Kitabı oxu: «De avonturen van Jan Kodde»
D. A. Poldermans
De avonturen van Jan Kodde

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066404291
Inhoudsopgave
EERSTE HOOFDSTUK.
Jan speelt Natte Sies een poets.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Jan verwisselt de etenspannen en Teun Driedijk krijgt keisteenen als diner.
DERDE HOOFDSTUK.
Jan loopt straf op en speelt voor toovenaar of zoo iets.
VIERDE HOOFDSTUK.
Een rook-proef met jammerlijke gevolgen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Verloren en teruggevonden.
ZESDE HOOFDSTUK.
Een extra vacantie-dag met een voetreis, een hond en een vechtpartij en zoo al meer.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Een vitterige veldwachter dreigt alle plezier te bederven. De kleerenroof leidt tot vredesonderhandelingen.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De onderwijzers-vergadering blijkt een nasleep te krijgen.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Jan komt op een uitmuntend denkbeeld. Maar zal ’t gaan?!
TIENDE HOOFDSTUK.
Het gaat. Het oordeel der menschen is niet altijd juist.
ELFDE HOOFDSTUK.
Waarin Toon en Geertje een geit krijgen en waarin geurende verf voorkomt.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Een jongens-plaag aan ’t werk.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
De uitvoering van het plan. Boontje komt om zijn loontje.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De gevolgen van den mist.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Kapitein Smit komt bij Kees Kodde op bezoek.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
De storm. Een beteekenisvolle oudejaarsavond. Een geknipte strandroover.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Besluit.

EERSTE HOOFDSTUK.
Jan speelt Natte Sies een poets.
Inhoudsopgave
Terzijde van den weg, die van het dorpje Elswijk naar de duinen slingert, stond een hoogst eenvoudige arbeiderswoning. Half overschaduwd door de dikke takken van een paar hooge, oude olmenboomen lag ze daar vredig en kalm, even vredig en kalm als de kippen, die in den zandweg voor de deur lagen te koekeloeren en te draaien in de tintelende stralen van het warme Julizonnetje.
In het achterhuis, dat uitzicht gaf op een kleinen moestuin, stond vrouw Kodde blazend en zweetend over een dampende waschtobbe. Het zweet gutste de arme ziel langs het scharlaken-gloeiende gelaat en van tijd tot tijd poosde ze even om met een tip van haar blauwen boezelaar de druppels af te vegen om dan weer met… neen met moed niet, maar om in vertwijfeling haar bloote armen te dompelen in het schuimende sop, waardoor de paarlemoeren bellen spattend uiteen barstten.
Was het wel wonder, dat de vrouw, haast even gloeiend als het zeepsop in de tobbe, zich den moed in haar muilen voelde zinken? Met zóó’n warmte en dan zóó’n heet werk!
Even hield ze op en keek op het ouderwetsche klokje in de huiskamer, met zijn koperen wijzerplaat, waarlangs twee wit-porceleinen pilaartjes prijkten.
„Half elf al,” mompelde ze, „dan wordt het hoog tijd, dat ik het eten klaar ga maken. ’t Zou Kees danig tegenvallen als hij om twaalf uur Jan nog niet met zijn maaltje zag aankomen.”
De tobbe werd voor enkele oogenblikken in den steek gelaten en weldra spartelden de kokende aardappels in den zwart-ijzeren pot op de platte buis van de kachel, terwijl een pannetje met snijboonen daarnaast stond te pruttelen.
Telkens weer verliet nu vrouw Kodde haar waschtobbe om naar de vorderingen van den middagpot te kijken. Eindelijk veegde ze haar druipende en dampende armen, wit rimpelig van het warme sop, voor goed af en trad door de achterdeur naar buiten.
„Jan! Jan!” schelde haar stem door de zomer-warme, trillende lucht.
„Jan!”
„Ja moeder!” klonk een vroolijke jongensstem uit de hoogte.
Verbaasd wierp moeder Kodde een blik naar boven, doch ze zag niets dan blaren. „Waar zit je dan?” riep ze vragend met het hoofd in den nek.
„Hier moeder! ’k Ben zóó beneden! ’k Ben even in den boom geklauterd, maar in een wip ben ik klaar. Zie je moeder, ’t is beneden zoo warm!”
„En daar boven dan, deugniet van een jongen?”
„Ja, hier is ’t ook wel warm, maar lang zoo erg niet. Meester zei van de week nog: hoe hooger je komt, hoe kouder het wordt. Daarom is ’t boven op een berg ook…”
„Ja wel, zeur nou maar niet; je bent niet boven op een berg. Kom er nou subiet uit, zeg ik je, of ik haal je d’r uit!”
Een ondeugende lach schaterde uit het gebladerte.
Neen maar, dàt zou Jantje nu toch heusch wel eens willen zien, dat moeder hem uit den boom haalde! In zijn vlugge verbeelding zag hij haar de bloote armen al om den stam slaan en de beenen… och heden, die beenen! Wat zou dàt een onbetaalbare grap zijn!
Jantje proestte het uit, terwijl het idee van zijn klimmende, spartelende moeder hem door zijn brein flitste en schelms riep hij:
„Ja, toe moeder! Haal me d’r eens uit; klim ook eens in den boom! ’t Is hier zoo echt reuzen lollig, veel moppiger dan aan de waschtobbe!”
„Kom er nou uit, aap van een jongen. Je vader wacht anders op zijn eten en dan zal het er niet net zitten.”
Dat hielp. Jantjes beenen werden zichtbaar en na die beenen verscheen, wat er van boven aan vastzat. Als een eekhoorn zoo vlug kwam hij naar omlaag en in een wip stond hij naast moeder in zijn blauw boezeroen en zijn bombazijnen broek. Zijn guitige oogen straalden van onder zijn donkeren krullebol waarvan een groote lok hem over ’t voorhoofd viel en lachend zei hij: „Doe me dàt eens na moeder. Je zou ’t zoo gauw niet kunnen; je rokken zitten in den weg.”
„Zeur nou maar niet langer,” driftte moeder, „en maak maar gauw, dat je weg komt. ’t Is al half twaalf en eer je er bent is ’t zeker wel twaalf uur. Een half uur heb je er vast voor noodig.”
„Een half uur, moeder? Waarom gewed, dat ik over een kwartier bij vader ben?”
„Och jongen, zanik niet, ’k heb niets om te verwedden.”
„Om een suikerbrok dan?”
„Ja, vooruit maar, schelm en pak nou maar gauw aan. Hier, voorzichtig. Draag den doek zóó aan de saamgeknoopte punten. Wat wou je met dien stok?”
„Dien steek ik er door moeder en dan draag ik hem over mijn schouder en…”
„Neen, neen, dan slingert de pan te veel heen en weer en wordt het eten nog kouder dan anders. Niets te stokken! Je draagt het zaakje behoorlijk in je hand. Gauw nu en zeg, dat ik vader smakelijk eten wensch.”
