Kitabı oxu: «Uit den Kunstschat der Bakongos»

Şrift:

Ivo Struyf

Uit den Kunstschat der Bakongos


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066404550

Inhoudsopgave

Inleiding

FABELS

De Pad en de Wouw

De Kameleon en de Muis

De Muis

De Palmboommuis en de Krabbe

De reizende Mieren en de kleine Mieren

De Krab met haren platten rug

De Hond die den Egel misprijst

De Patrijs en de Papegaai

De Paling en het Water

De Rat en de Gazelle

De Pad en de Patrijs

De Gazelle en de Luipaard

De Gazelle die veel verstand heeft

Looze streek van de Gazelle

De Gazelle die leeft

Wraak van de Gazelle

Bedrog van de Gazelle

De bedrogen Luipaard

De wraak van de Gazelle

APOLOGEN

Heer Fungwa

Verhaal van den Palmwijntrekker

Kongoniense en Kongopatakasa

De Verstandige Zot

De verloren kruik

De wraak van Mpingia

Nkumina

Nkenge’s Vlucht

KOMISCHE VERHALEN

De Zot met het Rolleken

De twee Broeders

De Zot en het Tooverbeeld

De Zot en de Doornen

De Zot en de Waternimf

De Bambata en de Kikvorsch

NOVELLEN

Zwina

De gebroken Poederdoos

Moni Mambu

Na Makumba

MYTHISCHE VERHALEN

Nkenge en Kiteba

De geesten en de hondenkweeker

Ngangu zinkono en Ngangu zizala

De nijdige Moeder

Een Geestenverhaal

De Muizenvanger

Een Redetwist

Bijgeloof

De Vrouw en de Tabakrooker

Een Toovermiddel

HISTORISCHE VERHALEN

Oorlogswraak

Een Oorlogsverklaring

Verhaal van Oorlog

Oorlogslisten

Het Lied der Ouden

Na Nsesa en zijn Neef

DIDACTISCHE VERHALEN

De Melaatsche en de gierige Vrouw

De Man in den Stampersblok

De Sprinkhaan en de Gazelle

De Hak en de Parels

De Gierige Vrouw en de Maniok

Na Moni Mambu

Een Vergiftiging

Verhaal van Nijd

GEBRUIKEN en LEVENSWIJZE

I. KONGOLEESCH WERK

Het Verbranden van ’t hooge Gras

De Maniokplanterijen in ’t Bosch

De Maniokplanterijen in ’t hooge Gras

Het Plukken van den Caoutchouc

Het Palmwijntrekken

Opening eener Markt

II. KONGOLEESCHE PLECHTIGHEDEN

Een Kongoleesch Huwelijk

Het Naamgeven

Een Lijkfeest

III. TOOVENAARS en TOOVERMIDDELS

Toovermiddel voor Hoofdpijn

Toovermiddel voor Longontsteking

Toovermiddel voor Verstopping

Toovermiddel voor Oorziekte

Toovermiddel voor Tandpijn

Toovermiddel voor de Vallende Ziekte

Het Aanleeren van een Toovermiddel

IV. SPELEN

De negen Aardnoten

De kleine Mier die de Trommel slaat

Spel van Bila-bila

Het Zio Spel

Het Oplossen van Raadsels

V. GEZANGEN

I.

Nkunga u Vwoka

I.

Lied over de verlaten Dorpen

II.

Nkunga u Bula-Matari

II.

Lied over den Staat

III.

Nkunga u Bieya

III.

Spotlied

IV.

Nkunga u Bieya

IV.

Spotlied

V.

Nkunga u Mbembo

V.

Doodenzang

VI.

Nkunga u Nganga-nkisi

VI.

Lied van den Toovenaar

VII.

Nkunga u Nsaka

VII.

Lied onder ’t Spel

VIII.

Nkunga u Bidilu

VIII.

Treurlied

IX.

Nkunga

IX.

Lied

Inleiding

Inhoudsopgave

Gedurende mijn verblijf in onze Kwango-missie heb ik de gelegenheid gehad omtrent driehonderd onder de negers verspreide vertellingen te verzamelen, waarvan ik er hier een honderdtal uitgeef.

Over het belang van een dergelijke verzameling hoef ik niet lang uit te weiden.

Zij is immers een rijke bron voor een grondige kennis van de zeden, gewoonten, gebruiken, godsdienstige en maatschappelijke begrippen, bij een volk, dat ons meer dan eenig ander aan het hart moet liggen. Die bron is veilig en zeker: zij borrelt op uit den grond zelf, zonder door vreemde kanalen geleid, of, zooals dit te dikwijls gebeurt, misleid te worden; haar autochtoon karakter vrijwaart ze tegen alle vervalsching. Willen wij de Kongoleezen kennen—en zoo België eenmaal Kongo overneemt, dan wordt het onze plicht niets te verwaarloozen om zijne bewoners met hun eigen aard en gebruiken zoo goed mogelijk te leeren begrijpen—dan kunnen wij door niets beter daartoe geholpen worden, dan door hunne, wat ik noemen mag, literatuur, die toch de weerspiegeling van hunne beschaving is.

Hebben de onder ons volk nog bekende vertelsels reeds zooveel aantrekkelijkheid voor den folklorist, dan zal onze verzameling, die meer dan eenvoudige vertelsels bevat, hem zeker wel belang kunnen inboezemen. [X]

Maar ook de letterkundige zal er in mogen grasduinen. Ik weet niet of ik mij zelven bedrieg; of ik, door te groote sympathie voor dit volk, dat aan onze herderszorg is toevertrouwd, te zeer ben ingenomen geraakt met alles wat uitgaat van hen. Maar ik meen dat deze vertellingen, zelfs als kunstproducten, het peil van het alledaagsche ver te boven gaan.

Zeker, niet alle zijn even schoon. Maar toch, hoe aanschouwelijk zijn de meeste! Welke fijne opmerkingsgave blijkt niet uit al de trekken van hunne beschrijvingen! Welke gezonde humor! Vooral, welk frisch en machtig natuurgevoel! Dit is nu primitieve kunst, die ook de eenvoudigste jongen uit het volk kan begrijpen en smaken.

De man van de wetenschap zal ze mede kunnen bestudeeren met het oog op het ontstaan van de verschillende dichtsoorten en op de vergelijkende literatuur. Zou zelfs het nut dezer vertellingen, die sedert eeuwen van geslacht tot geslacht worden overgeleverd, niet verder reiken? Zouden ze geen aardig licht kunnen werpen op de geschiedenis der kongoleesche volksstammen, op hunne verwantschap onderling en zelfs met verwijderde volkeren?

Ik moet echter bekennen, dat ik hier niet op de eerste plaats een wetenschappelijk werk heb bedoeld; maar slechts een grondslag voor verdere wetenschappelijke studie. Daarom zie ik af van allerlei vraagstukken, die anders in een Inleiding dienden behandeld, en nl. over den oorsprong en den ouderdom van deze verhalen. Ik laat alleen de allernoodzakelijkste toelichtingen volgen.

Enkele woorden vooreerst over het ontstaan van deze verzameling.

Al deze verhalen werden opgeteekend bij de Bakongos, [XI]zooals het staat in den titel: Uit den kunstschat der Bakongos.

De Bakongos zijn een dier volksstammen, die tot de groote Bantoefamilie behooren1.

De Bakongos, dat wil zeggen: de menschen van Kongo, en niet, zooals men gewoonlijk denkt en schrijft, de menschen van Neder-Kongo (Bas-Congo), bewonen de streek, waaraan de Blanken, door het prefix Ba misleid, den naam gegeven hebben van Neder-Kongo.

Van Matadi tot Leopoldville, langs beide kanten van den ijzeren spoorweg; van den Kongostroom tot aan de Portugeesche bezittingen, leeft deze volksstam.

Vóór lange jaren, hoeveel, dat is lastig vast te stellen, was Neder-Kongo bevolkt door dwergen. Het waren menscheneters, Ba Mindie bantu. Andere namen droegen zij nog, zooals Banzonguna, Ba Mimbulumukina.

