Kitabı oxu: «Natuurfantazieën»

Şrift:

Geertruida Carelsen

Natuurfantazieën


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066402815

Inhoudsopgave

I.

EEN NIEUWJAARS-WANDELPRAATJE.

II.

MEEUWEN.

III.

BLOEMEN VOOR HET VENSTER.

IV.

SPROKKELMAAND.

V.

DE LANGE LENTE.

VI.

BIJ EEN SCHAALTJE KIEVITSEIEREN.

VII.

RONDOM EEN MOLSHOOP.

VIII.

PALM-PASCHEN.

IX.

TULPEN.

X.

HEI! ’T WAS IN DE MEI!

XI

EEN ENGELSCH LANDSCHAP.

XII.

IN DEN BLOEIENDEN BOOMGAARD.

XIII.

BOUQUETTEN.

XIV.

EEN DUBBELE BOODSCHAP.

XV.

EEN BOSCHTOONEELTJE.

XVI.

OP DE BLOEMMARKT.

XVII.

AAN DE NOORDZEE.

XVIII.

EEN KASTANJEBOOM.

XIX.

EEN INLANDSCHE AREND.

XX.

EENE LINDE.

XXI.

TAPIJTBEDDEN.

XXII.

DE POËZIE VAN HET GROENTEN-SCHOONMAKEN.

XXIII.

KORENBLOEMEN.

XXIV.

EEN BERGTOCHT.

XXV.

OUWERWETSCHE BLOEMEN.

XXVI.

AUGUSTUS.

XXVII.

BLOEMEN LANGS DEN WEG.

XXVIII.

DE LOTOS.

XXIX.

ONS WIER-EILAND.

XXX.

NAJAARSBLOEMEN.

XXXI.

EEN TRAGEDIE IN DEN MOESTUIN.

XXXII.

EEN NATUURKALENDER

XXXIII.

JACHT EN WILD.

XXXIV.

GESLOTEN?

XXXV.

WINTERVOGELS.

XXXVI.

VÓÓR OF ACHTER DEN PLOEG.

XXXVII.

GROENBLIJVENDE BOOMEN.

XXXVIII.

EEN OUDEJAARSWANDELING.

I.
EEN NIEUWJAARS-WANDELPRAATJE.

Inhoudsopgave

Gelukkig Nieuwjaar! Ik wensch u natuurlijk alles goeds toe, lezers en lezeressen! En als ik er iets aan doen kon....

Kan ik er iets aan doen? Zeker niet veel. Ik zou wel willen dat ik veler menschen pad „met bloemen kon bestrooien”, zooals de aloude spreekwijs luidt. Maar in de gegevene omstandigheden kan ik niet meer doen dan: hopen dat ik hier en daar iemand een verkwikkelijken indruk bezorgen moge door de lezing van dit boekje.

„Natuurfantazieën” heb ik het genoemd. Nu is „Natuur” een van die groote woorden, welke, evenals hooge boomen, veel wind vangen,—namelijk veel „wind van leering”; het is een woord waarvan men dikwijls niet recht weet wat men er onder te verstaan heeft, omdat er soms een nauwere, soms weer een ruimere beteekenis aan wordt gegeven, b. v. nu eens de geheele wereld op den mensch na, en dan weer met den mensch, hetzij geheel of half er in, meê bedoeld wordt. Daarom zal ik dus maar dadelijk zeggen, dat ik het hier opvat in den eenvoudigen en voor-de-hand-liggenden zin, waarin ieder beschaafd mensch het minstens ééns per dag gebruikt: de zon, de lucht en de wolken, de aarde en het water, de bloemen en het groen, de vogels en de vlinders rondom ons,—zij zijn de aanleiding tot deze mijn bescheiden „fantazieën”.

Voor een aantal menschen, althans die eene groote stad bewonen, wat ik overigens een waar voorrecht acht, behooren deze dingen tot de weelden des levens, die zij slechts bij wijze van uitspanning ten volle genieten. Om er gemeenzaam mee te worden, dienen zij de kunst van wandelen te verstaan.

Wandelen is eene dankbare kunst. Ik meen nu niet het wandelen op de eene of andere pantoffel-parade, maar buiten, in de „vrije natuur”. Doch als alle anderen dient zij beoefend te worden, eer men haar machtig is. Wie niet gewoon is zijne voeten te gebruiken, dien dragen zij niet ver; en, wat nog meer zegt, wie niet geleerd heeft zijn opmerkzaamheid te voeden met al wat onder het bereik van zijne zinnen komt, voor dien hebben de meeste wandelingen weinig aantrekkelijkheid. Velen hebben er geen lust in, omdat zij er den slag niet van hebben.

Als gij met het nieuwe jaar nieuwe plannen en beschikkingen maakt, kan ik ten zeerste aanraden, u ook voor te nemen om, naarmate de omstandigheden het veroorloven, veel te wandelen. Ik zou bijna durven zeggen: dwingt de omstandigheden dat zij het u nu en dan vergunnen. „De meeste kwalen en verdrietelijkheden komen tegenwoordig van de zenuwen, en de zenuwen komen van de boeken.” Ziedaar de zeker niet zeer wetenschappelijk geformuleerde, maar allicht niet onware uitdrukking, waarin ik eene wakkere zeventigjarige vele eigenaardige bezwaren onzer beschaafde maatschappij heb hooren samenvatten. En daar nu, wie veel wandelt, minder gevaar loopt van onder „de boeken” begraven te worden dan wie dat niet doet; en licht, lucht en zonneschijn, desnoods met inbegrip van af en toe een storm- en regenvlaag, hoe langer hoe meer blijken goede medicijn te wezen voor „de zenuwen”,—zoo doet elk wèl die daartoe zijne maatregelen neemt.

Dit voor onze gezondheid. En voor onzen geest? Rückert heeft eens, in een al of niet gemeende vlaag van menschen-verachting, den zonderlingen raad gegeven, de menschen te vermijden en zich zooveel mogelijk onder bloemen te bewegen; „dan zullen”, voegt hij er ten slotte goedmoedig bij, „de bloemen, die beminnelijk zijn, u leeren, de menschen die niet beminnelijk zijn, toch maar weer lief te hebben!” Nu hoop ik hartelijk voor u en mij, dat wij nooit of nimmer zoover zullen komen van „de menschen” te verachten of te haten; maar voor ieder onzer komen wel eens tijden dat wij onder zekere menschelijke instellingen, maatschappelijke conventies, gezellige verhoudingen gebukt gaan, er mee overhoop liggen, er tegen opstaan. Indien men dan, op het punt van zich daardoor òf te laten verbitteren, òf te verslappen, hunkert om zich op te frisschen en te verruimen, dan weet ik dat de dichter gelijk heeft, als hij hiertoe den omgang met „bloemen”,—in het algemeen met de „natuur”,—als een weldadig middel aanbeveelt.

En ook als ons slagen treffen, waaraan menschen geen schuld hebben, maar die ons voor een wijl doen duizelen, eer wij ons recht rekenschap weten te geven van hetgeen er gebeurd is en hetgeen ons te doen staat,—ook dan is de stille omgang met die „natuur” een weldaad. Wij moeten dan van haar niet vergen wat zij niet bij machte is te geven: geen antwoord van haar wachten op vragen die voor haar te hoog zijn; ons niet verbeelden, dat zij op alles raad zou weten. Zij helpt niet, zij troost niet onmiddellijk; maar dààrin ligt voor een groot deel haar genezende kracht, dat zij de gelegenheid verschaft om, zonder afleiding van buiten, tot ons zelven in te keeren, en zoo tot rust en verzoening te geraken.

Van een groot aantal plaatsen in ons land heet het, dat er niets te wandelen valt; en evenzoo beweren velen van de grootste helft van ’t jaar, dat zij er ongeschikt voor is. Ik geef toe dat Januari minder koesterend is dan Juli, en dat een heuvelachtig, boschrijk landschap meer bekoorlijkheden heeft dan b.v. een modderige binnendijk met een rij knotwilgen tot eenig sieraad.—Doch,... zal ik vertellen hoe ik wandelen geleerd heb, en er al de zegeningen van heb leeren waardeeren? Door van kind af aan met mijn vader mee te loopen, in weer en wind en alle jaargetijden; en dat meestal in een landstreek zoo arm aan natuurschoon als zich slechts bij mogelijkheid laat denken: een polder eerst sinds weinig jaren aan de zee ontwoekerd. Doch bij gebrek aan groote schoonheden, kreeg ik oog voor kleine; en als er dichtbij niets was, wat mij aantrok, zocht mijn blik van zelf de verte, en maakte zich vertrouwelijk met het zwerk en met den gezichteinder, en oefende zich in de gewoonte, om zich niets te laten ontsnappen. En ik betwijfel of ik later, toen ik meer van de wereld te zien kreeg, wel zoo’n genot van ieder kleurenspel en lichteffect gehad zou hebben, zonder mijn voorafgegane zwerftochten door die schijnbaar zoo onhagelijke omgeving. Het is nu stellig het minst gunstige seizoen om te wandelen; en menigeen gelooft misschien al de mogelijke wandelwegen rondom zijne woonplaats reeds sinds lang te hebben plat getreden, zoodat er niets nieuws meer te ontdekken is. In dat geval wensch ik u toe, dat het u aanstaanden zomer lukken moge eens wat verder rond te kijken: op reis te gaan, op grootere of kleinere schaal. Doch juist met het oog daarop zou ik lust hebben u eenige vragen te doen als: Zijt gij goede vrienden met de boomen die in uw nabijheid groeien? Welke vindt gij de mooiste? Naar welke windstreek hebt gij in de buurt de mooiste vergezichten, en van welk punt kunt gij om dezen tijd van ’t jaar het best de zon zien ondergaan? Was dat een mees of een geel kwikstaartje, dat vlugge bevallige diertje, dat u gisteren voorbij vloog? En hoelang zou ’t nog duren eer de kwastjes, waarmee nu reeds de elzen zijn behangen, zich tot stuifmeelbloemen ontwikkelen?

