Kitabı oxu: «Vitaulium: Hofwyck en Spaansche Wijsheit»

Şrift:

Constantijn Huygens

Vitaulium: Hofwyck en Spaansche Wijsheit


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066062446

Inhoudsopgave

VITAULIUM

DOOR CONSTANTIJN HUYGENS.

VITAULIUM

AEN VROUW GEERTRUYD HUYGENS

AEN DEN LESER;

AEN DEN DRUCKER.

AEN MIJN HEER

PROSOPOPOEA[1].

KIJCKERS ANTWOORD EN KEUR VAN NAEMEN VOOR HET HOUTE GEBOUW.

II.

III.

OP 'T HOFWIJCK

AEN DEN HEER VAN ZUYLICHEM,

HOFWIJCK.

SPAENSCHE WIJSHEIT.

VOORBERICHT.

SPAENSCHE WIJSHEIT.

EINDE.

VITAULIUM

Inhoudsopgave

HOFWIJK

* * * * *

SPAANSCHE WIJSHEIT,
VERTAALDE SPREEKWOORDEN.
DOOR CONSTANTIJN HUYGENS.

Inhoudsopgave

Ridder, enz.

MET AANTEEKENINGEN VAN DR. J. VAN VLOTEN.

"In Dec. 1639 hebb' ick, naer veel soeckens om yetwes in 't quartier van Voorburg ende aen de Vliet te vinden, daer ick een huysken van vertreck, in tijde van sieckte ende andersins, soude moge timmeren ende beplanten, gekocht van Mr. Jacob Adrichem, woonachtig te Delft, eene sijne partye lands, gelegen ten Westen rakende aen het voorn. dorp, ter wederzijde van den Lijdwegh, groot 4 merghen 1 hond ende 39 roeden". (Aant. bij Schinckel, Bijdrage tot de Kennis, enz. van C.H. bl. 77).—In Dec. 1640 en Maart 1642 kocht H. nog belendende teellanden aan, na al aanstonds met de bouwmeesters Van Campen en Post over den aanleg en opbouw van plaats en huis, geraadpleegd te hebben. Met laatstgemelde, die ook zijn huis aan 't Plein voor hem gebouwd had[1], ontwierp hij de benoodigde plans en teekeningen, zoodat er reeds in 't voorjaar van 1640 met den aanleg van plaats en plantsoen, en kort daarna met het bouwen van 't huis een aanvang gemaakt werd, en dit laatste in July al ver gevorderd was. Den 8sten dier maand kwam H., van 's Prinsen wege uit het leger naar den Haag gezonden, zijn nieuwen aanbouw in den vroegen morgen in oogenschouw nemen, en in 't najaar was deze, zijn Hofwijck, voltooid. Zijn voortdurende afwezigheid in het leger en drukke werkzaamheid in de stad vergunden hem echter slechts nu en dan er een enkelen dag, soms maar weinige uren, door te brengen, en zoo dikwijls hem dat te beurt viel, teekende hij het in zijn Dagboek aan. Het eerst ontbeet hij er, met eenige vrienden, den 23sten Mei 1642. Na den dood van Prins Willem II verminderden zijn werkzaamheden natuurlijk, en had hij gelegenheid er dikwijls eenige dagen te slijten; en toen zijn zoon Constantijn hem bij Willem III als geheimschrijver was opgevolgd, hield hij er des zomers geregeld zijn verblijf.—In 1652 bezong hij het, en gaf zijn dichtwerk den 11den Febr. 1653, bij Adriaen Vlac in Den Haag ter perse. (Zie Schinkels Nadere Byzonderheden, enz. II, bl. 58 en v).

Noot:

[1] Het thans afgebroken ministerie van justitie, als men weet.

VITAULIUM

Inhoudsopgave

HOFWIJCK

1652

AEN VROUW GEERTRUYD HUYGENS

Inhoudsopgave

geseght DOUBLET,

VROUWE VAN S. ANNELAND, & c.[1]

Mevrouw en waerde Moeye;

De wijsen van eertijds hebben 't soo verstaen, ende het is altoos waerachtigh gebleven, dat Vrucht en Vreughd, Voordeel en Vermaeck in een getwernt[2], den deughdelicksten draed maecken. Daerop sagh ick dat mijn Vader gesien hadde, als hy sich gelusten liet de lichamelicke lusten van sijn Hofwijck soo te beschrijven, datse de Ziel raeckten, makende van die Wandeling een Handeling, die naer[3] hem sijn Erven, noch naer[3] den ondergangh van de plaetse, te stade komen moght. Ende het soete voornemen alsoo uytgevoert, heeft my te dienstigen licht gedocht voor de Korenmate, daer onder het geschapen was voor eerst te smooren, sonder de moeite, die ick aengewent hebbe, om het oock onze Eewe te mogen bekent maken. Hoe het dese neus-wijse Wereld sal op nemen, staet te sien. By U.E. en meen ick geenen ondanck verdient te hebben: de Stichter van Hofwijck is haer te lief, om een stucksken Wercks van den Dichter te verwerpen. Een stucksken Bywercks noemde ick het beter: dewijle wy heel wel weten, en qualick gelooven konnen, dat hy daer aen al gaende en staende niet meer en heeft besteedt als de brockelingen van vier der druckste maenden, die hy beleeft heeft, sonder dat yemand getwijffelt hebbe, dat hy in 't gewoel van soo vele andere besigheden yet sulcks onder de leden soude hebben. Nu het Kind schielick ter wereld is gekomen, ende my, den oudsten van de Voor-kinderen, als het jonghste van 't tweede Bedd', vertrouwt, weet ick het niet beter te besteden als by U E., beider oudste Moeye, die ick wenschte, dat sich somwijlen daer mede wilde verlusten tegens de swaermoedigheden, die haer overigh mogen zijn zedert sy de twee lieve derdendeelen van hare eigen Bedde-vruchten uyt der tijd heeft sien haelen; wel goeds tijds[4], na ons gevoelen, maer ontwijffelick te goeder tijd, dewijl het Gods tijd was. Hem bid ick, U E. in alle tijden ende naer alle tijden te segenen met tijdelick ende eewigh welzijn, blijvende,

Me Vrouwe en Waerde Moeye,

U E. Ootmoedige Neef en dienaer

C. HUYGENS[5].

Noten:

[1] Constantijn Huygens zuster, zie I en II, bl. 836 [2] gedraaid; verg. 't Hoogd. wirn. [3] na. [4] vroegtijdig. [5] Versta 's dichters oudste zoon Christiaan, die de uitgave bezorgde.

AEN DEN LESER;

Inhoudsopgave

VOOR DE BY-SCHRIFTEN[1].

Wie is' er met sich selfs of met sijn' tijd verlegen,

Sijn' kostelicken tijd? wie soeckt naer niewe wegen,

Om lustigh leegh te zijn? wien stinckt[2] de Steen en 't Berd[3],

En ander arger vuyl, dat spel gerekent werdt?

Hy kome daer ick gae, wanneer ick Haegh en Hof wijck;

Hy blijve daer hy is, en volge my op Hofwijck;

Hy wandele met my, en spare voet en schoen:

Hy kan sijn wellust met een oogen-blick voldoen,

Of, is sijn Oogh te luy, met een geduldigh Oor-deel[4];

Daer hooren streckt voor sien, en geeft het oogh geen voordeel;

De doove by sijn oogh, de blinde by sijn oor,

Kan voelen waer ick tree, en treden in mijn spoor.

Men hoor of sie my dan, ick stae in[5] voor 't berouwen

By alle keurige van planten en van bouwen;

En, ben ick niet verleidt van eigen toover-min,

Sy sullen Hofwijck bey soo vinden als ick 't vin[6].

