Kitabı oxu: «Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven»
Henri Murger
Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066314415
Inhoudsopgave
Hoofdstuk I.
Hoe de Vriendenkring der Bohème tot stand kwam.
Hoofdstuk II.
Een gezant der Voorzienigheid.
Hoofdstuk III.
De liefde in den Vastentijd.
Hoofdstuk IV.
Ali-Rodolphe, of de Turk tegen wil en dank.
Hoofdstuk V.
De Carolusdaalder.
Hoofdstuk VI.
Mademoiselle Musette.
Hoofdstuk VII.
De golven van den Pactolus.
Hoofdstuk VIII.
Wat een vijffrancsstuk kost.
Hoofdstuk IX.
De witte viooltjes.
Hoofdstuk X.
De Stormkaap.
Hoofdstuk XI.
Een Café der Bohème.
Hoofdstuk XII.
Een installatie in de Bohème.
Hoofdstuk XIII.
De inwijdingsfuif.
Hoofdstuk XIV.
Mademoiselle Mimi.
Hoofdstuk XV.
Donec gratus.....
Hoofdstuk XVI.
De doortocht door de Roode Zee.
Hoofdstuk XVII.
Het toilet der Gratiën.
Hoofdstuk XVIII.
De Mof van Francine.
I
II.
Hoofdstuk XIX.
De grillen van Musette.
Hoofdstuk XX.
Mimi in zijde en fluweel.
I.
II.
Hoofdstuk XXI.
Romeo en Julia.
Hoofdstuk XXII.
Mimi’s dood.
I.
II.
Hoofdstuk XXIII.
Men is slechts eens jong.

Kunstenaarsleven te Parijs
Roman uit het Bohème-leven
Door
Henri Murger
Bewerkt door W. J. A. Roldanus Jr.
Uitgegeven door J. M. Meulenhoff
te Amsterdam op het Damrak 88
Hoofdstuk I.
Hoe de Vriendenkring der Bohème tot stand kwam.
Inhoudsopgave
Ziehier hoe het toeval, dat de ongeloovige sceptici den zaakwaarnemer van onzen Lieven Heer noemen, op een goeden dag de individuen met elkaar in aanraking bracht, die in hun broederlijke samenhoorigheid later den vriendenkring zouden vormen, samengesteld uit dat deel der Bohème, hetwelk de schrijver van dit boek getracht heeft aan het publiek te doen leeren kennen.
Op een goeden morgen (het was 8 April) werd Alexandre Schaunard, die twee vrije kunsten, n. l. de schilderkunst en de muziek, beoefende, plotseling gewekt door het wijsje, dat een haan uit de buurt, dien hij als wekker gebruikte, hem toezong.
„Allemachtig!” riep Schaunard uit, „mijn gevederde wekker loopt voor; het kan nog onmogelijk vandaag zijn.”
Terwijl hij dit zeide, sprong hij vlug uit een meubelstuk, dat hij na heel veel moeite en inspanning uitgedacht had, en dat ’s nachts de rol van bed speelde—en niet om er wat van te zeggen, maar het speelde die vrij slecht—, terwijl het overdag die van alle andere meubels vervulde, welke ten gevolge van de strenge koude, die den vorigen winter geheerscht had, door afwezigheid schitterden: een soort Jan-draag-an-meubel dus, zooals men ziet.
Om zich tegen den snijdenden kouden morgenwind te beschermen, schoot Schaunard inderhaast een rose zijden en met sterretjes en loovertjes bezaaiden rok aan, dien hij als kamerjapon gebruikte. Dit klatergoud was op een bal-masqué-nacht bij den artist achtergelaten door een Pierrette, die zoo dom geweest was zich te laten vangen door de bedriegelijke beloften van Schaunard, die, vermomd als markies de Mondor, in zijn zakken den verleidelijken klank had laten rinkelen van een dozijntje daalders, nagemaakt geld, uit een stuk metaal door een uitslagmachine gesneden, en uit de accessoires van een schouwburg geleend.
Na zich in zijn kamertoilet gestoken te hebben, zette hij het raam en het luik open. Als een lichtpijl drong plotseling een zonnestraal in de kamer door, die hem dwong zijn oogen, welke nog vol slaap zaten, wijd open te doen; tegelijkertijd sloeg het op een kerktoren in de buurt vijf uur.
„De ochtendstond in eigen persoon,” mompelde Schaunard in zichzelf; „dat is prachtig. Maar,” voegde hij eraan toe, een kalender, die aan den muur hing, raadplegende, „desniettemin is zij leelijk in de war. De aanwijzingen der wetenschap verzekeren, dat in dezen tijd van het jaar de zon eerst om half zes moet opgaan; het is pas vijf en nu is zij al op. Een misdadige ijver! dat hemellichaam is heelemaal van streek; ik zal een klacht indienen bij de sterrewacht. Intusschen,” voegde hij eraan toe, „zou ik me toch eigenlijk een beetje ongerust moeten gaan maken; het is vandaag de dag, volgende op dien van gisteren, en daar het gisteren de 7de was, moet het, tenzij Saturnus achterwaarts loopt, vandaag de 8ste April zijn; en indien ik de woorden van dit geschrift gelooven mag,” zeide Schaunard, terwijl hij een deurwaardersexploot, dat hij aan den muur geplakt had, ging lezen, „moet ik vandaag om twaalf uur precies deze vertrekken verlaten en mijnheer Bernard, mijn huisbaas, een som van vijf-en-twintig francs ter hand gesteld hebben voor drie vervallen termijnen huur, die hij in een zeer slecht schrift van mij opeischt. Zooals altijd had ik hoop gehad, dat het toeval er zich mede zou belasten deze zaak in het reine te brengen; maar het begint erop te lijken, dat het er geen tijd voor gehad heeft. Enfin, ik heb nog zes uur voor me; wie weet, wanneer ik ze goed gebruik .... Vooruit .... vooruit, op weg,” voegde Schaunard eraan toe.
Hij maakte aanstalten, om een overjas, waarvan de oorspronkelijk langharige stof door een algemeene kaalheid was aangetast, aan te trekken, toen hij plotseling als bezeten in zijn kamer een door hem gecomponeerde balletdans begon uit te voeren, die hem op de publieke bals meermalen de eer verschaft had kennis te maken met de politie.
„Kijk, kijk!” riep hij uit, „het is verwonderlijk, zooals de morgenlucht je op idées brengt; het is net, alsof ik mijn wijsje op het spoor ben. Even probeeren ....”
En, half naakt, ging hij voor zijn piano zitten en begon, na het ingeslapen instrument door een stormachtigen accoordaanslag te hebben gewekt, op het klavier den melodischen zin, dien hij reeds sedert zoo langen tijd zocht, te vervolgen.
„Do, sol, mi, do, la, si, do, ré, boem, boem. Fa, ré, mi, ré. Nee, aïe! die ré is zoo valsch als Judas,” riep Schaunard uit en sloeg daarbij zoo hard als hij kon op de noot met den twijfelachtigen klank. „Laten wij den mineur eens probeeren .... Die moet het verdriet schilderen van een jong meisje, dat een witte margeriet in een blauw meer ontbladert. Het is niet wat je een bepaald nieuw denkbeeld noemt. Enfin, het is nu eenmaal de mode, en daar je niet makkelijk een uitgever zoudt vinden, die een romance durft uitgeven, waarin geen blauw meer voorkomt, moet ik me er wel in schikken .... Do, sol, mi, do, la, si, do, ré; dat klinkt zoo kwaad niet, het geeft vrijwel een denkbeeld van een madeliefje, vooral aan menschen, die sterk zijn in botanie. La, si, do, ré, verdomde ré, loop naar den bliksem! Om een goed denkbeeld te geven van het blauwe meer, zou ik nu iets vochtigs, hemelsblauws, iets heldere-maanachtigs (want de maan is ook van de partij) noodig hebben; maar laat ik oppassen, dat ik de zwaan niet vergeet .... Fa, mi, la, sol,” ging Schaunard voort, terwijl hij de heldere noten van de hooge octaven liet klinken. „Rest nu nog het afscheid van het jonge meisje, dat besluit zich in het blauwe meer te storten, om zich weer met haar onder de sneeuw begraven geliefde te vereenigen. Die ontknooping is niet duidelijk,” mompelde Schaunard, „maar zij is interessant. Daar moet ik iets teers, iets melancholieks voor hebben; daar is het al, daar is het al, dat zijn een twaalf maten, die weenen als Magdalena’s, het snijdt je door je hart! Brr! Brr!” zeide Schaunard, rillend in zijn met sterren bezaaiden rok, „als het ook maar hout sneed! Er ligt in mijn alkoof een balk, die me leelijk hindert, wanneer ik menschen .... te dineeren heb; ik zal er een beetje vuur mede aanleggen .... la, la .... ré, mi .... want ik voel, dat de inspiratie tegelijk met een verkoudheid tot mij komt .... Enfin, ook al zoo erg niet! Laat ik het jonge meisje verder verdrinken!”
En terwijl zijn vingers het trillende klavier pijnigden, vervolgde Schaunard met vlammend oog en gespannen oor zijn melodie, die, als een ongrijpbare sylphide, zweefde midden in de klankrijke mist, welke de trillingen van het instrument in de kamer schenen te doen oprijzen.
„En laten we nu eens zien,” ging Schaunard voort, „hoe mijn muziek zich aanpast bij de woorden van mijn dichter.”
En hij neuriede met een onaangenaam stemgeluid dit fragment van poëzie, die speciaal gebruikt wordt voor opéras comiques en ulevelrijmpjes:
La blonde jeune fille,
Vers le ciel étoilé,
En ôtant sa mantille,
Jette un regard voilé,
Et dans l’onde azurée
Du lac aux flots d’argent ...
. . . . . . . .
„Lieve Hemel!” riep Schaunard in een gerechtvaardigde verontwaardiging uit, „de hemelsblauwe golf van een zilver meer, dat had ik nog niet opgemerkt, dat is ten slotte te romantisch, die dichter is een idioot, hij heeft nog nooit zilver of een meer gezien. Zijn ballade is bovendien onzin; de caesuur der verzen staat mijn melodie in den weg; in het vervolg zal ik mijn teksten zelf dichten, en niet later dan op dit oogenblik begin ik er mee; daar ik mij in vorm gevoel, zal ik een kleine schets van coupletten maken, om er mijn melodie bij aan te passen.”
En Schaunard nam, zijn hoofd tusschen zijn beide handen begravende, de houding aan van een sterveling, die betrekkingen met de Muzen onderhoudt.
Na verloop van eenige minuten van dit heilige huwlijk bracht hij een van die gedrochtelijkheden ter wereld, welke de schrijvers van libretti terecht monsters noemen en die zij vrij makkelijk improviseeren om als voorloopige schets voor de inspiratie van den componist te dienen.
Doch het monster van Schaunard had beteekenis en zin; het drukte vrij duidelijk de ongerustheid uit, welke in zijn geest gewekt werd door de brutale komst van dezen datum: den achtsten April.
Ziehier het couplet:
Huit et huit font seize,
J’pose six et retiens un.
Je serais bien aise
De trouver quelqu’un
De pauvre et d’honnête
Qui m’ prête huit cents francs,
Pour payer mes dettes
Quand j’aurai le temps.
Refrein.
Et quand sonnerait au cadran suprême
Midi moins un quart.
Avec probité je paîrais mon terme (ter.)
A monsieur Bernard.
„Duivels,” zeide Schaunard, toen hij zijn gedicht herlas, „terme en suprême zijn nu niet bepaald millionairsrijmen, maar ik heb geen tijd om ze rijk te maken. Laten we nu eens zien hoe de noten zich paren met de lettergrepen.”
En met het hem eigen vreeselijk neusgeluid begon hij opnieuw zijn romance uit te voeren. Ongetwijfeld voldaan over het resultaat, dat hij verkregen had, wenschte Schaunard zichzelf geluk met een jubelenden grijns, die, gelijk aan een accent circonflexe, zich telkens wanneer hij tevreden over zichzelf was, schrijlings op zijn neus vertoonde. Doch die trotsche gelukzaligheid was niet van langen duur.
Het sloeg op den dichtstbijzijnden toren elf uur; iedere slag drong in de kamer door en loste zich op in spottende klanken, die tot den ongelukkigen Schaunard schenen te zeggen: „Ben je gereed?”
De artist sprong op een stoel.
„De tijd loopt als een hert,” zeide hij .... „ik heb nog maar drie kwartier om mijn vijf-en-zeventig francs en mijn nieuwe woning te vinden. Ik kom er nooit mee klaar, dat zou tot het domein der tooverij gaan behooren. Welnu, ik geef me vijf minuten om het te vinden”; en zijn hoofd tusschen zijn knieën verbergend, daalde hij af in de afgronden der overpeinzing.
Toen de vijf minuten om waren, richtte Schaunard zijn hoofd weer op, zonder iets gevonden te hebben, dat op vijf-en-zeventig francs geleek.
„Er blijft nog slechts één manier over, om van hier weg te komen, en die is, om heel gewoontjes weg te gaan; het is mooi weer, mijn vriend het toeval wandelt misschien wel in het zonnetje. Hij moet me maar gastvrijheid verleenen, totdat ik het middel gevonden heb, om mijn zaken met mijnheer Bernard af te wikkelen.”
Nadat Schaunard de zakken van zijn overjas, die diep waren als kelders, had volgepropt met al de voorwerpen, die zij konden bevatten, knoopte hij in een das enkele stukken linnengoed en verliet daarop, niet zonder met enkele woorden zijn domicilie te hebben vaarwel gezegd, zijn kamer.
Toen hij de binnenplaats overstak, hield de concierge van het huis, die blijkbaar op hem wachtte, hem plotseling staande.
„Hé, mijnheer Schaunard!” riep hij hem toe, terwijl hij den artist belette verder te gaan; „u bent toch niet vergeten, dat het vandaag de 8ste is.”
„Huit et huit font seize.
J’pose six et retiens un,”
neuriede Schaunard; „ik denk nergens anders aan.”
„U bent wel wat laat met uw verhuizing,” zeide de portier; „het is half twaalf, en de nieuwe huurder, die uw kamer gehuurd heeft, kan ieder oogenblik komen. U moet probeeren wat haast te maken!”
„Maar dan moet u mij doorlaten,” antwoordde Schaunard; „ik wou juist een verhuiswagen halen.”
„Dat is prachtig; maar vòòr u verhuist, moet er nog een kleine formaliteit vervuld worden. Ik heb order, dat u geen haar moogt meenemen, voordat u de drie vervallen termijnen betaald hebt. Daartoe zult u waarschijnlijk wel in staat zijn.”
„Voor den donder,” zeide Schaunard, die een pas voorwaarts deed.
„Kom dan even bij me in mijn loge, dan zal ik u uw quitantie geven.”
„Ik zal ze, als ik terugkom, wel meenemen.”
„Maar waarom niet dadelijk?” drong de concierge aan.
„Ik moet geld wisselen .... Ik heb geen kleingeld.”
„Zoo, zoo!” zeide de andere ongerust, „gaat u geld wisselen? Om het u makkelijk te maken, zal ik zoolang het pakje, dat u onder uw arm hebt, en dat u zou kunnen hinderen, bewaren.”
„Mijnheer de concierge,” zeide Schaunard in het volle besef van zijn waardigheid; „wantrouwt u mij bij geval ook? Denkt u, dat ik mijn meubels in een zakdoek meeneem?”
„Neem me niet kwalijk, mijnheer,” antwoordde de concierge, die een toontje lager begon te zingen, „dat is mijn consigne. Mijnheer Bernard heeft mij uitdrukkelijk bevolen u geen haar te laten medenemen, voor u betaald hebt.”
„Maar kijk dan,” zeide Schaunard, terwijl hij het pakje open maakte, „dat zijn geen haren, maar hemden, die ik naar de waschvrouw breng, die naast den geldwisselaar, twintig pas hiervandaan, woont.”
„Dat is wat anders,” merkte de concierge, na den inhoud van het pakje onderzocht te hebben, op. „Maar zonder indiscreet te willen zijn, mijnheer Schaunard, zou ik ook uw nieuwe adres mogen weten?”
„Ik ga in de rue de Rivoli wonen,” antwoordde koeltjes de artist, die, nu hij eenmaal in de straat was, zich zoo gauw mogelijk uit de voeten maakte.
„Rue de Rivoli,” mompelde de concierge in zichzelf, terwijl hij met zijn vingers in zijn neus pulkte, „het is wel een beetje vreemd, dat ze hem in de rue de Rivoli kamers verhuurd hebben en hier heelemaal geen informaties naar hem zijn komen nemen; het is wel een beetje vreemd. Enfin, zonder betalen krijgt hij zijn meubels niet mede. Als de nieuwe huurder nou maar niet net komt als Schaunard bezig is zijn boeltje weg te halen. Dat zou me op de trap een herrie geven! Lieve Hemel,” zeide hij plotseling, terwijl hij zijn hoofd door het schuifraampje stak, „daar heb je hem net.”
Gevolgd door een pakjesdrager, die nu niet bepaald onder zijn last scheen te bezwijken, kwam op dat oogenblik een jonge man met een witten Louis XIII hoed op, de vestibule binnen.
„Mijnheer,” vroeg hij den concierge, die hem tegemoet ging, „is mijn appartement vrij?”
„Nog niet, mijnheer, maar het zal niet lang meer duren. De tegenwoordige huurder is een verhuiswagen gaan halen. Misschien wil mijnheer zijn meubels zoo lang op de binnenplaats zetten.”
„Ik ben bang, dat het zal gaan regenen,” antwoordde de jonge man, terwijl hij kalm op een bouquetje viooltjes, dat hij tusschen zijn tanden hield, kauwde, „en dan zouden mijn meubelen bederven. Vriendje,” voegde hij eraan toe, terwijl hij zich wendde tot den witkiel, die achter hem was blijven staan en aan zijn draagzeel een aantal voorwerpen had hangen, waarvan de concierge niet precies begrijpen kon, wat het waren, „zet dat maar neer in de vestibule en ga dan op mijn vroegere kamers halen wat er nog aan kostbare meubels en kunstvoorwerpen over is.”
De witkiel zette langs den muur verschillende houten lijsten neer van zes à zeven voet hoog, waarvan de bladen gemakkelijk heen en weer konden gaan.
„Kijk!” zeide de jonge man tegen den witkiel, terwijl hij een der deksels opende en hem op een scheur in het linnen wees, „daar heb je al een ongeluk. Er zit een stervormige barst in mijn Venetiaanschen spiegel. Wees op je tweeden tocht voorzichtiger en let vooral goed op mijn bibliotheek.”
