Kitabı oxu: «Gedichten»
Frans Bastiaanse
Gedichten

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066066901
Inhoudsopgave
Voorwoord.
I. Verzen uit het Boek "Jeugd".
II. Verzen uit het Boek"Natuur en Leven".
III. Verzen uit het Boek "Dood".
IV. Verzen uit het Boek "Van Later Dagen".
Voorwoord.
Inhoudsopgave
In dezen bundel heb ik verzen vereenigd, die—niet wat het schrijven maar—wat het beleven betreft, behooren tot vier achtereenvolgende perioden.
Van het boek "Jeugd" vindt men hier het eerste deel, voor zoo ver dat geschreven was en voor publicatie geschikt werd gerekend, nagenoeg compleet.
De gedichten uit het boek "Natuur en Leven" zijn bestemd te worden opgenomen in een eventueelen herdruk van dat bundeltje; die uit "Dood" zijn ontleend aan een klein geheel, dat wellicht later zal worden gepubliceerd, terwijl de hier gegeven en andere verzen uit "Van Later Dagen" bestemd zijn om den ganschen cyclus af te sluiten.
FRANS BASTIAANSE.
Hilversum, Maart 1909.
I. Verzen uit het Boek "Jeugd".
Inhoudsopgave
Aan Ida De V.
If by misadventure, chance should bring
Thee to base company (as chance may do),
Quite unaware of what thou dost contain,
I prithee, comfort thy sweet self again,
My last delight! tell them that they are dull
And bid them own that thou art beautiful.
Percy Bysshe Shelley.
Opdracht.
Gij, die als een stille nachtvlam
Voor mijn venster hebt gebrand,
Toen de diepe diepe nacht kwam
Over 't donker levensland;
Gij die als een hand waart, wenkend
Toen mijn voet naar de afgrond gleed,
Wie ik was altijd gedenkend
Met een glimlach door mijn leed;
Wie ik, eens zoo trotsch, beloofd heb
Dat mij 't Leven heffen zou
Schoon 't van alles mij beroofd hebb'—
Voor U, wondervolle vrouw,
Zijn mijn verzen, neergeschreven
Bitter soms, maar schoon en waar,
En gij vindt er weergegeven
Wat er menig menig jaar
Bleef aan wanhoop en verlangen
In mijn ziel—zoo néém ze nu
Als een verren groet, mijn zangen,
Zoo ze zijn, ze zijn voor U.
Ochtend.
Tusschen weien groen en welig
Staan geboomten vroeg ontbloeid,
Blanke dropp'len op 't fluweelig
Gras zijn, met den dag, ontgloeid;
Zachter gaan hier menscheschreden
Als in een betooverd Eden,
Waar voor de' allereerste maal
Langs de bladeren komt gegleden
Daagraads klare morgenstraal.
Door der boomen breede kronen
Gaat de wind met zachten gang,
En de vogels die er wonen
Maken een verliefd gezang;
Eén, met luider orglen wil er
Anderen, die, met zwak getriller
Sjirpen naar het bekje staat,
Overstemmen, maar wordt stiller
Als mijn nade'ring zich verraadt.
Zie nú, waar de blanke plassen
Spiegelen der wolken tocht,
Tusschen paarse heigewassen
Wolfsklauw, die naar water zocht,—
Waar het zilverwitte berkje
—Voor de spits van 't verre kerkje—
Staat op 't neevlig blauw geheeld
Zweeft op zijn citroengeel vlerkje
Vlinder, die met vlinder speelt.
O! de groote bloeiende aarde,
O! de hemel blauw en goud,
Wist ik wat zij mij bewaarde,
Wát zij mij verborgen houdt!
Wist ik, dat na lange nachten
Mijn verlangende gedachten
Eénmaal vonden 't heerlijk schoon,
Dat van heel der aarde pracht, en
Hemel dragen zal de króón.
Een Levend Beeld...
Een levend beeld is nu verrezen
En vult mij gansch met klaarder pracht
Dan ooit de droom een wereldsch wezen
't Verlangend hart te binnen bracht.
Ik zie de glorie van twee oogen
Mij voorgaan, waar mijn voet ook treed',
En 't hart, als nooit voorheen bewogen,
Al wat het eens bewoog, vergeet.
