Kitabı oxu: «Mei-droom: Een feestelijk verbeeldingsspel in acht tooneelen»

Şrift:

Carel Steven Adama van Scheltema

Mei-droom: Een feestelijk verbeeldingsspel in acht tooneelen


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066311704

Inhoudsopgave

PERSONEN

MEI-DROOM

EERSTE TOONEEL

TWEEDE TOONEEL

DERDE TOONEEL

VIERDE TOONEEL

VIJFDE TOONEEL

ZESDE TOONEEL

DANS

MENUET DER DEUGDEN

ZEVENDE TOONEEL

ACHTSTE TOONEEL

EPILOOG

VOLLEDIGE TITELOPGAVE VAN ALLE WERKEN VERSCHENEN BIJ W.L. & J. BRUSSE TE ROTTERDAM EN IN IEDEREN BOEKHANDEL TE VERKRIJGEN. JULI 1912.

BELLETTRIE.

Serie: EEN BOEK VAN

REIS- EN PLAATSBESCHRIJVING

VERZEN.

ZEDE-SPELEN.

LIEDJES, WIJZEN EN PRENTJES.

BOEKEN VOOR JONGENS EN MEISJES.

KUNST.

WIJSBEGEERTE.

WERKTUIGKUNDE.

WETENSCHAPPELIJKE ONDERWERPEN.

ACADEMISCHE PROEFSCHRIFTEN

OPVOEDING, ONDERWIJS. STUDIEBOEKEN ENZ.

VERSCHILLENDE ONDERWERPEN.

PERSONEN

Inhoudsopgave

 DE MAN

 DE VROUW

 MEI

 DE GRIJSAARD

 DE KINDERS zes paren

 DE JONGEREN zes paren

 DE GEHUWDEN vijf paren

 ZEVEN DEUGDEN

MEI-DROOM

Inhoudsopgave

EERSTE TOONEEL

Inhoudsopgave

Weidelandschap, omboord door wilgen en struikgewas, waarlangs witte bloemgroepen met in het midden van den achtergrond ver blauw doorzicht. – Links op den voorgrond een kleine duinachtige heuvel, welke naar rechts zachter dan naar links golvend afglooit en met een nog half groenen takkenbos in de horizontale lijn overgaat. – Op den heuvel, rechts van een kleinen rozerooden meidoornstruik, die naar hen heenbuigt, DE MAN en DE VROUW, twee jonggehuwden, in losse omarming sluimerend, sober gekleed in grijs-en-zwarten toon, zoodat zij, min of meer als een donkerder vlek, afsteken tegen de lichte groene omgeving. – Aanbrekende dag.

DE MAN

zich uit de omarming opheffend tot zittende houding

De nacht ijlt van mijn doove zinnen

En rooft hun wonderlijken waan, –

Het licht daalt door mijn oogen binnen

En doet mijn lippen opengaan.

Met de rechterhand wekt hij de vrouw, zijne linker naar den dag uitstrekkend.

Zie hoe de teedre weide' ontwaken,

Waar stilte met de stilte speelt, –

Nog lijkt het leven zonder sprake –

Nog lijkt de wereld maar een beeld.

De vrouw komt naast hem op.

Doch luister –! waar de nevel over

De droomerige struiken vliedt,

Rijst uit het licht-geworden loover

Van ieder twijg een levend lied!

DE VROUW

naast hem zittend, met saamgevouwen handen

Mijn zingend hart gaat mee naar boven

En houdt zijn zoete beelden vast,

Om er de lente mee te loven

In 't koor, dat uit de velden wast.

Zij ziet rond zich omhoog.

Ik voel de tranen op mijn wangen,

Als dauw op lente's lief gelaat,

Als droppels om mijn oogen hangen,

Als spiegels van den dageraad.

Zoo draag ik in den dag mijn droomen

En tooi ik onze blijde aard – –

Zij slaat de armen wijduit en ziet weifelend voor zich neer.

Zoo zie ik Mei ter wereld komen – –

Als had ik zelve Mei gebaard!

TWEEDE TOONEEL

Inhoudsopgave

Vóór de laatste regels heeft de heuvel zich geopend en is MEI te voorschijn getreden. – Zestienjarig meisje in roomwitte travestie, kleine bloote voeten, een stafje omwonden met roze egelantier in de hand, een krans van dezelfde bloemen om het blonde hoofd. – Terwijl de man en de vrouw verwonderd oprijzen, knielt Mei voor hen op een knie. (Hier, gelijk verder, moet bij staande houding van man en vrouw nog ruim voldoende tooneelhoogte boven hen blijven, zonder dat daardoor de in het tooneelbeeld overheerschende verticale lijnen verzwakt worden.)

