Kitabı oxu: «Een klein heldendicht»
Herman Gorter
Een klein heldendicht

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066067472
Inhoudsopgave
Omslag
Titelblad
Tekst
RICHARD ROLAND HOLST
AMSTERDAM
1908
VOORREDE.
Inhoudsopgave
Mijn vriend RICHARD ROLAND HOLST heeft mij, ter illustratie van den tweeden druk van dit gedicht, eenige reproducties[*] gegeven naar zijne muurschilderingen in het gebouw van den diamantbewerkersbond te Amsterdam.
Vreugde en trots vervullen ons hart nu het eerste begin van socialistische schilderkunst en poëzie elkander ontmoet.
Wel zijn de beeldjes, die wij bedachten, nog maar klein in vergelijking met ons groote voorbeeld: den reuzenstrijd van het proletariaat,—wel zijn de vormen en de veronderstellingen waarin wij ons bewegen, nog vaak ouderwetsch,—maar ... voor het eerst staat hier in kunst het socialisme als de zon waarom zich het geheele leven bewegen moet.
En laat maar het proletariaat zijn loop met de snelheid vervolgen, waarmede het naar de nieuwe wereld ijlt,—in de handen der kunstenaars die het begeleiden, zal de kunst wassen van de kleine vonk die wij hier toonen, tot een wereldverlichtende vlam.
1908.
HERMAN GORTER.
Noot: De fotografiën, naar welke deze werden genomen, maken deel uit van een album van 15, de geheele schildering weergevende, verschenen bij BRUSSE & Co., te Rotterdam.
AAN DE NAGEDACHTENIS VAN KARL MARX.
Hoe de Vrijheid wordt, de Slavernij verbleekt,
begin ik te zingen met wachtende kinderstem.

I.
Een jonge arbeider kwam daar in het licht.
Hij wist niet wat te doen, want voor het eerst
moest hij meedoen aan een staking—of niet.
Hij was onzeker, voelde zich onzeker,—zooals
een schip dat aan het strand der zee,
slingrend met beide kanten water schept.
Hij was teer en zwart, want zijn moeder had
hem opgeleid in 't katholiek geloof,
en hem hield vast die rijke en roode godsdienst.
Maar hij was knap en vast, en de kameraden
hadde' hem geopenbaard den klassestrijd,
die alle krachten vraagt van d' wordende
Man.—Zoo ging hij nu door lichten dag.
Wat zou hij doen, met hen meegaan of niet?
De blos maakte zijn zwarte wang vuurrood.
Zooals een jonge stier, die op de velden
komt uit den stal, in 't voorjaar, duizelig
in 't licht komt, en niet weet of her of der,
en dan maar loopt rechtuit, op ééne lijn,
't is ongewis nog in zijn vaste hoofd,
zoo ging hij, die jonge arbeider, dwars in
het licht, het zilvrig-witte dageslicht.
En twee gedachten joegen zich aan hem op,
als uit de werklijkheid het groot droombeeld
gevormd wordt, als een wind die schuim of stof
opjaagt van zee of van een landweg. Eén
was dit: het zoete en zachte en tevree bestaan
van slaaf....
....—En de andre was één beeld
van opgaanden strijd. 't Leek een berg die hoog
ging....
Zoo ging hij op de vlakte, en wist niet
wat hij doen zou. En nu eens doopte hij in
links, dan weer rechts, in de gedachtafgronden,
zooals een man die in een zwaar probleem,
het vinden van een werktuig of geheim
der natuur, denkt: wat zal ik doen, zal ik
dien weg gaan? en diep in de zaak zelf peinst.
En even onzeker ging hij terug,
zooals een schip dat na zijn eerste reis
terug komt in zijn dok, om daar hersteld
te worden. Hij ging door het dampend licht
maar zag het niet, zag slechts die groote vraag:
moet ik of moet ik niet? En heel de wereld
leek vol hem van die vraag.
Zoo ging hij 'n beetje wanklend naar zijn huis,
zijn ooren waren vol, zijn slapen zwollen,
omdat die vraag, uit de wereld gehoord,
hem 't hart trof en het bloed hem naar de slapen.
En hij dacht: 'k moet het doen: het kan niet anders;
Zooals in Februari of in Maart
de wolken vliegen lachend langs den hemel,
wit-blauw gevlekt, en de heele natuur,
de bergen, de velden en alle boomen
voelen: het moet, het moet,—zoo voelde hij
toen hij daar langzaam naar zijn woning liep.