Noch liegh ick voor de helft: de blinden sullen voor gaen,

En dobbele genucht sal in des hoorers oor gaen

By d'enckele van 't oogh, Soo gaet het met de pen,

De Rijm-pen; want sy lieght, ten deele van gewen[7],

Ten deelen[9] om de kunst: en die de waerheit soecken

In 't los aensienelick van welgerijmde Boecken,

Zijn even verr' van 't pad, als die den wilden aerd

Van 't weelderigh pinceel aenvaerden voor een Kaert.

Leest met voorsichtigheid wat Dichters van haer[10] geven;

't Is rouw'[11] Land-metery, daer staet geen passer neven.

En die een dobbeltje wil hangen aen de vracht,

Om Hofwijck te gaen sien in d' ongemeene pracht,

Dien ick het heb geleent, zal weinigh min als vloecken,

En seggen: "Wel, ick segg: is dat het voer van Boecken,

Is dat een' Schildery, die op het leven treckt?

't Schijnt, dat men kinderen d' oud' avontuer vertreckt[12]

Van 't Koninghs dochtertjen, om in den slaep te raecken!

Is dit het hoogh Kasteel, zijn dese dorre staecken

Die Eicken Hemel-hoogh, is dit het Masten-woud,

Zijn dese Lindekens het andere Voorhout,

Is dese bult een Bergh, is dese plas een Vijver?

Wat quelt my d'ydelheit van dien verweenden Schrijver!

Laegh noch mijn dobbeltjen in 'tsackjen van den Kerck,

Soo had ick Godt behaeght en sat noch op mijn werck.

Ja, vrienden, blijft by huys, en spaert uw sestien duyten[13]:

'k Heb rijp en groen geseght, om dat het Dicht souw sluyten. Soo gaet het (noch eens) met de Rijmpen; om een woord Dat sonder weergae is, moet arme Waerheit voort, En om een braever[14] woord, dan woorden die wat seggen, Moet onred' in den top, en Reden onder leggen; Mits dat het Klinck-dicht zy, is 't snoodste 't beste Dicht, En beste Dichter is die konstelickst verdicht.

Beschaemt[14] den Meester vry, die[15] van de kunst wilt heeten,

En laet ons een voor een ontlasten ons geweten:

Wy lijden van den Rijm al, dat het Schip in Zee

Van vloed en ebbe lijdt: wy leggen 't op de ree,

De ree van Reden, aen; en 't schijnt, de volle zeilen,

En 't schijnt, de ruyme schoot en weten van geen feilen;

Het Roer light midden-boords, de vlagge wijst voor uyt,

De Naelde wijckt noch wraeckt[16], en alle gissingh sluyt,

En al 't besteck gaet vast; voor-wind maeckt rechte streken,

Maer, Stierman! waer is 't Schip ten einde van ses weken?

Voor St. Helena? jae, soo 't God en water wil,

Soo niet, aen St. Thome, of mog'lick in Brasil!

Dat doet de blinde kracht van ongemerckte Stroomen.

Soo gaet het in 't beleid van Rijmers en haer' droomen:

Sy munten 't op de kust daer 't Schip op is bevracht,

Sy hebben Roer en Schoot (soo meenens') in haer macht;

Maer daer's wat onverhoeds, in 't Zee-sop en sijn baeren,

Haer slechte Zeemanschap in 't zeilen wedervaeren;

Een ongevoelde drift, een Tij heeft haer verleidt;

Sy hebben eens een woord voordachteloos mis-seidt,

Goen avond[17] Redens-ree: dat woord moet weer berijmt zijn,

Of 't streeck houdt of geen streeck, of 't Dicht soud' ongelijmt zijn.

Soo lijmt men dan voort aen[18], en raect van Oost in West,

Van 't Zuyden in het Noord: tot dat m', in 't lieve lest,

Verzeilt en bijster 's weeghs, met loeven en laveeren,

(God weet hoe gracelick!) naer 't oogemerck[19] moet keeren:

Terwijl de Leser staet en gaept met open mond,

En wenschte, dat hij eens den Dichter wel verstond,

Die wel verstaenlick waer, kond hy sich selfs begrijpen.

Gaet, lieve leser! gaet uw herssenen nu slijpen,

Om door 't geheim te sien van 't mijmerigh gesegh,

Daer, die u leiden sou, verruckt[20] is van den wegh.

Nu heb ick my ontkleedt: waer hael' ick Vijgen-bladen

Tot masker van de schaemt, daer med' ick sta beladen?

Wie wil nu Hofwijck sien of hooren met geduld,

Met logens opgepronckt, met klater-goud verguldt?

Ghy, Leser! hoort ghy noch dry woorden van verschoonen;

Noch ben ick lesens waerd, en kan het sus[21] bethoonen:

Al dat ick Hofwijck noem, is Of-wijck[22] van den wegh,

Die waerdigh zij betreen; indien ick Hoefwijck segg',

Soo spreeck ick uyt mijn Bors en uyt mijn hert te saemen;

Maer die het Stof-wijck heet, heeft goet verstand van naemen

En van de slechte stof, daer Hof-wijck af bestaet.

En van der Dichteren ruym spreken sonder maet.

En is 't Gesticht[23] soo slecht, wat sal 't Gedicht verbloemen,

Dat, die wat Hofwijs is, sal Holwijck derven noemen?

Hol, lieve Leser! hol, en holler dan een blaes,

Een blaes met boonen, is dit voddige geraes.

Verhaest uw vonnis niet; jae, spreeckt het sonder schroomen,

Ick help 't u spreken: 't zijn derd'daeghsche-kortsedroomen,

Daer op ick u onthael; 't is ongerijmde Rijm,

Een buyten cierlijck graf, van binnen asch en slijm[24].

Maer houd het vonnis in, en hoort my noch eens spreken:

Die oyt gewandelt heeft langhs modderige beken,

En heeftse niet altoos bewandelt sonder lust;

De Zee is alom sout, maer hier en daer de Kust

Beset met soet gewasch van Bloemekens en Kruyden,

Daer 't keurige begrijp van recht neus-wijse Luyden

Sijn sinnen in voldoet, en vindt de wegen kort,

Daer hier wat nuts en daer wat schoons gevonden wordt.

Het kreupele geschrift van teere Leerelingen

Wordt by des Meesters hand met konstelicke ringen,

Met strick en spinneweb omvlochten en geciert,

En hoe 't min deughdigh is, hoe meer betiereliert[25]:

Soo kan een Ebben[26] lijst een slechten doeck[27] verrijcken,

En doen hem voor wat goeds verkoopen of bekijcken;

Die lagen leg ick u: mijn Boeck, mijn Schrift, mijn Doeck,

Mijn tamme Schildery, recht uyt geseght, mijn Boeck,

Mijn Hofwijck in papier is wandelen, noch lesen,

Noch koop, noch kijcken waerd; dat vonnis is gewesen:

Maer kust[28] en strick en lijst, die 't cieren op den kant

Zijn op de proeven van het keurlickste verstand.

Veracht ghy dan mijn stof, mijn selfkant moet ghy prysen;

Danck hebbe 't soet behulp van afgestorven Wijsen:

Die heb ick uyt haer graf doen spreken t' mijner baet,

En van haer lappen my een feestelick gewaet

Geflickt[29] en omgedaen: met Peerlen van Athenen

Is dit gewaet versien; de kostelickste steenen

Van Roomens burgery, does' op haer rijckste was,

Heb ick gelesen uyt haer Puyn en uyt haer as,

En my mee geborduert: der Christelicke Vad'ren[30]

Heb ick het beste bloed van haer ontsteken ad'ren

Gesmolten in mijn vleesch, en uyt haer oud gebeent

Het onverrotste mergh gesogen en geleent.

Nu pronck ick met den buyt, nu tert ick uw gedulden[31]:

Verkoop ick niet als lood, 'ck heb 't weten te vergulden;

Nu moet ghy Hofwijck sien, het zij u lief of leed:

't Kind is wanschapen, maer 't is rijckelick[32] gekleedt[33].