Onnoozele vragen wellicht...? Al naarmate men ze opvat.

II.
MEEUWEN.

Inhoudsopgave

Wij zaten vroeg in ’t voorjaar aan de open tafel in een Amsterdamsch logement.

Men sprak over koetjes en kalfjes, of juister was hier wat de Franschen daarvoor plegen te zeggen: „On parlait la pluie et le beau temps.”

„Mooi weer vandaag!”

„Het zal niet lang zoo blijven.”

„Waarom niet?”

„Er zit zoo’n bank in ’t westen.”

„Ik heb meeuwtjes boven onze gracht zien vliegen.”

„Dat geeft regen!”

„Dat geeft sneeuw!”

„Dat geeft nachtvorst!”

„Ja, maar als zij zoo rustig, onbeweeglijk op één punt zweven, dat is altijd een goed teeken.”

„Als zij duiken, dat is een slecht teeken.”

„’t Mocht wat! Duiken doen zij alle dagen, om haar voêr te zoeken.”

„Wat zouden zij dan eten?”

„Insekten en visschen.”

„Ik geloof niet aan meeuwen.”

„Ik wel.”

„Wat gelooft u er dan van?”

„Wel, dat ze weêrwijzers zijn.”

„Meeuwen zijn stormvogels; als zij zich vertoonen is er storm op zee. Ze waarschuwen de schepen.”

„Dat kan zijn, maar een stormvogel is toch nog een ander dier.”

Indien wij nog iets meer van meeuwen willen weten, dan met deze heeren het geval scheen te zijn, dienen wij ze zooveel mogelijk op hun eigen terrein op te zoeken. Nu spijt het mij, dat ik niet weet, welk soort men daar op het oogenblik vóór had. De kenners maken een groot onderscheid tusschen zeemeeuwen, en kok- of kapmeeuwen. De laatsten, zoo genoemd omdat de kleur van haar kop met de jaargetijden wisselt, zoodat zij ’s zomers een zwart kapje schijnen op te hebben, zou men tot de zoetwater-vogels kunnen tellen. Zij nestelen in het riet, aan de boorden van meren, rivieren en plassen, vliegen hier van April tot September rond en gaan dan naar warmer streken. Zij leven van insekten en doen in dit opzicht veel nut, door o. a. groote hoeveelheden meikevers te vernietigen.

De zeemeeuwen daarentegen doen juist omgekeerd. Ook zij zijn trekvogels; doch voor haar is ons land niet het zomer-, maar het winterverblijf. Den zomer slijten zij in het hooge noorden; en eerst als het haar daar al te koud wordt, komen zij wat zuidelijker afzakken, en ons zeestrand, den buitenkant van onze dijken en duinen bevolken. Wie zich de moeite geven wil om haar daar in het hartje van den winter een bezoek te brengen, zal ondervinden, dat die schijnbaar barre, zeer onbehagelijke tocht, even goed als elke andere wandeling in de natuur, zijn loon meebrengt.

Stelt u voor een grauwen winterdag, zooals wij ze maar al te goed kennen, als de binnenwateren bevroren en de velden met een vuilwordende laag sneeuw bedekt zijn, en het boomloos noord-hollandsch landschap al wat het nog aan teekenachtigheid bezat, verloren heeft, doordien water, land en zwerk éénzelfde vervelende tint hebben. De zee echter is dan nog niet bevroren; haar zoutgehalte en haar altijddurende beweging houden dit lang tegen; en de duinen... zijn dezelfden die zij in Juli waren, met bijvoeging van hier en daar wat opgewaaide sneeuw, die hun niet slecht staat. Als in elk ander jaargetijde, bieden zij ook thans met hun golvende lijnen een heerlijke ontspanning aan voor den langs rechte vaarten en vlakke dijken afgematten blik.

Op ’t strand kunnen wij ons vermeien in ’t aanschouwen van dat zonderling aantrekkelijke ding, dat men de Noordzee noemt; en het zal niet lang duren of wij krijgen vogels in ’t oog. Een paar zwarte stipjes op het water doen zich weldra als zwemmende zeeëenden kennen. Ginds wandelen heel deftig een stuk of wat plevieren en strandloopertjes; en de nergens ontbrekende kraaien zijn ook hier natuurlijk bezig, de aangespoelde mosselschelpen na te zien. Maar de groote menigte van wat wij zien zijn meeuwen. Men zou al zeer gemeenzaam met haar moeten wezen, om op een afstand uit te maken, of het Zilvermeeuwen dan wel Mantelmeeuwen, kleine meeuwen of wel „Burgemeesters” zijn; doch om het algemeene meeuwkarakter aan haar te herkennen, behoeft men juist niet „wetenschappelijk gevormd” te wezen.

Met lust blijft onze blik rusten op die licht-blauwgrijze groep. Welk een leven en beweging, welk een verscheidenheid van stand en houding! Juist dit maakt een troep meeuwen zoo behagelijk om aan te zien, dat zij zoo vlug, zoo handig, zoo van-alle-markten-t’huis—men zou bijna zeggen, zoo „veelzijdig ontwikkeld” zijn. Zij kunnen, wat slechts weinig vogels met haar kunnen, goed loopen, goed vliegen en goed zwemmen. Ondanks hare zwemvliezen, loopen zij niet waggelend als zwanen, ganzen of eenden, maar zoo snel en zoo netjes of het kwikstaartjes waren. Zoo als zij daar over het strand stappen, zijn zij blijkbaar geheel op haar gemak, alsof de grond haar eenige en vaste woonplaats was, en wandelen haar eenige manier om zich voort te bewegen. En nochtans, welk een vlucht! Een grooten arend heb ik nimmer zien vliegen, maar van alle vogels die ik ken, zijn het de meeuwen, wier vlucht mij het schoonst dunkt. Welk een statigheid en bevalligheid tevens; welk een sierlijke wiekslag en aardige zwenkingen; welk een kracht in het zweven en „staan”! Misschien werkt de zilvertint iets mede om een vliegend meeuwtje tot zoo iets moois te maken, maar stellig is dat toch ook grootendeels aan zijne vormen en bewegingen te danken. En niet minder mooi dan in de vlucht zijn zij op het water, hetzij zij zwemmende den besten zwemvogels de loef afsteken, ofwel bijna onbeweeglijk boven op de golven dobberen, zoo licht en luchtig of zij witte schuimkopjes waren. Duiken, in den zin van duikelen, zoo als eenden plegen te doen, zoodat haar voorhelft zich omlaag buigt, terwijl haar achterhelft rechtop staat, dat doen meeuwen niet; maar zij zien er volstrekt niet tegen op, een paar palm onder water te duiken, als het geldt een visch te vangen, dien zij in het oog gekregen hebben; en als somtijds de golven niet slechts om, maar ook over haar heen slaan, dan kan men geen oogenblik bemerken, dat zij er zich minder behaaglijk om voelen. Maar ’t zij zwemmend, of vliegend of dobberend, zij zijn een sieraad van de zee, of liever nog een onafscheidbaar deel van hare schoonheid. Alle kunstenaars vatten dit. Stelt u een „zeestuk” zonder meeuwen voor: gij zult er iets op missen, al weet gij niet dadelijk wat. Denkt de meeuwen weg uit Heine’s „Meereslieder”, en zij verliezen een hunner levendigste teekenachtigheden.

Of dus de meeuwen, die af en toe boven de stadsgrachten vliegen, aan ons zeestrand thuis behooren? Ten deele. Zoo men met die vraag meent of zij daar geboren zijn, dan zou het wat gewaagd zijn, er „ja” op te antwoorden. Wel is het bekend, dat zij in kleinen getale ook hier te lande broeden, en dus als het ware hier, wat de oud-Hollanders kantoren of factorijen plachten te noemen, aangelegd hebben; doch de groote menigte komt uit het Noorden tot ons overwaaien. Het echte land der meeuwen is b. v. de rotsachtige kust van Noorwegen, en de op diezelfde breedte liggende eilanden. Daar hebt gij b. v. een der mooiste soorten, de drieteenige meeuw, zoo genoemd om de eenvoudige reden, dat zij slechts drie, door twee zwemvliezen vereenigde teenen, en niet ook nog, als anderen, een kort, achteruitstekend duimpje er bij heeft. Zij zwerft in ’t gure jaargetijde dikwijls in aanzienlijken getale hier, en zelfs aan de fransche en spaansche kusten rond, maar nestelt nooit beneden de 58° N. Br. Op IJsland en in Groenland beschouwt men deze als de eerste boden der lente; zij komen daar in het begin van Maart en blijven tot November. Daar en in Scandinavië worden zij niet alleen tot de schoone, maar ook tot de nuttige vogels gerekend. Menig noorsch landeigenaar berekent bij het voordeel dat zijn goederen afwerpen, wel degelijk de opbrengst aan meeuweneieren en veêren. In enkele streken wordt ook haar vleesch gegeten, maar bijna overal is men het eens, dat dit te „visschig” is om lekker te wezen. Trouwens dit is geen wonder. Zeemeeuwen leven in den regel uitsluitend van visch, en zij verslinden daarvan dagelijks eene groote hoeveelheid: zij kunnen zich zeer slecht met kleiner prooi behelpen, en sterven dikwijls van den honger, indien zij van den waterkant afdwalen. Daar ik nooit meeuweneieren geproefd heb, durf ik niet verzekeren of deze niet ook min of meer in genoemde visschigheid deelen; het zou mij zeer bevreemden als zulks niet het geval was. Zij zijn vuilgeel, met grijsbruine vlekjes; en voor zoover zich de nesten in spleten of op vooruitstekende punten van de rotsen bevinden, zijn zij dikwijls zeer moeilijk te bereiken. En dit toch is meestal het geval. De massa der meeuwen, met name van de drieteenigen, woont op de zoogenaamde vogelbergen, leeft, vischt en broedt daar gedurende den ganschen zomer, en maakt, vooral gedurende den paartijd en het zoeken van een plaatsje om te nestelen, een vervaarlijk geraas. Omstreeks half Augustus, als de jongen groot genoeg zijn om de nesten te verlaten, ondernemen zij met de ouden grootere of kleinere zeetochtjes, maar komen toch altijd weer op de berghelling hunner geboorte terug, waarvan de bevolking op die wijze in het eindelooze vermeerdert.