Jan zette het op een loopen, zóó hard, dat moeder ongerust werd in haar nieuwe bruin-steenenpan en hem nog nariep: „Niet zóó hard. Straks struikel je nog en… en dadelijk terugkomen, dan gaan we zelf óók eten!”
„Zoo’n deugniet,” mompelde ze, terwijl ze Jan, die, in een razende stofwolk gehuld, den weg afrende, naoogde.
„Zoo’n rakker. En toch een goed jong. Maar een deugniet is hij. ’t Is me een zorg.”
En vrouw Kodde had groot gelijk. Jantje wàs een deugniet, een guit, altijd vol grappen.
Dat geen boom hem te hoog was, toonden helaas maar al te vaak de pijpen van zijn broek of een winkelhaak in zijn boezeroen. En zijn klompen!
„Voor jou zijn geen klompen aan te halen,” mopperde vader Kees om de drie of vier weken.
„Ja, vader,” had Kees eens geantwoord, „maar mijn beenen zijn ook nog zoo kort, ik moet dus meer stappen doen dan jij. Wacht maar, tot ik ook eens zulke lange stelten heb.”
Nog altijd hield Janbaas zijn stofopjagenden draf er in, tot hij even buiten het dorp op den olmendijk kwam. Dit was een begrinte binnendijk, aan weerskanten bezet met oude iepen.
Hier werd het Jan te machtig; hier was het te lekker koel om als een puffende locomotief voort te hollen. Het zweet parelde op zijn blozende wangen en verfde zwartachtige baantjes op zijn glimmend gezicht.
Hij matigde zijn gang, maakte met zijn boezeroenmouw zijn gezicht nog wat zwarter en klots-klompte wat langzamer door het grintstof. Vroolijk fluitend vervolgde hij zijn weg.
Daar stond op een kromming van den dijk onder een zwaren kastanjeboom een bouwvallig hittenkarretje. Jan herkende het dadelijk. ’t Was de equipage van Natte Sies uit de stad, die het land afliep om hoenders en konijnen op te koopen en die de verfoeilijke gewoonte had, dikwijls meer jenever te gebruiken dan hij verdragen kon, vandaar zijn bijnaam.
Het magere hitje stond aan den boom vastgebonden en daaronder lag Sies in ’t gras in diepe rust.
„Arm beest,” beklaagde Jan het dier, „daar sta je nou misschien al ik weet niet hoelang honger te lijden. Wacht, ik zal je helpen.” Hij zette zijn pan neer en begon ijverig handen vol gras te plukken, die hij het bonkige dier voorhield.
„Kijk hèm daar! Die rust lekker uit!” Een ondeugende trek verspreidde zich plotseling op Jan’s zwarte gezicht.
„Wacht, met dien luilak moet ik eens een grap hebben.”
Stilletjes scharrelde hij even in de hittenkar en diepte van tusschen de manden met konijnen en kippen uit een lang touw op.
Voorzichtig, heel voorzichtig sloeg hij een lus van dat touw om het rechterbeen van den snurkenden Sies en knoopte toen het andere eind achter aan het karretje vast. „Die hit kan toch niet hard loopen, dus gevaar is er niet bij,” bromde de kleine deugniet in zichzelf.
Onafgebroken hield hij het oog gericht op den slapenden konijnenkoopman. Toen maakte hij den hit los, gaf dien een fermen slag met de vlakke hand terzijde van den staart, riep: „allo, vort!” en kroop een, twee, drie achter den dikken stam van den kastanjeboom.
De hit zette zich in beweging, het touw spande zich en langzaam gleed het slappe been van Sies uit zijn houding. Nog even en de rest van Sies sleurde kalmpjes aan uit het gras en den grintweg op.
De slaper was eensklaps wakker. Hij wist niet, wat er zoo op eens met hem gebeurde, maaide grijpend met zijn lange armen rond als zocht hij steun en schreeuwde met z’n schorre keelgeluid: „hei, hei, hou op met je flauwe grappen! Hou op, zeg ik je!”
Maar jawel! De hit, die toch anders niet zoo bijzonder haastig was, stond zich blijkbaar allang te vervelen en was niet tot betere gedachten ten opzichte van zijn baas te brengen. Het broodmagere beest verlangde zeker naar den stal, waar allicht wat voer te vinden zou zijn. Onverstoorbaar stapte hij met zijn kromme knieën en knikkenden kop voort en zette er zelfs een stapje bij.
Sies spartelde als een bezetene.
Hij probeerde overeind te komen, maar ternauwernood zat hij zoo half en half op zijn hurken, of een nieuwe ruk bracht zijn rug in aanraking met den stoffigen grintweg.
Jantje gierde het uit; stond krom van het lachen bij de potsierlijke bewegingen van den op sleeptouw genomen Sies, die te keer ging als een razende, die wanhopig schreeuwde en tierde: „sta stil, beroerde knol. Hou op! Help, help me toch!”
Maar wie zou hem helpen! Er was niemand in de buurt te zien, dan de tranen lachende oorzaak van zijn ellende. Nu kroop Sies op handen en voeten met zijn hoofd omlaag de kar achterna, driftig zijn armen en beenen bewegend om bij te houden. Daar ineens kreeg hij weer een ruk en wat Jan nu zag bracht hem bijna buiten zich zelf.
Sies maakte pardoes rechtsomkeert en nu achteruit, maar nog altijd op handen en voeten, net als een groote orang-oetang krabbelde hij zijn kar achterna, nu links dan recht, dwars en scheef als een krab schraaide hij óver en dóór het wagenspoor.
’t Was inderdaad een allerbespottelijkst gezicht.
Een nieuwe ruk aan het touw maakte den toestand nog slimmer. Een mand met konijnen raakte er in verward, schoof van den wagen en smakte op den berm van den weg neer. In een ommezien ontvloden de konijnen hun enge gevangenis en snuffelneusden in het gras rond.
Op dat gezicht steeg de vertwijfeling van Sies ten top.
Met inspanning van alle kracht probeerde hij zijn lichaam een loodrechte richting te geven, maar dat miserabele touw aan zijn been noodzaakte hem horizontaal te blijven voortmartelen.
Jan lag in het gras te rollebollen van plezier. Sies hoorde in zijn wanhopige woede zijn schaterend gelach niet. Een nieuwe krachtige poging bracht hem eindelijk overeind. Vlug liep hij naar zijn hit en bracht het dier tot staan.
De onbetaalbare voorstelling was afgeloopen. De rest kon Jan niet schelen; die konijnen waren gemakkelijk te vangen en…
Bom—bom—bom!
Groote goedheid! Twaalf uur!
Dan gauw naar vader, want anders zat er wat op.
Loopen wat hij loopen kon, rende hij nu langs den weg en kwam hijgend, blazend en grinnikend in de wei, waar vader met Teun Driedijk aan ’t maaien was.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Jan verwisselt de etenspannen en Teun Driedijk krijgt keisteenen als diner.
Inhoudsopgave
Vader Kees zette zich aan den slootkant onder een grooten meidoornstruik neer en vergastte zich weldra aan zijn verdiend middagmaal. Jan zat naast hem en vermaakte zich, door met zijn klomp het eendenkroos op te wippen.
