Kitabı oxu: «Vitaulium: Hofwyck en Spaansche Wijsheit»

Şrift:

Constantijn Huygens

Vitaulium: Hofwyck en Spaansche Wijsheit


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066062446

Inhoudsopgave

VITAULIUM

DOOR CONSTANTIJN HUYGENS.

VITAULIUM

AEN VROUW GEERTRUYD HUYGENS

AEN DEN LESER;

AEN DEN DRUCKER.

AEN MIJN HEER

PROSOPOPOEA[1].

KIJCKERS ANTWOORD EN KEUR VAN NAEMEN VOOR HET HOUTE GEBOUW.

II.

III.

OP 'T HOFWIJCK

AEN DEN HEER VAN ZUYLICHEM,

HOFWIJCK.

SPAENSCHE WIJSHEIT.

VOORBERICHT.

SPAENSCHE WIJSHEIT.

EINDE.

VITAULIUM

Inhoudsopgave

HOFWIJK

* * * * *

SPAANSCHE WIJSHEIT,
VERTAALDE SPREEKWOORDEN.
DOOR CONSTANTIJN HUYGENS.

Inhoudsopgave

Ridder, enz.

MET AANTEEKENINGEN VAN DR. J. VAN VLOTEN.

"In Dec. 1639 hebb' ick, naer veel soeckens om yetwes in 't quartier van Voorburg ende aen de Vliet te vinden, daer ick een huysken van vertreck, in tijde van sieckte ende andersins, soude moge timmeren ende beplanten, gekocht van Mr. Jacob Adrichem, woonachtig te Delft, eene sijne partye lands, gelegen ten Westen rakende aen het voorn. dorp, ter wederzijde van den Lijdwegh, groot 4 merghen 1 hond ende 39 roeden". (Aant. bij Schinckel, Bijdrage tot de Kennis, enz. van C.H. bl. 77).—In Dec. 1640 en Maart 1642 kocht H. nog belendende teellanden aan, na al aanstonds met de bouwmeesters Van Campen en Post over den aanleg en opbouw van plaats en huis, geraadpleegd te hebben. Met laatstgemelde, die ook zijn huis aan 't Plein voor hem gebouwd had[1], ontwierp hij de benoodigde plans en teekeningen, zoodat er reeds in 't voorjaar van 1640 met den aanleg van plaats en plantsoen, en kort daarna met het bouwen van 't huis een aanvang gemaakt werd, en dit laatste in July al ver gevorderd was. Den 8sten dier maand kwam H., van 's Prinsen wege uit het leger naar den Haag gezonden, zijn nieuwen aanbouw in den vroegen morgen in oogenschouw nemen, en in 't najaar was deze, zijn Hofwijck, voltooid. Zijn voortdurende afwezigheid in het leger en drukke werkzaamheid in de stad vergunden hem echter slechts nu en dan er een enkelen dag, soms maar weinige uren, door te brengen, en zoo dikwijls hem dat te beurt viel, teekende hij het in zijn Dagboek aan. Het eerst ontbeet hij er, met eenige vrienden, den 23sten Mei 1642. Na den dood van Prins Willem II verminderden zijn werkzaamheden natuurlijk, en had hij gelegenheid er dikwijls eenige dagen te slijten; en toen zijn zoon Constantijn hem bij Willem III als geheimschrijver was opgevolgd, hield hij er des zomers geregeld zijn verblijf.—In 1652 bezong hij het, en gaf zijn dichtwerk den 11den Febr. 1653, bij Adriaen Vlac in Den Haag ter perse. (Zie Schinkels Nadere Byzonderheden, enz. II, bl. 58 en v).

Noot:

[1] Het thans afgebroken ministerie van justitie, als men weet.

VITAULIUM

Inhoudsopgave

HOFWIJCK

1652

AEN VROUW GEERTRUYD HUYGENS

Inhoudsopgave

geseght DOUBLET,

VROUWE VAN S. ANNELAND, & c.[1]

Mevrouw en waerde Moeye;