Noten:

[1] Versta: de bijgevoegde lofdichten, naar den smaak der eeuw. [2] walgt. [3] verkeerbord. [4] Min gelukkige klankspeling. [5] vrijwaar. [6] Voor vind. [7] gewoonte. [8] Welluidendheidshalve voor deele. [9] zich. [10] ruwe. [11] verhaalt. [12] Thans zou men van tien centen spreken. [13] fraayer. [14] Stelt op de kaak, ten toon. [15] Versta: gij die. [16] weerspreekt. [17] Vaarwel dan. [18] Maar voort. [19] doel. [20] vervoert. [21] zoo. [22] af-wijk. [23] Versta: het geheele buiten. [24] slijk. [25] Omkruld. [26] ebbenhouten. [27] schilderstuk. [28] rand. [29] Aangelapt (van 't Hoogd. flicken). [30] De zoogenoemde kerkvaders. [31] geduld hebben. [32] Rijk, weelderig. [33] Dat oud-roomsche en atheensche, en dat kerkvaderlijk borduursel en verguldsel is in deze volksuitgaaf, als minder doeltreffend, echter weggelaten. De desbeluste lezer kan 't in de oudere naslaan.

AEN DEN DRUCKER.

Inhoudsopgave

k Hebb' Hofwijck uytgedruckt: is 't t' uwent niet te druck,

Verdruckt my in uw pers, en helpt ons in den Druck;

My in den druck van eer of oneer, van berispen

Of prijsen, naer het volck of spreken wil of lispen[1]:

U in den meerder druck, van Kostelick papier,

Als Ketter-vleesch, te sien verdoemen tot het Vier.

Van dusend tegen een de nadruck[2] zal ons' beurt zijn;

Ick heb 't u ingedruckt; denckt, als het sal gebeurt zijn:

Die Dichter heeft sijn plicht uytdruckelick vervult:

Mijn onderdrucken[3] is de dochter van mijn schuld.

Noten:

[1] Voor prevelen. [2] Voor narouw. [3] In den druk raken.

AEN MIJN HEER

Inhoudsopgave

MIJN HEER VAN ZUYLICHEM

over het lesen van sijn Eds.

HOFWIJCK.

't Is een dagh of vier geleden,

Dat ick hallif moe getreden

Door de paedtjes van mijn hof

Wat gingh sitten onder 't lof[1],

Daer de hitte niet kan nypen

Onder 't lommeren van ypen,

Op een banckje van een deel[2],

In een koel en groen prieel;

Daer de dichte blaedjes weeren

Dat de Son my niet kan deeren,

Schoon hy op de middagh blaeckt,

Als hy 't Hemel-kreeftje naeckt.

Om mijn eensaemheit t' ontvluchten,

Die my somtijds doet versuchten,

Als ick aersel op de schae[3]

Van mijn afgestorven gae,

(Wie kan steeds den mensch verkrachten)?

Liet ick drijven mijn gedachten[4],

Liet ick mijn herdencken gaen

Door u lecker letter-blaen,

Die ick even had gelesen;

Blaen, die voor geen sterven vresen,

't Zy de Somer swicht of brand,

Van een soete Joff'ren-hand,

Door uw wil, aen my gegeven;

Blaen, daer Hofwijck door sal leven Langer, alsser bosch of laen Staet, of met of sonder blaen; Langer, als d' abeele kruynen Sullen Hofwijck en sijn tuynen Decken voor de scherpe snee Van de seyssen uytter Zee[5]: Langer, als sy, met de toppen Van haer hoogh-gestege koppen, Sullen weygeren den pas Aen het huylen en 't gebas Van de nortse Noorder-winden Op den bloesem van de Linden, Die, aen d' Oost' en Wester-kant Van den Hofwijcks Hof geplant, Maecken ruyme wandeldreven, Die het quaelick willen geven Voor 't Voorhoutse Joffren-rack, Munnick-tuyntje, blaeder-dack, Dat, door 't roemen uwer Dichten[6], Voor geen dingh behoeft te swichten, Wat of in of buyten 't landt Sijne borst op schoonheit spant;

Langer, als de maste-boomen[7]

Sullen wederzijds bezoomen,

Met een altijd groenend lof,

't Buytenpad van uwen Hof:

Als de nimmer-dorre Climmen[8]

Sullen klauteren en klimmen,

Langhs 't gebeent' en armen op,

Over hooft en kruyn en top

Van de hoecksche Vierelingen[9],

Al gelijck in alle dingen,

Broeders, even hoogh en breedt

En al eveneens gekleedt:

Daer de Cabbeljaeus-gesinden[10]

Noch wel herbergh souden vinden,

Soo 't de Landvooghd soo verstond,

Dat hy die in schootels sond

't Lijf gesoon, de staert gebraeden,

En een kruyck met wijn gelaeden

Van de Moesel of de Deel[11],

Om het oud-versufte scheel[12]

Met een Roemer af te drincken;

Langer, als de Vloer sal blincken,

En het marmer staen te prael,

In uw sinnelicke[13] sael;

Langer, als uw Slot zal duyren,

Dat, met even-zijdse muyren,

Vierkant uyt het waeter rijst,

Dat de Waerd en gasten spijst

Met een vangst van goede vissen

Als 't u die gelieft te dissen,

Slot, als men 't van 't Zuyden kijckt,

Dat een flesch in 't koel vat lijckt;—

Langer als men 't paerdt sal jaegen

Langhs de Vliet, met sweepe-slaegen,

Nae den Dam, of Delft, of Haegh,

Alsser Schip en schuyt en kaegh,

Met sijn vracht en volck en waeren,

Uw kasteel verby sal vaeren,

Die, of van of nae de Vliet

Door den Duycker henen schiet;—

Soo langh als men Duyts sal spreecken,

En geen leeser sal ontbreken,

Die een aerdigh Rijm bemint,

Daer men pit en kruym in vindt.

Wijl ick sit en suff en mijmer,

Opgetogen, hoe de Rijmer

In soo een gemeene stof

Wint soo ongemeene lof;

Hoe hy Wijsheit mengt met kluchten,

Hoe hy sonder jock kan tuchten[14],

Hoe hy ernst met lacchen speckt,

Daer men les en vreughd uyt treckt,

Vind ick my in 't Bosch gekommen

En op uwen Bergh geklommen,

Daer een vierkant hout-gebouw

(Wist ick hoe men 't noemen souw)

Braght my weder op mijn sinnen,

Datter voordeel was te winnen

Van een heerlijck Peterschap

Voor die op den hooghsten trap

In het gissen konde raecken

Van profijtelickst vermaecken

In het geven van een naem,

Beyde nut en aengenaem.

Ick gevoelde my bestreeden

Van mijn tochten en de Reden:

D' een sey dat ick 't laeten souw,

D' ander riep er tegen: "houw!

Houw, en wilt u daer voor wachten,

't Is geen werck van uwe krachten,

't Is geen last van uwen rugh;

Wat vermeet sich vliegh of mugh,

Dat een kemel is te vergen?

Wie begeeft sich op de bergen,

Die genoegh sich vind beswaert,

Dat hy kruype by der aerd?"

Reden had nae reen gesproken,

Eersucht quamper tegens stoken:

"Die niet soeckt, die niet en vind,

Die niet waeght, die niet en wint;

Waeght ghy: 't kan misschien gelucken;

Mist ghy: 't hoeft u niet te drucken;

Vele, die wat groots bestaen

Hebben met de wil voldaen;

Oock soud ghy den eerst niet wesen,

Dien, als anderen voor desen,

Een geluckigh woort ontvil[15],

Als 't geluck maer dienen wil;

Blinden kunnen somtijds raecken,

En oock acker-lieden spraecken

Somtijdts wel een tijdigh woord,

Dat den wijsen heeft bekoort;

Oock is 't mee al waer bevonden,

Dat een haes, voor snelle honden

Afgeloopen vry en los,

Is gevangen van een Os,

Die hem op sijn lenden trapte,

Wijl[16] hy door de weyde stapte

In een dichte bos van gras,

Daer het wild gelegert was".

