een eind weegs uitgeleide en belooft een wakend oog te houden op hun schip.
Aan het hof gekomen moeten de bezoekers eerst om gehoor vragen, alvorens bij den koning toegelaten te worden.
Wulfgar komt hun te gemoet en doet de gebruikelijke vragen, want hij is Hrodgars bode of liever ceremoniemeester, volgens onze hedendaagsche begrippen.
Daarna treedt hij weder binnen, om hen in gepaste, eerbiedige taal aan te dienen; hij plaatst zich niet recht voor den koning, maar ter zijde, aan zijnen schouder, want:
Hij kende de handelwijs van ’t hof. (360)
Hrodgar beveelt alsdan Wulfgar, hem de hooge vreemdelingen voor te stellen. Deze spoedt zich weer naar buiten en deelt Beowulf mede, dat zijn verzoek om pleeggehoor is ingewilligd. De wellevendheid vordert nochtans, dat zij hunne schilden en lansen buiten laten staan. Onder den blinkenden helm en in het klinkende harnas stapt Beowulf met zijne mannen achter Wulfgar de zaal binnen en nadat hij staande den koning begroet en dezes antwoord ontvangen heeft, wordt hem eene eereplaats aangewezen.
Het gebruik eischte, dat elke gast de zitplaats innam, die met zijnen rang overeenkwam.
Daarom verwaarloost Beowulf niet, als hij later bij Hygelac is teruggekeerd en deze hem «op heusche wijs» ondervraagt, op deze voor hem belangrijke omstandigheid te wijzen:
Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen
Mij naast zijn zoon een zetel, bij ’t vernemen
Van mijn ontwerp. (2062–64)
Niet te vergeten is ook de eerbied, waarmede het gevolg den koning toespreekt. Weidsche benamingen als «de hooge heerscher, de wijdvermaarde vorst, de schuts der Schyldings» enz. worden hem toegezwaaid; nochtans hebben zij niets vernederends, niets kruipends, niets wat naar de vleierij van hovelingen zweemt.
Kenteekenend is hier vooral de toespraak van de koningin Wealchtheow tot haren heer en gemaal:
Ontvang, o mijn gebieder, dezen beker,
O goudbegever. Wees nu wel te moede,
O schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten
Met milden mond. (1189–92)
Deze taal is verre van vertrouwelijk en gemeenzaam, doch zoo vorderde het de voorname toon van het hof.
Immers wordt niet van haar gezegd:
De woorden waren lief. Dan Wealchtheow naakte,
Zij Hrodgars gade, ’t hofgebruik indachtig.
Zij groette, goudgekleed, de hallegasten.
Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer,
De hooggeboren vrouwe, toe den beker. (624–28)
Daarom wordt ook van Hygd, Hygelacs gade, gezegd, dat zij vriendelijk en mild was voor de krijgers, doch niet gemeenzaam. (1979)
Bij het feestmaal, aan de overwinnaars geschonken, wordt uitdrukkelijk vermeld, dat de gasten zich aan tafel als welopgevoede, welgemanierde edellieden gedroegen:
’k Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan strijders,
Zich beter hield in ’t bijzijn van den schatheer. (1025–26)
Zij dronken met waardigheid:
Terwijl hun magen bij den vollen maaltijd
Hun hart ophaalden, menig medebeker
Met waardigheid ontvingen. (1028–30)
Deze innemende gezelschapstoon treedt zelfs in fijne schakeeringen te voorschijn.
Zoo hoopt Beowulf, na de inbraak van Grendels moeder, dat Hrodgar goed geslapen heeft, ofschoon hij van het tegendeel overtuigd is; doch dit vergde de wellevendheid.
Zoo bedankt hij Unferd voor het hem geleende zwaard, dat hem niet dienstig is geweest; doch hij wacht zich wel van zulk ongunstig oordeel er over uit te spreken, maar prijst het integendeel:
Hij schatte dit geschikt een kampvriend
En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer
Van ’t staal met woorden. (1851–53)
Zal niet ieder lezer moeten bekennen, dat eene maatschappij, welke zoozeer aan plichtplegingen, aan heuschheid in al haar doen en laten gehecht is, onder het oogpunt van de beschaving des geestes eene zekere hoogte moet bereikt hebben, en voorzeker niet op eene lijn dient gesteld te worden met de overige Germaansche volken?
Men zou kunnen opwerpen, dat deze uiterlijke vormen nog geen bewijs zijn van de ware, van de innerlijke beschaving, die van het gemoed; dat zij niets meer zijn dan een schoone tint, een vernis, waaronder de aangeboren woestheid van den Germaanschen natuurmensch zich verbergt. Daarom zal het noodig zijn ons eene voorstelling te maken van de zedelijke ontwikkeling der helden, van de drijfveeren, die hen deden handelen.
Wij zagen reeds, dat het dienstgevolgschap nog altoos bloeit, eene instelling, welke op trouw en aanhankelijkheid en niet, zooals het latere leenstelsel, op louter zelfzucht berust, en derhalve alleen mogelijk is bij eene maatschappij, welke een hoog zedelijk peil heeft bereikt.
Hrodgar is niet alleen de beschermer, maar ook de vriend der Schyldings. Hij is het hoofd van het groote gezin. Eene vaderlijke bezorgdheid koestert hij voor zijne mannen en dit is de reden, waarom hij zich door het geheele epos zoo weekhartig voordoet; zoodat hij veel heeft van eenen door leed en jaren suf geworden huilebalk.
Grendel heeft twaalf jaren lang eene schromelijke slachting onder de Denen aangericht, en gedurende al dien tijd
Op deze wijze broeide hij voortdurend,
De zoon van Healfdeen, zorgen voor het heden; (192–93)
want hij
De hal met wapenvocht. Ik had der trouwen,
Der dierbre mannenschaar weer des te minder. (492–93)
Het sneven van Grendel schenkt hem slechts eene kortstondige verademing, daar Grendels moeder Aeschere «des konings meest beminden kamper» doodt. Deze tweede slag verplettert hem gansch:
Naar welstand vraag me niet. De nood is weder
Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aeschere,
Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder. (1346–48)
Groot is dan ook zijne dankbaarheid jegens zijnen redder en hij weet er niets beters op te vinden, dan hem tot zoon aan te nemen. Als eindelijk het uur der scheiding geslagen is, neemt hij onder tranen van hem afscheid, want een voorgevoel zegt hem, dat hij hem nimmer zal weerzien:
En ras teruggekeeren. Hierop kuste
De hooggeboren vorst, de heer der Schyldings,
Der helden besten, zijnen hals omvattend.
Den zilvergrijze zegen neer de tranen. (1914–17)
Geene mindere genegenheid voor zijne mannen legt Beowulf aan den dag.
Hij alleen waakt in Heorot, terwijl zijne onversaagde makkers zich aan den slaap overleveren, vol vertrouwen als ze zijn op zijne machtige hoede, al zijn ze er dan ook zeker van, dat voor hen geen tweede morgen zal dagen:
Zich naast hem neder. Niemand hunner hoopte
Van hier nog ’t dierbaar heim en ’t volk te groeten,
Of ’t burgslot, waar zij waren opgewassen. (705–7)
Op het punt van in ’t grondelooze meer te springen drukt hij Hrodgar wel op het hart, om in zijne plaats de tochtgenooten tot vader te strekken, mocht hij er het leven bij inschieten:
Indien ik eens in uwen dienst het leven
Verlaat, dat gij voor mij, den overledene,
Voortaan vervullen zult de plaats van vader.
O, Wees de wachter van de wapenlieden,
Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt. (1505–9)
Alvorens te sterven geeft hij aan Wiglaf zijne eigen wapenrusting tot aandenken, als het kostbaarste pand, dat hij hem kon overlaten.
Niet alleen is de koning een vriend en vader voor zijne mannen, maar ook een weldoener. Wij zagen reeds, op welke wijze hij den wapendienst vergeldt.
Vrijgevigheid is een der hoofddeugden van den Germaanschen vorst, terwijl de gierigheid naast den overmoed als oorzaak van zijnen ondergang wordt aangemerkt; dit wordt bij Heremod bewaarheid.
En geen wonder, want door mildheid kon hij zich alleen eene uitgelezen schaar aanwerven; rijkdom was voor hem een onontbeerlijke hefboom van het gezag.
Hij heet dan ook de goudvriend, de schatheer, de gever van het goud; de troonzaal is de giftstoel, de goudzaal.
De gevolgsman draagt er niet weinig roem op, eenen milden heer te dienen:
Dan kan aan ’t goud der Gooten vorst erkennen,
De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten,
Dat ik een meer dan milden goudbegever
Gevonden heb en hield, zoolang ik leefde. (1512–15)
Het geschenk moet den gever en den begiftigde waardig zijn, zoodat niemand er iets op af te dingen heeft:
Zoo ridderlijk vergold met goud en rossen
Het kampgeraas de wijdberoemde koning,
De schatheer van den stam; gelijk geen stervling,
Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen. (1060–63)
Hetzelfde oordeel wordt uitgesproken over de aan Wulf en Eofor toegekende belooning. (3101)
Hrodgars geschenken dragen integendeel de goedkeuring weg van Beowulfs mannen:
Verwachtte zijn bezitter. Onderwege
Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar. (1930)
De drie hoedanigheden, welke Beowulf tot toonbeeld maken van den Oudengelschen heerscher, zijn vervat in de slotverzen:
Zij zeiden, dat hij was der wereldvorsten,
Der mannen mildste, ’t minzaamst voor de menschen,
Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst.
Gaan wij nu de verhouding na van den gevolgsman tot zijnen gevolgsheer.
Hier treedt de onverbreekbare trouw overal op den voorgrond.
’t Is waar, de latere Romaansche volksdichten, alsmede het Nibelungenlied, steken luide de loftrompet over de trouw van den leenman tot zijnen leenheer; doch de Beowulf is hen voor geweest in de verheerlijking dezer ridderlijke eigenschap, welke uit het volle Germaansche gemoed is gegrepen.
De wederzijdsche verknochtheid van heer en dienstman wordt volgenderwijze uitgesproken:
Aan Hygelac, den weerbren in ’t geworstel,
Aan dezen was de neef geheel genegen.
Elk hunner was des andren heil gedachtig. (2226–28)
Deze verkleefdheid toont de gevolgsman eerst en vooral op het slagveld:
’k Vergold aan Hygelac de kostbaarheden,
Die deze mij verstrekt had, in het strijdperk
Door ’t lichtend lemmer, naar het mij verleend was. (2562–64)
Wiglaf drukt in zijne gloeiende rede hetzelfde uit. (2715 vlg.).
Deze gehechtheid aan den vorst is niet het uitvloeisel van de hebzucht, van het verlangen naar eene rijke belooning, maar van een hooger beginsel, het plichtgevoel; al is het dan ook waar, dat een geschenk steeds welkom is.
Hiervoor pleit Beowulfs gedrag, die de hem door Hrodgar geschonken kostbaarheden aan Hygelac en dezes gade afstaat, ja zelfs het onwaardeerbare halssieraad, het eenige in zijne soort.
Hrodgar roept Beowulfs hulp in, door hem te bezweren bij het leven van Hygelac:
Mij bad de koning leedvol bij uw leven,
Dat ’k waagde een ridderwerk in ’t golfgewentel. (2188–89)
De verknochtheid aan den koning der Denen, waarvan de held blijk geeft, (hij belooft hem zelfs uit zijn land te hulp te komen, zoo het noodig is), weegt niet op tegen die aan Hygelac. Daarom verzoekt hij den vorst, alvorens het gevecht aan te gaan met Grendel, zijne wapenrusting aan Hygelac te zenden, zoo hij er het leven laat.
Maar zend dan, zoo het strijdgewoel mij wegrukt,
Naar Hygelac het puike pantser henen,
Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed. (455–57)
Vóór den kamp op den bodem van het meer boezemen dezelfde gevoelens hem de woorden in:
En zend dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar,
De mij geschonken schatten heen aan Hyglac. (1510–11.)
Dezelfde trouw, welke Beowulf voor zijnen heer aan den dag legt, wordt hem op zijne beurt door zijne eigen krijgers bewezen.
Denken wij aan het tooneel op den oever van het Nikkermeer, waar de Gooten Beowulfs terugkomst reikhalzend te gemoet zien. Een bloedstraal schiet te voorschijn. Het wachten moede aanvaarden de radelooze Denen den terugtocht; de anderen nochtans blijven ter plaatse met den dood in het hart.
De vreemden zaten droef van zin en tuurden
Naar ’t water heen. Zij wisten noch zij waanden
Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher. (1635–37).
Er is nog een ander held, die zijnen meester in den drakekamp trouw ter zijde staat. Het is de jonge Wiglaf, van wien de dichter zegt:
Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen. (2797)
Ofschoon hij voor den eersten keer ten strijde is uitgetrokken, ofschoon de tien overige helpers, sinds lang beproefde krijgers, op de vlucht zijn gegaan, toch deinst hij niet; het plichtgevoel gebiedt hem zijnen heer ter hulp te snellen, te meer nu het ook zijn bloedverwant is:
Niets blijkt zoo machtig om de bloedverwantschap
Bij hem, die koen gezind is, ooit te keeren. (2679–80)
Hij wil liever sterven, dan aan dien plicht te kort te schieten:
God weet van mij; mij ware ’t wenschelijker,
Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler
Het vuur omving. (2732–34)
Zijne redevoering, waarin hij al de grootheid zijner heldenziel heeft neergelegd, is eene der schoonste bladzijden van het gedicht.
Een tooneel, het penseel eens schilders waardig, is dat van denzelfden jongeling, die aan de zijde zijns vorsten en achter diens schild den vuurspuwenden draak te lijf gaat.
Hiermede in overeenstemming is het latere gedrag van Wiglaf, de vruchtelooze pogingen, die hij in het werk stelt om zijnen heer, aan wiens dood hij niet kan gelooven, in het leven terug te roepen; het onbetwiste gezag, waarmede hij met het oog op Beowulfs jongste beschikkingen, de laatste maatregelen treft; doch vooral zijne bestraffing van de lafaards, als deze beschaamd en zwijgend komen aangedropen.
Geen grooter schande bestond er voor den krijgsman dan zijnen heer in den steek te laten.
Men leze Wiglafs van verontwaardiging trillende redevoering. Vreeselijk is de straf, welke de eerloozen zal treffen; men zal met hen handelen als onlangs in Frankrijk geschied is met Dreyfus, den verrader: zij worden uit de gemeenschap verbannen en dood verklaard, zij met hunne bloedverwanten.
De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken,
Het heele haardgenot en heil, ’t zal alles
Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen,
Verstoken van het landbezit der stammen,
Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders
Vernemen uwe vlucht vanuit de verte,
Uw roemberoofde daad. De dood is beter
Voor ieder edelling dan ’t smaadvol leven! (2986–93)
In het gansche gedicht wordt slechts eenmaal gewaagd van wrevel, zooniet opstand, tegen den wettigen heer, nl. in de duistere episode van Heremod, doch men houde wel in ’t oog, dat wij hier met eenen dwingeland te doen hebben, die het eerste begonnen was met zijne plichten als gevolgsheer onder den voet te halen.
Even onberispelijk als de verhouding tusschen gevolgsheer en gevolgsman, is die van de krijgers onder elkander. Het zijn wapenbroeders in de volste beteekenis van het woord.