Brehm, de vogelkenner bij uitnemendheid, stond verstomd, toen hij voor ’t eerst persoonlijk dit schouwspel in het oog kreeg. „Toen ik mij gereed maakte voor mijne reis naar Lapland,” vertelt hij, „had ik een aantal beschrijvingen van deze vogelkoloniën gelezen, en ik twijfelde volstrekt niet aan hare betrouwbaarheid. Maar nooit zal ik den Julidag vergeten, waarop ik Kaap Svarhollt (niet ver van de Noordkaap) omzeilde, en voor het eerst een „vogelberg” aanschouwde. Wat ik zag was een kolossale muur, als het ware een reusachtige lei, met duizenden witte puntjes overdekt. Mijn vriend de scheepskapitein had een van zijn geweren voor mij met los kruit geladen, om de vogels te verschrikken. Zoodra dit was afgeschoten, maakten zich die witte puntjes voor een deel van hun donkeren achtergrond los, naderden, en bleken de gedaante van vogels, van sierlijke meeuwtjes te hebben, en verspreidden zich over de zee; maar in zulk eene ontelbare menigte, dat zij mij aan een sneeuwval deden denken, die plotseling was losgeraakt en nu in groote vlokken ronddwarrelde. Ik weet er werkelijk geen beter beeld voor, dan dat het gedurende eenige minuten vogels sneeuwde. De zee was er mede bedekt zoover mijne goede oogen reikten; en ondanks dit alles scheen de muur nog even dicht bevolkt als te voren. Ik was nu overtuigd, dat vroegere reizigers niets overdreven hadden, en ik moest zelf erkennen, dat het onmogelijk is er een juist denkbeeld van te geven aan iemand die het zelf niet gezien heeft.”

Van daar nu komen zij omstreeks November herwaarts afzakken, en vermengen zich met andere meeuwsoorten, hetzij die zich hier geacclimatiseerd hebben of ook op den trek zijn. Behalve de straks genoemde soorten, ontmoeten zij dan tevens hunne tengerder en nog slanker familieleden, bekend onder den naam van Sternen, Iksterns of Vischdiefjes (het noordhollandsche landvolk noemt trouwens alle meeuwvogels „Visschenpikkers”). Ook hun lastige vijanden, de roofmeeuwen of zoogenaamde „Jagers”, volgen haar zuidwaarts, al hebben zij van dezen dan niet meer zooveel te vreezen als tehuis in den broeitijd. Daar toch zijn deze roovers de groote schrik der broedende menigte, omdat het den ouders dikwijls de grootste moeite kost, de weerlooze jongen tegen hen te verdedigen; ’s winters daarentegen geldt de roof slechts den een of anderen door hen veroverden buit. De „Jagers” namelijk hebben de gewoonte om andere meeuwvogels zoolang te vervolgen, tot deze, vermoeid of beangst, hun vaak reeds half verzwolgen, ja half verteerde prooi uitwerpen, en die dan met groote behendigheid op te vangen eer zij den grond of het water bereikt. Nog een anderen harer noordsche landgenooten, den eigenlijken Stormvogel, treffen zij hier somtijds aan, maar toch slechts in kleinen getale; van dezen echter hebben zij niets kwaads te vreezen.

Daar al deze vogels bij ons des winters den graad van koude terug vinden, die hun op hun noordsche bergen het liefst is, kan men zeer wel nagaan, dat zij dan aan het strand voor hun doen een genoegelijk leventje leiden. Hun dikke donskleed maakt het gemakkelijk, ons te verbeelden dat zij volstrekt geen hinder hebben van het gure jaargetij; en de vetheid hunner dekvederen maakt hen ongevoelig voor de natheid van het water, waarvoor bijvoorbeeld musschen en kanaries zulk een angst en afkeer hebben. „Nu ja,” zal men zeggen, „daarvoor zijn het zwemvogels.” Doch is niet juist dit het belangrijke bij ons natuurgenot: na te gaan wàt een zwemvogel tot zwemvogel maakt en hem in staat stelt het water te trotseeren? Wat is het dat het kleed der meeuwen en der eenden zoo waterproof doet zijn; en wat stelt het aardige verband daar, tusschen de hooge vlucht eens vogels en de vastheid van het vlechtwerk zijner vederen? Vlechtwerk moge geen geijkte term zijn: wie ooit een veêr bij, al zij het slechts vijftig-malige, vergrooting gezien heeft, zal mij recht geven het zoo te noemen.

Doch zoo de meeuwen niet bang zijn voor het vocht en de koude, die voor zoo vele Nederlanders een voortdurende grief tegen hun vaderlandsch klimaat zijn, één ding schijnt ook haar te hinderen en in hare behaaglijke strandgenoegens te storen: ’t is als er storm op zee is. Ik weet niet of ik denken moet, dat werkelijk, onmiddellijk in letterlijken zin, de storm hen voortjaagt, of wel dat de beweeglijkheid der zee hun dan het visschen moeilijk maakt, òf dat de onrust der natuur rondom haar zich ook in haar doet gelden... Indien schoolmeesters beweren, dat zij aan de luidruchtigheid der kinderen bemerken kunnen of er storm op til is; ja, indien zelfs vele volwassenen hun „humeur” niet boven dergelijke invloeden kunnen verheffen, zou men zich dan verwonderen dat eene „redelooze meeuw” daar niet tegen bestand is? Hoe het zij, bij sterken zeewind komen de meeuwen landwaarts in haar troost zoeken; als kind, te Haarlem wonende, hoorde ik dan vertellen, dat „de Zandvoorders hun duiven loslieten”. Zij houden, om een zeer voor de hand liggende reden, de rivieren en groote kanalen; maar in ons plasrijk land zal het haar niet licht overkomen, dat zij een geheele dagreis lang geen vischwater ontmoeten. Zoo komt het dat zij zich in bijna al onze steden af en toe vertoonen, niet het minst in de hoofdstad zelve, en dan de stedelingen amuseeren of hun weerkundige talenten prikkelen. Zij schijnen het daar zeer naar hun zin te hebben, zoo geduldig kan dezelfde meeuw somtijds een uur lang boven dezelfde gracht blijven zweven. Veel visch weet ik niet of die grachten haar leveren, maar dan zeker andere dingen, die dat gemis vergoeden. Haar smaak is ook niet afkeerig van ander dierlijk voedsel, vooral indien het uit een goede keuken komt. Zoo heeft men mij verhaald, dat zich iederen morgen, op een vast uur, een troep meeuwen vereenigt voor het welbekende huis van den heer Zomerdijk Bussink, en daar loert op hetgeen er voor hen aan den wal gegooid wordt. Indien dit waar is, kan men gerust zeggen dat de meeuwen goed op de hoogte zijn van de Amsterdamsche adressen, en, in aanmerking van het hierboven vermelde gesprek, dat zij Amsterdam wèl zoo goed kennen als vele Amsterdammers haar.

III.
BLOEMEN VOOR HET VENSTER.

Inhoudsopgave

Gij houdt immers van bloemen? Ik durf haast zeggen: ja, elk op zijne wijze. In bijna ieders leven spelen zij, allicht zonder dat hij het zelf weet, eene kleine rol. Bij rijk en arm treft men ze aan als sieraad; en zelfs de stompste geest schijnt als het ware instinktmatig te gevoelen, dat zij, als levend sieraad, boven ieder ander staan. Hoe vaak treden zij op als zinnebeeld! Gij brengt ze aan een jarige; gij brengt ze aan een bruid; gij brengt ze nog aan zieken, als gij niets anders meer kunt brengen. En zelfs al de min of meer gelukkige wijzen, waarop men ze poogt na te maken, getuigen wel van de algemeene liefde die er voor bloemen heerscht.

Zij zijn steeds om en bij ons in het dagelijksch leven; zij verhoogen het feestelijke van onze feesten,.........

Tot eer van onzen volkssmaak moet ik zeggen, dat het bij groot en klein, vooral voor ’t venster, zelden aan „een bloemetje” ontbreekt. Zulk een bloemententoonstellingje voor de ramen maakt doorgaans een lieflijken indruk. Het doet denken aan die prettige, gezellige, verkwikkelijke menschen, „gelukkig voor zich zelven en een ander,” zooals men ze pleegt te noemen, die zich zoozeer aan vriendelijkheid gewend hebben, dat zij, ook wanneer zij slechts met hun eigen zaken bezig zijn, altijd een geest van welwillendheid van zich doen afstralen. Zulk een rij planten voor een raam toch is eigenlijk, vooral aan de straatzijde, niets anders dan een middel tot afsluiting, zoo goed als een gordijn, een chassinet of „horretje”. Maar terwijl eene neerhangende lap neteldoek of tulle, een halve kwadraatmeter blauw, groen of zwart ijzerdraad, of wel een wit, tusschen vier stokjes uitgespannen haakwerk u reeds bij voorbaat schijnt te weren met een stuursch: „Verboden toegang voor nieuwsgierige blikken”,—verbiedt dat plantenhorretje volstrekt niets: het lokt zelfs uwe oogen, en groet als ’t ware den voorbijganger, terwijl het tegelijk van zelf de mogelijkheid van onbescheiden blikken voorkomt. Laat ons, terwijl er buiten nog zoo weinig bloeit, een paar van die kamerplanten wat nader bekijken.

Een groote rol spelen in de hedendaagsche vensterkultuur de Begonia’s. Gelijk alle modeplanten, ontmoet men ze in eindelooze variëteiten, van de „ouderwetsche” eenvoudigsten, met donkerroode bladeren, af, tot aan de nieuwsten met hun pracht van rood, groen en zilver.