Wat is goed en wat is beter?

Soo 't geluckt, soo werd ick Peter[17],

En soo 't mist, waer kom ick heen?

Wat is 't als een blauwe scheen?

Die is lichtelick te waegen:

Vryers loopens' alle daegen,

En wie gaetter kreupel van?

Dus geschuddet[18] in een wan,

Dus gehangen tusschen beyden,

Eer dit strijden was gescheyden,

Had my d' eersucht al vermant,

En de Pen was in de hand,

En de Reden aen het swijmen,

En de Dichter aen het rijmen,

En de veder in den int,

Om een naem voor 't houte kind.

Hofwijcks Hoogh-beroemde Schrijver, Dus geraeckt' ick door den yver, Die de reden had verbluft, Van het peynsen half versuft, Aen het raen en aen het rijmen, Aen het voegen, aen het lijmen, Aen het krabblen met de pen, Waer van ick dit naschrift[19] sen[20].

Heb ick 't wit niet kunnen raecken

Van 't profytelickst vermaecken,

Soo ick in den naem hier mis

Wat en nut en vrolicks is;

Heb ick 't bey niet kunnen raemen

Wilt de Meester niet beschaemen,

En die mee is van de kunst,

Deck mijn feilen met sijn gunst!—

20 Julij, 1652. (jACOB WESTERBAEN).

Noten:

[1] loof.

[2] plank.

[3] 't verlies.

[4] Westerbaens overleden vrouw, na welker dood hij zich op Ockenburgh

gevestigd had.

[5] Versta: de zeewind of -lucht.

[6] Zie deel III en IV bl. 30 in't Voorhout.

[7] Huygens' lievelingen. Zie vervolgens en in de Sneldichten.

[8] klimop.

[9] "Vier houten cabinetten of prieelen met clim bewassen, staende op de

vier hoecken van den Hof, alle uyt eender hand gemaeckt" Huygens.

[10] Klankspeling op het vorenstaand hoeksch.

[11] In Belgien; deelewijn.

[12] verschil.

[13] nette.

[14] leeren.

[15] Ontviel; gelijk wirp voor wierp in 't volg. lofdicht.

[16] terwyl.

[17] peet-oom.

[18] Voor geschud.

[19] Zie volgende gedichten.

[20] Voor zend, gelijk vin voor vind, enz.

PROSOPOPOEA[1].

Inhoudsopgave

Spreeckende

HOUTE GEBOUW OP DEN BURGH IN 'T BOSCH VAN HOFWIJCK,

HOF-STEDE des HEEREN VAN ZUYLICHEM BY VOORBURGH.

Dus sprak een houte Kind, of een van sijnentwegen, Doe hy sich vond op 't Land om tijd-verdrijf verlegen:

Ick heb dat wesen niet dat ick te hebben plagh.

Een quaden avond-luym, een felle blixem-slagh,

Die hooge bergen treft en spaert de laege heuvlen,

Wirp[2] my ter aerde neer, eer hy my dede sneuvlen,

Soo dat ick met mijn top, beneden in het gras,

Verraedlick lagh, gestort, eer ick gewaerschouwt was.

Ick was, of ick geleeck, een van des werelds Wondren,

Een van het seven-tal, eer 't blixemen en 't dondren

My door een domme kracht ter neder had geploft;

Ick leeck der Spitzen een daer Memphis noch op stoft[3],

Die Vorsten-beenderen en Konincklicke lijcken

Verstreckten tot een graf in de beroemde Rijcken,

Daer 't Nylewaeter mest het Kooren-rijck Egipt.

Ick wierd van yder een besprooken en belipt[4];

Die timmert aen den wegh is selden buyten opspraeck.

Ick leeck der spitzen een daer, eer men tot den top raeck,

En siese van der aerd ten wolcken uyt gebout,

De Stichter sagh verspilt ruym hondert tonnen gout,

En noch eens, en noch eens, en seventigh en negen

Aen loock, ajuyn, en kaes, soo ick het heb te degen

En men de rekeningh van Steven[5] wel verstaet.

Nu ben ick—Kijcker, stae! segh, eer ghy henen gaet,

Wat ben ick? Wie hier gaeuwst en kloekst sal in de weer sijn,

En't nutst en 't vrolickst vind, die sal mijn Heers Compeer[6] sijn;

Jan, maeck het Bosch-heck op, en ghy, o Kijcker-vrind!

Komt nader en bedenckt een naem voor 't houte kind.

Sie my van elcke kant, van boven, van beneden,

En wilt, om wel te sien, wat tijds aen my besteden;

Het sien en kost hier niet. Aen een wanschaepen dier

Hebt ghy somwijl versnoept een stuyver drie of vier:

Te kermis, aen een meyt, die armeloos gebooren

Uyttarte met de voet de beste Nayster-slooren,

Stack draen door 't naelden-oogh en naeyde wacker heen,

En wat daer vingers doen, dee vaerdigh met de teen;—

Aen een die ruym het hoofd van een volkomen man had,

Maer borst en buyck en dyen en beenen van een span had;

Een Reus in 't Aepenland, die in een Munnicks mouw,

Die in een Visschers hoos sijn herbergh vinden sou;

Een Karel onder 't volck[7] dat in voorleden tijden,

Tweemaal zes duymen hoogh, met Kraenen plagh te strijden;

Een schaduw, die de Son hier op de middagh geeft,

Als hy een man beschijnt van boven uyt de Kreeft;—

Aen een gebaerde knecht, die met sijn hooft en borst sat

Op sijn verdort geraemt, die veel tijds goeden dorst had,

En mocht sijn kroes wel uyt, en op de toon-banck sprack,

Wat meerder als een hooft daer 't lichaem aen gebrack.

Oock siet men aen dit lijf geen beenen noch geen voeten,

Maer soo 't geoorloft was te graeven en te wroeten,

Men vonde dat ick die heb langh en dick en breet;

Maer dat ghy 's niet en siet, dat heeft oock sijn bescheet.

Weet dat ick RODEN-BURGH[8] heb onder mijne soolen,

En tree de voncken uyt van sijn verborgen koolen,

Die hy hier onder my met groene rocken deckt,

En door een snoode pest uyt giftich sand verweckt,

Mijn buyren sterven deen; dees trapten ick het hooft in,

En stae tot op sijn hert, daer ick het vyer verdooft vin.

Een koocker is mijn romp, mijn ingewand een trap,

Waer langs ick lijde dat men tien en tienmael stap,

Tot dat men eyndelick koom boven op mijn schoudren;

Daer laed' ick jong' en ouw', en kinderen en oudren,

En vrind en vreemdelingh; komt vry in groot getal,

En niemand sij vervaert voor ongeluck of val,

Danck heb geen sackende maer rijsende-bragoenen[9];

Die door een draeyend hooft raeckt onvast in sijn schoenen,

Om dat hy sich te hoogh vind boven in de locht,

Die leune vry daer op, en vreese krack noch bocht.

Hier siet men 't grootst waerom[10] des Heeren die my boude;

Oock isser geen geweest die dese moeyte roude,

Dat hy den hoender-trap[11] langhs Rodenburgh beklam,

Tot hy door mijn gedarmt op mijne schouders quam.

Hier siet ghy over 't vlack der voor en achter-weyen,

Hoogh boven top en tack van elsen, eyck, en meyen,

En onverhindert komt den halven wereld-kloot

In uw verheven oogh; hoe spits, hoe steyl, hoe groot

Gesticht of bosch of boom, ghy siet het al gedoocken,

En onder uw gesicht ootmoedigh en gebroocken.

Sie, Kijcker! dat ghy siet, en neemt wat tijds daertoe;

Verschoont mijn schouders niet; die werden nimmer moe;

Verschoont alleen mijn hals, daer magh[12] ick weynigh veelen;

Met halsen valt het wat gevaerelick te speelen.

