Kitabı oxu: «Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven»
August Prell
Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066405465
Inhoudsopgave
IETS OVER INDISCHE SOLDATEN.
VRIJWILLIGERS.
EINDELIJK RECRUUT.
ONDER INLANDSCHE RECRUTEN.
MIJN EERSTE RAPPORT.
KAPITEIN „EENOOG”.
MIJNE EERSTE HUISHOUDSTER
„ZIJ HANGT MAAR AAN EEN DRAADJE!”
ZINGENDE SOLDATEN.
PARADE.
DE BESTORMING DER BENTENG MANDOEROEIAN.
DE VEROVERING VAN DE VERSTERKING TE TOEMBANG PATANGAN.
[Inhoud]
IETS OVER INDISCHE SOLDATEN.
Inhoudsopgave
Ieder, die de toestanden in het Indische leger kent, zal zich verwonderd hebben over al den onzin, die in den laatsten tijd daarover geschreven en gesproken werd. Voornamelijk enkele hoogmogende geestelijken en de middernacht-zendelingen, hebben in woord en geschrift den banvloek uitgesproken over de schurftige schapen onder hun zoo zorgvol geweide kudde. Zou dit wel de beste weg zijn, om verdoolden op het goede spoor terug te leiden? Tot nog toe heb ik in ’t practische leven nooit anders ondervonden, dan dat menschen in ’t kwade verharden, hoe meer men hun fouten en gebreken wereldkundig maakt en hen daarbij met verwijtingen en scheldwoorden overlaadt. Uit lang vervlogen dagen klinken mij nog altijd de woorden in het oor van een ouden geestelijke, die over naastenliefde sprak. [2]
„Bestaat er geen naastenliefde meer, of strekt zij zich niet uit tot den Indischen soldaat?” Als men mocht gelooven al hetgeen de heeren zeggen, dan bestaat het Indische leger voor het grootste gedeelte uit menschen, wier hoogste ideaal de jeneverflesch en de dienst van Venus is. Haast nooit heb ik in hun uitlatingen een lichtpunt kunnen ontdekken. Satan heeft het geheele leger in erfpacht. Hij beploegt, bezaait het en oogst er van.
Volgen wij die heeren eens op hun militaire uitstapjes. Eerst dan naar Harderwijk. De lieden, die WIJ er aantreffen, zijn geen soldaten van het Indische leger; het zijn verkleede burgers en eerst na hun inscheping kunnen zij gerekend worden deel uit te maken van het Indische leger. Deze verkleede burgers, tot verschillende nationaliteiten behoorende, zijn saamgepropt in een nest, waar de verveling ieder mensch op ’t gezicht en ieder huis op de deur te lezen staat. Hoe zullen deze verkleede burgers, die meest allen, ieder op zijne wijze, uit den levensbeker van vreugde en leed met volle teugen gedronken hebben, maanden achtereen, tot zij worden ingescheept, hun vrijen tijd klein krijgen? De verveling en alleen de verveling is het, die deze verkleede burgers zoo dikwijls met de jeneverflesch in aanraking brengt. Deze verkleede burgers zijn het, die men in de hoofdstad zoo dikwijls in gezelschap van liederlijke [3]vrouwspersonen langs de straat flaneeren ziet. Aan deze verkleede burgers is het te wijten, dat het Indische leger zoo ten onrechte bij de burgerij in slechten reuk is gekomen. Immers zij behooren nog niet tot het Indische leger. Wat zij misdoen komt voor rekening van de burgerij.
Hoe geheel anders doet zich dezelfde verkleede burger voor, als hij soldaat geworden is, als hij discipline geleerd heeft. Nu, een ieder, die slechts éénmaal zijn neus in een Indische provoost heeft gestoken of de verhalen heeft aangehoord van soldaten, die bij een hitte van 98° daar 8 tot 14 dagen hebben doorgebracht, met den rechtervoet aan de linkerhand geklonken en om den anderen dag gespijzigd met water en droge rijst—en dat alles omdat zij te veel gedronken hadden—in ’t kort een ieder, die tot bedoelde bevoorrechten behoort, zal beseffen dat de jeneverflesch het ideaal van den Indischen soldaat niet zijn kan. Het beste bewijs daarvoor zijn de strafregisters. Laat het nu gebeuren, dat werkelijk de eene of andere soldaat eenmaal in het geheele jaar wegens dronkenschap gestraft wordt; is hij dan een dronkaard? Daarbij moet ik op den voorgrond stellen, dat men in het Indische leger niet die talrijke fijne schakeeringen kent, waarvoor in het burgerlijk leven zoo dikwerf uitdrukkingen gebezigd worden als: goed geamuseerd, een [4]beetje aangeschoten, even boven zijn theewater, enz.