„Hou op,” bromde Kees, met een stuk aardappel in zijn mond, „straks val je er in.”
„Wat zou je schrikken vader, als ik me daar in eens pardoes in ’t water schoot. ’k Wed, dat je de heele pan uit je handen liet vallen. Dan had je niks en misschien slikte je wel een heelen aardappel tegelijk in.—Zou Teun niet moeten eten?”
„Die wacht op Stoffel, maar die jongen is bijna nooit op tijd.”
„’t Had bij mij ook niet veel gescheeld,” dacht Jan en hij moest bij zich zelf nog lachen om de gekke vertooning van Sies.
Bedaard at Kees Kodde verder en dank zij zijn eetlust liet de pan al heel gauw den bodem zien. Vader knoopte toen den doek er weer om, reikte het heele zaakje aan Jan over en commandeerde: „nou maar gauw naar huis, anders moet je moeder te lang wachten. De complimenten!”
„Nou, dag vader. Gegroet hoor en maai plezierig!”
Jan klom over ’t hek en sloeg den weg naar het dorp in, maar nauwelijks was hij vijf minuten op stap, of daar ontwaarde hij in ’t gras een bundel, óók in een doek geknoopt, net als zijn vrachtje.
„Da’s van Stoffel. Waar zou die uithangen? Aha! Die gluiperd is bezig om te zien of Bos nog kersen te veel heeft en zijn vader laat hij op zijn eten wachten.
„Wacht mannetje! Jij hebt gister mijn pet in de sloot gegooid, nou zal ik jou óók eens een plezier doen.”
In een wip had hij den doek van Stoffel zoowel als dien van zich zelf los geknoopt en lag hij op zijn knieën bij de twee etenspannen.
„Mooi! Dacht ik wel. Zijn pan is net eender als de mijne. Wacht even. Aardappels met… ’t lijken wel… Ja zeker, óók snijboonen. Hier en daar een snipper. Teun z’n vrouw had er zeker niet te veel. Maar een klein hompje spek.”
Eén, twee, drie, ging de inhoud van de volle pan in zijn leege over. Nog eens één, twee, drie en de pan van Stoffel kreeg eenige zware keisteenen te bergen. „Nu netjes den doek er weer omgeknoopt en dan hier achter dien elzenstruik. Wat zal Teun strakjes kijken! Kijk, daar heb je Stoffeltje! Wip, de sloot over!”
De kersen inspecteur pakte haastig zijn pan op en sjokte verder in de richting van de maaiwei. Onder langs den dijk sloop Jan den nalatigen etensdrager achterna. Dicht bij de wei sprong hij met het eten van Teun in zijn pan over een sloot en langs een dichte heg kwam hij vlak bij den meidoorn, waar Teun Driedijk met een hollen buik en half scheel van den honger naar zijn jongen stond uit te kijken.
„Waar kom je toch zoo laat vandaan Stoffel?”
„’t Was niet eer klaar Vader,” loog de schrale jongen met een stalen gezicht.
„Zoo’n gemeene leugenaar,” bromde Jan aan den overkant der sloot, „net wat voor hem om z’n vader zóó voor te liegen.”
„Nou, geef maar gauw hier,” hernam de hongerige Teun. „’k Heb trek en Kees heeft zijn maal al binnen.”
Behagelijk streek hij neer, net tegenover de plek, waar Jan in spanning naar de dingen, die komen zouden, verscholen zat.
Stoffel kwakte naast zijn vader neer en tjoepte in de gauwigheid een kluit naar een kikvorsch, die met zijn vierkanten kop boven het kroos zat te puiloogen.
„Aap van een jongen! Wat ’s dàt nou?!” klonk het plotseling, heftig verontwaardigd uit Teun’s mond. „Kijk eens, wat je me nou te bikken geeft!”
„Hè? Watte! Dat benne keisteenen!” stotterde Stoffel verwonderd, terwijl hij een uilachtigen blik in de etenspan wierp.
„Dat benne keisteenen!” bouwde Teun hem na. „Dat benne keisteenen! Denk je dat ik dat ook niet zie. Hier, da’s óók een keisteen!” en meteen kreeg Stoffel een lik om zijn ooren met Teun’s groote hand, dat hij bijna in de sloot schoof, den kikker van zooeven achterna.
„Waar ben je met mijn eten gebleven?”
„’k Weet het niet vader!” huilde Stoffel met een grooten mond. „’k Weet het heusch niet. Thuis heeft—moeder—er—aardappelen met—snijboo—nen in—gedaan en nou—nou bennen—het groo—te keisteenen—in eens!”
„Denk je dat ik dat ook niet zie? Ja daar zit je nou, akelige vent, te janken als een zot. Zeg op, kuiken, waar zijn mijn aardappels? Wat heb je er mee uitgehaald? Zeg op, zeg ik je!” En een nieuwe handzwaai, die als een oorvijg bedoeld was, kwam vlak op Stoffel’s grooten mond terecht.
Jan verkneuterde zich in de verbouwereerdheid van den luid jankenden Stoffel.
„En—nou—keien—groote keien—en de vork—ligt er—nog bij!” hikte hij.
„Och huil zoo niet, leelijke schreeuwer. De vork ligt er nog bij, ja! Maar wat heb ik aan een vork! Waar zijn mijn kostelijke aardappels!”
„O, vader—ik—kik!”
„Ik kik!” ruziede Teun. „Straks krijg je nòg een ik kik.—Niks, niks heb ik nou te eten en dan moet je den heelen voormiddag gewerkt hebben als een buffel en daar komt me zoo’n ezelsveulen met keien in plaats van met aardappels.”
Teun had er in zijn toorn geen erg in, dat hij met dat „ezelsveulen” zich zelf beleedigde.
„Nog eens vraag ik je: wat heb je met mijn eten uitgevoerd?”
Jan genoot.
„’k Heb de pan maar heel eventjes neergezet,” weeklaagde Stoffel.
„Neergezet? Waar?”
„Aan den kant van den weg, vader!”
„Maar suffert, wie zet er nou een pan vol met eten aan den kant van den weg. Waarom kwam je niet rechtuit rechtaan door? Wat moest dat?”
„’k Ben eventjes in…” twijfelde Stoffel.
„Nou, zeg op!”
„Eventjes in Bos z’n boomgaard…!”
„Zoo, jij moest eventjes in Bos z’n boomgaard zijn… en dan moet je vader zeker maar eventjes wachten… en dan krijgt die eventjes keien in plaats van aardappels met snijboonen… en daar heb jij eventjes wat anders.” En onder zijn driftig uitgesproken woordenvloed was Teun rechtovereind gesprongen, had Stoffel bij zijn kraag gepakt en die ging me ook eventjes over de knie. Hij schreeuwde moord en brand.
„Er—is—zeker een—hond—vader!” hikte hij.