Ghy siet hoe langh, hoe smal, dat hy nae boven gaet,

En wat een top-swaer hooft dat aen het eynde staet;

Een hooft, dat nimmermeer is sonder schudde-bollen,

En echter even net, hoe het de winden sollen,

En 't sij of dagh of nacht, al even fraey gehult;

Maer, soo het herssens had by 't kostelick vergult,

Wat spijtigh Reyntje kon op mijne schoonheit smaelen?

Waer sou het Vosje stof tot leppigh schempen haelen?

Wat dunckt u, Kijcker-vrind! hoe staet u 't maecksel aen?

Een hals soo dun, soo langh, als tienmael van een Kraen,

Een hooft soo hoogh van 't lijf! Maer doch 't en is om niet niet,

Dat ghy mijn hals soo langh als eenigh Indisch riet ziet,

En dat mijn hooft soo ver van mijne schouders staet;

De reden vindghy licht, soo ghy uw oogen slaet

Op mijn vergulden kop, daer wonden en quetsuyren,

Die ick gekregen heb van Rygens en van Buyren,

U leeren, dat mijn hooft streckt tot een Pylen-doel;

Men rake soo men kan, het heeft doch geen gevoel,

En ick noch arm noch hand om zeer of leed te wreken.

Meer wil ick van my selfs voor dese mael niet spreken.

Gae, Kijcker! gae nu heen, en span uw krachten in,

En geeft het kind een naem na mijnes Stichters sin.

Indien 't u wel geluckt, soo sult ghy deughd[13] gevoelen;

Men sal op mijnen Doop de beste glasen spoelen,

En doen een frisschen dronck van eedle[14] Deele-wijn,

Bn ghy sult de Compeer[15] van Hofwijcks Land-heer zijn.

Noten:

[1] Persoonsverbeelding.

[2] Wierp; zie boven vil en derg.

[3] Versta de Aegiptische pyramiden.

[4] berept, bepraat.

[5] Stephanns, in zijn beschrijving.

[6] Medepeter, gevader.

[7] dat der Pygmeen.

[8] "Een Bergh van het roode sandt gemaeckt, dat de boomen dede

uytgaen ende namaels verlaeten wierdt, ende op een hoop gekart,

ende met groene zooden bedeckt". H.

[9] Zie boven in 't Kostelick Mal.

[10] reden.

[11] "Een trap van een swaere planck gemaeckt, daer de latten over

dwers opgenagelt syn, om op den Bergh te klimmen". H.

[12] kan.

[13] genot, weelde.

[14] Later "koele".

[15] gevader.

KIJCKERS ANTWOORD EN KEUR VAN NAEMEN VOOR HET HOUTE GEBOUW.

Inhoudsopgave

I.
DE "JE-NE-SCAY-QUOY" VAN HOFWIJCK.

Elck die uw hooft bemickt, treft sijnen Doele niet;

Het is altijds geen lap wanneer de Schutter schiet,

Nochtans, wanneer der[1] prijs met schieten is te winnen,

Sijn s' altemael te been, die roer of boogh beminnen,

En hoopt oock d' alderminst 't geluck van eene schoot,

Door een beleefde pijl of door een gunstigh loodt.

So waegh ick mee een kans, en vlam op het Compeerschap

Meer als op 't beste glas van sulcken braeven Heerschap,

Die met een Fenix-pen, wanneer hy 't sich bepijnt,

De Son beschrijven kan veel schoonder als hy schijnt[2].

Maer weer soo waegh ick 't niet. Hoe raeck ick dat te vort[3] is?

Hoe reyck ick aen een spits, daer mijnen arm te kort is?

Hoe werd een rappen haes gevangen van een Koe?

Hoe vlieght een lamme gans tot aen den Hemel toe?

Wat maeckt een blinderick[4] in winckelen en hoecken,

Daer 't voor een Arentsoogh is duyster om te soecken?

Wat vind Tiresias[5] daer Argus[6] is van noo?

Noch waeg' ick 't evenwel: een vryer al te bloo

Besliep noyt schoone vrouw; die 't gunstigh uyr liet deurgaen

Als sy wel willen souw, moet naemaels voor de deur staen:

"Mijn vrind! ick ken u niet, goen avond en goe nacht,

Ghy hebt het luck versuymt dat u heeft toegelacht".

Dien de Fortuyn verschijnt, die grijpse by de vlechten;

Voor isser vatten aen, 't is naemaels niet te rechten

Soo ghyse glippen laet; want achter isse kael,

Daer heeftse tuyt[7] noch haer; dies, vryers altemael!

Past op het vinck-slagh wel, en laet geen tijd verlooren.

So een geluckigh uyr u heden werd gebooren,

So wacht tot morgen niet; wanneer het visje bijt,

So slaet den[8] hengelaer, of anders is hy 't quijt.

Soo waegh ick dan uw naem, die soo langh sonder naem staet,

Men oordeel of men dus het nut en 't soet te saem raedt:

Een halve kap, een lap van pluys of van fluweel

Bedeckt voor locht en kouw het teere Vrouwen-scheel[9]

Van 't voorhooft tot de kruyn, en wie kan sich beroemen,

Dat hy die kap, die lap, met sijnen naem kan noemen?

Nochtans krijght hy een naem waer aen hem yeder kent,

En echter yeder seyt: "Ick weet niet wat je bent".

Dit is u bey gemeyn; dies segh ick sonder wachten

(Men magh het nemen aen of vryelick verachten):

Die op het uytterlick alleen sijn oogen wend,

Vind tusschen u meer scheels[10] als tusschen Koe en End;

Maer soo men meer op reen als nae 't fatsoen en stof kijck,

Sijt ghy JE-NE-SCAY-QUOY van het Kasteel van HOFWIJCK.

Noten:

[1] er [2] In zijn Voorhout,

[3] Voor verde, ver.

[4] blinde (verg. dommerik).

[5] De blinde waarzegger.

[6] De honderdoogige wachter.

[7] haarvlecht.

[8] de.

[9] hoofd, schedel.

[10] verschils.

II.

Inhoudsopgave

DE SCHOU-BURGH VAN HOFWIJCK.

Die u een SCHOU-BURGH sey, sou die sich al vertasten?

Of sou het dorre bosch der averechte[1] masten,

Het machtigh Amsterdam, de geldsack van Euroop,

Niet lijden, dat men u met sulcken naem hier doop?

Nochtans soo kunt ghy 't sijn met wel-gegronde reden,

Het spijte, soo het wil, die groote Stadt der steden;

Haer SCHOU-BURGH heb de naem of heel of hallif wel,

En dien' haer, om te sien een bly of treurigh Spel;

Maer die uw Burgh beklimt tot boven op den solder,

Schouwt steden daer van daen, en menign dorp en polder,

Jae, schouwt op zijn gemack den halven wereldkloot,

Daer yder speelt sijn Rol, hy sij of kleyn of groot.

Noot:

[1] Omgekeerde.

III.

Inhoudsopgave

DE KIIK-IN-DE-POT VAN VOORBURG.

So Voorburg, door de nood of door de gunst van Heeren,

Sich eens sagh in een Stadt met wall' en muyr verkeeren,

En bracht haer Vestingh uyt tot om dijns Heeren Slot,

Was HOFWIJCK het kasteel, en Ghy KIIK-IN-DE-POT.

J. WESTERBAEN.
OP 'T HOFWIJCK

Inhoudsopgave

VAN DEN EDELEN EN GEESTIGEN HEER VAN ZUYLICHEM, &c.

Siet hier den rechten Hof, daer buyten 's Hofs geruchten

De Wijsheyt leest haer bladt, de Ruste pluckt haer vruchten:

Een schoon, een lustigh bladt, een welgesohildert bladt,

Als Huygens in het gras en onder d' eycken sadt.