Bij zijnen wedstrijd in het zwemmen wil Beowulf Brecca niet moederziel alleen aan zijn lot overlaten; daarom blijft hij gedurende 7 dagen in zijne nabijheid, totdat de storm hen eindelijk uit elkander slaat.
In ’t minste niet vermocht, ter zee gezwinder,
Hij door den vloed mij verre voor te bruisen,
Noch wilde ik zelve mij van hem verwijderen. (552–54)
Er wordt gewezen op de goede verstandhouding onder de Denen.
Hrodgar beveelt aan Wulfgar, de vreemdelingen aan de Deensche krijgslieden voor te stellen:
Verzoek hen in te gaan en al te gader
Het broederbond te schouwen van de schare. (386–87)
Wealchtheow spreekt den wensch uit, dat Beowulf hare zonen met zijne raadgevingen ter zijde zal staan, opdat dezelfde eensgezindheid blijve heerschen.
Elk krijger hier is heel verknocht den andren
En mild van zin. (1248)
Deze vriendschappelijke betrekking bestaat ook tusschen de Denen en hunne gasten; want verre van ijverzuchtig te zijn op de heldendaden van de Gooten, erkennen zij hunne meerderheid. Zelfs nemen zij er geenen aanstoot aan, als Beowulf met weinig diplomatische vrijmoedigheid hun ronduit durft verklaren:
Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de strijdzucht,
Den onbesuisden lansstorm uwer lieden
Niet zeer te duchten heeft. (607–9)
Dat pleit niet weinig voor de welwillende voorkomendheid, waarmede de Denen hunne gasten bejegenden.
Hrodgar mag dus wel vóór het afscheid met volle vertrouwen verzekeren, dat Denen en Gooten voortaan de handen broederlijk zullen ineenslaan, zoodat de vriend of de vijand van het eene volk dit ook voor het andere zal zijn:
De staalomwonden kiel zal over ’t water
De gaven brengen met de gunstbewijzen.
Ik weet, dat tegenover vriend en vijand
Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare,
In alles zonder blaam, naar de oude zeden. (1905–9)
Beschouwen wij nu het karakter van de helden op zich zelf; wij zullen er eene zedelijke ontwikkeling ontmoeten, die ons met verbazing slaat. Al wat den mensch groot maakt, wat hem eenen onsterfelijken naam verwerft, ziedaar het ideaal van den krijgsman, zooals het, ontzagwekkend en vertrouwelijk beide, uit het epos te voorschijn treedt.
Roemzucht is de voornaamste drijfveer van al de daden.
Nu wil ik, grijze wachter van de volken,
Nog eens ’t geworstel zoeken, roem verwerven. (2584)
Zoo spreekt met jongelingsvuur de honderdjarige heerscher voor den drakekamp.
Van kindsbeen af had Beowulf gezworen, zich boven de andere menschen te zullen onderscheiden. In de hachelijkste stonde van zijn lange leven herinnert hem Wiglaf daaraan:
En zei in weinig woorden: Beste Beowulf,
Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger
Gezegd hebt in uw jeugd: Gij zoudet nimmer
Uw eere laten zinken bij uw leven. (2745–48)
Dit voornemen staat hem altijd voor den geest; men luistere naar de volgende fiere taal:
Van ’t leven hier omlaag. Dat hij behale,
Die daartoe is in staat, een naam vóór ’t sterven!
’t Is later ’t beste voor d’ontlijfden krijger. (1413–15)
Ook stuurt Hrodgar hem toe na volbrachten arbeid:
Gij hebt verkregen,
Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren
Altoos voor later tijd. (968–70)
Dit verlangen verbonden met een levendig plichtbesef, dat wij reeds bij Wiglaf leerden op prijs stellen, zet tot handelen aan. Overheerschend is deze begeerte naar roem; zij overwint alle aarzelingen, zet alle beschouwingen ter zijde en wapent den held met doodsverachting.
Overwinnen of sterven is Beowulfs leus; het leven weegt voor hem niet op tegen den roem:
Dit was mijn streven, toen ik steeg te water,
De kiel beklom met mijnen drom van dappren,
Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde,
Of stortte in ’t stof, omklemd door ’s vijands klauwen.
Dus zal ik deze ridderdaad verrichten,
Of in de hal mijn laatsten dag beleven. (643–48)
Dezelfde gevoelens ontboezemt hij voor het gevecht met Grendels moeder (1518) en met den draak (2609).
Het verdient opmerking, dat Beowulfs eergierigheid niet enkel voortvloeit uit de zucht om zich zelven op te luisteren: er is nog iets anders in het spel dan eigenliefde, hij laat zich leiden door een hooger beginsel, de verheerlijking van zijn volk:
Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en fierheid
In ’t strijden staan. (613)
Beowulf zegt deze woorden alvorens Grendel te bevechten; zijn doel is, de tegenstelling uit te doen komen tusschen zijn eigen volk en de weerlooze Denen. Vandaar dat hij hunne hulp van de hand wijst.
Bij Hygelac weergekomen beroept hij zich wederom op het vaderlandsche doel, dat hij voor oogen had bij al zijne ondernemingen:
Ik heb, mijn vorst, uw volk aldaar verheerlijkt
Door ’t wapenfeit. (2150)
Dit streven naar roem, de springveer van alle groote daden, brengt die zucht naar avonturen mede, waarvan de tocht naar Hrodgar het klaarste blijk is:
Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst
Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte. (1880–81)
De Noordsche volken hebben nimmer dezen grondtrek afgelegd. Er valt nochtans een hemelsbreed onderscheid waar te nemen tusschen de Noormannen, die hoofdzakelijk uit plunderzucht hunne strooptochten ondernamen, en den held van het gedicht, die, verre van door zulke lage beweegredenen gedreven te zijn, de zee oversteekt om Hrodgar zijne hulp aan te bieden:
Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning,
Den hoogen heerscher langs het zog der zwanen
Opzoeken zou, wien mangel was aan mannen. (203–5)
En wat verder:
En wee en slachting. Hrodgar kan ik wijzen
Grootmoedig ’t middel, hoe de grijze en goede
Den vijand vleuglen zal. (280–82)
Hrodgar bevestigt dan ook, dat Beowulf hem «tot hulpbetooning» heeft opgezocht.
Niets strijdt zoozeer met den geest van het gedicht als de veronderstelling, dat Beowulf door gouddorst aangezet wordt. Bij de vermelding van Hrodgars geschenken voegden wij reeds deze kantteekening toe; het is hier de plaats dit wat nader toe te lichten.
De dichter spreekt onverholen over Beowulf het oordeel uit:
Goudgierig was hij niet. (3185)
Dit oordeel wordt door zijne daden bevestigd.
Bij de terugkomst uit de onderzeesche woning laat hij de schatten onaangeroerd:
De ware Schepper is ’t.— Niet meerder schatten
Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten,
Ofschoon hij vele zag, dan ’t hoofd te zamen
Met dat gevest van glimmend goud. (1643–46)
’t Is waar, bij het zien van de juweelen uit het drakenhol springt zijn hart op van vreugde, doch het is, omdat dit goud, dat hij met zijn leven gekocht heeft, zijne lieden te goede zal komen:
Den Heer van alles weet ik dank met woorden,
Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder,
Voor al de schatten, die ik hier beschouwe;
Omdat ik deze, vóór mijn stervensstonde,
Erlangen mocht ten bate mijner mannen.
Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat,
Nu lenigt gij de nooddruft van de lieden. (2889–95)
Welke edele taal in den mond van eenen heiden!
Wat edelmoedigheid betreft, staan Beowulfs mannen op hunne beurt niet ten achter bij hunnen vorst.
Het zoo duur betaalde goud is te kostbaar om in vreemde handen over te gaan; het zal aan Beowulf gewijd blijven en met hem verdwijnen:
Geen enkel stuk alleen zal met den stoute
Verteren; maar daar ligt die schat van tooisels,
Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen
Ten laatste nog, betaald met eigen leven:
De vlamme zal ’t verzwelgen, ’t vuur bedekken. (3118–22)
Zelfs niet het geringste kleinood zal tot gedachtenis overschieten! (3123–24)
De mannen dragen de kostbaarheden uit het hol en zij komen niet op tegen het besluit, waardoor de hun door Beowulf toegedachte rijkdom voor hen verloren gaat; en toch moest die verblindende pracht hun de oogen uitsteken:
Daar rusten roestverweerd. Niet een dien ’t rouwde,
Toen zij in aller ijl naar buiten brachten
Den kostbren schat. (3243)
De drakeschat wordt in den grafheuvel neergelegd:
Zij lieten de aard der helden tooi behouden,
Het goud in ’t zand, alwaar het zit tot heden,
Zoo nutteloos den mensch gelijk voorhenen.
Al komt bij Hagen uit de Nibelungen in somberder tonen en grooter afmetingen de eigen dapperheid, de eigen doodsverachting en trouw te voorschijn, hij treedt in de schaduw overal, waar het op adel van gevoelens, op zedelijke ontwikkeling aankomt.
Hagen is nog de barbaar, die voor niets terugschrikt, zelfs niet voor eenen sluipmoord; Beowulf is de beschaafde edelman, de ridder «zonder vrees noch blaam».
Hij is geen woesteling, voor wien het vuistrecht tot hoogste wet verheven is; integendeel hij is zachtaardig:
Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte
Bewaakte met de meeste macht eens menschen
De reuzengave, hem door God geschonken. (2238–40)
Doch geldt het den verdrukte te helpen, dan springt hij kloekmoedig in de bres, dan stelt hij onvoorwaardelijk zijne reuzenkracht ter beschikking van het goede recht, het komt er niet op aan, of de ongelukkigen tot zijn eigen volk behooren of vreemdelingen zijn.
In gelijke mate als hij het gevaar voor zich zelven zoekt, tracht hij de anderen er niet aan bloot te stellen.
Zoo weigert hij de hulp van de elf makkers, hij alleen zal het hoofd bieden aan den draak:
Niet uwe taak is dit, niet toegemeten
Aan een der mannen, dan aan mij den ééne,
Dat hij met d’onheilstichter meet zijn sterkte
En ridderdaân verricht. (2606–9)
Hij zoekt niet de overmacht aan zijne zijde te hebben, ten einde zoodoende de overwinning des te gemakkelijker te behalen.
Een verzoek doet hij aan Hrodgar; dit is, Grendel te mogen bestrijden enkel en alleen met zijne Gooten:
Met dezen reus U, hoofd der Helden-Denen,
U breng ik, schuts der Schyldings, ééne bede:
Dat gij, o wijk der wapenliên, niet weigert,
O Vriend des volks, nu ’k herwaarts toog van verre,
Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide,
Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren. (429–34)
Hij acht het insgelijks beneden zich, den draak met een leger aan te vallen:
De uitreiker van den ringensmuk versmaadde
Nochtans, den ommevlieger aan te tasten
Met strijders, met een uitgestrekte heermacht. (2410–12)
De grootmoedigheid drijft hij zelfs zoo ver, dat hij Grendel, de belichaming van de domme kracht, wien alle edele gevoelens vreemd zijn gebleven, nochtans de eer aandoet eenen ridderlijken tweekamp aan te bieden.
De onverlaat is niet bedreven in den wapenhandel, bij gevolg zal de held van het voordeel afzien, dat zijn zwaard hem verzekert:
Ik wil hem dus niet dooden met het wapen,
Hoe licht ik zulks vermag, van ’t leven scheiden.
Hij kent de kampgewoonte niet van weder
Te schenken eenen slag, het schild te beuken,
Al is hij wijdberoemd door wapenfeiten.
Wij zullen dezen nacht aan ’t zwaard verzaken,
Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen. (692–98)
Zelfs is hij zoo teergevoelig op dit punt van eer, dat hij het noodig acht zich te verontschuldigen, omdat hij met wapenrusting en schild tegen den draak te velde trekt:
Maar hier verwacht ik mij op ’t heete kampvuur,
Den wilden drang der vlam. Ik draag diensvolgens
Het schild en krijgerkleed. (2594–96)
Den zwakke hulp verleenen, en tegenover eenen gewetenloozen en geduchten tegenstander aan alle rechtmatig voordeel verzaken: dat zijn twee eigenschappen, waarom wij aan Beowulf eenen nieuwen adelbrief, de ridderlijkheid, toekennen.
De taal bezit insgelijks het woord: eorl-scipe: ridderlijkheid; eorlscipe efnan: ridderlijke daden volbrengen.
Deze ridderlijkheid is wel niet het uitsluitend eigendom der Germanen, immers alle Arische volken (de Oudindische volkspoëzie bewijst het) onderscheiden zich van de al te stoffelijke Semieten door edelmoedigheid en heldhaftigheid; doch in geen volksepos is er een held aan te wijzen, die, wat zedelijke grootheid betreft, onzen Goot over het hoofd is gewassen. Beowulf mag onder dit opzicht gerust de vergelijking met Homeros’ helden doorstaan; zij zal niet in zijn nadeel uitvallen.
Het faalt nog alleen aan den geest van het Christendom, om de zedelijke waarde van dezen heiden, die, wonder genoeg, meer dan eens zoo christelijk denkt, tot een nog hooger ideaal op te voeren.
Vermelden wij nog ter loops den eerbied voor den ouderdom, alsmede Beowulfs rechtschapenheid, immers hij weigert den troon, hem door Hygd aangeboden, en stelt zich tevreden met de waarneming van de voogdijschap tijdens de minderjarigheid van Heardred; en gaan wij over tot eenen laatsten karaktertrek, die den aangeboren ernst der Oudengelsche helden schijnt te logenstraffen.
Müllenhoff legt aan Beowulf een gebrek ten laste, de grootspraak, de ophemeling van eigen wapenfeiten.
En inderdaad de man verkneukelt zich bij de herinnering aan zijne groote ondernemingen.
Reeds bij zijn eerste optreden aan het Denenhof geeft hij lucht aan dien onweerstaanbaren aandrang:
Zij kenden toch de maat van mijne krachten;
Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen
Ik bontbebloed terugkwam van den vijand,
Alwaar ik vastgebonden had een vijftal,
Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers
Bemeesterd in het midden van de baren,
Benarden nood beleefd, het leed der Weders
Gewroken (want zij duldden vele weeën)
’t Vijandig volk vergruisd. (419–27)
Onzes inziens is hier niet zoozeer aan praalzucht te denken, als wel aan een fier zelfbewustzijn, aan het vertrouwen op eigen kracht, hetwelk aan de jeugd en dus ook aan jonge volken eigen is.
Het gedicht levert ons daarvan het bewijs in de uitdagingsrede, de gilp-cwide, welke door het gebruik was voorgeschreven.
Bij eene ontluikende beschaving kon het slecht anders. De helden zeggen de waarheid onbewimpeld, met volle overtuiging, in den eenvoud des harten; terwijl diezelfde eenvoud een zeldzaam verschijnsel is in onze verfijnde samenleving, welke slechts hoogmoed verbergt, ofschoon zij, bij het streelen van de eigenliefde, zelfs den glimlach van tevredenheid weet te onderdrukken.
Men voelt, dat de held het meent, dat hij er niets bijhangt; het is geen opsnijder, geen lachwekkende miles gloriosus van het oude blijspel.