„Wat bedoelt hij toch met zijn Venetiaanschen spiegel?” bromde de concierge, die ongerust om de langs den muur geplaatste houten ramen dwaalde, in zichzelf; „ik zie geen spiegel; maar dat is zeker een grap, ik zie niets, dan een kamerschut; enfin we zullen wel eens kijken wat er met de tweede reis mee komt.”
„Zou uw huurder niet gauw de kamers leeg maken? Het is half een, en ik zou wel willen beginnen met inruimen,” zeide de jonge man.
„Hij zal nu wel dadelijk hier zijn,” antwoordde de concierge; „trouwens, zoo heel erg is het niet, want uw meubels zijn toch nog niet hier,” voegde hij eraan toe, nadruk leggend op de laatste woorden.
De jonge man wilde antwoorden, toen juist een dragonder-ordonnance de binnenplaats opkwam.
„Woont mijnheer Bernard hier?” vroeg hij, terwijl hij een brief uit zijn portefeuille haalde.
„Die woont hier,” antwoordde de concierge.
„Hier is een brief voor hem,” zeide de ordonnance, „geef mij het reçu ervoor;” en hij overhandigde den concierge een reçu, dat deze in zijn loge ging teekenen.
„Neem me niet kwalijk, dat ik u even alleen laat,” zeide de concierge tot den jongen man, die ongeduldig op de binnenplaats heen en weer liep, „maar ik heb hier een brief van den minister voor mijnheer Bernard, den huisheer, dien moet ik even boven brengen.”
Toen de concierge op zijn kamer kwam, was mijnheer Bernard bezig zich te scheren.
„Wat wil je van me, Durand?”
„Mijnheer,” antwoordde deze, zijn pet afnemend, „een ordonnance is dat voor u komen brengen, het komt van den minister.”
En hij gaf mijnheer Bernard den brief, op welks enveloppe het zegel van het departement van Oorlog geplakt was.
„Goede God!” zeide mijnheer Bernard, zòò ontdaan, dat hij zich bijna in zijn gezicht sneed: „van het ministerie van Oorlog! Dat is zeker mijn benoeming tot ridder van het Legioen van Eer, waarom ik reeds zoo lang gevraagd heb; eindelijk laten zij mijn verdiensten recht wedervaren. Hier, Durand,” zeide hij, terwijl hij in zijn vestjeszakje zocht, „daar heb je vijf francs om op mijn gezondheid te drinken. Ach, ik heb mijn beurs niet in mijn zak; ik zal ze je dadelijk geven, wacht maar even.”
De concierge was door dezen aanval van verpletterende edelmoedigheid, waaraan zijn huisheer hem niet gewend had, zòò ontdaan, dat hij zijn pet weer opzette.
Maar mijnheer Bernard, die bij andere gelegenheden dien inbreuk op de wetten der maatschappelijke hiërarchie niet geduld zou hebben, scheen het niet op te merken. Hij zette zijn bril op, scheurde de enveloppe open met de eerbiedige ontroering van een vizier, die een firman van den sultan ontvangt, en begon den inhoud te lezen. Bij de eerste regels groefde een vreeselijke grijns karmijnroode plooien in het vet van zijn wangen, en begonnen zijn kleine oogjes vonken te schieten, die bijna de lokken van zijn verwarde pruik in brand staken.
In het kort zijn trekken veranderden plotseling zòò, dat men vermoed zou hebben, dat er op zijn gezicht een aardbeving had plaats gehad.
Ziehier den inhoud der missive, geschreven op papier met het hoofd van het ministerie van Oorlog en met lossen teugel gebracht door een ordonnance:
„Mijnheer en huisheer,
De beleefdheid, die, mag men de mythologie gelooven, de grootmoeder der hoofsche manieren is, verplicht mij u te doen weten, dat ik mij in de wreede noodzakelijkheid bevind niet te kunnen voldoen aan de gewoonte om zijn huur te betalen, vooral wanneer men die schuldig is. Tot op dezen ochtend had ik de hoop gekoesterd, dezen schoonen dag te kunnen vieren door uw drie huurquitanties te voldoen. Chimère, illusie! Terwijl ik op het kussen der zekerheid sluimerde, deed het ongeluk, anangke in het Grieksch, mijn hoop in rook vervliegen. De gelden, waarop ik rekende—God, wat gaat de handel slecht—zijn niet binnengekomen; van de belangrijke sommen, die ik moet innen, heb ik nog slechts drie francs ontvangen, die ik bovendien nog geleend heb; ik durf ze u niet aanbieden. Betere dagen zullen aanbreken voor ons schoon Frankrijk en voor mij, mijnheer, twijfel daar niet aan. Zoodra zij aan den hemel geschitterd hebben, zal ik vleugels nemen, om u daarvan te onderrichten en uit uw huis terug te halen de kostbare zaken, die ik daar heb achtergelaten en die ik onder de bescherming stel van u en van de wet, welke u verbiedt deze vòòr het verstrijken van een jaar, te verkoopen in het geval, dat gij zulks zoudt willen beproeven, om in het bezit te komen van de sommen, waarvoor gij gecrediteerd zijt op de boeken van mijn rechtschapenheid. Ik beveel u in het bijzonder mijn piano aan en den grooten lijst, waarin zich zestig haarlokken bevinden, wier verschillende kleuren de geheele gamma der haarnuances doorloopen en die door het ontleedmes der Liefde ontnomen zijn aan het voorhoofd der Gratiën.
„Gij kunt dus, mijnheer en huisheer, over het plafond, waaronder ik gewoond heb, beschikken. Ik geef u daartoe mijn toestemming, gewaarmerkt door mijn onderteekening.
Alexandre Schaunard.”
Toen mijnheer Bernard dezen brief, welken de artist in het bureau van een zijner vrienden, die ambtenaar aan het ministerie van Oorlog was, had geschreven, ten einde gelezen had, frommelde hij hem verontwaardigd in elkaar; en toen zijn blik op vader Durand viel, die op de beloofde fooi stond te wachten, vroeg hij hem ruw wat hij daar deed.
„Ik wacht, mijnheer!”
„Waarop?”
„Wel, op het fooitje, dat mijnheer .... van wegens de goede tijding!” stamelde de concierge.
„Eruit! Kerel, blijf je met je pet op je kop in de kamer staan?”
„Maar, mijnheer ....”
„Vooruit, geen maren, eruit, of neen, wacht even. Wij zullen naar de kamer van dien smeerlap-artist gaan, die verhuist zonder me te betalen.”
„Wat?” riep de portier uit, „mijnheer Schaunard?”
„Ja,” antwoordde de huisheer, die hoe langer hoe meer op een razenden Roland begon te gelijken. „En als hij ook maar het geringste heeft meegenomen, dan jaag ik je weg, versta je, jaaààg ik je weg.”
„Maar dat bestaat niet!” mompelde de arme concierge, „mijnheer Schaunard is niet vertrokken; hij is uitgegaan, om klein geld te halen, om mijnheer te betalen, en om een verhuiswagen voor zijn meubels te bestellen.”
„Zijn meubels weghalen!” riep mijnheer Bernard uit; „gauw wat; ik ben er zeker van, dat hij daarmede bezig is; hij heeft je een loer gedraaid om je uit je loge te lokken en zijn slag te slaan, stommeling, die je bent!”
„Lieve Hemel, stommeling, die ik ben!” riep vader Durand uit, bevend voor de Olympische toorn van zijn heer, die hem op de trap meesleepte.
Toen zij op de binnenplaats kwamen, werd de concierge aangesproken door den jongen man met den witten hoed.
„Hé daar, conciërge!” riep hij, „wanneer word ik nu eindelijk in het bezit van mijn appartementen gesteld? Is het vandaag de 8ste of niet? Heb ik hier gehuurd of niet? Heb ik je je Godspenning gegeven of niet?”
„Een oogenblik, mijnheer, een oogenblik!” zeide de huisheer, „dan ben ik tot uw dienst. Durand,” voegde hij eraan toe, zich tot den concierge wendende, „ik zal mijnheer zelf wel te woord staan. Vlieg jij naar boven, die smeerlap van een Schaunard is natuurlijk teruggekomen, om zijn boeltje te pakken; sluit hem op, als je hem snapt, en kom dan naar beneden, om de politie te halen.”
Vader Durand verdween de trap op.
„Pardon, mijnheer,” zeide hij, terwijl hij een buiging maakte, tot den jongen man, met wien hij alleen gebleven was; „met wien heb ik de eer te spreken?”
„Mijnheer, ik ben uw nieuwe huurder; ik heb in dit huis een kamer op de zesde verdieping gehuurd; en het begint me te vervelen, dat die kamer nu nog niet leeg is.”
„Het spijt mij ook zeer, mijnheer,” antwoordde mijnheer Bernard, „maar er is een moeilijkheid ontstaan tusschen mij en den huurder, voor wien u in de plaats komt.”
„Mijnheer, mijnheer!” gilde uit een raam van de hoogste verdieping vader Durand; „mijnheer Schaunard is er niet....maar de kamer is er.... Stommeling, die ik ben, ik bedoel, dat hij niets heeft medegenomen, geen haar, mijnheer.”
„Dan is het goed. Kom naar beneden,” antwoordde mijnheer Bernard. „Een oogenblikje geduld, als het u blieft,” ging hij voort, zich tot den jongen man richtend. „Mijn concierge zal de voorwerpen, die de kamer van mijn insolvabelen huurder versieren, naar den kelder brengen, en binnen een half uur zult u de appartementen kunnen betrekken; trouwens uw meubels zijn er ook nog niet.”
„Pardon, mijnheer,” antwoordde de jonge man kalm.
Mijnheer Bernard keek om zich heen, doch zag slechts de groote kamerschutten, waarover de concierge ook al zijn hoofd geschud had.
„Wat, pardon .... wat ....” mompelde hij, „maar ik zie niets.”
„Daar,” antwoordde de jonge man, terwijl hij de bladen der lijsten losmaakte en den verbaasden eigenaar een prachtig paleis-intérieur met colonnes van jaspis, bas-reliefs en schilderijen van groote meesters liet zien.
„Maar uw meubels?” vroeg mijnheer Bernard.
„Daar zijn ze,” antwoordde de jonge man, terwijl hij op het luxueuze meubilair wees, dat geschilderd was in het paleis, hetwelk hij pas gekocht had in het hôtel Bullion1 op een verkooping van een salon-tooneel.
„Mijnheer,” antwoordde de huisheer, „ik wil liever aannemen, dat u ernstiger meubelen hebt dan deze ....”
„Wat, dit zijn echte Boule-meubelen.”2
„U begrijpt, dat ik garantie voor mijn huur moet hebben.”
„Voor den duivel, maar is een paleis dan geen voldoende garantie voor de huur van een dakkamertje?”
„Neen, mijnheer, ik wil meubels, echte meubels van mahoniehout!”
„Helaas, mijnheer, goud noch mahoniehout maken ons gelukkig, heeft een oud wijsgeer gezegd. En bovendien ik kan dat soort hout niet uitstaan; het is zoo ordinair; iedereen heeft het.”
„Dat is allemaal tot uw dienst, mijnheer, maar u heeft dan toch zeker wel andere meubels?”
„Neen, dat neemt te veel plaats in in de kamer; wanneer je stoelen hebt, weet je niet meer waar je moet gaan zitten.”
„Maar u hebt toch zeker een bed! Waar slaapt u op?”
„Ik rust op de Voorzienigheid, mijnheer!”
„Pardon, nog een vraag,” zeide mijnheer Bernard, „wat is uw beroep?”
Juist op dat oogenblik kwam de witkiel van den jongen man, van zijn tweeden tocht terug, de binnenplaats op. Onder de voorwerpen, die hij aan zijn draagzeel droeg, zag Durand een schildersezel.
„O, mijnheer!” riep hij verschrikt uit, terwijl hij den huisheer op den ezel wees. „Het is een schilder!”
„Een artist, als ik het niet dacht!” gilde op zijn beurt mijnheer Bernard, en de haren van zijn pruik rezen van schrik ten berge; „een schilder!!! Maar heb je dan geen informaties genomen naar mijnheer?” bulderde hij den concierge toe. „Wist je dan niet, wat hij deed?”
„Lieve Hemel,” antwoordde de arme kerel, „hij had mij vijf francs als goospenning gegeven; dus kon ik niet vermoeden....”
„Wanneer u eindelijk klaar bent,” vroeg op zijn beurt de jonge man.
„Mijnheer,” viel mijnheer Bernard hem in de rede, terwijl hij zijn bril recht op zijn neus zette; „als u geen meubels hebt, kunt gij uw kamer niet betrekken. De wet staat toe een huurder, die geen garantie meebrengt, te weigeren.”
„En mijn woord dan?” vroeg de artist in zijn volle waardigheid.
„Dat is niet zooveel waard als meubels ... u kunt ergens anders een kamer zoeken. Durand zal u uw Godspenning teruggeven.”
„Wat?” zeide de concierge verschrikt, „die heb ik al naar de spaarbank gebracht.”
„Maar mijnheer,” viel de jonge man hem in de rede, „ik kan maar niet zoo direkt een andere kamer vinden. Geef me tenminste gastvrijheid voor één dag.”
„Ga in een hotel logeeren,” antwoordde mijnheer Bernard. „Maar tusschen twee haakjes,” voegde hij er vlug aan toe, terwijl hem plotseling iets in de gedachte viel; „als u dat wilt, dan zou ik u de kamer gemeubeld met de meubels van mijn insolventen huurder kunnen geven. Maar zooals u weet, moet in zoo’n geval de huur vooruit betaald worden.”
„Het is maar de vraag, hoeveel u voor dat krot moet hebben,” zeide de artist.
„Maar het is heusch een zeer geschikte kamer; in verband met de omstandigheden is de huur vijf-en-twintig francs per maand. Maar vooruit betalen.”
„Dat hebt u al gezegd; en die zin verdient de eer van een bis niet,” antwoordde de jonge man, terwijl hij in zijn zakken zocht. „Hebt u terug van vijfhonderd francs?”
„Wat?” vroeg de huisheer stom-verbaasd. „U zegt?”
„Nou, de helft van duizend dan. Hebt jullie soms zoo iets nooit gezien?” voegde de artist eraan toe, terwijl hij het papier heen en weer bewoog voor de oogen van den huisheer en van den concierge, die op het gezicht daarvan hun evenwicht schenen te verliezen.
„Ik zal het voor u laten wisselen,” antwoordde mijnheer Bernard vol eerbied; „er behoeft maar twintig francs af, want Durand zal u de Godspenning teruggeven.”
„Die mag hij houden,” zeide de artist, „op voorwaarde, dat hij mij iederen ochtend komt zeggen welke dag en datum het is, den stand van de maan, welk weer het is en onder welken regeeringsvorm wij leven.”
„Zeker, zeker mijnheer!” riep vader Durand uit, terwijl hij een buiging van negentig graden maakte.
„Al goed, kerel, je moet voor mij als almanak spelen. Intusschen moet je mijn witkiel even helpen de boel boven te brengen.”
„Mijnheer,” zeide de huisheer, „ik zal u de quitantie boven laten brengen.”
Dien avond nog was de nieuwe huurder van mijnheer Bernard, de schilder Marcel, geïnstalleerd in de tot een paleis gemetamorphoseerde kamers van den voortvluchtigen Schaunard.
Intusschen was gezegde Schaunard bezig te trachten overal in Parijs geld los te krijgen.
Schaunard had het leenen tot de hoogte van een kunst verheven. Het geval voorziende, waarin hij de vreemdelingen zou moeten aanspreken, had hij de manier, om vijf francs te leenen, in alle talen der wereld geleerd. Hij had het repertoire der listen, die het edele metaal gebruikt om aan hen, die het najagen, te ontsnappen, tot in den grond bestudeerd; en beter dan een loods de uren der getijden, kende hij de tijdstippen, waarop het bij anderen hoog of laag water was, d. w. z. de dagen, waarop zijn vrienden en kennissen gewoonlijk geld kregen. Er waren dan ook verschillende huizen, waarin men, als hij ’s ochtends op bezoek kwam, niet tegen elkaar zeide: „Daar heb je mijnheer Schaunard”; maar „Daar heb je den eersten of vijftienden der maand.” Om dit soort belasting, die hij, wanneer de noodzakelijkheid hem ertoe dwong, van de menschen, die de middelen hadden om hem die te betalen, ging heffen, wat makkelijker en minder ingewikkeld te maken, had Schaunard arrondissementsgewijze een alphabetisch tableau gemaakt, waarop de namen van al zijn vrienden en kennissen stonden. Naast iederen naam waren genoteerd het maximum der som, die hij in verband met hun fortuin kon leenen, de tijdstippen, waarop het bij hen hoog water was, benevens het uur der maaltijden met het gewone menu van het huis. Behalve dat tableau hield hij er nog een boekhoudinkje op na, waarin hij keurig boek hield van de sommen, die hem geleend waren, tot de kleinste bedragen toe, want hij wilde zich niet verder bezwaren dan tot een zeker cijfer, dat een Normandische oom, van wien hij moest erven, nog in de pen had. Zoodra hij aan een persoon twintig francs schuldig was, leende hij niet langer en betaalde de som in eens terug, ook al moest hij voor die aflossing van hen, aan wie hij minder schuldig was, meer leenen. Op die manier had hij altijd een zeker crediet, dat hij zijn vlottende schuld noemde; en daar men wist, dat hij de gewoonte had het geleende terug te geven, zoodra zijn middelen het hem veroorloofden, hielp men hem, als men dat kon, gaarne.
Nu had hij, sedert hij ’s ochtends elf uur uitgegaan was om te trachten de vijf-en-zeventig francs, die hij noodig had, bijeen te krijgen, nog niet meer bij elkaar dan een daalder, dien hij te danken had aan de medewerking der letters M., V. en R. van zijn beroemde lijst: van de rest van het alphabet, dat evenals hij een termijn huur te betalen had, kreeg hij nul op het request.
Om zes uur luidde een hevige honger in zijn maag de etensbel; hij was toen juist bij de barrière du Maine, waar de letter U. woonde. Schaunard liep binnen bij de letter U., waar hij zijn servetring had, als er servetten waren.
„Naar wien wilt u toe?” vroeg de concierge hem in het voorbijgaan.
„Naar mijnheer U ....” antwoordde de artist.
„Die is niet thuis.”
„En Mevrouw?”
„Ook niet: zij hebben me gevraagd aan een van hun vrienden, die van avond bij hen zou komen, te zeggen, dat zij in de stad zijn gaan eten: mocht u de bewuste persoon zijn, dan hebt u hier het adres,” en hij overhandigde Schaunard een stukje papier, waarop zijn vriend U .... geschreven had:
„Wij zijn bij Schaunard, rue .... No...., gaan eten; kom ons daar halen.”