Neen! daar laat de wachthebbende onderofficier den verdachte eenvoudig „rechtsomkeert” maken en zoo hij bij die manoeuvre maar even zwaait, dan is hij „zuur” en marcheert de provoost in. Gerechte hemel! Hoeveel „rijksprovoosten” zou de minister van Justitie wel moeten laten bouwen, indien hij zoo’n ouden Indischen snorrebaard aan de deur van „de Groote Club”, „de Witte” en meer dergelijke inrichtingen posteerde, met de opdracht, om ieder, die buiten komt, rechtsomkeert te laten maken en wanneer hij waggelt, te doen inrekenen. Wie weet of er dan niet menigeen onder zou zijn, van degenen, die thans met huichelachtige verdraaiing der oogen bidden: „Heere! Heere! drijf toch den drankduivel uit het Indische leger!” Om terug te komen op de geestelijkheid, wie het werkelijk ernst schijnt te zijn, om in het Indische leger zedelijke verbeteringen tot stand te brengen,—ik veroorloof mij, haar nogmaals te wijzen op de verkeerde taktiek, sommige gebreken in het openbaar te gispen of op misstappen opmerkzaam te maken, die door enkelen begaan worden. Zoo las ik bijvoorbeeld onlangs in de Locomotief een artikel, onderteekend Roge, waarin een pastoor zich bitter beklaagde over soldaten, die hij tot kerkzangers had willen opleiden. In den beginne had hij hun jenever gegeven zooveel [5]zij wilden en toen hij bemerkte, dat zij zich te buiten gingen, had hij een proef genomen met ijswater en sigaren; maar toen waren de zangers weggebleven. Doch de pastoor moest dan toch in ieder geval weten, dat de goede God niet gediend kan zijn met den lofzang van menschen, wier plotseling opwellende godsdienstzin door de uitwerking van spiritualiën is teweeggebracht. Aan den anderen kant kan men het toch den soldaten niet euvel duiden, dat zij, in de meening dat hun diensten dezelfde bleven, bij verlaging van loon, het vrome werk staakten. Het is immers de oude geschiedenis van den hond, die geen brood meer lust, nadat men hem met biefstuk gevoed heeft. Had de pastoor op het eergevoel dier mannen gewerkt, had hij hen beschouwd als menschen „van gelijke beweging” als hij, dan zou hij geen jenever en ook geen ijswater met sigaren noodig hebben gehad. Deze Pastoor Roge moest zich eens door zijn collega Verbraak op Atjeh laten leeren hoe met Indische soldaten om te gaan; want die weet het! Ik geloof, dat niet één soldaat—Christen, Jood, Mohammedaan of heiden, om ’t even—van Atjeh is weggegaan, die niet met bewondering aan pastoor Verbraak terugdenkt. Een glimlach helderde als een zonnestraal de smartelijk verwrongen trekken der gewonden en zieken op, als de pastoor de ziekenzalen binnentrad en vroeg: „Jongens, [6]heb je ook wat op ’t hart?” Nooit kwam er een verwijt over zijn lippen. Een vriendelijke vermaning als: „Jongens, wat heb je nu aan dat vloeken over je pijn!” was het ergste wat men van hem te hooren kreeg. Menig stervende van een andere geloofsbelijdenis, die in zijn laatste oogenblikken berouw over zijn vroeger leven gevoelde en zich tot Verbraak, die aan zijn sponde bad, wendde met de woorden: „Pastoor, zal uw gebed wel voor een andersdenkende helpen?” gaf hij ten antwoord: „Voor God zijn wij allen gelijk en ook u zal Hij niet verstooten. Ge waart immers een braaf soldaat en sterft voor uw vaderland.”
Door zulke woorden heeft hij honderden het sterven gemakkelijk gemaakt.
