Kitabı oxu: «Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen»
H. A. Guerber
Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066313692
Inhoudsopgave
Inleiding.
Hoofdstuk I: Het Begin.
Scheppingsmythen.
Ymir en Audhumla.
Odin, Vili en Ve.
De schepping van de aarde.
Mani en Sol.
De wolven Sköll en Hati.
Dwergen en elfen.
De schepping van den mensch.
De boom Yggdrasil.
De brug Bifröst.
De Vana’s.
Hoofdstuk II: Odin.
Odin vader van goden en menschen.
Odins persoonlijke verschijning.
Valhalla.
Het feest van de helden.
Sleipnir.
De wilde jacht.
De Rattenvanger.
Bisschop Hatto.
Irmin.
Mimirs bron.
Odin en Vafthrudnir.
Vinding van de Runen.
Geirrod en Agnar.
Mei-dag feesten.
De historische Odin.
Hoofdstuk III: Frigga.
De koningin van de goden.
Het gestolen goud.
Odin verschalkt.
Fulla.
Gna.
Lofn, Vjofn en Syn.
Gefjon.
Eira, Vara, Vör en Snotra.
Holda.
De ontdekking van het vlas.
Tannhäuser.
Eástre, de godin van de Lente.
Bertha, de Witte Vrouw.
Hoofdstuk IV: Thor.
De Donderaar.
Thors hamer.
Thors familie.
Sif, de goudharige.
Thors Reis naar Jötun-heim.
Utgard-Loki.
Thor en Hrungnir.
Groa, de toovenares.
Thor en Thrym.
Thor en Geirrod.
De vereering van Thor.
Hoofdstuk V: Tyr.
De god van den oorlog.
Tyrs zwaard.
De geschiedenis van Fenris.
Hoofdstuk VI: Bragi.
Het ontstaan van de dichtkunst.
Het zoeken van den drank.
De roof van den drank.
De god der muziek.
Vereering van Bragi.
Hoofdstuk VII: Idoen.
De appels van de jeugd.
De geschiedenis van Thiassi.
De terugkomst van Idoen.
De godin van de lente.
Idoen valt in de onderwereld.
Hoofdstuk VIII: Niörd.
Een gijzelaar bij de goden.
De god van den zomer.
Skadi, godin van den winter.
De scheiding van Niörd en Skadi.
De vereering van Niörd.
Hoofdstuk IX: Frey.
De god van het elfenland.
Het dingen om Gerda’s hand.
De historische Frey.
Dienst van Frey.
Het Yule-feest.
Hoe de zee zout werd.
Hoofdstuk X: Freya.
De godin der liefde.
Koningin der Valkyren.
Freya en Odur.
Freya’s halsketting.
Geschiedenis van Ottar en Angantyr.
De mannen van Freya.
Vereering van Freya.
Hoofdstuk XI: Uller.
De god van den winter.
Dienst van Uller.
Hoofdstuk XII: Forseti.
De god van de waarheid.
De geschiedenis van Heligoland.
Hoofdstuk XIII: Heimdall.
De wachter van de goden.
De wachter van den regenboog.
Loki en Freya.
Heimdall’s namen.
De geschiedenis van Riger.
Hoofdstuk XIV: Hermod.
De vlugge god.
Hermod en de Waarzegger.
Hoofdstuk XV: Vidar.
De zwijgende god.
Vidar’s schoen.
De profetie van de Nornen.
Hoofdstuk XVI: Vali.
Het vrijen van Rinda.
De geboorte van Vali.
Dienst van Vali.
Hoofdstuk XVII: De Nornen.
De drie schikgodinnen.
Het web der Nornen.
Andere beschermgeesten.
De geschiedenis van Nornagesta.
De Vala.
Hoofdstuk XVIII: De Valkyren.
De slagmaagden.
De wolkenpaarden.
Zij kiezen de gevallenen.
Hun getal en hun werk.
Wieland en de Valkyren.
Brunhild.
Hoofdstuk XIX: Hel.
Loki’s kroost.
Hel’s Koninkrijk in Niflheim.
Denkbeelden aangaande het toekomstige leven.
Pestilentie en honger.
Hoofdstuk XX: Aegir.
De god van de zee.
De godin Ran.
De golven.
Aegirs Brouwketel.
Thor en Hymir.
Onbeminde godheden.
Andere goden van de zee.
Riviernimfen.
Legenden van de Lorelei.
Hoofdstuk XXI: Balder.
De meest beminde.
Balders droom.
De profetie van de Vala.
De goden aan het spelen.
De dood van Balder.