„Och een hond! Wat een hond? Denk je dat die keien in mijn pan doet, als hij het eten er uit… En hoe zou een hond den doek los krijgen? Ja, jank maar, leelijkerd, jank maar. Daar krijg ik mijn aardappels niet mee terug!”
Kees Kodde had zonder een woord te spreken dit alles aangehoord. Ook hij begreep er niets van.
Je doet je etenspan open, je wilt gaan pikken en ziedaar: Keisteenen! Hoe is het ter wereld mogelijk.
„Wat nou? Wat nou?” jammerde de ontdane Stoffel wanhopig.
„Ja, wat nou!” mopperde Teun achterna.
„’t Is toch wat zie je! Daar zit ik me nou toch zonder eten!”
Jan vond het genoeg. Hij stak zijn hoofd door de takken en riep:
„Hier Teun, hier heb je je prikje. ’k Heb ’t maar in mijn pannetje gedaan, want Stoffel had geen tijd om er op te passen!”
Verwonderd keek het drietal in de wei op.
„Wat, heb jij mijn eten?”
„Ja, hier is het! Maar in mijn pan.”
„Waarom heb je dat gedaan, Jan?” vroeg Kees Kodde.
„Wel vader, gister heeft hij mijn pet in de sloot gegooid en die is gezonken en laatst heeft hij stilletjes mijn konijnenhok opengezet en nou heeft hij óók wat!”
„En hoe krijg ik nou mijn eten?” vroeg Teun. „Schandaal van een jongen om iemand zijn eten te stelen!”
„Poeh, poeh. Niet zulke dikke woorden Teun, dan krijg je dikke beenen. ’k Heb je eten niet gestolen, maar goed voor je bewaard. Je mocht me wel dankbaar zijn.”
„Dankbaar? Als ik je in mijn vingers krijg, dan…”
„Wat dan?”
„Dan zul je er van lusten!”
„Dan krijg je je eten niet ook. Eerst de vredesvoorwaarden aannemen, net als bij de Moffen. Je belooft me, dat je me niks doen zult en anders…”
„Wat anders?”
„Dan krijg je ’t niet.”
Wat zou Teun doen? Zijn razende honger schreeuwde harder dan zijn wraaklust. Er zat niets anders op, dan de vredesvoorwaarden netjes te aanvaarden en knorrig zei hij:
„Nou geef op dan.”
„Dus je belooft het?”
„Ja.”
„Op je eerewoord!”
„Voor mijn part: Ja. Maar hoe krijg ik het over de sloot?”
„Da’s niks. Let op. Schuif op je pan.” En een lange stok werd over de sloot gestoken.
„Hang je leege kei-pan d’r maar an. ’t Waren schoone keien, dus je hoeft er niet vies van te zijn.”
De leege pan bungelde aan den stok. Jan palmde haar in, deed den inhoud van zijn pan weer van plaats verwisselen en transporteerde toen het diner van Teun heel handig naar den overkant.
„Eet smakelijk Teun. ’t Is er niet warmer op geworden, maar da’s minder, dan brand je je tong niet. Vraag aan Kee, of ze er in ’t vervolg wat meer snijboonen in doet, want daar zul je je niet aan verslikken vrees ik. ’t Zaakje zal je zoo zwaar niet in je maag leggen als de keisteenen, waar je lieve zoon je op wou trakteeren. Die dacht zeker, dat je de wolf was van de zeven geitjes. Dag vader. Saluut hoor!”
Kees zei niet veel. Wat een deugniet!
Stoffel stond met zijn mond vol tanden en Teun zat met zijn mond vol eten. Zoo zwegen ze alle drie.
Jan had de weddenschap met zijn moeder verloren. Hij kreeg geen suikerbrok, maar wel een geducht standje van de goeie Trui, omdat hij zoo lang was weggebleven.
Ze had al gegeten en wat er voor zoonlief overschoot was koud.
Maar Jantje had een buitengewoon plezierigen tocht gehad. En of!
DERDE HOOFDSTUK.
Jan loopt straf op en speelt voor toovenaar of zoo iets.
Inhoudsopgave
„Jan Kodde, let op! Als ik je weer zoo zie zitten draaien ben je er gloeiend bij en dan ga je de gang in!”
’t Klonk streng uit meesters mond en Jan wist, dat er met den bovenmeester niet te spotten viel. Die zag nou letterlijk alles. Als je meende, dat je je wel eens eventjes met wat anders bezig kon houden, dan had hij ’t zóó in de gaten. ’t Was, of hij oogen in zijn rug had. Als hij met zijn gezicht naar ’t bord stond en je draaide maar even om, dan zou je zeggen, dat meester ’t aan zijn lijf voelde, dat er wat bijzonders gebeurde. En ’t was nou zoo’n vervelend, taai stuk les.
„Als de stam eindigt op één van de letters van ’t Kofschip, dan krijgt het deelwoord een t en anders…”
Een kofschip! Jan wou, dat hij er op zat. Wat zou ’t voor soort van een schip zijn? Hij zou ’t wel aan den meester willen vragen, maar… ’t kwam er nou eigenlijk zoo weinig bij te pas. ’t Zou toch in elk geval een soort van schuit wezen. Lekker nou op zee! Je zeiltjes bol! Netjes voor den wind! Fijn! Als hij dan voorbij voer, zou hij met zijn zakdoek zwaaien als er jongens aan ’t strand waren. Moeder zou ’t puntje van den mast precies boven de duinen zien uit pieken. Als ’t dan zulk weer was als nu! Nou! wind en regen! De ramen rammelden en groote druppels spatten er kletterend en schuimend tegen.
Je hoorde soms het water gutsen uit de regenpijp aan den achterkant van den school en…
„Er is een ongeluk gebeurd. Dan moet gebeurd, Jan, met?”
„Gebeurd, gebeurd!”
„Ja, gebeurd. Hoe moet dat nou?”
„Met een d meester,” raadde Jan op goed geluk af in de gauwigheid en in de stellige overtuiging, dat er met hem werkelijk een ongeluk ging gebeuren.
Maar neen!
„Goed,” klonk het uit meesters mond, „maar Jantje, Jantje, ik geloof, dat het meer geluk is dan wijsheid. Denk er om, mannetje, dat je er met je gedachten bij bent.”
Jan had zich nooit van zijn leven vaster voorgenomen om er met alles wat gedachten waren, bij te zijn en vijf minuten ging alles goed.
„De erwt wordt geweekt… geweekt met een t,” draaide er een dreunerig af.
Jongen ja, hij had nog erwten in zijn zak. Wacht eens, ja, onder dat bosje touw zaten er een paar.
Kijk me dat witte stoppel-hoofd van Dorus eens sufferig heen en weer wiegen. Een mooie schijf om er zoo’n erwt tegen te pikken. ’t Kon onmogelijk missen. Hij zat juist vóór hem. Wat een witkop. ’t Zou me een stel zijn als daar eens een zwarte vlek op zat.
Wacht. Zoo’n erwt in den inktpot! Voorzichtig trok Jan zijn hand uit zijn broekzak en hield den meester goed in de gaten. Die erwt, op een pen gepriemd, ging tersluiks in den inktpot.