Wanneer die man zich met het maken van proselieten had willen bezighouden, dan had hij waarschijnlijk op rijken oogst kunnen rekenen; doch zulke gedachten bleven den edelen man verre. In den waren zin des woords is hij „een man Gods”, iemand, die weet wat naastenliefde is en aan wien zijn collega’s zich kunnen spiegelen.
Wat is het nu, dat dezen geestelijke de harten opent dier schijnbaar ongevoelige soldaten? Juist deze liefde tot den naaste en daarbij een schat van menschenkennis. Weinig geestelijken in Indië kunnen op deze laatste eigenschap bogen. Ze begrijpen niet, dat door jarenlangen omgang tusschen [7]de verschillende geestelijke elementen der Indische soldatenwereld een zekere gelijkheid plaats heeft gegrepen. Onwillekeurig doet zich op den minder ontwikkelde in het Indische leger de invloed gevoelen der duizenden meer beschaafden, die gemeenlijk, na financieel schipbreuk te hebben geleden, in de haven van den militairen dienst in Indië zijn binnengeloopen.
In ’t algemeen kan men zeggen, dat het „gladde” of „gare” jongens zijn, zooals de volkstaal het noemt, die in Indië de uniform dragen; deze hoedanigheid hebben zij zich op de puinhoopen van hun burgerlijk bestaan eigen gemaakt. Is het nu niet dwaas, tot zulke mannen zendelingen af te vaardigen, die indertijd misschien als schoen- of kleermaker hun sporen verdiend hebben, maar wien het ten eenen male aan menschenkennis ontbreekt? Nog steeds moet ik aan een doodzieken soldaat denken, die in het hospitaal te Weltevreden in mijn nabijheid lag. Ook hem kwam zulk een zendeling bezoeken, die een zeer opwekkende voordracht hield over de pijnen der hel, de eeuwige verdoemenis en andere schoone vooruitzichten, die hem aan gene zijde van het graf wachtten, indien hij zich niet bekeerde. De man kwam daarbij zoo in vuur, dat hij letterlijk schreeuwde. Toen hij ten slotte een oogenblik ophield, merkte de kranke cynisch aan: „En daarvoor geven ze je ƒ300 in de maand? [8]Dat moesten ze mij eens geven: ik zou de menschen heel wat anders vertellen.” Het algemeene gelach, dat zich daarop door de geheele zaal deed hooren, bewees dat hier meer was bedorven dan tien zendelingen in jaren weder zouden kunnen goedmaken. Men zende daarom beschaafde, ontwikkelde zendelingen naar Indië, die niet alleen bijbelvast zijn en ijverige arbeiders in den „wijngaard des Heeren”, doch ook in staat eenigszins de personen te doorgronden, die zij troost willen brengen. Ze zullen daar een rijk arbeidsveld vinden, in samenwerking met officieren en burgerij. Deze samenwerking moet in de eerste plaats ten doel hebben, om de soldaten in hun vrije uren afleiding te bezorgen. Vooral is dat noodig bij de depôt-bataljons. Hier ontvangt de soldaat de eerste indrukken van het Indische militaire leven en die zijn meestal de blijvende.
Hoe diep gevoelde ik daar in den eersten tijd van mijn soldatenleven dat gemis aan bezigheid voor den geest. Niemand bood mij bij mijn zoeken naar geestesvoedsel de behulpzame hand, totdat eindelijk een weldenkende chef—kapitein Flier heette de wakkere man—mijn verzoek om te Meester-Cornelis een militaire zangvereeniging op te richten, krachtdadig ondersteunde. In minder dan geen tijd waren er ongeveer twintig, met een goede stem begaafde soldaten gevonden, die elken [9]avond, wanneer zij geen dienst hadden twee of drie uren lang, ondanks de groote hitte repeteerden en getrouwelijk alle vijf dagen van hun karige soldij nog een kleinigheid afzonderden, om zich daarvoor muziekpapier enz. aan te schaffen. Die mannen dachten niet meer aan de jeneverflesch. Hoe gelukkig waren zij, als bij een assaut of eenige andere gelegenheid, hun gezang met geklap van dameshandjes werd beloond of zich op de strenge gezichten hunner superieuren een welwillende glimlach vertoonde! Die menschen hadden ook eergevoel en op dat eergevoel, dat zooveel onverstandige beoordeelaars aan Indische soldaten willen ontzeggen, moet voortdurend gewerkt worden.