De wijsen van eertijds hebben 't soo verstaen, ende het is altoos waerachtigh gebleven, dat Vrucht en Vreughd, Voordeel en Vermaeck in een getwernt[2], den deughdelicksten draed maecken. Daerop sagh ick dat mijn Vader gesien hadde, als hy sich gelusten liet de lichamelicke lusten van sijn Hofwijck soo te beschrijven, datse de Ziel raeckten, makende van die Wandeling een Handeling, die naer[3] hem sijn Erven, noch naer[3] den ondergangh van de plaetse, te stade komen moght. Ende het soete voornemen alsoo uytgevoert, heeft my te dienstigen licht gedocht voor de Korenmate, daer onder het geschapen was voor eerst te smooren, sonder de moeite, die ick aengewent hebbe, om het oock onze Eewe te mogen bekent maken. Hoe het dese neus-wijse Wereld sal op nemen, staet te sien. By U.E. en meen ick geenen ondanck verdient te hebben: de Stichter van Hofwijck is haer te lief, om een stucksken Wercks van den Dichter te verwerpen. Een stucksken Bywercks noemde ick het beter: dewijle wy heel wel weten, en qualick gelooven konnen, dat hy daer aen al gaende en staende niet meer en heeft besteedt als de brockelingen van vier der druckste maenden, die hy beleeft heeft, sonder dat yemand getwijffelt hebbe, dat hy in 't gewoel van soo vele andere besigheden yet sulcks onder de leden soude hebben. Nu het Kind schielick ter wereld is gekomen, ende my, den oudsten van de Voor-kinderen, als het jonghste van 't tweede Bedd', vertrouwt, weet ick het niet beter te besteden als by U E., beider oudste Moeye, die ick wenschte, dat sich somwijlen daer mede wilde verlusten tegens de swaermoedigheden, die haer overigh mogen zijn zedert sy de twee lieve derdendeelen van hare eigen Bedde-vruchten uyt der tijd heeft sien haelen; wel goeds tijds[4], na ons gevoelen, maer ontwijffelick te goeder tijd, dewijl het Gods tijd was. Hem bid ick, U E. in alle tijden ende naer alle tijden te segenen met tijdelick ende eewigh welzijn, blijvende,

Me Vrouwe en Waerde Moeye,

U E. Ootmoedige Neef en dienaer

C. HUYGENS[5].

Noten:

[1] Constantijn Huygens zuster, zie I en II, bl. 836 [2] gedraaid; verg. 't Hoogd. wirn. [3] na. [4] vroegtijdig. [5] Versta 's dichters oudste zoon Christiaan, die de uitgave bezorgde.

AEN DEN LESER;

Inhoudsopgave

VOOR DE BY-SCHRIFTEN[1].

Wie is' er met sich selfs of met sijn' tijd verlegen,

Sijn' kostelicken tijd? wie soeckt naer niewe wegen,

Om lustigh leegh te zijn? wien stinckt[2] de Steen en 't Berd[3],

En ander arger vuyl, dat spel gerekent werdt?

Hy kome daer ick gae, wanneer ick Haegh en Hof wijck;

Hy blijve daer hy is, en volge my op Hofwijck;

Hy wandele met my, en spare voet en schoen:

Hy kan sijn wellust met een oogen-blick voldoen,

Of, is sijn Oogh te luy, met een geduldigh Oor-deel[4];

Daer hooren streckt voor sien, en geeft het oogh geen voordeel;

De doove by sijn oogh, de blinde by sijn oor,

Kan voelen waer ick tree, en treden in mijn spoor.

Men hoor of sie my dan, ick stae in[5] voor 't berouwen

By alle keurige van planten en van bouwen;

En, ben ick niet verleidt van eigen toover-min,

Sy sullen Hofwijck bey soo vinden als ick 't vin[6].

Noch liegh ick voor de helft: de blinden sullen voor gaen,

En dobbele genucht sal in des hoorers oor gaen

By d'enckele van 't oogh, Soo gaet het met de pen,

De Rijm-pen; want sy lieght, ten deele van gewen[7],

Ten deelen[9] om de kunst: en die de waerheit soecken

In 't los aensienelick van welgerijmde Boecken,

Zijn even verr' van 't pad, als die den wilden aerd

Van 't weelderigh pinceel aenvaerden voor een Kaert.

Leest met voorsichtigheid wat Dichters van haer[10] geven;

't Is rouw'[11] Land-metery, daer staet geen passer neven.

En die een dobbeltje wil hangen aen de vracht,

Om Hofwijck te gaen sien in d' ongemeene pracht,

Dien ick het heb geleent, zal weinigh min als vloecken,

En seggen: "Wel, ick segg: is dat het voer van Boecken,

Is dat een' Schildery, die op het leven treckt?

't Schijnt, dat men kinderen d' oud' avontuer vertreckt[12]

Van 't Koninghs dochtertjen, om in den slaep te raecken!