Hij vreest zelfs, dat hij te ver gegaan is in de schildering van den zwemwedstrijd en voegt daarom toe:
Niet bral ik dies. (598)
Verre van zijne tegenstanders te beschimpen of te kleineeren, laat hij hun recht wedervaren, al acht hij zich ook hun meerdere; dit bevinden wij bij Brecca, wiens stoutmoedigheid en zeegehardheid door hem ten volle erkend worden.
Hij geeft toe, dat Grendel wijdberoemd is door wapenfeiten (696) en dat hij hem niet kon beletten te vluchten:
Ontkwam. Ik kon hem, daar het God niet gunde,
Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig
Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand. (980–82)
Zoo hij er het leven heeft afgebracht tegenover Grendels moeder, dan is het dank aan hoogere tusschenkomst:
Bestond ik deze daad. Mij was het strijden
Verhinderd schier, zoo God mij niet beschermd had. (1689)
Unferd is de eenige persoon, die door afgunst geprikkeld, zich tegen de heuschheid bezondigt, welke hij aan de gasten verschuldigd is. Tot verschooning kan aangevoerd worden, dat hij bedronken was.
’t Is ook de man, die zich aan zijne bloedverwanten vergrepen heeft.
De gerechte straf blijft niet uit, al is het ook waar, dat hij later berouw gevoelt en zijne handelwijze tracht te vergoelijken, met zijn zwaard aan Beowulf te leenen. Voor hem is de ondankbare rol weggelegd; want het stuit allen tegen de borst, dat een man, die zich zulke aanmatigende taal veroorloofde en van wiens dapperheid zij eenen hoogen dunk hadden, niet hetzelfde aandurft als Beowulf:
Hier ging zijn roem te loor, de roep der sterkte. (1498)
Het is te betreuren, dat de vrouwen eene niet noemenswaardige plaats in het gedicht innemen; hoe gaarne hadden wij gezien, dat de eerbied voor de vrouw, waarvan Tacitus spreekt en welke zich in de Nibelungen bij Siegfrieds liefde voor Kriemhilde bewaarheidt, ook hier eene teedere snaar had doen trillen in die mannelijke harten; doch troosten wij ons, want het schoone Fransche epos, la Chanson de Roland, waar Aude eene vluchtige, schoon onvergetelijke rol vervult, heeft dit met het Engelsch gedicht gemeen.
De waarheid eischt, hier niet voorbij te gaan, dat aan de jonkvrouw «met samengebonden lokken» (3264), welke bij Beowulfs brandstapel haar verloren levensgeluk bejammert, voorloopig nog niet de bewijsstukken van wettige echtgenoote kunnen worden uitgereikt.
Doch kleven er geene smetten aan die schitterende heldengestalten, die zoo blank voor ons opdoemen uit de grijze vergetelheid? Hebben zij, evenals de personen uit de Nibelungen, geene trekken behouden van de vroegere barbaarschheid?
Het antwoord luidt bevestigend.
Halen wij aan de verslaafdheid aan den drank, de plunderingen, waaraan zich de Denen schuldig maken bij Hygelacs inval en bij Finns dood, de schaking van Ongentheows echtgenoote door krijgsgeweld, doch vooral de onverbiddelijke wraakzucht, die ook in de Nibelungen zoolang na de invoering van het Christendom heeft stand gehouden.
Wij hebben het oog op de bloedwraak, dien vreeselijksten aller hartstochten, geduchter dan de wraakgodinnen met hun «slingerslangig haar», welke in de geschiedenis van alle volken, doch vooral bij de Germaansche stammen thuis hoort.
Deze veete roept in het epos eenige tragische tooneelen te voorschijn, die waardig zijn het vernuft van eenen Shakespeare te bekoren, zoo groot zijn de als lava gloeiende driften, welke in de diepte woelen onder de vluchtig aangestipte gebeurtenissen.
Bloedwraak is de heiligste plicht.
Sedert twaalf jaren hebben de Denen vruchteloos gepoogd, Grendel te doen boeten voor den moord van eenige makkers; de dappersten schoten daarin te kort.
Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes
Zich niet de krijgers, door het nat bedronken,
In deze drankzaal met de grijns der degens
Te willen wachten op den greep van Grendel. (485–88)
Ten langen leste heeft Hrodgar gebrek aan kampers, de veete heeft van zelf uitgewoed, en de troonzaal blijft ledig. Op dit netelig oogenblik verschijnt Beowulf en tuchtigt den misdadiger. Doch nu treedt een tweede, niet minder duchtige tegenstander in het krijt: ’t is Grendels moeder.
Nu daagde een ander machtig euveldader,
Het was zijn doelwit, zijnen zoon te wreken. (1663–64)
De grijze koning voorziet geen einde meer aan al die bloedtooneelen:
En voor ’t vervolg bewerkte hij de veete. (1365)
Wij zien ook, dat Beowulf na zijne troonsbeklimming zich met Eadgils verbindt, om wraak te nemen over den dood van Heardred, die vroeger in den oorlog met de Zweden gevallen was.
In deze twee voorbeelden kan men ten minste de wraakoefening billijken, wel te verstaan van het heidensch standpunt beschouwd der betrokken personen; doch er doen zich ook gevallen voor, waar de denkbeelden, die, naar wij gezien hebben, de mannen zich van eenen held vormden, geheel en al worden omvergegooid; want tegenover dezen plicht houden alle andere plichten op.
De bloedwraak wettigt de vuigste, minst ridderlijke daden; zij veroorlooft eedbreuk, ondankbaarheid, kwade trouw en huichelarij.
Wat anders zien wij in de Finnsepisode, waar de Denen in bezongen worden?
Hengest kan den dood van Hnaf niet verkroppen; voor het oogenblik nochtans is hij machteloos en in naam zijner Denen zweert hij aan Finn, den Friezenkoning:
Dat hunner niemand, noch door woord noch werken,
Het bond ooit breken zou, door arglist letten. (1112–13)
Hij ontvangt huisvesting en geschenken van den vorst, blijft den langen winter bij hem, men zou zeggen, in de beste verstandhouding:
In alles een bij Finn; (1143)
terwijl de sombere man, als een tweede Hagen, in het geheim de onfeilbare wraak uitbroeit.
Ja, de bloedwraak is sterker dan de liefde tot de aangebeden gade.
Ingelds vader is in den kamp met de Denen gevallen; om hem met zich te verzoenen schenkt Hrodgar hem de hand zijner dochter. Een tijd lang sluimert de wraakzucht in de borst van den jongen krijger, ingewiegd als zij is door het huwelijksheil. Doch daarna breekt zij plotseling en verdelgend los, en de vreugde verkeert in wanhoop:
Dan zal der ridders eed van beide zijden
Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,
En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft. (2118)
De Germaansche wereld moet dikwijls getuige zijn geweest van zulken plotselingen omkeer, want er staat:
Niet zelden, maar te dikwerf, rust de moordspeer
Een korte wijle na den val des konings,
Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen. (2082–84)
Onuitwischbare schande is het aandeel van hem, die den gevallen bloedverwant niet wreekt.
Dit getuigt het niet minder dramatische, roerende, ja onovertroffen verhaal van koning Hredel.
Zijn oudste zoon Herebald is door diens broeder, Hadcyn, toevallig bij het boogschieten gedood. Deze manslag eischt vergelding; dit is de ijzeren wet.
Wat is aangrijpender dan de smart van den grijsaard, welke treurt over het verlies van zijnen oudsten zoon!
Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde
De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren;
Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder
Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot.
Wie beseft niet den strijd, welke in zijn binnenste omgaat tusschen zijnen plicht en zijn vaderhart; immers hij kan den dooder niet straffen, want het is ook zijn zoon!
Want gruwlijk is ’t den grijsaard om te ervaren,
Dat ginds zijn zoon, de jonge, rijdt aan ’t galghout.
Dan moge hij ’t weemoedig lied verheffen,
Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt,
De raaf tot lust, terwijl hij geene redding
Verleenen kan, bejaard en hoog van dagen. (2514–19)
Uit schaamte vlucht hij het bijzijn der menschen, verbergt hij zich in de donkerste schuilhoeken zijner woning, want
De eene om den eene het leek hem alles
Te ruim, en veld en woon. (2531)
De ontroostbare vader vindt slechts eene uitkomst in den dood:
In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,
Verliet hij toen der menschen lustgewemel
En zocht het licht van God. (2538–40)
Het is opmerkenswaardig, dat Beowulf nooit afbreuk gedaan heeft aan zijne riddereer in het uitoefenen der wraak; hij maakt eene loffelijke uitzondering op den algemeenen regel, hoe onverklaarbaar dit ook schijne in een epos, dat in den grond heidensch is gebleven.
Hij smeedde nooit duistere plannen als Hengest, hij brak nooit zijn gegeven woord als Ingeld en de vorige. Hij mag den dood met kalmte te gemoet zien, want hij heeft zich in dit opzicht niets te verwijten:
Bewaarde wel het mijne, (ik) zocht geen moordlist,
Noch legde menig eed af onrechtmatig.
Des mag ik mij, gekweld door stervenskwalen,
Om ’t al verheugen, want de Heer der menschen
Zal mij den moord niet wijten van de magen. (2826–30)
Christendom.
Inhoudsopgave
Alle beoordeelaars zijn het eens, dat het Christendom geenen ingrijpenden, maar eenen hoogst oppervlakkigen invloed op het epos heeft uitgeoefend.
Deze invloed is aan den inlasscher te wijten, wiens bedrijvigheid gemakkelijk te onderkennen is.
Gaan wij de sporen van zijne werkzaamheid na.
Wat aan het heidendom herinnerde werd of weggelaten (dit kunnen wij dus niet meer nagaan), of met eene christelijke kleur overgoten. Zoo trad de ééne God in de plaats van het heidensche godendom.
De inlasscher volgt hier dus dezelfde gedragslijn als die, welke de geloofspredikers zich bij de heidensche gebruiken en bijgeloovigheden hadden voorgeschreven: zij roeiden ze niet uit, want ieder nieuw beginsel kan slechts gedijen door zich bij ’t bestaande aan te sluiten, maar zij ontnamen er het heidensche karakter aan, door ze met de kerkelijke plechtigheden of met den dienst der heiligen in verband te brengen.
1o Aan God wordt in het gedicht eene ruime plaats ingeruimd.
Hij bestuurt het menschdom: hij schenkt roem en overwinning (dit is nochtans ook een kenmerk van Wodan); hij stelt eenen wachter op tegen Grendel, zijnen vijand, want hij alleen kan hem beteugelen; hij gedoogt niet, dat de op hem vertrouwende Beowulf door Grendels hand zal sterven; hij toont hem het reuzenzwaard, enz. enz.
God wordt bedankt voor verleende hulp: zoo prijst Hrodgar hem bij Beowulfs opbeurende woorden, bij de nederlaag van Grendel, bij het zien van dezes hoofd; zoo doet Beowulf na den voorspoedigen overtocht, zoo de Gooten als hun vorst uit het meer opduikt, en Hygelac bij het terugzien van Beowulf.
Hij bestuurt het heelal: hij is de ware schepper, regelt de jaargetijden, doet de planten groeien en schenkt ons het licht der zon.
Hemel, hel en duivel worden ook genoemd.
2o Deze invloed doet zich nog gelden in de bijbelsche toespelingen: dag des oordeels, schepping, zondvloed, Kaïn, en in de christelijke zedelessen, welke rechts en links met kwistige hand zijn rondgestrooid en waarop wij bij gelegenheid zullen terugkomen.
3o Eenige Kenningar zijn van christelijken oorsprong. Hiertoe behooren de omschrijvingen van God, b. v. de eenige heer, de koning der glorie, de albestuurder, de hemelkoning, de roembeschikker, de hemelbestuurder, de glorievorst, de glorieherder, de albeheerscher, de vader, de heer des levens, der daden rechter enz.
Hierbij zij nochtans opgemerkt, dat Wodan ook vader, alvader, uitdeeler der glorie, roemvervuller geheeten wordt.
Hel, hemel en duivel worden niet met Kenningar bedacht; want het is niet uit te maken, of de benamingen van Grendel oorspronkelijk van den duivel gezegd werden.
Sterven wordt omschreven door: in ’s Heeren hoede sterven; het heil des hemels zien; het heil der heiligen, het licht van God zoeken.
Men ziet hieruit, dat het wezen zelf van het epos onaangetast blijft.
4o Christelijke inwerking is nog te bespeuren in Beowulfs opvatting van den tweekamp, waarin hij een soort van godsoordeel ziet; dit doet hij tot tweemaal uitschijnen:
Man tegen man. En wien de dood dan wegrukt,
Die zal verstaan des Albestuurders oordeel. (442)
De wijze Godheid zal daarop de zege
Verbinden aan de hand van een van beiden,
De heilige Heer, alnaar hij ’t nuttigst oordeelt (699–701).
Deze opvatting ontstond in ’t begin der 6de eeuw alleen bij de Germanen en dan nog na hunnen overgang tot het Christendom2.
Het dient opgemerkt, dat de Christelijke toevoegsels nu en dan zich tegenspreken.
De dichter zegt van de Denen, als er sprake is van de heidensche tooverkunsten om Grendel te bezweren:
In ’t volksgevaar. Dat waren zoo hun zeden,
Hun heiden-denkwijs; naar de helle streefden
Zij in ’t gemoed. Zij kenden niet den Meester enz. (182–84).
Het waren dus heidenen! Later nochtans ziet de inlasscher deze uitspraak over het hoofd, wanneer hij Hrodgar bij herhaling God laat bedanken en hem zelfs eene stichtelijke redevoering in den mond legt:
O Wacht u voor dit zoo verwaten streven,
Mijn lieve Beowulf, gij der helden beste,
En kies ’t voordeeligst, ’t eeuwigdurend welzijn (1794–96).
Eenige sporen van het heidendom hebben zelfs stand gehouden, als de wichelarij (208), het weefsel der zege, de vloek op ’t goud, de everhelmen, de reuzen en nikkers, doch vooral het geloof aan het noodlot:
Gelijk het moet, zoo nadert steeds het noodlot. (459).
Mijn slagtroep is geslonken. ’t Noodlot sleepte
De helden heen naar Grendels schrikverschijning (481).
Zelfs wordt het op ééne lijn met God genoemd:
Had hem niet afgeweerd de wijze Godheid
Met Wyrd en moed des mans (1070–71).
Heldensage en Volksepos.
Inhoudsopgave
Het volksepos put zijne stof uit de heldensage.
Door heldensage verstaat men den gezamenlijken schat van nationale overleveringen uit het heldentijdvak van een volk, welke het ontstaan schonken aan eenen kring van epische liederen, met een of meer helden tot middelpunt.
De heldensage bestaat dus uit afzonderlijke sagen, die elk op zich een bepaald feit als een afgesloten geheel behandelen.
Zoo schildert het Hildebrandslied, dat tot de Oostgotische heldensage van Diederik van Bern behoort, den strijd tusschen Diederiks dienstman Hildebrand en dezes zoon Hadruband.
Zoo toovert ons het schoone Finnsburgfragment, dat tot den kring der Noordzeeheldensage gerekend wordt, den aanval der Friezen op de Finnsburg voor oogen.
Bijna alle epische zangen, welke zich in het volksheldendicht opgelost hebben, zijn als zelfstandig geheel verloren geraakt; nochtans kan men uit hoofde van het hier gezegde hun bestaan niet in twijfel trekken, te meer daar zij bij de ontleding van elk volksepos in zijne hoofdbestanddeelen bij benadering zijn aan te wijzen.