Maar toch bleef nog een twijfling aan zijn hart,
zooals het zilte schuim dat aan de zee ligt.
En van zijn oogen viel een zachte straal.
Hij was nog zeer jong, hij was nog een jongen.
's Nachts droomde hij een gouden, gouden droom.
Het was hem of hij in een gouden streek
was gekomen, en of hij gouden menschen
zag, die naakt gingen door een verguld licht.
Zilveren stroomen waren er en heuvels
van goud, en daarin zag hij die zonmenschen.
Hij kon er maar niet genoeg heen kijken.
Hij zag niet veel, het was ook niet zoozeer
wat hij zag, hoewel 't was echt gouden licht
als de zon, als een gloeiende bakkersoven.
Maar 't was dat heerlijke gevoel wat door
hem zelf heenstroomde als hij er naar keek,
daarom was het zoo heerlijk in dien droom.
Terwijl hij er naar keek, stroomde het door
zijn rug, zilvren stroomen nieuwe gedachten.
Wijl hij er naar keek, werd hij een ander mensch,
heel, heel anders. Wat was het toch dat in
hem kwam? zoo, zoo had hij toch nooit gevoeld.
En hij trachtte het midden in zijn droom
te begrijpen, zooals een droomer denkt,
ook weer droomend, maar toch begrijpend en
droomende over zijn droom nadenkende.
En hij keek aldoor maar weer; want hij voelde,
dat het vandaar moest komen, het begrip
van d' heerlijkheid, als de heerlijkheid zelf.
En hij keek steeds in dat ronde gewelf,
een ovaal-breed gewelf met vlakken grond,
vol gouden gloed en met gouden menschen,
heel klein, maar heel gelukkig, en goudnaakt.
En van uit die beelden, van uit hun haren,
als 't ware van hen af en naar hem toe,
stroomde aldoor in hem dat nieuw gevoel.
En zoozeer stroomde het uit hen naar hem toe,
dat 't leek hij werd zooals die menschen zelf.
En toen op-eens, werd hij door 't kijken kalm,
en toen begreep hij 't—wat hij voelde was
wat die kleine en gouden menschen hadden. Er was iets in hen wat hij, hij, niet had, maar door hen te zien zag hij dat zij 't hadden. En zooals alleen zien, iets aan den ziener geeft van het geziene, zoo voelde hij dat van hen in zich,—maar als een gemis.
En toen keek hij nog eens zeer kalm en goed,
met de uiterste spanning van al zijn oogen
trachtend te grijpen. En toen voelde hij
't klaar komen door zich: Dat Nieuwe was Vrijheid.
Dat wat hij voelde was wat hij zoo hoopte
maar niet had, die oven dat was de Toekomst,
en die menschen dat waren Vrije menschen.
En dien Maandag-morgen, toen stond hij op,
en met zijn zwarte en jongzacht gezicht,—hij
als een vaste en jong-zwarte stier—
als een bloem naar zijne kameraden,
en zij dat hij mee zou doen.—
II.
De jonge arbeidster kwam ook in het licht!
Zij wist ook niet te doen, want voor het eerst
moest zij zelf in vereeniging, of niet.
Zij was onzeker, voelde zich onzeker,
zooals een schaap dat op het wijde veld
voor het eerst graast, want het was nog een lam.
Maar zij was vast en licht, en de kameraden
hadden haar geopenbaard den klassenstrijd,
die alle krachten vraagt van d' wordende
Vrouw. Zoo ging zij nu door lichten dag.
Wat zou ze doen, er wel ingaan of niet?
Zooals een jonge koe die op de velden
komt uit den stal, in 't voorjaar, duizelig
in 't licht komt, en niet weet of her of der,
en dan maar loopt rechtuit op ééne lijn,
't is ongewis nog in haar vasten kop—
zoo ging zij, die jonge arbeidster, dwars in
het licht, het zilvrig witte dageslicht.
En 't leek haar of zij voor een minnaar stond,
die met een teer gezicht en bleekheid om
zijn hoofd daar stond. En of zij nu zich aan
hem geven moest of niet. Eén voet stond klaar,
maar ééne niet. Zij wist niet wat te doen,
en bleef maar fonkelend en vlammend staan.
Zooals een lente als zij aan de aard',
aan de grenzen en aan den horizon
gekomen is, en daar maar pal blijft staan.
En niet komt. En de menschen denken: wat
toeft toch en mart en blijft daar toch die lente?
Zoo stond zij op het veld, een vlam gelijk.