Nu even gemikt en… rrt, daar vloog het kleine, natte, zwarte projectiel vlak tegen den vlasbol van…
Hemeltje lief, neen! Jan schrok zich zoo half en half een ongeluk. ’t Ding schoot rakelings langs meester z’n gezicht en patste met een harden tik tegen het grijze bord, waarop een ster van inkt verscheen met druipende stralen.
Meester schrok, de heele klasse schrok en Jan alleen schrok zeker honderd percent meer dan al de anderen samen.
Ze keken op eens allemaal naar den kant vanwaar ze den oorsprong van die onverwachte, zwarte komeet vermoedden: naar Jantje baas, die op dat oogenblik liever overal anders had willen zijn, dan hier in de school.
Meester was gloeiend boos. Zijn oogen, die toch al zoo priemend op je konden prikken, schoten vonken en driftig klonk het:
„Doe jij dat Jan?”
Bij al zijn ondeugende streken had de kleine bommenwerper een ingekankerden hekel aan al wat liegen heette en, met zijn zwarte kijkers uiterst deemoedig op zijn inktkoker gericht, klonk het:
„Ja, meester!”
„Vooruit! De gang in. Om half twaalf spreken we mekaar nader.”
Zonder een woord te zeggen droop Jan af.
Dat dit nou zoo ongelukkig moest afloopen. En hij had toch zoo sekuur gemikt op Dorus z’n witte stoppelveld.
Daar stond hij nu in die lange gang. ’t Leek wel een uitdragerswinkel met al die suffe hoeden en petten en natte jassen en mantels. Daar had je anders zoo geen erg in als de school uit- of aan ging.
Hij begon in zijn eenzaamheid den boel eens wat nauwkeuriger op te nemen.
Dàt was de regenjas van Gommert. Net een zwarte doopjurk. En daar de cape van Piet, die hem nog niet tot aan zijn knieën reikte. Precies een paddestoel met een knobbel er op, als hij hem aan had. Daar hing de strooien hoed van Mieke Japikse, die nuf. Het natte lint plakte er op als een stroopsliert op de kan. En de pet van ’t Stekelvarken was precies een blinkende aangebrande broodkorst; heelemaal gescheurd. De voering hing er uit van achter, en daar, wel daar had je warempel het laddertje van den gangzolder. En dat was me nog al liefst neergelaten. ’t Luik stond open. Jan wist het wel: daarboven werd kachelhout en allerlei schoolrommel bewaard. Zou…? Wel ja! Waarom niet? ’t Was nog lang geen half twaalf. Bijlange na niet. Daar straks pas half elf geslagen. Nog een uur den tijd dus.
„’k Moet toch een even neuzen, wat daar zooal te zien is,” prevelde de boeteling. Voorzichtig klom hij ’t laddertje op. ’t Was niet lekker, die sporten aan je kous-voeten. Hij kroop door ’t luik en stond toen op den langen, lagen zolder die door een enkele glazen dakpan maar half verlicht was, zoodat er een schemerig duister heerschte.
Daar lag de berg kachelhout, om van den winter de kachels mee aan te maken, al gereed. Op zijn kousen kroop hij er over heen en zag toen een heele rij leege kisten. Hij snuffelde er achter en vond een trompet. ’t Was zoo’n ouwentje van het muziekgezelschap, dat eens in de week in de school oefening hield. Vol deuken, maar ’t mondstuk zat er nog aan.
Zou er nog muziek uit komen? Jan zette het ding aan den mond en blies er in, maar hoorde niets dan zijn eigen zagend blaas-geluid.
Nog eens geprobeerd; nu de lippen niet òm, maar ìn het mondstuk. Dat deden de muzikanten ook. Goed wat lucht ingehaald en nou… „Alle genadigheid, wat een piepende, gillende, jankende knor-schreeuw!” Van schrik liet hij ’t instrument uit zijn handen vallen.
„Net een schor varken, dat je aan zijn staart trekt,” mompelde de jonge ontdekkingsreiziger.
„Daar hou ik mee op. Als ze ’t daar binnen hooren, ben ik nog erger zuur.
„’t Ruikt hier buitengewoon lekker naar gebraden vleesch. De vrouw van den bovenmeester bakt zeker een varkenslapje voor d’r man. Die boft! ’k Wou best mijn portie van vanmiddag met hem ruilen. De lucht komt door dat raampje daarginds. Dat komt zeker in de keuken uit. Even loeren.”
Op ’t eind van den zolder was een klein raampje, dat opensloeg. Jan kroop er op zijn knieën voor en:
„Jawel hoor! Da’s de keuken. Wat een fijne geur! Hoor de pan eens sissen! Wat zou de meester vanmiddag krijgen? Vleesch, dat weet ik al. Wacht eens. Op de tafel staat een mandje met kropsla. Daar komt mevrouw er naar toe en zet er… Wa’s dat nou voor een raar ding? ’t Lijkt wel een soort van emmerachtig ding vol met gaatjes. Wat zou dat voor een instrument zijn?”
Het instrument, dat Jan’s verbazing wekte, was niets anders dan een blikken sla-emmer. Hij keek eens rond en:
„Hier ligt een ouwe hengel. Al ’t spul zit er nog aan, behalve ’t dobbertje. Meester vischt zeker niet dikwijls meer. Zijn haak is veel te groot. Wat ’n haak! ’t Is haast een anker. Daar gaat mevrouw de keuken uit. Wacht, ik moet haar eens foppen.”
Jan stak den hengel door het raampje, liet den haak om het hengsel van den sla-emmer zweven en: „Pik, ik heb ’m. Nou haal ik hem stiekum naar boven en dan is ze zoo meteen dat gaatjes ding kwijt.”
De sla-emmer kwam door ’t raampje op ’t zoldertje terecht, op ’t zelfde oogenblik dat meesters vrouw de keukendeur weer binnen trad.
Ze trok de la van de tafel uit, nam een mesje, pakte een krop sla en begon die schoon te maken. Maar nauwelijks was ze er mee bezig, of Jan hoorde haar prevelen:
„Wa’s dàt nou! Waar is nou opeens mijn sla-emmer? ’k Heb hem toch daar net hier op tafel gezet, dacht ik.” En zoekend scharrelde ze de keuken rond, maar vond niets.
„Zou Ka hem misschien ook weggezet hebben!”
Jan had al pret.
„Ka! Kaatje!!” galmde mevrouw. „Kom eens even hier!”
Ka, met opgestroopte mouwen, verscheen ten tooneele.
„Heb jij den sla-emmer weggezet, Ka?”
„Gunst nog toe, nee mevrouw. ’k Heb ’t heele ding niet in m’n handen gehad.”
„Daar snap ik nou geen steek van. ’k Dacht toch zoo vast, dat ik hem daar straks hier op de tafel had neergezet. Waar zou dat ding nou toch wezen!”
Mevrouw en Ka verlieten zoekend de keuken om door de buitendeur te verdwijnen.