Moge nu de geestelijkheid haar machtigen invloed eendrachtig aanwenden, om, door te werken op het eergevoel, bij den soldaat het zedelijk evenwicht, dat door verschillende slagen van het noodlot aan het wankelen is gebracht, te herstellen en te bevestigen. Dit kan gemakkelijk geschieden door hem gelegenheid te geven zich persoonlijk te doen waardeeren. Men voere lichamelijke spelen in, als schermen, kolven, kegelen, kaatsen, worstelen, enz. En wanneer er dan wedstrijden werden uitgeschreven, waarvan officieren en burgers met hun dames getuigen wilden zijn, zouden honderden soldaten zich beijveren onder het oog van superieuren en schoone belangstellenden een goed figuur te maken. [10]
Een prijs door een dameshand uitgereikt, een welwillend en aanmoedigend woord van schoone lippen, dat den soldaat zegt: „Ge zijt niet de paria, het uitvaagsel der maatschappij, waarvoor dwazen in Europa u houden, die allen omgang met u schuwen, als waart ge een melaatsche,” zou hem aansporen, zich dat gunstig oordeel waardig te maken. Dan zou de jeneverflesch geheel verdwijnen en de omgang met vuile deernen grootendeels ophouden. Met dit laatste wordt evenwel niet bedoeld, dat de Indische soldaat van zijn huishoudster afstand zou moeten doen. Neen! Natuur stelt haar wetten en daar kan niet straffeloos tegen worden gezondigd. Door het oprichten van liefhebberij-tooneelgezelschappen, het organiseeren van vaderlandsche spelen, zooals die reeds hier en daar beoefend worden, moet de soldaat moreel worden opgeheven, gelijk dit mede door het houden van voordrachten geschieden kan. Wat dit laatste betreft, heeft de geestelijkheid een goede gelegenheid om op den voorgrond te treden. Dorre predikatiën, doorspekt met bijbelteksten of diepzinnige philosophische beschouwingen, zijn hier niet op haar plaats, maar koddige, pakkende onderwerpen, waarbij drupsgewijze een ernstig, overtuigend woord wordt ingelascht, dat de toehoorders treft en tot nadenken stemt. Doch daartoe worden beschaafde, hoog-ontwikkelde menschen gevorderd. Men biede [11]ook den soldaten de gelegenheid, om over ’t gehoorde te debatteeren, ja, men wekke hen daartoe op. Hoe goed zou het zijn, als nu en dan ook eens een der oudere officieren zich onder de soldaten mengde en hun een blik gunde in zijn aan ervaring zoo rijk militair leven! Men weet toch met welke illusies zoo vele jonge mannen naar Indië gaan, hoezeer enkelen zich, juist in den eersten tijd, ontgoocheld gevoelen en dan in hun wanhoop naar de flesch grijpen. Velen, velen van hen zouden dankbaar zijn, indien zij bij superieuren en notable burgers de behoefte mochten waarnemen, om hun te toonen, dat men onder den ruwen bolster de goede kern op prijs stelt. Men late dus het eeuwigdurende schimpen op den armen soldaat, die dagelijks, ja, ieder uur, zijn leven veil moet hebben. Het leven wordt hem toch reeds zuur genoeg gemaakt, als hij in de burgermaatschappij terugkeert. Overal vindt hij deuren en harten gesloten. Heeft hij gelukkigerwijs het eerekruis voor „moed, beleid en trouw” op de borst, ja, dan vindt hij nog wel op voorspraak van invloedrijke mannen een schamel tehuis; zijn kameraad echter, niet zoo gelukkig om het eeremetaal te kunnen toonen, al heeft ook hij zich dapper geweerd, kan verder trekken en in den strijd om het bestaan soms ellendig ondergaan.
Vele brave soldaten zijn zoo het slachtoffer van [12]den blinden ijver eeniger geestelijken en van de door haar misleide menigte. Mochten daarom deze zoo veel vermogende heeren toch eens in boven aangeduide richting werken. Er worden hier te lande zoovele goede patriotten gevonden, die in openbare vergaderingen voor algemeenen dienstplicht ijveren en van den katheder het „Dulce est pro patria mori” verkondigen en dan naar huis gaan, en een paar bankjes van honderd uit de brandkast nemen en voor het lieve zoontje een remplaçant koopen. Wanneer deze zich met die geestelijken vereenigen en hun invloed in dien geest aanwenden, dat men den Indischen soldaat niet langer een stuk vee scheldt, dat voor 2 tot 300 gulden gekocht is, om naar de Atjehsche slachtbank geleid te worden, dan zal ook eens de tijd komen, waarin een Hollandsche moeder met trots zeggen kan: „Mijn jongen is Indisch soldaat geweest.” [13]
[Inhoud]
VRIJWILLIGERS.
Inhoudsopgave
Er zijn toch merkwaardige menschen onder de Hollandsche militaire artsen. Toen ik indertijd naar Arnhem was gegaan, om te laten onderzoeken, of mijn corpus ook waardig kon geacht worden om de Hollandsche driekleur tegen de Atjehers te verdedigen, zeide mij de dokter:
„Man, je hebt in je leven veel te veel spek gegeten; je bent te dik en zoudt onder de stralen der tropische zon wegsmelten als boter in den zomer.” De dokter in Den Haag daarentegen beweerde, toen ik hem de opinie van zijn Arnhemschen collega meedeelde: „Er komen nooit vette moffen naar Holland; dat worden ze eerst, als ze een tijd lang hier gewoond hebben.”
Beide heeren hebben zich nogtans in mijn persoon vergist. Ik heb evenmin vaak spek gegeten, als dat ik in den loop der jaren in Holland „vet” [14]ben geworden en toch ben ik trotsch van top tot teen een „mof” te zijn gebleven. Maar versta mij goed, ik bedoel niet van die soort, die tusschen vier muren, bij gesloten deuren fluisterend verklaren durven: „ik ben Duitscher” en buitenshuis de huik naar den wind hangen en doodsangsten uitstaan als deze of gene burger van het land, welks gastvrijheid zij genieten, hen toevallig op de nationale eksteroogen trapt; niet zoo een, wiens hart vandaag voor den Adelaar, morgen voor den Beer en overmorgen voor een ander beestje gloeit, dat hem met zilverkleurigen blik aanstaart. Vaderlandsliefde laat zich niet als een vuil hemd afleggen en tegen een ander verwisselen.
Maar om tot mijn onderwerp terug te keeren, ik was destijds blij, dat de tweede dokter gelijk kreeg, want in mijn verbeelding zag ik mij reeds over eenige jaren de luitenantssterren en de eene of andere Indische koningsdochter met een kruiwagen vol briljanten en eenige millioenen guldens speldegeld toebedeeld. Het zou werkelijk jammer zijn geweest, als zoo’n spek-vreezende aesculaap mijne luchtkasteelen omver had geworpen.
Nog meer voedsel kreeg mijn verbeeldingskracht, toen ik eene afdeeling „schutters” had zien exerceeren, die ik voor „echte” soldaten hield. Jongen, jongen, dacht ik, als de soldaten in Indië precies zoo zijn als deze „Krähwinkler”, dan, dan.… [15]krijg je al gauw de berenmuts op het hoofd en kaplaarzen aan de voeten.
Mijn illusies werden wel wat verzwakt, toen mij een oude snorrebaard van een korporaal werd toegevoegd, die mij naar het Dorado der „kolonialen” naar Harderwijk moest brengen. Om aan onze kennismaking een ietwat hartelijk karakter te verleenen, liet hij mij, bij den aanvang onzer reis, vijf blinkende patronen zien. „Die zijn allen voor jou, als je ’t in je hoofd mocht krijgen, om er van door te gaan”, zeide hij met een grimmig lachje. Ik bedankte voor de attentie, verklaarde zulke mooie patronen niet waard te zijn en betuigde levendig mijn spijt, hem niet in de gelegenheid te kunnen stellen, op mij de zekerheid van zijn schot te bewijzen, daar ik niet naar Holland was gekomen met de bedoeling om er van door te gaan, maar om te blijven.