„Prachtig!” zeide hij, weggaande; „wanneer het toeval zich er mede bemoeit, krijg je dikwijls aardige vaudevilles.”
Schaunard herinnerde zich toen, dat er vlak bij een klein herbergje was, waar hij een paar maal voor weinig geld goed gegeten had, en richtte zijn schreden naar dat etablissement, in de chaussée du Maine gelegen en in de Bohème-wereld bekend onder den naam van la Mère Cadet. Het was een etenshuis, waarvan de gewone clientèle bestond uit de vrachtrijders naar Orleans, zangeressen uit den Montparnasse en jonge rollen van het Bobino-theater.3 Tijdens het mooie seizoen komen schilders uit de vele ateliers in de nabijheid van den Luxembourg, schrijvers van onuitgegeven boeken en journalisten van obscure blaadjes gezamenlijk dineeren bij la Mère Cadet, die bekend is voor haar konijnenragouts, haar echte zuurkool en een wit wijntje, dat naar vuursteen smaakt.
Schaunard ging onder de bosquets (boschjes) zitten: zoo noemde men bij la Mère Cadet het dunne loof van een paar kromgegroeide boomen, waarvan het ziekelijke groen onder tegen de zoldering was aangebracht.
„Lieve Hemel, het kan me niet schelen ook,” zeide Schaunard tot zichzelf, „ik zal me eens lekker te goed doen en een feestmaal bestellen.”
En zonder er gras over te laten groeien, bestelde hij een soep, een halve portie zuurkool en twee halve konijnenragouts: hij had n.l. opgemerkt, dat je, wanneer je halve porties bestelde, minstens een kwart op het geheel won.
Deze bestelling trok de aandacht van een jonge, in het wit gekleede vrouw met oranjebloesem in het haar en balschoenen aan; een imitatie van een imitatie-kanten sluier golfde over haar schouders, die beter hun incognito hadden kunnen bewaren. Het was een zangeres van het théâtre Montparnasse, waarvan de coulissen om zoo te zeggen uitkwamen in la Mère Cadet. Gedurende een entre-acte van de Lucia di Lammermoor was zij even komen eten; zij besproeide nu met een kleintje koffie een maaltijd, die uitsluitend uit een artisjok in olie en azijn bestond.
„Twee konijnenragouts, drommels!” zeide zij zacht tot het meisje, dat als kellner dienst deed; „dat is ook een jonge man, die van goed eten houdt. Hoeveel krijg je van me, Adèle?”
„Vier sous voor de artisjok, vier voor een kleintje koffie en één voor brood. Dat is negen sous.”
„Hier,” zeide de zangeres, en zij ging weg onder het neuriën van:
Cet amour que Dieu me donne!
„Zij haalt de hooge A,” zeide toen een mysterieus persoon, die, achter een wal van oude boeken verborgen, aan dezelfde tafel als Schaunard zat.
„Haalt zij hem?” zeide Schaunard; „ik zou eerder zeggen, dat ze hem thuis gelaten heeft. Het is dan ook belachelijk,” voegde hij eraan toe, terwijl hij met zijn vinger op den schotel wees, waaruit Lucia di Lammermoor haar artisjok genuttigd had, „om je fausset in azijn in te leggen.”
„Het is inderdaad een scherp zuur,” begon weer de persoon, die reeds gesproken had. „De stad Orleans produceert een soort, die terecht een goede reputatie heeft.”
Schaunard nam den onbekende, die blijkbaar een gesprek wilde uitlokken, aandachtig op. De starre blik uit zijn groote blauwe oogen, die steeds iets schenen te zoeken, gaf aan zijn gelaatsuitdrukking het karakter van vrome zielerust, die men zoo dikwijls bij seminaristen ziet. Zijn gelaat had de kleur van oud, vergeeld ivoor, behalve zijn wangen, die met een roodkleurige laag ingesmeerd schenen te zijn. Zijn mond leek geteekend te zijn door een eerste-klas leerling, dien men tijdens zijn werk tegen zijn elleboog gestooten had. De negerachtig opgetrokken lippen lieten tanden zien, die een jachthond geen oneer zouden hebben aangedaan, en de twee plooien van zijn kin rustten op een witte das, waarvan de eene punt de sterren bedreigde, terwijl de andere zich in den grond scheen te willen boren. Uit een kalen vilten hoed met wonderlijk breede randen, stroomden zijn haren in blonde watervallen. Hij had een notenkleurige pèlerine-jas, die tot op de draad afgesleten en zoo ruw als een rasp was. Uit de wijdopenstaande zakken van die jas kwamen bundels papier en brochures te voorschijn. Zonder zich te bekommeren om de opmerkzaamheid, waarmede hij opgenomen werd, nuttigde hij een portie zuurkool met worst, waarbij hij telkens een tevreden geknor liet hooren. Onder het eten door las hij een boek, dat open voor hem lag, en waarop hij nu en dan met een potlood, dat hij achter zijn oor had zitten, aanteekeningen maakte.
„Nou?” riep plotseling Schaunard uit en sloeg daarbij met zijn mes tegen zijn glas; „waar blijft mijn konijnenragout?”
„Mijnheer,” antwoordde het meisje, dat met een schotel in haar hand naar hem toe kwam, „die zijn er niet meer, dit is de laatste, en die is al door mijnheer besteld,” voegde zij eraan toe, terwijl zij den schotel voor den man met de boeken neerzette.
„Verduiveld!” riep Schaunard uit.
Er klonk zooveel melancholieke teleurstelling door in dat „Verduiveld!”, dat de man met de boeken er door getroffen werd. Hij schoof den wal van boeken, die zich tusschen hem en Schaunard verhief, op zij en zeide, terwijl hij den schotel tusschen hen in zette, op den zachtsten toon, dien hij in zijn stem leggen kon:
„Zou ik het genoegen mogen hebben dit gerecht met u te deelen?”
„Mijnheer,” antwoordde Schaunard, „ik zou er u niet gaarne van berooven.”
„U zult mij dus van het genoegen willen berooven, u een dienst te bewijzen.”
„Als u het zoo opvat, mijnheer....” En Schaunard schoof zijn bord bij.
„Veroorloof mij u den kop niet aan te bieden,” zeide de vreemdeling.
„Daar kan ik niet in komen, mijnheer,” riep Schaunard uit.
Maar toen hij zijn bord weer naar zich toe trok, zag hij, dat de vreemdeling hem juist dat gedeelte gegeven had, dat hij zeide voor zichzelf te willen houden.
„Wat?” bromde Schaunard in zichzelf, „wil hij me met zijn beleefdheid er tusschen nemen?”
„Al moge,” zeide de vreemdeling, „het hoofd het edelste deel van den mensch zijn, van het konijn is het juist het tegenovergestelde. Vandaar dan ook, dat er vele menschen zijn, die het niet kunnen uitstaan. Bij mij is het juist andersom. Ik aanbid het, om zoo te zeggen.”
„Dan spijt het mij dubbel,” zeide Schaunard, „dat gij u voor mij daarvan beroofd hebt.”
„Wat? ... pardon,” zeide de boekenman, „ik heb den kop voor mijzelf gehouden. Ik heb zelfs de eer gehad u te doen opmerken, dat....”
„Neem me niet kwalijk!” viel Schaunard hem in de rede, terwijl hij hem zijn bord onder de neus hield; „maar wat is dat dan voor een stuk?”
„Lieve Hemel! Wat zie ik, o goden? Nog een kop! Het is een bicephaal4 konijn!” riep de vreemdeling uit.
„Bice....” stotterde Schaunard.
„.....phaal. Dat komt van het Grieksch. Inderdaad noemt mijnheer de Buffon, die altijd manchetten droeg, voorbeelden van die eigenaardigheid. Maar werkelijk, ik vind het inderdaad zeer aangenaam, zoo’n natuurwonder gegeten te hebben.”
Tengevolge van dat incident was het gesprek voor goed aan den gang. Schaunard, die in beleefdheid niet achter wilde blijven, bestelde een nieuwe flesch. De boekenman liet een tweede aanrukken. Schaunard offreerde salade, de man met de boeken toespijzen. Om acht uur stonden er zes ledige flesschen op tafel. Al pratende had de openhartigheid, die door de plengoffers van den rooden wijn besproeid was, hen ertoe gebracht elkaar hun levensloop te vertellen; zij kenden elkander reeds, alsof zij samen opgegroeid waren. Na de vertrouwelijke mededeelingen van Schaunard aangehoord te hebben, had de boekenman hem verteld, dat hij Gustave Colline heette; hij was wijsgeer van beroep en leefde van de lessen, die hij gaf in mathematica, scholastica, botanica en andere wetenschappen op ica.
Het weinige geld, dat hij met lesgeven verdiende, besteedde Colline voor het aankoopen van oude boeken. Zijn notenkleurige pèlerine was een goede bekende aan alle boekenstalletjes van den pont de la Concorde tot den pont Saint-Michel. Wat hij met al die boeken, waarvan het aantal zòò groot was, dat men ze in een menschenleeftijd niet had kunnen uitlezen, deed, wist niemand en hij zelf nog het allerminst. Maar die manie was bij hem een hartstocht geworden; en wanneer hij ’s avonds zonder een nieuw oud boek thuis kwam, paste hij het woord van Titus op zichzelf toe en zeide: „Ik heb een dag verloren laten gaan!” Zijn innemende manieren en zijn wijze van uitdrukken, die een bloemlezing van alle stijlen vormde, en de vreeselijke woordspelingen, waarmede hij zijn gesprek kruidde, hadden haar uitwerking op Schaunard niet gemist, die op staanden voet Colline permissie vroeg zijn naam te mogen inlasschen op de beroemde lijst, waarover wij reeds gesproken hebben.
Tamelijk aangeschoten en met den gang van menschen, die pas een vertrouwlijk gesprek met wijnflesschen gevoerd hebben, verlieten zij tegen negen uur la mère Cadet.
Colline noodigde Schaunard uit met hem een kop koffie te gaan drinken, wat deze aannam op voorwaarde dat de pousse-café voor zijn rekening was. Zij gingen een café binnen in de rue Saint-Germain-l’Auxerrois, dat op zijn uithangbord Momus, den god der Spelen en van het Lachen, had.
Toen zij binnenkwamen, was er juist een hevige discussie begonnen tusschen twee stamgasten. Een van hen was een jonge man, wiens gelaat zoo goed als geheel verloren ging in een zware, veelkleurige baard. Als een tegenstelling tot dien overvloed van kinhaar was zijn voorhoofd zoo kaal als een biljartbal; een klein groepje haren, die zoo weinig talrijk waren, dat men ze zeer makkelijk zou kunnen tellen, trachtte vergeefs die kaalheid te verbergen. Hij droeg een zwarte, aan de ellebogen glad geschaafde jas, die, wanneer hij zijn armen te hoog oplichtte, een paar onder de schouders aangebrachte luchtgaatjes liet zien. Zijn broek kon desnoods nog voor zwart doorgaan, maar zijn schoenen, die nooit nieuw geweest waren, schenen reeds meermalen aan de voeten van den Wandelenden Jood de reis om de wereld gemaakt te hebben.
Schaunard had opgemerkt, dat zijn vriend Colline en de jonge man met de groote baard elkaar gegroet hadden.
„Ken je dien mijnheer?” vroeg hij aan den wijsgeer.
„Kennen bepaald niet,” antwoordde deze, „maar ik zie hem wel eens in de Bibliotheek. Ik geloof, dat het een schrijver is.”
„Zijn kleeding wijst er tenminste wel op,” antwoordde Schaunard.
De persoon, met wien de jonge man het aan den stok had, was iemand van een jaar of veertig, die, zooals uit zijn groot hoofd, dat zonder overgang van den hals tusschen zijn beide schouders zat, op te maken was, ongetwijfeld aan een beroerte sterven zou. De onnoozelheid was in groote letters op zijn laag, met een klein zwart kalotje bedekt voorhoofd te lezen. Hij heette mijnheer Mouton en was ambtenaar op de mairie van het vierde arrondissement, waar hij de overlijdensregisters bijhield.
„Mijnheer Rodolphe!” riep hij met een eunuch-orgaan uit, terwijl hij den jongen man, dien hij aan een knoop van zijn jas vasthield, heen en weer schudde, „wil ik u mijn meening eens zeggen? Nou, al die couranten dienen tot niets. Kijk eens, laten we eens veronderstellen: ik ben een huisvader, niet waar? .... goed ... Ik kom hier in het café een partij domino spelen. Volg nu goed mijn redeneering.”
„Verder, verder!” zeide Rodolphe.
„Welnu,” ging vader Mouton voort, terwijl hij iederen zin scandeerde met een vuistslag, die de flesschen en glazen op het tafeltje deed rinkelen; „welnu, ik kijk de couranten eens in, goed .... Wat zie ik? De een zegt wit, de ander zegt zwart, enzoovoort, enzoovoort. Wat heb ik daaraan? Ik ben een goed huisvader, die hier komt om ....”
„Zijn partijtje domino te spelen,” zeide Rodolphe.
„Iederen avond,” ging mijnheer Mouton voort. „Nou, laten we eens veronderstellen: Je begrijpt ....”
„Heel goed!” zeide Rodolphe.
„Ik lees een artikel, waar ik het niet mee eens ben. Dat maakt me woedend, en ik verbijt me, ziet u, mijnheer Rodolphe, al die couranten is leugenpak. Ja, leugenpak!” krijschte hij in de hoogste tonen van zijn faussetstem, „en de journalisten zijn bandieten en prutsschrijvers.”
„Maar toch, mijnheer Mouton ....”
„Ja, bandieten,” ging deze voort. „Zij zijn de oorzaak van alle ongelukken in de wereld; zij hebben de revolutie en de assignaten gemaakt; bewijs: Murat.”
„Pardon,” viel Rodolphe hem in de rede; „u bedoelt Marat.”
„Waarachtig niet, waarachtig niet,” ging Mouton voort; „Murat; ik heb hem zien begraven, toen ik nog een kleine jongen was ....”
„Maar ik verzeker u ....”
„Ze hebben nog een stuk over hem in het Cirque gegeven ....”
„Ja juist, precies,” zeide Rodolphe: „dat is Murat.”
„Maar dat zeg ik al een uur lang,” riep de stijfkoppige Mouton uit. „Murat, die in een kelder werkte, wat? Welnu, laten we eens veronderstellen. Hebben de Bourbons geen gelijk gehad om hem te guillotineeren, omdat hij hen verraden had?”
„Wien? Geguillotineerd! Verraden! Wat?” riep Rodolphe uit, die nu op zijn beurt mijnheer Mouton bij den knoop van zijn jas pakte.
„Wel Marat!”
„O God, neen, neen, mijnheer Mouton, Murat. Laten we elkaar voor den donder eindelijk begrijpen!”
„Ja zeker. Murat, een hondsvot. Hij heeft den keizer in 1815 verraden. Daarom beweerde ik, dat alle couranten één pot nat zijn,” ging mijnheer Mouton voort, daarbij op het voornaamste punt van zijn rede, die hij een verklaring placht te noemen, terugkomend. „Weet u wat ik zou willen, mijnheer Rodolphe? Welnu, laten we eens veronderstellen .... Ik zou een goede courant willen ... O, niet groot ... goed, en een die geen phrases maakt ... Zoo!”
„U bent veeleischend,” viel Rodolphe hem in de rede. „Een courant zonder phrasen!”
„Ja, zeker. Let nu goed op!”
„Dat probeer ik!”
„Een courant, die alleen berichten geeft over den gezondheidstoestand van den koning en de goederen der aarde. Want wat heb je ten slotte aan al die couranten, wanneer je er niets van begrijpt? Laten we eens veronderstellen: Ik ben op het stadhuis, niet waar? Ik houd mijn registers bij, prachtig! Welnu, het is net als wanneer ze tegen me zouden zeggen: „Mijnheer Mouton, u schrijft de sterfgevallen in, welnu, doe nu dit eens, doe nu dat eens. Welnu, wat moet dat, wat moet dat? Welnu, met de couranten is het precies zoo,” eindigde hij zijn redeneering.
„Zeer juist!” merkte iemand, die naast hem zat en de uiteenzetting begrepen had, op.
En mijnheer Mouton ging, nadat hij de gelukwenschen van eenige stamgasten, die het met hem eens waren, in ontvangst genomen had, verder met zijn partijtje domino.
„Ik heb hem eens flink op zijn plaats gezet,” zeide hij, terwijl hij op Rodolphe wees, die aan het tafeltje van Schaunard en Colline was gaan zitten.
„Wat een stommeling!” zeide deze tot de twee jonge lui, terwijl hij naar den ambtenaar wees.
„Hij heeft dan ook een prachtigen kop met zijn wenkbrauwen als rijtuigkappen en zijn kalfsoogen,” merkte Schaunard op, terwijl hij een prachtig doorgerookten neuswarmer uit zijn zak haalde.
„Bliksems, mijnheer,” zeide Rodolphe, „wat een mooie pijp hebt u daar!”
„O, ik heb nog een heel wat mooiere, als ik uit ga,” zeide Schaunard onverschillig. „Geef me even wat tabak, Colline.”
„Lieve Hemel,” riep de wijsgeer uit, „mijn tabak is op.”
„Sta mij toe u wat aan te bieden,” zeide Rodolphe, terwijl hij een pakje tabak uit zijn zak haalde en op tafel zette.
Colline meende die beleefdheid met het offreeren van een rondje te moeten beantwoorden.
Rodolphe meende niet te kunnen weigeren. Het gesprek kwam op de litteratuur. Rodolphe, naar zijn door zijn kleeding reeds verraden beroep gevraagd, erkende zijn betrekkingen tot de Muzen en bestelde een tweede rondje. Toen de kellner de flesch wilde medenemen, vroeg Schaunard hem die maar te laten staan. Hij had in een van Colline’s zakken het zilveren duo van twee vijffrancstukken hooren weerklinken. Rodolphe had weldra het niveau van openhartigheid bereikt, waarop de beide vrienden zich reeds bevonden, en deed hun op zijn beurt vertrouwelijke mededeelingen.
Zij zouden zeker den nacht in het café hebben doorgebracht, indien men hun niet was komen vragen heen te gaan. Zij waren nog geen tien pas verder, waarover zij tusschen twee haakjes een kwartier gedaan hadden, toen zij door een stortbui overvallen werden. Colline en Rodolphe woonden aan de twee tegenovergestelde uiteinden van Parijs, de eene in Ile-Saint-Louis, de andere in Montmartre.
Schaunard, die totaal vergeten was, dat hij geen onderdak meer had, stelde hun voor naar zijn kamer te gaan.
„Ga met mij mede,” zeide hij, „ik woon hier vlak bij; wij zullen den nacht doorbrengen met praten over litteratuur en schoone kunsten.”