„Nou vlug,” gichelde Jan en in minder dan geen tijd stond de verloren sla-emmer weer op zijn oude plaats.
„Noem me dàt een emmer,” zei Jan bij zich zelf. „Wat een model! Daar moet je water in zien te dragen. Je kunt het even goed in een mandje doen!”
Mopperend kwamen de twee zoeksters terug in de keuken.
„Wel heerementijd! Kijk nou toch eens Ka,” klonk het verbaasd blij, „daar staat hij me nou op de tafel en zoo even stond hij er niet.”
„Nee, zoo even stond hij er niet,” praatte Ka verbluft na. „Zoo even stond hij er vast niet. Hoe is dàt nou op m’n lieve-menschelijke-wereld-nog-an-toe mogelijk. Dat lijkt wel tooverderij spul.”
„Enfin, we hebben hem,” antwoordde haar meesteres opgewekt. „Help me nou eris eerst gauw buiten die sprei uitslaan en ga dan maar weer naar boven.”
Jan’s gezicht glom.
„Nog eens geprobeerd,” fluisterde hij binnensmonds en weer bengelde de sla-emmer in de lucht en weer ook palmde Jan hem door het raampje op den zolder.
„Hoor ze eens te keer gaan met d’r sprei!”
„Maar hoe heb ik het nou!” klonk het vijf minuten later in de keuken. „Nou is hij warempel wéér weg Kaatje!”
„Aller grootste genade mevrouw, maar da’s spookspul,” opperde Ka in stomme verbazing. „Zou er iemand in de keuken zijn geweest? Je hoort tegenwoordig van allerlei rare en vreemde dingen van Sikeuniers of hoe heet dat diefachtige woonwagenvolk ook weer met d’r vuile snoeten en d’r kinders op bloote voeten en zwart lang haar. Als d’r maar niet zoo’n portret in den kelder zit. Brr. Ik ril d’r van als ik er an denk. Zou ik den meester niet even roepen? Als ie d’r uitkwam!
„Hemeltje lief! Ik bestierf het van den schrik!”
De emmerhengelaar op zolder had moeite om ’t niet uit te gieren. Met zijn hand voor zijn mond zat hij zich bloedrood op te blazen.
Mevrouw en Ka staarden elkaar verwezen aan.
„Ja zeker, mevrouw. ’t Zou zoo’n wonder niet zijn als er zoo’n bruine kromvinger hier binnen was geweest. Hoe zou anders die sla-emmer… ’t Is me toch wat te zeggen!”
„Och malle meid, klets nou niet. Breng jij die sprei maar boven, dan zoek ik… Maar wacht, ik ga even met je mee, dan kunnen we samen de waschtafel even verzetten.”
„’t Is toch een kasumeel stuk,” bromde Ka nog onder ’t heen gaan.
Nauwelijks hoorde Jan een paar pantoffels en een paar muilen op de trap klappen of de sla-emmer stond alweer op de keukentafel.
Daar kwam mevrouw weer terug, zag haar dierbaren emmer, sloeg van pure verbazing de handen ineen en riep:
„Ka, Ka! Nou staat ie weer op de tafel. Daar begrijp ik geen sikkepit van!”
Rommelde bommelde bonk- bom… neen, ’t waren de muilen van Ka maar, die van de trap af huppelden. Ka zelf stoof achterna, spoot de keuken in en riep:
„Goeie, lieve, beste hemeltje mevrouw; ja, daar staat ie. Maar als u nou nog volhoudt dat hier geen tooverderij in ’t spul is, mag ik een vleermuis worden. ’k Ben er heelemaal door van mijn… van mijn gedoente. ’t Word er glad miserabelachtig van.”
„Ja, ik snap er oòk geen zier van. Dat moeten we strakjes toch eens aan meester vertellen. Enfin, ’k heb ’m en nou houd ik hem ook.”
Jan sloop van voor zijn raam, maar: verpikt, wat was dat schrikken. Daar sloeg het zolderluik dicht en hoorde hij ’t laddertje wegnemen.
Buiten op ’t schoolplein klonken dooreen de joelende stemmen. De school was dus uit en daar zat hij nu. Hoe kwam hij er af!
Wacht! Daar aan ’t andere eind was een klein vensterluikje. Als je dat open deed kwam je op het platje van ’t schoolportaal.
Geen tien tellen later stond Jan de toovenaar op ’t platje. De regen had opgehouden. Hij ging op zijn buik liggen en keek over den rand. De achterdeur stond open. Dat was een treffertje!
Daar je voeten boven op en dan… ’t Gebeurde al. Met zijn handen klemde hij zich aan den òp staanden dakrand vast, slingerde even met zijn beenen en zijn voeten hadden den bovenrand der deur te pakken. Nog een oogenblik en Jan schoof voorzichtig omlaag, greep den bovenrand der deur met allebei zijn handen en… rrrt, hij stond op den grond. En nu naar binnen om zijn pet en zijn klompen. Meester was er al van door. In vredesnaam dan. Gaan vragen: „meester mag ik asjeblieft nog een beetje schoolblijven, want ik zat op ’t gangzoldertje,” dàt was toch een beetje àl te kras. Gauw zijn klompen aan en dan naar huis. De rest kwam van zelf.
Nou, òf de rest van zelf kwam! Meesters geheugen was niet van bordpapier.
’s Namiddags moest Jantje eerlijk opbiechten, waar hij gebleven was. Hij vertelde het heele geval behalve de geschiedenis van den betooverden sla-emmer en mocht netjes tot vijf uur zitten brommen.
VIERDE HOOFDSTUK.
Een rook-proef met jammerlijke gevolgen.
Inhoudsopgave
„Heb je nou een pijp?”
„Nou, jò, een reuze pijp. Kijk ’s wat een lekkere en wat een groote kop! Daar kan temet wel het heele stelletje tabak in.”
„Waar heb je ze gekocht?”
„Die pijp? Bij Krelis Wiebels voor drie cent. Hoe vin je ’m?”
„Geef ’s hier.”
Jan bekeek de steenen pijp, die Louw van Tienen voorzichtig uit zijn blouse had opgedolven met een kennersblik, stak haar in den mond, blies er eens door en zei:
„’k Geloof, dat ie lek is.”
„Lek? Lek? Dan ben jij ook wel lek; of gek. Hier, zoo moet je doen. Kijk je hand op den kop en dàn blazen. Hoor je nou wat of hoor je niks? Ja of neen? Neen hè? O zoo, Koos en als je geen geblaas hoort, dan is ze niet lek ook. Ja zeker, ik zal me daar een pijp in mijn handen laten stoppen, die lek is. ’k Heb er eerst behoorlijk een paar geprobeerd.”
„Heb je er in geblazen?”
„Wat anders? Natuurlijk heb ik er in geblazen.”
„Ook smakelijk voor degene, die later zoo’n beblazen pijp koopt.”
„’t Zou ook wat,” zei Louw. „Wat niet weet, wat niet deert.”
„En waar is nou je tabak?” vroeg Jan.