Hermod’s Boodschap.
De brandstapel.
Hermod’s tocht.
De voorwaarde van Balders invrijheidsstelling.
De terugkomst van Hermod.
Vali de Wreker.
De beteekenis van de geschiedenis.
De vereering van Balder.
Hoofdstuk XXII: Loki.
De geest van het kwade.
Loki’s karakter.
Sigyn.
Skrymsli en het kind van den boer.
De reus-Bouwmeester.
Loki’s laatste misdaad.
Aegirs banket.
De vervolging van Loki.
Loki’s straf.
Loki’s Dag.
Hoofdstuk XXIII: De Reuzen.
Jötun-heim.
Oorsprong van de bergen.
De eerste goden.
De reus verliefd.
De Reus en de kerkklokken.
Het schip van de reuzen.
Prinses Ilse.
Het speelgoed van de reuzin.
Hoofdstuk XXIV: De Dwergen.
Kleine mannen.
De Tarnkap.
De legende van Kallundborg.
De tooverij van de dwergen.
Het weggaan van de dwergen.
Ondergeschoven kinderen.
De Troll-pieken.
Een gissing.
Hoofdstuk XXV: De Elven.
Het gebied der Elven.
De Elvendans.
De dwaallichtjes.
Oberon en Titania.
Alf-blot.
Beelden op deurposten.
Hoofdstuk XXVI: De Sigurd Saga.
Het begin van het verhaal.
De Volsunga Saga.
Sigi.
Rerir .
Volsung.
Het trouwen van Signy.
Het zwaard van Branstock.
Sigmund.
Siggeirs verraad.
Signy’s Zonen.
Sinfiotli.
De weerwolven.
Sigmund en Sinfiotli door Siggeir gevangen genomen.
Sigmunds wraak.
Helgi.
De dood van Sinfiotli.
Hiordis.
Elf, de Viking.
De geboorte van Sigurd.
De schat van den dwergkoning.
Sigurds zwaard.
Het gevecht met den draak.
De slapende oorlogsmaagd.
De opvoeding van Aslaug.
De Niblungen.
Gunnars krijgslist.
De komst van Brunhild.
De twist der koninginnen.
De dood van Sigurd.
De vlucht van Goedroen.
Atli, koning van de Hunnen.
Het begraven van den Niblungenschat.
Het verraad van Atli.
De laatste der Niblungen.
Swanhild.
Verklaring van de sage.
Hoofdstuk XXVII: De Geschiedenis van Frithiof.
Bisschop Tegnér.
Geboorte van Viking.
Het Balspel.
De bloedveete.
Thorsten en Belé.
Geboorte van Frithiof en Ingeborg.
Frithiofs liefde voor Ingeborg.
Helge en Halfdan.
Frithiofs vrijage.
Sigurd Ring als vrijer.
Bij Balders Heiligdom.
Frithiof verbannen.
De Storm.
Atlé’s uitdaging.
Frithiofs thuiskomst.
Frithiof als balling.
Aan het hof van Sigurd Ring.
Frithiofs trouw.
Verloving van Frithiof en Ingeborg.
Hoofdstuk XXVIII : De Godenschemering.
Het verhaal van de goden.
De Fimbul-winter.
De wolven losgelaten.
Heimdall geeft het sein.
De verschrikkingen van de zee.
De verschrikkingen van de Onderwereld.
Het groote gevecht.
Het verslindende vuur.
Wedergeboorte.
Een nieuwe hemel.
Een te groot om te noemen.
Hoofdstuk XXIX: Grieksche en Noorsche Mythologie.
Vergelijkende Mythologie.
Het begin van de dingen.
Kosmogonie.
De luchtverschijnselen.
Jupiter en Odin.
De schepping van den mensch.
Nornen en Schikgodinnen.
Mythen, die betrekking hebben op de jaargetijden.
Frigga en Juno.
Muzikale mythen.
Thor en de Grieksche goden.
Idoen en Eurydice.
Skadi en Diana.
Frey en Apollo.
Freya en Venus.
Odur en Adonis.
Rinda en Danae.
Zee-Mythen.
Balder en Apollo.
Ragnarok en de Zondvloed.
Reuzen en Titanen.
De Volsunga Saga.
Brunhild.
Zonnemythen.
Register op aangehaalde gedichten
Register.
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
Y
Z

Sigurd
Gilbert Bayes.
Inleiding.