Hoeveel zij overigens onderling mogen verschillen,—drie dingen trekken bij alle Begonia’s, ook vóór dat zij bloeien, dadelijk de aandacht. Ten eerste de scheefheid der bladeren. Sterker nog dan bij het lindeblad, waarmeê zij overigens in den vorm wel eenige gelijkenis hebben, wordt men hier aanstonds getroffen door de ongelijkheid der twee helften van de bladschijf: een verschijnsel dat bij alle soorten, hetzij smal- of breedbladerig, wordt teruggevonden, en waaraan de plant dan ook haren hollandschen naam Scheefblad ontleent. Ten tweede: de zeer sterke haargroei op de jonge bladeren en stelen, terwijl de anderen zoo goed als kaal zijn. Waar of die haren blijven? Afvallen zien wij ze toch nooit. Zouden zij misschien verschrompelen, wegdrogen, vergaan? Laat ons het veeleer zóó opvatten, dat de bladeren, naarmate zij groeien, er geen nieuwe haren meer bij krijgen; en dat hetzelfde aantal haren, over eene grootere oppervlakte verspreid, niet zoozeer in het oog valt, als wanneer zij, op een kleiner ruimte, dichter bij elkaar staan.—Ten derde, hare rijke kleurschakeering. Vele van de jongere afstammelingen hebben met het, voor een paar honderd jaar uit Amerika overgebrachte, en naar zekeren Pater Begon vernoemde gewas, geen grooter overeenkomst dan b.v. een theeroos Ali-Pacha met eene hondsroos uit de duinen. Trouwens, sinds ik weet dat de Begonia reeds in haar vaderland, dus geheel van nature, eene sterke neiging tot het vormen van verscheidenheden toonde, verbaast het mij volstrekt niet dat zij in dit opzicht een dankbaar gewas is voor de kweekkunst.

Wat de bloemen aangaat, die soms voor korten tijd aan hare lange, dunne, doorschijnende stelen, het sierlijk aanzien van de plant komen verhoogen,... de Begonia is eenhuizig, en dus zult gij er altijd aan denzelfden stengel eenigen met (vele) meeldraden, en eenigen met (elk drie) vruchtbeginsels vinden. Met een klein weinig oplettendheid kan ieder die gemakkelijk ontdekken. Doch hetzij die bloemen zoo klein zijn als de, minst in ’t oogloopende, witte, van de oudste soorten, of zoo groot als die van de schoone Boliviensis of Massange de Louvrez, zij zijn en blijven bijzaak. Door bloei te schitteren laat men aan de fraaie „bolbegonia’s” over; de gewonen zijn en blijven in de eerste plaats bladplanten: men kweekt ze ter wille van haar bladeren.

Ik heb reeds dikwijls nagedacht over onze hedendaagsche bladplanten-mode. Ik kan niet anders zeggen of die bonte bladeren—wanneer zij ten minste geen teekenen van ziekelijkheid dragen, zooals veelal bij bleek-bonten het geval is—doen zich aan het oog niet onaangenaam voor. Dat dit bladermateriaal zich maar al te verleidelijk tot den wansmaak der haringsla-perken leent, willen wij nu daarlaten: misbruik kan van alles gemaakt worden. Bevallig aangebracht in fraaie hangers, goed gegroepeerd in vestibules of veranda’s, maken zij in hare zachte schakeeringen, dikwijls een zeer sierlijken indruk. Toch weet ik nog niet of ik deze richting in den tuinbouw durf toejuichen, en verzekeren dat zij den toets van een dieperen smaak kan doorstaan. Is het een schoon beginsel, dat den bladergroei begunstigt boven den bloei, en bij vele planten ten koste van den bloei? Is het een dom vooroordeel, dat ons bladeren in den regel groen, en slechts de bloemen bontgekleurd doet wenschen; dat ons de kleurenwisseling van ’t loof alleen normaal doet voorkomen gedurende den herfst, wanneer van de meeste planten de bloei is afgeloopen?—

Tot de eerste bloemen, die ons voor de vensters begroeten, behoort de Primula Sinensis. Ook zij heeft een schoonen, sterksprekenden, teekenachtigen bladvorm, vrij groot in verhouding tot de plant, met zeven uitgetande lobben, min of meer bol tusschen de gespannen nerven uitgegroeid en trijptachtig voor het gevoel. Doch ziet, welk eene menigte knoppen! Telkens drie, vier, vijf, ja somtijds zes of zeven op een gezamenlijken langeren. En velen dezer stelen zijn reeds tot haar volle lengte opgeschoten; de groene kelken hebben zich ontplooid tot den vorm van een omgekeerden baret; en daarboven uit verheffen zich de witte, rozeroode of licht paarsche kroontjes. Vlak en effen, gaaf en zuiver kijken zij u aan; schijnbaar bestaan zij elk uit vijf afzonderlijke, als hartjes uitgeschulpte blaadjes, maar, welbezien, zijn die allen aaneengegroeid. Dit blijkt het best, als eenmaal de bloem uitgebloeid is, en de gansche kroon tegelijk, in haar geheel, afvalt. Jammer van het mooie ding. Bloemen die ontbladeren, op den stam verwelken of ineenschrompelen, wenschen wij niets liever dan zoo spoedig mogelijk te verwijderen; doch als zoo’n kroontje van hare plant loslaat in volle kleur en frischheid,—’t is kinderachtig, maar ik betrap mij dikwijls op een poging, om het er dan weer aan vast te willen maken.

Binnen weinig weken zullen sterker, grover Primula’s op den kouden grond in bloei staan. Het zijn onze goede Sleutelbloemen, of „Primulaveeren”, of „Bakkruidjes”, zooals de tuinlui ze plegen te noemen; de „Primevères” der Franschen en de „Primroses” der Engelschen.

En dan hebben wij ook inlandsche Primula’s, sleutelbloemen die hier in het wild groeien. Somtijds ontmoet men ze in weiden of vochtige bosschen en herkent ze dan aan haar „faux-air” van de in den tuin gekweekten. Eéne soort schijnt in Engeland minder zeldzaam te wezen dan hier; althans ze bloeit onder den naam van „cowslips” in negen van de tien engelsche romans.—

Hier en daar prijkt ook reeds eene indische Azalea, die, door geheel haar gloed en pracht, eigenlijk meer het aanzien van een zomer- dan van een vroege voorjaarsplant heeft. Doch dat levert voor de kweekkunst geen bezwaar. Deze is er terecht trotsch op, te heerschen, beide over afstand en tijd; en indien zij er niet tegen opziet, eene plant uit den omtrek van Jacatra herwaarts te vervoeren, zoo is het, daar die toch steeds binnenshuis moet blijven, een klein verschil of men ze in Juli of in Januari in bloei wenscht te hebben.

Deze is dan ook geheel een voortbrengsel der industrie, en draagt daarvan maar al te zeer de sporen. Er is hier blijkbaar meer geschied dan acclimatiseeren; men heeft trachten te veredelen, en wel op een wat al te krachtige en... geheel willekeurige manier. Dit geeft er iets aan, wat men in een mensch „gemaakt” zou noemen. Misschien ligt die indruk vooreerst daaraan, dat men datgene, wat blijkbaar den aanleg had om een heestertje te worden, kunstmatig tot een boompje gesnoeid heeft; en dat de losse takken tot een koepel of een bol gesneden werden, een vorm, die wel past voor een linde, welke daartoe zelve aanleiding geeft, maar volstrekt niet voor een bijna recht opstrevend struikje. En wij spraken straks van bladplanten: hier hebben wij te doen met een tegenovergesteld uiterste. Ofschoon ook in haar vaderland de bloemen der Azalea indica zeer overvloedig moeten wezen, zou het mij zeer verwonderen of zij daar ooit zóó geheel het groen dreigden te verdringen, als hier het ideaal der kweekers schijnt te zijn. Ik moet het eerlijk zeggen: ik vind iets grofs, iets plomps, iets onbehouwens in die roode of witte bloem-klompen-op-stokjes, zooals zij jaarlijks bij bloemen-tentoonstellingen, als overwinningen der nijverheid, bekroond worden. Zeker, bloemen zijn een sieraad van een plant; maar goud is ook een sieraad, en toch, als iemand zich van top tot teen met goud wou gaan behangen, zou geen beschaafde smaak daar recht vrede mee hebben.

De kamer-winter-Azalea’s doen mij altijd dubbel verlangen naar een andere soort, die hier des zomers op den kouden grond bloeit: de Azalea pontica. Zij kan bij ons gemakkelijker aarden, want haar vaderland is iets minder ver weg: de oevers van de Zwarte zee. Wat aangaat grootte en schittering van kleuren, mogen zij bij de indischen achterstaan, maar haar tinten zijn fijner: licht rozerood, zwavelgeel, hooggeel, roestbruin, roodbruin en bijna wit. En de lange meeldraden en van honig glimmende stampertjes, die uit de bloemkronen hangen, haar meer omgebogen vorm, haar zijdelingsche houding, haar langere steeltjes,—dit alles geeft aan het geheel een veel losser en sierlijker aanzien. Het grootste voorrecht echter dat zij boven de andere heeft is... haar heerlijke geur!—

Het pronkjuweel der bloementafels is voor velen een Camellia. Of ik haar niet heerlijk vind?... Wel, ik heb haar eens door een kind eene „winterroos” hooren noemen, en toen heb ik haar daar goed op aangekeken; ik moest erkennen dat het kind gelijk had; en sinds dien tijd schijnt zij mij slechts eene parodie op een roos toe.

Denkt aan rozen: denkt aan Juni, wanneer ze „rood en wit bloeien”, en haar geur, volgens Geibel’s gloeiende regelen, „gelijk een adem uit het paradijs over de velden rondwaart!” En ziet dan nog eens uw Camellia aan. Haar toch kan men alleen zien. Geuren doet zij in ’t geheel niet. Wat heeft zij dan de aanmatiging van op eene roos te lijken?

’t Is als een mislukt portret: het origineel in het hard, in het koud, in het doodsch.