Is dit het hoogh Kasteel, zijn dese dorre staecken

Die Eicken Hemel-hoogh, is dit het Masten-woud,

Zijn dese Lindekens het andere Voorhout,

Is dese bult een Bergh, is dese plas een Vijver?

Wat quelt my d'ydelheit van dien verweenden Schrijver!

Laegh noch mijn dobbeltjen in 'tsackjen van den Kerck,

Soo had ick Godt behaeght en sat noch op mijn werck.

Ja, vrienden, blijft by huys, en spaert uw sestien duyten[13]:

'k Heb rijp en groen geseght, om dat het Dicht souw sluyten. Soo gaet het (noch eens) met de Rijmpen; om een woord Dat sonder weergae is, moet arme Waerheit voort, En om een braever[14] woord, dan woorden die wat seggen, Moet onred' in den top, en Reden onder leggen; Mits dat het Klinck-dicht zy, is 't snoodste 't beste Dicht, En beste Dichter is die konstelickst verdicht.

Beschaemt[14] den Meester vry, die[15] van de kunst wilt heeten,

En laet ons een voor een ontlasten ons geweten:

Wy lijden van den Rijm al, dat het Schip in Zee

Van vloed en ebbe lijdt: wy leggen 't op de ree,

De ree van Reden, aen; en 't schijnt, de volle zeilen,

En 't schijnt, de ruyme schoot en weten van geen feilen;

Het Roer light midden-boords, de vlagge wijst voor uyt,

De Naelde wijckt noch wraeckt[16], en alle gissingh sluyt,

En al 't besteck gaet vast; voor-wind maeckt rechte streken,

Maer, Stierman! waer is 't Schip ten einde van ses weken?

Voor St. Helena? jae, soo 't God en water wil,

Soo niet, aen St. Thome, of mog'lick in Brasil!

Dat doet de blinde kracht van ongemerckte Stroomen.

Soo gaet het in 't beleid van Rijmers en haer' droomen:

Sy munten 't op de kust daer 't Schip op is bevracht,

Sy hebben Roer en Schoot (soo meenens') in haer macht;

Maer daer's wat onverhoeds, in 't Zee-sop en sijn baeren,

Haer slechte Zeemanschap in 't zeilen wedervaeren;

Een ongevoelde drift, een Tij heeft haer verleidt;

Sy hebben eens een woord voordachteloos mis-seidt,

Goen avond[17] Redens-ree: dat woord moet weer berijmt zijn,

Of 't streeck houdt of geen streeck, of 't Dicht soud' ongelijmt zijn.

Soo lijmt men dan voort aen[18], en raect van Oost in West,

Van 't Zuyden in het Noord: tot dat m', in 't lieve lest,

Verzeilt en bijster 's weeghs, met loeven en laveeren,

(God weet hoe gracelick!) naer 't oogemerck[19] moet keeren:

Terwijl de Leser staet en gaept met open mond,

En wenschte, dat hij eens den Dichter wel verstond,

Die wel verstaenlick waer, kond hy sich selfs begrijpen.

Gaet, lieve leser! gaet uw herssenen nu slijpen,

Om door 't geheim te sien van 't mijmerigh gesegh,

Daer, die u leiden sou, verruckt[20] is van den wegh.

Nu heb ick my ontkleedt: waer hael' ick Vijgen-bladen

Tot masker van de schaemt, daer med' ick sta beladen?

Wie wil nu Hofwijck sien of hooren met geduld,

Met logens opgepronckt, met klater-goud verguldt?

Ghy, Leser! hoort ghy noch dry woorden van verschoonen;

Noch ben ick lesens waerd, en kan het sus[21] bethoonen:

Al dat ick Hofwijck noem, is Of-wijck[22] van den wegh,

Die waerdigh zij betreen; indien ick Hoefwijck segg',

Soo spreeck ick uyt mijn Bors en uyt mijn hert te saemen;

Maer die het Stof-wijck heet, heeft goet verstand van naemen

En van de slechte stof, daer Hof-wijck af bestaet.

En van der Dichteren ruym spreken sonder maet.

En is 't Gesticht[23] soo slecht, wat sal 't Gedicht verbloemen,

Dat, die wat Hofwijs is, sal Holwijck derven noemen?

Hol, lieve Leser! hol, en holler dan een blaes,

Een blaes met boonen, is dit voddige geraes.