„En dan maak jij muziek en moet Rodolphe ons zijn gedichten voordragen,” zeide Colline.
„Waarachtig, zeker,” voegde Schaunard eraan toe, „we moeten lachen en vroolijk zijn, we leven maar eens.”
Voor zijn huis gekomen, dat Schaunard slechts met moeite herkende, ging hij op een paaltje zitten wachten op Rodolphe en Colline, die bij een nog open zijnden wijnhandelaar de eerste elementen van een souper waren gaan halen. Toen zij terug waren, klopte Schaunard meermalen hard op de deur, want hij herinnerde zich vaag, dat de concierge de gewoonte had hem te laten wachten. Eindelijk ging de deur open en vader Durand, die in de heerlijkheden van den eersten slaap verzonken was en zich niet herinnerde, dat Schaunard zijn huurder niet meer was, maakte volstrekt geen tegenwerpingen, toen deze zijn naam door het schuifraampje geroepen had.
Toen zij alle drie boven op de trap waren (een even lange als moeilijke klimpartij), uitte Schaunard, die voorop liep, een kreet van verbazing, toen hij den sleutel in het slot van zijn kamerdeur zag steken.
„Wat is er?” vroeg Rodolphe.
„Ik begrijp er niets van,” mompelde hij, „ik vind in het slot den sleutel, dien ik vanmorgen medegenomen heb. Enfin, we zullen zien. Ik had hem in mijn zak gestoken. Wel, alle duivels, daar heb je hem nog,” riep hij uit, terwijl hij den sleutel liet zien.
„Dat is tooverij!”
„Phantasmagorie,” zeide Colline.
„Phantasie,” voegde Rodolphe eraan toe.
„Maar,” ging Schaunard voort, en in zijn stem beefde angst, „hooren jullie dat?”
„Wat?”
„Wat?”
„Mijn piano, die uit zichzelf speelt, ut, la mi ré do, la si sol, ré. Vervloekte ré, die zal altijd valsch blijven!”
„Maar dan is dat zeker jouw kamer niet,” zeide Rodolphe, die Colline, op wien hij zwaar leunde, in het oor fluisterde:
„Hij is dronken!”
„Dat geloof ik ook. In de eerste plaats is dat geen piano, maar een fluit.”
„Maar jij bent ook dronken, mijn waarde,” antwoordde de dichter den wijsgeer, die op den steenen vloer was gaan zitten. „Het is een viool.”
„Een vio ... Ha, ha! Luister eens, Schaunard,” stamelde Colline, terwijl hij zijn vriend aan zijn beenen trok, „die is goed! Mijnheer daar beweert, dat het een vio ....”
„Alle duivels!” riep Schaunard, thans zeer angstig, uit; „mijn piano speelt nog altijd, dat is tooverij!”
„Phantasma .... gorie,” huilde Colline, terwijl hij een der flesschen, die hij in zijn hand had, liet vallen.
„Phantasie,” krijschte op zijn beurt Rodolphe.
Midden onder dat lawaai ging plotseling de deur open en zagen zij op den drempel iemand verschijnen met een drie-armigen kandelaar, waarin rose kaarsen brandden.
„Wat is er van uw dienst, heeren?” vroeg hij, terwijl hij beleefd de drie vrienden groette.
„Lieve Hemel, wat heb ik gedaan? Ik heb mij vergist, dit is mijn kamer niet,” zeide Schaunard.
„Mijnheer,” voegden Colline en Rodolphe gezamenlijk eraan toe: „wees zoo goed onzen vriend te excuseeren; hij is zoo dronken als een ladder.”
Plotseling schoot een lichtstraal door het benevelde brein van Schaunard; hij had op zijn deur deze met krijt geschreven woorden gelezen:
„Ik ben driemaal hier geweest, om mijn Nieuwjaarsgeschenken te halen.
Phémie.”
„Waarachtig, maar ik ben wel degelijk thuis!” riep hij uit; „daar heb je het visitekaartje, dat Phémie met Nieuwjaar heeft achtergelaten: het is dus wel mijn deur.”
„Lieve God, mijnheer,” zeide Rodolphe; „ik ben er werkelijk confuus van.”
„Wees overtuigd, mijnheer,” voegde Colline eraan toe, „dat ik een werkzaam aandeel neem in de confuusheid van mijn vriend.”
De jonge man brak in een schaterlach uit.
„Als u even binnen wilt komen,” antwoordde hij, „dan zal uw vriend, zoodra hij de kamer gezien heeft, zijn dwaling wel erkennen.”
„Gaarne.”
De dichter en de wijsgeer namen ieder Schaunard bij een arm en brachten hem in de kamer, of liever in het paleis van Marcel, dien de lezer zeker reeds herkend heeft.
Schaunard keek eenigszins verward om zich heen en mompelde:
„Het is verwonderlijk, hoe veel mooier mijn kamer geworden is.”
„Nou, ben je nu overtuigd?” vroeg Colline hem.
Maar Schaunard had zijn piano in het oog gekregen, ging er naar toe en begon gamma’s te spelen.
„He, luisteren jullie eens,” zeide hij, terwijl hij verschillende accoorden aansloeg; „Bravo, het dier heeft zijn baas herkend: si la sol, fa mi ré! O, bliksemsche ré! Jij verandert ook nooit. Ik zie wel, dat het mijn instrument is.”
„Hij houdt vol,” zeide Colline tot Rodolphe.
„Hij houdt vol,” herhaalde Rodolphe tegen Marcel.
„En dat dan,” ging Schaunard voort, terwijl hij op den met sterren en loovertjes bezaaiden rok, die over een stoel geworpen was, wees, „dat is ook zeker mijn ambtsgewaad niet?”
En hij keek Marcel uitdagend aan.
„En dat dan,” vervolgde Schaunard en trok het deurwaardersexploot, waarvan hierboven sprake was, van den muur.
En hij begon te lezen:
„Dientengevolge zal mijnheer Schaunard gehouden zijn genoemde woning te ontruimen en haar in goeden en bewoonbaren staat terug te geven den achtsten April vòòr twaalf uur des namiddags. Ten bewijze daarvan heb ik hem deze acte ter hand gesteld, waarvan de kosten vijf francs bedragen. Nou, ben ik nou mijnheer Schaunard niet, wien de kamer bij deurwaardersexploot opgezegd wordt en wien men gezegelde stukken, waarvan de kosten vijf francs bedragen, vereert? En dan dat nog,” ging hij voort, toen hij zijn pantoffels aan de voeten van Marcel zag; „zijn dat niet mijn muiltjes, geschenk van een mij dierbare hand? Mijnheer,” zoo wendde hij zich nu tot Marcel, „thans is het aan u, om uw aanwezigheid in mijn laren en penaten te verklaren.”
„Mijne heeren,” antwoordde Marcel en hij richtte zich hierbij in het bijzonder tot Colline en Rodolphe, „mijnheer,” en hij wees op Schaunard, „mijnheer is op zijn kamer, ik beken het eerlijk.”
„Zoo,” riep Schaunard uit, „dat is maar gelukkig ook.”
„Maar,” vervolgde Marcel, „ook ik ben op mijn kamer.”
„Maar mijnheer,” viel Rodolphe hem in de rede, „als onze vriend toch ....”
„Ja,” vervolgde Colline, „als onze vriend ....”
„En als u u van uw kant herinnert, dat ....”, voegde Rodolphe eraan toe, „hoe komt het dan ....”
„Ja,” echode Colline, „hoe komt het dan ....”
„Neem plaats heeren,” antwoordde Marcel, „dan zal ik u het mysterie ophelderen.”
„Wat zoudt u ervan zeggen, als we die opheldering eens besproeiden?” waagde Colline op te merken.
„En daarbij familiaar een stukje aten?” voegde Rodolphe eraan toe.
De vier jonge mannen zetten zich aan tafel en openden een hevigen aanval op een stuk koud kalfsvleesch, dat de wijnhandelaar hun afgestaan had.
Marcel legde toen uit, wat er dien ochtend, toen hij was komen verhuizen, tusschen hem en den huisbaas was voorgevallen.
„Derhalve,” zeide Rodolphe, „heeft mijnheer volkomen gelijk, wij zijn zijn gasten.”
„Pardon, u bent hier thuis,” antwoordde Marcel beleefd.
Het kostte echter ontzaglijke moeite, om Schaunard aan zijn verstand te brengen wat er gebeurd was. Een komisch incident maakte de zaak nog ingewikkelder. Schaunard, die in een kast naar God weet wat zocht, ontdekte daarin het kleingeld, dat Marcel dien ochtend van zijn vijfhonderd francs teruggekregen had.
„Ha,” riep hij uit, „ik wist wel, dat mijn vriend, het toeval, mij niet in den steek zou laten. Ik herinner me nu, dat ik van morgen uitgegaan ben, om hem te zoeken ..... Voor die huurtermijnen, dat is waar ook; hij is zeker in mijn afwezigheid hier geweest. Wij hebben elkaar misgeloopen, dat is alles. Het is toch maar heel verstandig van me geweest den sleutel op de kast te laten.”
„Zoete dwaasheid!” mompelde Rodolphe, toen hij zag hoe Schaunard de geldstukken in even hooge hoopen opstapelde.
„Droom en bedrog, dat is het leven,” voegde de wijsgeer eraan toe.
Marcel lachte.
Een uur later lagen zij alle vier in een diepen slaap.
Den volgenden middag om twaalf uur werden zij wakker; in den beginne waren zij niet weinig verwonderd elkaar daar te vinden: Schaunard, Colline en Rodolphe schenen elkaar zelfs niet te herkennen en noemden elkaar mijnheer. Marcel moest er hen aan herinneren, dat zij den vorigen avond met elkaar bij hem gekomen waren.
Op dat oogenblik kwam Durand in de kamer.
„Mijnheer,” zeide hij tot Marcel, „het is vandaag de negende April achttien honderd en veertig ... het is modderig op straat, en Z. M. Louis-Philippe is nog steeds koning van Frankrijk en Navarre. Lieve Hemel,” riep vader Durand uit, toen hij zijn ouden huurder zag, „daar heb je mijnheer Schaunard. Hoe bent u hier gekomen?”
„Per telegraaf,” antwoordde Schaunard.
„Hoor hem eens aan,” zeide de concierge, „u bent nog de oude grappenmaker!”
„Durand,” zeide Marcel, „ik houd er niet van, dat de livrei zich in mijn gesprekken mengt; je gaat naar het dichtstbijzijnde restaurant en laat een dejeuner voor vier personen boven brengen. Hier heb je de spijskaart,” voegde hij eraan toe, terwijl hij hem een stukje papier met het menu erop gaf. „En een beetje vlug.”
„Heeren,” ging Marcel voort, „u hebt mij gisteren avond een souper aangeboden, laat mij u nu hedenmorgen een dejeuner aanbieden, niet bij mij, maar bij u,” voegde hij eraan toe, terwijl hij Schaunard zijn hand toestak.
Na afloop van het dejeuner vroeg Rodolphe het woord.
„Heeren,” zeide hij, „staat mij toe, dat ik u verlaat ....”
„O neen,” zeide Schaunard op sentimenteelen toon, „laten we elkaar niet meer verlaten.”
„Dat is zoo,” merkte Colline op; „je bent hier erg op je gemak.”
„U een oogenblik verlaat,” ging Rodolphe voort, „morgen verschijnt de Echarpe d’Iris5, een mode-tijdschrift, waarvan ik hoofdredacteur ben, en ik moet de drukproeven nog corrigeeren. Binnen een uur ben ik terug.”
„Alle duivels,” zeide Colline; „dat brengt mij op de gedachte, dat ik les moet geven aan een Indischen prins, die naar Parijs gekomen is, om Arabisch te leeren.”
„Geef die les morgen,” zeide Marcel.
„Neen, dat gaat niet,” antwoordde de wijsgeer: „de prins zou mij vandaag betalen. En bovendien moet ik eerlijk bekennen, dat deze schoone dag voor mij bedorven zou zijn, indien ik niet even langs de boekenstalletjes loop.”
„Maar je komt toch terug?” vroeg Schaunard.
„Met de snelheid van een met zekere hand afgeschoten pijl,” antwoordde de wijsgeer, die van excentrieke beeldspraak hield.
En hij ging met Rodolphe weg.
„Maar,” zeide Schaunard, toen hij met Marcel alleen gebleven was, „indien ik, in plaats van me hier te koesteren op het kussen van het dolce far niente, wat goud ging zoeken om de begeerigheid van mijnheer Bernard te stillen?”
„Maar,” zeide Marcel ongerust; „wil je dan nog steeds verhuizen?”
„Lieve God, ik moet wel,” antwoordde Schaunard, „ik heb immers een exploot, waarvan de kosten vijf francs zijn, gekregen.”
„Maar,” vervolgde Marcel, „als je verhuist, dan neem je zeker je meubels mee?”
„Ja, dat is mijn bedoeling, ik laat hier geen haar achter, zooals mijnheer Bernard zegt.”
„Duivels, dat zal me leelijk in verlegenheid brengen, want ik heb je kamers gemeubileerd gehuurd.”
„Waarachtig, dat is waar ook,” zeide Schaunard. „Maar,” voegde hij er melancholiek aan toe, „er is geen enkele aanwijzing, dat ik vandaag of morgen of wanneer ook mijn vijf-en-zeventig francs zal vinden.”
„Maar wacht even,” riep Marcel uit, „ik heb een idee.”
„Laat hooren,” zeide Schaunard.
„De zaak staat zoo: wettelijk behoort de woning aan mij, omdat ik een maand vooruit betaald heb.”
„De woning, ja; maar als ik betaal, neem ik de meubelen wettelijk mede; en als het mogelijk was, zou ik ze zelfs onwettelijk medenemen.”
„Zoodat,” zeide Marcel, „jij de meubels en geen woning, en ik een woning en geen meubels heb.”
„Dat klopt,” zeide Schaunard.
„Maar mij bevalt de woning uitstekend.”
„En mij,” merkte Schaunard op, „mij beviel ze nooit meer.”
„Wat zeg je?”
„Nooit .... meer. Ik weet heel goed, wat ik zeg.”
„Welnu, dan kunnen we het op een accoordje gooien,” meende Marcel; „blijf bij me, ik lever de woning en jij levert de meubelen.”
„En de huur?” vroeg Schaunard.
„Daar ik nu geld heb, betaal ik ditmaal; den volgenden keer is het jouw beurt. Denk er eens over na.”
„Ik denk nooit na, vooral niet om een voorstel aan te nemen, dat in mijn geest valt; ik neem het zonder bedenken aan. Bovendien zijn schilder- en dichtkunst zusters.”
„Schoonzusters,” vond Marcel.
Op dat oogenblik kwamen Colline en Rodolphe, die elkaar op straat ontmoet hadden, terug.
Marcel en Schaunard stelden hen van hun vennootschap in kennis.
„Heeren,” riep Rodolphe uit, terwijl hij het in zijn broekzak liet rinkelen, „ik offreer het gezelschap een diner.”
„Dat was juist mijn plan ook,” zeide Colline, terwijl hij uit zijn zak een goudstuk haalde, dat hij als een monocle naar zijn oog bracht. „Mijn prins heeft mij dat gegeven voor een Hindostansch-Arabische grammatica, die ik zooeven voor zes stuivers gekocht heb.”
„En ik,” zeide Rodolphe, „heb mij door den kassier van de Echarpe d’Iris een voorschot laten geven van dertig francs, onder voorgeven, dat ik mij moest laten inenten.”
„Het is vandaag dus Heiligendag,” zeide Schaunard; „ik alleen heb niets gekregen, dat is toch vernederend.”
„Intusschen,” viel Rodolphe hem in de rede, „handhaaf ik mijn uitnoodiging voor een diner.”
„En ik ook,” zeide Colline.
„Nou,” zeide Rodolphe, „dan zullen we opgooien, wie betalen zal.”
„Neen,” riep Schaunard uit, „ik weet wat beters, om jullie uit die moeilijkheid te helpen, heel wat beters.”
„En dat is?”
„Rodolphe betaalt het diner, en Colline geeft een souper.”
„Een Salomo-oordeel,” riep de wijsgeer uit.
„Dan zal het vandaag nog erger toegaan dan op de bruiloft van Camacho,”6 meende Marcel.
Het diner had plaats in een provençaalsch restaurant in de rue Dauphine, dat bekend was door zijn litteraire kellners en zijn ayoli-gerechten. Daar zij nog een plaatsje over moesten houden voor het souper, dronken en aten zij matig. De den vorigen avond tusschen Colline en Schaunard, en later met Marcel aangeknoopte kennismaking werd nu intiemer; de vier jonge mannen heschen de vlag van hun kunstinzichten, en alle vier erkenden, dat zij met denzelfden moed en dezelfde verwachtingen bezield waren. Al pratende en debatteerende, bemerkten zij, dat zij gemeenschappelijke sympathieën hadden, dat zij allen dien zin voor en die behendigheid hadden in geestige schermutselingen, welke opvroolijken, zonder te kwetsen; dat alle mooie deugden der jeugd leefden in hun harten, die door het zien of hooren van iets moois makkelijk in geestdrift waren te brengen. Alle vier, van hetzelfde punt uitgegaan, om hetzelfde doel te bereiken, waren van oordeel, dat iets anders dan het banale spel van het toeval hen had samengebracht, en dat misschien de Voorzienigheid, de natuurlijke beschermster der verlatenen, hen zoo samenvoerde en hun heel zacht het woord van het Evangelie influisterde, dat eigenlijk de eenige wet voor de geheele menschheid moest zijn: „Helpt elkander en hebt elkander lief!”
Tegen het einde van het diner, dat een eenigszins ernstig karakter had aangenomen, stond Rodolphe op, om een toast uit te brengen op de toekomst; Colline antwoordde met een kleine toespraak, die aan geen enkel boek ontleend en vrij van alle oratorische wendingen was, maar heel eenvoudig de simpele taal der natuur sprak, die zoo goed doet begrijpen wat zoo slecht gezegd wordt.
„De philosoof lijkt wel niet wijs!” mompelde Schaunard, over zijn glas gebogen; „nu dwingt hij me water in mijn wijn te doen.”
Na het diner gingen ze een pousse-café drinken in Momus, waar zij den vorigen dag den avond ook reeds hadden doorgebracht. Van dien dag af was het daar voor de overige gasten niet meer uit te houden.
Na de koffie en de daarbij behoorenden likeuren ging de nu voor goed opgerichte bohème-clan terug naar de kamer van Marcel, die voortaan den naam Elysée Schaunard droeg. Terwijl Colline het door hem beloofde souper ging bestellen, haalden de anderen voetzoekers, vuurpijlen en andere stukken vuurwerk; en voor zij aan tafel gingen, staken zij uit een der vensters een prachtig vuurwerk af, dat het heele huis op stelten zette en gedurende hetwelk de vier vrienden uit volle borst zongen:
„Célébrons, célébrons, célébrons ce beau jour!”