Om te beginnen met haar loof. Het heeft dat stijve, glimmende, dat alle wintergroen kenmerkt. „Wintergroen” is het door zijn zware opperhuid, die het minder gevoelig maakt voor indrukken van buiten: het is als menschen, die in ’t geestelijke „een hard huidje” hebben. In kleur en vorm en houding mist het al de teederheid, aan echt rozegroen eigen. Men ziet niet eens het adernet, dat in dit laatste zoo bevallig doorschijnt: de lederachtigheid der bovenzij bedekt in het camelliablad alles wat inwendig voorvalt.

Doet ons de opperhuid van ’t groene blad aan leder denken,—die van het bloemblad herinnert aan een laagje was. De liefhebbers waardeeren dan ook juist in hun Camellia dat „wasachtig” aanzien. Het zou misschien ook op zich zelf niet leelijk wezen; de bekende Wasplant heeft ontegenzeggelijk haar schoonheid; maar alweder... het staat leelijk in een bloem, die op een roos lijkt. Waart gij ooit in een wassenbeelden-spel, en vondt gij op den duur niet iets zeer onbehagelijks en griezeligs in die wassen gezichten, die u als menschen aankeken?

De proef op de som, waar het de meerderheid der roos geldt, is, dat men de Camellia veel gemakkelijker na kan maken. Geef u de moeite slechts om uw Camelliastruik uit glad, zwaar papier te doen bloeien; en, mits ’t een beetje handig wordt gedaan, kunt gij dagen lang, onbetrapt, uw papieren knipsel tusschen ’t groen laten hangen. Een gemaakte roos daarentegen zal niet licht een geoefend oog bedriegen. De schoonheid eener roos brengt mede, dat men zien kan dat zij leeft; de teere grondstof, waaruit zij gebouwd is, kan door geene grovere nagebootst worden; haar inwendig weefsel is te zichtbaar, dan dat het ons niet terstond treft, indien wij daar de lijnen van missen. En haar bloei is zoo kort en zoo vluchtig. Wij zien haar bijna bij het uur veranderen: ontluiken, groeien, opengaan, verwelken... Zonder dat wij er meestal aan denken, ligt ook in die bewegelijkheid, in die vluchtigheid, iets dat aantrekt. De Camellia bloeit langzamer en langer. Dagen lang blijft zij zoo goed als onveranderd: wie vandaag geen lust heeft om naar haar te kijken, kan het morgen even goed doen. De roos daarentegen eischt dat men zich haaste en... men heeft nooit nagelaten aan dien eisch te voldoen.

Dan haar vorm. De weelderig ronde rozeblaadjes tegenover de vlak uitgestrekte blaadjes der Camellia! Is dit niet een der vorstelijke eigenschappen van de roos, dat zij niet slechts in haar geheel zoo schoon is, maar dat die zelfde volkomen bevallige ronding, die de gansche bloem kenmerkt, ook in den bouw van ieder blaadje ligt? Het fijne tintenspel nog daargelaten,—is niet ieder rozenblad, in vorm en houding, een model van sierlijkheid, tot wanneer het uitgevallen is toe?

En ziet eindelijk de knoppen: de zware gladde knoppen der Camellia, met haar kelk van als dakpannen over elkaar liggende schubben; of de door het instinkt van alle eeuwen als zinnebeeld van ontluikende lieflijkheid vereerde rozenknoppen, lieflijk tot in de onregelmatigheid harer twee en drie ongelijke kelkslippen!

Maar één ding is toch waar: een Camellia heeft geen doornen!...

Wáár is dat, ja. Maar indien ooit een Camellia zich daarop beroemde boven rozen, dan zou ik even innig lachen of boos worden, als bij dergelijke wanhopige verontschuldigingen in de menschenwereld! Eene roos heeft nu eenmaal evenveel van eene Camellia als genie van fatsoen; als zonneschijn van gemeen daglicht; als poëzie van proza;—en alle doornen (vraag excuus, botanist, jawel, stekels!) uit de rozetuinen van het Oosten en het Westen, hebben daarin tot nog toe geen verandering kunnen brengen.

Dat ik niet alle kamerplanten onverdeeld bewonder, ergert misschien sommigen. Doch het is omdat ik de eer van in de huiskamer te worden opgenomen, en daar de plantenwereld te vertegenwoordigen, het liefst gun, niet altijd aan ’t vreemdste of het nieuwste of het kostbaarste, maar aan... de edelste gestalten uit dat rijk.

IV.
SPROKKELMAAND.

Inhoudsopgave

Zoo luidt sinds eeuwen Februari’s bijnaam; en in oude almanakken ziet men dan ook geregeld, op het tweede prentje, een paar arme kinderen, met een bundeltje hout op den rug, doode takjes oprapen of afbreken, om den voorraad, waarvan moeders haard moet branden, bij elkaar te zamelen.

„Waar men hout hakt vallen spaanders”, zegt het spreekwoord; en niets is dus zoo voordeelig voor genoemden kleinen tak van nijverheid, dan dat er in den winter veel boomen gehakt worden. Intusschen zijn er menschen genoeg, en eigenlijk behoor ik daar zelve ook toe, die graag de kleine sprokkelaars met een zak vol steenkolen schadeloos zouden willen stellen voor hun houtoogst, indien wij daardoor een boom, die ons lief is, konden sparen. Mij gaat het altijd eenigszins „door merg en been”, als ik een mooien boom zie rooien. Het eigenlijke hakhout, het akkermaalshout, moet om de jaar of wat gehakt worden, anders zouden de stammen elkander verdringen; en het is er van den aanvang af voor bestemd. Maar wanneer er een boom valt, die in den loop der jaren als het ware een individu is geworden, een „iemand”, zonder wien wij ons de buurt waarin hij stond nauwelijks kunnen voorstellen; een, zij het dan onbezielde, vriend, die ons zoo lang gezelschap hield voor onze woning, of ons den weg naar huis behagelijk hielp maken, in ’t voorjaar met zijn jonge groen, des zomers met zijn schaduw, in ’t najaar met zijn vruchten en zijn gebruinde bladeren, en des winters met zijn ijskegels of rijptooi... dan is ’t ons vaak of er een moord gepleegd wordt, of minstens alsof beulshanden hun somber werk verrichten. En is dit niet min of meer ’t geval met alle boomen: brengen zij niet allen, hetzij afzonderlijk of gemeenschappelijk, iets bij tot veler vreugde en verkwikking? Waarlijk, in ons vlakke Nederland hebben wij de boomen, die er zijn, wel noodig; en elk, die, om welke oorzaak dan ook, sloopersplannen koestert, mocht eerst eens denken aan de arabische spreuk:

Wie een boom velt, dien vloeken zijne kleinkinderen.

Het eenige waarmede eenigszins kan te gemoet gekomen worden aan het jaarlijksch boomverlies, door verschillende soorten van sloopliefhebberij teweeggebracht, is het aanplanten van jonge boomen. In streken waar, meer dan bij ons, aan geregelde boschkultuur gedaan wordt, zorgt men er dan ook trouw voor, altijd, door jonge aanplantingen, het betrekkelijk geringe aantal gevelde boomen weder aan te vullen. Wat echter vult bij ons de plaats aan van de bosschen van zoo menige vernielde buitenplaats? Wat belooft daarvoor zelfs in de toekomst eenige vergoeding? Op hoe menig landgoed is een statig beukenbosch neêrgehaald, alleen om geldelijke redenen,—omdat men er meer dadelijk voordeel in zag, op die gronden tabak of aardappelen, of wie weet welk ander veldgewas te kweeken; terwijl het nog de vraag geweest zou zijn, of zij, bij een goede exploitatie, als bosch, op den duur niet meer opgebracht zouden hebben! Voor hoe menig kasteeltje is de schoone oprijlaan vernietigd, omdat de heerenhuizing tot een boerderij vernederd werd; en de boer die eiken of die iepen of die linden lastig vond, daar zij hem bijvoorbeeld verhinderden, van uit zijne ramen zijn schapen te tellen! Hoogstens knotwilgen of uitgeloopen wilgenstronken zijn er voor in de plaats gekomen! En dan, op hoevele wandelplaatsen zijn de hooge boomen gaandeweg verdwenen ten gunste van de stijve mozaiekbedden-mode, die geen schaduw om zich duldt, en het lieflijk clair-obscur uit onze tuinen en parken verdrijft! En wordt niet in sommige steden den boomen de oorlog aangedaan, omdat een of ander lid van het bestuur zich in het hoofd gezet heeft, dat zij „ongezond zijn”? Ik weet een stad, waar vroeger overal, langs grachten en langs pleinen, en zelfs hier en daar op breede punten van de straten, fraaie linden, iepen en kastanjes stonden, en waar die thans jaar aan jaar om gemelde reden verminderen. Indien men eens van deze opvatting terugkeert, en weêr boomen wil hebben, zal men ze van nieuws aan dienen te gaan planten, en geduldig moeten wachten tot zij weder groot zijn!—En dan komt het maar al te dikwijls voor, dat het vooruitzicht van den langen tijd die daartoe noodig is, iemand afschrikt om er meê te beginnen. Dat is jammer. Vooreerst duurt het, welbekeken, zoo heel lang niet eer men van een jongen boom, een jonge aanplanting, genot kan hebben. In ons vochtig klimaat, op onzen waterrijken grond, waar in het algemeen het hout grover vezels vormt, en daardoor van minder vaste hoedanigheid is dan in hoogere, droge streken, groeien alle boomen aanmerkelijk sneller, zoodat de planter binnen weinig jaren zijn doel reeds grootendeels bereikt heeft. Maar dan nog: plant men slechts voor zichzelven? Mag men goedsmoeds, als de oude boomen vallen, de toekomst in dit opzicht aan haar lot overlaten, als met een „après nous le déluge”? En is er, onafhankelijk van alle andere overwegingen, niet een weelde in ’t zien opgroeien van wat men heeft aangelegd?