Verhaest uw vonnis niet; jae, spreeckt het sonder schroomen,

Ick help 't u spreken: 't zijn derd'daeghsche-kortsedroomen,

Daer op ick u onthael; 't is ongerijmde Rijm,

Een buyten cierlijck graf, van binnen asch en slijm[24].

Maer houd het vonnis in, en hoort my noch eens spreken:

Die oyt gewandelt heeft langhs modderige beken,

En heeftse niet altoos bewandelt sonder lust;

De Zee is alom sout, maer hier en daer de Kust

Beset met soet gewasch van Bloemekens en Kruyden,

Daer 't keurige begrijp van recht neus-wijse Luyden

Sijn sinnen in voldoet, en vindt de wegen kort,

Daer hier wat nuts en daer wat schoons gevonden wordt.

Het kreupele geschrift van teere Leerelingen

Wordt by des Meesters hand met konstelicke ringen,

Met strick en spinneweb omvlochten en geciert,

En hoe 't min deughdigh is, hoe meer betiereliert[25]:

Soo kan een Ebben[26] lijst een slechten doeck[27] verrijcken,

En doen hem voor wat goeds verkoopen of bekijcken;

Die lagen leg ick u: mijn Boeck, mijn Schrift, mijn Doeck,

Mijn tamme Schildery, recht uyt geseght, mijn Boeck,

Mijn Hofwijck in papier is wandelen, noch lesen,

Noch koop, noch kijcken waerd; dat vonnis is gewesen:

Maer kust[28] en strick en lijst, die 't cieren op den kant

Zijn op de proeven van het keurlickste verstand.

Veracht ghy dan mijn stof, mijn selfkant moet ghy prysen;

Danck hebbe 't soet behulp van afgestorven Wijsen:

Die heb ick uyt haer graf doen spreken t' mijner baet,

En van haer lappen my een feestelick gewaet

Geflickt[29] en omgedaen: met Peerlen van Athenen

Is dit gewaet versien; de kostelickste steenen

Van Roomens burgery, does' op haer rijckste was,

Heb ick gelesen uyt haer Puyn en uyt haer as,

En my mee geborduert: der Christelicke Vad'ren[30]

Heb ick het beste bloed van haer ontsteken ad'ren

Gesmolten in mijn vleesch, en uyt haer oud gebeent

Het onverrotste mergh gesogen en geleent.

Nu pronck ick met den buyt, nu tert ick uw gedulden[31]:

Verkoop ick niet als lood, 'ck heb 't weten te vergulden;

Nu moet ghy Hofwijck sien, het zij u lief of leed:

't Kind is wanschapen, maer 't is rijckelick[32] gekleedt[33].

Noten:

[1] Versta: de bijgevoegde lofdichten, naar den smaak der eeuw. [2] walgt. [3] verkeerbord. [4] Min gelukkige klankspeling. [5] vrijwaar. [6] Voor vind. [7] gewoonte. [8] Welluidendheidshalve voor deele. [9] zich. [10] ruwe. [11] verhaalt. [12] Thans zou men van tien centen spreken. [13] fraayer. [14] Stelt op de kaak, ten toon. [15] Versta: gij die. [16] weerspreekt. [17] Vaarwel dan. [18] Maar voort. [19] doel. [20] vervoert. [21] zoo. [22] af-wijk. [23] Versta: het geheele buiten. [24] slijk. [25] Omkruld. [26] ebbenhouten. [27] schilderstuk. [28] rand. [29] Aangelapt (van 't Hoogd. flicken). [30] De zoogenoemde kerkvaders. [31] geduld hebben. [32] Rijk, weelderig. [33] Dat oud-roomsche en atheensche, en dat kerkvaderlijk borduursel en verguldsel is in deze volksuitgaaf, als minder doeltreffend, echter weggelaten. De desbeluste lezer kan 't in de oudere naslaan.

AEN DEN DRUCKER.

Inhoudsopgave

k Hebb' Hofwijck uytgedruckt: is 't t' uwent niet te druck,

Verdruckt my in uw pers, en helpt ons in den Druck;

My in den druck van eer of oneer, van berispen

Of prijsen, naer het volck of spreken wil of lispen[1]:

U in den meerder druck, van Kostelick papier,

Als Ketter-vleesch, te sien verdoemen tot het Vier.

Van dusend tegen een de nadruck[2] zal ons' beurt zijn;

Ick heb 't u ingedruckt; denckt, als het sal gebeurt zijn:

Die Dichter heeft sijn plicht uytdruckelick vervult:

Mijn onderdrucken[3] is de dochter van mijn schuld.