„Hier, kijk eris wat spul.” En Louw toonde met zichtbaar welgevallen een zakje, nog voor de helft vol.
„Maar mannetje,” viel Jan uit, „da’s B.Z.K. Kijk maar, ’t staat er op.”
„Wel nou, wat zou dat?”
„Da’s pruimtabak.”
„Wat ben jij toch nog een groen kuiken,” gromde Louw, beleedigd, dat zijn schat blijkbaar gevaar liep om in waardeering te dalen. „Wat heb jij nou voor verstand van tabak.”
„Nou, kijk zelf,” hernam Jan. „Zie ’s. Ze is heelemaal zwart.”
„Maakt niks uit,” hield Louw stijf vol. „Tabak is tabak. Jij zou misschien willen, dat ik me daar maar in eens de fijnste Portorico zou vinden, die er op de wereld bestaat. Maar dat gaat zoò niet. Deze tabak heb ik eerlijk gevonden. Het zakje lag in een plas, maar da’s geen bezwaar. ’t Heb de zaak wàt fijn gedroogd, stilletjes achter de keukenkachel en als je ’t rookt maakt het niks uit. Voel ’s even meneertje: droog als hooi.”
Jan stak zijn vingers in ’t zakje en beaamde: „als hooi. Als ze nou maar goed rookt ook,” liet hij er met eenigen twijfel in zijn stem op volgen. Want die letters B.Z.K. bevielen hem maar half.
„Goed rookt?” opperde Louw. En met gezag volgde er op: „Dat ligt heelemaal aan je eigen. Niet te vast stoppen; losjes an en behoorlijk trekken. En vooral niet te vergeten: gelijk aansteken.”
„Heb jij wel eens gerookt, Louw?”
„O, zat.”
„Pijpen?”
„Ben je nou raar. Nee, zoo af en toe een sigaretje.”
„Nog nooit een sigaar?”
„Nooit. Maar da’s net eender. Rooken is rooken en als je goed sigaretten kunt rooken, zonder dat je.… nou enfin, je snapt me wel, dan kun je best een pijp aan ook. ’t Zal nog al leuk gaan zeg, strakjes in de duinen. ’k Wou, dat we er maar waren.”
„En de lucifers?”
„Hier in mijn broekzak. Een half doosje vol. Sakerhets tandstikkor. Kijk maar.”
„Da’s Moffrikaansch.”
„Kan best Moffrikaansch of Bokke Spaansch, als de lucifers maar goed zijn en kijk ’s even.”
Rrrt, ging een lucifer langs ’t doosje en… woei in een ommezientje uit.
„Uit is ie,” zei Jan.
„Dank je je grootje. Maar je ziet toch, dat ie flink aanging en da’s dan toch zeker het voornaamste.”
Genietend van ’t blije vooruitzicht straks in de duinen een pijp te smoken, stapten de twee liefhebbers op dien warmen Woensdagnamiddag door den mullen zandweg voort.
Daar in ’t duin, waar ’t stil was en eenzaam, zouden ze hun proefstuk volvoeren, want voor een dergelijke kunstvertooning zijn natuurlijk stilte en eenzaamheid onmisbare factoren.—
Het zonnetje straalde aan den onbewolkten hemel. Zoo’n echte fijne zomerlucht; strak en onbewolkt. Warm om te puffen.
Eindelijk was het terrein van de geheime rook-proef bereikt: een hooge duintop.
Zachtjes wuifden de lange helmslierten heen en weer en schreven met hun punten halve cirkels in het warme zand, waar kleine kevertjes onbeholpen op den rug lagen te spartelen, of met hun wriebel-pootjes snel voortschoten.
Daar aan den anderen kant spiegelde het stralende zonnetje zich in de gladde zee, ongerimpeld nu en rustig, lui en dommelig ook door den zonnegloed.
Een enkele visschersschuit spreidde wijd de blanke of bruine vlerken uit en wendde wanhopige pogingen aan om vooruit te komen. Zelfs de meeuwen dreven traag en lusteloos boven den glinsterenden plas, te afgemat zeker ook om te schreeuwen. ’t Waren slechts flauwe krasgeluidjes, die ze lieten hooren.
Tegen de duinhelling op het heetgeblakerde zand lieten de twee snaken zich loom neervallen. Jan schopte zijn klompen uit en begeerig klonken zijn woorden:
„Vooruit nou, Louw. Haal nou de spullen voor den dag en stop op.”
Louw liet zich niet nooden en erg onhandig werd de pijp geladen. Telkens een plukje tabak uit het zakje genomen en met duim en vinger in den pijpekop gewerkt.
„Jij bent me ook een stopper van dertien in een dozijn,” viel Jan uit. „Je doet het heelemaal niet goed. Geef eens hier, dan zal ik het eens doen.” En zijn hand greep al.
Maar Louw maakte een afwerend gebaar en zei:
„Afblijven, oome. ’k Geef mijn werk niet uit mijn vingers. Als ze maar gestopt wordt. Hoe, dat komt er niks op an.”
„Stop nou niet te vast.”
Even probeeren! Louw zoog en zoog, dat zijn wangen er van invielen.
„Daar! Daar heb je ’t nou al,” zei Jan verontwaardigd. „Veel te vast. Zoo zuig je je lens. Je kunt er niks van. Geef nou hier, dan zal ik het eens doen. Eerst de tabak er uit peuteren in mijn pet. Anders gaat er te veel verloren en dat zou zonde wezen.”
Onwillig reikte Louw de mislukte pijp over. Jan krabde ze leeg met een hoefspijker en toonde toen zijn kunsten. ’t Lukte vrij wel.
„Geef nou de lucifers eens,” commandeerde hij.
„Op je gezicht,” kwam Louw heftig uit. „’t Is mijn tabak, mijn pijp en ’t zijn mijn lucifers. Ik ben ’t eerst aan de beurt en dan jij. Geef hier dus.”
„Mijn een zorg,” was ’t antwoord, „maar rook nou niet alles op.”
„Neen, om beurten een poosje. Vooruit, pijp maar aan!”
De eerste lucifer brak bij ’t aanstrijken door midden.
„Hou ’m niet zoo lang vast! Korter!”
De tweede ontbrandde, maar vloog onder een kreet van Louw in den helm.
„Wat haal je nou uit?”
„Ik verbrand mijn duim.”
„Hè, wat een rooker ben jij toch. Schiet nou wat op, vent. ’t Duurt zoo ijselijk lang.”
En jawel, daar blauwde een wolkje van Dobbelman’s B.Z.K. in de trillende zomerlucht.
„Ruik ’s,” glunderde Louw voldaan. „Hoe vin je ’m?”
„Fijn. Laat ik nou ook eris.”
„Om beurten dan tien trekken.”
Vol moed zoog Jan zijn portie uit de pijp en Louw keek hem vergenoegd aan.
„Nou jij weer.” Met onbegrijpelijke eerlijkheid reikte Jan het lekkers aan zijn kameraad over.
En Louw begon aan zijn tweede aandeel, maar halverwege zei hij gul:
„Wil jij nou weer ’s?”