Gun dat ik de geschiedenis van onze Tannhäuser-allee vertel. Bekend is de legende van den duitschen ridder Tannhäuser, die, na een geheel jaar in den Venusberg te hebben doorgebracht, naar Rome ging om paus Urbanus vergiffenis te smeeken, met de ernstige belofte van boete te doen voor zijn zonden. Maar de paus was ditmaal, men zegt niet om welke reden, onvermurwbaar. Hij hief een dorren stok op, en betuigde: wanneer deze stok bladeren draagt, zullen uwe zonden u vergeven worden. Toen trok Tannhäuser de heilige stad weder uit, „in jammer en in lijden”, en riep „Maria-Moeder, de reine maagd” tot getuige, dat hij gedaan had wat hij kon, om weder als haar dienaar te worden aangenomen. En ziet, de Moeder-Gods, de draagster der goddelijke barmhartigheid, deed een wonder: den derden dag begon de stok groene blaadjes te krijgen. En hetzij men nu, met de oude ballade, de tragische opvatting volge, dat er twee boden uitgezonden werden naar alle landen, waar Tannhäuser doorgegaan was, maar dat men hem nergens vond, omdat hij, in zijn wanhoop, weder in den Venusberg teruggekeerd was; hetzij men, met Wagner’s blijmoediger opera, den ridder werkelijk van het voor hem gedane wonder genot late hebben,—de dorre stok met groene blaadjes staat daar als lieflijk beeld van de „eeuwige genade”, die meer is dan „straffende gerechtigheid”.

Zoo dor als die stok van Tannhäuser, waren de jonge iepen, die een paar jaar geleden langs zekeren noordhollandschen grintweg geplant werden; en een even groot wonder als ter wille van dien ridder geschied was, scheen het menigeen toe, dat zij waarlijk in Augustus van datzelfde jaar kroontjes begonnen te krijgen. Toen zij namelijk geplant werden, was niet alleen de kop er uitgesneden, maar waren ook de takken tot op een paar vingers van den stam afgehakt, zoodat de geheele boompjes niet veel meer waren dan bezemstelen met een bosje wortels er aan. Zij kwamen op de plaats hunner bestemming aan op een vorstigen Februaridag, en moesten „gekuild” worden tot de hal uit den grond was; en bij de planting zelve woei het een stevige noord-oostewind, zoodat men ze ter dege vast moest houden, om te zorgen dat zij recht bleven staan. Zij hadden een koud voorjaar, en de zomer moest dan ook grootendeels verloopen, eer een der hier en daar uitbottende blaadjes wezenlijk bliefde te groeien; en menigeen liep met een spottend lachje langs den weg, en krabde aan de schors, om te beproeven of er nog groen teeltweefsel onder zat. Oningewijden beweerden, dat een boom, waar eens de kop uitgehakt is, nooit weer een goed fatsoen kan krijgen; een botanicus-kamergeleerde was van gevoelen, dat de boompjes niet zouden kunnen groeien bij gebrek aan dunne twijgen, omdat eerst door de functiën der bladeren de stam en wortels zich zouden kunnen ontwikkelen. Maar zij die ondervinding van ’t geval hadden, verzekerden dat deze plantwijs meer en meer de beste blijkt te zijn voor onze winderige hollandsche vlakten. Met name voor iepen, aan wier kroonvorm het volstrekt niet hindert of ze hunne eigenlijke as missen, is het verkieslijk, dat men ze gelegenheid geeft om te wortelen voordat hun top te veel wind vangt; en daar de koppen toch na een verplanting veelal gedeeltelijk afsterven, is het voor den gelijkmatigen groei van eene laan veel beter, dat zij tot op gelijke hoogte gekapt worden. Het duurde trouwens niet lang, of zij hadden een nieuw kopje gevormd. Tot aan Sint Jan hadden zij niet veel van zich doen merken; maar reeds vóór de herfst inviel, hadden zij ieder een twintigtal loten, waarvan de langsten, bovensten, bijna een el lang waren. Slechts zeer enkelen stierven, en moesten in het volgend voorjaar ingeboet worden; het derde jaar waren zij reeds bij machte een schaduw af te werpen die iets gaf; en in het vierde jaar was, door hun toedoen, de nog kort geleden zoo kale en zonnige landweg tot een verkwikkelijke laan geworden. Welk een schoon „groen gewelf” zullen zij misschien nog eens vormen, als zij maar tijd van leven hebben! Waarlijk, de iepen van de meest beroemde straatwegen in Holland en Zeeland zijn immers ook eenmaal jonge magere stekken geweest; de zware, dikke populieren in Noord-Brabant zijn ook klein geweest in hunnen jongen tijd. De linden van de Spanjaardslaan bij Haarlem zijn ook als dunne linden-afleggers geplant moeten worden; van de prachtige houtpartijen rondom ’s Graveland bestond niets, totdat vóór nu 150 jaar Salomon Dedel aldaar zijne aanplantingen waagde; en als in zekeren winter, zeker iemand in Gelderland geen lust gehad had, om twee paar rijen beuken te planten, die hijzelf stellig nimmer groot zou zien, dan was er nooit gekomen, wat thans „de schoonste beukenlaan van Nederland”, de veelgeprezen laan van Middachten is....

De tegenhanger van de zoo even aangehaalde arabische spreuk luidt:

„maar wie een boom plant, dien zegent het nageslacht”.

V.
DE LANGE LENTE.

Inhoudsopgave

Onder de onmogelijke verhalen, die ik mij uit mijn kindertijd herinner, onafscheidelijk verbonden aan het beeld van de oude kindermeid die ze vertelde, is er een van een daglooner die een varken geslacht had, en daarvan den geheelen winter ééne zij spek bewaarde. Als de kinderen vroegen waarvoor die eigenlijk bewaard werd, dan luidde vaders antwoord: „Voor de lange lange lente.”—Eens op een bar kouden dag, terwijl de man uit was, kwam er een heel lange bedelaar vragen of hij niet een stukje spek kon krijgen. De vrouw, die erg dom was—werd er altijd bij verteld—vroeg hem, of hij dan de lange lente was, waarvoor haar man eene zij spek bewaarde. De bedelaar antwoordde van ja, en zij gaf hem de zij. Toen haar man t’huis kwam, en zij hem vertelde wat er gebeurd was, werd hij er erg boos om; en toen nu werkelijk de lange lente kwam, hadden de kinderen geen eten en stierven van den honger.

De lente nadert weer, en ik hoop van harte dat zij u niet tot verhongering zal doemen. Overigens geloof ik, dat het niet de lente zelve is die den mensch lang toeschijnt, maar wel het wachten op de lente; dat welbekende voorjaarstijdperk, waarin zieken en gezonden ongeduldig worden, omdat de dagen wel helderder, maar daarom nog niet zoeler worden, en de zon wel hooger stijgt, maar geen kracht schijnt te hebben. ’t Is vooral de maand Maart, die in dit opzicht zeer berucht is; en op al het kwaad dat men van haar pleegt te vertellen, moet ik antwoorden, dat zij zonder twijfel een dikken mantel en „goed voer en een warmen stal” zeer op prijs doet stellen. Doch zooals alle andere dingen, kan men Maart ook van twee kanten bekijken. Men kan à la baisse speculeeren op haar eigenschappen en zeggen: „Maart heet Lentemaand; een mooie lente met die Maartsche buien!” Maar men kan het, omgekeerd, ook à la hausse doen, en met een keurig versje van Gautier verzekeren:

„Mars, qui rit, malgré ses averses,

Prépare en secret le printemps.”

In deze laatste woorden is, dunkt mij, haar karakter zeer juist uitgedrukt. Men moet van Maart niet eischen of verwachten, dat zij de lente is, maar slechts dat zij de lente voorbereidt. En in dit opzicht twijfel ik ook dit jaar niet aan hare goede diensten.

Hoe zij dat doet?... Wel, door die scherpe „Maartsche lucht” die velen zoo onaangenaam aangrijpt. Wat maakt deze zoo geducht voor teêre, verwende gestellen, maar tevens zoo beroemd voor „de Maartsche bleek”? ’t Is haar rijkdom aan ozon. ’t Is omdat, in dezen tijd van het jaar, de zonnestralen hare sterkste oplossende en verbindende kracht hebben, en die kracht naar alle zijden doen gelden,—om ’t even of hun een stuk linnen of menschelijke longen ter bearbeiding aangeboden worden. Guur en bar als zij soms wezen moge, is Maartsche koude heel iets anders dan Novemberkoude; voor zwakken is zij dikwijls wèl zoo schadelijk; zij „pakt hen erg aan” en maakt hen eer verkouden; maar voor gezonden is zij des te levenwekkender. Wie op een mooien—neen, zij het slechts op een gewonen, grauwen—Maartdag één uur goed doorgeloopen heeft, voelt aan zijn eetlust, aan zijn opgewektheid en zijn helderheid, hoe „sterk” de lucht is. Hij behoeft daartoe niet eens te zien hoe dik de knoppen van de meeste heesters worden, hoe de elzen bloeien, en hoe de wilgen zich gereed maken hun voorbeeld te volgen: de groeikracht werkt inwendig. En als dan, zoo als vaak gebeurt, de lente eensklaps komt, en „het groen” in een paar dagen „uitloopt”, dan verwondert men zich dikwijls hoe dat zoo snel geschieden kan; en dan blijkt het hoeveel Maart gedaan heeft, toen zij, volgens onzen dichter, „tusschen hare buien door lachend, in ’t geheim de lente gereed maakte.” Geloof maar, wat zij kwaad doet in het openbaar, dat vergoedt zij ruimschoots in stilte.

Ik weet wel, er zijn booze jaren, waarin de lange winter aan de arme lente een poets speelt, en telkens weer zijn koude hand legt op alles, wat zich aan zijn lang gerekt gezag wil ontworstelen. Maar dat zijn uitersten en uitzonderingen. En welbezien, zal men dan altijd bevinden dat de natuurvoortbrengselen, die onder zulk een toestand lijden, diegenen zijn, die eigentlijk in ons klimaat niet thuis behooren. Zoo was het in het voorjaar van ’t beruchte jaar 1740, toen een Haarlemsch bloemkweeker, „geholpen door de Muzen” aldus in een vriendenkring zijn nood klaagde:

OP HET AFSTERVEN DER HYACINTHEN.

Een oude wrok is dus in Zephyrus’ gebleven?

Hij schijnt nog niet voldaan met Hyacinthus’ leven!

Neen, zijne gramschap treft op nieuw ’t onnozel bloed

Van dezen jongeling, in mijnen tuin gevoed.

Hij buldert met geweld, tot ondergang der loten,

Uit Phebus’ lieveling tot ons vermaak gesproten.

Ziet hier de namen, ach! ziet hier het zwaar getal!

Wie heeft geen deernis met mijn droevig ongeval?

Eerst werd Andromeda door ’t monsterdier verslonden;

Geen Perseus werd haar ten verlosser toegezonden.

De stevige Atlas, die den ganschen hemel torscht,

Moest bukken voor ’t geweld van hagel, sneeuw en vorst.

Pomona gaf den geest! Vertumnus is verdwenen.

Helpt, Goden, mijn verlies in Frankrijk’s kroon beweenen!

Fleury is heengereisd, die arme kardinaal!

Colossus viel ter neer; met hem mijn Prins Royaal.

Ach, brave Cicero, gij buktet voor tirannen;

Met u zijn Vrijheid en Het Roomsche Regt verbannen.

Formosa Helena is wederom geschaakt,

En Paris met zijn buit te zaam omkoud’ geraakt.

De groote Goliath boog voor ’t geweld der steenen,

Maar Koning David’s dood moest ik meteen beweenen.

Mijn Ganimedes lag door ’s winters hand geveld,

En werd door Arcas naar het starrendak verzeld.

Twee Roomsche keizers zijn, (Vitellius was de eene,

Augustus d’andere), met Nisa laas! verdwenen.

Zelfs Scheba’s Koningin, met Koning Salomon

Zijn door ’t geweld verdrukt, dat Juno zelfs verwon.

De Morgenster was heen, de Maagd van Dordt geschonden,

De Kroon van Salomon en Hollands Staat verslonden.

Mijn Philomela werd met Theseus omgebracht;

Polyxena op ’t graf van Peleus’ zoon geslacht.

Hier zag ik Icarus naar d’Eridaan gezonden;

Den dappren Hector aan Achilles’ lijk gebonden.

Le Roi des fleurs stierf weg, door hagel (niet van lood),

Regina hield haar man gezelschap in den dood.

De Graaf van Egmond liet in mijn gezigt het leven;

Ik heb Honorius den laatsten snik zien geven.

Hier zag ik Hannibal, daar Cesar ondergaan,

Met Palamedes en Ulyssus is ’t gedaan!

De trotsche Phaëton viel met den Zonnewagen;

Parmenio werd kort hierna in ’t veld verslagen.

’k Zag Agamemnon in zijn eigen bloed gesmoord,

En Clytemnestra naast Orestes snood vermoord,

Hier moest ik Orondaat, daar Statira beweenen,

Ginds is mij Pyramus en Thisbe’s geest verschenen.

De groote Jupiter vloog met den Arend heen,

De Zilvren Maan werd bleek; en Phebus’ glans verdween.

Ik zag Patroclus naast zijn vriend Achilles sneven,

Vorst Priamus den geest aan Pyrrhus’ voeten geven,

Het Hert is op den loop, en Pegasus op hol;

Wat van Monarq’ du Monde, een allerbesten bol,

Nog worden wil, dat moet ik straks eens aan gaan staren,—

(De droes nam mij het paard,—zou hij den ruiter sparen?)

De Sultan is verreisd; King George meê van kant,

En met den Ooijevaar naar ’t onbekende land!

’k Heb Thalia en Mars, en Hercules zien vellen;...

Waar is, o Goôn, de schaar die ’k eertijds konde tellen?

Waarmeê heb ik mijn tijd, mijn vlijt en geld verkwist?

Nu ben ik een bloemist, die al zijn bloemen mist!

’t Was heel jammer en akelig. Maar dat was dan ook in het jaar 1740. En daarbij: kan Maart het helpen, dat men hier, op onze 52½° N.B., in den kouden grond planten wil kweeken, die in de Levant t’huis behooren? Wie het wagen wil, wage het, maar werpe niet ten slotte de schuld op ons klimaat!

VI.
BIJ EEN SCHAALTJE KIEVITSEIEREN.

Inhoudsopgave

De hoofdonderwijzer van Weidesloot heeft vandaag vakantie weten te bemachtigen. Ik durf niet zeggen welke reden hij daarvoor aan den burgemeester heeft opgegeven; maar de ware is, dat het een der eerste mooie Aprildagen is, en dat hij met zijn zoontjes kievitseieren wou gaan zoeken. De man is meester in die kunst, ik geloof nog meer dan in het lezen, schrijven en rekenen; ik wil op die laatste punten geen kwaad van hem zeggen, maar alleen op het eerste heel bijzonder veel goeds. Een feit is, dat hij altijd met een mandvol eieren t’huis komt, en dat niet bij toeval, maar krachtens zijn bekwaamheid. Als hij een „kieft” ziet vliegen, kan hij niet alleen zien waar diens nest is, maar ook hoeveel eieren daarin liggen, en of er vuilen bij zijn. Hij heeft mij reeds dikwijls aangeboden, mij in de geheimen van dat vak te onderrichten; en ik heb ook een en ander van de theorie onthouden, maar de praktijk heb ik nimmer goed beet kunnen krijgen. Eens heb ik een nestje met drie eieren gevonden; maar het was meer geluk dan wijsheid dat ik die niet stuk trapte, want zij lagen vlak bij mijn voeten.

Intusschen is ’t mij vaak een waar genot geweest, om, toen ik nog in zijne buurt woonde, hem op zulke tochten te mogen vergezellen. De kievit is een weidevogel. „De kievit,” zegt Brehm ergens, „behoort bij het karakter van het hollandsche landschap, evenals de alpenkraai bij het zwitsersche, en de struisvogel bij dat van de woestijn. Hij doet onwillekeurig denken aan slooten en vaarten, aan zwartbonte1 koeien, aan windmolens en buitenplaatsen.” De vraag is, of men dit niet evengoed kon zeggen van andere vogels; de kievit is daarbij niet aan ons vaderland gebonden. Ook de duitsche vlakten hebben hare Kiebitze bij menigte; in Engeland is de Peewit geen zeldzaamheid, en in het zuiden van Frankrijk is het rijmpje in omloop:

Qui n’a pas mangé de vanneau,

N’a pas mangé de bon morceau.

(Daar eet men dus de vogels zelven; hier stellen wij ons met hun eieren tevreden, en vinden het vleesch taai en grof!)

Hoe dat zij, de groote eieren-oogst schijnt uit onze nederlandsche vlakten te komen, en die eieren moet men zoeken in de weiden. April is grasmaand, en al moge alles rondom nog kaal en dor zijn, het gras heeft zijne groene kleur, die ons lente-achtig aandoet; en een voormiddag zwervens door die groene velden levert zijne eigenaardige genoegens op. Wie mee wil, dient zich te voorzien van stevig schoeisel, en ook met zijne overige kleeding niet al te zeer op lente-zoelheid te rekenen. Al is de oostewind niet hard, hij is scherp in de vlakte, waar zijn lange, breede stroom slechts op groote afstanden door een paar huizen of een boschje wordt gebroken. Overigens, hoe eentonig dit landschap ook schijne, voor wie kijken wil, zijn er allerlei onderhoudende, belangrijke dingen te zien, al was het alleen maar in de vogelenwereld.

Wie gewoon is zijne vogelstudiën tot b. v. een stadstuin te bepalen, zal hier verscheiden vreemdelingen ontmoeten. Let, om te beginnen, eens op dat kleine geelachtige beestje, dat op den paal van ’t hek zit, waar wij door moeten. In gedaante en bewegingen komt hij geheel overeen met het welbekende parelgrijze kwikstaartje; slechts de gele kleur, het helderst aan het kopje, onderscheidt hem. Hij is pas aangekomen uit het zuiden; zijn wijfje zal wel in de buurt zijn, want men ontmoet altijd een paar bij elkander. De witte kwikstaart nestelt in de boomen of, evenals de musschen, op het dak; de gele daarentegen houdt zich lager bij den grond. Hij bouwt geen nestje; hij richt slechts een kuiltje daarvoor in. Zulks kan men trouwens van al de vogels zeggen, die met hem de weide bewonen: zij geven zich veel minder moeite voor hun nesten dan de zangers der bosschen. Daar hebt gij, van zangers gesproken, de leeuwerik. Zaagt gij ooit een leeuwerikken-nestje, met een stuk of drie eitjes of onbeholpen vederlooze jonkjes er in? Men moet een geoefend oog hebben om het te ontdekken: het is niet dieper dan duizend andere oneffenheden op een eenigszins hobbeligen bodem. Het is dan ook bekend, hoeveel moeite en zorgen vrouw Leeuwerik heeft om, beneden, het huishouden zoo goed en zoo kwaad als het gaat bij elkander te houden; terwijl haar mannetje omhoog meezingt in het concert, en door de geheele wereld gevierd wordt:—zooals trouwens in meer kunstenaarsgezinnen het geval is.