Noten:

[1] Voor prevelen. [2] Voor narouw. [3] In den druk raken.

AEN MIJN HEER

Inhoudsopgave

MIJN HEER VAN ZUYLICHEM

over het lesen van sijn Eds.

HOFWIJCK.

't Is een dagh of vier geleden,

Dat ick hallif moe getreden

Door de paedtjes van mijn hof

Wat gingh sitten onder 't lof[1],

Daer de hitte niet kan nypen

Onder 't lommeren van ypen,

Op een banckje van een deel[2],

In een koel en groen prieel;

Daer de dichte blaedjes weeren

Dat de Son my niet kan deeren,

Schoon hy op de middagh blaeckt,

Als hy 't Hemel-kreeftje naeckt.

Om mijn eensaemheit t' ontvluchten,

Die my somtijds doet versuchten,

Als ick aersel op de schae[3]

Van mijn afgestorven gae,

(Wie kan steeds den mensch verkrachten)?

Liet ick drijven mijn gedachten[4],

Liet ick mijn herdencken gaen

Door u lecker letter-blaen,

Die ick even had gelesen;

Blaen, die voor geen sterven vresen,

't Zy de Somer swicht of brand,

Van een soete Joff'ren-hand,

Door uw wil, aen my gegeven;

Blaen, daer Hofwijck door sal leven Langer, alsser bosch of laen Staet, of met of sonder blaen; Langer, als d' abeele kruynen Sullen Hofwijck en sijn tuynen Decken voor de scherpe snee Van de seyssen uytter Zee[5]: Langer, als sy, met de toppen Van haer hoogh-gestege koppen, Sullen weygeren den pas Aen het huylen en 't gebas Van de nortse Noorder-winden Op den bloesem van de Linden, Die, aen d' Oost' en Wester-kant Van den Hofwijcks Hof geplant, Maecken ruyme wandeldreven, Die het quaelick willen geven Voor 't Voorhoutse Joffren-rack, Munnick-tuyntje, blaeder-dack, Dat, door 't roemen uwer Dichten[6], Voor geen dingh behoeft te swichten, Wat of in of buyten 't landt Sijne borst op schoonheit spant;

Langer, als de maste-boomen[7]

Sullen wederzijds bezoomen,

Met een altijd groenend lof,

't Buytenpad van uwen Hof:

Als de nimmer-dorre Climmen[8]

Sullen klauteren en klimmen,

Langhs 't gebeent' en armen op,

Over hooft en kruyn en top

Van de hoecksche Vierelingen[9],

Al gelijck in alle dingen,

Broeders, even hoogh en breedt

En al eveneens gekleedt:

Daer de Cabbeljaeus-gesinden[10]

Noch wel herbergh souden vinden,

Soo 't de Landvooghd soo verstond,

Dat hy die in schootels sond

't Lijf gesoon, de staert gebraeden,

En een kruyck met wijn gelaeden

Van de Moesel of de Deel[11],

Om het oud-versufte scheel[12]

Met een Roemer af te drincken;

Langer, als de Vloer sal blincken,

En het marmer staen te prael,

In uw sinnelicke[13] sael;

Langer, als uw Slot zal duyren,

Dat, met even-zijdse muyren,

Vierkant uyt het waeter rijst,

Dat de Waerd en gasten spijst

Met een vangst van goede vissen

Als 't u die gelieft te dissen,

Slot, als men 't van 't Zuyden kijckt,

Dat een flesch in 't koel vat lijckt;—

Langer als men 't paerdt sal jaegen

Langhs de Vliet, met sweepe-slaegen,

Nae den Dam, of Delft, of Haegh,

Alsser Schip en schuyt en kaegh,

Met sijn vracht en volck en waeren,

Uw kasteel verby sal vaeren,

Die, of van of nae de Vliet

Door den Duycker henen schiet;—

Soo langh als men Duyts sal spreecken,

En geen leeser sal ontbreken,

Die een aerdigh Rijm bemint,

Daer men pit en kruym in vindt.

Wijl ick sit en suff en mijmer,

Opgetogen, hoe de Rijmer

In soo een gemeene stof

Wint soo ongemeene lof;

Hoe hy Wijsheit mengt met kluchten,

Hoe hy sonder jock kan tuchten[14],

Hoe hy ernst met lacchen speckt,

Daer men les en vreughd uyt treckt,

Vind ick my in 't Bosch gekommen

En op uwen Bergh geklommen,

Daer een vierkant hout-gebouw

(Wist ick hoe men 't noemen souw)

Braght my weder op mijn sinnen,

Datter voordeel was te winnen

Van een heerlijck Peterschap

Voor die op den hooghsten trap

In het gissen konde raecken

Van profijtelickst vermaecken

In het geven van een naem,

Beyde nut en aengenaem.