Den volgenden ochtend vonden zij elkaar weer terug, doch ditmaal zonder zich erover te verwonderen. Voor zij ieder weer tot hun werk terugkeerden, gingen ze gezamenlijk eenvoudig dejeuneeren in Momus, waar ze afspraken des avonds weer te zullen bijeenkomen en waar men hen gedurende langen tijd dagelijks weer zag verschijnen.
Dit zijn de hoofdpersonen, die men zal ontmoeten in de kleine verhalen, waaruit dit boek bestaat, dat volstrekt geen roman is en geen andere pretentie heeft dan die door zijn titel aangegeven; want de tooneelen uit het Parijsche kunstenaars-leven zijn inderdaad niets anders dan zedenstudiën, waarvan de helden behooren tot een tot dusver verkeerd beoordeelde klasse, wier grootste gebrek een beetje losbandigheid is, en die nog als excuus kunnen aanvoeren, dat die losbandigheid een noodzakelijkheid is, welke het leven hun oplegt.
1 Een hôtel in de tegenwoordige rue-Jean-Jacques-Rousseau, waarin meubelverkoopingen gehouden werden.
2 Een bekend soort, met brons ingelegde meubelen.
3 De in het quartier latin gebruikelijke naam voor het Théâtre du Luxembourg.
4 Tweehoofdig.
5 De Regenboog.
6 Een beroemde slemppartij uit Cervantes’ Don Quichotte, beschreven in hoofdstuk XX van dat werk.
Hoofdstuk II.
Een gezant der Voorzienigheid.
Inhoudsopgave
Schaunard en Marcel, die reeds van den vroegen ochtend af dapper aan het werk waren, hielden plotseling op.
„Alle duivels, wat heb ik een honger!” zeide Schaunard; en hij voegde er langs zijn neus weg aan toe: „Wordt er vandaag niet gedejeuneerd?”
Marcel scheen over die meer dan ooit ongelegen komende vraag zeer verbaasd:
„Sedert wanneer wordt er twee dagen achter elkaar gedejeuneerd?” zeide hij. „Het was gisteren Donderdag.”
En, om zijn antwoord als het ware meer kracht bij te zetten, wees hij met zijn schilderstokje op het gebod der Kerk.
„Vendredi chair ne mangeras,
Ni autre chose pareillement.”
Schaunard kon geen antwoord vinden en begon weer te werken aan zijn schilderij, dat een vlakte voorstelde met een rooden en een blauwen boom, die elkaar een hand- of liever takdruk gaven. Een zeer duidelijke en inderdaad ook zeer philosophische toespeling op de heerlijkheden der vriendschap.
Op dat oogenblik klopte de concierge aan de deur. Hij bracht een brief voor Marcel.
„Drie sous,” zeide hij.
„Heusch?” antwoordde de kunstenaar. „Die mag je houden.”
En hij sloeg de deur voor zijn neus dicht.
Marcel verbrak het zegel en las. Bij de eerste woorden reeds begon hij te springen als een acrobaat en hief luidkeels het volgende lied, dat bij hem de hoogste graad van verrukking was, aan:
„Y’avait quat’ jeunes gens du quartier
Ils étaient tous les quatre malades;
On les a m’nés à l’Hôtel-Dieu
Eu! eu! eu! eu!”
„Prachtig,” zeide Schaunard en vervolgde:
„On les a mis dans un grand lit,
Deux à la tête et deux au pied.
„Dat kennen we al.”
Marcel ging door:
„Ils virent arriver un’ petit’ soeur,
Eur! eur! eur! eur!”
„Als je niet oogenblikkelijk ophoudt,” zeide Schaunard, die reeds symptomen van hersenverweeking begon te voelen, „dan ga ik het allegro van mijn symphonie over den Invloed van het Blauw in de Kunsten spelen.”
En hij stapte reeds naar zijn piano.
Dit dreigement werkte als een droppel koud water, die in een borrelende vloeibare massa valt.
Marcel kalmeerde als door een tooverslag.
„Hier!” zeide hij, terwijl hij den brief aan zijn vriend gaf; „lees!”
Het was een uitnoodiging voor een diner van een député, een verlicht beschermer der kunsten in het algemeen en in het bijzonder van Marcel, die een schilderij van zijn landhuis gemaakt had.
„Dat is voor vandaag,” zeide Schaunard; „jammer, dat het geen invitatie voor twee personen is. Maar daar bedenk ik me, dat jouw député ministerieel gezind is; je kan, je mag die uitnoodiging niet aannemen: je principes verbieden je brood te eten, dat gedrenkt is in het zweet van het volk.”
„Ba!” zeide Marcel, „mijn député behoort tot de linkerzijde van het centrum; hij heeft pas nog tegen de regeering gestemd. Bovendien zal hij wel een opdracht voor me hebben, en hij heeft me beloofd mij in andere kringen te introduceeren. En al is het ook vandaag honderd maal Vrijdag, ik heb een honger als Ugolino in zijn toren; ik wil vandaag dineeren en daarmede basta!”
„Er zijn nog andere hinderpalen,” ging Schaunard voort, die zijn jaloerschheid op het fortuintje, dat zijn vriend ten deel viel, niet bedwingen kon. „Je kunt toch niet zoo in je roode trui en met je sjouwerspet op gaan dineeren.”
„Ik zal van Rodolphe of Colline een pak leenen.”
„Jeugdige dwaas! Ben je vergeten, dat wij den twintigsten van de maand voorbij zijn en dat om dezen tijd de kleeren van die heeren bij oom Jan logeeren?”
„Maar ik zal toch vòòr vijf uur wel een zwart pak vinden,” zeide Marcel.
„Ik heb drie weken noodig gehad, om er een te vinden, toen ik naar de bruiloft van mijn neef moest—en dat was toch in het begin van Januari.”
„Nou dan ga ik zoo!” antwoordde Marcel, terwijl hij met groote passen de kamer op en en neer liep. „Van mij zal niet gezegd worden, dat een armzalige quaestie van etiquette mij heeft weerhouden den eersten stap in de wereld te doen.”
„O ja, dat is waar ook!” viel Schaunard, die het blijkbaar pleizierig vond zijn vriend te plagen; „hoe staat het met je schoenen?”
Marcel ging in een toestand van niet te beschrijven opwinding weg. Na verloop van twee uur kwam hij terug met een boord.
„Dat is alles wat ik heb kunnen vinden,” zeide hij met een deerniswaardig gezicht.
„Daarvoor hadt je waarachtig niet zoo behoeven rond te loopen,” antwoordde Schaunard; „we hebben hier papier genoeg, om er een dozijn te maken.”
„Maar alle duivels!” riep Marcel uit en rukte daarbij de haren uit zijn hoofd; „we moeten hier toch kleeren hebben.”
En in alle hoekjes en gaatjes der beide kamers begon hij een nauwgezet onderzoek.
Na een uur zoekens had hij het volgende costuum bij elkaar:
Een geruite broek.
Een grijze hoed.
Een roode das.
Een eertijds witte handschoen.
Een zwarte handschoen.
„Daar zijn in geval van nood ten minste twee zwarte handschoenen uit te maken,” zeide Schaunard. „Maar wanneer je aangekleed bent, zal je er uitzien als het zonnespectrum. Doch dat is minder—je bent schilder.”
Intusschen paste Marcel de schoenen.
O ramp! Ze waren beide van denzelfden voet.
Daar zag de wanhopige kunstenaar in een hoek een ouden schoen, waarin ze gewoonlijk hun leege verfblazen gooiden. Hij maakte er zich meester van.
„Van kwaad tot erger,” zeide zijn ironische makker: „de een is puntig en de ander breed van voren.”
„Dat zie je niet; ik zal ze lakken.”
„Dat is een idée! Nu ontbreekt je alleen nog de onontbeerlijke rok.”
„O,” zeide Marcel, terwijl hij zich van woede in zijn vuisten beet „ik zou tien jaar van mijn leven en mijn rechterhand geven, als ik er een had.”
Op dit oogenblik hoorden zij opnieuw op de deur kloppen. Marcel ging open doen.
„Mijnheer Schaunard?” zeide een vreemdeling, die op den drempel bleef staan.
„Dat ben ik,” antwoordde de schilder en verzocht hem binnen te komen.
„Mijnheer,” zeide de onbekende, die een van die trouwhartige gezichten had, welke den provinciaal kenmerken, „mijn neef heeft me verteld, dat u zoo mooi portretten kunt schilderen; en daar ik op het punt sta een reis naar de koloniën te maken, als gedelegeerde der raffinadeurs van Nantes, zou ik gaarne een souvenir van mij aan mijn familie achterlaten. Daarom ben ik naar u toe gekomen.”
„O, heilige Voorzienigheid!” ... mompelde Schaunard. „Marcel, geef een stoel aan mijnheer....”
„Blancheron,” vulde de vreemdeling aan; „Blancheron uit Nantes, afgevaardigde van de suikerindustrie, oud-burgemeester van V...., kapitein van de garde nationale, en schrijver van een brochure over de suikerquaestie.”
„Ik voel mij zeer vereerd, dat ik door u gekozen ben,” zeide de artist, terwijl hij een buiging maakte voor den gedelegeerde der raffinadeurs. „En hoe wenscht u uw portret te hebben?”
„Een miniature, zooals dit,” antwoordde mijnheer Blancheron, terwijl hij op een portret in olieverf wees; want, zooals voor zoovele anderen, is voor den gedelegeerde alles, wat geen verf op huizen is, miniatuur: zij kennen geen middenweg.
Dit naïeve antwoord deed Schaunard dadelijk begrijpen met wien hij te doen had, vooral toen de vreemdeling er nog aan toevoegde, dat hij gaarne zijn portret in fijne kleuren geschilderd wilde hebben.
„Ik gebruik nooit andere,” zeide Schaunard. „En in welke grootte wilt u uw portret?”
„Zoo groot ongeveer,” antwoordde mijnheer Blancheron, op een doek van twintig francs wijzend. „Wat is de prijs daarvan?”
„Vijftig tot zestig francs; vijftig zonder handen en zestig met.”
„Drommels, mijn neef sprak van dertig francs.”
„Dat hangt af van het seizoen,” zeide de schilder; „in sommige tijden zijn de kleuren veel duurder.”
„Zoo, dat is dus net als met den suiker.”
„Precies eender.”
„Nou, voor vijftig francs dan,” zeide mijnheer Blancheron.
„Dat zou ik u niet aanraden; voor tien francs meer schilder ik u met uw suiker-brochure in uw handen, dat zal meer effect maken.”
„Waarachtig, u hebt gelijk!”
„Lieve Hemel,” zeide Schaunard in zichzelf; „als hij zoo doorgaat, dan barst ik nog los en gooi ik hem een van mijn stukken naar zijn hoofd.”
„Heb je gezien?” fluisterde Marcel hem in.
„Wat?”
„Hij heeft een rok.”
„Ik snap je en ik zal je helpen. Laat mij maar begaan.”
„Welnu, mijnheer,” zeide de gedelegeerde, „wanneer zullen we beginnen? We moeten niet te lang wachten, want ik vertrek eerstdaags.”
„Ik moet zelf een klein reisje maken; overmorgen verlaat ik Parijs. Als u het dus goed vindt, zullen we maar dadelijk beginnen. Een flinke séance zal de zaak zeer bespoedigen.”
„Maar het zal zoo dadelijk donker zijn, en u kunt toch niet bij kunstlicht schilderen,” zeide mijnheer Blancheron.
„Mijn atelier is zòò ingericht, dat ik er op ieder uur van den dag kan werken...” viel de schilder hem in de rede. „Als u uw rok wilt uittrekken en de pose aannemen, zullen we beginnen.”
„Mijn rok uittrekken? Waarom?”
„Hebt u niet gezegd, dat het een portret voor uw familie moet zijn?”
„Zeker.”
„Dan moet u ook in een kamerjapon geschilderd worden. Dat is trouwens gewoonte ook.”
„Maar ik heb geen kamerjapon bij me.”
„Ik heb er een. Ik ben voor zulke gevallen ingericht,” zeide Schaunard en gaf zijn model een oud met verfvlekken overladen vod, dat den eerzamen provinciaal op het eerste gezicht deed aarzelen.
„Dat is al een heel raar kleedingstuk,” zeide hij.
„En heel kostbaar,” antwoordde de schilder. „Indertijd heeft een Turksch vizier het cadeau gegeven aan Horace Vernet, die het weer aan mij vermaakt heeft. Ik ben zijn leerling.”
„Bent u een leerling van Vernet?” vroeg Blancheron.
„Ja, mijnheer, en daar ben ik trotsch op.—Schande,” mompelde hij in zichzelf, „ik verloochen mijn goden.”
„Daar hebt u dan ook reden voor, jonge man,” antwoordde de gedelegeerde, terwijl hij de kamerjapon van zoo voorname afkomst aantrok.
„Hang den rok van mijnheer aan den porte-manteau,” zeide Schaunard met een beteekenisvollen blik tot zijn vriend.
„Zeg eens,” mompelde Marcel, terwijl hij zich op zijn prooi wierp en heimelijk naar Blancheron wees „hij ziet er prachtig uit zoo! Als je hem zoo eens schilderen kon!”
„Ik zal het probeeren! Maar dat is van minder belang, kleed je gauw aan en maak, dat je weg komt, maar zorg, dat je om tien uur terug bent; ik zal hem wel tot zoo lang aan de praat houden. Maar vòòr alles, vergeet niet iets voor me mede te brengen.”
„Ik zal een ananas voor je meebrengen,” antwoordde Marcel en maakte, dat hij weg kwam.
Hij kleedde zich in vliegenden haast. De rok paste hem, alsof hij hem aangemeten was. Dan ging hij door de tweede deur van het atelier weg.
Schaunard was intusschen met werken begonnen. Toen het heelemaal donker geworden was, hoorde mijnheer Blancheron het zes uur slaan en bedacht zich, dat hij nog niet gedineerd had. Hij vertelde dat aan den schilder.
„Ik verkeer in hetzelfde geval, maar om u ter wille te zijn, zal ik mij daarvan vanavond maar speenen,” zeide Schaunard; „wel had ik voor vanavond een invitatie in den faubourg Saint-Germain, maar we kunnen het werk nu niet afbreken, dat zou schade doen aan de gelijkenis.”
En hij begon weer te werken.
„Maar,” zeide hij plotseling, „we zouden kunnen dineeren, zonder dat we ons werk onderbreken. Er is hier vlak bij een uitstekend restaurant, vanwaar ze ons alles, wat we willen, kunnen brengen.”
En Schaunard wachtte met spanning de uitwerking van zijn trio meervouden af.
„Ik ben het volkomen met u eens,” zeide mijnheer Blancheron, „en het zal mij aangenaam zijn, indien u mij de eer wilt aandoen aan tafel mijn gast te zijn.”
Schaunard maakte een buiging.
„Waarachtig,” zeide hij tot zichzelf, „het is een brave kerel, een ware gezant der Voorzienigheid. Wilt u het menu maar opmaken?” vroeg hij aan zijn amphytrion.1
„Het zal mij aangenaam zijn, indien u zich daarmede belasten wilt,” antwoordde deze beleefd.
„Dat zal je berouwen,” zong de schilder, die vliegensvlug de trap afstormde.
Hij ging het restaurant binnen, liep naar de toonbank en stelde een menu samen, dat den Vatel2 in den winkel bij het lezen bleek deed worden.
„En goede Bordeaux.”
„Wie betaalt dat?”
„Ik waarschijnlijk niet,” zeide Schaunard; „maar een oom van me, een lekkerbek en fijnproever, dien u boven bij me zult zien. Zet dus je beste beentje voor en zorg, dat we binnen een half uur kunnen eten en denk erom, op echt porcelein.”
Om acht uur voelde mijnheer Blancheron reeds behoefte aan de borst van een vriend zijn denkbeelden over de suikerindustrie uit te storten, en declameerde hij voor Schaunard de brochure, die hij geschreven had.
Deze begeleidde hem op den piano.
Om tien uur dansten mijnheer Blancheron en zijn vriend een galop en tutoyeerden elkaar.
Om elf uur zwoeren zij elkaar eeuwige trouw en maakten een testament, waarin zij elkaar wederkeerig hun fortuin nalieten.
Om twaalf uur kwam Marcel thuis en vond ze in elkanders armen. Ze zwommen in tranen. Er stond al een halve duim water in het atelier. Marcel stootte zich tegen de tafel en zag de schitterende overblijfselen van het heerlijke festijn. Hij onderzocht de flesschen—zij waren totaal leeg.
Hij wilde Schaunard wakker maken, maar deze dreigde hem te zullen vermoorden, als hij hem Mijnheer Blancheron, dien hij als hoofdkussen gebruikte, wilde ontrooven.
„Ondankbare!” zeide Marcel, terwijl hij uit zijn rokzak een handvol noten te voorschijn haalde. „Mij vermoorden, mij, die een diner voor hem meegebracht heb.”
1 Gastheer.
2 Vatel was de hofkok van Lodewijk XIV.
Hoofdstuk III.
De liefde in den Vastentijd.
Inhoudsopgave
Op een avond in den vastentijd kwam Rodolphe al vroeg thuis met het vaste plan om te gaan werken. Doch nauwlijks had hij zich aan tafel gezet en zijn pen in den inktkoker gedoopt, toen zijn aandacht door een zonderling geluid getrokken werd; en toen hij luisterde aan het indiscrete beschot, dat hem van de kamer ernaast scheidde, hoorde hij heel duidelijk een regelmatigen dialoog van kussen en andere amoureuse klanknabootsingen.
„Drommels!” dacht Rodolphe, terwijl hij op de pendule keek, „het is nog niet laat ... en mijn buurvrouw is een Julia, die haar Romeo gewoonlijk nog lang na het zingen van de leeuwerik bij zich houdt. Ik zal vannacht niet kunnen werken.” En hij zette zijn hoed op en ging uit.
Toen hij zijn sleutel in de portiersloge wilde leggen, vond hij de vrouw van den concierge in de armen van een galant. De arme vrouw was er zoo verschrikt door, dat er meer dan vijf minuten verliepen, voordat zij kon opentrekken.
„Ha!” dacht Rodolphe, „er zijn dus oogenblikken, waarop de portiersters weer vrouwen worden.”
Toen hij de huisdeur opende, vond hij in den hoek een dragonder en een keukenmeid in een avondmantel staan, die elkaar bij de hand vasthielden en het geld der liefde wisselden.
„Alle duivels!” zeide Rodolphe met een toespeling op den krijgsman en zijn robuste vriendin, „dat zijn een paar ketters, die er niet aan denken, dat wij in de vasten zijn.”