DE MAN en DE VROUW

hand in hand, zingend

Zoo draagt de dag wat ons in droomen

De zoele nacht heeft toegezegd –

Zoo zien wij Mei ter wereld komen,

Als wies hij uit onze' eigen echt!

Mei rijst op, terwijl de man en de vrouw, waar hij begint te spreken, op hunne beurt knielen.

MEI

rondwijzend met zijn stafje, zingend

Zie – uit de aarde

En uit den hemel

En uit uw harten

Ben ik geboren –

Door heel de aarde

En heel den hemel,

Door alle harten

Ben ik verkoren!

Waar ik de weide tooi,

Waar ik mijn bloemen strooi,

Maak ik de wereld mooi,

Maak ik de wereld blij,

Breng ik haar liefde bij –

Zie ik ben Mei!

Waar ik naar boven vaar

Volgt mij een vleugelpaar,

Wiekt heel een hemelschaar,

Maak ik den hemel blij,

Hemel en aarde vrij –

Zie ik ben Mei!

Waar ik u bloemen breng,

Waar ik uw harten meng,

Waar ik uw tranen pleng,

Smelt ik u zij aan zij,

Is u mijn ziel nabij –

Zie ik ben Mei!

DE MAN, DE VROUW, MEI

staande te zamen, zingend

Hoor de winden henensnellen

Om het ieder te vertellen,

Dat de meidag (wereld) is ontwaakt –

Wei en wilgen wiegt de hoofden

Alsof zij het nauw geloofden,

Dat hun sluiers zijn geslaakt!

Zie zijn (mijn) adem doet van allen

Dauw en tranen nedervallen,

Blaast van ieder hart den druk –

Zie hoe menschen vleugels krijgen

Om als vogels op te stijgen

In een hemel van geluk!

Parelend van dauw en tranen

Treedt de aard in nieuwe banen,

En haar liefelijk gezicht

Laait in stralend nieuwen luister –

Zwaait van 't grondelooze duister

Aan het grondelooze licht!

Mei loopt zachtjes heen, zich op een lichten ondergrond van de naruischende muziek bewegend en van links naar rechts gaande, – hij raakt met zijn stafje de bloemen en plukt er de kinders uit. – De man en de vrouw, naast elkander staande, zien hem hand in hand na.

DE MAN

om zich heen luisterend

Hoor het, hoor het kwinkeleeren

Uit de bloemgeworden wei!

Al wat leeft wil jubileeren

Om den kleinen blijden Mei.

Waar hij glimlacht in den ronde

Opent zich een nieuwe knop,

Waar zijn bloote voetjes stonden

Stijgt een bevend liedje op.

Volgen wij ons kind en koning,

Lichten in zijn lichtend spoor,

Gasten in zijn wijde woning,

Stemmen in zijn zingend koor!

Hij wil den heuvel afgaan, doch de vrouw legt haar linkerhand op zijn schouder en houdt met de andere zijn arm terug.

DE VROUW

Blijf –! o blijf van hier hem kijken –!

Daal niet in dien lichten tuin –

Alle lieve dingen lijken

Liever van ons droomend duin.

Over zijn schouder gebogen, in overigens dezelfde houding Mei naziende, die de kinders wekt.

Hoe dat witte anemoontje

Voor zijn adem openbloeit –!

't Is of ieder geurend kroontje

Tot een levend kindje groeit!

Zij zinken beiden droomerig tot een liggende houding neer, waarbij zij met den rug op hun rechterarm blijven leunen.

En het is – alsof ons eigen

Hart verdwijnt in zonneschijn –

Of wij zelve nederzijgen –

En wij zelve bloemen zijn.

DERDE TOONEEL

Inhoudsopgave

Mei, geheel op het linker-achterplan gekomen, verdwijnt even tusschen het gewas; – dadelijk daarop snort een groote meikever, met het koor van DE KINDERS zoemend en trippelend daarachter, in een wijden boog naar het rechter-voorplan. – De jongetjes (als anemonen) in één kleur, gedempt groen, met een kring van zes witte bloembladen om het hoofd (dubbeltallen, waarvan de bovenste los zijn); de meisjes (als madelieven) in één kleur, licht-groen, met een kring van ongeveer twintig witte (enkele rozige) bloemblaadjes om het hoofd (waarbij eenige losse).

DE KINDERS

zingend en trippelend achter den meikever

Hoe zoemen

Wij bloemen

Van hommel en bij!