Mijn Cerberus scheen met deze verklaring tevreden. Hij stak een pruimpje achter de kiezen en spuwde op Moeder Aarde. In Utrecht deed ik de ontdekking, dat zich ook in Holland de niet-militaire sterveling een ander begrip van een „vrijwilliger” vormt dan de militaire. De scherp-geladen korporaal volgde mij, zesjarig-vrijwilliger, op den voet. Hij dronk ook mijn cognac op, die ik aan het station had gekocht, waarschijnlijk om zich te overtuigen, dat zich daarin geen [16]ingrediënten voor adspirant-zelfmoordenaars bevonden.
Voortdurend omringde ons een nieuwsgierig publiek, uit welks midden enkele gezegden mijn oor troffen, waaruit ik kon afleiden, dat men zich omtrent mij nog geen juiste voorstelling vormde. Een meende er, dat ik wel iemand moest hebben doodgeslagen; een ander verzekerde, mij nog onlangs in den Haag te hebben gezien op de bank der beschuldigden, gezeten tusschen een paar andere leden van het edele spitsboevengilde. In elk geval was ik een interessant iemand. Nogtans zou ik moeten liegen, als ik beweren wilde, dat de aandacht aan mijn persoon geschonken, mij aangenaam was.
In Harderwijk aangekomen, nam mij aan het station een patrouille tegen een menigte langneuzige menschen in bescherming, die allen naar den naam Mozes luisterden. Het waren „hoteliers (?)”, die mij in hun vertrekken het paradijs reeds op aarde voorspiegelden. Daar ik nooit een vriend van knoflook ben geweest, volgde ik den raad van een sergeant op en nam mijn intrek in een herberg, in de onmiddellijke nabijheid der kazerne, die eerst den volgenden morgen zich gastvrij voor mij zou openen. In de gelagkamer ging het vroolijk toe. Alles zag er blauw; de lucht van den rook der sigaren, de uniformen en [17]eveneens gezicht en handen der dragers. De champagne, waarvan kleur en mousseerende werking sterk herinnerden aan het product der appelboomen in den omtrek van Sachsenhausen, stroomde rijkelijk over de tafel.
De waard was een waar menschenvriend. Toen hij bemerkte, dat het edele nat zijn gasten naar het hoofd begon te stijgen, kwam hij telkens als er om champagne geroepen werd, met ledige flesschen aandragen, die hij op tafel zette. Minder menschlievend was het echter, dat hij die ook voor volle liet betalen.
De kazerne liet niet in het minst vermoeden, dat men zich in het schatrijke Holland bevond. Het is een oude, wormstekige kast, die aan de controle van een adjudant-onderofficier met den omineuzen naam van „Stier” toevertrouwd was. De man kon er op bogen geen enkelen vriend te bezitten. En waarom? Omdat hij steeds zijn plicht deed, wat men van de overige onderofficieren niet kon beweren.
Nadat ik hem mijn papieren had overhandigd, en het hem, uit mijn getuigschrift van goed, zedelijk gedrag duidelijk was geworden, dat ik nooit op gespannen voet had gestaan met de Duitsche politie, zond hij mij met nog een paar andere Europa-moede jongelingen naar den dokter. Ja, het zijn voorzichtige menschen, die Hollanders, zij [18]koopen voor 200 gulden geen kat in den zak. Doch ook deze dokter kon geen schoonheidsgebreken aan mij ontdekken en ik mocht hem verlaten in het geruststellend bewustzijn, eindelijk aan het begin van mijn militaire loopbaan te staan. Weinig genoegen bereidde mij de metamorphose, door welke ik, burgerlijk embryo, in een schitterenden militairen vlinder zou worden herschapen. O, die gemeene blauwe kleur der uniformen! Geen aasje schoonheidsgevoel kan de uitvinder er van hebben bezeten. De helft van mijn handgeld heb ik in zeep moeten omzetten, om gezicht, handen en mijn overige corpus van de indigo te reinigen. Eén voordeel evenwel bezorgt de frissche blauwe kleur den drager; zij maakt hem tallooze vrienden; zijn verschijning toovert op de tronies der herbergiers de zonnigste uitdrukking; zelfs korporaals en, nog sterker, sergeants vertrekken de plichtmatig grimmige gezichten tot een vriendelijk lachje, want hoe blauwer de vrijwilliger is, hoe meer guldens van zijn handgeld hem nog in den zak rammelen.
Tot deze ontdekking kwam ik toen ik de krijgsartikelen, waarvan ik geen woord verstond, aangehoord had en met den broekzak vol rijksdaalders in de kazernekamer terugkeerde. Daar ontvingen mij de kameraden met ongehoorde geestdrift. De één had mijn schoenen gepoetst; een ander toonde mij mijn kapotjas, in welker knoopen men zich kon [19]spiegelen; een derde verzekerde, dat ik de aardigste kerel was dien hij ooit had leeren kennen en dat hij mij vriendschap wilde schenken, waarmede hij anders zeer spaarzaam omging; kortom allen legden een zoo roerende blijdschap aan den dag, alsof een engel tot hen was neergedaald.
Arme, arme rijksdaalders! Hoe rolden ze mij uit den zak! Geruimen tijd verliep, eer ik mij onder de manschappen wat georiënteerd had. Er waren gewezen Duitsche corps-studenten onder, gemakkelijk te herkennen aan hun getatoeëerde gezichten; voormalige officieren, die zich door stem en loop onderscheidden; ex-leden van het Fransche vreemdenlegioen met hun magere door de zon verbrande gezichten stonden naast van gezondheid blozende polderjongens; alle volkslagen, van de bovenste tienduizend tot de onderste arme massa, hadden haar vertegenwoordigers in het Indische leger. Een alleraardigste kennismaking had ik op zekeren dag, toen mij bij het plaatscorvee de taak werd opgedragen, om met nog een paar manschappen, het gras tusschen de steenen vóór de kazerne uit te wieden. Het waren bijna allen Duitschers en ik dacht eerst, dat de menschen gekscheerden, toen zij elkander met Graaf V., Baron van A. en andere welbekende adellijke namen aanspraken. Tot mijn verbazing bemerkte ik, dat het werkelijk echte adellijke jongelui waren. Die [20]blonde kroeskop met zijn kranig kneveltje had nog geen vier weken geleden als een chique gardeluitenant „unter den Linden” geflaneerd. Volgens het vertellen van de faam, moet een zeker generaal het hem zeer kwalijk hebben genomen, dat hij, juist op het oogenblik, dat Zijne Excellentie zijn jeugdige en bevallige echtgenoote goedennacht wilde gaan zeggen, uit het venster van het boudoir dier schoone sprong. De dikke heer, wien de zweetdroppels op het voorhoofd stonden, terwijl hij met een afgebroken stuk sabel tusschen de steenen wroette, was luitenant bij de Uhlanen geweest en had met veel hartstocht de rijsport gehuldigd. Bij wedrennen had hij steeds op zich zelf gewed, doch daar hij even zwaar was als twee andere ruiters te zamen, was hij steeds verscheiden paardlengten achtergebleven. Terwijl hij voortdurend dikker werd, leed zijn porte-monnaie aan vliegende tering. Een man, genaamd Aäron, behandelde de zieke een tijd lang, doch daar zich geen verschijnselen van beterschap voordeden, zond hij ten slotte den regiments-commandant de zeer hooge dokters-rekening.
Overmatig geldgebrek was bij de meesten de oorzaak van de verandering van lucht. Het was interessant het dozijn blauw-bloedige heeren te zien concurreeren met een stuk of wat oude vrouwen, die vóor het hotel Ducroix aan de overzijde [21]der straat denzelfden arbeid verrichtten. Maar het is in Harderwijk: gelijke monniken, gelijke kappen. Voor niemand wordt daar brood apart gebakken. Een andere, niet minder typische kennis maakte ik eens op een dag, toen ik bevel kreeg tot het reinigen van „zekere plaatsen.” Ik ontmoette er een heer, die door den geur der kazerne-viooltjes omgeven, zich aan mij voorstelde als een gewezen luitenant v. K. Zooals ik van hem vernam en mij later ook bevestigd werd, had zich de man met de borst toegelegd op het verzamelen van antiquiteiten, welke hem door een antiquaar zeer bereidwillig werden geleverd.