Die eerste bezitters van den grond, die menscheneters, werden uit hun land verdreven door de Bakongos, die uit den Portugeeschen Kongo vertrokken waren, en met pak en zak de streek kwamen binnengedrongen.

De hedendaagsche bewoners zijn dus afkomstig van den Portugeeschen Kongo.

Hiervan enkele bewijzen. Wanneer zij hunne dooden begraven, zoo delven zij het graf in dezer wijze, dat het lijk in den put daalt, met de oogen gericht naar den Portugeeschen Kongo; want zoo zeggen zij: Daar stond de wieg onzer voorvaders. Wij allen, wij zijn gesproten uit ééne moeder.

Een ander bewijs ligt hierin dat de namen van de heiligen, die de heidenen, zoowel mannen als vrouwen, dragen, bijna alle Portugeesche namen zijn. [XII]

Hun verdere afkomst is weinig bekend.

De taal door de Bakongos gesproken heet Kikongo, nauw verwant met de andere talen van de Bantoe-stammen. Zij is zeer welluidend en klankrijk.

Ik heb deze verhalen in ’t kongoleesch opgeteekend uit den mond van heidenen en volwassen christenen zelf. Aanvankelijk ging het niet gemakkelijk om die lui aan den praat te krijgen. Zelfs was het een kleine oproer soms: sommigen waren boos tegen degenen die mij hun verhalen hadden «verklikt.» Maar door een of andere lekkernij, zooals b.v. zout of tabak, waarop de zwarten verslingerd zijn, wist ik ze toch op dreef te brengen. Zelfs begon allengskens eigenliefde haar werk te doen: en om strijd wilde nu ieder zijn beste vertelsel mededeelen. Terwijl zij verhaalden schreef ik alles neer. En om mij wel te verzekeren dat de overlevering aldus trouw was bewaard, nam ik elke gelegenheid te baat om ook uit den mond van anderen dezelfde verhalen meermaals te hooren: ik liet vertellen, terwijl ik op mijn schrijfboek volgde. Zoo heb ik me kunnen overtuigen hoe gestereotypeerd die overlevering is.

Want deze verhalen worden aldus, woord voor woord bijna, van geslacht tot geslacht overgeleverd. Sommige zijn over uitgestrekte gebieden verspreid; andere slechts in meer beperkte bekend. Daarom heb ik bij elk verhaal, ook den naam en de streek opgenomen van dengene, die het mij deed.

Al deze verhalen zijn bewaard in sterk gerythmeerd proza. Wat wij verzen noemen, is in Kongo alleen in de [XII]zangen, waarmee de verhalen meestal opgeluisterd worden, gebruikelijk.

Met honderden kennen de negers er. En dit valt niet te verwonderen; hun geheugen wordt van jongs af daarin geoefend (geschrift hebben ze niet); en hun geheugen is ook, natuurlijk, in dit opzicht althans, veel sterker dan het onze.

Wanneer en hoe worden ze verhaald?

’s Avonds om het haardvuur, bij het werk, op reis, enz.

Op mijn reizen om onze kapelhoeven te bezichtigen, zat ik soms in den helderen maneschijn de zuivere avondlucht in te ademen. Sommige van de kinderen dansten daar in ’t ronde, met trommelslag en handgeklap. Anderen zaten neer en vertelden onder elkander uit hunne dorpen. Zoo b.v. op zekeren avond waren onze dragers, heidenen en christenen te gelijk, om een fel vuurke gezeten. Een onder hen verhaalde een geschiedenis uit vroeger tijd. De kinderen hingen aan zijn lippen: met talrijke gebaren deed hij alles na. Kwam er, zooals dit dikwijls het geval is, een zang in zijn verhaal, dan hief hij dien zelf aan: daarna zongen allen te zamen mee. Van tijd tot tijd ook onderbraken zij hem om hem gelijk te geven en in de handen te klappen. Soms kondigde een of ander aan wat er gebeuren ging. Anderen, met hun inheemsche muziek in de handen (kisansi: klein speeltuig, waaruit ze vreemd-schoone noten weten te trekken) luisterden en speelden te gelijk.