En weifelend ging ze daar op een steen
zitten, en voelde kou en warmte uit
de lucht, en den grond, en van uit zich zelve.
En twee gedachten vloeiden aan haar op,
als twee rivieren, door de blanke lucht
gekomen. De één was: Ik kan toch zijn
vast en groot, ik kan groote vrouw worden.
Er is de kracht in mij als van een mensch.
De andre was: 'k moet stil bij moeder blijven.
Zooals een moeder, die op haar bed ligt
te wachten op het kind, ze voelt het in zich.
De twijfel van het uur maakt haar al ziek:
Zoo zat ze daar neer.
En even onzeker ging zij terug,
zooals een paard dat men voor 't eerst beproefd
heeft te leeren, en dat men nu terug
brengt naar den stal. Zij ging door 't klare licht.
De wereld was wel klaar maar zij nog niet,
zij twijfelde zooals het groene gras
schittert, en vroeg maar aldoor, schitterend,
de vraag: Zal ik of zal ik niet meegaan?
Zooals in Februari of in Maart
de wolken vliegen lachend langs den hemel,
wit blauw gevlekt, en de heele natuur,
de bergen, de boomen en al de dieren
voelen: het moet, het moet, zoo voelde zij,
toen zij daar klaarwit naar haar huis toe liep.
Maar toch bleef nog een weifling aan haar hart,
als het zilverig schuim dat aan de kust ligt.
Maar van haar oogen viel een zachte straal.
Zij was nog zeer jong, ze was nog geen vrouw.
En 's avonds zat zij in haar huis alleen,
voor het naar bed gaan, en tuurde in de schemering.
Daar rond haar, daar waren de huizen van
de kameraden: zij voelde ze aan haar oogen.
Daar woonden ze, de stille en afgestompte.
Zooals in een bosch, dat geen ligging heeft
goed—maar slecht. Want het woud is arm,
er is geen luchtstroom, en er is te veel
water dat stilstaat om de harde wortels.
Het bosch is forsch, maar doodsch en armzalig.
Zoo was het leven der arbeiders om haar.
En zij voelde zooals een vuurgezicht:
Hun meisjes, ach, o pijn, o bittre pijn,
de schoonheid, de bloeiende moederschoonheid,
tot op een lage hoogte, en dan niet meer.
En de mannen beperkt, en al de gaven
beperkt tot de armen, beenen en vuisten,
en nog wat anders waaraan men niet denkt.
Er gonsde een grijze scheemring om haar heen,
en 't leek zoo of zoo was de eeuwigheid.
"Als wij samen zijn, o allen te zamen,
mannen en vrouwen proletariërs,
zijn wij meester van 't al. Dat is de taak
eindloos voor mij, maar er moet aan begonnen."
Zooals een vuurge bloem, diep in de scheemring
van een kamer, waar niets anders is, bloeit,
vuurrood—zoo groeide zij in de gedachte.
En zij verhief zich, en trok zich zacht uit,
het kleine dasje en haar wol'ge jak,
en rok en broek en kousen. En haar hemd
trok zij over haar hoofd en armen heen.
En zij bleef nog wat denken in de scheemring
onder de zoldring. En ging toen in bed,
en legde zich onder de dekens neer.
Haar lijf was vol, en vast haar hart daarin.
Zij lag daar stil zooals een jonge boom.
En denkende aan het Doel sliep zij in.
's Nachts sluipt er rond een God. Dat is de Moed.
Die gaat door achterstraten, en daar waar
de hooge huizen der arbeiders zijn.
En waar zij liggen duister in de scheemring
met hun vrouw, met hunne broers en zusters,
maakt hij ze vast en moedig. De nacht geeft
ze sterker aan het licht dan zij ze nam.
Maria lag roerloos. De goê gedachten,
die zij gehad had den dag, stijfden zich
in haar, en werden en maakten haar vast.
En buiten kwam de Dag zooals een minnaar,
en spreidde 't schemerkleed wijd open, toen
hij 't om de schouders hing. Maria ontwaakte,
brekende, op haar bed. En stil en klaar
lag ze, ziende den goddlijken ochtendstond.
En zij hief zich. Haar voorhoofd ging naar 't licht.
En zij wiesch zich, bukkende naar het water.
En zij at iets en zei moeder goên dag. '
En zij ging door de lichte hooge straten.
En zij trad de fabriek in in den schemer
van staal.
En zei aan d'andren dat ze mee zou doen.
III.
In de zaal ruischte het licht, zooals in zee
de middag ruischt. Een hemelvaart van licht
Pulsuz fraqment bitdi.