Daer Huygens buyten 't Hof sijn Hof-tent heeft geslaegen,

En queecksel en geboomt stelt boven 's Graven-Haegen.

Maer een dinck vraeg' ick noch, en vraeg' het met verlof:

Hoe kan het Hofwijck sijn, is Hofwijck in den Hof?

BOXHORN.
AEN DEN HEER VAN ZUYLICHEM,

Inhoudsopgave

OP ZIJN HOFWIJCKSCH GEDICHT.

Door-wijse Hovelingh, van veel' door nijdt bestreden,

Van meer om strijdt geroemt! die midden in het slick

Houdt beyde voeten droogh, en uw' genegenheden

Noyt hinght aen ydelheit van 's werelts oogen-blick;

Die nu en dan van 't Hof u laet nae Voorburgh voeren,

En daer bekommeringh, beslommeringh ontwijckt,

En daer uws selven sijt, een Heerschap by de Boeren,

En daer u landt, u Hof, u rijck eens over-kijckt;—

U steene Hof-wijck wijckt voor sommige gebouwen,

In grootheyt, kostlickheyt, doch niet in cierlickheyt;

Maer nu gy door u pen door-kunstigh hebt ontvouwen,

Hoe all' de werelts doen daer voor uw ooghen leyt,

Mag 't steenen Hof-wijck wel voor and're 't vaentje strijcken,

Maer voor 't papiere, 't welck is onwaerderelijck,

Is 't reden dat het all' eerbiedighlijcken wijck'.

Noch 't steenen Hofwijck, noch het sterckste huys van allen,

't Welck oyt is opgebouwt door Menschelicke hand,

En sal altijdt bestaen; maer noyt en sal vervallen

Dit HOFWIJCK, opgebouwt, mijn Heer! door u verstandt[1].

HENRICUS BRUNO.

Noot:

[1] Vernuft.

HOFWIJCK.

Inhoudsopgave

De groote webb' is af, en 't Hof genoegh beschreven:

Eens moet het Hofwijck zijn. Wie kent den draed van 't leven,

Hoe kort hy is, hoe taey? de snaer die heldste[1] luidt,

Scheidt d' eerste menighmael van leven en van Luyt,

Verkracht en over-reckt of met der tijd versleten.

'k Heb over-reckt geweest, maer bender[2] deur gebeten:

Op 't slijten komt het aen: Twee dingen maecken 't waer,

Of ick 't ontveinsen wouw, mijn jaeren en mijn haer.

En als de snaer begint te vees'len en te pluysen,

Soo staet sy meestendeel op 't schielicke verhuysen.

Wie weet of 't schielicke verhuysen deser Ziel

Niet voor mijn deur en staet? En of 't God soo beviel,

Sou Hofwijck onberijmt sijn Stichter overleven,

En wijcken voor 't Voorhout? en soud' ick my begeven,

Die anderen mijn pen baldadigh heb geleent?

Met reden eischte men de schuld van mijn gebeent.

Met reden schreefm'r op: "Hier light een Man begraven,

Die meende te volstaen met planten en met graven,

De slechte boeren-konst, en moght de moeyte niet

Sijn eigen maeckseltjen te cieren met een lied".

Mijn sterven weet ick met langh leven niet te weeren;

Maer, leef ick weinigh meer, het Grafschrift wil ick keeren,

En singen wat ick poot, en rijmen wat ick bouw,

Eer dese keel verschorr', en dese penn verouw'.

'k Wil Hofwijck, als het is, 'k wil Hofwijck, als't sal wesen,

Den Vreemdelingh doen sien, den Hollander doen lesen.

Soo swack is menschen-werck, het duurt min als papier

De tijd slijt struyck en steen! eens sal men seggen: hier,

Hier was 't dat Hofwijck stond, nu Puyn en Queeck en Aerde:

En dan sal Hofwijck noch staen bloeyen in sijn waerde:

Ja, waerde, sooder oyt yet waerdighs van mijn hand

De jaeren heeft verduert en ouderdom vermant.

In Holland, wat een land! Noord-Holland, wat een Landje!

In Rhijnland[3], wat een kley! in Voorburgh, wat een sandje!

Aen 't Koets-pad, wat een wegh! aen 't water, wat een Vliet!

Aen al dat lieffelick of vrolick rieckt of siet,

Daer lagh een brockje vets, daer lagh een blockje magers,

Een beetje voor het vee, een treetje voor de Jagers;

Daer lagh, dat schickelick gevoeght had heel aen een,

Maer van het groote spoor verscheiden lagh in tween;

Het spoor en Vrouw Natuer verstonden hier den and'ren,

Ten Zuyden lagh de wey; op 't Noorderlick verand'ren

Van Wey in drooge kroft[4] daer deelde 't spoor het scheel[5],

Gelijck een Riem een Man in op- en onder-deel,

In Broeck en Wambas scheidt. Daer hoefde geen bedencken

Op yeder deels gebruyck: de kley scheen my te wencken,

En raedde stommelingh[6], sy was ten Boomgaerd nut,

Mits met een wilde muer gemantelt en geschut;

De kroft en eischte niet als vruchteloose[7] boomen,

Die sy wel machtigh waer in wel-ge-Elste[8] zoomen.

Elck heeft sijn Keur voldaen: hier 't Wilde, daer het Tam,

Een yeder heeft volbrocht het geen hy ondernam.

Let, Ouders, en let scherp op 't keuren van uw gronden:

Veel hebben sich vergeefs 't verkrachten onderwonden

Van kinderen verstand, met onverstand getucht;

Veel hebben wreedelick in eewigh' ongenucht

Gekluystert en geboeyt wel draghbaere[9] vernuften,

Maer die ondraghbaerlick haer 's levens tijd versuften

In onwerck; dat is werck haer driften onbevoeght,

Haer krachten ongelijck; veel' hebben sich verploeght,

Verweven, of verschaeft, en geen bedijdt van allen;

Die Staet of Lettervolck, of Krijgsluy konden vallen,

En zijn 't geluckelick, en zijn ter eer en baet

Van eigen en gemeen, van Huysgesin en Staet.

Het scheel alsoo gedeelt door my en door sich selven,

Quam 't op de spaden aen; mijn eerste sorgh was: delven.

Noch was 't de tweede maer: d'eerst had wat meerders in:

Tot werck hoort overslagh, tot weldoen goed versin,

My docht, papieren blad was licht genoegh te krijghen,

En daer bleef 's[10] ruym genoegh voor peper en voor vijghen,

Of ick 's[10] een riem verkladd' en aen mijn droomen hingh.

'k Sagh menigh misverstand en redenloosigh[11] dingh

Des werelds aengesicht mismaken en onteeren,

Gelijck een schoone Vrouw lijdt van verbrodde kleeren;

'k Sagh 't schoonste geld in 't slijck geworpen by geval,

'k Vond allom nieuwen druck van Kostelicker Mal

Dan ick heb doodt gerijmt of, mogelick, doen leven[12]:

En al dit ongeval wist ick sijn naem te geven:

't Hiet Na-docht, soo my docht, en 't was gespaert papier:

't Was noch yet oolickers[13], 't was een onkundigh fier,

Een stout' onwetenheit, die niet en kost als waghen,

Om dat sy liever wouw niet twijfelen, dan vraghen.

Ick twijfelden en vraeghde, en ley mijn rouwe stof

Voor oogen, die ick wist, met vollen danck en lof,

Stof, als de mijne was, te hebben helpen keuren,

En oorbaerlick versnyen, niet snipperen, noch scheuren.

Maer al mijn recht was mijn, ick hiel een woord in 't vat[14];

De Landheer had wat wils en d' onderwijser wat.

De konst leed geen geweld, maer liet sich wel wat recken.