Wij wuiven, wij stuiven.

Wij groeien en bloeien

Met Mei!

Met Mei!

Met Mei!

Met de laatste woorden bewegen zij telkens hun hoofdjes heen en weer.

Wat snorren

Die torren

En kevers zoo blij!

Zij glanzen, zij dansen

De dagen, en dragen

Den Mei!

Den Mei!

Den Mei!

Als boven.

De vleugels van den kever gaan open, waaruit Mei te voorschijn stapt; – door zijn stafje aangeraakt, snort de kever rechts naar boven weg. – Mei wendt zich tot den man en de vrouw, van wie de laatste, iets oprijzend, zich op de rechterhand steunt, terwijl beiden verwonderd toezien.

MEI

op de kinders wijzend, zingend

Zie mijn geleide –!

Van heel de blijde

Bloeiende weide

Breng ik u beiden

Dien blonden pluk!

Onderwijl gaan de kinders in een kring hand in hand om den heuvel.

Voor u ontplooien

Zij al hun mooie

Harten en strooien

Om u te tooien

Hun bonten smuk!

Onderwijl plukken de kinders bloembladen uit hun hoofdkrans en strooien die voor den man en de vrouw.

Beeld van uw leven,

Droombeeld gebleven –

Doch dat u even

Een geur mocht geven

Van liefde en geluk!

Onderwijl knielen de kinders in een halven kring vóór den man en de vrouw, van wie de eerste zich nu ook, op de rechterhand steunend, opheft en de laatste tot zittende houding rijst. Na Mei's woorden groeit een lichte muziek, op welke de kinders vóór den heuvel dansen. Uit den dans ontwikkelt zich dan een wijde zingende kring om den heuvel, die telkens nauwer wordt, tot zij bij het derde couplet aan den heuvel rusten.

DE KINDERS

zingende om den heuvel

Wij geuren

En beuren

Ons hoofdje u bij!

Ons hoedde, ons voedde

Met luchtjes en zuchtjes

De wei!

De wei!

De wei!

Met de laatste woorden bewegen zij hun hoofdje en de als kelken daarnaast opgeheven open handjes heen en weer, van het eene beentje op het andere stappend.

En haast er

En blaast er

Het windje nabij –

Daar draaien en waaien

We als blaadjes en zaadjes

Voorbij!

Voorbij!

Voorbij!

Met de laatste woorden bewegen zij hun hoofdje en de handjes ter hoogte van middel en borst heen en weer, en gaan met droomdronken stapjes.

Gaat zachtjes

Met lachjes

Ons hoofdje op zij –

Dan: – zwijgende – neigende

Komen wij droomen

Van Mei!

Van Mei!

Van Mei!

Met het laatste couplet hebben zij zich in dichten halven kring tegen den heuvel gevlijd; – zij bewegen nog hun hoofdjes en neerhangende handjes zacht heen en weer, terwijl zij bij de laatste regels in slaap buigen, naast en boven elkaar, zoodat het schijnt alsof de heuvel bebloeid is. – Mei dekt hen met zijn stafje te ruste en gaat langzaam naar het gewas rechts. – De man rijst droomerig uit zijn half liggende houding naast de vrouw; – met een arm om elkanders middel en met de hoofden tegen elkaars schouder geleund, zien zij voor zich uit.

DE MAN

't Is of mijn hart zich weder heugt

Die eerst' ontroerde lentedagen

En ademt in de blijde vlagen

Van eene bloembedolven jeugd.

DE VROUW

't Is of mijn oogen mijne jeugd

En al de sterren wederzagen

Boven de bloesemende hagen

Aan alle wegen mijner vreugd!

Zij maakt haar arm los en ziet rond naar Mei, die op het linker-achterplan gekomen is, terwijl hij de jongeren wekt.

Maar zie hoe Mei door 't groene gras

Het hooger wazend hout al nadert.

En uit het glanzend jong gebladert'

Den bloei wekt van een nieuw gewas!

DE MAN en DE VROUW

oprijzend en staande uitziende, zingend

Zie! zie hoe Mei een versche vracht

Van groene levens gaat bestijgen –

En uit een wolk van witte twijgen

Ons zegevierend tegenlacht!

Pulsuz fraqment bitdi.

Janr və etiketlər

Yaş həddi:
0+
Litresdə buraxılış tarixi:
16 yanvar 2025
Həcm:
53 səh. 6 illustrasiyalar
ISBN:
4064066311704
Naşir:
Müəllif hüququ sahibi:
Bookwire
Yükləmə formatı: