Kitabı oxu: «De lynch-wet»

Şrift:

Gustave Aimard

De lynch-wet


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066403966

Inhoudsopgave

I.

DE JACAL.

II.

IN DE JAGERSHUT.

III.

EEN GESPREK.

IV.

EEN BLIK TERUG.

V.

DE HACIENDA QUEMADA.

VI.

DE APACHEN.

VII.

DE DOLLE-BISONSHEUVEL.

VIII.

DE ZWARTE-KAT EN DE EENHOORN.

IX.

DE SAMENKOMST.

X.

KRIJGSLIST.

XI.

IN EEN HOEK VAN HET BOSCH.

XII .

DE ZENDELING.

XIII.

TERUGKEER TOT HET LEVEN.

XIV.

EEN OUDE KENNIS.

XV.

HET HERSTEL.

XVI.

DE MEDEPLICHTIGE.

XVII.

MOEDER EN ZOON.

XVIII.

DE BERAADSLAGING.

XIX.

DE ZOON DES BLOEDS.

XX.

DE ROODE-CEDER.

XXI.

CURUMILLA.

XXII.

EL MAL PASO.

XXIII.

EL RASTREADOR.

XXIV.

EEN KAMP IN DE BERGEN.

XXV.

EEN HAZARDSPEL.

XXVI.

HOE NATHAN ZICH KWEET.

XXVII.

EEN SPOOR IN DE LUCHT.

XXVIII.

EEN GRAUWE-BERENJACHT.

XXIX.

HERKENNING.

XXX.

HOE NATHAN VOOR TOOVENAAR SPEELT.

XXXI.

DE WITTE-GAZELLE.

XXXII.

HOE NATHAN ZICH VERDER GEDRAAGT.

XXXIII.

WIE DE SLIMSTE WAS.

XXXIV.

LIST TEGEN LIST

XXXV.

DE JACHT WORDT VOORTGEZET.

XXXVI.

DE LAATSTE SCHUILHOEK.

XXXVII.

DE CASSETTE.

XXXVIII.

EEN ROOKZUIL IN DE BERGEN.

XXXIX.

HET WILDE ZWIJN IN ZIJN LAATSTE VERSCHANSING.

XL.

DE LYNCH-WET.
I.
DE JACAL.

Inhoudsopgave

Het was omtrent drie ure in den namiddag. Een eenzame ruiter, in Mexicaansche kleeding, reed in snellen galop langs den oever eener rivier zonder naam, die zich in de Rio Gila uitstort, en wier grillige kronkelingen hem noodzaakten om tallooze omwegen te maken.

Deze ruiter, ofschoon steeds met de hand aan den trekker van zijn geweer en scherp uitkijkende, om op alle onvoorziene gebeurtenissen dadelijk gereed te zijn, zette zijn paard gedurig aan met teugel en stem, alsof hij haast had om het doel zijner reis te bereiken.

De wind woei vrij sterk; met dat al was de lucht smoorheet en sjirpten de onder het lange gras verscholen krekels hun eentonig, wanluidend gezang. De vogels beschreven groote kringen in de bovenlucht en slaakten van tijd tot tijd scherpe kreten; zware koperkleurige wolken dreven gedurig over de zon en onderschepten hare doffe stralen; kortom, alles voorspelde een geducht onweder.

De reiziger scheen echter hier niet op te letten; op den hals van zijn paard gebogen, de blikken onafgewend voor zich uit richtende, versnelde hij onophoudelijk den galop van zijn viervoet, ongeacht den regen die met groote droppels begon te vallen, en het dof gerommel van den donder dat zich in de verte liet hooren.

Intusschen zou de jongman, zoo hij gewild had, zich gemakkelijk onder het schaduwrijke lommer van het eeuwenheugend natuurwoud hebben kunnen verschuilen, dat hij meer dan een uur aan zijne rechterhand had, en zoodoende het ergste van het onweder kunnen laten voorbijgaan; maar sterker aandrang dreef hem ongetwijfeld voort, want terwijl hij al sneller en sneller doorzette, gaf hij zich zelfs de moeite niet, zijn ruimen zarape over zijne schouders te slaan en zich zoodoende tegen den stortregen te dekken; het eenige waarmede hij zich behielp, was dat hij bij iederen rukwind die boven en rondom hem gierde, de hand aan zijn hoed bracht om hem dieper op zijn hoofd te drukken, terwijl hij gedurig met eene hortende stem zijn paard aanzette:

»Voort! voort! Negro!”

Inmiddels werd de rivier, wier boorden hij volgde, van lieverlede nauwer en op zeker punt waren de beide oevers zoo dicht met boomen, struiken en ineengevlochten lianen bezet, dat zij geheel onzichtbaar werd.

Aan dit punt komende, hield de reiziger stil.

Hij steeg af, bespiedde met zorg den omtrek, nam zijn paard bij den toom en geleidde het naar een dicht kreupelbosch, waar hij het zorgvuldig verborg en met de lasso aan een boomstam vastmaakte, na het eerst de bossal (het gebit) te hebben afgedaan om het te vrijer te laten grazen.

»Blijf gij maar hier, mijn Negro,” zeide hij, het moedige dier met de hand streelende, »en hinnik niet, want de vijand is nabij; ik kom spoedig weder bij u.”

Het schrandere dier scheen te verstaan wat zijn meester hem zeide, want het strekte den fijnen kop uit en streek den jongman zacht langs de borst.

»Goed, goed, Negro, tot spoedig!”

De onbekende nam twee pistolen uit de holsters, stak ze in zijn gordel, wierp zijn karabijn over den schouder en verwijderde zich met haastige stappen naar den kant der rivier.

Hij drong zonder aarzelen het dichte bosch in, dat den oever der rivier bedekte en schoof voorzichtig de takken uiteen die hem den doortocht versperden.

Aan den rand van het water komende, bleef hij een poosje staan, boog zich voorover en scheen te luisteren; daarna richtte hij zich weder op en mompelde:

»Nog niemand! hoe is dat?”

Nu waagde hij zich op een warbosch; met andere woorden op eene vlecht van dicht ineengestrengelde lianen en struiken, die zich van den eenen oever tot den anderen uitstrekte en hier eene natuurlijke brug vormde over de rivier.

De brug, hoe licht en onvast zij schijnen mocht, was hecht en sterk, en ondanks de zwaaiende beweging die de gang van den reiziger haar mededeelde, kwam hij binnen weinige sekonden aan den overkant.

Nauwelijks had deze den anderen oever bereikt, of een jong meisje kwam uit het dichte kreupelbosch waar zij verscholen was te voorschijn.

»Eindelijk!” riep zij, hem te gemoet ijlend; »o! ik dacht dat gij nooit komen zoudt, don Pablo!”

»Ellen!” antwoordde de jongman met een blik daar zijne gansche ziel in te lezen was, »de dood alleen had het mij kunnen beletten.”

Deze reiziger was don Pablo de Zarate; het meisje Ellen, de dochter van den Roode-Ceder1.

»Kom!” riep zij.

De Mexicaan volgde haar.

Zij gingen eenige oogenblikken voort zonder een woord samen te wisselen.

Toen zij de struiken en het kreupelhout door waren dat de rivier omzoomde, zagen zij kort voor hen uit eene armzalige jacal, die zich eenzaam en treurig verhief en tegen eene rots gebouwd was.

»Hier woon ik,” zeide het meisje met een weemoedigen lach.

Don Pablo zuchtte, maar antwoordde niet.

Zij gingen verder, in de richting der jacal, die zij weldra bereikten.

»Ga zitten, don Pablo,” hervatte het meisje, haar gast een taboeret aanwijzende, daar hij zich onmiddellijk op neervlijde, »ik ben alleen; mijn vader en mijne twee broeders zijn dezen morgen met zonsopgang vertrokken.”

»Zijt gij niet bang,” vroeg don Pablo, »hier zoo alleen in de woestijn, omringd door duizend gevaren en zoo ver van alle menschelijke hulp?”

»Wat kan ik er aan doen?” antwoordde zij, »ik ben dit leven gewoon, het gebeurt immers zoo dikwijls.”

»Gaat uw vader dan zoo gedurig van huis?”

»Sedert den laatsten tijd slechts; ik weet niet wat hij ducht, maar zoowel hij als mijne broeders schijnen bijzonder treurig en bezorgd; zij doen vaak verre tochten, en als zij dan vermoeid en teleurgesteld te huis komen, hoor ik van hen niets dan ruwe en korte woorden.”

»Arm kind,” zei don Pablo, »ik zal u wel zeggen wat de reden is van die verre reizen.”

»Denkt gij dan dat ik die niet geraden heb?” hernam zij; »neen! neen, onze horizont is veel te donker en te dreigend, om niet te gevoelen dat er een onweder broeit, dat ons weldra overvallen zal,.… maar!” vervolgde zij, min of meer gedwongen, »laten wij liever over onze eigene zaken spreken, de tijd is kostbaar; wat hebt gij uitgericht?”

»Niets,” antwoordde de jongman blijkbaar verlegen; »al mijne pogingen zijn vruchteloos geweest.”

»Dat is vreemd,” murmelde Ellen, »dat koffertje kan toch niet weg zijn.”

»Dat geloof ik evenmin als gij, Ellen; maar in wiens handen is het geraakt? dat is het wat ik u niet zou kunnen zeggen.”

Het meisje dacht even na.

»Wanneer hebt gij het eerst ontdekt dat het weg was?” hervatte don Pablo een oogenblik later.

»Nauwelijks een paar minuten na den dood van Henri; verschrikt als ik was door het rumoer van den strijd en het vreeselijk gedreun der aardbeving, wist ik bijna niet wat ik dacht of deed; maar toch ik herinner mij eene enkele omstandigheid, die ons zeker wel op weg zal helpen.”

»Spreek, Ellen, spreek; hoe het ook gaan mag en wat er ook gedaan moet worden, ik doe het.”

Het meisje zag hem aan met een onbeschrijfelijken blik; zij trad naderbij, legde hem de hand op den arm en zei met eene stem zoo helder en welluidend als een vogel:

»Don Pablo, eene ronde en vrijmoedige verklaring is tusschen ons onvermijdelijk.”

»Ik begrijp u niet, Ellen,” stotterde de jongman de oogen neerslaande.

»Ja,” hervatte zij met een weemoedigen glimlach. »Ja, gewis gij begrijpt mij, don Pablo; maar dat doet niets ter zake, al veinst gij niet te weten wat ik u zeggen wil, ik zal mij zoo duidelijk verklaren, dat er tusschen ons geen misverstand meer mogelijk is.”

»Spreek, Ellen, al kan ik uw doel nog niet gissen, voorzie ik toch reeds een ongeluk.”

»Ja,” zeide zij, »gij hebt gelijk, er schuilt inderdaad een groot ongeluk onder hetgeen ik u te zeggen heb, zoo gij niet van ganscher harte bewilligt in hetgeen ik u verzoek.”

Don Pablo stond op.

»Waarom nog langer geveinsd?” riep hij, »daar ik u niet kan bewegen van uw voornemen af te zien, Ellen, is de verklaring die gij van mij vordert overbodig. Denkt gij dan waarlijk,” vervolgde hij terwijl hij met driftige stappen de jacal op en neder trad, »dat ik niet duizendmaal de zonderlinge betrekking in welke wij tegenover elkander staan van alle kanten beschouwd en overwogen heb? De onvermijdelijke loop der omstandigheden heeft ons te zamen gebracht, op eene wijs die geen menschelijk doorzicht kan voorzien.

»Ik bemin u, Ellen, ik bemin u van ganscher hart, u, de dochter van den doodvijand mijner familie, van hem wiens handen nog rooken van het bloed mijner zuster, dat hij geplengd heeft in den koelbloedigsten en laaghartigsten moord! Ik weet dit alles; en ik beef als ik aan mijne liefde denk, die in het oog der oppervlakkig oordeelende wereld gedrochtelijk moet schijnen. Al wat gij mij kunt zeggen, heb ik mij zelven zoo dikwijls gezegd; maar eene onweerstaanbare macht sleept mij voort op deze noodlottige helling. Wil, redeneering en besluit, alles moet zwichten voor de hoop om u eene minuut te zien en eenige woorden met u te wisselen.

»Ik bemin u, Ellen, en ik ben in staat om alles, vrienden, verwanten en betrekkingen, alles te trotseeren, op het oogenblik waarop deze liefde voor aller oog openbaar wordt en men mij zou willen dwingen er van af te zien.”

De jongman uitte deze verklaring met fonkelenden blik en schelle klaterende stem, als iemand wiens besluit onherroepelijk vast stond.

Ellen boog het hoofd, twee tranen rolden langs hare verbleekte wangen.

»Schreit gij!” riep hij, »mijn God! heb ik mij dan bedrogen en bemint gij mij niet?”

»Of ik u bemin, don Pablo!” antwoordde zij met een diepe stem, »ja, ik bemin u meer dan mij zelve; maar helaas, die liefde zal ons ongeluk zijn, een onoverkomelijke slagboom scheidt ons van elkander.”

»Het kan zijn!” riep hij met vuur; »maar neen, Ellen, gij bedriegt u, gij zijt niet de dochter van den Roode-Ceder, gij kunt die niet zijn. O! dat koffertje, als wij dat verwenschte koffertje slechts hadden, ik zou de helft van den leeftijd dien God mij nog geven zal, willen missen om het terug te vinden. Ik ben stellig overtuigd dat in dit koffertje de bewijzen zijn die ik zoek.”

»Waartoe zoudt gij u met eene dwaze hoop vleien, don Pablo? Ik zelf heb te veel gewicht gehecht aan eenige losse woorden tusschen den Squatter en zijne vrouw gewisseld; mijne kindsche herinneringen hebben mij bedrogen, dat is helaas maar al te zeker; ik ben er thans van overtuigd, dat ik werkelijk de dochter ben van dien man.”

Don Pablo stampvoette van verontwaardiging.

»Denkt gij dat!” riep hij: »het is onmogelijk, het kan niet zijn; de valk paart zich niet met de duif, de duivels kunnen geene engelen gewinnen! Neen! die booswicht kan uw vader niet zijn!.…. Hoor eens, Ellen, bewijzen heb ik er niet voor, integendeel, alles stelt mij in het ongelijk; de schijn is geheel tegen mij: en toch! hoe dwaas het ook schijne, toch ben ik zeker dat ik gelijk heb en dat mijn hart mij niet misleidt als het mij zegt dat die man u vreemd is.”

Ellen zuchtte.

Don Pablo hervatte:

»Intusschen, Ellen, moet ik u oogenblikkelijk verlaten. Langer hier blijven zou uwe veiligheid in de waagschaal stellen; doe mij dus de noodige verklaring die ik verwacht.”

»Waartoe dat!” prevelde zij ontmoedigd, »het koffertje is weg.”

»Dat ben ik niet met u eens; integendeel, ik geloof dat het in handen gekomen is van iemand die er zich van bedienen wil, tot welk oogmerk weet ik niet, maar ik zal er wel achter komen, stel u deswege gerust.”

»Daar gij het eischt, don Pablo, hoor mij dan, ofschoon hetgeen ik u zeggen zal zeer onbepaald is.”

»Elke lichtstraal hoe zwak ook, zal strekken om mij den weg te wijzen en zal misschien voldoende zijn om het verlorene weder te vinden.”

»God geve het!” zuchtte zij. »Ziedaar dan het weinige wat ik zeggen kan, en nog is het mogelijk dat ik mij bedrieg, want op het oogenblik toen het gebeurde was ik zoo verschrikt, dat ik niet zeggen kan of hetgeen ik dacht te zien stellig waar is.”

»Maar hoe dan ook.…..” zei de jongman ongeduldig.

»Toen Harry door een kogel getroffen met den dood lag te worstelen, waren er twee mannen bij hem, de eene reeds gewond, was de herbergier Andres Garote, de andere die zich op het zieltogende lijk had geworpen scheen met drift de zakken te onderzoeken.”

»Wie was die laatste?”

»Fray Ambrosio.”

»Fray Ambrosio!”

»Ja; ik meen zelfs mij te herinneren dat hij van den armen jager wegging met kwalijk verborgen zelfvoldoening, terwijl hij iets in zijn borst wegmoffelde dat ik niet goed zien kon.”

»Zonder twijfel heeft hij zich van het koffertje meester gemaakt.”

»Zeer waarschijnlijk, maar ik zou het niet kunnen verzekeren, want ik herhaal u, vriend, dat ik geheel buiten staat was om iets duidelijk te onderscheiden.”

»Maar,” vervolgde don Pablo, die zijn eigen idee volhield, »waar is Fray Ambrosio gebleven?”

»Dat weet ik niet; na de aardbeving zijn mijn vader en zijne metgezellen in verschillende richtingen verstrooid, daar elk een goed heenkomen zocht. Mijn vader had meer dan iemand anders er belang bij om zijn spoor te verbergen. De monnik verliet ons bijna onmiddellijk; sinds dien tijd heb ik hem niet meer gezien.”

»Heeft de Roode-Ceder er niets van gezegd dat gij weet?”

»Nooit.”

»Dat is vreemd! maar geen nood, Ellen, ik zweer u dat ik hem vinden zal, al moest ik hem in de onderwereld zoeken! Niemand anders dan die ellendeling heeft het koffertje gestolen.”

»Don Pablo,” zeide het meisje opstaande, »de zon gaat onder, mijn vader en mijne broeders kunnen ieder oogenblik komen; wij moeten scheiden.”

»Gij hebt gelijk, Ellen, ik ga.”

»Adieu, don Pablo, het dondert sterk, wie weet of gij wel zonder ongeluk bij uwe vrienden terugkomt.”

»Ik hoop ja, Ellen, maar als gij mij vaarwel toeroept twijfel ik geenszins of ik zal u wederzien; geloof mij, lief kind, stel uw vertrouwen op God, Hij alleen kent de harten; zoo Hij wil dat wij elkander beminnen, is het omdat die liefde ons gelukkig zal maken.”

Op dit oogenblik schoot er een bliksemstraal door de wolken en kraakte er een vreeselijke donderslag.

»Daar is de orkaan!” riep het meisje, »ga, in ’s hemels naam ga.”

»Tot weerziens, mijn beminde, tot weerziens,” zei de jongman de hut uitstormende, »vertrouw op God en op mij.”

»Hemelsche Vader!” riep Ellen, terwijl zij op de knieën zonk; »geef dat mijne voorgevoelens mij niet bedriegen, want dan zou ik uit wanhoop sterven.”

1 Zie de Gids der Prairiën en de Roovers der Prairiën.↑

II.
IN DE JAGERSHUT.

Inhoudsopgave

Nadat don Pablo vertrokken was, bleef Ellen nog lang peinzen; zij gaf geen acht op het al heviger en heviger losbrekend onweder, noch op het woest gehuil van den storm, die met iederen rukwind de ellendige jacal deed schudden en dreigde omver te werpen.

Ellen dacht na over haar gehouden gesprek met den Mexicaan; de toekomst scheen haar somber en treurig en met vele smarten beladen.

Ondanks al hetgeen de jongman haar gezegd had, was de hoop in haar hart niet doorgedrongen, zij gevoelde zich onwillekeurig als naar den rand eener steilte gesleept, waar zij onfeilbaar in zou moeten afstorten.

Alles voorspelde haar een onvermijdelijk dreigend ongeluk, dat Gods hand vreeselijk en onverbiddelijk zou doen wegen op den man wiens wandaden Zijne gerechtigheid maar al te lang hadden getrotseerd.

Tegen middernacht hoorde zij een gedruisch van paarden dat langzamerhand naderde en eindelijk hielden er verscheidene personen voor de hut stil.

Ellen stak een toorts van kaarshout aan en opende de deur.

Er traden drie mannen binnen.

Het was de Roode-Ceder met zijne twee zonen Nathan en Sutter.

Sedert eene maand ongeveer was er in de wijze van doen en spreken van den Squatter eene onverklaarbare verandering gekomen.

Deze woeste onbeschofte man, wiens dunne lippen zich gedurig tot een spottenden lach samentrokken, die steeds schampere en harde woorden in den mond had, die van niets anders droomde dan van moord en plundering zonder ooit wroeging of berouw te kennen, die man was sedert eenigen tijd somber en droefgeestig geworden; eene heimelijke onrust scheen hem te verteren; somwijlen, wanneer hij meende dat niemand op hem lette, kon hij met onbeschrijfelijk treurigen blik naar Ellen zitten staren en slaakte hij diepe zuchten, terwijl hij zwaarmoedig het hoofd schudde.

Ellen had deze verandering, daar zij geen voldoende reden voor wist en die haar ongerustheid niet weinig vermeerderde, niet onopgemerkt gelaten; want voor zulk eene omkeering in een gemoed zoo krachtig en weerbarstig als dat van den Roode-Ceder moesten wel zeer ernstige redenen bestaan.

Doch welke waren die redenen? ziedaar eene vraag die Ellen vruchteloos poogde op te lossen, daar geen de minste lichtstraal haar geest verhelderde of hare vermoedens tot klaarheid bracht.

De Squatter, zoo veel zijne verwaarloosde opvoeding dit toeliet, was betrekkelijk altijd goed voor haar geweest en behandelde haar met zekere grofsoortige zachtmoedigheid, zooveel mogelijk den ruwen klank zijner stem verzachtend als hij haar toesprak.

Sedert echter de boven gemelde omkeering bij hem had plaats gegrepen, was hij jegens Ellen de teederheid zelve geworden.

Hij waakte met de meeste zorg voor haar welzijn en trachtte onophoudelijk te voorzien in de duizend kleine geriefelijkheden daar de vrouwen zoo veel prijs op stellen, maar die in de woestijn zoo moeilijk te bekomen zijn en daarom eene tiendubbele waarde bezitten.

Gelukkig wanneer hij maar een glimlach zag zweven op de lippen van het arme kind welks lijden hij vermoedde zonder er nochtans de verborgen oorzaak van te kennen, bespiedde hij haar met des te meer ongerustheid, wanneer haar bleeke kleur en roode oogen hem blijken gaven van hare doorwaakte nachten of vergoten tranen gedurende zijne afwezigheid.

De hardvochtige man, bij wien de laatste zweem van teederheid scheen te zijn verstorven, voelde op eens in zijn hart een ongekende snaar trillen, welker bestaan tot hiertoe voor hem was verborgen gebleven, en onwillekeurig zag hij zich als tegen wil en dank met de menschheid verzoend door de reinste van alle hartstochten: de vaderlijke liefde!

Er was inderdaad iets groots en tegelijk iets schrikbarends in de genegenheid van dezen man des bloeds voor zulk een zwak en fijngevoelig meisje als Ellen.

Zijn wilde dierenaard vertoonde zich zelfs in de liefkozingen waarmede hij haar overlaadde: een zonderling samenstel van moederlijke teederheid en tijgerachtige jaloezie.

De Roode-Ceder scheen alleen voor zijne dochter en door zijne dochter te leven. Met de liefde scheen ook de schaamte bij hem teruggekeerd, terwijl hij namelijk zijn rooversbedrijf onafgebroken voortzette, hield hij zich voor Ellen alsof hij het geheel had opgegeven om het eerlijke woudloopers- en jagersbedrijf aan te nemen.

Het meisje liet zich door deze leugen maar half om den tuin leiden.

Doch wat ging het haar aan?

Zij was zoo geheel met hare liefde ingenomen dat alles daar buiten haar onverschillig werd.

De Squatter en zijne zonen waren verdrietig, zij schenen vol zorg toen zij de jagershut binnen traden.

Zij gingen zitten zonder een woord te spreken.

Ellen haastte zich om het eten op te disschen, dat zij gedurende hunne afwezigheid had gereed gemaakt.

»Het avondeten is klaar,” zeide zij.

De drie mannen zetten zich stilzwijgend aan tafel.

»Zult gij niet mede eten?” vroeg de Roode-Ceder.

»Ik heb geen honger,” antwoordde zij.

De Squatter en zijne beide zoons begonnen te eten.

»Hum!” bromde Nathan, »Ellen is lekker, zij houdt meer van de Mexicaansche keuken dan van de onze.”

Ellen bloosde maar antwoordde niet.

De Roode-Ceder sloeg met de vuist op de tafel en riep toornig:

»Zwijg, zeg ik! wat gaat het u aan of uwe zuster eet of niet, zij is immers vrij om hier te doen of te laten wat zij verkiest.”

»Dat spreek ik niet tegen,” bromde Nathan, »maar het is alsof zij opzettelijk weigert om met ons samen te eten.”

»Gij zijt een wolvenkind! ik zeg u nog eens dat uwe zuster hier baas is en dat niemand recht heeft om haar verwijtingen te doen.”

Nathan boog gemelijk het hoofd en at weder voort.

»Kom maar hier, kind,” hervatte de Roode-Ceder, zijne ruwe stem zooveel verzachtende als hij maar kon. »Kom eens hier, ik zal u iets geven dat ik voor u heb medegebracht.”

Het meisje naderde.

De Roode-Ceder haalde een gouden horloge met een langen gouden ketting er aan uit zijn borstzak.

»Ziedaar,” vervolgde hij, het haar om den hals hangende, »ik weet dat gij sinds lang gewenscht hebt een horloge te bezitten, dit heb ik voor u gekocht van een reiziger dien wij in de prairie ontmoetten.”

Onder het uitspreken dezer woorden voelde de Squatter tegen wil en dank dat hij rood werd, want hij loog: het horloge was geroofd van eene vrouw door hem bij het aanranden eener karavaan gedood.

Ellen had gezien dat hij rood werd.

Zij deed het horloge weer af en gaf het aan den Roode-Ceder terug, zonder iets te zeggen.

»Wat doet gij, kind,” zeide hij verwonderd over deze weigering, die hij voor ’t minst niet verwachtte, »waarom neemt gij dit kleinood niet aan, ik zeg u nog eens dat ik het opzettelijk voor u gekocht heb.”

Ellen keek hem strak aan, en antwoordde met eene vaste stem:

»Omdat er bloed aan dat horloge kleeft; het is zeker afkomstig van een diefstal, misschien van een moord.”

De Squatter verbleekte; onwillekeurig bekeek hij het horloge; werkelijk was er een bloedvlek op de kast.

Nathan schoot in een ruwen schaterenden lach.

»Bravo!” riep hij, »goed gezien, zoo waar als ik leef, dat heeft de kleine eens knap geraden.”

De Roode-Ceder, die bij het verwijt van Ellen de oogen had neergeslagen, vloog bij dit gezegde op alsof hem een adder gestoken had.

»Heb ik u niet gezegd dat gij zwijgen zoudt,” riep hij woedend terwijl hij de taboeret daar hij op zat opnam en er zijn zoon mede naar ’t hoofd smeet.

Deze ontweek den worp en greep naar zijn mes.

Een gevecht scheen onvermijdelijk.

Sutter stond met den rug tegen den wand der jacal geleund, met de pijp in den mond en de armen op de borst, en scheen den strijd met een spotachtigen grijns te zullen aanzien.

Ellen daarentegen wierp zich stoutmoedig tusschen den Squatter en zijn zoon.

»Houd op!” riep zij, »in ’s hemels naam! Nathan, durft gij uw vader dreigen! en gij, vader, ontziet gij u niet om uw eerstgeborene te treffen?”

»Laat mijn vader naar den duivel loopen!” antwoordde Nathan; »hij moet niet denken dat ik een kind ben, of dat mijn hoofd er naar staat om zijne mishandelingen te verduren. Caramba! zijn we niet allen bandieten; ons eenige recht is de kracht, wij erkennen geen ander; laat mijn vader mij verschooning vragen, dan zal ik zien of ik hem vergeven kan!”

»Verschooning! aan u, rekel!” brulde de Squatter en met een sprong als een tijger schoot hij op den jongman toe, greep hem bij de keel, en wierp hem onder zich.

»Ha, wat zegt gij!” vervolgde hij hem de knie op de borst zettende, »de oude leeuw heeft nog kracht; uw leven is in mijne handen. Wel! wat zegt gij er van? zult gij nog langer met mij spotten?”

Nathan brulde en kromde zich als een slang, om zich aan den benauwenden druk te ontwringen.

Eindelijk erkende hij zijn onmacht en verklaarde zich overwonnen.

»’t Is genoeg,” zeide hij, »gij zijt sterker dan ik, gij kunt mij dooden.”

»Neen,” zeide Ellen, »dat zal niet; sta op vader, laat Nathan los; en gij broeder, geef hier uw mes; zulk een strijd tusschen vader en zoon is immers onbestaanbaar?”

Zij bukte om het mes op te rapen, dat de jongman had laten glippen.

De Roode-Ceder stond op.

»Laat u dit een les zijn,” zeide hij, »om in ’t vervolg voorzichtiger te wezen.”

Onthutst en beschaamd dat hij op den grond had gelegen, stond de jongman op zonder een woord te spreken en nam weder plaats aan de tafel.

De Squatter wendde zich op nieuw tot zijne dochter en bood haar het kostbare juweel voor de tweede maal aan.

»Wilt gij het niet hebben?” vroeg hij.

»Neen,” antwoordde zij vast besloten.

»’t Is goed,” mompelde hij.

En zonder blijkbare drift liet hij het horloge vallen, zette er zijn hiel op en trapte het tot gruis.

Het overige van den maaltijd liep zonder ongevallen af. De drie mannen aten met wolven-vraatzucht zonder een woord te spreken en werden door Ellen bediend.

Toen de pijpen waren aangestoken wilde het meisje zich verwijderen naar de afzonderlijke kamer waar zij sliep.

»Blijf hier, kind!” zei de Roode-Ceder, »ik heb iets met u te spreken.”

Ellen ging in een hoek der jacal zitten en wachtte.

De drie mannen rookten vrij lang, maar wisselden geen enkel woord.

Daarbuiten woedde het onweder steeds voort.

Eindelijk schudden de jongelieden de asch uit hunne pijpen en stonden op.

»Zooals we zijn afgesproken dus,” vroeg Nathan.

»Zooals we zijn afgesproken,” antwoordde de Roode-Ceder.

»Hoe laat zullen ze ons komen halen?” vroeg Sutter.

»Een uur voor zonsopgang.”

»’t Is goed.”

De twee broeders legden zich op den grond neder, wikkelden zich in hunne dierenvellen en waren weldra in diepen slaap.

De Roode-Ceder bleef een poos in gedachten verzonken en Ellen zat altoos onbeweeglijk.

Eindelijk hief zij het hoofd op.

»Kom eens hier, kind,” zeide hij.

Zij naderde en bleef voor hem staan.

»Kom naast mij zitten.”

»Waarom dat? Spreek maar, vader, ik luister,” antwoordde zij.

De Squatter was blijkbaar verlegen, hij wist niet hoe hij het gesprek zou openen; eindelijk na lang aarzelen begon hij:

»Gij lijdt, Ellen.”

Het meisje glimlachte treurig.

»Hebt gij dat van daag voor het eerst opgemerkt, vader?” antwoordde zij.

»Neen, meisje; uwe droefheid is reeds lang door mij opgemerkt. Gij zijt niet geschikt voor het leven in de woestijn.”

»’t Is waar,” antwoordde zij.

»Wij gaan de prairie verlaten,” hernam de Roode-Ceder.

Ellen ontroerde zichtbaar.

»Reeds spoedig?” vroeg zij.

»Van daag reeds; binnen weinige uren gaan wij op weg.”

Het meisje keek hem aan.

»Dus zullen wij de grenzen der beschaving naderen?” vroeg zij.

»Ja,” riep hij min of meer onthutst.

Zij glimlachte treurig.

»Waarom bedriegt gij mij, vader?” zeide zij.

»Wat wilt gij daarmede zeggen?” riep hij. »Ik begrijp u niet.”

»Gij begrijpt mij integendeel zeer goed, en het zou beter zijn mij ronduit uwe meening te verklaren dan mij te willen misleiden aangaande een doel dat ik niet gissen kan. Helaas!” vervolgde zij met een zucht, »ben ik niet uwe dochter en zal ik de gevolgen niet moeten ondergaan van het leven dat gij verkiest te leiden?”

De Squatter fronste de wenkbrauwen.

»Ik geloof dat er in uwe woorden een bedekt verwijt schuilt,” antwoordde hij. »Het leven begint pas voor u, kind; hoe durft gij reeds de daden van een man te beoordeelen?”

»Ik beoordeel niets, vader. Zoo als gij wel zegt, begint het leven eerst voor mij; maar toch, hoe kort tot hiertoe mijn aanzijn wezen mag, is het niets dan een aaneenschakeling van lijden geweest.”

»Dat is waar, mijn arm kind,” zei de Squatter meewarig; »vergeef mij, ik zou u zoo gaarne gelukkig zien. Helaas! God heeft mijne pogingen niet gezegend, alles wat ik deed was alleen om uwentwil.”

»Zeg dat toch niet, vader,” riep zij met drift; »maak mij zoodoende niet zedelijk medeplichtig en verantwoordelijk voor uwe wandaden, die ik verfoei; of gij zoudt mij naar mijnen dood kunnen doen verlangen?”

»Ellen, Ellen! gij hebt mijne gezegden niet goed begrepen; ik ben nooit voornemens geweest u.….” hier hield hij uit verlegenheid op.

»Breken wij af,” hervatte zij; »wij gaan van hier vertrekken, niet waar, vader! Onze schuilplaats is ontdekt, wij moeten vluchten; dat hebt gij mij willen mededeelen, niet waar?”

»Ja,” riep hij, »dat heb ik, al begrijp ik niet hoe gij het zijt te weten gekomen.”

»Wat doet er dat toe, vader. En welken kant moeten wij uit?”

»Voorloopig trekken wij dieper de bergen in, naar de Sierra de los Comanches.”

»Zeker om voor onze vervolgers ons spoor te verbergen?”

»Ja, daarom, en nog om eene andere reden,” vervolgde hij half binnensmonds.

Maar hoe zacht hij ook mocht gesproken hebben, Ellen had het verstaan.

»Waarom nog meer?” vroeg zij.

»Dat gaat u weinig aan, kind; dat is geheel mijne zaak.”

»Gij bedriegt u, vader,” hernam zij min of meer stout; »van het oogenblik af dat ik uw medeplichtige word, moet ik ook kennis dragen van alles. Wie weet?” vervolgde zij met een weemoedigen glimlach, »wellicht kan ik u goeden raad geven.”

»Daar zal ik geen gebruik van maken.”

»Een woord nog.”

»Spreek.”

»Gij hebt talrijke vijanden, mijn vader.”

»Helaas! ja,” riep hij op onverschilligen toon.

»Wie zijn het, die u heden dwingen te vluchten?”

»De onverbiddelijkste van allen.”

»Zoo!”

»Ja, don Miguel de Zarate.”

»Wiens dochter gij zoo laaghartig hebt vermoord.”

De Roode-Ceder sloeg woest met de vuist op de tafel.

»Ellen!” riep hij.

»Weet gij er een anderen naam voor, die meer naar waarheid is?” riep zij streng.

De bandiet liet het hoofd hangen.

»Dus gij gaat vluchten,” hervatte zij; »nog verder vluchten, altijd vluchten.”

»Wat anders?” mompelde hij.

Ellen boog zich naar hem toe, legde haar blanke fijngevormde hand op zijn arm en zag hem strak in de oogen.

»Welke zijn die mannen, die zich over een paar uren met ons zullen vereenigen?” vroeg zij.

»Fray Ambrosio, Andres Garote, onze oude vrienden, anders niet.”

»Dat schijnt wel,” prevelde het meisje met een zweem van afschuw; »het algemeene gevaar verzamelt u. Welnu, vader, gij en uwe vrienden, gij zijt niets dan laaghartigen.”

Bij dezen beleedigenden uitval, hem door zijne dochter koelbloedig naar het hoofd geworpen, werd de Squatter doodsbleek; hij stond driftig op.

»Zwijg!” riep hij grimmig.

»De tijger die in zijn hol wordt aangevallen verweert zich tegen zijne jagers,” hervatte het meisje, »waarom volgt gij zijn voorbeeld niet?”

Een onheilspellende grijns krulde de lippen van den Squatter.

»Ik weet wel beter,” zeide hij op een toon die zich onmogelijk laat beschrijven.

Het meisje keek hem een poos aan.

»Wees op uwe hoede!” zeide zij met eene diep geroerde stem, »wees op uwe hoede! Gods hand is over u, zijne gerechtigheid zal vreeselijk zijn.”

Hierop verwijderde zij zich langzaam en ging naar het vertrek dat voor haar afzonderlijk bestemd was.

De bandiet stond door hare ernstige en dreigende waarschuwing een poos als verplet; maar spoedig herstelde hij zich, haalde minachtend de schouders op en terwijl hij zich naast zijne zonen op de tijgervellen uitstrekte, mompelde hij met een gesmoorde maar spotachtige stem:

»God!.… zou Hij bestaan?”

Weldra hoorde men in de hut niets meer dan het ademhalen der drie slapende mannen.

Ellen lag in hare kamer geknield te bidden.

Daar buiten woedde het onweder met verdubbelde hevigheid.

III.
EEN GESPREK.

Inhoudsopgave

Na zijn vertrek uit de jacal was don Pablo de Zarate de rivier overgegaan en had hij aan de andere zijde zijn paard in het boschje teruggevonden, waar hij het bij zijne komst zorgvuldig had vastgemaakt.

Het arme dier, door de felle bliksemstralen en hevige donderslagen verschrikt, hinnikte van blijdschap toen het zijn meester wederzag.

Zonder een oogenblik te verliezen sprong de jongman in den zadel en verwijderde zich in galop.

Hij had een langen weg af te leggen om weder bij zijne vrienden te komen; de nacht, die gedurende zijn gesprek met Ellen gedaald was, werd van oogenblik tot oogenblik donkerder.

De regen viel bij stroomen neder, de wind huilde door het geboomte, en de jongman liep ieder oogenblik groot gevaar om te verdwalen, daar hij als op den tast zijn pad moest zoeken in de onbegrensde wildernis die zich voor hem uitbreidde en die de duisternis hem belette in al hare diepte te peilen, zoodat hij nauwelijks wist waar hij zich bevond.

Gelijk alle wakkere lieden die aan een avontuurlijk leven gewoon zijn, was don Pablo tegen zulk een strijd wel opgewassen; zijn wilskracht nam toe naarmate de moeielijkheden rondom hem zich opeenstapelden en wel verre van zich te laten ontmoedigen maakte de nood hem des te vaster in zijn besluit.

Zoodra hij zich eenmaal een bepaald doel had voorgeschreven, gaf hij om niets meer en moest hij het bereiken, het kostte wat het wilde.

Zijne liefde voor Ellen—om zoo te zeggen door een bliksemstraal ontstaan, als gewoonlijk bij jeugdige hartstochtelijke gemoederen, voor welke het onvoorziene steeds eene groote rol speelt—deze liefde, zeggen wij, die hem geheel onvoorbereid overrompeld had toen hij er het minst aan dacht, had bij don Pablo, zonder dat hij het zelf wist, allengs zulke diepe wortelen geschoten, dat ieder opkomend bezwaar hoe groot en onverbiddelijk ook haar veeleer deed toenemen.

Ofschoon hij den Roode-Ceder een doodelijken haat toedroeg en hem bij de eerste gelegenheid de beste, als een wild dier, zonder aarzelen zou hebben om hals gebracht, was zijne liefde voor Ellen een dwepende hartstocht, ja eene schier afgodische hulde geworden, die geen redeneering meer toeliet en waaraan hij zich overgaf met al de vervoering van een verboden geluksgoed.

Het jonge meisje wederkeerig, dat hare maagdelijke onschuld te midden van een rooversgezin zoo rein bewaard had, koesterde voor hem eene onweerstaanbare genegenheid.

In het straks met haar gevoerde gesprek had hij haar gezegd, innig overtuigd te zijn dat zij de dochter van den Roode-Ceder niet wezen kon.

En waarom?

Dit zou hij zelf onmogelijk hebben kunnen zeggen, maar met eene vasthoudendheid van wil die slechts weinige menschen bezitten, zocht hij onvermoeid naar nieuwe bewijzen voor deze overtuiging die op niets scheen te steunen, en wat meer is, hij zocht ze met de volle bewustheid van ze te zullen vinden.

Door een zonderling toeval had hij sedert de laatste vier weken het toevluchtsoord van den Roode-Ceder ontdekt, welk verblijf zelfs Valentin, de beroemde Gids der Prairiën, nooit had kunnen raden. Don Pablo had zich deze gelukkige vondst onmiddellijk ten nutte gemaakt om zijne beminde weder te zien die hij voor altijd meende uit het oog verloren te hebben.

Deze onverhoopte uitkomst was hem zoo welkom dat hij iederen namiddag, zonder iets aan zijne vrienden te zeggen te paard steeg en tien mijlen ver uitreed om gedurende eenige minuten met Ellen te kunnen spreken.

Voor deze liefde zweeg alle opkomende bedenking; hij liet zijne vrienden zich in vruchtelooze gissingen verdiepen, en bewaarde zorgvuldig zijn dierbaar geheim, om ten minste een tijdlang gelukkig te zijn, daar hij zeer goed begreep dat het verblijf van den Roode-Ceder weldra zou worden ontdekt.

Inmiddels genoot hij het tegenwoordige.

Zoo gaat het met alle jonge en dwaze verliefden, voor hen is het toekomende niets en het tegenwoordige alles.

Don Pablo galoppeerde onder het lichten der bliksemstralen en gevoelde niets van den stortregen die hem overstelpte, noch van den wind die boven zijn hoofd bulderde.

Vol van zijne liefde, dacht hij alleen aan zijn gehouden gesprek met Ellen, en herinnerde zich nog eens ieder woord dat hij in het ras vervlogen uur met haar gewisseld had.

Op eens begon zijn paard, daar hij het allerminst om dacht, luide te hinniken.

Don Pablo keek onwillekeurig op.

Geen tien passen van hem af, stond een ruiter dwars over den weg.

»Hé daar!” riep de jongman terwijl hij zich in den zadel oprichtte en zijne pistolen overhaalde. »Gij zijt wel laat op het pad, kameraad. Laat mij even voorbij, als ik u verzoeken mag.”

»Ik ben niet later op het pad dan gij, don Pablo,” klonk het gezette antwoord, »wij ontmoeten immers elkander.”

»Is ’t mogelijk!” riep de jongman terwijl hij zijne pistolen in rust bracht en ze weder in de holsters stak, »wat duivel doet gij hier, don Valentin?”

»Dat ziet gij wel, ik wacht.”

»Wacht gij?”

»Ja.”

»En wie kunt gij wachten, zoo laat in den avond?”

»U, don Pablo.”

»Mij!” riep de Mexicaan verwonderd, »dat vind ik vreemd.”

»Niet zoo vreemd als gij denkt, ik verlang een onderhoud met u te hebben dat niemand hooren mag, en daar dit in het kamp niet gaan zou, ben ik u hier op weg komen opvangen; dat is dunkt mij al zeer eenvoudig.”

»Inderdaad; maar ik spreek van het uur en de plaats die gij hebt uitgekozen, vriend.”

»Hoezoo dat?”

»Drommels! in zulk een vreeselijk onweder, het dondert en bliksemt boven en rondom ons, wij hebben geen plaats om ons hoofd te bergen, en ik zeg u nog eens, wij zijn dichter bij den morgen dan bij den avond.”

»Dat is zoo; maar ik had dringende haast en ik kon over geen andere plaats of uur beschikken.”

»Gij maakt mij ongerust, vriend; is er weder iets nieuws gebeurd?”

»Tot nog toe niets dat ik weet; maar weldra zullen wij wat zien, maak daar rekening op.”

De jongman smoorde een zucht en antwoordde niet.

Onder deze snelle woordenwisseling was de jager den Mexicaan genaderd en stonden zij tegenover elkander.

Valentin begon op nieuw.

»Wil mij eenige minuten volgen. Ik zal u ergens brengen waar wij op ons gemak kunnen praten, zonder vrees van gestoord te zullen worden.”

»Wat gij mij te zeggen hebt moet dan wel zeer gewichtig zijn.”

»Gij zult er spoedig zelf over oordeelen.”

»En moet gij mij ver weg brengen?”

»Niet meer dan een paar stappen, naar eene grot, die het flikkeren van den bliksem mij deed ontdekken.”

»Kom dan!”

De beide ruiters gaven hunne paarden de sporen en galoppeerden stilzwijgend naast elkander voort.

Zoo reden zij nauwelijks tien minuten, in de richting van een dicht kreupelbosch aan den oever der rivier.

»Wij zijn er,” zei Valentin terwijl hij zijn paard inhield en afsteeg; »stijg ook af, maar laat mij vooraan gaan, het zou wel eens kunnen zijn dat de grot daar wij wezen moeten reeds door iemand anders in bezit was genomen, die ons ongaarne zijne plaats zou willen inruimen, het is altoos zaak om voorzichtig te werk te gaan.”

»Wat bedoelt gij? Wie denkt gij dat in die grot zou kunnen zijn?”

»Dat ik weet, niemand,” antwoordde de luchthartige Franschman; »maar in ieder geval is het goed om voorzichtig te zijn.”

Met deze woorden haalde Valentin van onder zijn zarape twee fakkels te voorschijn en stak ze aan: de een hield hij voor zich zelven, de andere gaf hij aan don Pablo en nu gingen beiden, nadat zij vooraf hunne paarden hadden gekluisterd om te beletten dat zij weg zouden loopen, dwars door de struiken heen en stapten stoutmoedig naar de grot.

Nauwelijks hadden zij eenige passen gedaan of zij bevonden zich aan den ingang van een dier prachtige natuurlijke grotten, ontstaan door de een of andere aardbeving of vulkanische uitbarsting, die in deze streken zoo veelvuldig zijn.

»Geef wel acht!” mompelde Valentin zacht tegen zijn metgezel.

De onverwachte komst der twee mannen schrikte een zwerm nachtvogels en vleêrmuizen op, die in de grot huishielden en, onder groot geschreeuw in alle richtingen wegvlogen.

Valentin vervolgde rustig zijn weg zonder zich om deze spookachtige gasten te bekreunen, wier maaltijd of nachtrust hij zoo onverhoeds kwam storen.

Op eens klonk er uit het diepste der grot een rauw en langdurig gebrom.

De beide mannen bleven stokstijf staan.

Zij bevonden zich tegenover een prachtigen zwarten beer, die in de spelonk zonder twijfel zijn gewone verblijf had gekozen, en thans op zijn achterste pooten staande met opgesperden muil aan de lastige indringers die hem zoo onbescheiden in zijn schuilhoek kwamen storen een rij ivoorwitte tanden liet zien van bijzondere lengte en eene tong zoo rood als bloed.

Zoo als beren gewoonlijk doen, balanceerde hij zwaarlijvig op de achterpooten en hield zijne ronde lichtschuwe oogen strak op de avonturiers gevestigd, met een blik die alles behalve geschikt was om hen vroolijk te maken.

Gelukkig dat deze geene lieden waren die zich licht of op den langen duur vervaard lieten maken.

»Zoo!” mompelde Valentin, het ondier in oogenschouw nemende, »dat is een knaap die lust schijnt te hebben om zijn souper van ons te maken, of ik heb het mis.”

»Wacht even,” antwoordde don Pablo lachende, »mijn geweer integendeel zal eerst een souper met hem zien te doen.”

»Pas toch op dat gij hem niet schiet,” riep de jager, met drift den jongman terughoudende die zijn geweer reeds op den beer aanlegde; »een geweerschot in de spelonk zou zulk een vreeselijken slag geven; en men kan nooit weten welk volk hier in den omtrek zwerft; wij moeten ons niet lichtvaardig bloot stellen.”

»Dat ’s waar!” antwoordde don Pablo. »Wat zullen wij doen?”

»Daar zal ik voor zorgen,” hernam Valentin, »neem mijn fakkel en houd u klaar om mij te helpen.”

Hij zette zijn karabijn tegen een der wanden van de grot en ging even naar buiten, terwijl de Mexicaan den beer gezelschap bleef houden die door het ongewone fakkellicht verblind onbewegelijk staan bleef, en geen poot scheen te durven verzetten om nader te komen.

Na verloop van eenige minuten kwam Valentin terug; hij had zijn lasso gehaald die aan den zadel van zijn paard vast hing.

»Plant nu uwe toortsen in den grond, dan hebt gij de handen ruim, en houd u gereed.”

Don Pablo gehoorzaamde.

De jager maakte zijn lasso met de meeste zorg in orde, liet hem over zijn hoofd zwaaien en floot op zekere schelle manier.

Op dit onverwacht appèl kwam de logge beer twee stappen vooruit.

Dit was zijn ongeluk.

De lasso snorde Valentin van de hand, de loopende knoop viel het dier over den hals en de mannen gingen aan ’t trekken, deinsden rugwaarts en sleepten uit al hun macht den beer met de lasso voort.

Het ongelukkige dier, op deze wijze geworgd, hing de tong een voet ver uit den muil, het wankelde, viel en poogde met zijne lompe klauwen vergeefs den vervloekten strop los te krabben die hem de keel toekneep.

De jagers lieten zich echter door de hopelooze pogingen van hunnen geduchten vijand niet vervaard maken, maar trokken des te harder en vierden de lasso niet voordat de beer eindelijk den laatsten adem had uitgeblazen.

»Nu moet gij onze paarden maar hier brengen,” zei Valentin toen hij zag dat het dier werkelijk dood was, »dan zal ik onzen vijand de pooten afsnijden om ze onder de heete asch te braden terwijl wij er bij zitten te keuvelen.”

De jongman gehoorzaamde en toen hij met de beide paarden aan de hand in de grot terugkwam, vond hij Valentin, die intusschen een goed vuur had aangelegd, bezig met den beer netjes te villen, wiens pootjes, zooals hij gezegd had, reeds lagen te braden.

Don Pablo voorzag de paarden van het noodige voeder en kwam toen naast Valentin bij het vuur zitten.

»Wel,” zei deze met een lach, »wat vindt gij er van, kunnen wij hier niet goed zitten keuvelen?”

»O! opperbest,” antwoordde de jongman luchthartig terwijl hij tusschen zijne vingers eene maïs cigarette rolde met al de behendigheid die het Spaansche ras eigen schijnt te zijn, »wij zijn hier volkomen op ons gemak, vertel mij nu maar wat gij mij te zeggen hebt, vriend.”

»Daar ben ik dadelijk gereed toe,” hernam de jager, die juist met het villen van den beer klaar was en bedaard zijn jachtmes afveegde om het weder in zijne laars te steken. »Zeg eens, hoe lang is het nu geleden dat gij het verblijf van den Roode-Ceder ontdekt hebt?”

Bij deze vraag, die hij volstrekt niet verwachtte en die zoo op den man af zonder eenige inleiding gedaan werd, ontroerde de jongman, hij kleurde tot over de ooren en verloor zijne zelfbeheersching, zoodat hij niet wist wat te antwoorden.

»Maar.…” stotterde hij.

»Sedert eene maand misschien, of daar omstreeks?” vervolgde Valentin onverstoord alsof hij de verlegenheid van zijn vriend niet opmerkte.

»Ja ongeveer,” antwoordde de andere, zonder te weten wat hij zeide.

»En sedert eene maand,” hervatte de jager onverbiddelijk, »gaat gij alle nachten bij uw vader de deur uit, om van liefde te gaan praten met de dochter van hem die uwe zuster heeft vermoord?”

»Wel, vriend!” riep de jongman gemelijk.

»Gij wilt dus zeggen dat het niet waar is?” hervatte de jager streng, terwijl hij zijn kameraad een blik toewierp die dezen de oogen deed neerslaan, »verklaar u nader, don Pablo, ik verwacht uwe terechtwijzing; ik ben verlangend te hooren hoe gij het maken zult, vriend, om mij te bewijzen dat gij reden hebt zoo te handelen als gij doet.”

Terwijl Valentin dezen langen volzin sprak, had de jongman tijd gehad om, zoo al niet geheel, dan toch gedeeltelijk zijne tegenwoordigheid van geest terug te bekomen.

»Gij zijt gestreng,” zeide hij; »alvorens mij te beschuldigen hadt gij ten minste de moeite moeten nemen om de redenen te hooren die ik voor mijn gedrag te geven heb.”

»Wacht eens, vriend,” antwoordde Valentin met drift, »wij moeten de zaak niet verwringen, laten wij ronduit spreken, gij behoeft u de moeite niet te geven mij de geschiedenis uwer liefde te vertellen, die ken ik even goed als gij, ik heb die zien ontluiken en opgroeien; laat ik u met uw welnemen alleen dit zeggen, dat ik ten minste, na den moord van dona Clara, zeker meende te zijn dat gij die liefde, die tot hiertoe tegen alles bestand scheen, onherroepelijk zoudt verbreken. Men kan niet blijven liefhebben waar men minachting en afgrijzen gevoelt; de dochter van den Roode-Ceder moet thans voor u omgeven zijn als met een bloedige wolk.”

»Don Valentin!” riep de jongman verdrietig, »wilt gij nu een engel verantwoordelijk stellen voor de wandaden van een booswicht?”

»Ik zal met u niet redetwisten over de beruchte strijdvraag of de gebreken en misdaden enkel persoonlijk zijn; de gebreken ja, zijn zulks misschien, maar in de woestijn behoort een geheel gezin aansprakelijk te worden gesteld voor de misdrijven van het hoofd; zonder dat bestaat er voor de eerlijke lieden geen veiligheid meer.”

»O! hoe kunt gij zoo spreken!”

»Zeer goed! komen wij dan op een ander terrein, als dit u niet bevalt, daar heb ik niets tegen. Gij zijt bijv. de edelste en trouwste ziel die ik ken, don Pablo, en gij zult er zeker nooit aan hebben gedacht om Ellen lichtzinnig te behandelen, niet waar?”

»O!” riep de jongman met levendige drift.

»En zoudt gij haar dan tot uwe vrouw willen maken?” zei Valentin met snerpenden nadruk, terwijl hij hem strak in ’t gezicht keek.

Don Pablo neigde wanhopig het hoofd.

»Ik ben onder de macht van den booze!” riep hij uit.

»Neen!” zei Valentin hem bij den arm grijpende; »gij zijt een dwaas! Als alle jongelieden, laat gij u door uw hartstocht beheerschen en wegslepen, gij luistert alleen naar deze en gij veracht de stem der rede, en daarom begaat gij verkeerdheden die bij de eerste gelegenheid zonder dat gij het wilt misdaden kunnen worden.”

»Spreek toch zoo niet, mijn vriend.”

»Nu zijt gij eerst aan de verkeerdheden,” vervolgde Valentin onverbiddelijk, »maar wees op uwe hoede!”

»O! gij lijkt wel dwaas, vriend, dat gij mij zulke dingen zegt. Geloof mij vrij, hoe groot mijne liefde voor Ellen ook wezen mag, nooit zal ik de plichten vergeten die de zonderlinge stelling mij oplegt, in welke wij tegenover elkander geplaatst zijn.”

»En gij zijt sedert eene maand met het verblijf van den onverzoenlijksten vijand uwer familie bekend, terwijl gij dat geheim in uw diepsten boezem bewaart, om aan de eischen van eenen hartstocht gehoor te geven, die niet anders dan op oneer voor u kan uitloopen! Gij ziet ons dagelijks te vergeefs alle mogelijke middelen aanwenden om het spoor van onzen bittersten vijand terug te vinden en gij verraadt ons in koelen bloede, ja met voorbedachten rade om dagelijks eenige woorden te kunnen wisselen met het voorwerp uwer liefde, terwijl gij ons diets zoekt te maken dat gij even als wij steeds op vruchtelooze ontdekkingen uitgaat. Welken naam kunt gij aan zulk een gedrag geven, zoo het niet is die van verraad?”

»Valentin! ’t is of gij er op uit zijt om mij te beleedigen; de vriendschap die tusschen ons bestaat geeft u geen recht om dus te handelen; wees gewaarschuwd, het geduld heeft zijne grenzen.”

De jager stuitte zijne rede met een snerpenden schaterlach.

»Gij ziet het, kind,” zeide hij op strengen toon, »gij begint mij reeds te bedreigen!”

De jongman zonk geheel verslagen op den grond neder.

»O!” riep hij wanhopig, »heb ik nog niet genoeg geleden!”

Valentin beschouwde hem een poos met innig medelijden, toen boog hij naar hem toe en legde hem de hand op den schouder.

»Luister naar mij, don Pablo,” zeide hij met eene zachtzinnige stem.

IV.
EEN BLIK TERUG.

Inhoudsopgave

Wij zullen thans ons verhaal hervatten van het punt waar wij het aan het slot van de Roovers der Prairiën gelaten hebben.

Gedurende een tijdsverloop van zes maanden sedert den dood van dona Clara, hadden er zekere gebeurtenissen plaats gehad, die de lezer volstrekt weten moet om hem te doen begrijpen hetgeen volgen zal.

Men herinnert zich zonder twijfel dat de Witte Gazelle, terwijl zij in bewusteloozen toestand naast het lijk van Sandoval lag, door den Zoon des Bloeds was opgenomen.

Laatstgenoemde had het meisje dwars voor zich op den hals van zijn paard geworpen, en was spoorslags met haar weggereden in de richting der teocali die hem tot verblijf en tevens tot sterkte diende.

Wij zullen thans deze twee gewichtige personages, die wij maar al te lang verwaarloosd hebben, op hun spoor volgen.

Het was verschrikkelijk om aan te zien, zoo teugelloos snel als de Zoon des Bloeds voortholde.

In den donkeren nacht, die vormlooze groep, van het paard met zijne twee menschelijke wezens bevracht, dat de nachtelijke duisternis gedurig verlichtte door de vonken die het uit de keien op den weg deed ontspringen.

De forsche hoeven van het voortijlende dier verpletterden alles wat zij aanraakten, terwijl het met spitsen neus en uitgerekten hals de lucht doorkliefde.

De ooren achterwaarts gestrekt en uit de opgesperde neusgaten dampwolken spuitend, die lange witte sporen achter zich lieten, stoof het voort, hijgend en snuivend, met het gebit tusschen de gesloten tanden, wit van de schuimvlokken en telkens brieschende van smart, terwijl zijne flanken onophoudelijk door de felle sporen van zijn ongeduldigen berijder geteisterd, rookten van zweet en bloed.

Maar hoe meer het zijn loop versnelde, des te meer trachtte de Zoon des Bloeds het aan te zetten en zijne snelheid te vermeerderen.

Boomen, rotsen, moerassen, heuvels, alles vloog met ongehoorde vaart aan weerszijden van den weg voorbij.

De Witte Gazelle had zich tot bewustzijn voelen terugbrengen door de korte en hortende schokken die het rennende paard aan haar lichaam mededeelde.

Haar ontbonden haren van ongewone lengte sleepten door het stof, hare ten hemel gerichte oogen zwommen in tranen van wanhoop, verdriet en onmacht.

Op gevaar af van zich het hoofd tegen de steenen langs den weg te verpletteren, deed zij vergeefsche pogingen om aan de armen van haren schaker te ontsnappen.

Doch deze, de woeste blikken vol onmiskenbare vreugd op haar gericht houdende, scheen niets te gevoelen van den schrik dien hij het jonge meisje veroorzaakte, of liever hij scheen er een onbeschrijfelijken wellust in te vinden.

Zijne hardvochtig saamgetrokken lippen lieten van tijd tot tijd een scherp gefluit hooren, dat dienen moest om de drift van zijn mustang aan te vuren, die door den aandrang van zijn berijder als razend geworden, om zoo te zeggen niet meer aan den grond raakte en de ruimte scheen te verslinden als het spookros uit de Duitsche ballade van Bürger.

Het meisje gaf een gil.

Maar die kreet ging verloren in de sombere echoos, weggedragen op den wervelwind van dezen onzinnigen loop.

Het paard rende altijd voort.

Op eens wist de Witte Gazelle, al hare krachten verzamelende, zich zoo schielijk los te rukken dat hare voeten reeds bijna den grond raakten; doch de Zoon des Bloeds was op zijne hoede en eer zij nog in staat was haar evenwicht te herstellen, bukte hij zonder zijn paard een oogenblik te vertragen en het meisje bij de lange haarvlechten vattende, hief hij haar op en zette haar weder op hare vorige plaats.

Een snik ontsnapte de borst der teleurgestelde Gazelle en zij viel weder in flauwte.

»Ha! gij ontsnapt mij niet,” riep de Zoon des Bloeds, »niemand op de wereld zal u aan mijne handen ontrukken.”

Intusschen had de nacht plaats gemaakt voor den dag.

De zon verrees in al haren luister uit de kimmen.

Duizenden vogels begroetten met lustig gezang den terugkeer van het licht.

De natuur was vroolijk ontwaakt en de hemel, van het doorzichtigste blauw, beloofde een dier schoone dagen, die het gezegende klimaat dezer gewesten als zijn uitsluitend eigendom schijnt te bezitten.

Eene vruchtbare landstreek vol van de heerlijkste verscheidenheid breidde zich uit links en rechts van den weg, tot waar zij als in de verte verdween en met den horizon ineensmolt.

Het schijnbaar levenloos lichaam der Gazelle hing aan weerszijden van het paard, weerloos te balanceeren op iedere beweging die zijn galop haar mededeelde.

Het laag afhangend hoofd met doodelijke bleekheid bedekt, de lippen blauw en half geopend, de tanden gesloten, met ontblooten boezem en hijgende borst, trilde zij onder de forsche hand van den Zoon des Bloeds die haar loodzwaar drukte.

Eindelijk bereikten zij een grot, waar een veertigtal Indianen ten oorlog toegerust, gekampeerd lagen.

Die mannen waren het volk van den Zoon des Bloeds.

Hij gaf hun een wenk, en zij brachten hem een paard.

Het werd tijd: want nauwelijks stond het dier, dat hem tot hiertoe gedragen had, stil of het zakte ineen en uit zijne neusgaten, mond en ooren stroomde een zwart branderig bloed.

De ruiter besteeg oogenblikkelijk het versche paard, nam het meisje weder in zijne armen en reed andermaal voort.

»Naar de Hacienda Quamada!”1 riep hij.

De Indianen, die blijkbaar alleen op de komst van hun chef hadden gewacht, volgden hem onmiddellijk.

Weldra ijlde de geheele troep met den Onbekende aan het hoofd in vliegenden galop voorwaarts, gehuld in een dikke wolk van stof die zij rondom zich opjoeg.

Na een rit van vijf uren, die in snelheid alle beschrijving voorbijstreeft, zagen de Indianen in de blauwende verte de hooge torenspitsen eener stad boven eene massa rook en dampen uitsteken.

De Zoon des Bloeds en zijn troep hadden de grenzen van het Verre Westen bereikt en waren buiten de woestijn.

De Roodhuiden reden een weinig links af en galoppeerden dwars door de velden en bouwlanden, met roekeloozen moedwil de rijpe oogsten vertrappende die ze bedekten.

Na verloop van omtrent een half uur bereikten zij den voet van een heuvel die zich midden in de vlakte verhief.

»Wacht mij hier,” riep de Onbekende, zijn paard inhoudende; »en wat er ook gebeure, verroert u niet voor dat ik weder bij u kom.”

De Indianen bogen ten teeken van gehoorzaamheid en nu zijn paard de sporen gevende reed hij met gevierden teugel weg.

Deze rit duurde niet lang.

Nauwelijks was de Zoon des Bloeds uit het oog zijner volgers of hij hield stil en steeg af.

Na zijn paard onttuigd te hebben, om het des te beter en naar hartelust het hooge en malsche gras op de vlakte te laten afknabbelen, nam de Onbekende het meisje weder op, dat hij een poos op de zoden had neergelegd waar zij roerloos was blijven liggen, en maakte zich gereed om met haar den heuvel te bestijgen.

Het was nu reeds avond, het uur waarop het vogelenkoor zijn laatste lied aanstemde voor de ondergaande zon, wier vurige schijf juist in de kimmen zonk en met hare schuinsche stralen geen helder licht meer verspreidde. De schaduw nam met rassche schreden toe.

Intusschen verhief zich de wind met eene kracht die van minuut tot minuut aanwies; de hitte was drukkend; dikke zwarte wolken met grijze randen, door een storm in de bovenlucht voortgestuwd, dreven zwaar door het uitspansel en schenen steeds lager op de aarde af te dalen.

Kortom, alles verkondigde voor den aanstaanden nacht een dier ontzettende orkanen zoo als men ze alleen in deze streken ontmoet en die de kloekhartigste mannen van schrik doen verbleeken.

De Zoon des Bloeds was steeds klimmende, met het meisje in zijne armen, wier verbleekt hoofd gevoelloos op zijn schouder rustte.

Lauwe regendroppels zoo groot als piasters begonnen bij tusschenpoozen te vallen en het aardrijk te besprenkelen, dat ze onmiddellijk inzoog.

Een scherpe en doordringende reuk wasemde uit den grond en bezwangerde den dampkring.

De Zoon des Bloeds klom steeds met denzelfden fermen langzamen stap met gebukt hoofd en gefronste wenkbrauwen.

Eindelijk had hij den top des heuvels bereikt.

Daar bleef hij eenige sekonden staan om een bespiedenden blik in het rond te werpen.

Op dit oogenblik scheurde een verblindende bliksemstraal het laaghangende zwerk en verlichtte het landschap met een blauwen weerschijn, terwijl het volgende oogenblik een krakende donderslag losbarstte.

»Ja,” mompelde de Onbekende op somberen toon als beantwoordde hij met luide stem eene inwendige gedachte, »de natuur schijnt zich in harmonie te stellen met het tooneel dat hier zal plaats vinden, zij wordt de lijst voor dit tafereel; het onweder daarboven is nog op verre na zoo vreeselijk niet als hetgeen in mijn binnenste woedt. Welaan! het zij zoo; die vreeselijke melodie ontbrak er nog aan. Ik ben de Wreker, ik zal de taak van den daemon volbrengen die ik mij in een nacht van waanzinnigheid heb opgelegd.”

Na deze onheilspellende woorden geuit te hebben, hervatte hij zijn tocht in de richting van een hoop half verkoolde steenen, die met zwarte punten niet ver van hem af, door het hooge gras opstaken.

De kruin van den heuvel waar de Zoon des Bloeds zich bevond, droeg den stempel van onbeschrijfelijke woestheid.

Tusschen de dichte struiken van het hooggepluimde gras zag men zwartgebrande puinhoopen, stukken van muren, en half ingestorte gewelven, voorts hier en daar vruchtboomen, wilde dahlia’s, ceders en eene noria of waterput, aan welks langen balansstok nog de lederen emmer hing waarmede eertijds het water werd opgehaald.

Te midden der ruïnen verhief zich een zwart houten kruis, ter aanduiding van eene begraafplaats; aan den voet van dat kruis lagen in afschuwwekkende orde een twintigtal grijnzende doodshoofden opgestapeld, die door wind en zon geblakerd en gepolijst eene geelachtige kleur als ivoor hadden gekregen. In den omtrek van dit graf slopen de slangen en hagedissen, als de eigenaars dezer graftomben, in stilte tusschen het gras en staarden met hunne kleine, ronde, schichtige oogen den vreemdeling aan, die hunne eenzaamheid durfde verstoren.

Niet ver van het graf was een soort van afdak van saamgevlochten bamboes, dat hier en daar losgewaaid op het instorten stond, maar hoe bouwvallig het ook wezen mocht, toch een schamele toevlucht bood aan den reiziger die door het onweder verrast hier eene schuilplaats zocht.

Naar dit afdak richtte thans de Zoon des Bloeds zijne schreden.

Binnen eenige minuten had hij het bereikt en was hij tegen den regen beschut, die op dit oogenblik, in stroomen begon te vallen.

Het onweder was in zijne volle kracht; het bliksemde onophoudelijk, de donder klaterde en rommelde als duizend rollende wagens, en de storm geeselde het geboomte met verdubbelde woede.

De Zoon des Bloeds legde het meisje op een hoop dorre bladeren in een hoek van de schuur en na haar een poos met aandacht beschouwd te hebben, kruiste hij de armen op de borst, fronste de wenkbrauwen, en begon met onrustige schreden op en neder te stappen, met eene zachte stem, woorden zonder samenhang in zich zelven mompelende.

Telkens als hij het meisje voorbijkwam hield hij op, staarde haar aan met een onbeschrijfelijken blik, en hervatte hoofdschuddend zijn onrustige wandeling.

»Neen!” riep hij eindelijk met een doffe stem, »dat duurt hier te lang, ik moet er een eind aan maken. Is het mogelijk! zulk een kloek en sterk meisje ligt daar zoo bleek, verslagen en half ontzield! O dat het de Roode-Ceder eens was en ik hem zoo onder het bereik mijner hielen had! Maar geduld! zijne beurt zal komen, en dan…!”

Een sardonische glimlach plooide zich op zijne lippen, en hij bukte naar het meisje.

Hij beurde zachtjes haar hoofd op, nam een flacon uit zijn gordel en was gereed haar die onder den neus te houden, maar op eens deinsde hij terug, liet de Gazelle weder op haar bladerbed zinken en verwijderde zich met een uitroep van schrik en verbazing.

»Neen!” riep hij, »dat is niet mogelijk, ik moet mij bedrogen hebben, het is eene illusie, een droom!”

Na een poosje aarzelens naderde hij de Gazelle op nieuw, en bukte bij haar neder.

Ditmaal scheen hij echter geheel van manieren veranderd; zoo barsch en brutaal als hij vroeger jegens haar geweest was, zoo zachtzinnig en kiesch ging hij thans met haar te werk.

Door de ruwe schokken namelijk, die de Gazelle gedurende de jongste gebeurtenissen had moeten doorstaan, waren er een paar diamanten knoopjes van haar keurs losgesprongen, zoodat haar boezem gedeeltelijk bloot lag en de Zoon des Bloeds het kleine scapulier van zwart fluweel had ontdekt, dat aan een gouden kettingje om haar hals hing en waarop in zilver twee door elkander geslingerde letters geborduurd waren.

Bij het zien van dit geheimzinnig naamcijfer ontstelde de Zoon des Bloeds zoo hevig, dat hij zich zelven bijna niet meester was.

Hij greep het scapulier met zenuwachtige drift, brak het kettingje en wachtte tot een nieuwe bliksemflits hem andermaal in de gelegenheid zou stellen om de letters te bezien en zich te verzekeren dat hij zich niet bedrogen had.

Hij behoefde niet lang te wachten; nauwelijks eenige sekonden later werd de heuvel door een schitterenden bliksemstraal verlicht.

Hij bekeek het nader en werd terstond overtuigd: het naamcijfer was werkelijk wat hij had meenen te zien.

Hij viel plat op den grond, hield zijn hoofd met beide handen vast en verzonk in diep nadenken.

Er verliep meer dan een half uur eer deze man met zijne ijzeren ziel van zijne stomme verbazing terugkwam.

Toen hij het hoofd weder ophief liepen er twee groote tranen langs zijne gebronsde wangen.

»O! die onzekerheid doodt mij!” riep hij, »daar zal ik, het koste wat het wil, een einde aan maken; ik moet volstrekt weten waaraan ik mij te houden en wat ik te hopen heb.”

Zich fier en in zijne volle lengte oprichtende, trad hij ferm en stout naar het meisje toe, dat nog altijd onbeweeglijk lag.

Nu begon hij de Gazelle op gelijke wijs te behandelen als hij Shaw vroeger eens gedaan had, en beproefde aan haar dezelfde krachtige middelen die hem toen bij den jongman zoo goed waren gelukt.

Maar het arme meisje had sedert de twee laatste dagen zulke harde stooten moeten doorstaan, dat het leven in haar geheel uitgebluscht scheen.

Ondanks de ijverige zorgen die hij aan haar besteedde, bleef zij steeds zoo ongevoelig en stijf als een lijk; al zijne middelen schenen hun kracht te hebben verloren.

De Onbekende werd wanhopig toen hij zijne pogingen om het meisje te doen herleven, zag mislukken.

»O!” riep hij telkens, »zij kan niet dood zijn; dat zou God nooit gedoogen!”

En gedurig begon hij op nieuw met dezelfde middelen, wier vruchteloosheid hem reeds gebleken was.

Op eens sloeg hij zich woest met de vuist op het voorhoofd. »Ik ben dwaas!” zeide hij.

En driftig in zijn borst tastende, haalde hij uit een zak in zijn dolmantel een kristallen fleschje te voorschijn met zeker bleekrood vocht gevuld; hij deed er haastig de stop af, stak de punt van zijn dolk tusschen de tanden der Gazelle en goot haar eenige droppels van het vocht in de keel.

De uitwerking volgde onmiddellijk.

Hare trekken ontspanden zich, een levendig rood kleurde hare wangen, de Gazelle opende flauw de oogen en murmelde met een gebroken stem: »Hemel! waar ben ik?”

»Zij is gered!” riep de Zoon des Bloeds met een zucht van blijdschap, terwijl hij het zweet afwischte dat van zijn voorhoofd gutste.

Om hem heen loeide nog altoos de orkaan in al zijne kracht.

De wind deed het wrakke afdak kraken, de regen stortte bij stroomen neder en de donder rolde boven hunne hoofden met een geweld dat hemel en aarde er van daverden.

»Een schoone nacht voor eene herkenning,” mompelde de Zoon des Bloeds.

1 De Verbrande Hoeve.↑

V.
DE HACIENDA QUEMADA.

Inhoudsopgave

Het was eene zonderlinge groep, die door dit bekoorlijk meisje en den ruwen woudlooper gevormd werd op den top van dien woest liggenden heuvel in het licht van den flikkerenden bliksem en onder het klateren van den donder.

De Witte-Gazelle was op nieuw verbleekt en in flauwte gevallen.

De Zoon des Bloeds doorboorde met scherpen blik de duisternis van den nacht en door de stilte vervoerd, bukte hij andermaal bij het meisje neder.

Bleek, als eene witte lelie door den storm geknakt, en met de oogen gesloten, scheen de Gazelle niet meer te ademen.

De onbekende nam haar in zijne gespierde armen en droeg haar naar een half ingestorten muur, aan welks voet hij zijne zarape op den grond uitspreidde; met de meeste zorg zette hij haar neêr op dit minder harde leger. Het hoofd der Gazelle rustte gevoelloos tegen zijn schouder.

Toen zat hij haar langen tijd aan te staren.

Droefheid en medelijden stonden op het gelaat van den Zoon des Bloeds geteekend.

De man, wiens leven tot hiertoe niets dan een eindeloos treurspel was geweest, zonder geloof of hoop in het hart, onbekend met de zachte gevoelens en geheimzinnige sympathiën des levens, hij, de wreker zonder genade, de dooder der Indianen, was bewogen en gevoelde een nieuwen hartstocht in zijn binnenste ontbranden.

Twee groote tranen vielen op nieuw langs zijne gebronsde wangen.

»O mijn God! zou zij dood zijn,” riep hij wanhopig. »O!” vervolgde hij, »ik ben laag en wreed geweest jegens dit zwakke schepsel, en nu straft God er mij voor.”

Den heiligen naam van het Opperwezen, die hem anders slechts diende om te vloeken, sprak hij thans met zekeren eerbied uit.

Het was een soort van gebed, eene stem uit zijn hart: de ontembare man was eindelijk overwonnen, hij geloofde!

»Hoe zal ik haar helpen?” vroeg hij zich zelven.

De regen bleef bij stroomen vallen en het water bereikte eindelijk het meisje, zoodat zij weder tot zich zelve kwam.

Zij opende de oogen en prevelde met eene gesmoorde stem: »Waar ben ik? Wat is er toch gebeurd? O! ik dacht dat ik zou sterven.”

»Zij spreekt, zij leeft, zij is behouden!” riep de Zoon des Bloeds.

»Wie is daar?” riep zij met verheffing van stem, terwijl zij zich met moeite oprichtte.

Zoodra zij het bruine gezicht van den partijganger zag, schrikte zij, sloot de oogen weder en viel bijna in hare onmacht terug.

Zij begon zich het vroeger gebeurde te herinneren.

»Stel u gerust, mijn kind,” zeide de onbekende, terwijl hij zooveel mogelijk den ruwen klank zijner stem poogde te verzachten; »ik ben uw vriend.”

»Mijn vriend, gij!” riep zij uit, »wat beteekent dat in uw mond?”

»O! vergeef mij, ik was dwaas, ik wist niet wat ik deed.”

»U vergeven! waarom? Ik ben immers geboren om ongelukkig te zijn.”

»Wat moet zij veel geleden hebben!” murmelde de Zoon des Bloeds.

»O ja,” vervolgde zij met eene stem alsof zij droomde.

»Ja, ik heb veel geleden. Mijn leven, hoe jong ik wezen mag, is tot hiertoe niets dan een langdurig lijden geweest. En toch, voorheen, het is zeer lang geleden, herinner ik mij dat ik gelukkig was. Maar helaas! het zwaarste leed in deze wereld is de herinnering van verloren geluk in het ongeluk.”

Een zucht ontsnapte aan haar geprangde borst, zij liet het hoofd op de handen zinken, en schreide.

De Zoon des Bloeds hing als aan hare lippen, staarde haar aan en luisterde.

Die stem, die trekken, alles wat hij hoorde of zag versterkte de vermoedens die hij in zijn boezem koesterde en bracht ze allengs tot zekerheid.

»O! spreek! spreek nog eens,” hernam hij met teederen nadruk. »Wat herinnert gij u van uwe jonge jaren?”

De Gazelle keek hem aan, een bittere glimlach vertrok hare lippen.

»Waarom zou ik in het ongeluk aan verloren vreugde denken?” zeide zij droevig het hoofd schuddende. »Waartoe zou ik aan u deze dingen vertellen, aan u inzonderheid die mijn beul hebt willen zijn? Of is het misschien eene nieuwe foltering die gij mij zoekt aan te doen?”

»O!” riep hij met schrik, »hoe kunt gij dat van mij denken? Helaas! ik ben schuldig jegens u, dat erken ik, maar vergeef mij. Vergeef mij, ik smeek, ik bezweer het u! Ik zou mijn leven willen opofferen om uw lijden te verlichten, om u een verdriet te besparen.”

De Witte Gazelle beschouwde met gemengde verbazing en vrees den man, die bijna voor haar op de knieën zonk en wiens ruwe gezicht men in zijne tranen had kunnen wasschen; zij begreep niets van hetgeen hij tot haar sprak, zoo weinig kwam het overeen met de onbarmhartige wijze waarop hij haar straks behandeld had.

»Helaas!” zuchtte zij, »mijne geschiedenis is die van alle ongelukkigen; er was een tijd toen ik, als andere kinderen, vogeltjes had om mij in slaap te zingen, en bloemen, die mij toelachten als ik ontwaakte; ik had ook eene zuster, die met mij speelde, en eene moeder die mij beminde en kuste. Dat alles is voor altijd verdwenen.”

De onbekende had met behulp van twee staken en eenige dierenvellen eene kleine tent gespannen om haar tegen de woede van het onweder te beschutten, dat intusschen allengs begon te bedaren.

Zij had hem hiermede bezig gezien.

»Ik weet niet waarom,” zeide zij met zekeren weemoed, »maar ik gevoel mij geneigd om u meer vertrouwen te schenken, al hebt gij mij ook zooveel kwaad gedaan! Vanwaar komt dat gevoel dat gij mij onwillekeurig inboezemt? Ik zou u veeleer moeten haten.”

Zij sprak niet verder, maar verborg haar hoofd met beide handen en snikte overluid.

»’t Is God die het zoo wil, arm kind,” antwoordde de onbekende, terwijl hij de oogen ten hemel sloeg en met allen ijver een kruis maakte.

»Misschien,” hervatte zij gedwee. »Welnu, hoor mij dan; ik wil het wagen mijn hart uit te spreken, wat er ook van kome, dat zal mij verlichten. Op zekeren dag, jaren geleden, zat ik op moeders knieën te spelen, mijn vader en mijne zuster waren er ook bij, toen er op eens voor de poort onzer hacienda een vreeselijk geschreeuw klonk; het waren de Apachen-Indianen, die ons aanvielen; mijn vader, die een dapper man was, greep zijne wapenen en vloog naar den muur. Wat er toen eigenlijk gebeurde zou ik niet kunnen zeggen. Ik was destijds nauwlijks vijf jaren oud en het schrikkelijk tooneel dat ik destijds bijwoonde is voor mijn geheugen in een bloedigen sluier gehuld; ik herinner mij alleen dat mijne moeder, die ons al schreiende omhelsde, op eens op mijne zuster viel en ons met haar bloed overstroomde; te vergeefs poogden wij haar door onze liefkozingen te doen herleven; zij was dood.”

Er volgde een poos stilte.

De Zoon des Bloeds scheen hare woorden te verslinden, hij zat met gespannen aandacht te luisteren, met verbleekt voorhoofd, gefronste wenkbrauwen, en de hand krampachtig om zijn karabijn geklemd, terwijl hij nu en dan het zweet afwischte dat langs zijn aangezicht liep.

»Ga voort, kind,” mompelde hij.

»Ik kan mij niets duidelijk meer herinneren; mannen als duivels stormden de hacienda binnen, namen mijne zuster en mij op, en verwijderden zich zoo snel als hunne paarden loopen konden. Helaas! sedert dien tijd heb ik het lieve gezicht van mijne moeder niet meer gezien en de vriendelijke stem van mijn goeden vader niet meer gehoord; ik was voortaan alleen, te midden van de bandieten die mij geroofd hadden.”

»Maar uwe zuster, kind, uwe zuster, waar is die gebleven?”

»Dat weet ik niet; tusschen onze roovers ontstond een hevige twist, er werd bloed vergoten. Ten gevolge van dezen twist scheidden zij van elkander. Mijne zuster werd door de eene partij medegenomen en ik door de andere; nooit heb ik haar wedergezien.”

De Zoon des Bloeds scheen in hevige spanning en staarde het meisje aan met verteederden blik.

»Mercédes! Mercédes!” riep hij op eens losbarstend, »zoudt gij het wezenlijk zijn? zou ik u waarlijk na zoo vele jaren hebben terug gevonden?”

De Witte-Gazelle keek schielijk op.

»Mercédes!” riep zij; »dat is de naam dien mijne moeder mij gaf.”

»En ik ben Stefano! Stefano, uw oom, uws vaders broeder!” riep de Zoon des Bloeds bijna uitzinnig van vreugde, terwijl hij haar in vervoering aan zijn hart drukte.

»Stefano! mijn oom! Ja, ja! ik herinner het mij! ik weet!…”

En zij zonk bewusteloos in de armen van Stefano.

»Ellendige, die ik ben! ik heb haar gedood.… Mercédes, mijn dierbaar kind. Kom weder tot u zelve!…”

Het meisje opende de oogen weder, viel Stefano om den hals en schreide van blijdschap.

»O! mijn oom, mijn oom! heb ik dan eindelijk een bloedverwant! mijn God, ik dank u!”

Het gezicht van den jager werd ernstig.

»Gij hebt gelijk, mijn kind,” zeide hij; »dank God, want Hij is het die gewild heeft dat ik u zou wedervinden op het graf zelf van hen, die wij beiden sedert zoo lang beweenden.”

»Wat bedoelt gij daarmede, oom?” vroeg zij verwonderd.

»Volg mij, mijne dochter,” antwoordde de woudlooper, »volg mij en gij zult alles weten.”

De Gazelle stond met moeite op en volgde hem op zijn arm geleund. Aan den ernst, waarmede don Stefano sprak, had Mercédes wel gehoord dat haar oom haar iets zeer gewichtigs te verklaren had.

Zij konden tusschen de bouwvallen slechts moeielijk voort, door al het hooge gras en de warrige struiken en slingerplanten die er waren opgewassen.

Toen zij bij het kruis kwamen, bleef de Zoon des Bloeds staan.

»Kniel neder, Mercédes!” zeide hij haar met een droevige stem, »het is hier dat vijftien jaar geleden uw vader en moeder in een dergelijken nacht als deze door mij begraven werden.”

Het meisje zonk zonder een woord te spreken op de knieën; don Stefano volgde haar voorbeeld.

Beiden baden zeer lang met tranen en snikken. Eindelijk stonden zij weder op.

Don Stefano gaf de Gazelle een wenk om zich aan den voet van het kruis neder te zetten, hij nam plaats aan hare zijde, en na zich met de hand over het voorhoofd te hebben gestreken, als om zijne gedachten te verzamelen, hervatte hij het gesprek met een doffe stem, die ondanks zijn vasten wil beefde van aandoening.

»Luister wel toe, mijn kind, want hetgeen gij hooren zult, kan wellicht dienen om ons, zoo zij nog bestaan, de moordenaars van uw vader en moeder te doen wedervinden.”

»Spreek, oom,” antwoordde het meisje met een vaste stem. »Ja, gij hebt gelijk, het is daarom dat God ons weder zoo gelukkig bij elkander heeft gebracht; geloof het vrij, Hij zal nooit gedoogen dat de moordenaars langer ongestraft blijven.”

»Amen!” zei don Stefano, »sinds vijftien jaren wacht ik met geduld op het uur der wraak. Ik hoop dat God mij ondersteunen zal zoolang tot het slaat; uw vader en ik woonden eens samen op de plaats waar wij ons thans bevinden. Op dezen heuvel stond eens een uitgestrekte hacienda die wij er hadden doen bouwen; de omliggende velden behoorden aan ons en waren door tweehonderd peones ten onzen behoeve, op onze kosten ontgonnen. God zegende ons werk, zoodat het alleszins voorspoedig ging; ieder in het land achtte en beminde ons, want ons huis was altijd open om den ongelukkige of hulpbehoevende te ontvangen.”

»Maar ofschoon ook al onze landgenooten ons hoogachtten, en onze ondernemingen toejuichten, de bewoners eener naburige hacienda daarentegen hadden ons een onverzoenlijken haat toegezworen. Om welke reden? Dit heb ik nooit kunnen te weten komen. Was het jaloezie, laaghartige nijd? wat het ook wezen mocht, zooveel was zeker, die lieden haatten ons. Zij waren drie in getal, en behoorden niet tot onzen landaard noch tot het Spaansche ras. Het waren Noord-Amerikanen, of althans zoover ik weet, want ik heb nooit gemeenzaam genoeg met hen in betrekking gestaan om mij hiervan te verzekeren; maar ten minste een van hen was inderdaad een Noord-Amerikaan, met name Wilke. Intusschen, hoe levendig de haat die ons scheidde ook wezen mocht, hij hield zich stil en niets deed veronderstellen dat hij eenmaal zoo vreeselijk zou uitbreken. Onder deze bedrijven werd ik door belangrijke zaken verplicht eenige dagen op reis te gaan. Uw vader en ik, arm kind, konden nauwelijks van elkander scheiden, het was alsof een heimelijk voorgevoel van dreigend onheil ons terughield.

»Ik vertrok. Toen ik terugkwam was de hacienda tot den grond toe verwoest, ik vond niets dan eenige kale muren en rookende puinhoopen. Mijn broeder en onze gansche familie zoowel als al onze bedienden waren vermoord.”

Don Stefano hield op.

»Voltooi uw treurig verhaal, oom,” zeide het meisje kortaf, »ik moet alles weten ten einde in uwe wraak voor de helft te kunnen deelen.”

»Dat is zoo,” antwoordde don Stefano, »maar ik heb bijna niets meer te zeggen en zal het kort maken. Meer dan eene maand lang zwierf ik rond tusschen die rookende puinhoopen, de lijken zoekend van hen die mij dierbaar waren, en toen ik hen eindelijk na ongelooflijke moeite allen gevonden en zorgvuldig begraven had, zwoer ik op hun graf dat ik hen zou wreken. Dezen eed heb ik vijftien jaar lang met nauwgezetheid gehouden; ongelukkigerwijs, hoeveel schuldigen ik ook moge verslagen hebben, zijn de hoofdaanleggers van het komplot mij tot dusver steeds ontsnapt, want ondanks al mijne pogingen heb ik hen niet kunnen achterhalen. Uw vader dien ik stervend op de ruïne vond, had in mijne armen den laatsten adem uitgeblazen zonder mij zijne moordenaars te kunnen noemen, en ofschoon ik zware vermoedens heb om Wilke en zijne kameraden te beschuldigen, is mij nog geen bewijs in handen gekomen om mijn twijfel tot zekerheid te brengen, en zijn de namen der schuldigen mij steeds onbekend. Eergisteren slechts, toen ik dien nietswaardigen Sandoval vallen zag, meende ik eindelijk een hunner ontdekt te hebben.”

»Daarin hebt gij u niet bedrogen, oom, die man was werkelijk een van onze beroovers,” antwoordde Mercédes met eene vaste stem.

»En de anderen?” vroeg don Stefano met drift.

»De anderen, die ken ik, oom!”

Bij deze verklaring gaf don Stefano een schreeuw die naar het brullen van een wild dier geleek.

»Eindelijk!” riep hij met zulk eene woeste uitbarsting van vreugde dat de Gazelle er schier van schrikte.

»Mag ik nu zoo vrij zijn u eene vraag te doen, oom,” hervatte zij, »dan zal ik daarna de uwe beantwoorden, zoo gij mij iets mocht te vragen hebben?”

»Spreek, kind.”

»Waarom hebt gij u van mij meester gemaakt en mij herwaarts gebracht?”

»Omdat ik dacht dat gij de dochter waart van Sandoval en ik u daarom op het graf zijner slachtoffers wilde dooden,” antwoordde de Zoon des Bloeds met eene bevende stem.

»Hebt gij dan niet gehoord wat die man mij gezegd heeft?”

»Neen: toen ik u bij hem gebogen zag, dacht ik dat gij hem in zijne laatste oogenblikken bijstondt. Uwe bezwijming, die ik aan uwe droefheid toeschreef, bevestigde mij in mijn vermoeden; dat was de reden waarom ik naar u toesnelde zoodra ik u vallen zag…”

»Maar die brief, dien gij mij hebt afgenomen, zou u alles hebben geopenbaard.”

»Wel! denkt gij dan, kind, dat ik mij de moeite heb gegeven dien te lezen? Neen, ik heb u alleen herkend aan den rozenkrans die om uw hals hing.”

»Is ’t mogelijk!” riep het meisje op een toon van overtuiging. »Gods hand is in al deze dingen; Hij was het die alles bestuurde!”

»Noem mij nu op uwe beurt de moordenaars, Mercédes.”

»Geef mij eerst den brief terug, oom.”

»Ziedaar,” zei don Stefano haar den brief overhandigende.

De Gazelle nam dien driftig aan, en scheurde hem in duizend kleine stukjes.

De Zoon des Bloeds staarde met stomme verbazing op dit koene bedrijf daar hij niets van begreep; toen het laatste stukje papier op den adem des winds verdwenen was wendde het meisje zich tot haar oom:

»Gij wilt de namen van mijns vaders moordenaars weten, oom, niet waar?” zeide zij.

»Ja.”

»Gij staat er op dat de wraak die gij zoo lang gezocht hebt, u niet ontsnappe nu gij op het punt zijt van haar te bereiken?”

»Ja.”

»En eindelijk, gij wilt den eed dien gij gezworen hebt ten strengste volvoeren.”

»Ja,” antwoordde don Stefano ongeduldig. »Maar waartoe al deze vragen,” vervolgde hij ongeduldig.

»Ik zal het u zeggen, oom,” zeide zij, haar hoofd met zonderlinge fierheid verheffende, »ook ik heb een eed gezworen dien ik niet wil breken.”

»Welk een eed?”

»Dien van mijn vader en moeder te wreken! en om dien te vervullen moet ik vrij zijn om naar eigen goedvinden te handelen; derhalve zal ik u die namen niet openbaren voor dat de tijd daar is; heden kan ik het nog niet.”

Er blonk in het zwarte oog der Gazelle zoo veel vastheid van wil, dat de Zoon des Bloeds er van afzag om haar tot zijne wenschen over te halen; hij begreep dat elke aandrang van zijne zijde te vergeefs zou zijn.

»’t Is goed,” zeide hij, »laat het dan zoo zijn, maar zweer gij mij dan.…”

»Dat gij alles weten zult wanneer de tijd daar is!” riep zij de rechterhand naar het kruis uitstrekkende.

»Dat woord is mij genoeg; maar ik mag toch immers wel weten wat gij voornemens zijt te doen?”

»Tot op zeker punt, ja.”

»Ik hoor u.”

»Hebt gij een paard?”

»Het staat aan den voet van den heuvel.”

»Breng het mij hier, oom, en laat mij vertrekken, opdat niemand kennis drage van de banden die ons vereenigen.”

»Ik zal stil zijn als het graf.”

»Wat gij ook ziet, of hoort, of wat men u van mij vertellen mag, geloof niets, verwonder u over niets; maar zeg bij u zelven dat ik handel in het belang van onze gemeenschappelijke wraak, want dat alleen is waar.”

Don Stefano schudde het hoofd.

»Gij zijt nog wat jong, kind, voor zulk een zware taak,” zeide hij.

»God zal mij helpen, oom,” antwoordde zij met een blik vol dwependen ijver; »mijne taak is rechtvaardig en heilig, want ik wil de moordenaars van mijn vader straffen.”

»Het zij dan zoo, als gij wilt,” hernam hij. »Gij hebt naar waarheid gezegd dat uwe taak rechtvaardig en heilig is, en ik heb het recht niet om u te beletten haar te volbrengen.”

»Ik zeg u dank, oom,” riep het meisje met gevoel, »en terwijl ik nu op mijns vaders graf ga bidden, zult gij mij uw paard brengen, zoodat ik onverwijld kan vertrekken.”

Don Stefano verwijderde zich zonder te antwoorden.

De Witte-Gazelle knielde neder aan den voet van het kruis.

Een half uur later, na vooraf haar oom teeder omhelsd te hebben, steeg zij te paard en reed weg in galop in de richting van het Verre Westen.

De Zoon des Bloeds oogde haar na zoolang hij in de duisternis iets van haar zien kon. Toen zij eindelijk verdwenen was, knielde hij op zijne beurt op het graf en murmelde met eene doffe stem:

»Zal het haar gelukken?.… Wie weet?” vervolgde hij op een toon die zich niet laat beschrijven.

Hij bad tot de dag aanbrak.

Met de eerste stralen der rijzende zon, keerde don Stefano naar zijne kameraden terug; ook hij begaf zich naar het Verre Westen.

VI.
DE APACHEN.

Inhoudsopgave

Op het knallen van het pistoolschot, waarmede Pedro Sandoval een einde aan zijn rampzalig leven maakte, waren, zooals wij in ons vorig verhaal gezegd hebben1, de Apachen, die zich tot dusver buiten het bereik zijner stem bevonden, onverwijld toegesneld.

De Roode-Ceder had den Zoon des Bloeds, toen deze hem de Witte-Gazelle ontvoerde, een poos nagezet, doch zonder vrucht, zoodat hij zich genoodzaakt zag onverrichter zake naar zijne kameraden terug te keeren.

Deze waren intusschen reeds bezig met het maken der noodige toebereidselen om den ouden bandiet te begraven, wiens lijk zij niet wilden blootstellen om door de wilde dieren verscheurd of door de roofvogels verslonden te worden.

Pedro Sandoval was zeer bemind bij de Apachen, met welke hij lang in betrekking gestaan had en die in menige omstandigheid zijn moed en vooral zijne bekwaamheden als strooper hadden leeren op prijs stellen.

Stanapat had nu zijn troep verzameld en bevond zich aan het hoofd van een aantal onverschrokken krijgslieden.

Hij verdeelde hen in twee detachementen en naderde toen den Roode-Ceder.

»Wil mijn broeder de woorden van een vriend hooren?” vroeg hij hem.

»Dat mijn vader spreke, al is mijn hart droevig, mijne ooren zijn geopend,” antwoordde de Squatter.

»Goed,” hernam de Sachem; »mijn broeder neme een gedeelte van mijne jongelieden om met hen de Bleekgezichten na te jagen; intusschen zal ik de noodige lijkplichten aan den dooden blanken krijgsman wel volbrengen.”

»Kan ik aldus een vriend verlaten eer zijn lijk aan de aarde is teruggegeven?”

»Mijn broeder moet weten wat hem te doen staat, maar de Bleekgezichten verwijderen zich snel.”

»Gij hebt gelijk, hoofdman; ik vertrek, maar ik heb uwe krijgslieden niet noodig; mijne gezellen zijn voldoende. Waar zal ik u terug vinden?”

»Aan de teocali van den Zoon des Bloeds.”

»Goed; zal mijn broeder daar spoedig zijn?”

»Binnen twee dagen.”

»Eer de tweede zon ondergaat ben ik met al mijne krijgslieden bij den Sachem.”

Stanapat boog het hoofd zonder te antwoorden.

De Roode-Ceder trad naar het lijk van Sandoval, bukte en greep de kille hand van den doode.

»Vaarwel, broeder,” zeide hij; »vergeef mij dat ik uwe begrafenis niet zal bijwonen, maar een belangrijke plicht roept mij elders; ik ga u wreken. Vaarwel oude kameraad, rust in vrede; uwe vijanden zullen niet vele dagen meer tellen; vaarwel!”

Na deze lijkrede gaf de Squatter zijne makkers een wenk, groette Stanapat nog eens en reed weg in galop, door de overige bandieten gevolgd.

Nadat zij hunne bondgenooten hadden zien verdwijnen, hervatten de Apachen de aanstalten voor de lijkplechtigheid, die gedurende het gesprek van hun opperhoofd met den roover gestaakt waren.

Stanapat nam zelf de taak op zich om het lijk te wasschen en het aangezicht van den overledene met allerlei kleuren te beschilderen, terwijl de overige Indianen er omheen stonden te jammeren en te huilen, en sommigen, wier droefheid grooter of meer overdreven was, zich met een mes in de armen sneden of met een enkelen slag van hun hartsvanger den top van een der vingers aan de linkerhand afhakten ten teeken van rouw.

Toen alles gereed was plaatste de Sachem zich aan het hoofd van het lijk en richtte het woord tot de omstanders in dezer voege:

»Waarom weent gij?” zeide hij, »waarom jammert gij? Gij ziet wel dat ik niet ween, ik, die zijn oudste en trouwste vriend ben geweest. Hij is naar het andere land gegaan, de Wacondah heeft hem tot zich geroepen; ofschoon wij hem niet tot ons kunnen doen wederkeeren, is het onze plicht hem te wreken! De Bleekmuilen hebben hem gedood, wij zullen zooveel Bleekgezichten dooden als wij kunnen, om hem een goed geleide te bezorgen, opdat hij met een talrijken stoet trawanten voor den Wacondah verschijne, gelijk een beroemd krijgsman voegt! Dood aan de Bleekgezichten!”

»Dood aan de Bleekgezichten!” herhaalden de Indianen met hunne wapens zwaaiend.

De Sachem wendde het hoofd af en een verachtelijke glimlach plooide om zijne bleeke lippen bij deze geestdrijvende uitbarsting.

Doch die glimlach duurde slechts een ondenkbaar oogenblik en terwijl Stanapat dadelijk zijne Indiaansche gevoelloosheid weder aannam, begon hij met al de bij dergelijke gevallen gebruikelijke deftigheid, het lijk op de wijze der Roodhuiden aan te kleeden en te omhullen met de schoonste mantels en de rijkste dekens die men vinden kon.

Vervolgens werd het lijk in zittende houding in den bereids gedolven kuil geplaatst, welks bodem en zijwanden vooraf met hout waren belegd; een stel paardentuig, een zweep, eenige wapenen en andere voorwerpen werden mede in het graf gelegd; daarop wierp men er de aarde overheen en bedekte het zorgvuldig met een aantal groote steenen, om te beletten dat de wolven het lijk zouden opgraven.

Deze plicht volbracht zijnde, stegen de Apachen, op een wenk van hun opperhoofd, te paard en reden in galop den weg op naar de teocali van den Zoon des Bloeds, zonder verder aan hun kameraad te denken, dien zij zoo plechtig ter aarde hadden besteld en daar zij nu van scheidden alsof hij nooit bestaan had.

De Apachen marcheerden drie dagen achtereen; op den vierden avond, na eene vermoeiende dagreis door eene zandige vlakte, maakten zij halt omtrent een mijl ver van de Rio Gila, in een dicht bosch, dat hen goede gelegenheid gaf om er zich in te verbergen.

Zoodra het kamp was opgericht zond Stanapat naar alle zijden verspieders uit, om te zien of er ook andere gewapende benden van de verbondene natiën in de nabijheid waren, en tevens of zij ook sporen van den Roode-Ceder konden ontdekken.

Nadat de schildwachten waren uitgezet, want in het Verre Westen houden de verschillende Indianenstammen zorgvuldig de wacht wanneer zij op het oorlogspad zijn—ging Stanapat al de posten bezoeken en maakte hij zich gereed om het bericht der veldontdekkers te hooren, van welke verscheidene reeds waren teruggekeerd.

De drie eersten die hij ondervroeg meldden hem weinig bijzonders, zij hadden niets verontrustends gezien.

»Goed!” zei het opperhoofd, »de nacht is donker, mijne jonge lieden hebben mollenoogen; morgen, met het opgaan der zon zullen zij wel klaarder zien; van nacht kunnen zij gaan slapen. Met het eerste morgendagen zullen zij weder uitgaan; wellicht dat zij dan iets ontdekken zullen.” En hij wenkte hen met de hand dat zij zich konden verwijderen.

Zij bogen eerbiedig voor hun opperhoofd en gingen zwijgend heen.

Maar een van hen bleef stil en onbewegelijk staan, als ware het bevel niet tot hem gericht geweest. Stanapat wendde zich tot hem en na hem een poos te hebben aangezien zeide hij:

»Mijn zoon de Vlugge-Eland heeft mij zeker niet verstaan, hij ga ook heen even als zijne kameraden.”

»De Vlugge-Eland heeft zijn vader verstaan,” antwoordde de Indiaan onverschrokken.

»Waarom blijft hij dan hier?” zei Stanapat.

»Omdat hij niet gezegd heeft wat hij gezien heeft, en omdat hetgeen hij zag voor het opperhoofd van gewicht is.”

»Ooah!” riep Stanapat. »En wat heeft mijn zoon dan gezien dat zijne kameraden niet zouden gezien hebben?”

»De andere krijgslieden waren elders aan ’t zoeken, daarom hebben zij het spoor niet gezien dat ik gevonden heb.”

»Heeft mijn zoon dan een spoor gevonden?”

De Indiaan boog toestemmend.

»Ik verwacht dat mijn zoon zich nader verklare,” hervatte de Sachem.

»De Bleekgezichten zijn slechts twee pijlschoten ver van het kamp van mijn vader verwijderd,” antwoordde de Indiaan lakoniek.

»Ooah!” riep de Sachem twijfelmoedig, »dat schijnt mij te sterk!”

»Wil mijn vader het zien?”

»Ik wil het zien,” zei Stanapat opstaande.

»Mijn vader volge mij, en hij zal het dadelijk zien.”

»Gaan wij.”

De twee Indianen gingen op weg. De Vlugge-Eland leidde den Sachem het bosch door en toen zij aan den oever der rivier kwamen, wees hij hem op korten afstand eene rots, wier zwarte gestalte zich zwijgend en statig aan den somberen oever der Gila verhief.

»Daar zijn zij,” zeide hij met de hand naar de rots wijzende.

»Heeft mijn zoon hen gezien?”

»Ik heb hen gezien.”

»Dat is de rots van den Dolle-Bison, als ik het wel heb,” hervatte de Sachem.

»Ja,” antwoordde de Roodhuid.

»Ooah! die stelling zal moeielijk te nemen zijn,” mompelde de Sachem terwijl hij de rots nauwkeuriger opnam.

Deze plaats heette werkelijk de rots of heuvel van den Dolle-Bison. Om welke reden men haar dezen naam gaf, dien zij nog draagt, zullen wij hier kortelijk vermelden.

Omtrent vijftig jaar geleden hadden de Comanchen een beroemd opperhoofd, die zijn stam tot den krijgshaftigsten en meest geduchten van alle volken in het Verre Westen verhief. Dit opperhoofd heette Stomish-Washin-Ghu, of Dolle-Bison, en was niet slechts een groot krijgsheld maar ook een groot staatsman. Met behulp van zekere vergiften, en inzonderheid door rottenkruit, dat hij voor pelterijen van de blanke kooplieden inruilde, gelukte het hem zich van al zijne tegenstanders te ontdoen, en tevens zijnen onderdanen een aan bijgeloovige vrees grenzenden eerbied in te boezemen.

Toen hij eindelijk zijn eigen dood voelde naderen en begreep dat zijn laatste uur weldra slaan zou, wees hij eene bepaalde plaats aan waar hij verlangde begraven te worden.

Dit was eene kegelvormige rotskolom van graniet en zand, van omtrent 145 ellen hoogte.

Deze natuurlijke kolom bestrijkt tot op verren afstand de rivier, die haar voet bespoelt en na verscheidene bochten in de vallei gemaakt te hebben er andermaal dicht voorbij stroomt. De Dolle-Bison beval dat men zijn graf boven op den top der rots zou stichten, op welks top hij vaak gewoon was zich neder te zetten.

Zijn laatste wil werd uitgevoerd met al de getrouwheid die de Indianen in dergelijke gevallen eigen is.

Zijn lijk werd op de kruin van de rots geplaatst alsmede zijn beste strijdpaard. Beiden werden met zand en steenen bedekt en tot een kleinen heuvel opgehoopt. In deze ruwe tombe werd een stok geplaatst, aan welke de banier van den Sachem hing, tegelijk met de tallooze hoofdschedels die hij gedurende zijn leven op zijne vijanden had buitgemaakt.

Aldus werd de berg van den Dolle-Bison eene plaats van vereering voor de Indianen, waar ieder Comanch als hij voor de eerste maal ten strijde zal trekken, zijn oorlogsmoed komt bekrachtigen door het aanschouwen van den lagen heuvel waar het skelet van den krijgsman en zijn paard rust.

Stanapat beschouwde den heuvel met de meeste oplettendheid; het was inderdaad eene sterke schier onneembare stelling.

De blanken hadden haar bovendien zoo veel mogelijk versterkt door het omhakken der grootste op het terrein aanwezige boomen en door het oprichten van zware palissaden, uit scherp gepunte palen bestaande en over hare geheele lengte beschermd door eene droge gracht van zes ellen diepte. Aldus gewapend was de heuvel in eene wezenlijke vesting herschapen, die althans niet zonder een regelmatig beleg kon genomen worden.

Stanapat trad het bosch weder in, gevolgd door zijn metgezel en keerde naar zijn kampement terug.

»Is het opperhoofd voldaan over zijn zoon?” vroeg de Indiaan eer hij zich verwijderde.

»Mijn zoon heeft oogen als een tapir, niets ontgaat hem.”

De Vlugge-Eland glimlachte fier en maakte een edele buiging.

»Kent mijn zoon,” vervolgde de Sachem op vleienden toon, »de Bleekgezichten ook, die zich op den Dolle-Bisonsheuvel hebben verschanst.”

»De Vlugge-Eland kent hen,” antwoordde de Indiaan.

»Ooah,” riep Stanapat. »Zou mijn zoon zich niet vergissen, heeft hij de voetsporen wel goed herkend?”

»De Vlugge-Eland vergist zich nooit,” antwoordde de Indiaan met eene vaste stem; »het is een vermaard krijgsman.”

»Mijn zoon heeft gelijk: hij spreke.”

»Het bleeke opperhoofd dat zich van gindschen Dolle-Bisonsberg heeft meester gemaakt is de groote blanke jager dien de Comanchen als zoon hebben aangenomen en die den naam draagt van Koutonepi.”

Stanapat ontstelde zichtbaar en kon zich niet bedwingen om uit te roepen:

»Ooah! zou dat mogelijk zijn! weet mijn zoon zeker dat Koutonepi zich op den Bisonsheuvel heeft verschanst.”

»Stellig zeker;” antwoordde de Indiaan zonder aarzelen.

Stanapat gaf den Vlugge-Eland een wenk zich te verwijderen; hij liet het hoofd op de beide handen zinken en verdiepte zich in ernstige gepeinzen.

De Apache had wel goed gezien; werkelijk bevonden Valentin en zijne gezellen zich op de rots.

Na den dood van dona Clara had de Franschman met zijne vrienden den Roode-Ceder onverwijld nagezet, zonder zelfs in hunnen dorst naar wraak te wachten tot de aardbeving geheel zou geweken zijn en de natuur haar gewonen loop zou hebben hervat.

Dank zij zijne veeljarige ondervinding als spoorzoeker had Valentin den vorigen avond een talrijken troep Apachen in zijne nabijheid ontdekt, en daar hij uithoofde zijner geringe getalsterkte niet gaarne met hen in het open veld wilde strijden, was hij den Dolle-Bisonsheuvel opgeklauterd, vast besloten om er zich hardnekkig te verdedigen, zoo zij het wagen durfden hem in zijne onneembare vesting aan te tasten.

Op een van zijne veelvuldige tochten door de prairiën had de vlugge Franschman deze rots opgemerkt en dadelijk gezien dat hare ligging sterk genoeg was, om het er met goed gevolg tegen een aanzienlijk getal vijanden vol te houden. Hij had toen het plan reeds gevormd zich deze rots ten nutte te maken, wanneer de omstandigheden hem eenmaal mochten noodzaken eene veilige wijkplaats te zoeken.

Zonder verder tijdverlies hadden de jagers er zich versterkt.

Zoodra de verschansingen gereed waren, klom Valentin boven op de tombe van den Dolle-Bison om van daar over de vlakte uit te zien en den omtrek te bespieden.

Het was toen omstreeks het midden van den dag. Van de hoogte waar de Franschman zich bevond kon hij een onbegrensd terrein overzien.

De prairie en de rivier waren verlaten; aan den horizont vertoonde zich niets, dan hier en daar een troep buffels of bisons, deels weidende in het dichte gras, deels vadsig op den grond uitgestrekt.

De jager gevoelde zich hoogst gelukkig, daar hij zich verzekerd waande dal zijn spoor voor de Apachen verborgen was, en dat hij dus den noodigen tijd had om alles voor eene krachtige verdediging gereed te maken.

Hij beijverde zich vooreerst om zijn kamp van genoegzame levensmiddelen te voorzien, ten einde geen honger en gebrek te lijden wanneer hij, zooals zich wel liet verwachten, spoedig mocht worden belegerd.

Zijne kameraden hielpen hem dus in het jagen en verzamelden een groot aantal bisons; naarmate men deze doodde, werd hun vleesch aan zeer smalle reepen gesneden, en aan gespannen touwen in de zon gehangen om ze te laten drogen en er dan van te maken wat men in de pampas charguè noemt.

De keuken werd in eene kleine natuurlijke grot gehouden, die zich binnen de verschansing bevond. Het viel dus niet moeielijk om vuur aan te leggen zonder vrees voor ontdekt te worden, daar de rook zich door een groot aantal kleine spleten ontlastte en dus geheel onzichtbaar bleef.

Den volgenden nacht hielden de jagers zich bezig met lederen zakken van bisonshuid te naaien; zij bestreken de naden met vet om te beletten dat zij vocht doorlieten, en zoo hadden zij in korten tijd een aanzienlijken voorraad drinkwater.

Met zonsopgang beklom Valentin op nieuw zijn observatorium, en liet de blikken een geruimen tijd over de vlakte weiden om zich te verzekeren of de woestijn nog altijd even kalm en eenzaam was.

»Waarom hebt gij ons toch op deze rots als eekhoorns laten inkooien?” vroeg hem de generaal Ibanez.

Valentin strekte den arm uit.

»Kijk eens!” antwoordde hij, »wat ziet gij daar ginds?”

»Hum, niet veel bijzonders, niets dan een beetje stof naar ik meen,” riep de generaal luchthartig.

»Goed!” hernam Valentin, »zeer goed, vriend; maar weet gij ook waar dat stof door ontstaat?”

»Wel neen! hoe zou ik dat weten?”

»Nu, dan zal ik het u zeggen: dat zijn de Apachen.”

»Caramba! Vergist gij u niet?”

»Gij zult het spoedig zien.”

»Spoedig!” riep de generaal. »Denkt gij dan dat zij hier heen komen?”

»Eer de zon opgaat zijn ze hier.”

»Zoo! Dan hebt gij uwe voorzorgen wel in tijds laten nemen, cuerpo de Christo!” hervatte de generaal, »en dan zullen wij het hard te verantwoorden hebben, kameraad, met die verwenschte Roodhuiden.”

»Wel waarschijnlijk,” meesmuilde Valentin glimlachend; en hij klom weder van den top der graftombe daar hij tot hiertoe op gezeten had.

Zooals de lezer reeds weet had Valentin zich niet vergist. De Apachen waren werkelijk in aantocht en kwamen tegen den avond dicht genoeg bij den Bisonsheuvel, daar hunne veldontdekkers het spoor der blanken bereids hadden uitgevonden.

Naar alle waarschijnlijkheid was er een vreeselijk treffen te verwachten tusschen de blanken en Roodhuiden, deze twee zoo verschillende en vijandige rassen, die door een doodelijken haat verdeeld, elkander in de prairie niet anders ontmoeten dan om elkander te verdelgen.

Valentin had den spion der Apachen dadelijk bemerkt toen deze den heuvel was komen verkennen; hij bracht dus zijn mond aan het oor van den generaal en zeide hem op zijn gewonen schertsenden toon:

»Wel! waarde vriend, gelooft gij nu nog dat ik mij vergist heb?”

»Dat heb ik nooit gezegd,” riep de generaal met drift, »de hemel beware mij, dat ik uw doorzicht zoude betwijfelen. Maar ik wil u wel bekennen dat ik liever zou wenschen dat gij u vergist hadt; zoo als gij ziet ben ik volstrekt niet jaloersch op uwe ontdekking; maar ik kan het niet helpen, om u de waarheid te zeggen, zou ik liever met tien mijner eigen landgenooten vechten, dan met een van die vervloekte Roodhuiden.”

»Ongelukkig voor u,” riep Valentin glimlachend, »hebt gij op dit oogenblik geen andere keus, beste vriend.”

»Dat is zoo; maar stel u gerust; hoe weinig het mij ook bevalt, zal ik mijn plicht weten te doen als soldaat.”

»Wie zou daaraan twijfelen, waarde generaal?”

»Caspita! niemand, dat weet ik; doch dat daargelaten, gij zult het zien.”

»Welaan dan, goeden avond,” zei Valentin; »zie, dat gij van nacht eens goed slaapt, want ik beloof u dat wij morgen met zonsopgang zullen worden aangevallen.”

»Carai! wat mij betreft,” antwoordde de generaal terwijl hij zich de kaken bijna uit het lid geeuwde, »hoe eer ik met al dat bandietengespuis voor goed kan afrekenen, hoe liever het mij zijn zal.”

Een uur later lagen al de jagers, behalve Curumilla, die als schildwacht op den uitkijk stond, in gerusten slaap; van hunnen kant deden de Indianen hetzelfde.

1 Zie De Roovers der Prairiën.↑

VII.
DE DOLLE-BISONSHEUVEL.

Inhoudsopgave

Een uur ongeveer vóór het opgaan der zon wekte Stanapat zijne krijgslieden en gaf hun bevel om zich terstond op marsch te begeven.

De Apachen grepen hunne wapenen, formeerden de Indiaansche linie, en op een teeken van hun chef trokken zij het kreupelbosch in, dat hen van de rots afscheidde waar de blanke jagers zich verschanst hadden.

Ofschoon de afstand slechts een half uur gaans bedroeg, duurde de marsch der Apachen meer dan een uur, maar werd hij met zooveel beleid en omzichtigheid volvoerd, dat de jagers ondanks al hunne waakzaamheid er niets van bemerkten en in ’t minst niet vermoedden dat de vijand zoo dicht in hunne nabijheid was.

Aan den voet der rots maakten de Apachen halt, en gaf Stanapat bevel om onmiddellijk een versterkt kamp aan te leggen.

De Indianen, als zij willen, weten hunne liniën zeer goed in te richten.

Voor dezen keer, daar het hun om een regelmatig beleg te doen was, verzuimden zij geen enkele voorzorg.

Om den Dolle-Bisonsheuvel geheel in te sluiten, werd er eene gracht gegraven van drie ellen breed en vier el diep, van welke de naar achter uitgeworpen aarde tot steun diende voor de hooge paalwerken en barrikaden, waarachter de Roodhuiden volkomen beschut stonden en op den vijand konden schieten zonder zich bloot te geven.

Te midden van het kamp richtte men twee hutten of calli’s op, de eene tot verblijf voor de opperhoofden en de andere om als raadhuis te dienen wanneer de Sachems vergaderden. Voor den ingang der laatstgenoemde plantte men aan de eene zijde het totem, of zinnebeeld van den stam, terwijl aan de andere zijde de gewijde calumet werd opgehangen.

Wij zullen hier in weinige woorden zeggen wat deze twee zinnebeelden zijn, die door zoovele schrijvers werden vermeld maar nimmer beschreven, en die men toch noodwendig kennen moet als men de zeden der Indianen grondig wil verstaan.

Het totem of kukevium is de nationale standaard, het onderscheidingsteeken van iederen stam.

Gewoonlijk moet het een of ander dier voorstellen, dat de stam zich tot zinnebeeld gekozen heeft, bijv. een coyote, jaguar, hert, bison enz., daar iedere stam zijn eigen symbool bezit.

Het zinnebeeld van dezen Apachenstam, stelde een witten bison voor.

Het totem bestaat verder in een langen stok, met vederen van verschillende kleuren versierd, die er van boven tot beneden rechtstandig zijn aangehecht.

Deze standaard wordt in den strijd of bij plechtige gelegenheden gedragen door het opperhoofd van den stam.

De calumet is eene pijp wier steel vier, zes, ja zelfs tien voeten lengte heeft; soms is deze steel rond, doch meestal is zij plat. Zij is met dierengestalten beschilderd en met haarvlechten, egelpennen, en schitterend gekleurde vederen versierd. De kop bestaat gewoonlijk uit een stuk rood of wit marmer; wanneer zij geen steen kunnen vinden die helder genoeg is van kleur, wordt hij, eer zij die gebruiken, zuiver wit geverfd. De calumet is een heilig voorwerp. Volgens de overlevering werd zij aan de Indianen gegeven door de zon: dit is de reden waarom zij in geen geval met de aarde in aanraking mag komen.

In de legerkampen plaatst men haar eenige voeten hoog boven den grond, op twee stokken of staken, die aan het oppereind in een gaffel of vork uitloopen.

De Indiaan die belast is om de calumet te dragen geldt bij de Indianen zooveel als bij ons een heraut van wapenen; zijn persoon is onschendbaar. Gewoonlijk kiest men voor dezen post een beroemd krijgsman uit den stam, die door een of andere in den oorlog bekomen wond verminkt, niet meer in staat is de wapens te voeren en mede te vechten.

Juist op het oogenblik toen de zon uit de kimmen steeg, waren de Apachen met hunne verschansingen gereed.

De blanken ondanks al hunne dapperheid ging een kille huivering door de leden toen zij bemerkten hoe nauw zij van alle kanten waren omsingeld en ingesloten, te meer nog, daar zij bij het opkomende licht van den dag aan den verren gezichteinder verscheidene andere troepen Indiaansche krijgslieden van verschillende kanten zagen naderen.

»Hum!” mompelde Valentin hoofdschuddend, »dat zal een harden dobbel geven.”

»Houdt gij onzen toestand voor slecht?” vroeg de generaal.

»Niet alleen voor slecht, maar voor onhoudbaar.”

»Canarios! dan zijn we verloren,” riep generaal Ibanez, »dan zijn wij verloren.”

»Ja,” antwoordde de Franschman, »zoo er geen mirakel gebeurt.”

»Caspita! wat gij daar zegt is alles behalve geruststellend, weet gij dat wel, vriend? Dus bestaat er volgens uwe gedachten geen hoop meer?”

»Ja,” hernam Valentin, »nog eene hoop blijft ons over.”

»Welke?” riep de generaal met drift.

»De hoop van een gehangene—dat het touw breekt.”

De generaal ontroerde zichtbaar.

»Wees maar niet bang dat het breken zal,” hervatte de Franschman altijd sarkastisch, »daar sta ik u borg voor.”

»Een schoone troost dien gij mij geeft,” riep de generaal half vroolijk half gebelgd.

»Drommels, wat wilt gij meer? het is de eenige dien ik u op dit oogenblik geven kan; maar,” vervolgde hij op eens van toon veranderend, »dat zal ons intusschen niet hinderen om te gaan ontbijten, denk ik.”

»Integendeel,” antwoordde de generaal, »want ik wil u wel bekennen dat ik honger heb als een wolf, iets dat mij in lang niet gebeurd is, ik verzeker u.”

»Aan tafel dan,” riep Valentin lachend, »wij hebben geen oogenblik te verliezen als wij rustig ons maal willen doen.”

»Weet gij dat zeker?”

»Pardi! En bovendien, wat behoeven wij ons in voorraad te bekommeren over iets wat toch gebeuren moet?”

»Kom, laten wij plaats nemen.”

De drie mannen begaven zich nu naar een soort van loofhut tegen de tombe van den Dolle-Bison opgericht, en ontbeten zoo als zij gezegd hadden met uitmuntenden eetlust, misschien wel, zooals de generaal aanmerkte, omdat het gezicht der Apachen hunne magen weder in orde had gebracht.

Inmiddels had Stanapat, nadat zijn kamp geheel was ingericht, met allen spoed renboden in iedere richting uitgezonden, om zoodra mogelijk bericht van zijn bondgenooten te ontvangen.

Laatstgenoemden kwamen weldra opdagen, verzeld van hunne muzikanten op de chichikouee’s en trommen.

Deze krijgslieden waren minstens vijfhonderd man sterk, allen schoon en welgemaakt, in hun beste oorlogskostuum en in volle wapenrusting, derwijze dat zij voor de lichtgeloovige oogen der onnoozele menigte eene inderdaad allerverschrikkelijkste vertooning maakten.

Het opperhoofd dat dezen troep aanbracht en kommandeerde was de Zwarte-Kat.

Wij zullen hier met een enkel woord de onverwachte komst van dit opperhoofd en de zijnen in het kamp der Apachen toelichten, eene komst die wel onverwacht moet schijnen na de rol door den Zwarte-Kat gespeeld bij den aanval op het kamp van den Squatter.

De Roode-Ceder, zoo als de lezer weet, was midden in den nacht door de jagers overvallen. Zijn kamp werd in de eerste oogenblikken door de aanvallers in brand gestoken.

De daarop onmiddellijk gevolgde aardbeving had de omstandigheden ter goeder ure zoodanig verwikkeld, dat geen der bandieten het verraad van den Zwarte-Kat had opgemerkt, die van zijnen kant, zoodra hij de stelling der bandieten had aangewezen, zich bepaalde bij het vooruit zenden zijner krijgslieden, terwijl hij zelf zich wel wachtte in eigen persoon aan te vallen, maar integendeel achteraf bleef om zich niet onnoodig in gevaar te begeven, ten einde wanneer het rechte oogenblik zou gekomen zijn, zooveel te vrijer partij te kunnen kiezen en zijn gewicht in de schaal te leggen.

Zijne krijgslist was volkomen geslaagd. De bandieten, aan alle zijden te gelijk aangegrepen, hadden de handen vol met zich zoo goed mogelijk te verdedigen, zonder tijd te hebben om in de gelederen des vijands hunne overgeloopen bondgenooten te herkennen.

Alzoo werd de Zwarte-Kat met open armen ontvangen door Stanapat, die zich gelukwenschte met de hulp die hij kreeg.

In den loop van den dag kwamen er van lieverlede nog meer troepen in het kamp aan, zoodat er tegen zonsondergang ongeveer vijftienhonderd krijgshaftige Roodhuiden aan den voet van de rots vereenigd waren.

De jagers zagen zich dus volkomen ingesloten.

Uit de bewegingen der Indianen konden zij weldra opmaken dat deze aan geen aftocht zouden denken alvorens hen geheel ten onder te hebben gebracht.

Intusschen zijn er geen zorgeloozer menschen dan de Indianen, zij leven als bij den dag en denken weinig of niet aan de toekomst.

Na verloop van twee dagen was er dus in hun kamp reeds gebrek aan levensmiddelen, en om in dezen staat van zaken te voorzien zou er eene groote bisonsjacht worden gehouden.

Met het dagen van het eerste morgenrood trok een dertigtal jagers onder bevel van den Zwarte-Kat het kamp uit en het kreupelbosch door naar de prairie.

Na een snellen rit van twee uren gingen zij over de Schildpad-rivier, een kleinen stroom, aan welks boorden zij halt maakten om hunne paarden te laten uitblazen en tevens zich zelven te verfrisschen, er werden dus eenige vuren ontstoken van bisonsmest, daar zij hun ontbijt op braadden, en na den maaltijd gingen zij weder op weg.

Tegen den middag kwamen zij aan een heuvel, dien zij beklommen om de vlakte in oogenschouw te nemen, die zich aan hunne voeten uitstrekte. Op vrij verren afstand zagen zij eenige kleine troepen bisonsbullen ieder van vijf tot zes stuks, vreedzaam grazen.

De geweren werden in gereedheid gehouden, de hanen gespannen en de jagers daalden in de vlakte af en begonnen een regelmatigen aanval op de bisons, die hoezeer plomp en log van aard nochtans zeer snel loopen kunnen.

De jagers lieten zich echter weldra vervoeren om ieder zijn eigen prooi te bejagen en het dier te vervolgen dat het naast bij hem was.

De Bisons nemen niet zelden eene dreigende houding aan, en vervolgen dan op hunne beurt de jagers, soms twintig of vijf-en-twintig passen ver; doch zij zijn gemakkelijk te ontwijken; zoodra zij gezien hebben dat hunne vervolging nutteloos is nemen zij ijlings de vlucht.

De Indianen en kleurlingen zijn op deze jacht, die gewoonlijk te paard geschiedt, zoo gevat en geoefend, dat zij zelden meer dan één schot behoeven te doen om een bison te dooden.

Bij het schieten leggen zij hun geweer niet aan zooals wij zouden doen, tegen den schouder, maar strekken het met de beide armen voor zich uit; zoodra zij zich dan op tien of twaalf passen afstand van het dier bevinden geven zij op deze wijze vuur, en laden daarna terstond weder hun geweer met onbegrijpelijke snelheid, want zij gebruiken geen prop maar laten den kogel, waarvan zij er gemeenlijk een zeker aantal in den mond hebben, onmiddellijk op het kruit zakken, daar de vochtige kogel zich dadelijk op hecht en dat hem even prompt terug zendt.

Door deze ongemeen gezwinde lading kunnen de Indianen in een kort tijdbestek een groote slachting onder de bisons aanrichten.

Acht-en-zestig van deze dieren werden thans in minder dan twee uren tijds gedood.

De Zwarte-Kat alleen had er elf neergelegd.

De geschoten dieren werden gevild en op daartoe afzonderlijk medegebrachte paarden geladen, en nu namen de jagers vroolijk den terugtocht aan naar het kamp, in druk en levendig gesprek over de zonderlinge ontmoetingen en merkwaardigheden der afgeloopene jacht met al de kleuren der Indiaansche geestigheid.

Dank zij den gelukkigen tocht waren de Apachen thans voor een geruimen tijd van levensmiddelen voorzien.

Op korten afstand van het kamp genaderd, zagen zij een enkelen ruiter in vollen ren op hen afkomen.

De Zwarte-Kat liet terstond halt maken en wachtte hem af. Blijkbaar kon de dus aansnellende ruiter geen ander zijn dan een vriend. Een vijand toch zou zich op deze wijs immers niet in hunne handen komen overleveren.

Hunne onzekerheid dienaangaande werd spoedig opgelost.

De Apachen herkenden binnen weinige oogenblikken de Witte-Gazelle. Wij hebben reeds elders gezegd hoeveel de Indianen van dit meisje hielden. Zij ontvingen haar op de beleefdste wijze en geleidden haar naar den Zwarte-Kat, die onbewegelijk stond te wachten tot zij hem bereikt had.

Het opperhoofd beschouwde haar eene poos met de meeste oplettendheid.

»Mijne dochter is welkom!” zeide hij, »komt zij de gastvrijheid der Indianen inroepen?”

»Neen, hoofdman,” antwoordde zij ronduit, »ik kom mij met hen vereenigen tegen de Bleekgezichten, gelijk ik dit reeds vroeger deed, trouwens,” liet zij er op volgen, »gij weet dit even goed als ik, ik behoef het u dus niet te verzekeren.”

»Goed,” hernam het opperhoofd, »wij zeggen mijne dochter dank; hare vrienden zijn thans afwezig, maar wij wachten, wellicht binnen weinige uren reeds, den Roode-Ceder met zijne Langmessen van het Oosten.”

Een wolk van weerzin vloog ongemerkt over het gelaat der Gazelle, maar zij herstelde zich oogenblikkelijk, bracht haar paard op eene lijn met dat van den Sachem, en vervolgde het gesprek op onverschilligen toon:

»De Roode-Ceder mag terugkomen wanneer hij kan of wil, mij is dit om het even,” zeide zij. »Ik ben immers de vriendin der Apachen?”

»Dat is zoo,” antwoordde de Indiaan met eene buiging.

»Wil mijne dochter haar tocht dadelijk voortzetten?”

»Zoodra gij maar wilt, hoofdman.”

»Vertrekken wij dan,” zei de Zwarte-Kat zijne volgers een wenk gevende.

De troep jagers zette zich terstond in galop.

Een uur daarna reden zij het kamp binnen, waar zij door de Apachen-krijgslieden met luide vreugdekreten ontvangen werden.

De Zwarte-Kat liet voor de Gazelle eene calli gereed maken; en nadat hij de posten bezocht en de berichten der veldontdekkers gehoord had, kwam hij zich nederzetten bij denzelfden boom, waar de Witte-Gazelle zich had nedergevlijd om over de nieuwe verplichtingen na te denken, die zij ten gevolge van hare verbintenis met den Zoon des Bloeds en ter voltooiing van hare wraak had op zich genomen.

Zij zat dus in diepe gepeinzen de plannen te overwegen die zij ter bereiking van haar doel noodig achtte.

»Mijne dochter is treurig,” zei het oude opperhoofd terwijl hij zijne pijp vulde en toen aanstak, met behulp van een tamelijk lang stokje met vederen van verschillende kleur versierd, dat hem als talisman diende; want zekere bijgeloovigheid, die aan sommige Indianen bijzonder eigen is, gedoogde niet dat hij het vuur met zijne handen of met iets anders aanvatte, daar hij meende dat hij dan oogenblikkelijk zou sterven.

»Ja,” antwoordde het meisje; »mijn hart is treurig en een sombere wolk heeft zich over mijn geest uitgespreid.”

»Mijne dochter zij getroost,” hernam de Sachem, »die zij verloren heeft zal gewroken worden.”

»De bleekgezichten zijn sterk,” antwoordde zij, hem scherp aanziende.

»Ja,” zei het opperhoofd, »de blanken hebben de kracht van den grauwen beer, maar de Indianen zijn zoo listig als de bever; laat mijne dochter derhalve gerust zijn, hare vijanden zullen haar niet ontsnappen.”

»Weet mijn vader dat zeker?”

»De Zwarte-Kat is een der groote Sachems van zijn volk, niets is voor hem verborgen. Op dit oogenblik zijn al de natiën der prairie, bij welke zich ook de kleurlingen van gemengd bloed hebben gevoegd, in aantocht om de rots te omsingelen en in te sluiten waar de groote jager der blanken zich heeft genesteld; morgen omstreeks dit uur van den dag zullen er misschien zesduizend strijders der Roodhuiden hier vereenigd zijn. Mijne dochter zal dus kunnen zien of hare wraak verzekerd is, zoo de bleekgezichten zich althans niet op vleugelen in de lucht kunnen verheffen of in de diepte der wateren neerduiken, hetgeen wel onmogelijk is, zijn zij stellig verloren.”

Het meisje antwoordde niet en zonder zich verder te bekommeren om den Indiaan, die haar met doordringenden blik aankeek, stond zij op en begon onrustig op en neder te wandelen.

»Mijn God! hoe moet dat gaan?” zeide zij half hardop, »zij zijn verloren! O! dat ik slechts eene vrouw ben, dat ik niets voor hen doen kan! Hoe zal ik hen redden?”

»Wat zegt mijne dochter toch? Heeft de Wacondah haar verstand verbijsterd?” vroeg de Zwarte-Kat terwijl hij haar de hand op den schouder legde en haar staande hield.

Het Spaansche meisje keek hem schichtig aan, maar liet het hoofd op de beide handen zinken en mompelde met eene gesmoorde stem:

»Mijn God! ik word nog krankzinnig!”

De Zwarte-Kat wierp eerst een bespiedenden blik in het rond en boog zich toen aan het oor van het meisje.

»Dat mijne zuster mij volge,” fluisterde hij met een vaste en nadrukkelijke stem.

De Witte-Gazelle sloeg de oogen op en keek hem strak aan; het opperhoofd hield zich den vinger voor den mond, als om haar tot stilzwijgen te nopen en toen zich omkeerende trad hij dieper het bosch in.

Het meisje volgde hem met onrustige schreden.

Zij stapten eenige minuten voort.

Eindelijk kwamen zij op den top van een kleinen geheel boomloozen heuvel, vanwaar het oog naar alle kanten kon uitzien en de ruimte bespieden.

Hier bleef de Zwarte-Kat staan, en wenkte het meisje te naderen.

»Hier kunnen wij samen keuvelen,” zeide hij; »dat mijne zuster spreke, mijne ooren zijn geopend.”

»Wat zou ik kunnen zeggen dat mijn vader nog niet weet?” antwoordde zij met blijkbaar wantrouwen.

»Mijne dochter wenscht hare blanke broeders te redden, niet waar?” zeide hij.

»O! ja, ja!” riep zij in vervoering. »Om gewichtige redenen die ik u niet zeggen kan, zijn de lieden die mij eenige dagen geleden nog hatelijk waren, mij op eens dierbaar geworden, en nu zou ik hen gaarne willen redden, al was het met opoffering van mijn eigen leven.”

»Ja,” zei de oude Indiaan, als sprak hij in zich zelven, »zoo zijn de vrouwen; als de bladeren, die de wind door het luchtruim drijft, verandert haar gemoed van richting bij het minste geblaas van den hartstocht.”

»Thans weet gij mijn geheim,” hervatte zij bepaald; »het bekommert mij weinig dat ik er u deelgenoot van maakte, handel naar uw eigen goeddunken, maar reken niet langer op mij.”

»Integendeel,” hernam de Apache met zijn gewonen spotachtigen lach, »ik reken meer op u dan ooit.”

»Wat wilt gij zeggen?”

»Wel!” vervolgde de Zwarte-Kat met een bespiedenden blik in het rond, en terwijl hij zijne stem zooveel mogelijk liet dalen, »ook ik wil hen redden.”

»Gij?”

»Ja, ik. Heeft het groote bleeke opperhoofd mij niet laten ontsnappen toen ik in het dorp der Comanchen niets anders dan den dood te verwachten had? Heeft hij mij niet als een broeder met het vuurwater uit zijn kalebas gelaafd, om mij kracht te geven en in staat te stellen te paard te stijgen en naar de krijgslieden van mijn stam terug te keeren? De Zwarte-Kat is een groot opperhoofd. Ondankbaarheid is een ondeugd der blanken. Dankbaarheid is een deugd der Rooden. De Zwarte-Kat zal zijn broeder redden.”

»Ik dank u, hoofdman, ik dank u!” riep het meisje, terwijl zij de ruwe handen van den ouden Indiaan in hare kleine mollige handen drukte, »ik dank u voor uwe edele trouw. Maar helaas! de tijd verloopt zoo snel; binnen weinige uren is het morgen en misschien slagen wij niet.”

»De Zwarte-Kat is voorzichtig,” antwoordde de Sachem.

»Laat mijne zuster luisteren; maar wacht! misschien zou zij niet ongaarne hare vrienden gaan verwittigen dat zij voor hen waakt.”

De Witte-Gazelle glimlachte, maar antwoordde niet. De Indiaan floot op eene bijzondere manier.

De Zonnestraal verscheen.

VIII.
DE ZWARTE-KAT EN DE EENHOORN.

Inhoudsopgave

De Zwarte-Kat koesterde voor Valentin eene onbegrensde dankbaarheid wegens de edelmoedige wijs waarop deze hem eenmaal het leven had gered.

Het opperhoofd zocht met alle mogelijke middelen de schuld af te doen die hij na den aanval van het kamp der bandieten had op zich genomen, een aanval gedurende welken hij den jager reeds krachtdadig had ondersteund door zich den snel stroomenden Rio-Gila te laten afdrijven in de bisonsvellen-prauwen, die hij op raad van Valentin had samengesteld.

De Zwarte-Kat dacht ernstig na over de gebeurtenissen die onder zijn oog plaats hadden. Als alle Indiaansche opperhoofden in het Verre Westen, kende hij de oorzaak van den haat die de blanken onderling verdeelde; bovendien had hij bij menige gelegenheid het groot zedelijk verschil tusschen den Amerikaanschen Squatter en den Franschen jager leeren opmerken en waardeeren.

Overigens was deze vraag thans in zijn gemoed reeds bepaald uitgemaakt, en bezat de Franschman al zijne toegenegenheid.

Evenwel was het nog altijd noodig dat zijne medewerking, zou zij nuttig zijn, niet alleen door Valentin, maar ook door diens vrienden wierd aangenomen, ten einde ieder noodlottig misverstand te vermijden.

Toen de aarde na de doorgestane schokken, haar evenwicht hernomen had en de natuur tot haar normalen toestand was wedergekeerd, gaf de Sachem den zijnen een wenk om niet verder te gaan.

De prauwen werden dus aan land gebracht en de Zwarte-Kat beval zijne krijgslieden om op de plaats, waar zij zich thans bevonden, te kampeeren en de omstandigheden af te wachten.

Vervolgens dicht in zijne nabijheid een troep wilde paarden ziende weiden, lasseerde hij er een van, temde het in weinige minuten, sprong het op den rug en reed er in galop mede weg.

Op dit oogenblik steeg de zon luisterrijk uit de kimmen.

Het Apachenhoofd reed den ganschen dag door, zonder zich ergens op te houden, dan slechts nu en dan een enkele maal om zijn paard even te laten uithijgen.

Tegen zonsondergang bevond hij zich op een boogschot afstand van het dorp van den Eenhoorn.

Na eenige oogenblikken te hebben staan peinzen scheen de Indiaan tot een bepaald besluit te zijn gekomen, hij zette zijn paard weder in galop en reed stoutmoedig het dorp in.

Het was geheel verlaten.

Hij doorkruiste het in iedere richting en zag nog overal droevige sporen van den vreeselijken strijd die er eenige dagen te voren had plaats gehad; maar nergens ontmoette hij een mensch, geen hond zelfs.

Wanneer een Indiaan iets wil opsporen, laat hij zich door niets ontmoedigen en gaat hij voort zoolang tot hij vindt wat hij zoekt.

Aan de eene zijde het dorp ingekomen reed hij er aan de andere zijde weder uit, hield daar een oogenblik stil om zijn koers te overwegen en vertrok toen op nieuw in galop, zonder te aarzelen, recht toe recht aan.

Zijne bewonderingswaardige kennis van de prairie had hem niet bedrogen, vier uren later kwam hij aan den ingang van het groote natuurwoud, onder welks schaduwrijke bladgewelven wij de Comanchen van den Eenhoorn hebben zien verdwijnen1.

Ook de Zwarte-Kat reed het bosch in, juist op hetzelfde punt waar de bevolking van het dorp er was binnen getrokken.

Na een uur rijdens zag hij in de verte tusschen het geboomte, de kampvuren der Comanchen reeds blinken.

De Apache hield een oogenblik stil, staarde oplettend in het rond en vervolgde zijn weg.

Ofschoon schijnbaar alleen, voelde hij als bij instinkt dat men hem bespiedde; hij was overtuigd dat hij sedert zijne intrede in het woud door onzichtbare oogen opgemerkt en gevolgd werd.

Daar hij echter met geene vijandige bedoelingen kwam, was hij volkomen gerust en had hij zijn spoor in geenen deele trachten te verbergen, een wijze van doen die de wachtposten der Comanchen terstond begrepen, zoodat zij hem ongemerkt en ongestoord zijn pad lieten vervolgen, maar desniettemin zijne komst op hun territoir ijverig aan elkander mededeelden. De Zwarte-Kat was dus nog ver van het dorp toen men van zijne komst reeds lang kennis droeg.

Weldra reed hij een ruim boschkamp binnen, in welks midden een aantal hutten waren gebouwd.

Verscheidene opperhoofden zaten stilzwijgend rondom een vuur nedergehurkt, dat voor eene groote calli brandde, die de Zwarte-Kat terstond als de medicijnhut erkende.

In tegenstelling met het in dergelijke gevallen gewone gebruik, scheen niemand op de komst van den Sachem acht te geven; niemand stond op om hem de gevorderde eer te bewijzen of welkom te heeten.

De Zwarte-Kat begreep wel dat er iets buitengewoons in het dorp plaats had en dat hij zich op een zonderling tooneel moest verwachten.

Hij stoorde zich geenszins aan de koele ontvangst die men hem deed, maar steeg af, wierp zijn paard de teugels op den hals, trad regelrecht naar het vuur en hurkte neder recht tegenover den Eenhoorn en tusschen twee andere Sachems, die terstond een weinig links en rechts opschoven om hem plaats te verleenen.

Toen haalde hij zijn calumet uit zijn gordel, vulde haar met tabak, stak haar aan en begon te rooken, na vooraf de aanwezigen met een hoofdknik te hebben gegroet.

Deze beantwoordden hem met hetzelfde gebaar, maar zonder de stilte in ’t minst te verbreken.

Eindelijk nam de Eenhoorn de pijp uit den mond en wendde zich tot den Zwarte-Kat.

»Mijn broeder is een groot krijgsman,” zeide hij, »hij zij ons welkom; zijne komst is een gelukkig voorteeken voor mijne krijgshaftige jongelingen, op dit oogenblik, nu een eerwaardig hoofd op het punt staat ons te verlaten en naar de velden der gelukzaligen af te reizen.”

»De Meester des levens heeft mij dan wel ter goeder ure hier laten komen,” antwoordde de Apache; »maar wie is de Sachem die sterven gaat.”

»De Panther is het leven moede,” hernam de Eenhoorn op droevigen toon, »hij heeft vele winters geteld; zijn matte arm kan den bison niet meer treffen, noch den vluggen eland; zijn oog is verduisterd, hij kan slechts met moeite de naaste dingen onderscheiden.”

»De Panther is voor zijne broeders niet langer van nut, integendeel wordt hij hun tot last; hij moet dus sterven,” zei de Zwarte-Kat met hooge wijsheid.

»Zoo heeft de oude Sachem er ook over gedacht; hij heeft dit heden, terwijl wij hier om het vuur gezeten zijn, aan den raad te kennen gegeven; en aan mij, zijn zoon, is de taak opgedragen hem de poorten des anderen levens te openen.”

»De Panther is een wijs opperhoofd: waartoe zou zijn leven langer dienen, als hij een last is voor de zijnen! De Wacondah is zoo goedertieren geweest den Roodhuiden het noodige verstand te geven om zich van de ouden en zwakken te ontdoen, en hen naar eene andere wereld te zenden, waar zij vernieuwd zullen worden en, na deze korte proef, weder zullen kunnen jagen met al de kracht der jeugd.”

»Mijn broeder heeft goed gesproken,” antwoordde de Eenhoorn met eene buiging.

Op dit oogenblik ontstond er beweging onder het volk dat zich voor de zweethut verzameld had, waar de oude Sachem was opgesloten.

De deur werd geopend en de Panther kwam te voorschijn.

Het was een hoog bejaard man van majestueuze gestalte. Wat onder de Indianen eene zeldzaamheid is, daar zij vaak tot den hoogsten ouderdom den schijn der jeugd behouden, waren zijne haren en baard, die ordeloos over zijne schouders en borst hingen, zoo wit als sneeuw.

Op zijn gelaat, ofschoon den stempel dragende van onverdelgbare zielskracht, stonden al de kenmerken van het verval des ouderdoms in zijn laatste periode te lezen.

Hij was gedost in zijn beste gewaad en bovendien beschilderd en gewapend alsof hij ten strijde moest.

Zoodra hij zich op den drempel der hut vertoonde rezen al de Sachems op. De Eenhoorn trad snel naar hem toe en reikte hem eerbiedig den rechterarm om hem te ondersteunen.

Geleid door den Eenhoorn, waggelde de grijsaard langzaam naar het raadsvuur, bij hetwelk hij zich nederzette.

De overige opperhoofden namen aan weêrszijden van hen plaats, en de krijgslieden formeerden achter hen een grooten kring.

De pijpdrager bracht de groote vredescalumet en bood haar den grijsaard aan; toen de calumet van hand tot hand gegaan en den kring rond was geweest, nam de Panther het woord.

Zijne diepe basstem klonk bijzonder dof, maar de heerschende stilte was zoo groot dat allen van woord tot woord konden verstaan wat er gesproken werd.

»Mijn zoon,” sprak hij, »ik ga vertrekken naar het andere land; weldra ben ik bij den Meester des levens. Ik zal aan de krijgslieden van ons volk die ik op mijnen weg ontmoet, verhalen dat de Comanchen steeds onverwinnelijk zijn en dat hunne natie de koningin der prairiën blijft.”

Een goedkeurend gemompel overstelpte deze woorden des grijsaards en belette hem een tijdlang om voort te gaan.

Eindelijk begon hij weder.

»Blijft altijd dezelfde dapperen die uwe vaderen geweest zijn, weest onverbiddelijk voor de Bleekgezichten, want het zijn verscheurende wolven, gekleed in elandshuiden; leert hen voor u te vluchten met de voeten der antilopen en laat hun nimmer de wolvenstaarten zien die gij aan uwe hielen draagt! Proeft nimmer het vuurwater, dat heilloos vergif waarmede de Bleekgezichten ons zoeken te ontzenuwen en tot vrouwen te maken, opdat wij buiten staat zouden zijn ons over hunne verongelijkingen te wreken.

»Als gij, hetzij op de jacht of op het oorlogspad, rondom uwe kampvuren vereenigd zijt, denk dan nog dikwijls aan den Panther, het oude opperhoofd wiens naam voorheen groot was, en die toen hij zag dat de Wacondah hem op aarde dreigde te vergeten, liever verkoos te sterven dan langer ten laste van zijne natie te leven.

»Vertelt het aan de jonge krijgslieden die voor de eerste maal het oorlogspad zullen betreden, welke roemrijke daden uw oud opperhoofd de Springende Panther heeft verricht, die zoo lang de schrik was van de vijanden der Comanchen.”

Bij het uitspreken dezer woorden schitterden de oogen van den ouden Sachem met ongewonen gloed en beefde zijne stem van aandoening.

De Indianen rondom hem verzameld luisterden met steeds klimmenden eerbied.

»Maar waartoe zou ik verder aldus tot u spreken,” hervatte hij met een gesmoorden zucht, »want ik weet dat mijn gedachtenis onder u niet zal worden uitgedelgd, daar ik u mijn zoon den Eenhoorn nalaat om mij op te volgen en u op zijne beurt te leiden op den weg waarop ik u zoo lang ben voorgegaan? Brengt mij dus mijn laatsten maaltijd, opdat wij weldra gezamenlijk het lied van de groote medicijn kunnen zingen.”

Onmiddellijk brachten de Indianen eenige potten gekookt hondenvleesch.

Op een wenk van den Panther nam het maal een aanvang.

Toen het geëindigd was ontstak de grijsaard zijn calumet en begon te rooken, terwijl de krijgslieden om hem heen dansten.

De Eenhoorn voerde de dansreien aan.

Na verloop van een paar minuten gaf de grijsaard een wenk.

De krijgslieden stonden stil.

»Wat verlangt mijn vader?” vroeg de Eenhoorn.

»Ik verzoek u het lied van de groote medicijn te zingen,” antwoordde hij.

»Goed,” hervatte de Eenhoorn, »mijn vader zal gehoorzaamd worden.”

Daarop begon hij terstond het zonderlinge lied aan te heffen, waarvan wij hier de vertaling laten volgen, en dat door al de andere Indianen in koor herhaald werd terwijl zij op nieuw begonnen te dansen.

»Meester des levens, gij geeft ons moed! De Roodhuiden weten wel dat gij hen liefhebt! Wij zenden u heden onzen vader! Zie hoe oud en hoe afgeleefd hij is! De vlugge eland is in een tragen beer veranderd! Geef hem zijne jeugd terug in eene andere wereld, opdat hij weder in staat zij te jagen als in de dagen van ouds.”

De dansende reien wervelden om den grijsaard heen, die met de grootste bedaardheid zijne pijp bleef rooken.

Eindelijk, toen de calumet was uitgebrand, schudde hij de asch op den nagel van zijn duim, legde de pijp voor zich neder en hief de oogen ten hemel.

Op dit oogenblik kleurde de eerste morgenschemering met hare opaaltinten den uitersten rand des gezichteinders.

De grijsaard richtte zich op; uit zijne doffe oogen, als waren zij met nieuw leven bezield, straalde een vurige blik.

»Dit is het uur,” riep hij met luide en vaste stem, »de Wacondah roept mij. Vaartwel! Comanchen-krijgslieden; aan u mijn zoon, aan u is de plicht mij naar den Meester des levens te zenden.”

De Eenhoorn maakte de bijl, die aan zijn gordel hing los, zwaaide haar boven zijn hoofd en hieuw, zonder aarzeling, met een enkelen slag en sneller dan eene gedachte den grijsaard het hoofd in tweeën terwijl deze hem met een glimlach op het gelaat aanzag en oogenblikkelijk zonder een woord te uiten, ontzield nederzeeg.

Hij was dood!

De dans begon weder op nieuw, sneller en wilder dan te voren en de krijgslieden zongen weder een koorzang:

»Wacondah! Wacondah! ontvang dezen krijgsman! Gij ziet dat hij den dood niet vreest! Hij weet dat deze niet bestaat, daar hij in uwen schoot herleven moet.

»Wacondah! Wacondah! ontvang dezen krijgsman.

»Hij was rechtvaardig! Het bloed der Comanchen stroomde rood en helder in zijn hart! zijne woorden die zijne borst heeft uitgeblazen waren wijs.

»Wacondah! Wacondah! ontvang dezen krijgsman. Hij was de grootste, de vermaardste van uwe kinderen de Comanchen.

»Wacondah! Wacondah! ontvang dezen krijgsman. Zie hoevele haarschedels zijn gordel draagt.

»Wacondah! Wacondah! ontvang dezen krijgsman!”

De zangen en dansen duurden tot de zon was opgegaan. Eerst toen werd de ronde, op een wenk van den Eenhoorn gestaakt.

»Onze vader is vertrokken,” zeide hij, »zijne ziel heeft zijn lichaam verlaten, daar zij te lang in gewoond had om geen andere woonplaats te verkiezen; bereiden wij hem een graf, gelijk aan zulk een groot krijgsman voegt.”

De toebereidselen vorderden niet veel tijd.

Het lijk van den Springenden Panther werd eerst gewasschen en met zorg beschilderd; daarop werd hij met zijne oorlogswapens in het gedolven graf gelegd; het laatste paard door den overledene bereden, en zijne honden werden op den rand van den kuil geslacht en toen bij hem in het graf geplaatst; vervolgens bouwde men een hut van boomschors boven het graf om het voor de aanranding der wilde dieren te beveiligen.

Boven op de hut plantte men een langen staak, behangen met de haarschedels die de oude krijgsman veroverd had toen hij nog jong en krachtvol de Comanchen ten strijde voerde.

De Zwarte-Kat had de roerende bijzonderheden der treurige plechtigheid met vromen ernst en eerbied bijgewoond, en toen het ceremoniëel der begrafenis was afgeloopen trad de Eenhoorn naar hem toe.

»Ik zeg mijn broeder dank,” zei de Comanch, »voor zijne hulp ons bij het bewijzen van de laatste eer aan een doorluchtig krijgsman betoond. Thans ben ik geheel tot mijns broeders dienst, hij spreke zonder schroom; de ooren van een vriend zijn voor hem geopend en zijn hart zal de woorden bewaren die de borst zijns broeders uitblaast.”

»De Eenhoorn is de eerste krijgsman van zijn volk,” antwoordde de Zwarte-Kat met eene buiging, »de gerechtigheid en goede trouw wonen in hem; er is eene wolk over mijn hart uitgebreid die het verduistert en het treuren doet.”

»Dat mijn broeder zich vrij aan mij openbare, ik weet wel dat hij een der meest beroemde hoofden is van zijn stam; de Zwarte-Kat telt de scalpen niet meer die hij aan zijne vijanden ontrukt heeft; waarom is hij dan treurig?”

Het Apachenhoofd glimlachte bij deze woorden van den Eenhoorn.

»De vriend van mijn broeder,” zeide hij onmiddellijk ter zake komende, »de groote blanke jager die door zijn stam als zoon werd aangenomen verkeert op dit oogenblik in ontzettend groot gevaar.”

»Ooah!” riep de Sachem, »kan dit waar zijn? Koutonepi vleesch van mijn gebeente, wie hem aanrandt verwondt mij! Dat mijn broeder zich nader verklare.”

De Zwarte-Kat verhaalde thans aan den Comanch hoe Valentin hem het leven had gered, hoe de Apachen en andere natiën van het Verre Westen een verbond tegen de blanken hadden, gesloten en in welke hachelijke stelling Valentin zich thans bevond zoowel door den invloed dien de Roode-Ceder op de Indianen bezat als door de macht over welke de bandiet in deze oogenblikken beschikken kon.

De Eenhoorn schudde bedenkelijk het hoofd.

»Koutonepi is wijs en ondernemend,” zeide hij, »zijn hart is vol edelheid en trouw, maar hij zal het niet kunnen volhouden; hoe zullen wij hem te hulp komen? Een man, hoe dapper hij ook wezen mag, is niet bestand tegen honderd.”

»Valentin is mijn broeder,” antwoordde de Apache; »ik heb gezworen hem te zullen redden, maar wat vermag ik alleen tegen zoovelen?”

Plotseling verscheen er eene vrouw tusschen de beide Sachems.

Die vrouw was de Zonnestraal.

»Als mijnheer het mij vergunt,” zeide zij, met een smeekenden blik op den Eenhoorn, »ik zal u helpen; eene vrouw vermag veel.”

Er volgde een poos stilte.

De beide hoofden keken de jonge vrouw aan, die zwijgend en in deemoedige houding voor hen stond.

»Mijne zuster is dapper,” sprak eindelijk de Zwarte-Kat, »maar eene vrouw is een zwak schepsel, hare hulp doet weinig af in zulke moeielijke omstandigheden.”

»Misschien meer dan gij denkt,” antwoordde zij rondweg.

»Vrouwtje,” zei de Eenhoorn haar de hand op den schouder leggende, »ga gij waar uw hart u roept; red mijn broeder en kwijt u van de schuld die gij bij hem hebt, mijn oog zal u volgen, op het eerste signaal kom ik u te hulp!”

»Dank u!” riep de jonge vrouw verheugd, en voor het opperhoofd op de knieën vallende kuste zij hem eerbiedig de hand.

De Eenhoorn hervatte:

»Ik vertrouw deze vrouw aan mijn broeder; ik weet dat zijn hart groot is, ik ben gerust; vaarwel.”

En met een laatsten groet van zijn gast afscheid nemende, trad hij zonder omzien in zijn calli en liet het bisonsvel dat voor den ingang hing achter zich dicht vallen.

De Zonnestraal oogde hem na; toen hij verdwenen was wendde zij zich tot den Zwarte-Kat.

»Vertrekken wij!” zeide zij, »en redden wij onzen vriend!”

Eenige uren later bevond het Apachenhoofd, vergezeld van de jonge vrouw zich reeds weder bij zijne stamgenooten aan den oever der Rio Gila, waar hij hen gekampeerd had achter gelaten.

Hij verzamelde al zijne krijgslieden, en twee dagen daarna stond hij met zijne legerschaar aan den voet van den Bisonsheuvel.

1 Zie de Roovers der Prairiën.↑

IX.
DE SAMENKOMST.

Inhoudsopgave

Na de voorgaande opheldering, hervatten wij den draad van ons verhaal, waar wij dien aan het slot van het zevende hoofdstuk gelaten hebben.

Zonder een woord te spreken overhandigde de Zonnestraal aan het Mexicaansche meisje een blad papier, een houten teekenstift en een schelp met blauwe verf gevuld.

De Gazelle sprong bijna op van blijdschap.

»O ik begrijp u wel,” riep zij.

Het opperhoofd glimlachte.

»De blanken zijn toch zeer geleerd,” zeide hij, »er is niets dat zij niet kennen; mijne dochter gaat zeker een collier (brief) teekenen voor den bleeken overste.”

»Ja,” murmelde zij, »maar zou hij mij willen gelooven?”

»Als mijne dochter haar hart slechts op het papier zet, dat zal de blanke jager dadelijk herkennen.”

Het meisje zuchtte.

»Wij zullen zien,” zeide zij.

Met zenuwachtige drift nam zij het papier, schreef haastig eenige woorden en gaf het toen aan de Zonnestraal terug, die nog altijd onbewegelijk voor haar stond.

De jonge Indiaansche maakte van het papier een rolletje, schoof het over een pijlstok en zeide:

»Over een uur zal het zijn waar het wezen moet.”

Daarop liep zij zoo vlug als een ree het bosch in en was spoedig verdwenen.

Deze kleine onderhandeling werd in minder tijd volbracht dan wij noodig hadden om haar te beschrijven.

Zoodra de Zonnestraal, die vooraf reeds door den Zwarte-Kat op hare taak was voorbereid, vertrokken was, zeide de Indiaan:

»Nu zullen wij zien of wij ze allen kunnen redden; althans hoop ik dat degenen die ons dierbaar zijn aan het gevaar zullen ontkomen.”

»God geve dat gij u niet bedriegt, mijn vader!” antwoordde het meisje.

»Wacondah is groot! Zijne macht is onbegrensd, hij kan alles; laat mijne dochter slechts hopen,” zeide hij.

Nu volgde er tusschen deze twee een langdurig gesprek, ten gevolge waarvan de Witte-Gazelle ongemerkt het bosch insloop, om zich naar een bergje te begeven op korten afstand van den post der blanken, den zoogenaamden Elandsheuvel, dien zij don Pablo voor een mondgesprek had aangewezen.

De gedachte dat zij zich zoo terstond in de tegenwoordigheid van den Mexicaan zou bevinden maakte het jeugdige meisje tegen wil en dank geheel buiten zich zelve.

Haar hart kromp ineen van verlegenheid, en zij beefde schier van top tot teen.

De herinnering aan hetgeen nog zoo kort geleden tusschen don Pablo en haar was voorgevallen, bracht hare denkbeelden zoo geheel in de war, dat zij niet wist hoe zij de voorgenomen taak zou ten uitvoer brengen.

Op dit oogenblik was zij dezelfde ruwe amazone niet meer die wij vroeger in haar aan onze lezers voorstelden, toen zij van hare kindsheid af onder de bandieten opgegroeid en aan de ontzettende tooneelen van het prairieleven gewoon geworden, de grootste gevaren durfde trotseeren en als kinderspel beschouwde.

Bij den dood van Sandoval met hare afkomst bekend geworden en tot nadenken gekomen, gevoelde zij dat zij vrouw was; alles in haar wat naar mannenaard zweemde was op eens verdwenen, om niets anders over te laten dan het jeugdige schroomvallige, vreesachtige meisje, dat beefde van angst nu zij tegenover den man zou moeten verschijnen, dien zij met schrik herdacht zoo gruwzaam te hebben beleedigd en die misschien als hij haar zag niet met haar tot verklaring zou willen komen, maar zonder te antwoorden haar den rug zou toekeeren.

Al deze gedachten en nog zoo velen bovendien kruisten zich in haar brein, terwijl zij zich met verstolen tred naar het aangewezen punt begaf.

Hoe nader zij er bij kwam hoe levendiger hare vrees werd, terwijl hare fel bewogen zinnen haar al sterker en sterker haar vroeger gehouden onwaardig gedrag verweten.

Eindelijk was zij er.

Op den heuvel was alles nog eenzaam en verlaten.

Haar hart klopte een weinig geruster toen zij dit bemerkte; zij slaakte een zucht van ontspanning en dankte God dat hij haar eenige minuten tijd van beraad gaf om zich op het plechtig onderhoud te kunnen voorbereiden daar zij zelf bepaaldelijk om verzocht had.

Maar reeds het volgende oogenblik kwelde haar eene andere ongerustheid; zij vreesde dat don Pablo zou weigeren aan haar verzoek gevolg te geven en dus wellicht de eenige kans op behoud die zij hem aanbood onherroepelijk zou doen verloren gaan.

Met het hoofd voorover gebogen en de oogen onafgewend op de vlakte gericht, poogde zij de diepte der duisternis te doorboren en zat zij met klimmenden angst de sekonden te tellen.

Wie heeft nog ooit kunnen berekenen uit hoevele eeuwen eene minuut bestond voor iemand die zoo zit te wachten?

Intusschen ging de tijd snel voorbij, de maan was bijna achter de verre bergen verdwenen, en de zon zou binnen een uur verrijzen.

Het meisje begon reeds aan de komst van don Pablo te twijfelen; doffe wanhoop vermeesterde haar en zij verwenschte de stoffelijke onmogelijkheid, die haar noodzaakte om werkeloos op hare plaats te blijven zitten en haar dwong tot machteloos verbeiden.

Laten wij hier in korte woorden vermelden wat er in deze oogenblikken op den Dolle-Bisonsheuvel voorviel.

Valentin, Curumilla en don Pablo rookten op den top des heuvels in stilte hunne calumet, ieder op zijne manier nadenkende over de beste middelen om uit de moeielijke stelling te geraken in welke de kleine troep zich bevond, toen op eens een scherp gefluit zich hooren deed, en een lange pijl, snel tusschen de drie mannen doorvliegend, diep in het gras drong van het bolwerk waar zij tegen leunden.

»Wat is dat?” riep Valentin, die het eerst zijne koelbloedigheid herkreeg, »por Dios! beginnen de Roodhuiden hun aanval reeds!”

»Laten wij onze vrienden wekken,” zei don Pablo.

»Wacht even, vriend!” riep Curumilla, die den pijl reeds uit het gras had getrokken en hem met aandacht beschouwde.

»Wat meent gij, hoofdman?” vroeg de jager.

»Kijk eens!” antwoordde de Indiaan lakoniek, hem den pijl ter hand stellend en tevens het papier aanwijzende dat om den stok was gewikkeld, even boven de vederen waarmede de Apachen gewoonlijk hunne pijlen voorzien.

»Inderdaad,” hervatte Valentin, het papier losmakende, terwijl Curumilla een vlammend stuk hout uit het vuur nam om hem bij te lichten.

»Hum!” mompelde don Pablo, »die manier van briefwisselen is slim genoeg gevonden.”


“Hum!” mompelde don Pablo, “die manier van briefwisselen is slim genoeg gevonden.” bladz. 59.

»Wij zullen spoedig zien waar wij ons aan te houden hebben,” antwoordde de jager.

Hij ontvouwde het papier waarop met een soort van blauwen inkt eenige regels in het Spaansch geschreven stonden, van den volgenden inhoud:

»De bleekgezichten zijn verloren; de Indiaansche stammen, in massa opgestaan, en geholpen door de roovers der prairie, omringen hen aan alle kanten. De blanken hebben van niemand hulp te wachten. De Eenhoorn is te ver af, en de Zoon des Bloeds heeft de handen te vol met zichzelven te verdedigen om aan anderen te denken of onderstand te verleenen.

»Don Pablo de Zarate kan, zoo hij wil, aan den dood die hem bedreigt ontsnappen, en allen die hem dierbaar zijn redden. Zijn lot is in zijne eigen handen. Als hij onmiddellijk na de ontvangst van dit bericht zijn legerkamp verlaat en zich begeeft naar den Elandsheuvel, zal hij daar iemand ontmoeten die hem middelen kan verschaffen welke hij vruchteloos elders zou zoeken; die persoon zal aldaar op don Pablo de Zarate wachten tot zonsopgang. Zij verzoekt hem dringend deze waarschuwing niet in den wind te slaan; morgen zou het te laat zijn om hem te redden en zou hij onvermijdelijk in een dwazen en hopeloozen strijd omkomen.

Een vriend.”

Na het lezen van dezen zonderlingen brief liet de jongman het hoofd op de borst zinken, en bleef een poos in gedachten verdiept staan.

»Wat zou ik doen?” mompelde hij.

»Gaan!” antwoordde Valentin. »Men kan nooit weten? misschien behelst dat stukje papier ons aller behoud.”

»Maar zoo er eens verraad onder schuilde?”

»Verraad!” riep Valentin, »wat meent gij, vriend, schertst gij er meê? De Indianen zijn groote verraders en bedriegers in den hoogsten graad, dat stem ik u toe; maar zij hebben een bijgeloovige vrees voor alles wat schrift is; dat houden zij voor gekrabbel van den Geest des kwaads. Neen. die brief komt zeker niet van de Indianen. En wat de bandieten betreft, zij weten volmaakt goed hoe zij een geweer moeten behandelen, maar van de kunst om met de ganzenschacht om te gaan, verstaan zij volstrekt niets en ik verzeker u, dat gij er van hier tot Monteray aan den eenen en tot New-York aan den anderen kant, niet een zoudt vinden die schrijven kan. Dit bericht komt dus zeker van een vriend. Wie deze vriend is, laat zich moeielijker oplossen.”

»Gij zoudt dus denken dat ik deze oproeping moet aannemen?”

»Waarom niet? wel te verstaan altijd met inachtneming van de bij zulke zaken noodige voorzorg.”

»Zou ik er alleen moeten heengaan?”

»Canarios! naar zulke bijeenkomsten gaat men altijd alleen; dat is een uitgemaakte zaak,” zei Valentin meesmuilend, »met dien verstande echter dat men iemand medeneemt, om in geval van nood hulp te bieden, zonder deze voorzorg ware het eene onvergeeflijke dwaasheid.”

»Toegestemd dat ik gezind ben om uw raad te volgen, kan ik toch mijn vader hier niet alleen achterlaten.”

»Uw vader is hier voor het oogenblik veilig genoeg. Bovendien blijven de generaal en Curumilla bij hem, die zich gedurende onze afwezigheid niet zullen laten overrompelen, daar sta ik u borg voor. Overigens, bedenk u wel, het is uwe zaak zoowel als de mijne; alleen moet ik u doen opmerken dat onze omstandigheden kritiek genoeg zijn, om alle ondergeschikte beschouwingen ter zijde te stellen. Canarios! vriend, denk dat het wellicht om ons aller leven te doen is.”

»Gij hebt gelijk, broeder,” zeide de jongman vastberaden, »wie weet of ik mij uw dood en dien van al de onzen niet zou te verwijten hebben als ik uw raad in den wind sloeg. Ik ga.”

»Goed!” riep de jager, »vertrek; wat mij aangaat, ik weet wat ik te doen heb. Wees gerust,” vervolgde hij met zijn gewonen schalkschen lach. »Gij gaat alleen naar het aangewezen punt, maar zoodra gij daar hulp noodig hebt, treed ik onmiddellijk te voorschijn.”

»Zeer goed! Maar de eerste vraag is hier, hoe kom ik dezen berg af zonder gezien te worden, en hoe beklim ik den Elandsheuvel zonder te worden opgemerkt door de duizend tijgerblikken der Apachen, die ons op dit oogenblik zeker begluren.”

»Laat dat maar aan mij over,” zei de jager.

Werkelijk gelukte het don Pablo onder geleide van Valentin den Elandsheuvel te beklimmen, zonder door de Apachen gezien te worden.

Inmiddels zat de Witte-Gazelle steeds te wachten met gebogen hoofd en het oor gespitst op ieder geluid dat haar de nadering zou aankondigen van hem dien zij zoo dringend verzocht had te komen.

Eensklaps voelde zij zich eene ruwe hand op den schouder drukken en klonk eene spottende stem aan haar oor.

»Hé! nina, wat doet gij zoo ver van uw kamp? Ben je misschien bang dat uwe vijanden u ontsnappen zullen?”

Het Spaansche meisje keek om en kon haar afschuw moeielijk verbergen toen zij Nathan herkende, den oudsten zoon van den Roode-Ceder.

»Ja,” riep de bandiet met een basterdvloek, »ik ben het; verwondert u dat zoo, nina? O hé! wij zijn reeds meer dan een uur geleden thuis gekomen met de schoonste collectie roofvogels die men zich kan voorstellen.”

»Maar wat doet gij zelf dan hier?” riep zij zonder eigenlijk te weten waarom zij hem deze vraag deed.

»O!” hervatte hij, »nergens om. ’t Is alleen omdat ik ook lust had mij te wreken; ik heb mijn vader en de anderen daar ginder gelaten en kwam hier den omtrek een weinig opnemen. Maar dat komt op dit oogenblik niet meer in aanmerking,” vervolgde hij met een kwaadwilligen lach; »ik zou u veeleer vragen of u de duivel jaagt, dat gij zoo alleen durft nachtloopen, op gevaar af van de een of andere kwade ontmoeting.”

»Waar zou ik voor vreezen,” riep zij, »ik ben immers gewapend?”

»Dat is waar ook,” meesmuilde de bandiet alweder met een vloek, »maar gij zijt mooi; ik laat mij villen als hier geen lieden zijn, die, als zij in mijne plaats waren, niet veel eerbied zouden hebben voor de kostbare juweelen daar in uwe ceinture. Ja zeker, zijt gij mooi, nina, weet gij dat nog niet? Voor den duivel! als nog niemand het u gezegd heeft, heb ik er wel lust in om het u te zeggen; wat denkt gij er van, nina?”

»De ellendige vent is dronken!” mompelde de Gazelle in zich zelve toen zij zijn bolle gezicht zag en bemerkte dat hij moeite had om recht op zijn beenen te staan. »Laat mij met rust,” vervolgde zij tegen hem, »het uur is slecht gekozen om te schertsen, wij hebben ons wel met gewichtiger zaken bezig te houden.”

»Bah! de zorgen voor morgen! Straks zijn wij misschien allemaal dood, en het kan mij verduiveld weinig schelen hoe het morgen met mij gaat. Integendeel, vind ik het uur alleruitnemendst gekozen om elkander goed te verstaan: wie belet ons om er eens rond voor uit te komen dat wij veel van elkander houden.”

»Niemand, dat is waar,” antwoordde de Gazelle onverschrokken; »maar het bevalt mij niet om uwe zottepraat langer aan te hooren; doe mij dus het pleizier en ga heen. Ik wacht op de krijgsmacht van de Bisons-Apachen, die spoedig hier zullen komen om den heuvel te bezetten; in plaats van dus uw kostelijken tijd te verbeuzelen moest gij liever naar den Roode-Ceder en Stanapat terugkeeren, om met hen de noodige plannen te maken voor den aanval dien wij morgen doen zullen.”

»Dat ’s waar,” antwoordde de bandiet, die door deze woorden min of meer tot bezinning kwam; »gij hebt gelijk, nina, ik ga heen; maar in allen geval, uitstel is hier geen afstel, en ik hoop u op eenen anderen keer niet zoo wreed te vinden, mijn duifje. Tot weerziens!”

Zich thans onbekommerd op zijn eenen hak omkeerende, nam hij zijn geweer op schouder en stapte den heuvel af in de richting van het Apachenkamp.

De Witte-Gazelle, op nieuw alleen gebleven, wenschte zich geluk aan het gevaar te zijn ontsnapt dat haar een oogenblik dreigde, want zij had inwendig gebeefd bij de gedachte dat don Pablo komen kon terwijl zij nog met Nathan sprak.

Intusschen had de tijding der vereeniging van den Roode-Ceder en zijne bende met die der belegeraars hare bekommering niet weinig doen toenemen en maakte zij zich dubbel ongerust over het lot van hen die zij besloten had tot iederen prijs te zullen redden.

Juist op het oogenblik toen zij niet langer durfde hopen den jongman te zullen zien opdagen en alleen gewetenshalve meer dan uit overtuiging in de duisternis naar den vurig verlangde bleef uitkijken, zag zij plotseling op een boogschot afstands een man met snelle schreden naderen en recht op haar afkomen.

Zij gevoelde bij instinct meer dan met duidelijke herkenning dat het don Pablo de Zarate was.

»Daar is hij!” riep zij in blijde vervoering uit, en ijlde hem onmiddellijk te gemoet.

De jongman stond weldra voor haar.

Toen hij zag wie zij was deed hij onwillekeurig een stap achteruit.

»Gij señora!” riep hij, »hebt gij mij geschreven om hier te komen?”

»Ja!” antwoordde zij met eene bevende stem, »ja, dat heb ik.”

»Welke verstandhouding is er tusschen ons mogelijk?” hervatte don Pablo met verontwaardiging.

»Ach! overstelp mij niet met verwijten, ik gevoel ten volle al het schuldige en onwaardige van mijn vroegere gedrag; vergeef mij eene verdoling die ik betreur. Hoor mij aan, om ’s Hemels wil en versmaad den goeden raad niet dien ik u geven zal, het geldt uw behoud en dat van al degenen die gij liefhebt.”

»Goddank, señora,” antwoordde de jongman met snerpende koelheid, »gedurende de weinige uren die wij eenmaal samen waren, heb ik u genoeg leeren kennen om aan uwe betuigingen geen het minst geloof te hechten; slechts een ding doet mij op dit oogenblik leed, namelijk dat ik mij zoo liet vangen in den strik dien gij mij gespannen hebt.”

»Ik u een strik gespannen!” riep zij met blijkbaren weerzin, »en dat terwijl ik met blijdschap mijn laatsten droppel bloed zou willen geven om u te redden!”

»Mij te redden? mij! Loop heen, señora, verderven, meent gij,” hervatte don Pablo met een minachtenden glimlach; »ziet gij mij nu voor zoo onnoozel aan? Kom, wees ten minste oprecht en kom er voor uit dat uw plan geslaagd is, ik ben in uwe handen; laat uwe medeplichtigen maar aanstonds te voorschijn komen, die zich zonder twijfel achter de dichte struiken verscholen houden, ik zal hun de eer niet doen hun mijn leven te betwisten.”

»Mijn God!” riep het meisje, wanhopig de handen wringend, »ben ik niet zwaar genoeg gestraft? Don Pablo, in ’s hemels naam, hoor mij! Binnen weinige oogenblikken zal het te laat zijn; ik wit u redden, zeg ik u!”

»Gij liegt onbeschaamd, señora!” riep Valentin op eens uit het kreupelhout te voorschijn komende; »nauwelijks een minuut geleden hebt gij op deze zelfde plaats nog aan Nathan, den waardigen zoon en handlanger van den Roode-Ceder, gemeld dat er een detachement Apachen was aangekomen; durft gij dit ook ontkennen?”

Deze bittere toelichting trof het meisje als een donderslag. Zij begreep dat het haar nu volstrekt onmogelijk zou zijn om den man dien zij beminde tot betere gedachten te brengen en van hare onschuld te overtuigen ten aanzien van dit in schijn zoo onwedersprekelijk bewijs van haar verraad.

Geheel verslagen viel zij den jongman te voet.

»O!” riep deze haar met weerzin afwijzende, »dit rampzalig schepsel is mijn kwade geest.”

En hij was op het punt om heen te gaan.

»Wacht een oogenblik!” riep Valentin, hem terughoudende, »dat kan hier zoo niet eindigen, laten wij het voor goed met dit schepsel uitmaken eer zij ons laat om hals brengen.”

Hij spande den haan van zijn pistool en hield het met de koude tromp tegen het hoofd der Gazelle, die hoegenaamd geen poging deed om zich aan het lot dat haar dreigde te onttrekken.

Don Pablo greep hem met drift bij den arm.

»Valentin,” zeide hij, »wat woudt gij doen, goede vriend?”

»’t Is waar,” antwoordde de jager; »zoo dicht bij mijn eigen dood moest ik mij liever niet onteeren door deze ongelukkige te dooden.”

»Goed, broeder!” riep don Pablo met een verachtelijken blik op de Gazelle, die hem te vergeefs poogde te vermurwen. »Zulke mannen als wij vermoorden geen vrouwen. Laten wij deze onwaardige vrij en verkoopen wij ons leven zoo duur als mogelijk is.”

»Ba, ba! de dood is misschien nog niet zoo nabij als gij denkt; wat mij betreft, ik geef de hoop nog niet op om mij uit dezen valstrik te redden.”

Zij wierpen een bespiedenden blik naar de vallei om zich van hunnen toestand te verzekeren.

De duisternis was nagenoeg verdwenen; de zon ofschoon nog onzichtbaar, kleurde de kimmen reeds met den rooden gloed die hare verschijning eenige oogenblikken voorafgaat.

Zoo ver hun oog reikte was de vlakte met sterke afdeeling en Indianen bezet.

De beide mannen moesten bekennen dat de kans om weder op de rots te komen voor hen uiterst gering was.

Evenwel, voor lieden als zij, die gewoon waren om dagelijks het onmogelijke te beproeven, scheen het gevaar, hoe dreigende ook, niet voldoende om hen te ontmoedigen.

Na elkander zwijgend en als voor het laatst de hand te hebben gedrukt, staken de beide dapperen fier het hoofd op en met kalm gelaat en fonkelenden blik maakten zij zich gereed om den vreeselijken dood te trotseeren die hen wachtte, wanneer zij ontdekt wierden.

»Blijf hier! in Gods naam, blijf hier!” riep het meisje, op de knieën voortkruipend tot aan de voeten van don Pablo.

»Terug, señora!” antwoordde de Mexicaan, »laat mij ten minste als een dappere sterven”

»Maar ik wil niet dat gij sterft,” riep zij op hartbrekenden toon, »neen; neen, ik zeg u nogmaals dat ik u redden zal, zoo gij maar wilt?”

»Ons redden! God alleen kan het,” zei de jongman treurig, »spreek van geluk dat wij onze hand niet met uw bloed hebben willen bezoedelen en val ons niet langer lastig.”

»O! is er dan niets waardoor ik u kan overtuigen!” schreide zij wanhopig,

»Niets!” zei de Mexicaan hardvochtig.

»Ha!” riep zij op een toon van vroolijke verrassing, »ik heb er iets op gevonden!.… Volg mij en ik breng u zelf naar uwe kameraden.”

Don Pablo, die zich reeds eenige stappen verwijderd had, bleef aarzelend staan.

»Waar zoudt gij voor vreezen?” hervatte zij, »gij zijt immers altijd in staat mij te dooden als ik u zou willen misleiden. O! wat geef ik om sterven,” riep zij in vervoering, »als ik u maar gered heb!”

»Zij heeft inderdaad gelijk,” zei Valentin toen hij zich bedacht had, »in ons geval behoeven wij niets te ontzien, dus kunnen wij het licht wagen, misschien zegt zij de waarheid!”

»Ja! Ja!” riep zij op smeekenden toon, »verlaat u op mij!”

»Bah! laten wij er de proef van nemen,” zei Valentin.

»Ga voor, señorita,” antwoordde don Pablo lakoniek, »wij zullen u volgen.”

»O! ik dank u! ik dank u!” riep zij en in weerwil van zijn tegenstribbelen greep zij zijne hand en bedekte die met tranen en kussen, »gij zult zien of ik u niet redden zal.”

»Zonderling schepsel!” mompelde de jager, tegen wil en dank bewogen, terwijl hij met zijn vereelte hand zelf een traan afwischte, »’t is of er de drommel meê speelt, maar zij is in staat om te doen wat zij zegt.”

»’t Kan zijn!” antwoordde don Pablo, treurig het hoofd schuddende, »onze toestand is inderdaad hopeloos, vriend.”

»Men sterft niet meer dan eens,” zei de jager philosofisch terwijl hij zijn geweer schouderde, »ik ben zeer benieuwd waar dit alles op uit zal loopen.”

»Komt!” zei de Witte-Gazelle.

Pulsuz fraqment bitdi.

3,77 ₼

Janr və etiketlər

Yaş həddi:
0+
Litresdə buraxılış tarixi:
16 yanvar 2025
Həcm:
454 səh. 8 illustrasiyalar
ISBN:
4064066403966
Naşir:
Tərcüməçi:
Müəllif hüququ sahibi:
Bookwire
Yükləmə formatı:

Oxşar kitablar