En hij ging de straat op naar een van zijn vrienden, die in de buurt woonde.
„Als Marcel thuis is,” zeide hij tot zichzelf, „dan kunnen we den avond doorbrengen met eens lekker Colline over den hekel te halen. Je moet toch wat doen ....”
Op zijn krachtig kloppen werd de deur op een kiertje open gemaakt en vertoonde zich daarin een jonge man met alleen een monocle op en een hemd aan.
„Ik kan je vandaag niet ontvangen,” zeide hij tegen Rodolphe.
„Waarom niet?” vroeg deze.
„Hier!” zeide Marcel en hij wees op een vrouwehoofd, dat achter een bedgordijn te voorschijn kwam; „hier heb je mijn antwoord!”
„Zij is niet mooi!” antwoordde Rodolphe, toen de deur voor zijn neus gesloten was. „Maar wat nu?” zeide hij, toen hij weer op straat was. „Als ik eens naar Colline ging? Dan zouden we eens lekker over Marcel kunnen kletsen.”
Toen hij de gewoonlijk donkere en weinig drukke rue de l’Ouest doorging, zag hij plotseling een schaduw, die melancholiek heen en weer liep en binnensmonds verzen scheen te reciteeren.
„He, he,” zeide Rodolphe; „welk sonnet loopt daar zoo te blauwbekken? Lieve Hemel, het is Colline.”
„He, Rodolphe! Waar is de reis naar toe?”
„Naar jou.”
„Daar zal je me niet vinden.”
„Wat doe je hier?”
„Ik wacht.”
„En waar wacht je op?”
„Ach!” zeide Colline met spottende hoogdravendheid, „waarop kan je wachten, wanneer je twintig bent, de hemel van sterren fonkelt en liederen door de lucht weerklinken?”
„Spreek toch in proza.”
„Ik wacht op een vrouw.”
„Bonsoir,” zeide Rodolphe, die in zichzelf pratend verder ging. „Bliksems! Is het dan vandaag St. Cupido en zou ik geen stap kunnen verzetten zonder op verliefden te stooten? Het is onzedelijk, schandelijk. Waarom doet de politie er niets aan?”
Daar de Luxembourg nog open was, ging Rodolphe dien binnen, om zijn weg te bekorten. In de verlaten lanen zag hij dikwijls, als verschrikt door zijn passen, geheimzinnig elkaar omvattende paren voor zich uit vluchten, die, zooals een dichter gezongen heeft, de dubbele wellust der stilte en der schaduw zoeken.
„Net een avond, die uit een roman overgeschreven is,” zeide hij tot zichzelf. En toch ging hij, zijns ondanks door een smachtende bekoring bevangen, op een bank zitten en keek sentimenteel naar de maan.
Na eenigen tijd was hij geheel door een hallucinatiekoorts bevangen. Het was, alsof de marmeren goden en heroën, die den tuin bevolken, van hun voetstukken afdaalden, om aan de godinnen en heroïnen het hof te maken; en hij hoorde heel duidelijk hoe de dikke Hercules de Velleda, wier tunica hem buitengewoon kort voorkwam, galante complimentjes influisterde.
Van af de bank, waarop hij zat, zag hij, hoe de zwaan uit het bassin naar een nymph daar vlak bij ging.
„Mooi!” dacht Rodolphe, die dit alles mythologisch opvatte, „dat is Juppiter, die naar zijn rendez-vous met Leda gaat. Als de bewaker ze nu maar niet betrapt.”
Dan legde hij zijn hoofd in zijn handen en boog zich nog dieper in de doornen van zijn gevoel. Doch op dit heerlijke oogenblik van zijn droom werd Rodolphe plotseling wakker geschrikt door een bewaker, die hem op zijn schouder tikte.
„Mijnheer, de tuin wordt gesloten.”
„Dat is maar gelukkig ook,” dacht Rodolphe. „Als ik hier nog vijf minuten bleef, zou ik in mijn hart meer vergeet-mij-nietjes hebben dan er op de oevers van den Rijn of in de romans van Alphonse Karr groeien.”
En met zachte stem een sentimenteele romance, die voor hem de Marseillaise der liefde was, neuriënd, verliet hij met vluggen pas den Luxembourg.
Een half uur later zat hij—God weet hoe hij er kwam—in den Prado voor een glas punch te praten met een grooten, jongen man, die beroemd was om zijn neus, welke er door een merkwaardig privilege van ter zijde snavelvormig en en face plat uitzag; een meesterneus, wien het niet aan geest ontbrak en die genoeg avonturen medegemaakt had, om in dergelijke gevallen goeden raad te kunnen geven en zijn vriend nuttig te zijn.
„Dus,” zeide Alexandre Schaunard, de man met den neus, „je bent verliefd!”
„Ja, mijn waarde .... ik heb het daarnet plotseling te pakken gekregen; precies hevige kiespijn, die je in je hart hebt.”
„Geef me je tabak eens,” zeide Alexandre.
„Stel je voor,” ging Rodolphe voort, „dat ik sinds twee uur niets dan verliefden, mannen en vrouwen, twee aan twee, tegenkom. Ik kwam op het denkbeeld den Luxembourg in te loopen, waar ik allerlei soorten phantasmagorieën gezien heb; dat heeft me buitengewoon aangegrepen; elegieën schieten in mij op; ik blaat en ik kir; ik ben half lam, half duif geworden. Kijk me eens goed aan; ik moet wol en veeren hebben.”
„Wat heb je toch gedronken?” zeide Alexandre ongeduldig, „je laat me poseeren alsof ik een model ben.”
„Ik verzeker je, dat ik volkomen helder ben,” zeide Rodolphe. „Of toch eigenlijk niet. Maar ik moet je eerlijk bekennen, dat ik behoefte heb om iets te omhelzen. Zie je, Alexandre, het is niet goed, dat de mensch alleen zij: kort en goed je moet me helpen een vrouw te vinden .... Wij zullen een rondgang door de balzaal maken, en daar moet jij de eerste, die ik je aanwijs, gaan zeggen, dat ik haar liefheb.”
„Waarom ga je zelf dat haar niet zeggen?” antwoordde Alexandre met zijn prachtigen nasalen bas.
„Ach mijn waarde,” zeide Rodolphe, „ik wil eerlijk bekennen, dat ik heelemaal vergeten ben hoe je het aan moet pakken, om zulke dingen te zeggen. Van al mijn liefderomans hebben mijn vrienden de inleiding geschreven, sommigen zelfs de ontknooping. Ik heb nooit een goed begin kunnen vinden.”
„Het is voldoende, om er een eind aan te kunnen maken,” zeide Alexandre; „maar ik begrijp je. Ik heb een jong meisje gezien, die veel van hobo’s houdt. Misschien val je wel in haar smaak.”
„Ach!” zeide Rodolphe, „ik zou zoo graag zien, dat zij witte handschoenen en blauwe oogen had.”
„Drommels, blauwe oogen, dat zal nog wel gaan .... maar witte handschoenen .... je weet toch, dat je niet alles tegelijk hebben kan. Maar laten we naar het aristocratische kwartier gaan.”
„Kijk,” zeide Rodolphe, terwijl hij een salon binnenging, waar de modepoppetjes zich ophielden, „daar zit er een, die me nog al zacht toeschijnt ....” en hij wees op een vrij elegant gekleed meisje, dat zich in een hoek teruggetrokken had.
„Goed,” antwoordde Alexandre; „houd jij je maar wat op den achtergrond; ik zal voor jou den fakkel van den hartstocht in haar hart slingeren. Wanneer je moet komen, zal ik je roepen.”
Een minuut of tien stond Alexandre te praten met het jonge meisje, dat nu en dan in een vroolijken lach uitbarstte en eindelijk Rodolphe een glimlachje toewierp, dat meer dan duidelijk te kennen gaf: Kom maar, je advocaat heeft zijn proces gewonnen.
„Ga nu maar,” zeide Alexandre; „de overwinning is ons; het kleintje zal in ieder geval niet wreed zijn, maar doe in den beginne een beetje naief.”
„Dat behoef je me volstrekt niet te zeggen.”
„Ook goed,” zeide Schaunard. „Geef mij nu eerst wat tabak en ga dan bij haar zitten.”
„Lieve Hemel,” zeide het jonge meisje, toen Rodolphe naast haar plaats genomen had; „wat een type, die vriend van je. Hij heeft een stem als een jachthoorn.”
„Dat komt, omdat hij musicus is,” antwoordde Rodolphe.
Twee uur later bleven Rodolphe en zijn vriendinnetje voor een huis in de rue Saint-Denis staan.
„Hier woon ik,” zeide het jonge meisje.
„Lieve Louise, wanneer zal ik je weer zien, en waar?”
„Morgenavond om acht uur op je kamer.”
„Heusch?”
„Hier heb je mijn woord,” antwoordde Louise, terwijl zij Rodolphe haar frissche wangen toestak, die zoo maar in die prachtige rijpe vruchten van jeugd en gezondheid beet.
Dol en dronken van liefde kwam Rodolphe weer op zijn kamer.
„O,” zeide hij, terwijl hij met groote passen op en neer liep; „dat kan zoo maar niet afloopen! Ik moet verzen maken.”
Den volgenden morgen vond de concierge in de kamer een dertig blaadjes papier, aan het hoofd waarvan majestueus deze enkele alexandrijn prijkte:
„O l’Amour! ô l’Amour! prince de la jeunesse!”
Rodolphe was dien dag, tegen zijn gewoonte in, al heel vroeg wakker, en hoewel hij weinig geslapen had, stond hij dadelijk op.
„Dus,” riep hij uit, „is het vandaag de groote dag .... Maar nog twaalf uur wachten .... Hoe die twaalf eeuwigheden doorkomen?”
En toen zijn blik op zijn schrijftafel viel, was het alsof zijn pen heen en weer huppelde en tegen hem zei: Werk.
„Werken? weg met het proza!... Ik wil niet hier blijven, het stinkt hier naar inkt!”
Hij ging naar een café, waar hij zeker was geen vrienden te zullen aantreffen.
„Zij zouden dadelijk zien, dat ik verliefd was,” dacht hij.
Na een zeer eenvoudig dejeuner gebruikt te hebben, liep hij naar het station en stapte in een coupé.
Een half uur later was hij in de bosschen van Ville d’Avray.
Rodolphe wandelde den geheelen dag door de verjongde natuur en keerde eerst tegen het vallen van den avond naar Parijs terug.
Nadat hij den tempel, die zijn afgod zou ontvangen in orde gemaakt had, maakte hij een voor deze gelegenheid passend toilet, waarbij hij het zeer betreurde, dat hij zich niet geheel in het wit kleeden kon.
Tusschen zeven en acht uur was hij ten prooi aan een hevige wacht-koorts, een langzame marteling, die hem zijn vroegere jaren en zijn vroegere verliefdheden weer in de gedachte terugriep. Dan droomde hij, volgens zijn gewoonte, reeds van een grooten hartstocht, een liefde in tien deelen, een waar lyrisch gedicht met maneschijn, ondergaande zon, afspraakjes onder wilgen, jaloezie, zuchten enz. enz. Zoo ging het iederen keer, als het toeval een vrouw aan zijn deur voerde, en geen enkele had hem verlaten zonder een aureool om haar voorhoofd en een collier van tranen om haar hals.
„Zij zouden liever een hoed of een paar schoenen hebben,” zeiden zijn vrienden.
Maar Rodolphe was hardnekkig en tot nog toe hadden de talrijke ervaringen, die hij al had doorgemaakt, hem niet kunnen genezen. Hij wachtte nog altijd op een vrouw, die een idool voor hem zou willen zijn, een engel in zijde en fluweel, tot wie hij, als de inspiratie ze hem ingaf, zijn sonnetten kon richten.
Eindelijk hoorde Rodolphe het „gewijde uur” slaan, en toen de laatste slag weerklonk, meende hij te zien dat de Amor en de Psyche op zijn pendule hun albasten lichamen tegen elkaar drukten. Op hetzelfde oogenblik werd er tweemaal bescheiden aan de deur geklopt.
Rodolphe ging open doen; het was Louise.
„Je ziet, dat ik op tijd ben,” zeide zij.
Rodolphe deed de gordijnen dicht en stak een nieuwe kaars aan.
Intusschen had de kleine haar sjaal afgedaan en haar hoed afgezet en die beide op het bed gelegd. De hagelwitte lakens deden haar glimlachen en bijna een kleur krijgen.
Louise was eerder gracieus dan mooi te noemen; haar frisch gezichtje verried een aantrekkelijke vermenging van naïveteit en schalkschheid. Het was iets als een motief van Greuze, gearrangeerd door Gavarni.1 De bekoorlijke, jeugdige vormen van het jonge meisje kwamen zeer voordeelig uit door een toilet, dat, hoewel heel eenvoudig, ook bij haar die aangeboren kennis verried van koketterie, welke alle vrouwen bezitten van af haar eerste windselen tot aan haar bruidskleed. Louise scheen bovendien in het bijzonder de theorie der houdingen bestudeerd te hebben en nam voor Rodolphe, die haar met kunstenaarsoogen beschouwde, een reeks verleidelijke standen aan, die in hun gemaniereerdheid dikwijls meer gracieus dan natuurlijk waren: haar fijn geschoeide voetjes waren klein genoeg .... zelfs voor een romanticus, die Andalusische of Chineesche miniaturen als zijn ideaal beschouwt. Haar teere handen verrieden, dat zij niet aan werken gewoon waren. Inderdaad hadden zij in de laatste zes maanden de steken der naalden niet behoeven te vreezen. In het kort Louise was een van die trekvogeltjes, welke uit een gril en dikwijls uit noodzaak, haar nestje voor een dag of liever voor een nacht bouwen in de dakkamertjes van het Quartier latin en daar gaarne een paar dagen blijven, indien men ze door aardige invallen of zijden linten weet te binden.
Na een uurtje met Louise gepraat te hebben, wees Rodolphe haar als een navolgenswaardig voorbeeld den groep van Amor en Psyche.
„Zijn dat niet Paul en Virginie?” vroeg zij.
„Ja,” antwoordde Rodolphe, die haar niet dadelijk door een tegenspraak wilde krenken.
„Zij zijn goed nagemaakt,” vond Louise.
„O je!” dacht Rodolphe, terwijl hij haar aankeek, „het arme kind is weinig bedreven in de litteratuur. Ik ben er zeker van, dat zij alleen op de hoogte is van de orthographie van het hart, die geen en of s in het meervoud schrijft. Ik zal een grammatica voor haar koopen.”
Toen Louise erover klaagde, dat haar schoenen haar knelden, hielp hij haar voorkomend bij het uittrekken.
Plotseling ging het licht uit.
„Hè?” riep Rodolphe uit, „wie heeft de kaars uitgeblazen?”
Een vroolijke lach was het antwoord.
Enkele dagen later kwam Rodolphe op straat een van zijn vrienden tegen.
„Wat voer je toch uit?” vroeg deze hem. „We zien je heelemaal niet meer.”
„Ik maak huiselijke poëzie,” was Rodolphe’s antwoord.
De ongelukkige sprak de waarheid. Hij had aan Louise meer gevraagd dan het arme kind hem had kunnen geven. Als doedelzak had zij niet de tonen van een lier. Zij sprak, om zoo te zeggen, het patois der liefde en Rodolphe wilde er absoluut de salontaal van spreken. Daardoor begrepen zij elkaar nauwlijks.
Acht dagen later ontmoette Louise in hetzelfde danslokaal, waar zij Rodolphe voor het eerst gezien had, een blonden jongen man, met wien zij verscheidene malen danste en die haar na afloop van het bal naar zijn kamer meenam.
Het was een tweedejaarsstudent, die heel goed het proza van het pleizier sprak en mooie oogen en rinkelende zakken had.
Louise vroeg hem papier en inkt en schreef Rodolphe den volgenden brief:
„Reeken niet meer op mei, ik omhels je voor het laast. Adieu.
Louise.”
Toen Rodolphe ’s avonds bij zijn thuiskomst dien brief las, ging zijn licht plotseling uit.
„Kijk!” zeide hij nadenkend, „dat is de kaars, die ik den avond, dat Louise kwam, aangestoken heb: zij moest met onze liaison sterven. Als ik het vooruit geweten had, zou ik een langere genomen hebben,” voegde hij er half spijtig, half boos bij en hij legde het briefje van zijn maîtresse in een lade, die hij wel eens de catacomben van zijn liefde noemde.
Toen Rodolphe eenigen tijd later eens bij Marcel was, raapte hij, om zijn pijp aan te steken, een stuk papier van den grond op, waarop hij het schrift en de orthographie van Louise herkende.
„Ik heb een autograaf van dezelfde hand,” zeide hij tot zijn vriend; „maar er staan in den mijne twee fouten minder dan in die van jou. Bewijst dat niet, dat zij meer van mij hield dan van jou?”
„Dat bewijst, dat je een idioot bent!” antwoordde Marcel. „Blanke schouders en blanke armen hebben geen grammatica van noode.”
1 Greuze, volgens Diderot „le peintre des familles et des honnêtes gens”, is bekend door zijn sentimenteel-kokette meisjesfiguren; Gavarni daarentegen gaf aan die koketterie een meer overmoedige uitdrukking.
Hoofdstuk IV.
Ali-Rodolphe, of de Turk tegen wil en dank.
Inhoudsopgave
Door een ongastvrijen huisheer verbannen, leefde Rodolphe sedert eenigen tijd in meer dwalenden toestand dan de wolken en volmaakte zich, zoo goed hij kon, in de kunst zonder avondeten naar bed te gaan of te soupeeren zonder naar bed te gaan. Zijn kok heette het Toeval en hij logeerde meestal in het hotel: De Bloote Hemel.
Twee dingen echter verlieten Rodolphe te midden van al zijn tegenspoeden nooit: zijn goed humeur en het manuscript van „Le Vengeur”, een drama, dat een lijdensweg door alle Parijsche schouwburgen gemaakt had.
Op een goeden dag, toen Rodolphe ten gevolge van een al te fantastische danse macabre naar de „nor” gebracht was, stond hij plotseling tegenover een oom van hem, een zekeren mijnheer Monetti, kachelsmid, rookverdrijver en sergeant bij de garde nationale, dien hij in geen eeuwigheid gezien had.
Geroerd door de tegenspoeden van zijn neef, beloofde oom Moretti zijn positie te verbeteren. Wij zullen zien hoe, als de lezer tenminste niet opziet tegen een zes verdiepingen hooge klimpartij.
De leuning dus gepakt en naar boven. Oef! honderd vijf-en-twintig treden. Daar zijn we eindelijk boven. Nog een stap en wij zijn in de kamer, nog een en wij zouden er niet meer in zijn. Het is wat klein, maar het is hoog: en verder licht en lucht en uitzicht first class.