Inhoudsopgave
De voorname beteekenis van de ruwe brokken poëzie, in vroege IJslandsche litteratuur bewaard, zal nu door niemand meer betwist worden, maar er bestond tot voor korten tijd een buitengewone onverschilligheid ten opzichte van de godsdienstige overlevering en mythische leer die zij behelzen.
De langdurige verwaarloozing van deze kostbare herinneringen aan onze heidensche voorvaderen is niet de schuld van het materiaal, waarin alles wat van hun godsdienstige geloofsvoorstellingen over is, is besloten, want men kan veilig beweren dat de Edda even rijk is aan de eigenaardigheden van nationalen roman en van rasverbeelding, hoe ruw dan ook, als de meer bevallige en idyllische mythologie van het Zuiden. Ook ligt het niet aan een zekere wreedheid in de opvatting van de goden zelf, want ofschoon zij niet mogen reiken tot groote geestelijke hoogten, beweren in de eerste plaats kenners van de IJslandsche letterkunde, dat zij zich verheffen breed en massief als de Skandinavische bergen. Zij toonen “een geest van overwinning, die meer is dan brute kracht, die meer is dan het stoffelijke alleen, een geest die strijdt en overmeestert”.1 “Zelfs waar een deel van de stof hunner mythen aan anderen is ontleend, hebben de Noren hunnen goden een edelen, fieren, grooten geest gegeven en hen op een hoog standpunt geplaatst, dat geheel het hunne is.”2 “Inderdaad, deze oud-Noorsche zangen hebben een waarheid in zich, een innerlijke eeuwige waarheid en grootheid. Het is een grootheid, niet van lichaam en reusachtige afmeting alleen, maar een ruwe grootheid van ziel”.3
De invoering van het Christendom in het Noorden bracht mede den invloed van de klassieke rassen, en deze schaadde den aangeboren geest, zoodat de vreemde mythologie van Griekenland en Rome een toenemend deel van de geestelijke toerusting der noordelijke volken is geworden naarmate de letterkunde en overlevering des lands verwaarloosd zijn.
Ongetwijfeld heeft de Noorsche mythologie een diepgaanden invloed uitgeoefend op onze gewoonten, wetten en taal, en er is daarom een groote onbewuste inspiratie van deze op de Engelsche letterkunde. De meest in het oog springende trekken van deze mythologie zijn een zeer bijzonder grimmige humor, dien men in den godsdienst van geen ander ras vindt, en een duistere draad van tragiek die door het gansche weefsel loopt, en deze eigenaardigheden, de beide uitersten rakend, zijn in forsche trekken op de Engelsche litteratuur geschreven.
Maar van bewusten invloed is er, vergeleken bij den rijkvloeienden stroom van Helleensche inspiratie, weinig te merken, en als wij ons keeren tot de moderne kunst, is het verschil zelfs nog duidelijker.
Deze onverschilligheid is toe te schrijven aan vele oorzaken, maar allereerst aan het feit dat de godsdienstige geloofsvoorstelling van onze heidensche voorvaderen niet wezenlijk diep waren geworteld. Vandaar het succes van de meer of minder overwogen politiek der eerste Christelijke zendelingen, die de heidensche opvattingen wilden verwarren en ze in het nieuwe geloof wilden verstikken, waarvan men een belangwekkend voorbeeld heeft in het overbrengen naar het Christelijk Paaschfeest van de attributen der heidensche godin Eastre, aan wie het in het Engelsch zelfs zijn naam ontleent. De Noorsche mythologie werd op deze wijze tot staan gebracht eer zij hare volle ontwikkeling had bereikt, en de voortgang van het Christendom bande haar ten slotte in het duister van vergeten dingen. Haar veel omvattend en ordelijk plan echter, in tegenstelling met de onsamenhangende mythologie van Grieken en Romeinen, vormde den grondslag van een meer of min redelijk geloof, dat de Noren geschikt maakte om de onderrichting van het Christendom te ontvangen, en zoo aan haar eigen ontbinding medewerkte.
De godsdienstige voorstellingen van het Noorden zijn niet nauwkeurig weerspiegeld in de oudere Edda. Inderdaad is ons in de Noorsche litteratuur slechts een travestie van het geloof onzer voorvaderen bewaard. De primitieve dichter hield van allegoriseeren, en zijn verbeelding vermeide zich tusschen de scheppingen van zijn vruchtbare muze. “Zijn oogen waren gevestigd op de bergen, totdat de besneeuwde toppen menschelijke gestalten aannamen en de reus van de rots op het ijs neerdaalde met zwaren stap; of hij wilde staren op de pracht van de lente, of de zomersche velden, totdat Freya met den schitterenden halsketting, aankwam, of Sif met de wuivende gouden haren.”4
Wij hooren niets van de offergebruiken en godsdienstige riten, en alles is weggelaten wat geen stof levert voor artistieke behandeling. De zoogenaamde Noorsche mythologie kan men dus meer beschouwen als een waardevolle reliquie der Noorsche dichtkunst in haren aanvang, dan als een uiteenzetting van de godsdienstige voorstellingen der Skandinaviërs, en deze letterkundige fragmenten dragen veelvuldig het kenmerk van den overgangstoestand, waarin de verwarring van oud en nieuw geloof gemakkelijk is te zien.