En allen—O! ik kon mijn armen
Om heel de wereld henenslaan,
Want in mijn ziel is een erbarmen
Met al wat leeft, in bloei gegaan,
Behoefte om ieder troost te geven,
Die thans nog in zijn duister schreit,
Te zeggen: zie, vertrouw op 't Leven
Ook U is de ure straks bereid.
Ten Aanvang.
De lucht was vol van zilverglansen,
Vol roode tulpen 't groenend gras;
De aloude dom liet vroolijk dansen
Zijn klokken, daar 't de Meimaand was.
En waar ik ieder blad zag groenen,
Ontbloeid der bloemen blij gezicht,
En later achter de plantsoenen
Met elken dag het avondlicht;
De stad met feestlijke geluiden,
De vogels in de' ontloken boom,
Doortoog, als in het wit der bruiden,
Mijn ziel haar schoonste levensdroom.
En drinkend met de zaal'ge zinnen
Des levens reinste en hoogste vreugd,
Trad ik het schoone leven binnen:
Het wereldsch paradijs der jeugd.
Dien Eenen...
"Ik zou dien Eénen willen zien
Aan wien ik denk altijd,
Als ik hem zag vandaag, misschien
Was ik mijn vreugde kwijt;
Maar ook—wie weet—misschien mijn leed,
Want, dít is mij zoo vreemd:
Ik weet niet wat hij geeft, ik weet
Niet wat hij van mij neemt.
Ik weet niet wat hij met mij doet,
Ik weet alleen maar dat
Ik hem nog ééns iets zeggen moet,
Maar niet wanneer of wát.
Want altijd als ik spreken wil
Dan bonst mij in de keel
Mijn hart alsof het breken wil
En zegt: "gij zegt te veel."
En altijd als ik zwijgen wil
Dan zegt mijn hart in mij:
"Spreek nu, want zwijgt ge nú nog stil,
Dan gaat het uur voorbij."
Zoo komt er nooit iets uit mijn mond,
Dat spreekt als ik het meen,
En vind ik wat ik straks niet vond...
Dan ben ik weer alleen."
Liedje....
Ik zou niet graag
Alleen, vandaag,
Door hoven gaan van love'ren schoone,
Als ik niet kon
De lucht, de zon
En waar zij óp schijnt, aan u toonen.
Hoe licht de schijn
Der zonne rein
Langs 's werelds eeuw'ge kleurenweelde!
Maar wat zou mij
Dit hooggetij
Der schoonheid zijn, zoo gij 't niet deelde?
Want uw gelaat
In schoonheid gaat
Der wereld schoon zóó zeer te boven,
Waar dat niet is
Blijft droefenis
Op 't blauw der lucht, op 't groen der hoven.
In het Licht van den Gloriedag.
Zij loopen achter de hagen
In het licht van den glorie-dag;
Zij kunnen het niet verdragen
Maar lachen een luiden lach.
De landen liggen beneden
Hun zalige voeten gespreid,
En boven hun hoofd is het Eden
Der blauw-gouden oneindigheid.
De wolken beginnen te varen,
De boomen in wiegeling
Hebben gezang van blaren,
En alles—Herinnering,
Het Heden nú, en het Verwachten,
Het nooit moede licht van de zon,
Het korengeel, het smaragd en
Het bloemenrood bij de bron,
Het geluid van een vogel, jeugdig,
Vol uitgelaten genot,
En hun eigen stemmen, vreugdig,
Als een levens-danklied tot God—
Het leeft alles te zamen in den
Glans van dien glorie-dag,
In het hart van die twee beminden
In den blijden klank van hun lach.
Aanbidding.
"Uw oogen zijn Koningsoogen
Uw lokken zijn godenblond,
Op uw lippen vol honingtogen
Drink ik mijn nooden gezond.
Uw armen zijn marmeren zuilen
Uw lichaam mijn levend altaar,
Mijn droefenis kan ik ontschuilen
Mijn blijdschap belijd ik u daar.
Gij straalt, marmerblank aan de poorte
Van mijn scheem'rende vrouwenziel,
't Is het uur mijner wedergeboorte
Het uur, waarop ik viel
Omvattend, uw blanke knieën
Kussend uw Koningsvoet,
U zingend de litanieën,
Waarmee, men de Godheid begroet."
Hel en Hemel.
"Ik kan u niet van mij weren
Die mijn Hel en mijn Hemel zijt,
Ik moet uw omarming begeeren,
Tot den dag, dat de Dood mij verbeidt:
O! neem, als een vrucht, die levend
Rijp-rood voor u is gegroeid
Mijn mond, waarin, zich gevend,
Mijn hartstochtleven vervloeit!