De muzikale talenten zijn overigens niet sterk vertegenwoordigd in de weide. De meeste vogels, die wij, hetzij vliegend, hetzij loopend aantreffen, heffen bij onze nadering een zeer weinig welluidend geroep aan, waarvan dan gewoonlijk hun naam: Grutto, Tureluur, Kievit, eene klanknabootsing is. Het klagend, eentonig geschreeuw van den grutto maakt, vooral wanneer de lucht wat grauw is, en het landschap om ons heen niet veel afwisseling aanbiedt, een weemoedigen, haast somberen indruk. Hij is een kleine strandlooper, nauw verwant aan de snippen; en zijn eieren worden, met die van wulpen, tureluurs en kemphanen, bij duizenden voor kievitseieren, waarop zij veel gelijken, verkocht. Het geluid van den tureluur is iets minder eentonig, zooals het woord reeds aanduidt; men zou kunnen zeggen, dat hij met het tremolo-register werkt. Doch zoodra wij nog een beetje verder in den tijd zijn, zal, vooral des morgens en des avonds, alles overstemd worden door een schel, hard, honderdmalen op denzelfden toon herhaald: Kare-kare-karekiet-kare! Dat is het liedje (?) van den karekiet of rietvink, een vaalbruin vogeltje, iets dunner en iets slanker dan een musch. Zijn stem is, voor mijne ooren, een tusschending tusschen die van een zangvogel en een kikvorsch; en, meer nog dan die van den kievit, het karakteristiek geluid van het vochtige hollandsche landschap. Als het ons ééns getroffen heeft, kunnen wij het niet kwijt raken, want werkelijk klinkt het ons altijd van den eenen of anderen kant te gemoet. Eenmaal, aan de Vecht bij Weesp, zag ik een karekietje, ter halverhoogte van een rietstengel geposteerd, volle drie kwartier lang onafgebroken zitten schreeuwen, met een kracht, die, als men het diertje niet kende, stellig naar ten minste nog een half dozijn anderen zou hebben doen zoeken.

Ik sprak daar van kemphanen. Onder al de steltvogeltjes, die ik hier opnoemde, zijn deze zeker, bij de eerste kennismaking, de merkwaardigsten. Hebt gij ooit op den rug van een hond of een kat, die zich boos of bevreesd maakte, de haren zien rechtop staan, en u bij die gelegenheid rekenschap gegeven van de spreekwijs omtrent „haren”, die „te berge rijzen”? Zoo gaat het met de veeren van den kemphaan, of liever van een soort van manteltje, dat hem om de schouders en, bij wijze van schild, voor de borst hangt. In gewonen toestand liggen deze veeren vlak tegen hem aan, zoodat zij slechts zijn hals wat verdikken; maar zoodra hij zich tot vechten gereed maakt, zet hij ze op, hetgeen hem, op Texel, niet onaardig den naam van „kraagmaker” bezorgt. Dit vechten geschiedt in den paartijd, ofschoon niet altijd bepaald om een wijfje, soms ook om een insekt dat zij gevangen hebben, of wel zonder eenige zichtbare reden, uit louter jaloezie of vechtlust. De strijd heeft altijd twee aan twee plaats: zij zijn, in meer dan één opzicht, het aangewezen zinnebeeld van het duel. Hun wapen is hun lange weeke snavel, die in de hitte van ’t gevecht dikwijls zonderlinge kwetsuren bekomt, zoodat men bijna geen oud haantje vangt, dat daarop geen wratten of litteekens heeft. Somtijds heeft men gezien, dat een van beiden den tegenstander bij de tong pakte, hetgeen altijd den dood ten gevolge had. Overigens plegen zij elkander weinig kwaad te doen: zij loopen tegen elkaar in tot zij vermoeid zijn, en scheiden dan uit.

Doch ziet, daar verschijnt nu een kievit in eigen persoon; en terwijl onze vriend de schoolmeester zijn nest gaat inspekteeren, willen wij hem zelven eens opnemen zoo goed wij kunnen. Het is altijd raadzaam om voor zulke gelegenheden een tooneelkijker mede te nemen, ten einde tegemoet te komen aan de schuwheid van de vogels, die wij nooit dicht genoeg naar onzen zin kunnen naderen. Zijn meest in het oogvallend kenmerk is zijn lange, omgekrulde kuif. Verder heeft hij de grootte van een duif of kleine meeuw, en de kleuren van een ekster, ofschoon een weinig anders verdeeld: hetzelfde wit en zwart, met beurtelings groenen en purperen weerschijn: alleen komt er aan de zijden een weinig lichtbruin bij. Zijn staart echter heeft volstrekt niets van den langen bewegelijken eksterstaart; deze is zoo kort, dat hij slechts eventjes tusschen de vleugelpunten uitsteekt. Zijn bek daarentegen is geheel anders gevormd, zooals trouwens met zijn gansche levenswijze samenhangt. Want ofschoon zijne pooten niet lang genoeg zijn om hem dadelijk, door oningewijden, als een steltlooper te doen herkennen, zoo is hij er toch zonder twijfel een. Merkt slechts op hoe hij, bij het vliegen, de pooten achteruit steekt, in plaats van ze onder ’t lichaam op te trekken.—Een raar ding toch, dat vliegen. Is het niet iets merkwaardigs, dat de achterpooten van een dier zóó dun zijn, dat zij bijna geen gewicht hebben, en bijna geen ruimte beslaan; en daarentegen zijne voorpooten zóó sterk ontwikkeld en met dons en gesloten vederen begroeid, dat zij dienst doen kunnen als de zeilen van een schip? Dat daarbij de vorm van zijn borst en zijn gebeente hem vergunnen zich naar willekeur zwaarder of lichter te maken; en hij dus van nature de inrichting bezit, die men met zooveel vergeefsche moeite aan een luchtbal tracht te geven... Dat hij zwenkt en zwiert door het luchtruim, onbewust van een gave, die wij hem benijden, en die wij hem, sinds Icarus zich arendsvleugelen aan liet binden, nog altijd niet hebben leeren nadoen!...

„Ik wou dat ik een vogel was,

Een vogeltje met veêren.”

Zoo zingen de kinderen, en onder alle schoolversjes is dit een dergenen, waarmee hun jong hart het meest instemt; en ondanks al zijn eigene bewegelijkheid kan een kind lang achtereen oplettend naar een vogel kijken, en eindelooze vragen doen omtrent het geheim van zijn vliegkunst. De volwassene laat zich daar in den regel niet mee in. Een vogel vliegt omdat zijn aard het meebrengt, „en een mensch is nu eenmaal geen vogel,” luidt zijn afdoend antwoord. Is dat vooruitgang in ons geestesleven? Is dat toenemen in wijsheid, naarmate wij toenemen in jaren?... Wee dengenen die geen vragen meer doen!

Onze kievit heeft intusschen zijn wijfje opgeroepen; zij vliegen samen op een kleinen afstand om ons heen. Zij maken allerlei verschillende bewegingen, voeren als het ware een ballet in de lucht uit, en roepen allerhande variatiën op het thema kie-vit. Van vragen-doen gesproken: wat beteekent die taal? Wat vertellen zij elkander? Zonder twijfel zien zij op dit oogenblik het gevaar waarin hun eieren verkeeren. Zij hebben dan ook alle reden om zich bang te maken, want de meester heeft het nest reeds ontdekt. Hij roept er ons bij, om te zien hoe netjes de vier eitjes er in geschikt liggen, allen met de punt naar het midden. Hij toont ons hoe zorgvuldig de bodem met grashalmen belegd is. Dit belet hem echter niet hun geheelen schat weg te nemen, zoodat voor ons, die in dit vak nog niet verhard zijn, hun heesche klaagtonen als een welverdiend verwijt klinken. Wel doen zij hun best om den roover af te leiden door naar een verkeerden kant te vliegen; maar tegen zijne menschensluwheid kunnen hunne vogellisten niet op. Het ergste voor de arme dieren is, dat zij minstens nog drie weken lang hetzelfde lot te goed hebben. Zoodra zij nieuwe eieren leggen, hebben zij alle kans, daarvan op nieuw beroofd te worden. Eerst met Mei... Geen dichter kan zich zoo warm maken over de „wonderschoone Meimaand” als de kievitten doen zouden, indien zij iets van menschelijke tijdrekening en menschelijke wetten begrepen. Vanaf 1 Mei toch is het zoeken van eieren verboden en wordt het beboet, en zijn de vogels, zooal niet altijd werkelijk, dan toch officieel veilig. Van dien datum af is er dus voor hen mogelijkheid om jongen uit te broeden, waarvoor zij zestien dagen noodig hebben. Men zegt dat dezen, zoodra zij zich bewegen kunnen, door de moeder naar een beschut plekje tusschen hoog gras of struikgewas gelokt worden, en haar grootste zorg is verder, niet, ze tegen menschen, maar tegen wouwen en torenvalken te verdedigen. Onder hare leiding leeren de jongen zich in de wereld bewegen; dat wil voor een kieviet zeggen: aardwormen, larven, slakken zoeken, aan den slootkant drinken, en zich baden, hetgeen men hen zeer dikwijls met bijzondere behaaglijkheid ziet doen. Ingeval van nood, bijvoorbeeld wanneer zij door een roofvogel vervolgd worden, ziet men hen zelfs onderduiken; maar dit kunnen zij niet lang volhouden, en als het water diep is, bezwijken zij bij dat waagstuk. Soms, als zij in grooten getale bijeen zijn, durven zij zoo’n vijand aan te vallen, en slagen er vaak in hem op de vlucht te drijven; evenals zij dikwijls eene koe doen vluchten, hetgeen een zeer vermakelijk gezicht is. Zij zijn in dit opzicht hoogst voorzichtig en oplettend, en dienen door hun luid geschreeuw, bij den minsten kans van verraad, den anderen vogels uit de buurt voor schildwacht. Den jacht-liefhebbers is die ijver vrij onwelkom, zoodat dezen hen vaak naar de Mookerhei of een ander denkbeeldig verbanningsoord wenschen en hun vertrek, in September, zegenen. Zij gaan dan, voor zoover men hen kan volgen, naar het zuiden van Europa, en keeren in de eerste helft van Maart, eerst bij kleine troepjes, later in grooter zwermen, herwaarts terug.

1 Men bedenke dat in Duitschland rood-bonte koeien, bij ons eene uitzondering, de overhand hebben; getuige de ransels der duitsche soldaten, die allen met roodbonte huiden overtrokken zijn.↑

Pulsuz fraqment bitdi.

3,79 ₼

Janr və etiketlər

Yaş həddi:
0+
Litresdə buraxılış tarixi:
16 yanvar 2025
Həcm:
210 səh. 1 illustrasiya
ISBN:
4064066402815
Naşir:
Müəllif hüququ sahibi:
Bookwire
Yükləmə formatı:

Oxşar kitablar