Het meubilair bestaat uit verschillende kachels in den vorm van een schoorsteen, twee haarden, spaarovens (vooral wanneer je er geen vuur in aanlegt), een dozijn aarden of ijzeren pijpen en een menigte verwarmingstoestellen; laten we, om den inventaris te sluiten, nog noemen, een aan twee in den muur geslagen spijkers bevestigde hangmat, een tuinstoel met een poot eraf, een kandelaar met een afdruipglaasje en verschillende andere kunst- en luxe voorwerpen.
Het tweede vertrek, het balcon, wordt gedurende het mooie seizoen door twee in potten staande dwerg-cypressen in een park veranderd.
Op het oogenblik, dat wij binnentreden, beëindigt de bewoner van die heerlijkheid, een jonge als een Turk uit een opéra comique gekleede jonge man, een maaltijd, waarbij hij, zooals de aanwezigheid van een ex-ham en een te voren volle flesch wijn verraadt, op snoode wijze de wet van den propheet schendt. Na afloop van den maaltijd strekt de jonge man zich op zijn Oostersch uit op den vloer en begint nonchalant een met J. G.1 gemerkte pijp te rooken. Terwijl hij zich geheel en al overgaf aan deze Aziatische gelukzaligheid, streelde hij van tijd tot tijd den rug van een prachtigen Newfoundlander, die ongetwijfeld die liefkoozing beantwoord zou hebben, als hij niet van terra cotta geweest was. Plotseling hoorde men op de gang geluid van stappen; de deur ging open en een man kwam binnen, die, zonder een woord te zeggen, recht op een der beide haarden, welke als secretaire dienst deed, toeliep, het deurtje van den oven openmaakte en er een rol papier uitnam, dat hij met groote aandacht ging lezen.
„Wat?” riep de pas binnengekomene met een sterk Piemonteesch accent; „heb je dat hoofdstuk over de luchtgaten nog niet af?”
„Neem me niet kwalijk, oom,” antwoordde de Turk, „het hoofdstuk over de luchtgaten is een van de interessantste van uw boek en vereischt een nauwkeurige studie. Ik ben bezig het te bestudeeren.”
„Maar, ellendeling, dat antwoordt je me iederen dag. En hoe ver ben je met het hoofdstuk over de vulkachels?”
„De vulkachel staat er goed voor. Maar van kachels gesproken, oom, als u me wat hout zoudt willen geven, zou ik er niets tegen hebben. Het is hier een klein Siberië. Ik heb het zoo koud, dat ik den thermometer zeker beneden nul zou laten dalen alleen door er naar te kijken.”
„Wat, heb je dien heelen takkebos al opgebruikt?”
„Neem me niet kwalijk, oom, er zijn takkebossen en takkebossen, en de uwe was al heel klein.”
„Ik zal een kolengruisblok boven laten brengen. Dat bewaart de warmte.”
„Daarom geeft het die zeker niet.”
„Nou dan,” zeide de Piemontees weggaande, „ik zal je wat talhout boven sturen. Maar morgen moet ik mijn hoofdstuk over de vulkachels hebben.”
„Wanneer ik vuur heb, zal ik daar beter vlam voor kunnen vatten,” zeide de Turk, terwijl de Piemontees de deur aan den buitenkant sloot.
Wanneer we een tragedie aan het schrijven waren, zou nu het oogenblik aangebroken zijn, om den vertrouwde te laten optreden. Hij zou Noureddin of Osman moeten heeten en op tegelijk bescheiden en beschermende wijze onzen held moeten naderen en hem zijn geheim ontlokken met deze verzen:
„Quel funeste chagrin vous occupe, seigneur?
À votre auguste front, pourquoi cette pâleur?
Allah se montre-t-il à vos desseins contraire?
Ou le farouche Ali, par un ordre sévère,
A-t-il sur d’autres bords, en apprenant vos vœux,
Éloigné la beauté qui sut charmer vos yeux?”
Maar wij schrijven geen tragedie, en moeten het dus, al hebben wij eigenlijk een vertrouwde dringend noodig, zonder hem stellen.
Onze held is niet wat hij schijnt te zijn: de tulband maakt den Turk niet. Deze jonge man is onze vriend Rodolphe, die door zijn oom onder dak is gebracht, voor wien hij nu een „Handboek voor den Volmaakten Rookverdrijver” samenstelt. Mijnheer Monetti, die voor zijn kunst zeer geestdriftig was, had al zijn vrijen tijd gewijd aan de rookverdrijverij. Deze waardige Piemontees had voor zijn gebruik een stelregel gevonden, die bijna een pendant van dien van Cicero vormde, en in oogenblikken van grooten geestdrift riep hij uit: „Nascuntur poê .... liers”2. Op een goeden dag was deze waardige Piemontees, tot nut en stichting van de komende geslachten, op het denkbeeld gekomen een theoretischen codex te formuleeren van de grondbeginselen der kunst, in de praktische uitoefening waarvan hij uitblonk, en hij had, zooals wij gezien hebben, zijn neef uitverkoren, om zijn diepzinnige denkbeelden te gieten in een voor de menschheid begrijpelijken vorm. Rodolphe werd door hem gevoed, gelegerd enz. ... en zou na de voltooiing van het Handboek een gratificatie van honderd daalders krijgen.
Om zijn neef tot werken aan te sporen, had Monetti hem in de eerste dagen edelmoedig een voorschot van vijftig francs gegeven. Maar Rodolphe, die al in een jaar zoo’n groote som niet gezien had, was half waanzinnig van blijdschap in gezelschap van zijn daalders uitgegaan en bleef drie dagen onder water: den vierden kwam hij, van de zwaarte der looddeelen bevrijd, weer boven.
Monetti, die vurig verlangde zijn Handboek af te zien, daar hij hoopte er een brevet voor te krijgen, was bang voor nieuwe escapades van zijn neef. Om hem tot werken te noodzaken en hem te beletten uit te gaan, nam hij hem zijn kleeren af en gaf hem daarvoor in de plaats het kostuum, waarin we hem zooeven hebben aangetroffen.
Desniettegenstaande vorderde het beroemde Handboek slechts piano aan, daar Rodolphe te eenenmale de voor dit genre van litteratuur vereischte eigenschappen miste. De oom wreekte zich over die trage onverschilligheid ten opzichte der schoorsteenen door zijn neef een aantal kwellingen te laten ondergaan. Nu eens gaf hij hem slechts kleine maaltijden en meermalen liet hij hem zonder rooktabak.
Op een Zondag brak Rodolphe, na bloed en inkt over het beroemde hoofdstuk der luchtgaten gezweet te hebben, zijn pen, die hem in de vingers brandde, in tweeën en ging een wandeling maken in zijn park.
Maar als om hem te plagen en zijn lust nog meer te prikkelen, kon hij nergens heen kijken, of hij zag voor ieder raam iemand zitten rooken.
Op het vergulde balcon van een pasgebouwd huis kauwde een modegek in een kamerjapon tusschen zijn tanden een aristocratischen panatella. Een verdieping hooger joeg een artist den geurigen mist van Turksche tabak, die in een pijp met barnsteenen mondstuk brandde, voor zich uit. Voor het raam van een kroeg liet een dikke Duitscher zijn bier schuimen en blies met mechanischen regelmaat dikke wolken uit zijn Cudmer-pijp. Op straat kwamen zingend groepen werklieden met hun neuswarmers tusschen de lippen voorbij. En ook alle andere voetgangers, die de straat vulden, rookten.
„Helaas!” zuchtte Rodolphe, „behalve ik en de schoorsteenen van mijn oom, rookt op dit oogenblik alles in de schepping.”
En met zijn voorhoofd op het hek van het balcon geleund, overdacht hij hoe bitter eigenlijk het leven was.
Plotseling hoorde hij beneden zich een helderen, lang aangehouden lach. Rodolphe boog zich wat voorover, om te zien, vanwaar die uitbarsting van vreugde kwam, en hij bemerkte, dat hij opgemerkt was door de bewoonster van de verdieping beneden hem: mademoiselle Sidonie, de jeune première van het Théâtre du Luxembourg.
Mademoiselle Sidonie kwam nu buiten op haar balcon en rolde met Castiliaansche handigheid lichte tabak, dien zij uit een geborduurden fluweelen tabakszak nam, in een blaadje dun papier.
„Wat een mooie tabakszak,” mompelde Rodolphe met contemplatieve bewondering.
„Wie is die Ali-Baba?” dacht op haar beurt mademoiselle Sidonie.
En zij zon op een voorwendsel om een gesprek aan te knoopen met Rodolphe, die van zijn kant niets liever wilde.
„Lieve God!” riep mademoiselle Sidonie uit, alsof zij tegen zichzelf sprak, „wat vervelend toch, nu heb ik geen lucifers.”
„Mademoiselle, wilt u mij toestaan u er een paar aan te bieden?” vroeg Rodolphe, terwijl hij een paar lucifers in een papiertje wikkelde en op het balcon liet vallen.
„Dank u zeer!” antwoordde Sidonie, terwijl zij haar sigaret aanstak.
„Mademoiselle ....” ging Rodolphe voort, „zou ik u in ruil voor den kleinen dienst, dien mijn goede engel mij toegestaan heeft u te bewijzen, u mogen vragen?...”
„Wat! Begint hij nu al te vragen!” dacht Sidonie, terwijl zij Rodolphe wat belangstellender opnam. „O, die Turken! Men zegt, dat zij wispelturig zijn, maar wel gezellige menschen. Spreek mijnheer!” zeide zij, terwijl zij naar Rodolphe opkeek; „wat wilt u?”
„O, mademoiselle, in naam der Christelijke barmhartigheid smeek ik u om wat tabak: in geen twee dagen heb ik gerookt. Eén pijp maar ....”
„Met alle genoegen, mijnheer .... Maar hoe moet ik dat doen? Neem de moeite om even een verdieping lager te komen.”
„Helaas, dat is mij niet mogelijk .... Ik ben opgesloten, maar mij blijft nog de vrijheid om een eenvoudig middel te gebruiken.”
En hij bond zijn pijp aan een touwtje en liet haar zakken op het balcon, waar mademoiselle Sidonie haar eigenhandig goed vol stopte, waarna Rodolphe haar, d. w. z. de pijp, weer langzaam en voorzichtig opheesch, wat zonder ongeval gelukte.
„O, mademoiselle,” zeide hij tot Sidonie, „wat zou die pijp mij nog lekkerder smaken, indien ik ze aan het vuur van uw oogen had kunnen aansteken.”
Deze aardige vleierij beleefde nu minstens haar honderdsten druk, maar mademoiselle Sidonie vond ze desniettemin prachtig.
„U vleit me,” meende ze te moeten antwoorden.
„Ah, mademoiselle, ik verzeker u, dat u mij even bevallig toeschijnt als de drie Gratiën!”
„Ali Baba is beslist zeer galant,” dacht Sidonie .... „Bent u werkelijk een Turk?” vroeg zij dan aan Rodolphe.
„Niet uit roeping,” antwoordde hij, „maar vi coactus;3 ik ben dramatisch auteur, madame.”
„En ik dramatische artiste,” antwoordde Sidonie.
Dan liet zij erop volgen:
„Wilt u, waarde buurman, mij de eer aandoen bij mij te komen dineeren en verder den avond door te brengen?”
„Helaas, mademoiselle, hoewel deze uitnoodiging den hemel voor mij opent, is het mij niet mogelijk haar aan te nemen. Zooals ik reeds de eer gehad heb u te zeggen, ben ik achter slot en grendel gezet door mijn oom, mijnheer Monetti, kachelsmid en rookverdrijver, wiens secretaris ik op dit oogenblik ben.”
„En toch zult u met mij dineeren,” antwoordde Sidonie; „let goed op: ik ga in mijn kamer en zal tegen mijn plafond kloppen. Op de plek, waar ik klop, moet u kijken, en u zult daar de sporen vinden van een kijkgat, een judas, dat daar vroeger was, maar nu sedert lang dicht gespijkerd is: tracht het stuk hout, dat het gat afsluit, te verwijderen, dan zullen we, hoewel ieder bij ons thuis, zoo goed als samen zijn ....”
Rodolphe zette zich dadelijk aan het werk. Na vijf minuten was er een verbinding tusschen de twee kamers tot stand gebracht.
„Helaas!” zeide Rodolphe; „het gat is wel klein, maar er is toch nog altijd ruimte genoeg, om u mijn hart er doorheen te kunnen reiken.”
„En nu,” zeide Sidonie, „gaan we eten. Dek bij je, dan zal ik u den schotel geven.”
Rodolphe liet aan een touwtje zijn tulband neer en heesch die, gevuld met eetwaren, weer op; daarna begonnen de dichter en de artiste samen, ieder aan zijn kant, te eten. Met zijn mond verslond Rodolphe de pastei, met zijn oogen mademoiselle Sidonie.
„Mademoiselle!” zeide Rodolphe na afloop van het diner; „dank zij u, is mijn maag thans bevredigd. Zoudt u niet eveneens den geeuwhonger van mijn hart, dat reeds zoo lang gevast heeft, willen stillen?”
„Arme jongen!” zuchtte Sidonie.
Dit zeggende, klom zij op een stoel en bracht tot aan de lippen van Rodolphe haar hand, die deze met kussen bedekte.
„Ach!” riep de jonge man uit; „hoe jammer dat u niet kunt doen als de Heilige Dionysius, die het recht had zijn hoofd in zijn handen te dragen.”
Na het diner ontspon zich een erotisch-litterair gesprek. Rodolphe sprak over zijn „Vengeur” en mademoiselle vroeg hem haar het stuk voor te lezen. Over den rand van het gat gebogen, begon Rodolphe zijn drama voor te dragen voor de actrice, die, om beter te kunnen hooren, was gaan zitten op een fauteuil, welken zij op haar commode gezet had. Mademoiselle Sidonie vond „Le Vengeur” een meesterstuk en beloofde, daar zij in den schouwburg, waaraan zij verbonden was, tevens de eerste viool speelde, Rodolphe, dat zij zou zorgen, dat zijn stuk zou worden aangenomen.
Juist op het teederste oogenblik werd het gesprek gestoord door oom Monetti, wiens stap, licht als die van den commandeur,4 op den corridor klonk. Rodolphe had nog slechts juist den tijd, om den judas te sluiten.
„Daar!” zeide Monetti tot zijn neef, „hier heb je een brief, die je nu al een maand achterna loopt.”
„Laat eens zien!” zeide Rodolphe. „Oom!” riep hij na het lezen uit; „oom, ik ben rijk! Deze brief meldt me, dat ik een prijs van driehonderd francs gekregen heb van een Académie de Jeux floraux.5 Geef me gauw mijn jas en mijn bagage. Ik wil mijn lauweren gaan plukken. Men wacht mij op het Capitool!”
„En mijn hoofdstuk over de luchtgaten?” vroeg Monetti koud.
„Maar oom, die trekken nu niet meer! Geef me mijn kleeren. Ik kan in dit costuum niet op straat komen ....”
„Je gaat niet weg voor mijn Handboek af is,” zeide zijn oom, terwijl hij Rodolphe weer achter slot en grendel sloot.
Toen hij weer alleen was, aarzelde Rodolphe niet lang over wat hem te doen stond .... Hij bond een beddelaken, dat hij handig in een touwladder gemetamorphoseerd had, stevig aan zijn balcon en liet zich ondanks het gevaarlijke van de expeditie, met behulp van dien geïmproviseerden ladder op het balcon van mademoiselle Sidonie zakken.
„Wie is daar?” riep deze uit, toen zij Rodolphe tegen de ruiten hoorde tikken.
„Sstt!” antwoordde hij; „doe open ....”
„Wat wilt u? Wie bent u?”
„Hoe kunt ge dat nog vragen? Ik ben de dichter van Le Vengeur, en ik kom mijn hart halen, dat ik door den judas in uw kamer heb laten vallen.”
„Rampzalige!” zeide de actrice; „je hadt dood kunnen vallen!”
„Luister, Sidonie ....” ging Rodolphe voort en liet haar den brief zien, dien hij pas gekregen had. „Zooals je ziet, lachen de fortuin en de roem mij toe .... Moge de liefde dat ook doen!”
Den volgenden ochtend kon Rodolphe, dank zij een heerencostuum, dat Sidonie hem gegeven had, uit het huis van zijn oom ontsnappen .... Zijn eerste tocht was naar den vertegenwoordiger der Académie des Jeux floraux, om een gouden hondsroos in ontvangst te nemen ter waarde van honderd daalders, die bijna zoo lang leefden als de rozen plegen te leven.
Een maand later kreeg mijnheer Monetti van zijn neef een uitnoodiging voor de première van „Le Vengeur”. Dank zij het talent van mademoiselle Sidonie beleefde het stuk zeventien voorstellingen en bracht den schrijver veertig francs op.
Eenigen tijd later—het was toen zomer—woonde Rodolphe in de Avenue Saint-Cloud, boom No. 3 links van het Bois de Boulogne, tak No. 5.
1 Het fabriekstempel J. G. vindt men op kleine aarden pijpen, die voor twee sous verkrijgbaar zijn.
2 Cicero’s uitdrukking was: Nascuntur poetae (Dichters worden geboren). Poêlier, beteekent kachelsmid, rookverdrijver.
3 Door geweld gedwongen.
4 Persoon uit don Juan, die steeds geharnast was en dus zeer zwaar liep.
5 Letterkundige wedstrijden, waarbij de winnaars een gouden bloem, meestal een roos, krijgen.
Hoofdstuk V.
De Carolusdaalder.
Inhoudsopgave
Tegen het einde van December kreeg het personeel van de firma Bidault1 een honderd uitnoodigingsbrieven te bezorgen, waarvan hier een trouwe en eensluidende copie volgt:
„Mijnheer,
De heeren Rodolphe en Marcel verzoeken u hun de eer te bewijzen Zaterdag a. s., den dag vòòr Kerstmis, den avond bij hen door te brengen. Er zal gelachen worden.
P.S. Wij leven slechts eens in deze wereld!!”
Programma van het feest.
Zeven uur: Opening der salons; levendig en geanimeerd discours.
Acht uur: Entrée en wandeling door de salons van de geestige auteurs van de door het Odéon geweigerde comédie: „De barende berg.”
Acht en een half uur: „De invloed van het blauw in de kunsten”, nabootsende symphonie, voor te dragen door den beroemden pianist-componist Alexandre Schaunard.
Negen uur: Eerste lezing van de verhandeling over de afschaffing van de straf van het treurspel.
Negen en een half uur: Dispuut tusschen den hyperphysischen wijsgeer Gustave Colline en mijnheer Alexandre Schaunard over vergelijkende philosophie en meta-politiek. Om iedere lichamelijke botsing tusschen de twee tegenstanders te vermijden, worden ze beiden vastgebonden.