Zijn eerst zoo gloeiende begeerte begon merkbare teekenen van verslapping te vertoonen.
„’k Heb het wel gedacht,” viel Jan moedig uit; „jij wordt misselijk. Nou, jij bent ook een kerel.
„Geef hier. Ik rook wel vier pijpen achter mekaar als ’t moet.” En weer vulkaande Jan er met mannenmoed op los.
„De pijp is bitter, of de tabak is geen lor waard,” opperde hij na een paar trekken.
„Proef jij ook eens.”
Louw’s bereidwilligheid om op dat welgemeende aanbod in te gaan was maar zoo, zoo. Hij deed één of twee allerakeligst flauwe trekjes en zei:
„’t Valt me niks mee. ’k Word miserabel.”
„O jé! Je wordt bleek om je neus. Geef hier, ’k moet ook nog eens probeeren.”
Maar na een paar niet wèlgemeende probeersels legde Jan de brandende liefhebberij terzij in ’t duin en sprak met een flauwe stem:
„Brrr. ’t Zweet prikkelt onder mijn haar. Bij jou ook?”
„O, zwijg toch. ’k Ben meer dan ellendig.”
„Weet je wat we doen?” stelde Jan voor. „Laten we onze hoofden eens lekker onderdompelen in de zee daar bij ’t paalhoofd.”
Slingerbeenend scharrelden de twee slachtoffers het duin af en naar het paalhoofd.
„Kijk zoo: op je knieën, steunen op je handen en dan kopje onder. Dat verfrischt.”
Louw knielde; plantte zijn handen op de glibberige wier-massa, bukte voorover en…
Tjoep! Daar schoot hij voorover in het water. Jan schrok hevig door den plons, krabbelde zoo gauw hij kon overeind, greep zijn lotgenoot bij het breedste gedeelte van zijn broek en trok hem uit alle macht terug.
Proestend verscheen Louw nu weer in zijn geheel op de steenen, kroop wat hooger op en toen! Nou! Louwtje had een pijp gerookt en zeewater ingeslikt ook. Dat liet hij duidelijk merken.
Door den schrik was Jan al een klein beetje bijgekomen van zijn rook ellende. Hij keek eens even op en riep eensklaps verschrikt:
„Goeie hemel Louw, kijk eens! De helm brandt.
„Gauw, gauw! Blusschen! Dat hebben wij gedaan met dat akelige rooken. Allo, Louw, als ’t uitkomt dat wij het deden, zijn we er gloeiend bij!”
„’k Ben nog zoo misselijk!”
„Dat gaat wel over! Vooruit! Blusschen!”
En vlug snelde Jan, onwillig gevolgd door Louw, het duin weer op.
Daar kronkelde de rook van de knetterend brandende droge helmbossen spichtig op. Hoe de brand ontstaan was, is licht te begrijpen.
Weg was op eens alle onpleizierig gevoel; op de vlucht gejaagd door den grooten angst. Immers, de twee jongens wisten, hoe gevaarlijk het was, den helm in brand te steken. Ze wisten óók, hoe groote afmetingen zoo’n helmbrand in korten tijd kan aannemen.
Trappen met de voeten, dat het zweet hun langs de gezichten droop, nu van inspanning en angst! Langzaam wonnen ze op het kruipend smeulende vuur.
„Kijk, daar brandt het nog en daar…
„Gauw! Mee! Gauw! Daar komt van Stappen!”
Nu zou men misschien denken, dat dit de scheldnaam was van den man, die kwam aansnellen. Dit was echter geenszins het geval. Werkelijk: de veldwachter van Elswijk droeg dien naam, en, met het volste recht. Zijn lange ooievaarsbeenen stelden hem in staat, met reuzenschreden vooruit te komen en de jongens wisten bij ervaring, wat het zeggen wilde, als de veldwachter het in zijn hoofd had gezet, hen te achterhalen. Dan zwaaiden die lange beenen in ongehoorde snelheid voor- en achterwaarts en je moest al bizonder gewiekst zijn om bij zoo’n allesbehalve feestelijke gelegenheid uit zijn groote handen te blijven.
Nauwelijks dan ook hadden de twee rookers van zoo even den gevreesden vijand in de verte gezien, of in minder dan geen tijd stormden ze tusschen bramen en struikdorens door het duin af en verdwenen in het boschje, dat zich langs den binnenduinvoet uitstrekte. Jan keek niet om naar Louw en deze had oogen noch ooren voor vriend Jan. Beiden hadden maar één doel: vluchten.
Door een eenzaam binnenpaadje, dwars door ’t veld, kwam Janbaas aan de achterdeur van het huis. Voorzichtig sloop hij naar binnen.
Moeder was gelukkig niet thuis en aamechtig en zweetend viel de vluchteling op een bankje in het achterhuis neer.
Als van Stappen hen maar niet herkend had, dan was ’t nog niets. Maar anders! Nou, dan zat er wat op! Want iedere jongen op ’t dorp wist, hoe strafbaar het was, helmbrand te stichten. Meester had het meermalen verteld, hoe juist door dien helm het land- en zeewaarts verstuiven der duinen werd tegen gegaan. Hoe men alle moeite deed, om die duinen breed en sterk te maken. Niet alleen door het plaatsen van riet- en rijshoutschermen, maar ook door den aanplant van helm. Ja, ja, dat alles wist Jantje ook bovenst best en nu: groote genade, als ze eens verbaliseerd werden wegens het stichten van brand! Dan zat er allicht gevangenisstraf op!
En in al zijn akeligheid kwam die benauwende gedachte hem kwellen. ’t Zweet brak hem op nieuw uit, zoo mogelijk nog meer dan strakjes. En die pijpenrookerij zat hem ook nog zoo leelijk dwars in zijn maag. Brrr!
Hij werd weer zoo draaierig en voelde zich zoo bleek. Was moeder maar thuis!
Maar neen! ’t Was toch beter zoo. Nou hoefde hij niets te vertellen!—Lag hij maar in zijn bed op zolder! Wacht, dat kon gebeuren!
Vlug stopte hij zijn klompen achter ’t konijnenhok, tippelde op zijn teenen terug door het zand van ’t tuinpaadje en nu: als de wind naar boven! Kleeren uit, ’t heele zaakje op de bedsteeplank, de deuren pot dicht en daar lag de bleeke, zweetende, benauwde B.Z.K. held.
Als hij maar niet moest braken! Sliep hij maar! Maar stil! Wat was dat? Hoorde hij geen voetstappen? Als de veldwachter… maar neen gelukkig! ’t Was verbeelding.
Wie zou ’t eigenlijk gedaan hebben, dien brand: Louw of hij? Maar dat kwam er ook niets op aan. Misschien draaiden ze allebei de doos er wel voor in. ’t Was toch verschrikkelijk! Hadden ze maar niet gerookt. Van alles spookte door zijn hoofd, tot hij eindelijk, suf van ’t denken in slaap sukkelde en droomde—droomde!
Pulsuz fraqment bitdi.