Toen hij nu bij dezen zeer diep in het krijt stond, deed hem de edele man het voorstel een overoude antiquiteit van hem over te nemen; op die conditie zou hij de schuld als vereffend beschouwen. De antiquiteit was juffrouw Bertha, eenige en oudste dochter van den antiquaar.
„Dan nog liever kazerne-viooltjes plukken,” dacht de luitenant en ik gaf hem gelijk.
Doch niet alleen Duitsch blauw bloed stroomde naar Harderwijk; ook trotsch klinkende Hollandsche namen, waarboven veeltakkige kroontjes prijkten, werden op het rapport afgelezen.
Men kan zich voorstellen, dat menige boeren- en andere jongens er een duivelsch behagen in schepten, zoo’n „monsieur le baron” het leven zuur [22]te maken. Gebeurde het, dat de een of andere havelooze vagebond, wien de zon door talrijke luchtgaten op de huid kon schijnen, zich als vrijwilliger kwam aanmelden, dan hoorde men dadelijk: zeker een verloopen baron uit Den Haag of een Duitsch officier. Vooral deze laatsten waren stiefkinderen der publieke opinie. Zelfs de pers bemoeide zich met hen.
Op zekeren dag kon men in een te Amsterdam verschijnend blad lezen: „Naar wij uit goede bron vernemen, bevinden zich te Harderwijk een aantal Duitsche stafofficieren, waaronder zelfs een majoor, die zich als vrijwilligers hebben in laten schrijven, natuurlijk alleen om te spionneeren.” Lieve hemel, hoe naïef! Wat hadden zij door spionneeren te weten kunnen komen? Bijvoorbeeld de inrichting der faecaliën-kuilen of hoe men daar de straat wiedt? Dat zou Moltke toch om ’t even kunnen zijn! Menigeen trok zich dergelijke uitvallen aan en zoo zich de goede luim van sommigen niet had doen gelden, of indien men niet op zijn illusies had kunnen teren, dan zou misschien deze of gene met een knal-effect geëindigd zijn.
Een der vroolijkste kameraden was de reeds genoemde uhlanen-luitenant v. A. Die had zoowat door de geheele wereld rondgeboemeld. Vóór hij naar Harderwijk kwam had hij nog een kort bezoek aan Amerika gebracht. Daar wilde hij squatter worden en [23]had met een verloopen huzaren-luitenant tot dat doel voor weinige dollars een groot stuk van een oerwoud gekocht. Den huzaar echter stonden de handen altoos verkeerd, als zij een boom wilde omhakken en de uhlaan zat steeds in angst, dat de huzaar hem bij het boomen-vellen nog eens in de beenen zou houwen. Beiden lieten daarom de boomen hemelwaarts groeien en jaagden op buffels en beren, tot de Groschen gevlogen waren. Toen zetten zij koers naar Harderwijk. V.A. moet inderdaad een weergaloos genie in het geld-maken geweest zijn. Ontelbaar waren de brieven, die hij ontving van geldschieters, die hem tegen de kleinigheid van 100 tot 200 % vriendendiensten hadden bewezen. Bij gebrek aan andere lectuur, moest men zich met de voorlezing van dergelijke epistels vergenoegen, waarmede vaak een halven avond heen ging. Men zou het nauwelijks kunnen gelooven hoeveel geld een dozijn officieren bij elkaar kan leenen. Onder de hier aanwezigen waren er die bijna evenveel brieven ontvingen als onze v. A. Enkele schuldeischers schenen van de groote bekwaamheden hunner luitenants zoo doordrongen te zijn, dat zij dezen als staf-officieren in het Indische leger waanden en hun titels toedichtten, waarvan men het water in den mond zou krijgen. Anderen dreigden weer den Hollandschen minister van oorlog voor de verschuldigde sommen aansprakelijk [24]te zullen stellen. Noch dezen, noch genen konden geholpen worden. De gemeenschappelijke menage, welke voor dertien man—zoo groot was onze club—dagelijks uit voor 10 cent groene kaas bestond, verslond namelijk het grootste deel der voorhanden zijnde geldmiddelen. Waar zijn ze thans, al de vroolijke broeders van destijds? Twee zijn officier geworden, drie vielen als sergeant in Atjeh, één erfde veel geld en boemelt nu als Pruisisch ritmeester ergens aan de Russische grens rond. Waar bleven de anderen? [25]