Twee andere bewijzen vinden wij in de geschiedenis, welke, zooals gewoonlijk, ook hier eene hulpvaardige hand aan de letterkunde reikt.
Tacitus zegt, dat de geschiedenis der Germanen uit aloude zangen bestond, waarin zij hunne goden en helden verheerlijkten3. In zijnen tijd bezongen zij zelfs Arminius, die eenige jaren te voren het volk van het Romeinsche juk bevrijd had4.
Jornandes5 getuigt hetzelfde van de Goten:
«Zij verheerlijkten in het lied door zang en harp de daden der voorvaderen, van Ethespamara, Amala, Fridigern, Widicula en anderen, van welke deze volken eenen hoogen dunk hebben, zoodat de bewonderenswaardige oudheid nauwelijks er op kan bogen, zulke helden te hebben gehad.»
De dichterlijke overlevering in den volksmond is een der hoofdbronnen, waaruit de eerste kroniekschrijvers over Germaansche toestanden hunne berichten geput hebben, bij gebrek aan geschiedkundige bescheiden. Het is de taak des geschiedschrijvers, deze sagen, in een historisch gewaad gestoken, van de geschiedkundige bestanddeelen streng af te zonderen; voor ons is de wetenschap voldoende, dat zij bestaan.
Jornandes heeft, hoofdzakelijk waar hij over Hermanaric en Attila spreekt, buiten kijf de volkspoëzie geraadpleegd.
Savagner erkent dit in zijne inleiding:
«...l’on ne peut reconnaître et déterminer les passages que Jornandès doit à Cassiodore, ceux qu’il doit à d’autres auteurs, ceux enfin où il prétend s’appuyer sur les antiques traditions et sur les chants nationaux des Goths.» bl. VII.
Paulus Diaconus heeft ons in zijne geschiedenis der Longobarden den rijksten schat van heldenoverleveringen bewaard.
De monnik Widukind nam meer dan een oud lied in zijne Res gestae Saxonicae op.
Saxo Grammaticus behandelde de ontelbare dichterlijke verhalen, welke hij uit den mond zijner landgenooten opteekende, als de kostbaarste bouwstof voor zijne geschiedenis der Denen. Zij beslaan de negen eerste boeken zijner kroniek en vormen gedurende verscheidene eeuwen uitsluitend de geschiedenis van Denemarken6. Van al de Germaansche stammen werden tot nog toe alleen de Franken beschouwd als arm te zijn aan epische overleveringen.
Dit dwaalbegrip heeft Kurth in zijn standaardwerk voor goed uit den weg geruimd7, een werk dat de sagenvorscher in het vervolg dient te raadplegen en dat den geschiedkundige het middel aan de hand doet om historie en dichterlijke overlevering te schiften.
Hij toont aan, dat de drie kroniekschrijvers van het Merovingische tijdperk: Gregorius van Tours, Fredegarius en de naamlooze schrijver van Liber Historiae op vele plaatsen geenen anderen zegsman kunnen gehad hebben dan de levende volksoverlevering.
Uit de balans van geschiedenis en sage, welke hij opmaakt, blijkt zonneklaar, dat in dit opzicht de Franken door geen ander Germaansch volk in de schaduw gesteld worden.
Nu dat het bestaan van afzonderlijke sagen boven allen twijfel verheven is, kan men zich afvragen, hoe zij tot stand kwamen. Zij zijn te beschouwen als de natuurlijke uiting van den algemeenen volksindruk bij het aanschouwen van eene belangrijke gebeurtenis of van een treffend natuurverschijnsel.
Geven wij hier het woord aan Jonckbloet8:
«Hoe jonger een volk, hoe meer er een algemeen peil van ontwikkeling is, waarboven zich ter nauwernood iemand verheft.
Treffende gebeurtenissen moeten dus wel op allen nagenoeg denzelfden indruk maken: vandaar, dat het epische lied, door één begaafde ontboezemd, weerklank vindt bij allen, gemakkelijk onthouden en van mond tot mond voortgeplant wordt.
Daar het gewrocht van een enkelen intusschen niet volkomen den geheelen volksgeest teruggeeft, wordt er bij de mondelinge overlevering hier een trek weggelaten, daar een andere aan toegevoegd, totdat eindelijk het geheel, ontdaan van wat er nog individueels aan mocht kleven, werkelijk de ware volksuitdrukking genoemd mag worden. Daarom draagt die overlevering terecht den naam van volksoverlevering, of, daar zij zich steeds in dichterlijken vorm openbaart, van volkspoëzie. En geen afzonderlijke zanger is als de zelfstandige dichter aan te wijzen, omdat inderdaad de geheele stam, het geheele volk, heeft bijgedragen om haar te vormen.»
De dichter of beter de voordrager van zulke sagen heette bij de Angelsaksen scop; soms was hij te gelijkertijd toonkunstenaar en begeleidde zijne voordracht met de harp; somtijds reisde hij van land tot land, gelijk het overal in de middeleeuwen de gewoonte der wandeldichters gebleven is.
Zoo was het mogelijk, dat de heldensagen van het vasteland in Beowulf eenen weerklank vonden, ja, dat bij de Angelsaksen een gedicht kon ontstaan, dat het wereldburgerschap van het latere Engelsche volk reeds in de kiem vertoonde, de Wîdsîdh of Verbereisde, hun oudste letterkundig gewrocht, waarin wij een overzicht hebben van al de destijds bekende helden der volksverbeelding.
Doch hieruit volgt ook, dat het voortbestaan van de sagen aan vele wisselvalligheden onderhevig moest zijn.
Dit springt nog meer in ’t oog, wanneer men nagaat, dat deze liederen enkel aan het geheugen toevertrouwd werden en dat zij mettertijd in aantal moesten toenemen.
Zoo kon, gelijk ten Brink aanmerkt, den eenen dichter iets bekend zijn en den anderen niet, en zoo was het geval mogelijk, dat eene sage, welke oorspronkelijk bij eenen bepaalden stam inheemsch was, er later uit den vreemde in gewijzigden vorm terugkeerde en als iets nieuws werd opgenomen.
Zoo doet zich het verschijnsel ook voor, dat dezelfde dichterlijke gegevens opvolgendlijk in den loop der tijden op verschillende personen worden overgedragen9.
Dit zien wij in de Sigmund-episode.
Nochtans kon er geen sprake zijn van oorspronkelijkheid in de tegenwoordige beteekenis van het woord.
Niet alleen was de dichter, ten minste voor ’t Angelsaksisch, aan eene bepaalde beeldspraak en versmaat gebonden, maar hij was ook verplicht zich, wat de stof aanbelangt, aan de overlevering te houden, zooals die iedereen in de voornaamste trekken voor den geest zweefde; b. v. aan het ideaal, dat zich het volk voorstelde, aan de schildering van een karakter, waarvan men zich eene bepaalde en geliefkoosde voorstelling gemaakt had.
Ten Brink kenschetst dezen toestand in de volgende woorden:
«Dies ist also ein geistiger Zustand, wo fast jede Reproduktion etwas von eigener Produktion und wo jede Produktion ohne Ausnahme ein gut Teil blosser Reproduktion in sich enthält.»
Deze, zooals blijkt, van nature zoo veranderlijke sagen werden nog door twee groote geschiedkundige feiten gewijzigd: door de volksverhuizing, welke het oude op den achtergrond schoof en met eenen nieuwen toevoer van personen en daden vermengde, en door de invoering van het Christendom, dat de heidensche bestanddeelen uitroeide, vervormde, of er christelijke denkbeelden bijtrok.
Op deze wijze bleef de heldensage als een levend iets in onafgebroken wording, in gedurige stofwisseling voortbestaan, totdat eindelijk een min of meer bekwaam dichter opstond, die de losse deelen tot één geheel vereenigde: het volksepos was geboren.
F.-A. Wolf heeft op het einde der vorige eeuw den weg gebaand tot deze levenwekkende beschouwing van het volksepos in zijne Prolegomena ad Homerum, waarin hij aantoont, dat de Odyssee en de Ilias niet het uitsluitend werk van eenen dichter, maar van onderscheiden rhapsoden zijn.
De Duitsche geleerden, welke op het gebied der Germaansche letterkunde denzelfden weg insloegen hebben dit stelsel verder ontwikkeld en op deze wijze aan de geschiedenis een vuurbaak ontstoken op het duistere pad der vroegste middeleeuwen.
Eene andere vraag doet zich op: Welk is het wezen der heldensage; uit welke soort van dichterlijke overleveringen is zij saamgevloeid?
Drie bestanddeelen zijn in de Germaansche heldensage te onderscheiden: geschiedenis, mythus en dichterlijke vinding.
Gaan wij elk der drie punten na:
Het epos is bij alle volkeren de eerste vorm van geschiedenis geweest; ’t is, naar de eigenaardige uitdrukking van Kurth, de geschiedenis vóór de geschiedschrijvers. Het volk onthoudt alleen die trekken, welke het begrijpt, welke tot zijne verbeelding spreken, den weg tot zijn hart vinden; het bewondert den held en mensch, niet den staatsman, en ziet dikwerf gebeurtenissen over het hoofd, die onder geschiedkundig oogpunt het meeste gewicht in de schaal leggen.
Wat b. v. de volksverbeelding in Clovis zoozeer boeit, is niet de groote rol, welke hij in Gods wereldplan vervulde, de verovering van Gallië en de grondvesting van een machtig christelijk rijk; maar wel de omstandigheden van zijn huwelijk, de parten, welke een geslepen Romein hem speelde, zijne ongenadige bijlslagen en zijne moorddaden10.
Zoo lang als de menigte de dichterlijke overleveringen voor zuivere waarheid aanneemt, blijft epos en geschiedenis vermengd; doch zoodra zij het onderscheid begint in te zien tusschen de geschiedkundige werkelijkheid en de ideale voorstelling, welke zij er zich van gemaakt heeft, dan is het morgenrood voor de geschiedenis en de avondglans voor het volksepos verschenen11.
Een groot feit, dat den eigen stam of naburige stammen getroffen heeft, moet onmiddellijk, onder den indruk der gebeurtenissen, liederen doen ontluiken, op straffe van anders te verdwijnen met het geslacht, dat er van getuige was; want eene geschiedkundige volksoverlevering bestaat er niet.
Het is opmerkenswaardig, dat dit groot feit gewoonlijk eene nederlaag is. De reden ligt voor de hand12.
Voor krijgshaftige volken is de zegepraal hunner vorsten iets zeer natuurlijks en gewoons, terwijl hunne nederlaag ondenkbaar is.
Hiertegen komt de gekrenkte volkstrots in verzet; hij tracht de nederlaag te verbloemen door den tegenstand zoo heldhaftig mogelijk op te hemelen, den roem der weerpartij echter te verkleinen door de overwinning aan de overmacht ofwel aan verraad toe te schrijven13.
Stappen wij over tot het tweede punt.
De zucht om de daden van zulk een geschiedkundigen held breeder uit te meten en in een bovennatuurlijk licht te plaatsen heeft de versmelting ten gevolge van de historische sage, waarvan wij hierboven spraken, met de mythische of heroïsche, d. i. met overleveringen van goden en halfgoden uit een ouder tijdperk, overleveringen, die in den grond niets anders zijn dan eene dichterlijke verpersoonlijking der natuurkrachten.
De neiging tot het bovennatuurlijke is eigen aan de volken, welke nog op den eersten trap der beschaving staan. Ziet men dit niet bij de wilde stammen, die vrije kinderen der natuur, ja bij sommige eenvoudige landlieden uit onze onmiddellijke omgeving? Zoo spreekt, om maar één voorbeeld te noemen, Gustave Aimard in een zijner boeiende verhalen van zijne persoonlijke kennismaking met een Indiaansch opperhoofd, die maar niet kon gelooven, dat Napoleon I gestorven was. Immers de zon sterft nooit, en de groote sachem der blanken was voor hem een zoon der zon en diende bij gevolg onder de goden gerangschikt te worden.
Aimard voegt er bij, dat ongetwijfeld menig Fransche landman in die meening deelde.
Het derde bestanddeel is eindelijk de dichtkunst, welke de daden van den zoo vergoddelijkten held met omstandigheden van eigen schepping opsmukt en somtijds aan hoogere, zedelijke eischen voldoening geeft.
Passen wij deze beginselen op het Beowulfepos toe.
Onze taak zal zijn aan te toonen, dat er een geschiedkundige Beowulf bestaan heeft, op wien de daden van eenen heros, Beowa geheeten, zijn overgebracht.
Geschiedenis.
Inhoudsopgave
De geschiedkundige grond van den Beowulf is eene nederlaag en wel de inval, welken de Deensche koning Chochilaicus in 515 in de gouw der Hattuarische Franken ondernam.
In ons epos wordt ook gewaagd van andere gebeurtenissen, welke, blijkens het boven gezegde omtrent het volksepos, van geschiedkundigen aard moeten zijn.
Wij bedoelen namelijk den oorlog met de Zweden, waarvan geen geschiedkundig getuigenis bestaat; doch deze oorlog komt hier niet in aanmerking, daar Hygelac en niet Beowulf er de hoofdrol speelt, zoodat deze strijd niet de aanleiding kan zijn geweest tot het ontstaan van het gedicht.
De Frankische kroniekschrijvers hebben gelukkigerwijze den strooptocht van Chochilaicus aan de vergetelheid ontrukt.
Het bericht van Gregorius van Tours, III, 3, luidt als volgt:
«Na dit alles randen de Denen onder hunnen koning, Chochilaicus geheeten, over zee Gallië aan met eene vloot. Na aan wal gestapt te zijn verwoesten zij een pagus (gouw) van Theodoriks gebied, zij maken gevangenen en bereiden zich om naar hun vaderland terug te keeren, na de schepen zoowel met de gevangenen als met den overigen buit te hebben beladen.
Hun koning was op den oever neergezeten in afwachting dat de schepen in volle zee waren, om daarna zelf te volgen.
Toen dit aan Theodorik bericht werd, nl. dat zijn rijk door de buitenlanders verwoest werd, zond hij zijnen zoon Theodebert naar die streken af met een groot leger en eene groote oorlogstoerusting.
Deze versloeg, na den koning gedood te hebben, de vijanden in een scheepsgevecht en gaf den ganschen krijgsroof aan de landzaten terug.»
De andere Frankische bron, Liber Historiae (Gesta regum Fraticorum,) zegt hetzelfde op beknopte wijze en duidt tevens de streek aan met den naam van pagus Hattuarius.
De koning der Franken, waarvan sprake is, is Clovis’ oudste zoon, Theodorik I van Austrasië, de held van meer dan een epischen zang.
Om hem te onderscheiden van den Oost-Gotenkoning Theodorik den Groote, werd hij Theodorik de Frank of de Huge geheeten, en als zoodanig verschijnt hij onder den naam van Hug-Dietrich in de Duitsche heldensage.
Daar noch Gregorius van Tours noch zijne opvolgers eenige schriftelijke oorkonde omtrent Clovis’ zonen ten dienste stond, moeten zij deze wetenschap uit de epische overlevering der Franken opgedaan hebben14.
Dit wordt nog bevestigd door het volgende bericht, dat toevalligerwijze in een handschrift van Phaedrus uit de 10e eeuw is opgenomen:
In de 9e en 10e eeuw waren nog in een eiland, aan de Rijnmonding gelegen, reuzig groote beenderen te zien, welke naar het volksgeloof aan koning Hunglac, waarvan wondere zaken verteld werden, zouden hebben toebehoord15.
Het staat dus vast, dat deze strooptocht der Denen zulken diepen indruk op de overwinnaars had te weeg gebracht, dat de herinnering ervan na vier eeuwen nog niet was uitgewischt.
Doch overweldigend moet de schok dier nederlaag geweest zijn op het gemoed der Denen, daar zij het aanzijn schonk aan den Beowulf.
En inderdaad het verhaal van den Frankischen geschiedschrijver stemt in de hoofdlijnen overeen met de beschrijving, welke het epos ons op meer dan eene plaats geeft van de nederlaag der Deensche Gooten onder hunnen koning Hygelac, een naam, die volgens de wetten der woordafleiding aan Chochilaicus beantwoordt.
Het spreekt van zelf, dat de geprikkelde eigenliefde van het volk deze nederlaag met de schoonste kleuren heeft afgemaald, zoodat Hygelac slechts voor de overmacht zwichtte, en zijn neef Beowulf, met de wapenrusting van dertig Franken beladen, in zee sprong, nadat al zijne aanvallers in het stof hadden gebeten.
Is Hygelac dus een geschiedkundig persoon, dan staat niets in den weg om ditzelfde van zijnen moedigen neef Beowulf aan te nemen, juist wegens zijne verhouding tot den historischen oom; ofschoon geen ander, noch geschiedkundig noch dichterlijk gedenkschrift, buiten ons epos van hem gewaagt.
Dat het gedicht de overwinnaars onder vier verschillende benamingen aanduidt, legt geenen onoverkomelijken hinderpaal in den weg; immers Friezen, Hetwaren, Franken en Hugen zijn in den grond een en hetzelfde volk.
Hugen is de naam, welken de Noordsche volken van de 6e tot de 11e eeuw aan de Franken toekenden. Eigenlijk heetten zoo de bewoners van Hugmerki «de mark of het grensgewest der Hugen», op de grenzen van Saksen en Friesland; daarna werd de naam door de Saksen en Scandinaviërs aan de Franken in het algemeen gegeven16.
De Pagus Hattuarius behoorde tot Friesland, dat zich in den breeden zin van het woord van af de grenspalen van Denemarken tot aan de Scheldemonden en de poorten van Brugge uitstrekte.
Deze streek maakte deel van het rijk der Ripuarische Franken, zoodat de Hetwaren onder aardrijkskundig oogpunt Friezen en onder staatkundig Franken heeten17.
Leo plaatst de gouw der Hattuariërs op den rechter oever der Maas, langs beide zijden der Niers; dus in de omstreken van Kleef, Gelder en Meurs, zooals Müllenhoff zegt.
Hygelac was derhalve met zijne vloot tot zoover doorgedrongen, en deze overrompeling van de binnenlanden door middel van de riviermondingen bleef in ’t vervolg de krijgskunde der Noormannen.
Mythos.
Inhoudsopgave
Welk is de mythische kern van de Beowulf-heldensage?
Vooraf zij opgemerkt, dat wij het stelsel uiteenzetten, zooals het door Ettmüller, Leo en anderen, doch vooral door Müllenhoff is ontworpen, die zich op dit gebied vooral verdienstelijk heeft gemaakt, om er vervolgens eenige kantteekeningen aan toe te voegen.
Wij hebben er reeds op gewezen, dat Müllenhoff bij de Angelsaksen eenen alouden, mythischen held aanneemt, Beów(a) of Beáw(a) genaamd, den overwinnaar van Grendel, welke later met den geschiedkundigen Beowulf versmolt; zoodat de daden van Beówa op Hygelacs neef werden overgebracht.
Daar Müllenhoffs betoog ingewikkeld en niet al te helder is, zullen wij achtereenvolgens de volgende vragen beantwoorden:
Heeft er een halfgod Beowa bestaan; was hij door de Angelsaksen gekend; heeft hij Grendel overwonnen, en kan men bewijzen, dat deze Beowa in den held van ons epos is schuilgegaan?
I. Van de Angelsaksische koningen, die in Engeland na de volksverhuizing regeerden, zijn geslachtslijsten tot ons gekomen, waarvan sommige van Engelsche andere van Scandinavische herkomst zijn.
Al deze genealogieën komen hierin overeen, dat zij tot den god Wodan, den stamvader der Angelsaksische koningen, opklimmen.
In sommige echter, onder anderen in de Saksenkroniek, zijn nog eenige namen als voorvaders van Wodan toegevoegd; de lijst begint met Sceaf, dan volgt Sceldwa (of Scyldwa), dan Beaw (elders Beawa, Beow, Beowa geheeten) en zoo verder tot aan Wodan, terwijl ook Heremod en Geát genoemd worden.
Welnu deze Sceaf is, als voorvader van den door de Duitsche volken als hun stamvader beschouwden Wodan, reeds daardoor zelf een mythisch wezen.
Dit blijkt nog uit andere berichten; volgens deze zouden de Saksen naar Sceaf genoemd en zijn zoon Scyld de eerste bewoner van Germanië geweest zijn; terwijl aan de negen zonen van zijnen kleinzoon Beovinus alle Germaansche volken langs Oost- en Noordzee het ontstaan te danken hebben.
Van Sceaf gaat ook de sage uit van het geheimzinnige schip, waarin hij als kind werd uitgezet op eene korenschoof, te midden van wapens en kleinoodiën.
Schip en garve zien op zeevaart en akkerbouw, wapens en kleinoodiën op krijg en koninkschap; van Sceaf dagteekent dus de eerste beschaving der Germaansche kustbewoners.
Doch niet alleen Sceaf is een mythisch wezen, maar ook zijne twee nakomelingen Scyld en Beowa.
Het zijn slechts mythische uitbreidingen van de natuur van Sceaf, die zijne beteekenis verder uitwerken en in wezenlijkheid niets anders zeggen dan hetgeen Sceafs mythos reeds te kennen geeft; want vader en zoon zijn in de godenleer doorgaans verschillende namen van een en hetzelfde wezen.
Dit leert ons de ontleding van de namen: Scyld, Sceldwa, Scyldwa is de «schermheer, de met het schild dekkende» en vertegenwoordigt het koninkschap.
Beá van de wortel bhu «zijn, wonen, worden, wassen,» verpersoonlijkt het vreedzame verblijf in woningen18.
Wat nog pleit voor de eenzelvigheid van Sceaf en Scyld is, dat in ons epos de sage van Sceafs scheepvaart op den zoon is overgebracht.
Ten slotte kunnen wij ons beroepen op eene geschiedkundige getuigenis, waaruit blijkt, dat Geát, een der voorloopers van Wodan, als eene godheid werd aangemerkt:
Kurth, blz. 92, geeft de volgende aanhaling: quem Getam jamdudum pagani pro Deo venerabantur. (Asser, De rebus gestis Aelfredi in Script. Rer. Brit. blz. 468.)
II. Was deze Beaw, wiens mythisch karakter ons gebleken is, in Engeland inheemsch?
Het antwoord moet bevestigend luiden, immers de geslachtslijsten, welke van zijn bestaan getuigenis afleggen, behooren alle oorspronkelijk in Engeland thuis, daar de Scandinavische genealogieën op de Angelsaksische leest geschoeid zijn19.
Doch een bewijs, dat den doorslag geeft, vindt Müllenhoff in eenige Engelsche plaatsnamen, welke in oude oorkonden voorkomen: Beowan hamm «Beowa’s hoeve», Grendles mere «Grendels meer», Grindles bec «Grendels beek», Grindeles pytt «Grendels moeras», en Béas brôc «Beaws broekland.»
Deze plaatsnamen zijn het stelligste bewijs, dat het geloof aan eenen heros Beowa in zuidelijk Engeland bij het volk algemeen verbreid was.
III. Deze Beowa werd door de Angelsaksen vereerd als de dooder van het watermonster Grendel.
Hoe weet Müllenhoff dat? Hier ligt juist de knoop; immers aan te nemen, dat Beowa Grendel doodde, enkel en alleen omdat Beowulf dit in het epos doet, en van den anderen kant, dat Beowulf een mythische held is geworden, omdat er een mythische Grendeldooder Beowa bestond: dit zou een goochelkunstje zijn, dat men in de redeneerkunde met den deftiger naam van petitio principii bestempelt.
Het afzonderlijk voorkomen van plaatsnamen als Beowan hamm en Grendles mere geeft ook geene uitkomst; wél, indien de twee namen te zamen voorkomen, want dan is men gewettigd een oorspronkelijk verband tusschen Beowa en Grendel aan te nemen.
Dit nu is gelukkigerwijze het geval, en hier ligt dus het zwaartepunt van Müllenhoffs gezamenlijk betoog.
IV. Eene opgave van het hoogste belang is vast te stellen, dat deze Beowa zich in den geschiedkundigen held heeft opgelost; zoo niet, dan zijn al de tot hiertoe verkregen uitkomsten doelloos.
Men diene in het oog te houden, dat in ons epos twee personen den naam van Beowulf dragen: Beowulf de Deen, welken wij door Beowulf1 voorstellen en die, als zoon van Scyld en als grootvader van den Deenschen koning Hrodgar, alleen in de Inleiding verschijnt, en Beowulf de Goot of Beowulf2, de held van het gedicht.
In Beowulf1 steekt de Angelsaksische heros. Door invloed van Beowulf2 werd in plaats van Beow, zooals het had moeten zijn, Beowulf1 geschreven, welke naam buitendien er op gelijkt.
Dit volgt onmiddellijk uit de vergelijking van de boven genoemde koningslijsten met Hrodgars stamboom in de inleiding van het gedicht. Hrodgars voorouders zijn: Sceaf, Scyld, Beowulf1.
Deze trits namen is, met uitzondering van den 3den, identisch met Sceaf, Scyldwa, Beow uit de Angelsaksische genealogieën; dus is Beowulf1 voor Beow verschreven.
Doch nog meer, de sage van den mythischen Sceaf ontmoeten wij insgelijks in het epos, ofschoon op Scyld toegepast; een bewijs dat wij in den grond met een en dezelfde lijst te doen hebben.
Daaruit moet men besluiten, dat het gedicht den stamboom der Angelsaksische koningen aan het Deensche vorstenhuis heeft toegekend.
Müllenhoff schrijft deze overdrage toe aan de gelijkheid van naam tusschen den Scyldwa of Scyld der Angelsaksen en den eponymus of naamgever der Deensche koningen, welke Scyldingen d. i. «afstammelingen van Scyld» zijn bijgenaamd.
De rest der redeneering is klaar. Daar de mythische Beow, de dooder van Grendel, in het epos voorkomt, doch zonder vermelding van zulk wapenfeit, hetwelk integendeel aan Beowulf2 wordt toegeschreven, zoo ligt het voor de hand, dat zijne daden op Beowulf2 zijn overgebracht.
Zoo werd de halfgod, wegens de overeenkomst van naam, vereenzelvigd met den geschiedkundigen neef van Hygelac.
V. Welke dichterlijke opvatting der natuurkrachten ligt aan dezen Beowa-mythos en bijgevolg aan Beowulf2 ten grondslag?
Beowulf is de lichtheros, welke in ’t voorjaar de overstroomende zee terugdrijft, doch bij het aanbreken van den winter verdwijnt.
Müllenhoff verklaart deze voorstelling als volgt:
Drie groote heldendaden van Beowulf dragen een mythisch karakter:
1o De zwemwedstrijd met Brecca, waarin Beowulf den 7n dag het land der Finnen d. i. Lapland bereikt.
Hij is bijgevolg den poolstroom te gemoet gezwommen en kan diensvolgens als een mythisch wezen opgevat worden, dat in zijne jeugd, d. i. in het voorjaar de winterstormen der zee overwint.
De zee is door zijnen tegenstander, Brecca, vertegenwoordigd. Immers Brecca «die door de golven breekt» is vorst der Brondigen d. i. de branding. De naam zijns vaders Beánstan hangt samen met bauni «walvisch».
2o Op zijnen mannelijken leeftijd bekampt Beowulf den reus Grendel en dezes moeder.
Nu is hij het goddelijke wezen, dat den mensch tegen watermonsters d. i. de stormige zee beschermt; Grendel en diens moeder stellen de wilde Noordzee voor.
3o Na eene vijftigjarige vreedzame regeering doodt de vergrijsde held den draak, doch niet zonder zich van zijne schatten meester gemaakt te hebben.
De draak beteekent dikwerf een vernielend stroomend water en verbeeldt hier de overstroomende Noordzee in den herfst na den rustigen zomertijd.
De zonneheros schenkt de schatten van den bodem aan de menschen, doch zijne macht loopt ten einde, want de noordsche winter staat voor de deur.
VI. Müllenhoff gaat nog verder en ziet in Beowa-Beowulf den god Ing d. i. Freyr, den stamvader der Ingaevonen, of beter Niordr en Freyr, vader en zoon. Immers Freyr heet ook Yngwi, Yngwifreyr.
De Ingaevonen waren, volgens Tacitus, de volken, welke aan de kust der Noordzee leefden «proximi Oceano Ingaevones»; hiertoe behoorden dus ook de Angelen en Saksen.
Freyr beschermt oogst, handel en scheepvaart; hij verslaat Beli, den zoon van den zeereus Gymir, met een hertegewei, dat deze dieren in de lente afleggen; hij maakt door zijne zege de zee weder bevaarbaar en verdrijft de den menschen verderfelijke reuzenmachten.
VII. Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Beowa-mythos den Angelsaksen in hun oorspronkelijk verblijf op het vasteland d. i. in Sleeswijk-Holstein bekend was en van daar naar Engeland werd overgeplant.
Wortelde hij zich daar vast, alvorens hij op Beowulf werd overgedragen, zooals Müllenhoff meent; ofwel had, volgens Symons, ten Brink en anderen, de versmelting reeds in Denemarken plaats; ziedaar eene twistvraag, welke wij in het midden laten.
Volledigheidshalve zij enkel nog bijgevoegd, dat Mannhardt, Simrock en Nathanaël Müller zich niet voor een Freyr—maar voor een Thorheld uitspreken; de laatste onderscheidt buitendien tusschen Beowulf1, die als derde bijgestalte van Sceaf den god Wali, en Beowulf2, die alleen Thor voorstelt.
Na Müllenhoffs stelsel uiteengezet te hebben is het zake van er eenige beschouwingen aan toe te voegen; immers ieder niet-mytholoog zal erkennen, dat de aangevoerde bewijzen op geene volslagen zekerheid, maar hoogstens op waarschijnlijkheid kunnen aanspraak maken.
1o Verschillende geleerden, onder anderen Symons, zien in Beowulf enkel en alleen eenen heros; zoodat het overbodig is, tot eenen vermenschelijkten god zijne toevlucht te nemen.
2o Indien de naam van Beowulf2 den halfgod Beowa verkeerdelijk tot Beowulf1 herdoopt heeft, dan mag men zich afvragen, waarom die terugwerking zich maar binnen zekere grenzen heeft doen gevoelen, daar Sceaf, Scyld en Beowulf1 alleen de voorvaders van de Deensche koningen en niet van Beowulf2 geworden zijn.
Of zou dit pleiten voor eene Deensche herkomst van den eersten zang?
Dat die invloed op zoo’n goeden weg is blijven steken, is des te meer te verwonderen, als men nagaat, dat niet Hrodgar maar Beowulf2 identisch is met Beowulf1, ten minste volgens Müllenhoff.
3o Indien de Beowa-mythos zoozeer verspreid was in Engeland, waarom bewaart de Wīdsīdh er dan het zwijgen over?
4o Als men de volksheldendichten beschouwt, komt men tot de ervaring, dat het mythisch wezen van den held langzamerhand in de schaduw is gedoken, terwijl zijn menschelijk karakter in gelijke mate op den voorgrond treedt. Dit neemt nochtans niet weg, dat er kenmerken gebleven zijn, die den vroegeren halfgod verraden.
Zoo zien wij in de Ilias, dat Achilleus met de goden omgaat, dat hij onkwetsbaar is en daarenboven eene godin tot moeder heeft.
Eenige overgebleven mythische trekken zijn ook in het Duitsche Nibelungenlied waar te nemen, om niet te spreken van de Noordsche overlevering, waar het mythische bestanddeel overwegend is. Sigfried is onkwetsbaar, evenals Achilleus, en beschikt over de onzichtbaar makende tarnkappe.
Indien bijgevolg Beowulf oorspronkelijk een hooger wezen is, dan moeten wij den vinger kunnen leggen op eenige sporen van die oude opvatting.
Dit nu is niet het geval, integendeel wij vinden ons in een geheel en al menschelijk midden verplaatst, al de daden en roerselen getuigen dit eene: homo sum!
Of moet Beowulfs bovenmatige kracht, welke tegen die van dertig man opwoog, moet zijne bedrevenheid in het zwemmen, waardoor hij eerst tot in het hooge Noorden doordrong en later van Nederland uit Jutland bereikte, als mythische trekken worden beschouwd, daar zij het vermogen van een gewoon sterveling te boven gaan?
Dit schijnt mij niet aannemelijk, immers deze groote lichaamsgaven maken juist van Beowulf den held, maar stempelen hem daarom nog niet tot een mythisch wezen, tot eenen halfgod.
Immers de held van het epos kenmerkt zich door daden, die van het treurspel door hartstochten, welke het gewone peil verre overschrijden.
Daar Beowa Grendel doodde en als zoodanig alleen vereerd werd, zou men met recht bij de beschrijving van dien kamp eenig mythisch spoor verwachten; doch vruchteloos, tenzij men de handschoen voor zoo iets houde!
Beowulfs gevecht in de onderzeesche woning met Grendels moeder draagt eerder eene phantastische dan wel mythische kleur, en ik zou ook geneigd zijn, dit van den kamp met den draak aan te nemen, zoo niet de draak in tal van mythen eene rol speelde.
Wij trekken hieruit het besluit, dat geen mythische trek in het epos is aan te wijzen buiten den draak, welke onmetelijke schatten bewaakt; want al doemen er ook andere gestalten in op als Sceaf, Sigmund, Hama, Weland, die allen oorspronkelijk mythische wezens zijn, geen dier personen behoort tot de kern van de Beowulf-sage.
Nochtans komen wij hiermee niet veel verder, daar, zooals blijkt uit de plaatsnamen, alleen Grendel, doch niet de draak, iets met den Beowa-mythos te maken heeft.
5o Wij hebben gezien, dat de twee te zamen behoorende plaatsnamen Beowan hamm en Grendles mere de spil zijn, waarop heel het betoog van Müllenhoff draait.
Ontbreekt die overeenstemming, dan blijft het nog altoos waar, dat een heros Beowa bestaan heeft; doch of die in eenig verband staat met Grendel en bijgevolg met Beowulf, kunnen wij alsdan uit niets afleiden, of het zou uit eene verre overeenkomst van naam (Beowa, Beowulf) moeten zijn.
Men ziet, hoe Müllenhoffs stelsel, al vormt het ook een afgerond en scherpzinnig geheel, op de punt eener naald is opgetrokken.
Jammer dat deze zwakke steun dan nog wordt omgeknipt door Thomas Miller in The Academy (1894, 12 May).
Hij toont aan, dat in de plaatsnamen bowan hammes en grendles mere, welke in het «Cartularium Saxonicum» no 677 voorkomen, Grendel niet een eigennaam maar een gemeennaam is, welke drain d. i. afwateringsbeek beteekent. Hij vertaalt grendles mere door the cess pool d. i. het afwateringsmeer, het turfmeer.
Miller leidt deze beteekenis van het woord af uit twee andere plaatsen van dezelfde oorkonde, waar het woord grendel alleenstaande voorkomt.
De slotsom dezer beschouwingen is, dat men tot nog toe het mythische bestanddeel der Beowulf-heldensage met geene voldoende zekerheid of zelfs waarschijnlijkheid kan aanwijzen, en dat Müllenhoffs uitspraak, op het zachtst uitgedrukt, voorbarig mag heeten, wanneer hij zegt:
«Es ist nicht zu bezweifeln dass die Angeln und Sachsen, die sich in England niederliessen, den mythus vom kampf mit dem wasserunhold Grendel, den das gedicht dem Beowulf beilegt, ursprünglich von dem mythischen Beav ihrer genealogie erzählten.....» Men kan het Thorpe dus niet euvel duiden, als hij een loopje neemt met de Duitsche mythologen.
Geátas.
Inhoudsopgave
Het volk, wiens heldenfeiten bezongen worden, zijn niet de Denen, maar de Geátas; Beowulf2, dien wij in ’t vervolg kortweg Beowulf zullen heeten, was een Geát.
Welk Germaansch volk beantwoordt aan de Geátas?20
De meeningen loopen uiteen. Kemble hield de Geátas voor Angelen; Ettmüller, Thorpe en Müllenhoff voor de bewoners van zuidelijk Zweden; want de vorm Geátas stemt, volgens de woordafleiding, overeen met Zweedsch Gotar, Oudnoordsch Gautar, waardoor de bevolking van de Zweedsche landstreek Westergötland bedoeld wordt.
Leo en Bugge zien er integendeel de Jutten in, al stuiten zij ook op de spraakkundige moeilijkheid, dat de vorm «Jutten» in ’t Angelsaksisch Eótas, Jotas, (Oudnoordsch Jótar) en niet Geátas moest opleveren.
Halen wij Bugge’s voornaamste bewijsgronden aan, hoofdzakelijk ontleend aan den Zweedschen geschiedschrijver Pontus Fahlbeck, en welke mijns inziens de schaal te zijnen voordeele doen overhellen.
Een taalkundig bewijs tegenover taalkundig bewijs is het volgende: In de vertaling van Beda’s werk De Jutarum Origine geeft koning Alfred, die toch in het Angelsaksisch thuis moest zijn, den naam Jutten door Geátas weer, daar hij het Latijnsche opschrift door Of Geáta fruman vertolkt.
Uit talrijke plaatsen van het gedicht komt men tot de overtuiging, dat de Geátas een zeevarend volk zijn. Dit past geheel en al bij de Jutten, maar niet bij de Westergoten, wier hoofdnederzetting sinds alouden tijd bij Skara is geweest. Deze Zweedsche Westergoten hebben bijna geene kusten en laten zich in de geschiedenis niet als eigenlijk zeevolk aanwijzen.
Geátas en Swéon (Zweden) zijn door de zee gescheiden, welke naar luid van het epos de eenige verbindingsweg moet zijn.
Welnu deze gemeenschap langs den waterweg is onvereenigbaar met de plaatselijke verhouding tusschen Westergotland en het eigenlijke Zweden, doch noodzakelijk bij de ligging van Jutland.
Hygelac, koning der Geátas, onderneemt eenen krijgstocht, naar het land der Franken; in overeenstemming hiermede beschouwen de Geátas de Franken en Friezen als hunne hoofdvijanden na de Zweden.
Dit klinkt zonderling, als er van de verre Westergoten sprake is, doch is natuurlijk, als men aan de Jutten denkt.
Bij de Frankische kroniekschrijvers wordt Hygelacs volk Dani geheeten. Dit verstaat zich gemakkelijk van de Jutten, die in de Noordsche bronnen van historischen tijd onder de Denen begrepen worden, doch niet van de Zweden.
Dat ons epos Geátas en Denen streng uit elkander houdt, vindt zijne verklaring in den staatkundigen toestand der beide volken, die elk een afzonderlijk rijk uitmaakten.
B. ten Brink neemt eene afzonderlijke stelling in. Voor hem zijn de Geátas noch Angelen, noch Zweden, noch Deensche Jutten, maar Engelsche Jutten.
Hij beroept zich op de volgende plaats van Beda: «De Jutarum origine (Deensche Jutten) sunt Cantuarii (die van Kent) et Victuarii, hoc est ea gens, quae Vectam (eiland Wight) tenet insulam et ea, quae usque hodie in provincia Occidentalium Saxonum (Wessex) Jutarum natio nominatur, posita contra ipsam insulam Vectam.»
Dus Kent, Wight en de tegenoverliggende kuststreek in Wessex werden door denzelfden stam bewoond, terwijl de laatsten in Beda’s tijd nog den naam van Jutten voerden.
Deze Engelsche Jutten waren, volgens ten Brink, niet van hetzelfde bloed als de latere bewoners van Jutland. Hij veronderstelt, dat hun naam aan het land gebleven is na hun vertrek naar Brittanje, zoodat hij op de later komende Deensche Jutten overging. Deze oudste Jutten zijn derhalve de Geátas.
Er bestaat geen ernstige grond om tusschen de Engelsche en Deensche Jutten eene scheidslijn te trekken.
Much neemt aan, dat zich Jutten onder de Germaansche veroveraars van Engeland bevonden, doch hij ziet er en met hem Möller geen van de Deensche Jutten onderscheiden, maar wel hetzelfde Duitsche volk in, waarvan een deel op Jutland bleef en met de nieuw aangekomen Denen het land verdeelde.21

Nationaliteit van den Beowulf.
Inhoudsopgave
Of Beowulf het werk van eenen Engelschen, Deenschen, dan wel Zweedschen dichter is, blijft tot nog toe de twistappel.
Drie punten vergen vooraf de aandacht:
1o Hoe komt het, dat de Angelen en Saksen niet genoemd worden in een in het Angelsaksisch opgesteld gedicht, dat zoovele volksnamen behelst?
Hierop is nog geen bevredigend antwoord ingediend. Ten Brink geeft de volgende verklaring: Toen de gebeurtenissen plaats grepen, welke het ontstaan zouden geven aan Beowulf, was een groot deel der Engelsche stammen reeds naar Brittanië vertrokken. Van hen, die in het vaderland waren gebleven, waren de meesten reisvaardig en dachten alleen aan de nieuwe woonstede.
2o Daar de Geátas herdacht worden in een Angelsaksisch gedicht, staan wij voor het verbazende feit, dat vreemdelingen bezongen worden in een nationaal epos.
Deze moeilijkheid valt weg, als men zich te binnen brengt wat boven gezegd werd, dat zich onder de uitgewekenen naar Engeland ook Jutten bevonden, welke, zooniet van denzelfden stam, dan toch met de Angelsaksen verwant waren.
3o Over Deensche toestanden wordt met kennis van zaken en met belangstelling uitgeweid; immers de ligging van Hrodgars burcht niet ver van zee, de zorgvuldige beschrijving van Heorot en vooral van de omgeving, de bekendheid met de verhoudingen aan het Deensche hof, dit alles bewijst, dat de dichter de landstreek tusschen Roeskilde en Lerje, de oude zetelplaats der Deensche koningen op Seeland, met eigen oogen heeft opgenomen.
Deze getrouwheid der plaatsbeschrijving, welke men zich in de veronderstelling van een in Engeland geboren epos moeilijk kan verklaren, is een der voornaamste redenen, waarom Sarrazin in den Beowulf de vertaling ziet van een oorspronkelijk Deensch gedicht.
Thorpe kent er, schoon steunende op zwakker gronden, eenen Zweedschen oorsprong aan toe. Hij beroept zich op het vers in de Inleiding, waar gezegd wordt, dat Beowulfs roem de Schedelanden d. i. Scandinavië binnendrong; waardoor de dichter te kennen geeft, dat het verhaal hem in zijn eigen «home» bereikt heeft.
Vervolgens zou het gedicht naar Engeland zijn overgebracht, alwaar het tijdens de invallen der Denen vertaald werd. Rönning werkt Thorpes opvatting verder uit.
Eindelijk hebben wij de meening van Müllenhoff en ten Brink; voor hen is de Beowulf geene vertaling, geen vreemd lettervoortbrengsel, maar een echt Oudengelsch gewrocht.
Deze laatste zienswijze vindt de meeste voorstanders.
Wij zullen de verschillende bewijsgronden niet nagaan, welke voor of tegen elk der drie meeningen zijn ingebracht, maar ons bepalen bij eene beschouwing van ten Brink, welke ons afdoende voorkomt.
De eigenschappen, waardoor de Beowulf uitblinkt, veronderstellen eenen hoogen graad van zedelijke ontwikkeling, van beschaving, welke in de 7e eeuw en 8ste eeuw bij geen Germaansch volk, tenzij bij de Engelschen, wordt aangetroffen en allerminst bij de Scandinaviërs (Denen en Zweden).
«Man vergegenwärtige sich doch nur den Verkehr zwischen Beowulf und dem Dänenkönige, seinem ganze Verlaufe nach, um die Ueberzeugung zu gewinnen, dass hier eine Humanität sich äussert, von der die ältere Dichtung anderer germanischer und ebenso romanischer Völker kein Beispiel bietet.»
Ten Brink merkt buitendien nog op, dat geen der verwante Scandinavische sagen den echten naam van den held kent, welke Bjólfr zou moeten luiden, evenmin als de Noordsche overlevering eenige herinnering bewaard heeft van den strooptocht naar den Rijn, die den stoot gaf tot de vorming onzer heldensage.
Tijd van voltooiing.
Inhoudsopgave
Uit welken tijd dagteekent de vervaardiging van het Beowulf-epos? Het ligt in den aard der zaak, dat het epos slechts langzamerhand door ineensmelting van meer of minder oude zangen zijnen tegenwoordigen vorm verkregen heeft, zoodat deze letterkundige kristallisatie zich over verschillende eeuwen kan hebben uitgestrekt.
Daarom zullen wij eerst de grenzen afbakenen, waartusschen het gedicht moet tot stand gekomen zijn.
Afgezien van den Beowa-mythos kan er van het eigenlijke epos geen sprake zijn vóór 515–20, toen de inval van Hygelac plaats greep.
Van den anderen kant moet het gedicht vóór de 9de eeuw, d. i. vóór de plundertochten der Denen in Engeland, kant en klaar zijn geweest; hoe zou men anders aan de Denen zulken lof toegezwaaid hebben?
In deze speelruimte van ruim twee en een halve eeuw valt een tijdperk uit de Engelsche geschiedenis aan te wijzen, dat onder het oogpunt van beschaving aan de voorwaarden beantwoordt, welke ons epos noodzakelijkerwijze vooropstelt.
Deze voorwaarden zijn volgens ten Brink: een volksbewustzijn, dat zich uit in het gevolgschapswezen, beschaving, verzachting der zeden, verdraagzaam samenzijn van christendom en heidendom.
Welnu aan al deze eischen voldoet de maatschappelijke toestand van het Northumberlandsche rijk in ’t begin der 7de eeuw, onder de regeering van Eádwini.
Hij was het die Bernicië en Deira tot één rijk vereenigde, zijn gezag uitbreidde, de Kelten en Schotten met goed gevolg beoorloogde, de openbare veiligheid, eene voorwaarde van alle ware beschaving, in de hand werkte en in 627 tot het Christendom overging.
Na hem bereikte Northumberland onder Oswald en daarna onder Oswiu zijne hoogste macht.
Toen vormde zich die breede epische stijl, welke in de 2de helft der 7de eeuw in het naburige rijk Mercië zijn beslag kreeg, vooral door toevoeging van episoden.
Het Beowulf-epos werd dus in den loop der 7de eeuw voltooid.
Het Handschrift.
Inhoudsopgave
Het handschrift klimt op tot de 10de eeuw en wel tot de 2de helft, naar ten Brink; het is het werk van twee afschrijvers, van welke de tweede, die zich vooral door het gebruik van ió in plaats van eó kenmerkt, bij het woord môste v. 1940 begint.
Het handschrift bevindt zich te Londen, in de Cottonische Bibliotheek van het British Museum.
Ziehier wat Thorpe er in zijne Inleiding over zegt:
Al de handschriften der Angelsaksische poëzie zijn van eene betreurenswaardige onnauwkeurigheid en verraden bijna op elke bladzijde de onwetendheid van eenen ongeletterden afschrijver, die (gelijk het de kloostergewoonte was) dikwijls op dictee neerschreef; maar onder de Angelsaksische handschriften mag, ik ben er zeker van, dat van den Beowulf in gemoede als het slechtste beschouwd worden, afgezien van zijnen huidigen beklaaglijken toestand, ten gevolge van den brand in Cotton House in 1731, die het ernstig beschadigde, zoodat het gedeeltelijk wrijfbaar als zwam is geworden.
De Versbouw.
Inhoudsopgave
Algemeene Bemerkingen. De versbouw van den Beowulf is aan alle Duitsche volken gemeen en bestaat in het rijmlooze geallitereerde vers.
Het geallitereerde vers is, ten minste bij de Westgermanen, uit twee deelen nl. halfverzen samengesteld, welke door de stemrust gescheiden zijn.
Het stafrijm, dat beide halfverzen tot een geheel verbindt, brengt de eenheid tot stand.
Niet alleen de verzen, maar ook de halfverzen van denzelfden regel volgen niet altijd eenen eenvormigen rhythmus; integendeel, er heeft wisseling van verscheiden bepaalde versmaten plaats.
Zoo heerscht er afwisseling en vrijheid van beweging.
Maken we dit klaar door eene veronderstelling.
Terwijl onze tegenwoordige dichters zich doorgaans in hetzelfde stuk aan ééne verssoort houden, b. v. hexameter, alexandrijn, vijfvoetige jambe, enz., zou de Oudgermaansche zanger in den bouw zijner halfverzen nu een gedeelte van eenen hexameter gekozen hebben, dan van een alexandrijn, dan weer van de vijfvoetige jambe, enz.
Welk zijn dan de versmaten, die in het geallitereerde vers afwisselen?
Om hierop te antwoorden, behooren wij twee stelsels te onderscheiden: sommigen, waaronder Sievers, nemen twee heffingen aan voor het halfvers; anderen, waaronder ten Brink, integendeel vier.
Wij zullen in breede trekken een begrip geven van beide theorieën en verwijzen voor de bijzonderheden naar de uiteenzetting door beide geleerden in den «Grundriss der Germanischen Philologie.»22
I. Twee Heffingen.
Bouw van het halfvers in ’t algemeen. Sievers onderscheidt er de volgende bestanddeelen:
1o de beklemtoonde lettergrepen of heffingen (´); zij zijn twee in getal.
2o de onbetoonde lettergrepen of dalingen (×).
3o de minder betoonde lettergrepen, welke, naar gelang hunne omgeving, dienst kunnen doen voor dalingen b. v. kérkdeu̽r, of voor bijheffingen (`) b. v. wíndmòle̽n.
Het halfvers bestaat doorgaans uit vier leden, welke hetzij paarsgewijze zijn verbonden, volgens het schema 2 + 2, hetzij niet paarsgewijze, volgens het schema 1 + 3 ofwel 3 + 1.
Vandaar, wat de maat betreft, vijf verschillende grondvormen in het halfvers:
| A | –́ | × | | | –́ | × | | schema 2 + 2 |
| B | × | –́ | | | × | –́ | ||
| C | × | –́ | | | –́ | × |
| D | | –́ | | | –́ | –̀ | × | | schema 1 + 3 |
| –́ | | | –́ | × | –̀ |
| E | | –́ | –̀ | × | | | –́ | | schema 3 + 1 |
| –́ | × | –̀ | | | –́ |
Buitendien komen er nog onderverdeelingen in aanmerking, drie voor A, drie voor C, vier voor D, twee voor E.
In het Angelsaksisch komt de grondvorm A het meeste voor, dan in afnemende orde B, C, D. Het minst vertegenwoordigd is E.
Het stafrijm valt op de heffingen; in ons epos gewoonlijk op de beide heffingen van het eerste, en op de eerste heffing van het tweede halfvers.
Alle klinkers allitereeren met elkander, eveneens gelijke medeklinkers, alsmede v en w, uitgezonderd de verbindingen sk, st, sp, welke noch op elkaar, noch op andere s-groepen, noch op eenvoudige s kunnen slaan.
II. Vier heffingen.
ten Brink’s stelsel wijkt onder meer dan een punt van het vorige af.
Het allitereerend vers bestaat uit vijf verschillende versmaten, waaraan nochtans een zelfde rhythmisch schema ten grondslag ligt.
Dit grondschema is voor het halfvers:
× ×́ × ×̀ | × ×́ × ×̀
Het halfvers bestaat dus uit vier tweeledige voeten en vier heffingen: twee hoofd- en twee bijheffingen; de rest zijn dalingen.
Elk lid van den tweeledigen voet vormt een tijddeel of more (×). Het halfvers bestaat dus uit acht moren. Uit dit oorspronkelijk schema, dat wij met ten Brink α zullen heeten, zijn vier andere rhythmen ontstaan, naar de verschillende wijzen, waarop de heffingen elkander volgen.
β De volgorde van hoofd- en bijheffing wordt in den 1sten en 2den voet omgezet:
× ×̀ × ×́ | × ×́ × ×̀
γ In den 3den en 4den voet:
× ×́ × ×̀ | × ×̀ × ×́
δ In 1,2 en 3,4:
× ×̀ × ×́ | × ×̀ × ×́
ε 3 en 4 worden tusschen 1 en 2 ingeschoven.
× ×́ × ×́ | × ×̀ × ×̀
Alvorens dit nader toe te lichten, dienen wij eerst een woord te zeggen over de quantiteit en de betoning.
Quantiteitsregel: Eene more (×) kan ingevuld of gedekt worden zoowel door de korte als lange lettergreep (×).
Twee moren kunnen alleen gedekt worden door eene lange lettergreep, welke alsdan door het teeken (-) wordt voorgesteld.
Onder de lange lettergrepen zijn ook die te rekenen, welke door twee medeklinkers gesloten worden.
De betoning grijpt veel verder om zich dan bij Sievers. Kunnen betoond worden en bijgevolg aan heffing onderhevig zijn: 1o alle eenlettergrepige woorden, uitgenomen ne; 2o bij de veellettergrepige alle syllaben; uitgenomen die op korte betoonde lettergrepen volgen en de toonlooze eenlettergrepige voorvoegsels.
De twee hoofdheffingen vallen bijgevolg met de lettergrepen te zamen, die den klemtoon hebben.
De twee bij heffingen vallen aan minder betoonde lettergrepen te beurt, b. v. kerkdeùr, windmòlen; en in het algemeen aan die lettergrepen, welke door eene nog zwakker betoonde worden voorafgegaan of gevolgd, waardoor zij in kracht winnen.
Op het einde van het halfvers heeft geregeld heffing plaats, indien de lettergreep er voor vatbaar is.
Eene betoonde lettergreep tusschen twee sterker betoonde wordt ofwel daling, ofwel heffing, naar de eischen van het vers.
Keeren wij nu terug tot de versmaat.
Het halfvers zou geheel en al volledig wezen, zoo elk der acht moren door eene lettergreep vertegenwoordigd of gedekt was; doch dit heeft uiterst zelden plaats, en dan nog alleen bij den grondvorm α b. v.:
gewất him thầ to wárodhè = × ×́ × ×̀ × ×́ × ×̀
Gewoonlijk ontbreken er een of meer dalingen.
Deze onderdrukking der daling is aan twee oorzaken toe te schrijven:
a) ofwel de daling wordt door eene pooze (^) vervangen;
b) ofwel de daling wordt opgeslorpt door de lange lettergreep (–) welke, zooals gezegd is, voor twee moren kan gelden.
Eenige voorbeelden zullen dit duidelijk maken.
α. Met pooze in ’t begin:
wî́ge ùnder wáeterè = ^ ×́ × ×̀ × ×́ × ×̀.
Pooze en opslorping der daling door de lange lettergreep:
mýnelìcne mấddum = ^ ×́ × ×̀ × –́ ×̀.
(–́ ×̀ staat voor ×́ × ×̀, zoodat mâddum als má-ad-dum moet gescandeerd worden.)
β. Met pooze en opslorping der daling door de eerste lettergreep van straete:
òfer lágustráetè = ^ ×́ × ×́ × –́ ×̀.
γ. Met pooze en opslorping der daling door de derde lettergreep van aedelinga:
aédelìngà gedrýht = ^ ×́ × –̀ ×̀ × ×́.
δ. òfer géofenès begóng = ^ ×̀ × ×́ × ×̀ × ×́.
ε. Met pooze en opslorping der daling door de eerste lettergreep van ŷdha:
átol ŷ́dhà gethrìng = ^ ×́ × –́ ×̀ × ×̀.
Al de hier opgesomde verzen zijn volledig, omdat er de vier heffingen zijn; ontbreekt één der bijheffingen, dan is het vers onvolledig.
In dit geval kan de ontbrekende bijheffing op twee wijzen vervangen worden:
1o door de pooze, b. v.
α. geslốh thî̀n faéder = × –́ –̀ ×́× ^̀.
2o Ofwel, en dit heeft slechts in één geval plaats, worden twee heffingen, nl. hoofd- en bijheffing, door ééne lettergreep gedekt, zoodat deze lettergreep zich over drie moren uitstrekt:
α. hâ̂m gesốhtè = ^ –̂ × –́ ×̀.
Men zou dus bij het lezen há-a-àm moeten scandeeren.
Ziedaar in het kort de hoofdlijnen van de tweeheffings- en vierheffingstheorie.
Het ligt niet op onzen weg te beslissen, welke de beste is; dit laten wij aan meer bevoegden over.
Nochtans al is het waar, dat Sievers’ meening meer aanhangers telt, toch zal men moeten toegeven, dat het stelsel van ten Brink heel wat minder ingewikkeld, en dat de uitspraak van den laatste niet van allen grond ontbloot is, als hij zegt:
«Sievers... gelangte zu einem System, nach welchem es ebenso unmöglich sein dürfte, Verse zu lesen, wie es unmöglich gewesen sein muss, Verse darnach zu bauen.»
Epische stijl.
Inhoudsopgave
Wie, in tegenstelling met Monsieur Jourdain, poëzie van proza weet te onderscheiden, zal bij de inzage van het epos erkennen, dat er bij de Angelsaksen eene epische taal bestond, welke zich uit de omgangstaal tot eene hoogere volmaaktheid had ontwikkeld; want hij zal, afgezien van de versmaat, geregeld terugkeerende woordfiguren, vaste uitdrukkingen en bepaalde zinswendingen aantreffen.
Wat vooral de aandacht vestigt, is het ruim gebruik, dat gemaakt wordt van het vermogen om samenstellingen te vormen, waarvan de meeste een dichterlijk beeld voor den geest roepen.
Voor bijzonderheden verwijzen wij naar het opstel van Theodor Storch, Angelsächsische Nominalcomposita. Strassburg, 1886.
Wij willen hier alleen wijzen op de bonte rij van samengestelde bijvoeglijke naamwoorden met verzwegen voorzetsel: goldhladen goudbeladen, goldhroden goudgekleed, daed-cêne daadkoen, blôd-fâg bloedbont, heoro-blâc bleek door het zwaard, zwaard-gedood, wlite-beorht met stralend aanschijn, beadu-rôf kampberoemd, beadu-scearp slagscherp, scherp tot den slag; ellen-seóc krachtberoofd, gold-wlanc goud-pronkend, headhogeong kampjong, sadol-beorht met glanzend zadel, sae-mêde zeemoede, man-thwaere menschenvriendelijk, enz.23.
Een ander kenmerk van den epischen stijl is de verbazende rijkdom van zinverwante woorden om sommige begrippen uit te drukken, vooral die, welke op oorlog en zeevaart, de twee voornaamste bezigheden van het volk, betrekking hebben.
Om b. v. krijgsbende, krijger, vorst, kamp, pantser, moedig, zee en schip te zeggen, beschikt het epos over tal van eigenlijke en oneigenlijke uitdrukkingen, waaruit niet alleen de woordvoorraad van het Angelsaksisch, maar ook de vindingrijkheid des dichters te voorschijn treedt. De oneigenlijke uitdrukkingen bekleeden vooral eene breede plaats. Men heet ze Kenningar, eene benaming, welke aan de Oudnoordsche letteren ontleend is.
De Kenning is eene minder gewone voorstelling van een begrip, waarvoor een gebruikelijke term voorhanden is. Ziehier eenige voorbeelden:
De koning heet: goudgever, ringuitdeeler; het zwaard: kampvlam; het harnas: krijgsnet; de helm: kamphoofd; de lans: krachthout; de strijd: schildspel, zwaardstorm; het bloed: kampzweet, kampkegels (beeld aan het ijs ontleend); het schip: golfganger, kronkelsteven; het hert: heideganger; de harp: vreugdehout, enz.
Ook bij de werkwoorden komen Kenningar voor, b. v. gaan: het schild dragen, de speer dragen, den weg meten; spreken: den woordenschat ontsluiten; sterven: het menschengejubel opgeven, het gelach neerleggen, enz.
Leven, sterven, spreken, mensch, koning, zwaard, harnas, helm, schild, speer, kamp, schip en God: ziedaar de voornaamste begrippen, welke door Kenningar worden uitgedrukt.
Al de Angelsaksische werken zijn rijk aan deze woordfiguur en niet het minst de Beowulf die, volgens de door Bode opgemaakte verhouding, 9.9 Kenningar op 100 regels telt. Uit de lijsten, welke deze schrijver heeft samengesteld, zullen wij twee voorbeelden kiezen nl. krijger en zee, en tevens de ontbrekende vormen bijvoegen, ten einde den rijkdom van de epische taal in den Beowulf te toonen.
Eigenlijke uitdrukkingen voor krijger:
Cempa, wîga, ôretta (kamper); oretmaecg, hilderinc (kampheld); hererinc (legerheld); gûdhwîga (kampstrijder).
Wij voegen erbij:
häledh, beorn, rinc, wer, secg, gewinna (held, strijder); thegn, magu-thegn (ridder); sige-beorn (zegeheid); magorinc (manheld); hilde-mecg, beado-rinc, gûdhrinc, headho-rinc, gûdh-beorn (kampheld); fyrd-gestealla (tochtgenoot); dryht-gesîd, dryht-guma (schaargenoot); waepned-man (wapenman).
Kenningar of oneigenlijke uitdrukkingen:
Bode haalt aan: lindhäbbend, rondhäbbend, bordhäbbend (schildhebber); searohäbbend (harnashebber); helmberend (helmdrager); scildfreca (schildwolf); sweordfreca (zwaardwolf); wîgfreca, hildfreca (kampwolf); hildehlemma (kampwilde); sceotend (schutter); -sceada (-beschadiger).
Hier behooren nog bij:
fêdha, fêde-cempa (voetkamper); byrn-wiga (harnas-kamper); freca (wolf); gûdh-freca (strijdwolf); gâr-wiga, äsc-wiga (speerkamper); lind-gestealla (schildgenoot); lind-wiga, rond-wiga, scild-wiga (schildkamper).
Eigenlijke uitdrukkingen voor zee: mere, sae, sund, holm, heàdu, brim, lagu, lagu-streàm, eàgor-streàm, êg-streàm, geofen, wäd, flôd, waeg.
Buitendien nog: brim-streàm, farodh, ford, streàm.
Kenningar voor zee.
Bode teekent aan: fîfelcynnes eard (gebied der zeegedrochten); ganotes bädh (bad der duikereend); hronrâd (walvischweg); swanrâd (zwaneweg); segelrâd (zeilstraat); ŷdha ful (der golven beker); seoledha begang (der bochten d. i. stille wateren, bereik); flôdes wylm (vloedbranding); sealt wäter (zout water); seo fealu flôd (de vale vloed); se ginna grund (de spalkende grond); gârsecg.
Deze reeds lange reeks kan nog door de volgende uitdrukkingen aangevuld worden: brim-wylm, flôd-ŷdh, holm-wylm, wäter-ŷdh, saewylm (zeegegolf); sundgebland, ŷdhgebland (zeegemengel); brimlâd, lagu-straet, mere-straet (zeeweg); geswing, wälm (branding); waeg-holm (golvenzee); deóp wäter (diep water); wîd wäter (uitgestrekt water); holma gethring (zeegewoel); mere-grund (zeegrond); wäteres hrycg (waterrug); ŷdha gewealc (golfgewentel); ŷdhgewin (golfgeworstel).
De vorm, waaronder de Kenningar gewoonlijk voorkomen, is, als blijkt, de samenstelling.
Bij sommige is het rijm onmiskenbaar b. v. hranrâd, swanrâd.
Welk is de natuur der Kenningar?
Zij beperken het begrip door eene bepaalde zijde van een persoon of zaak, ééne eigenschap, één deel in het licht te stellen, hetzij door middel van ontleding, hetzij van vergelijking.
Zoo wordt de krijger door een deel zijner bewapening voorgesteld b. v. schilddrager; ziedaar de ontleding.
Wordt integendeel de aandacht getrokken op zijne strijdbaarheid, dan roept die eigenschap de vergelijking te voorschijn met den wolf, b. v. kampwolf.
De Kenningar, welke op deze laatste wijze zijn ontstaan, zijn niets anders dan een leenspreuk of metaphora; deze woordfiguur speelt dus eene groote rol in den Beowulf.
Waaraan is de veelvuldigheid van Kenningar toe te schrijven?
Eene voorname reden is, dat zij, vooral in het tweede halfvers, als stopwoorden worden aangewend, om aan de eischen van het stafrijm te voldoen.
Een sprekend bewijs hiervan levert ons de onechte plaats v. 184–87:
Zij in ’t gemoed. Zij kenden niet den meester,
Der daden doemer, geenen God, den heerscher;
Zij konden niet des hemels heul bekennen,
Den God der glorie.
De dichter, wiens taak het was, overgeleverde stof in overgeleverde vormen te gieten, zooals Bode zich uitdrukt, vond hier eene gewenschte gelegenheid om door het smeden van nieuwe woordverbindingen zijne kunst te toonen.
Dat nochtans de zucht om met nieuwe Kenningar te schitteren zoover gedreven werd, dat vele Oudgermaansche dichters tot hetzelfde besluit zouden zijn gekomen als Ronsard, wanneer hij zegt: «Les excellents poètes nomment peu souvent les choses par leur nom,» dat kan ik Bode niet toegeven.
Men zou diensvolgens moeten aannemen, dat in die vroegste tijden reeds jacht werd gemaakt op gezochte, gekunstelde woordkoppelingen, dus ongeveer in den aard van de Précieuses, over welke Molière zich vroolijk maakt.
Dit strijdt met het karakter van het volksepos, dat juist door zijne waarheid, door zijne oprechtheid gunstig bij de latere persoonlijke poëzie afsteekt, welke doorgaans iets meer of minder conventionneels of overeengekomens vertoont. Wat zeggen buitendien de feiten?
Indien men in Bode’s lijst de Kenningar uit den Beowulf vergelijkt met die uit het volgende Angelsaksisch tijdperk, dan komt men tot de ervaring, dat daar waar er sprake is van koningsschap, krijgs- en zeewezen, slechts weinig nieuwe vormen, ten minste wat den zin betreft, zijn bijgekomen.
De voornaamste nieuwe Kenningar zijn die, welke op duivel, hel en vooral op God betrekking hebben; doch zij zijn het werk van christelijke dichters en hebben niets gemeen met het volksepos.
Indien bijgevolg de latere kunstdichters, die er toch het naaste aan toe waren, een beperkt gebruik maakten van de vrijheid om nieuwe uitdrukkingen te scheppen, dan zal de onpersoonlijke Beowulf-dichter zich nog minder vrijheid veroorloofd hebben.
Daar de meeste Kenningar tot de leenspreuk kunnen herleid worden, zal de hoofdreden van hun gebruik wel in de jeugd van het volk te zoeken zijn, wiens levendige verbeelding en pas ontwaakte kunst alleen het gebruik van de leenspreuk of metaphoor mogelijk maakte.
Kinderen en weinig ontwikkelden bedienen zich bij voorkeur van deze beeldspraak.
De Kenningar beantwoorden aan de behoefte om met meer kracht te spreken.
De metaphoor of onuitgewerkte vergelijking is daarenboven de grondslag van den overdrachtelijken stijl.
Van haar gaat onmiddellijk de verpersoonlijking uit, welke gegrondvest is op de zwijgende vergelijking tusschen de onbezielde natuur en een levend wezen.
Figuren van hoogere orde zijn de allegorie en de vergelijking.
De allegorie is eene aaneenschakeling van twee of meer leenspreuken en veronderstelt bij den dichter eene letterkundige bedrevenheid, welke onvereenigbaar is met eene nog jeugdige kunstuiting.
Dit is ook het geval met de vergelijking. Zij vergt van den dichter veel kunstbewustzijn, de gave van ontleding en zelfbeheersching, want hij verlaat zijn onderwerp, om in een verwijderd, ongelijksoortig wezen eene overeenkomstige eigenschap uit te werken.
Onder logisch oogpunt gaat de vergelijking de leenspreuk vooraf, maar in de werkelijkheid, in de tijdsorde heeft het omgekeerde plaats.
De eerste de beste zal zeggen: «zijne oogen schoten vuur,» bij het zien van iemand, die woedend is, zonder aan eene woordfiguur en nog minder aan eene verborgen vergelijking te denken; dit laatste is het werk van het wijsgeerige verstand, dat daarna aan het ontleden gaat.
Het is derhalve niet te verwonderen, dat wij in den Beowulf methaphoren (onder den vorm van Kenningar) en verpersoonlijkingen aantreffen, daarentegen hoogst zelden eene allegorie en eene vergelijking. Dit verschijnsel hangt samen met den toestand van de Angelsaksische dichtkunst, welke zich nog in de wieg bevond en op verre na niet de hoogte had bereikt van de Grieksche volkspoëzie.
Treden wij in eenige bijzonderheden.
De verpersoonlijking is een geliefkoosd beeld bij kinderen en ongeletterden.
Heeft een kind zich bezeerd, dan moet het «ondeugend» mes gestraft worden, wil men de waterlanders zien verdwijnen.
Voor den natuurmensch is het heelal bezield; vandaar de verpersoonlijking der natuurkrachten, vandaar ook de diersage bij de oude Germanen, voor wie er bijna geene grenslijn tusschen mensch en dier bestond.
Het is dus natuurlijk, dat het zwaard in een heldengedicht als de Beowulf zoo vaak als een bezield wezen wordt voorgesteld.
Het «verricht zijn ambt», evenals een tafelknecht; het «beslist een pleit», het «zingt een kamplied op iemands schedel», het «bijt» en «groet» den vijand, het «rukt den gedoode mede», het vermaakt zich in het gevecht als bij een «spel», en de wonde, die het slaat, is de «zwaarddronk».
Hetzelfde kan van de overige wapens gezegd worden: de werpspies «vervolgt in hare vederuitrusting» den pijl, evenals een havik de weerlooze vogels, en het schild, dat met de lans geslagen wordt, «antwoordt aan de schacht».
Dit verklaart ook, dat sommige zwaarden van helden als personen gedacht worden, die hunnen eigen naam voeren. Unferds zwaard heet Hrunting, dat van Hun Lafing en van Beowulf Nageling24.
De allegorie is schaars vertegenwoordigd en strekt zich bovendien bijna nooit over meer dan twee termen uit.
Het schip is het zeeros (saegenga), dat aan het anker rijdt; het woord is het staal, dat de borst doorbreekt; het ijs is de waterboei, welke God losmaakt; de dood is de slaap van het lichaam, dat op het rustbed sluimert.
Deze laatste plaats (Vert. 1020–22) is nochtans onzeker.
Het gedicht biedt slechts één voorbeeld aan van eene breed uitgesponnen allegorie, welke de kunstenaarshand verraadt. (Vert. 1776–81).
De bekoring wordt er voorgesteld onder het beeld van eenen sluipmoordenaar, die door middel van eenen pijl den slapende onverhoeds wondt, niettegenstaande dezes wapenrusting; terwijl de wachter, het geweten, is ingesluimerd.
Doch hier bevestigt de uitzondering den regel, want deze plaats is buiten allen twijfel aan de inlassching van eenen kloosterling toe te schrijven.
Dat somtijds onvereenigbare begrippen tot eene allegorie verbonden worden, kan, de onvolkomenheid der dichtkunst in aanmerking genomen, geenen aanstoot geven.
Ziehier eenige staaltjes:
seo beado-leóma bîtan nolde: de kampvlam wilde niet bijten. v. 1524.
hine sorh-wylmas lemede tô lange: de zorggolven hadden hem te lang verlamd. v. 905.
him hilde-grâp heortan wylmas, bân-hûs gebräc: de kampgreep verbrak hem des harten golvingen, het beenderhuis. v. 2508–9.
De vergelijkingen zijn dun gezaaid en worden daarenboven niet volgehouden, maar zoo kort mogelijk als in de kiem aangeduid. Men oordeele:
«Het schuimhalzige schip ging over de golfzee, gelijk aan eenen vogel».
«Ieder van de nagels was op staal gelijkend».
«Uit Grendels oogen ging een ongure schijn, gelijk aan eene vlam».
«Het zwaard bliksemde, evenals de hemelfakkel helder aan de transen schijnt».
«Het zwaard versmolt geheel en al, gelijk het ijs, wanneer de Alvader den band van de vorst losmaakt».
De schoonste vergelijking prijkt in het Finnsburglied:
«Het zwaardgebliksem rees, even alsof de heele Finnsburg in lichterlaaie stond».
Welk verschil tusschen de zeldzame, stamelende vergelijkingen van den Beowulf en de talrijke, breed aangelegde en meesterlijk afgewerkte beelden van de kunstgezinde Grieken!
De meerderheid van deze laatsten blijkt ook uit de schilderende bijvoeglijke woorden.
Niet dat het gedicht geene echt teekenachtige epitheten of bijbenamingen heeft aan te wijzen, maar de groote massa mist die aanschouwelijkheid en evenredigheid, welke wij bij Homeros bewonderen. En met reden: het zelfstandig naamwoord blijft, zoodat de vergezellende bijbenaming eene zekere maat moet houden, waartoe zich de wilde verbeelding van het Noorden moeilijk kon plooien. De Kenningar daarentegen laten volle vrijheid toe.
Vandaar dat de Beowulf in evenredigheid arm is aan epitheten, maar rijk aan Kenningar, terwijl zich het tegenovergestelde bij Homeros voordoet.
Zelfs is het geval niet zeldzaam, dat een Kenning uit den Beowulf in de Ilias aan eene bijbenaming beantwoordt, b. v. Ποντοπόρος, het zeedoorschrijdend schip, zegt hetzelfde als saegenga, ŷdhlida: zeedoorschrijder, golvenganger.
Voor meer zulke overeenstemmingen raadplege men Bode, die er eenige voor schip en wapen opsomt.
De vorm der schilderende bijbenamingen is de samenstelling; zij bieden zich alweer hoofdzakelijk aan bij alles wat op oorlog en zeevaart betrekking heeft, nochtans niet bij het begrip zee, dat door de Kenningar ruimschoots uitgebeeld is.
Het zou ons te ver leiden, moesten wij al de epitheten opsommen; zij komen in hoofdzaak in de volgende gevallen voor: Zij betitelen den vorst op vereerende wijze, geven den moed te kennen van den krijgsman (dit zijn de talrijkste), ofwel de uitputting van den gewonde, zij schilderen het oorlogspaard en de wapens, vooral zwaard en harnas.
Kiezen wij de bijbenamingen van zwaard en schip.
Het zwaard is blôd fâg: bloedgepurperd, swât-fâg: zweetgepurperd, fŷr-heard: vuurgehard, graeg-mael: grauwgeteekend, hring-mael: ringversierd, morgen-ceald: morgenkil (na nachtelijke tochten), wreodhen-hilt: met gewonden gevest voorzien, wunden-mael: met kronkelende teekens voorzien, wyrm-fâh: glanzend door slangversieringen.
Eenige bijbenamingen van schip hoeven voor die van Homeros niet onder te doen:
fâmig-heals: schuimhalzig, wunden-heals: kronkelhalzig, sîd-fädhme: ruimboezemig, nîw-tyrwed: nieuw-geteerd, sae-geáp: zeeruim (ruim genoeg om zee te bouwen).
De levenlooze natuur is zeer karig bedeeld; het veld is maar eens betiteld met wlite-beorht: glansstaltig.
Wij hebben nog op twee soorten van staande uitdrukkingen te wijzen, welke ook een kenteeken van de dichterlijke taal zijn:
Samenkoppelingen van twee woorden door middel van het voegwoord en, om een verband of eene tegenstelling uit te drukken, in den aard van onze tegenwoordige Nederlandsche stafrijmen. b. v. leóht and lîf: licht en leven, wordum and weorcum: met woorden en werken, hand and rand: hand en schild, leóf and lâdh: lief en leed, îdel and unnyt: ijdel en onnut, frôd and gôd: vroed en goed, habban and healdan: hebben en houden, singan and secgan: zingen en zeggen, innan and ûtan: binnen en buiten.
Pulsuz fraqment bitdi.