Tien uur: De heer Tristan, letterkundige, zal zijn eerste liefde vertellen. Alexandre Schaunard zal hem daarbij op den piano begeleiden.
Tien en een half uur: Tweede lezing van de verhandeling over de afschaffing van de straf van het treurspel.
Elf uur: Voordracht over een jacht op casuarissen door een buitenlandschen prins.
Tweede Deel.
Twaalf uur: Marcel, historieschilder, zal zich laten blinddoeken, en met krijt de ontmoeting van Napoleon en Voltaire in de Champs-Elysées op het doek improviseeren. Rodolphe zal eveneens een parallel improviseeren tusschen den schepper van „Zaïre” en dien van den slag bij Austerlitz.
Twaalf en een half uur: Nabootsing van de athletische spelen der 4de Olympiade door Gustave Colline in een kuisch déshabillé.
Een uur: Derde lezing van de verhandeling over de afschaffing van de straf van het treurspel en collecte ten bate van de tragische dichters, die in de toekomst broodeloos zullen zijn.
Twee uur: Begin der gezelschapspelen en samenstelling der quadrilles, die tot in den ochtend zullen worden voortgezet.
Zes uur! Zonsopgang en slotkoor.
Gedurende den geheelen duur van het feest zullen de ventilatoren werken.
N. B. Ieder, die verzen zal willen lezen of voordragen, wordt onmiddellijk uit de salons verwijderd en aan de politie overgeleverd; men wordt ook verzocht geen stukjes kaars mede te nemen.”
Twee dagen later circuleerden exemplaren van dien brief in de onderste lagen der litteratuur- en kunstwereld, en veroorzaakten daar niet weinig opzien.
Onder de genoodigden waren er echter eenigen, die de door de beide vrienden voorgespiegelde heerlijkheden in twijfel trokken.
„Ik vertrouw het zaakje niet heelemaal,” zeide een van die twijfelaars; „ik ben een paar maal op de Woensdagen van Rodolphe in de Rue de la Tour-d’Auvergne geweest, je kon er onmogelijk zitten en je dronk er een weinig gefiltreerd water uit bij elkaar gescharrelde potten en pannen.”
„Ditmaal,” zeide een ander, „moet het echter bittere ernst zijn. Marcel heeft mij een plan van het heele feest laten zien, en dat belooft een magisch effect.”
„Komen er ook dames?”
„Zeker Phémie Klad heeft gevraagd koningin van het feest te mogen zijn en Schaunard zal dames uit de groote wereld medebrengen.”
De oorsprong van dit feest, dat een zoo groote beroering in de Bohème-wereld, die aan gene zijde van de bruggen woont, veroorzaakte, was in het kort als volgt. Een jaar geleden ongeveer hadden Marcel en Rodolphe dit schitterende galafeest aangekondigd, dat steeds Zaterdag aanstaande moest plaats hebben; doch ten gevolge van allerlei moeilijke omstandigheden hadden zij reeds twee-en-vijftig maal dat „aanstaande” moeten verzetten, zoodat het eindelijk zoo ver gekomen was, dat de beide vrienden hun neus niet buiten de deur konden steken, zonder een stekelige opmerking te hooren van hun vrienden, waarvan er sommigen zelfs indiscreet genoeg waren om krachtig tegen zoo’n manier van doen te protesteeren. Daar de zaak langzamerhand op een fopperij begon te lijken, besloten de beide vrienden er een eind aan te maken, door zich van de verplichtingen, die zij op zich genomen hadden, te kwijten, en hadden zij derhalve de boven vermelde uitnoodiging verzonden.
„Nu kunnen we niet meer terug,” had Rodolphe gezegd; „we hebben onze schepen achter ons verbrand; we hebben nu nog acht dagen voor ons om de honderd francs te vinden, die we, om een dragelijk figuur te maken, beslist noodig hebben.”
„Als we ze noodig hebben, zullen we ze wel krijgen ook,” was Marcels antwoord geweest. En met het verwaten vertrouwen, dat zij hadden in het toeval, sliepen de twee vrienden in, vast overtuigd, dat hun honderd francs reeds op weg waren: den weg van het onmogelijke.
Doch toen den Donderdagavond voor het feest nog niets gearriveerd was, vond Rodolphe, dat het toch maar veiliger was het toeval een handje te helpen, wilden zij niet met beschaamde kaken staan, wanneer het uur sloeg om de kaarsen aan te steken. Voor het gemak wijzigden de beide vrienden langzamerhand de overdadige weelde van het door hen ontworpen programma.
Door die verschillende wijzigingen, o. a. het schrappen van het artikel: Gebak, het zorgvuldig herzien en verminderen van het artikel: Ververschingen, werd het totaal der onkosten tot vijftien francs teruggebracht.
Daarmede was het vraagstuk echter wel eenvoudiger gemaakt, doch niet opgelost.
„Maar,” zeide Rodolphe, „nu moeten we tot de uiterste middelen overgaan. We kunnen ditmaal in geen geval weer den datum verzetten.”
„Beslist onmogelijk.”
„Wanneer heb ik het laatst het verhaal van den slag bij Studzianka2 gehoord?”
„Een paar maanden geleden.”
„Twee maanden, prachtig, dat is een fatsoenlijke termijn; mijn oom kan zich waarachtig niet beklagen. Ik zal me morgen dan den slag bij Studzianka maar weer eens laten vertellen. Dat is vijf francs, die zeker binnenkomen.”
„En ik,” zeide Marcel, „zal een Burchtruïne aan den ouden Médicis gaan verkoopen. Dat maakt ook vijf francs en als ik tijd heb, om er nog drie torentjes en een molen bij te kladden, misschien wel tien; dan zijn we aan ons budget.”
En de twee vrienden gingen slapen en droomden, dat de prinses van Belgiojoso hun verzocht hun ontvangdagen te verzetten, om haar haar meest geziene gasten niet te ontnemen.
Den volgenden ochtend stond Marcel vroeg op, spande een nieuw doek en begon met ijver aan den bouw van een Burchtruïne, een artikel, dat hem steeds door een antiquiteiten-schacheraar op de place du Carrousel gevraagd werd. Intusschen ging Rodolphe een bezoek brengen aan zijn oom Monetti, die een matador was in het verhalen van den terugtocht uit Rusland, en aan wien Rodolphe vijf of zes maal per jaar, n.l. wanneer de geldnood erg nijpte, de voldoening schonk zijn veldtochten te vertellen in ruil voor een leening van wat geld, waartoe de veteraan-kachelsmid-rookverdrijver wel over te halen was, indien men bij het luisteren naar zijn verhalen slechts veel geestdrift wist te toonen.
Tegen twee uur ontmoette Marcel, die met gebogen hoofd en een doek onder zijn arm op de place du Carrousel liep, daar Rodolphe, die van zijn oom kwam; zijn geheele houding wees op slechte berichten.
„Nou,” zeide Marcel; „ben je geslaagd?”
„Neen, mijn oom is vandaag het museum in Versailles gaan kijken. En jij?”
„Die schaapskop van een Médicis wil geen Burchtruïnes meer; hij heeft me een Bombardement van Tanger gevraagd.”
„Onze reputatie is naar de maan, als we ons feest niet geven,” mompelde Rodolphe. „Wat moet onze vriend, de invloedrijke criticus, wel denken, als ik hem voor niets een witte das en gele handschoenen laat aantrekken?”
Ten prooi aan groote onrust gingen zij beiden naar het atelier terug.
Op dat oogenblik sloeg het op de pendule van een buurman vier uur.
„Wij hebben nog maar drie uur voor ons,” zeide Rodolphe.
„Maar,” riep Marcel, terwijl hij vlak bij zijn vriend kwam staan, „ben je er wel zeker van, dat er hier geen geld over is?....”
„Noch hier, noch elders. Waar zou dat saldo vandaan moeten komen?”
„Als we eens onder de meubels zochten .... in de fauteuils? Men beweert immers, dat de emigranten ten tijde van Robespierre hun geld verstopten. Wie weet!... Onze fauteuil is misschien het eigendom van een emigrant geweest; en bovendien is hij zòò hard, dat ik al eens meer gedacht heb, dat er metalen in zitten ... zouden we niet eens tot een lijkschouwing overgaan?”
„Dat is iets voor een klucht,” antwoordde Rodolphe op een toon, waarin tegelijk ernst en toegeeflijkheid lag.
Plotseling stiet Marcel, die zijn opgravingen in alle hoeken van het atelier had voortgezet, een luiden triomfkreet uit.
„Wij zijn gered!” riep hij uit; „ik wist wel, dat hier geldswaarde verborgen lag. Kijk maar!” en hij liet Rodolphe een geldstuk zien, zoo groot als een daalder en half verteerd door roest en kopergroen.
Het was een munt uit het tijdvak der Karolingers en niet zonder eenige kunstwaarde. Op het gelukkigerwijze gespaard gebleven inschrift kon men het jaartal van Karel den Groote lezen.
„Dat ding is nauwlijks dertig sous waard,” zeide Rodolphe met een minachtenden blik op de vondst van zijn vriend.
„Dertig sous, goed gebruikt, kunnen veel uitwerken,” antwoordde Marcel. „Met twaalfhonderd man heeft Napoleon tienduizend Oostenrijkers verslagen. Handigheid weegt tegen het getal op. Ik ga dadelijk den Carolusdaalder bij den ouden Médicis wisselen. Is er hier nog niet iets verkoopbaars? Waarachtig, als ik het gipsafgietsel van het scheenbeen van Jaconowski, den Russischen tamboer-majoor, eens meenam? Dat zou heel wat in het laadje brengen.”
„Neem het scheenbeen maar mee. Maar prettig is het allesbehalve. We hebben nu geen enkel kunstvoorwerp meer over.”
Tijdens Marcels afwezigheid ging Rodolphe, vast besloten de soirée, het mocht kosten wat het wilde, te geven, naar zijn vriend Colline, den hyperphysischen wijsgeer, die vlak in de buurt woonde.
„Ik kom je verzoeken,” zeide hij tegen hem, „mij een dienst te bewijzen. In mijn qualiteit van gastheer moet ik beslist een rok hebben, en .... ik heb er geen .... leen me de jouwe ....”
„Maar,” merkte Colline op, „in mijn qualiteit van gast heb ik mijn rok ook noodig.”
„Ik sta je toe in gekleede jas te komen.”
„Ik heb nooit een gekleede jas gehad, dat weet je even goed als ik.”
„Enfin, luister eens, we kunnen ook op een andere manier de zaak in orde brengen; jij zoudt niet op mijn soirée kunnen verschijnen en me je rok leenen.”
„Het is wel beroerd, maar dat gaat niet; ik sta op het programma en kan dus niet ontbreken.”
„Er zal nog heel wat meer ontbreken,” zeide Rodolphe. „Leen me je rok, en wanneer je beslist komen wilt, kom dan, zooals je het zelf het beste vindt.... voor mijn part in je hemdsmouwen .... dan kan je voor een trouwen dienaar doorgaan ...”
„Dat gaat niet,” zeide Colline blozend. „Ik zal mijn notenkleurige paletot aantrekken. Maar het heele zaakje is per slot van rekening een beroerde boel.”
En toen hij merkte, dat Rodolphe zich reeds van zijn beroemde rok meester gemaakt had, riep hij tegen hem:
„Maar wacht toch even .... Er zitten nog een paar kleinigheden in.”
De rok van Colline is een nadere beschouwing waard. In de eerste plaats was die rok volmaakt groen, en alleen uit gewoonte sprak Colline van zijn zwarte rok. En daar hij op dat oogenblik de eenige van de geheele troep was, die een rok bezat, hadden ook zijn vrienden de gewoonte aangenomen, om, wanneer zij van het officieele kleedingstuk van den wijsgeer spraken, zich te bedienen van de uitdrukking: de zwarte rok van Colline. Bovendien had dat beroemde kleedingstuk een zeer bijzonderen vorm, den meest bizarren, dien men zich denken kan: de zeer lange panden zaten n.l. aan een zeer korte taille en hadden twee zakken, ware afgronden, waarin Colline gewoon was een paar dozijn boeken, die hij altijd en eeuwig bij zich had, te bergen, wat zijn vrienden deed zeggen, dat de schrijvers en geleerden in den tijd, dat de bibliotheken gesloten waren, inlichtingen konden gaan inwinnen in de panden van Colline’s rok, een bibliotheek, die steeds geopend was.
Bij uitzondering bevatte Colline’s rok dien dag slechts een quarto-deel van Bayle, een verhandeling over hyperphysische krachten in drie deelen, een deel Condillac, twee deelen Swedenborg en Pope’s „Essai over den mensch.” Eerst toen hij zijn zak-bibliotheek had leeggeruimd, stond hij Rodolphe toe den rok aan te trekken.
„Hè,” zeide deze, „de linkerzak is nog aardig zwaar; je hebt er zeker nog iets in gelaten.”
„Dat is waar ook,” zeide Colline, „ik heb vergeten den vreemde-talen-zak leeg te maken.” En hij haalde er twee Arabische grammatica’s uit, een Maleisch woordenboek en een „Volmaakte veedrijver” in het Chineesch, zijn geliefkoosde lectuur.
Toen Rodolphe weer thuis kwam, was Marcel met drie vijf francstukken aan het schijfwerpen. Het eerste oogenblik stiet Rodolphe de hand, die zijn vriend hem toestak, weg: hij geloofde aan een misdaad.
„Laten we ons haasten,” zeide Marcel .... „We hebben de benoodigde francs bijeen... Luister, hoe ik eraan gekomen ben: Bij den ouden Médicis trof ik een verzamelaar van antiquiteiten aan. Toen hij mijn munt zag, viel hij bijna flauw: dat was de eenige, die nog aan zijn collectie ontbrak. Hij had al in alle landen laten zoeken, om die leemte aan te vullen, en had reeds alle hoop op succes verloren. Hij aarzelde, toen hij mijn Carolusdaalder goed bekeken had, dan ook geen oogenblik om mij vijf francs te bieden. Médicis stiet mij met zijn elleboog aan, zijn blik vulde de rest aan. Hij wilde daarmede zeggen: „Laten we de buit samen deelen, dan bied ik hooger!” We zijn tot dertig francs gekomen. Daarvan heb ik er vijftien aan den Jood gegeven, en hier is de rest. Nu kunnen onze gasten komen; wij zijn nu in staat om hun oogen te verblinden. Maar hoe kom jij aan dien rok?”
„O,” zeide Rodolphe, „dien heb ik van Colline geleend.” En toen hij zijn zakdoek uit zijn zak wilde halen, liet hij een klein deeltje Mandsjoesch vallen, dat in den vreemde-talen-zak was blijven zitten.
De beide vrienden gingen nu dadelijk aan het werk. Het atelier werd in orde gebracht, de kachel aangemaakt; een met kaarsen voorziene schilderijlijst hingen ze bij wijze van kroonluchter aan den zolder; een bureau, dat als katheder voor de sprekers dienst moest doen, werd midden in het atelier geplaatst; daarvoor zetten zij hun eenigen fauteuil, waarop de invloedrijke criticus moest zitten, terwijl zij op een tafel alle aanwezige boeken: romans, gedichten en feuilletons, waarvan de schrijvers de soirée met hun tegenwoordigheid zouden vereeren, neerlegden. Ten einde alle mogelijke botsingen tusschen de verschillende variëteiten letterkundigen te vermijden, was het atelier verdeeld in vier afdeelingen, aan den ingang waarvan men op inderhaast vervaardigde borden lezen kon:
| Dichters | Romantici |
| Prozaschrijvers | Classici |
Voor de dames was een ruimte in het midden vrijgelaten.
„Alles is in orde, maar er ontbreken stoelen,” zeide Rodolphe.
„O,” antwoordde Marcel, „er staan er verscheidene op het trapportaal, maar die staan vast aan den muur. Als we die eens los maakten!”
„Dat zal wel dienen,” meende Rodolphe, terwijl hij zich meester ging maken van de stoelen, die aan den een of anderen buurman behoorden.
Het sloeg zes uur; de twee vrienden gingen vlug dineeren en kwamen weer gauw terug, om met de verlichting der salons te beginnen. Om zeven uur kwam Schaunard, vergezeld door drie dames, die haar diamanten en hoeden bij vergissing thuis gelaten hadden. Een van haar had een rooden omslagdoek met zwarte vlekken om. Schaunard maakte Rodolphe op haar speciaal opmerkzaam.
„Dat is een echte vrouw van de wereld,” zeide hij, „een Engelsche, die door den val der Stuarts in ballingschap is moeten gaan; zij leeft zeer eenvoudig en bescheiden van wat haar Engelsche lessen haar opbrengen. Haar vader is onder Cromwell kanselier geweest, zooals zij mij verteld heeft; je moet beleefd tegen haar zijn en haar niet te veel tutoyeeren.”
Inmiddels lieten zich op de trap talrijke stappen hooren—de gasten kwamen; zij waren erg verbaasd, toen zij vuur in den kachel zagen.
Rodolphe’s rok ging de dames tegemoet en kuste haar met achttiende-eeuwsche gratie de hand; toen er ongeveer twintig gasten waren, vroeg Schaunard, of er nog niets rondgediend moest worden.
„Dadelijk,” antwoordde Marcel; „we wachten op de komst van den invloedrijken criticus, om den punch aan te steken.”
Om acht uur waren alle genoodigden aanwezig, waarna een aanvang met het programma gemaakt werd. Tusschen de verschillende nummers werden er ververschingen aangeboden; wat, daar is men nooit precies achter kunnen komen.
Tegen tien uur zag men het gele vest van den invloedrijken criticus verschijnen; hij bleef maar een uur en was matig in het gebruik der „ververschingen”.
Toen er tegen middernacht geen hout meer was en het aardig koud begon te worden, lootten de gasten, die zaten, wie zijn stoel in het vuur zou werpen.
Om een uur stond iedereen.
Toch bleef er onder de gasten een aangename, opgewekte stemming heerschen. Er viel geen enkel ongeval te betreuren, behalve een winkelhaak in den vreemde-talen-zak van Colline’s rok en een klap, dien Schaunard aan de dochter van den kanselier van Cromwell toediende.
Acht dagen lang was deze gedenkwaardige soirée het onderwerp van gesprek in het stadsdeel; en Phémie Klad, die de koningin van het feest geweest was, placht, wanneer zij er met haar vriendinnen over sprak, te zeggen:
„Het was er prachtig; er waren zelfs waskaarsen.”
1 Met het personeel van de firma Bidault (den toenmaligen postdirecteur) worden de brievenbestellers bedoeld.
2 Een gefingeerde naam.
Pulsuz fraqment bitdi.