Ick gevoelde my bestreeden

Van mijn tochten en de Reden:

D' een sey dat ick 't laeten souw,

D' ander riep er tegen: "houw!

Houw, en wilt u daer voor wachten,

't Is geen werck van uwe krachten,

't Is geen last van uwen rugh;

Wat vermeet sich vliegh of mugh,

Dat een kemel is te vergen?

Wie begeeft sich op de bergen,

Die genoegh sich vind beswaert,

Dat hy kruype by der aerd?"

Reden had nae reen gesproken,

Eersucht quamper tegens stoken:

"Die niet soeckt, die niet en vind,

Die niet waeght, die niet en wint;

Waeght ghy: 't kan misschien gelucken;

Mist ghy: 't hoeft u niet te drucken;

Vele, die wat groots bestaen

Hebben met de wil voldaen;

Oock soud ghy den eerst niet wesen,

Dien, als anderen voor desen,

Een geluckigh woort ontvil[15],

Als 't geluck maer dienen wil;

Blinden kunnen somtijds raecken,

En oock acker-lieden spraecken

Somtijdts wel een tijdigh woord,

Dat den wijsen heeft bekoort;

Oock is 't mee al waer bevonden,

Dat een haes, voor snelle honden

Afgeloopen vry en los,

Is gevangen van een Os,

Die hem op sijn lenden trapte,

Wijl[16] hy door de weyde stapte

In een dichte bos van gras,

Daer het wild gelegert was".

Wat is goed en wat is beter?

Soo 't geluckt, soo werd ick Peter[17],

En soo 't mist, waer kom ick heen?

Wat is 't als een blauwe scheen?

Die is lichtelick te waegen:

Vryers loopens' alle daegen,

En wie gaetter kreupel van?

Dus geschuddet[18] in een wan,

Dus gehangen tusschen beyden,

Eer dit strijden was gescheyden,

Had my d' eersucht al vermant,

En de Pen was in de hand,

En de Reden aen het swijmen,

En de Dichter aen het rijmen,

En de veder in den int,

Om een naem voor 't houte kind.

Hofwijcks Hoogh-beroemde Schrijver, Dus geraeckt' ick door den yver, Die de reden had verbluft, Van het peynsen half versuft, Aen het raen en aen het rijmen, Aen het voegen, aen het lijmen, Aen het krabblen met de pen, Waer van ick dit naschrift[19] sen[20].

Heb ick 't wit niet kunnen raecken

Van 't profytelickst vermaecken,

Soo ick in den naem hier mis

Wat en nut en vrolicks is;

Heb ick 't bey niet kunnen raemen

Wilt de Meester niet beschaemen,

En die mee is van de kunst,

Deck mijn feilen met sijn gunst!—

20 Julij, 1652. (jACOB WESTERBAEN).

Noten:

[1] loof.

[2] plank.

[3] 't verlies.

[4] Westerbaens overleden vrouw, na welker dood hij zich op Ockenburgh

gevestigd had.

[5] Versta: de zeewind of -lucht.

[6] Zie deel III en IV bl. 30 in't Voorhout.

[7] Huygens' lievelingen. Zie vervolgens en in de Sneldichten.

[8] klimop.

[9] "Vier houten cabinetten of prieelen met clim bewassen, staende op de

vier hoecken van den Hof, alle uyt eender hand gemaeckt" Huygens.

[10] Klankspeling op het vorenstaand hoeksch.

[11] In Belgien; deelewijn.

[12] verschil.

[13] nette.

[14] leeren.

[15] Ontviel; gelijk wirp voor wierp in 't volg. lofdicht.

[16] terwyl.

[17] peet-oom.

[18] Voor geschud.

[19] Zie volgende gedichten.

[20] Voor zend, gelijk vin voor vind, enz.

Janr və etiketlər

Yaş həddi:
0+
Litresdə buraxılış tarixi:
17 yanvar 2025
Həcm:
190 səh. 1 illustrasiya
ISBN:
4064066062446
Naşir:
Müəllif hüququ sahibi:
Bookwire
Yükləmə formatı:

Oxşar kitablar