Ter liefde van mijn lust. En soo van dusend trecken

Bleef d'een en d'ander vast; en van dat af en aen

Bleef yet lichamelicks in 't swart en 't witte staen;

Een dingh, dat Armen had en Schouderen en Beenen,

Een redelick gestel van 't hoofd af tot de teenen,

Soo veel my duncken moght. En nu stond Boom aen Boom,

Daer Boom aen Boom sou staen; nu gingh ick in den toom

Van voorraed[15] en bescheid, en, hoe 't sich nae moght schicken,

Ick hiel mijn plicht voldaen met gissen en met micken.

Soo ver gaet menschen macht in allerley belangh;

Beraden, overslaen sijn volle stade langh,

Meer eischt men hem vergeefs; maer 't langh heeft oock sijn maeten:

Die lang doen kan en magh, moet oock eens konnen laeten:

Is 't overdencken goed, het over-dencken niet:

Hy siet sijn selven uyt, die al te lang doorsiet:

Ons oogh verdrinckt in 't werck, daer 't moed' in is geswommen,

En ons vernuft beswijmt, gelijck die, hoogh geklommen,

Met schrick te rugge sien, en weten niet waer heen,

Om hals en been geheel[16] te brengen naer beneen.

Soo raeckt men bijster 's weeghs[17] in 't soecken van veel wegen,

En daer en komt geen end van stadigh overwegen:

Die altijd willen doen, en hebben noyt gedaen;

't Schael-tongesken moet eens in 't huysken blijven staen.

Doe 't kind geboren was, hoe 't afliep met sijn lueren,

Sijn swachtels, en sijn wiegh, soud' hier wat langer dueren

Dan 't yemand lusten moght; en van die eerste jeughd

En smaken meestendeel maer ouderen de vreughd:

Vreughd, die de Nieuwigheit en Hoop alleen doen leven,

Die self den ouderen ten einde werck begeven;

Waer op volght ongevoel van wellust, doove plaegh,

Daer van ick (ick beken 't) mijn kindsch[18] gedeelte draegh.

Nu, 't kind is jongh geweest, en't is gebracht aen't groeien,

Aen't bloeyen metter tijd; 'k heb niemand te bemoeyen

Met wat het tien jaer langh te queecken heef gekost;

De Wijsen eten met, de gecken doen den kost.

Komt, wijsen! eet met my, ick sal u niet beswaren

Als met welgaere spijs en wel betaelde waren:

Ick wil u Hofwijck doen aenschouwen, of 't te nacht,

Gelijck als Duivels-brood[19], te voorschijn waer gebracht:

Jae meer, ick wil het u en my oock doen betreden,

Als waer ons gisteren een gansche eew geleden:

'k Wil met kindskinderen goed deelen voor mijn dood,

Als waer ick Grootevaer en twee-dry-mael soo groot[20].

Het wereldsche besit en is toch niet als droomen,

En of 't gekomen is, of mogelick te komen,

't En is maer binnen ons het gen' het schijnt of is,

't Zij by voor-sieningen[21] of by geheugenis.

Dus sal dan Hofwijck zijn, neen (wy zijn hondert jaren

Geboren naer[22] den dagh, dat wy geboren waren)

Dus sien wy Hofwijck staen: Ten Noorden van 't groot spoor

Nae Voorburgh, 't schoone Dorp (of seght'er Steedje[22] voor),

Light een aensienlick Bosch in mindere gesneden[23];

Vraeght naer de lenghde niet by Roeden of by Treden;

Die aen den ingangh staet, en siet den uytgangh niet,

En 't eind is verr'genoegh daer 't oogh geen eind en siet.

Een tamme wildernis van woeste schicklickheden;

Soo noemt sich dit vertreck, ter liefde van de Reden

En gulde middelmaet, die ick soo waerdigh houw.

Te tam waer al te stijf, te wild waer al te rouw;

Daer is wat tusschen tween, dat tweederhands begeeren

Voldoen kan, tam en wild, en dit door dat vermeeren:

Gelijck wat etens dorst, wat drinckens honger maeckt,

Gelijck langh slaepen weckt en langh gewaeck vervaeckt.

Den tammen lust voldoen vier wonderlicke dreven

Van Eicken saeghbaer hout, van Boomen die daer streven

Om dickte by der aerd, om hooghten in de lucht,

Om breedten onder weegh en groen en koel gerucht.

'k Heb saeghbaer hout genoemt: maer laet het niemant wagen,

Mijn Trouw-verlaet[24] t' ontdoen, mijn Dreven om te sagen:

Daer 's Potgeld, soo men 't heet, siet dit voort Poot-geld aen.

Ick segg' het eew voor eew: Kinds kinderen! laet staen,

En brandt of warmt u niet aen hout dat ick hiet waschen[25]

Ondanckbaer' erffenis en is niet af te waschen:

Ten minsten moet hy doen hetgeen de Sterver hiet[26],

Die 't leven door hem kreeg en van sijn sweet geniet.

Twee dingen scheid'[27] ick uyt, het derde moet ick dulden:

Onschuldigh Brood-gebreck sal u voor eerst ontschulden[28],

En d'allerleste nood is buyten alle wet;

Gods Koningh[29] heeft sijn maegh met Autaer-brood[30] ontset[31];

Maer welvaert dol gespilt is verr' van mijn meedoogen[32]:

Hy is noyt bystand waerd, die noyt heeft willen doogen[33].

Daeraen volght ouderdom van Eicken die vergaen:

Men spaertse te vergeefs, die niet en konnen staen.

Maer daer den ouden stam ontstaet[34], staet haest een jonge:

Soo sal mijn na-kinds kind, schoon ick het niet bedonge,

Gedencken, daer een man in 't vechten werd gevelt,

Dat daet'lick in de ry een versch man werdt herstelt.

Oock staet de wereld soo: die schael moet even drijven;

Pas soo veel schepsels niew verschijnen als ontlijven,

Of 't waer een leege wer'ld, daer in wy Borgers zijn,

Of langh waers' overkropt, geborsten van de pijn.

't Lest (dat ick lijden moet) is 't algemeene lijden

Van 's Vaderlands verderf. Staen die bebloedde tijden

In 't eewighe beschick van Gods Voorsienigheit:

Moet Holland eens niet zijn, of Niet zijn; is 't geseit

By diens sien seggen is, en seggen doen, en heden

En morgen 't selfde punt, dat Holland weer bestreden,

Weer overstreden zij, weer werde soo het was,

Doe 't in sijn kolen smoockt' en smoorden in sijn as[35]

Moet dat rad noch eens om, broeit Spagnen noch een toelegh

Van Thiende-penningh-dwangh, en leght het maer de roe wegh

Tot dat het onvoorsiens sijn geeselingh hervatt',

En drijv' ons tot den keur van mutsaerd[36] en van rad,

Of van versworen trouw en van versaeckt gevoelen;

Sal sich dat heete bloed noch eens op 't onse koelen

(God zij genadigher, en weer' den droeven dagh!),

Dan is mijn wil geen wil; en als heel Holland lagh,

En waer 't niet redelick dat Hofwijck over end stond;

Van nu af schrab ick uyt wat in mijn Testament stond:

Als 't Vaderland vergaet zijn mijn voor-sorgen uyt;

't Is reden dat de vracht versincke met de schuyt.

Soo zijn 't vier dreven dan, en altoos weer vier dreven,

Die 't Bosch verr en naerby sijn prachtighst aensien geven,

Als ick soo spreken magh, van bijds viermael 't Voorhout,

Van verre 't hooge groen van 't Mast- en Liesen-hout[37].

Breda vergeve my, en oock den Haegh, dit roemen,

Hier derv ick 't Eicken loof by 't Linden blad wel noemen:

Daer sien ick niet als Mast, en Eick, en Elst en Berck:

Tot mijnent 't selve groen, en even 't selve werck.

Hier buygh ick voor Breda; mijn' Masten zijn haer kinderen:

't Heeft Frederick[38] belieft sijn hout-gewasch te mind'ren,

Om 't mijne te versien: 't zijn Jofferen van 't Land,

Mijns Vaders vaderland, die ick heb voortgeplant:

'k Segg Jofferen, noch eens: 'k mochts' ed'le wijfjes noemen;

Bredaesche wijfjes, jae; maer die ick derve roemen

Op Hofwijck Haeghs gemaeckt te hebben en Hof wijs:

Daer warren s' onder een als overgroeyend rijs:

Hier staen sy zedighlick en proncken daer sy stonden,

Does' eerst verhylickten aen 't Sand-schap mijner gronden:

Daer staens' in 't wild gerucht van kinders kind'ren; hier

Als maeghden, sonder meid of kinderen getier.

'k Laet yeder overslaen welck zijn de liefste gasten,

Gevolghde of ongevolghd': ick derf 't niet ondertasten;

Men krijght' er sulck' en sulck', en houdt sich wel te vreen,

Maer, heeft uw gast geen sleep van aenhangh, soeckt' er geen.

Dit volckjen heb ick thuis gehaelt als kale wichten,

En van der jeught gefockt, en voor my leeren swichten.

Neemt dat ick Rhee of Hind gerooft hebb' uyt het wald[39],

En in mijn wildbaen ruym en lieffelick gestalt;

Soo ben ick altoos thuis, en altoos by de dieren,

Die t' harent Mensch noch Beest, maer my tot mijnent vieren.

Neemt dat ick uyt Brasil Tapoeyers hebb' ontleent,

En blinde Heidenen met Christen melck gespeent:

't Is swart volck, maer dat swart is vel-diep, en van binnen

Maeck ickse mijns gelijck, dienstbaer, in blancke sinnen:

Soo passen s' op 't gemack van diese voedt en houdt,

Soo doen mijn' Bruyntjens oock, mijn' Wijfjens uyt het woud:

Besiet, hoe vriendelick sy my staen en beluymen[40].

Als seiden sy: "Lands-heer, geniet ons groene pluymen:

Is 't heet, wy keeren u 't beswaeren van den dagh;

Is 't koud, wy decken u voor al dat nijpen magh;

En onse dienstbaerheit hanght aen geen' Jaer-getijden;

Daer dient' er by de Maend; wy konnen doen en lijden

Het rond jaer uyt en in, met eenerley gelaet,

Wat Eicken, 't stercke blad, nauw 's Somers uyt en staet;

Ja, dese trouw munt uyt, en spant haer' fierste krachten

In 't felste van de locht, in 't langhste van de nachten:

Maeckt staet op vrienden, die op voorspoed niet en gaen,

Maer in den tegenspoed als kop're mueren staen".

Twee troppen[41] tel ick hier die sulcken tale spreken,

En kruysweeghs over een mijn Bosch in vieren breken.

Soo most de deelingh zijn; dat weet de minste Cock,

En al dat oyt ontzagh eens Hovemeesters[42] stock.

Twee schot'len eener sopp' op eene zy te schicken!

Daer soud' een swanger Vrouw, jae bergen, van verschricken:

Ten minsten slaet het een den hongers lust ter neer:

Soo fier is 't keel-gat self: soo speelt het oock den Heer:

Ick swijgh van andere, die oock haer weetjen weten,

En houden haer gebruyck soo kostelick als eten.

'k Heb dan op 't Cruys gepast, gelijck 't de diskonst noemt:

En vraeght ghy, of ick 's my met reden heb beroemt?

Let op den overhoeck; ghy vindt hem naer den regel

In evenredigheid soo vierkant als een tegel;

Dat doet een Eicken block, verstaet een perck van groen,

Daer Eickjens Nut, Vermaeck, en Heerlickheid voldoen;

Hegh-houtje recht en kromm, dat om de seven jaren

Sijn' Meester leert hoe soet genieten is, en sparen

(Elck in de middelmaet en ten besetten tijd),

Hoe goed een kleedsel is, dat dient en niet en slijt,

Dat, zijnde, warm en koel, niet zijnde, warm kan maken.

Soo doen mijn Eickentjens: Ick laet den Honds-dagh blaken

Op 't steilste van den Noen[43]; ick laet het Noorder guer

Sijn scherpste buyen toe, mijn groene dack en muer

Belet my wederzijds het sweeten en het beven:

En in de leckerny van dit staegh-stervend leven

Heb ick altoos getelt het dobbele geniet

Van yet verheugelicks op 't kantjen van 't verdriet;

Op 't kantjen, sonder schroom; soo dat vast and're smaken

Het gene my genaeckt, en niet en kan geraken.

't Zy goed of quaede sin, ick voel mijn voorspoed bet,

Als yemands tegenspoed daer nevens werdt geset.

Ick scheppe geen vermaeck in mijnes naesten lijden:

Maer, als hy 't lijden moet, soo kan ick my verblijden

In dat ick 't niet en lij. Geeft my een blockje land,

Een Eiland als een vuyst, bezeet[44] van alle kant,

Bezeet op sulcken diep, dat op het minste blasen,

Sijn holle baren stouwt gelijck de groote dwasen,

Die met bergh over bergh ten Hemel wilden gaen,

En grijpen naer de Sonn en treden op de Maen;

Geeft my dat Eyland, rijck van Beemden en van Koren.

Geeft my een huys daer in om weelde te bekoren,

Geeft my Bosch om dat Huys, en langhs mijn steile strand

Of opgeworpen Hout, of uyt de konst geplant;

Siet my daer wandelen vry van den brand van 't Zuyen,

Van Oost en Wester vlaegh en van de Noorder buyen;

Siet my daer sorgeloos van d'een in d'ander hoeck

Vertreden mijn gepeins, of oock een beter Boeck,

Een wijsen mans gepeins, terwijl een' vloot van Zeilen,

Die storm en holle Zee den anderen toe keilen,

Gedreight werdt[45] gangh voor gangh met 's levens lesten krack

Op mijner Stranden klip; denckt, of ick mijn gemack

Afsteken sie als wit by 't swart van die elende;

Denckt, of ick my rondom, als in mijn roosen, wende,

Terwijl dat arme volck de handen, van 't geschrob

Van touw en takel zeer, ten duyst'ren hemel op

Met kromme knyen streckt: denckt, of 't mijn lust verdobbelt

Dat ick soo veiligh sit, en mijns gelijck soo tobbelt,

Soo dobbelt om sijn lijf. Soo gaet het allerweeghs:

Hoe dichter onlust is by wellust, hoe meer deeghs.

En soo doet Vrouw Natuer, in vele van haer wercken,

Het wederstrijdighe door 't strijdighe verstercken:

Soo werdt de kelder warm als 't ijs in 't water leit,

Soo werdt de kelder kout als 't Somer-veld verheidt[46]:

Soo sit ick in mijn kluys van Eicken, in mijn kluysje,

In mijn gevonden hoeck, mijn ongevonden huysje;

Hoe 't buyten banger brandt, hoe koeler en min bangh,

Hoe 't buyten wilder waeyt, hoe louwer, in den drangh

Van blaertjes, die ick hoor rondom my henen ruyschen,

Maer als de baren doen die op mijn klippen bruyschen,

En doen my minder leed dan of sy 't niet en deen,

Om dat ick ongemack verneem, en lijde's geen.

Wat scheelt het of my dit een Bosjen of een Boss doet?

Wie leeft van overschot? de weide die den Oss voedt

Is voor hem all' de wer'ld, en hondert merghen gras

En doet hem niet meer nuts dan of 't 'er niet en was;

En duysend roeden houts en sou my niet meer strecken

Pulsuz fraqment bitdi.

Janr və etiketlər

Yaş həddi:
0+
Litresdə buraxılış tarixi:
17 yanvar 2025
Həcm:
190 səh. 1 illustrasiya
ISBN:
4064066062446
Naşir:
Müəllif hüququ sahibi:
Bookwire
Yükləmə formatı:

Oxşar kitablar