En, kwam al God daartusschen
En wees op zíjn Hemel, zíjn Hel,
Ik zou u kussen en blusschen
Mijn gloed aan die Liefde-wel.
Al mocht mijn ziel verderven
En ter eeuwige marteling gaan,
Ik zou u verheerlijkend sterven
En trotsch voor Gods trone staan."
Van Hoogen Torentrans.
"Wanneer men staat op hoogen torentrans te droomen,
Ziend in het diep alom der wereld breeden vrêe,
Het groene weideland, de torens en de boomen,
En 't parelmoerig blauw der schemerende zee,
Dan voelt men over zich dat vreemd verlangen komen,
Om, zelfvernietigend, het hart vol lust en wee,
Zich neer te storten in het diep der diepste stroomen
En nemen al zijn droome' in 't glanzend lichtgraf mee.
Niet anders wordt het mij zoo'k uw gelaat aanstare,
Waar mij het diep van on-doorgrondlijke oogen noodt,
En hoe ik vrees dat mij daar leed komt aangevaren,
Die levendige glans een weelde heeft zóó groot,
Dat ik mij zelf niet voor mijzelve kan bewaren,
Mijn leven aan U geve, al ware ook 't loon de Dood."
Voor Altijd.
"Van mijn bezit zal ik U schenken
Het allerschoonste gouden cieraad,
Opdat gij mijns nog zult gedenken
Wanneer gij verre van mij gaat.
Het medaljon aan mijn hals gehangen
Onder den kraag van kanten fijn
Zal van mijn hopen, van mijn verlangen
Een altijd-durend getuige zijn.
Gij moogt daarin het schoonst bewaren
Van wat gij ooit op aarde vond,
Een vlok van mijne donkre haren
Ten teeken van ons ziels-verbond.
Gij moogt dan over de aarde zwerven
En eenzaam dwalen van oord tot oord,
Mijn lief, mijn Liefde zal niet sterven
Zoolang als dit U toebehoort."
Voor U Alleen.
't Is zoet te schrijven, als het licht
Des zomers op mijn handen daalt
En 't rijm zijn blijden plicht verricht
En wat mijn hart voelt U verhaalt.
Mijn handen beven van genot;
Zij dragen den gewijden schat,
Die 'k diep in mijne ziele tot
Nu toe voor elk verborgen had.
Zij zetten bevend woorden neer
Tot de' avond-late zon verbleekt,
En woorden glanzen rein en teer
Als paarlemoer, waar 't licht in breekt.
En toch, hoe mooi die woorden zijn,
Die vingen 't licht aan allen kant,
Zij hebben slechts een zwakken schijn
Van 't licht dat in mijn binnenst brandt,
Omdat er altijd in het woord
Iets is, dat is van iedereen,
En ik wou geven iets dat hoort
Aan U, voor wie ik leef, alleen.
Maar toch is 't zoet, wanneer het licht
Des zomers op mijn handen daalt
En 't rijm zijn blijden plicht verricht
En wat het kan vertaalt.
Één Wezen.
Ik wist wel, dat éénmaal mijn leven,
Dat naast Uw leven zich ontspon,
Zich tot één leven saam zou weven,
Dat niemand ooit weer scheiden kon.
Maar dat het zoo volmaakt zou wezen
Ineengevloeid als thans geschiedt,
Twee wezens in één zelfde Wezen,
Dát droomde ik wel, maar wist ik niet....
Mid-Zomer.
Het korenveld, goudgeel, naast paarse vakken
Van bouwland, trilde in heeten middaggloed;
In 't violet des hemels steeg de strakke
Mid-zomer-zon haar Zenith tegemoet.
Van bruinen beuk, vol zwaar bekroonde takken,
Zonlicht-doorschoten, met geblaârt als bloed,
Vloeide op 't geschroeide land in breede vlakken
De koeler schaduw rond den knoest'gen voet.
Wij waren tot den donk'ren boom genaderd,
Een vogel zong, in 't flonkrend kroongebladert,
Zijn lied, dat als een hymne aan 't zonlicht klonk,
En gij, het hoofd op blanken hals gebogen,
Met rooden mond, en toegelokene oogen,
Hergaf den kus, dien U mijn mond ontdronk.
Zomermorgen.
Wit als tulpen zijn haar handen,
Pulsuz fraqment bitdi.