Maar niettegenstaande de grenzen, door langdurige verwaarloozing gesteld, is het mogelijk ten deele een plan van de oude Noorsche geloofsvoorstellingen te reconstrueeren, en de gewone lezer zal veel profijt hebben van Carlyle’s onderrichtende studie in “Helden en Heldenvereering.” “Een verbijsterend, ondoordringbaar kreupelbosch van leugens, verwarringen, onwaarheden en absurditeiten, dat het heele levensveld bedekt!” Zoo noemt hij ze, met goede reden, maar hij gaat verder en toont aan, met evenveel waarheid, dat in het hart van deze ruwe vereering van een uit haar verband gerukte natuur een geestelijke macht uiting zoekt. Wat wij zonder eerbied onderzoeken, zagen zij met devotie aan, en, daar zij het niet begrepen, vergoddelijkten zij het onverwijld, zooals alle kinderen geneigd waren te doen in alle perioden der wereldgeschiedenis. Inderdaad waren zij heldenvereerders naar het hart van Carlyle, en twijfelzucht had geen plaats in hun eenvoudige philosophie.
Het was de kindsheid van de gedachte, die staarde op een heelal vol goddelijkheid, en die hartelijk en oprecht geloofde. Een volk met ruime ziel dat in het donker zich strekte naar idealen, die beter waren dan zij zelf wisten. Ragnarok moest een einde maken aan hunne goden, omdat zij waren gestruikeld van hun hoogere standplaatsen.
Wij hebben aan een eigenaardig verschijnsel te danken, dat zooveel van de oude leer, als wij nog bezitten, is bewaard. Terwijl vreemde inlanders de Noorsche taal bedierven, bleef zij vrij wel onveranderd in IJsland, dat van het vastland uit door de Noormannen was gekoloniseerd, die er heen gevlucht waren om te ontkomen aan de onderdrukking van Harold Schoonhaar na zijn vernietigende overwinning van Hafrsfirth. Deze menschen brachten mede den dichterlijken geest die zich reeds geopenbaard had, en deze schoot nieuwen wortel in dien dorren grond. Velen van de oude Noorsche dichters waren uit IJsland afkomstig, en in den vroegsten tijd der Christelijke jaartelling werd een groote dienst aan de Noorsche letterkunde bewezen door den Christenpriester, Saemund, die vlijtig samenbracht een groote massa heidensche poëzie tot een verzameling, bekend als de Oudere Edda, en deze is de voornaamste basis van onze tegenwoordige kennis aangaande den godsdienst der oude Noormannen. De IJslandsche letterkunde bleef echter een verzegeld boek tot het einde van de achttiende eeuw, en heel langzaam heeft zij het sedert dien tijd gewonnen op onverschilligheid, totdat er nu teekenen zijn dat zij eventueel tot haar recht zal komen. “Het kennen van het oude geloof”, zegt Carlyle, “brengt ons in nauwer en zuiverder betrekking tot het Verleden—tot onze eigen bezittingen in het Verleden. Want het gansche Verleden is het bezit van het Heden; het Verleden had steeds eenige waarheid, en is een kostelijk bezit.”
De veelbeteekenende woorden van William Morris met betrekking tot de Volsunga Saga kunnen ook heel goed worden aangehaald bij wijze van inleiding tot deze geheele verzameling “Mythen van de Noormannen”. “Dit is de groote geschiedenis van het Noorden, die voor ons ras moet zijn wat het verhaal van Troje was voor de Grieken—voor ons geheele ras eerst, en verder, als de verandering van de wereld ons ras niet meer heeft gemaakt dan tot een naam van hetgeen is geweest—ook een geschiedenis—dan moet zij voor hen die na ons komen niet minder zijn dan wat het verhaal van Troje geweest is, voor ons”.
1 Noorsche Mythology “Kauffman”.
2 Halliday Sparling.
3 Carlyle “Heroes and Heroworship”.
4 “Noordelijke Mythologie”, Kauffmann.