Op een anderen dag hoorde ik een verhaal opzeggen, maar heel rap; van tijd tot tijd herhaalden de toehoorders eenige woorden te zamen. B.v.: de zon was ondergegaan—en allen: de zon was ondergegaan. En na die herhaling ging het weer voort. [XIV]

Ook bij het werk verhalen ze dikwijls wat ze van hunne «ouden» hebben gehoord. Dan is ’t van tijd tot tijd, wanneer er een zang in voorkomt, een roepen en tieren en gezamenlijk zingen, dat we ons moeilijk kunnen voorstellen. ’t Is echter gewoonlijk des avonds dat de Kongoleezen hunne sproken ophalen. De kleine kinderen zijn daarbij tegenwoordig. Zelfs bij de geschillen, die onder de opperhoofden te vereffenen zijn, ontbreken ze niet: ze staan daar bij en luisteren toe.

Al deze verhalen worden zeer natuurlijk voorgedragen. Onze negers zijn meesters in ’t vak. Vóór twee jaren heb ik een heel spel Jozef in Dothan in ’t kongoleesch vertaald: onze leerlingen hebben het wonderwel vertolkt op een groot tooneel in open lucht. Al de gezangen waren melodieën van heidensche dansen, waarop wij andere woorden hadden gezet. Het slaagde opperbest.

Reeds vier kleine bundels vertellingen en fabels heb ik in de Kikongo-taal uitgegeven. Gedrukt in onze drukkerij te Kisantu dienen ze als leesboek voor onze jongens in al de scholen, die wij in de verschillende posten hebben opgericht.

Vroeger reeds had P. Butaye een bundeltje spreekwoorden, die onder de negers zeer verspreid zijn, uitgegeven. Ik heb getracht dien kleinen schat te vergrooten. Nog mogen we wijzen op ons maandschrift Ntetembo eto «Onze Ster», in echte Kikongo-taal opgesteld. Sedert twee jaren verschijnt daarin, bijna iedere maand, een verhaal over hunne spelen, door negers zelf geschreven.

Het was een lastige taak een behoorlijke indeeling van deze vertellingen te vinden. Geen enkele kon me geheel [XV]voldoen. Degene, waarbij ik het ten slotte gelaten heb, moet niet als uitsluitend worden opgevat. Onder welke verdeeling een verhaal werd opgenomen, besliste telkens de hoofdstrekking alleen; zoodat men b.v. onder mythische verhalen er ook wel zal aantreffen van eenigszins fabelachtigen aard; enz.

Het eerste deel van dit werk bevat verhalen, die eene meer letterkundige strekking vertoonen. Het zijn Fabels, Apologen, Komische verhalen, Novellen. Het verschil tusschen Fabels en Apologen bestaat hierin, dat de Apologen menschen en dieren te zamen laten optreden, en dat ze duidelijker met een zedelijk doel geschreven zijn. Onder de Komische verhalen heb ik bijeen gebracht de beste stukken, waarin de humor der negers zich uit: die valt gewoonlijk ten laste van «Heer Zot».

De rubriek «Novellen» mocht een toevluchtsoord schijnen voor alle vertellingen waarmee ik niet heel goed over de baan kon. Toch meen ik, dat de stukken, daaronder uitgegeven, wel dien naam mogen dragen.

Het tweede deel werd ingericht met een praktischer doel. Het bevat: Mythische verhalen; verhalen namelijk die ons inlichten over de opvatting van het Opperwezen en van de geestenwereld bij de negers; Historische verhalen: die aan feiten uit de geschiedenis van hun volksstam schijnen te herinneren; Didactische verhalen, waardoor de ouders allerlei voorschriften bij hunne kinderen trachten aan te leeren; eindelijk, verhalen over de geheele levenswijze in ’t dagelijksch verkeer onder de negers.

Men neme ze dus zooals ze zijn: echt kongoleesche verhalen. Hun «goût de terroir» zal ze misschien des te smakelijker maken. [1]

1 Bantoe beteekent menschen.↑

FABELS

Inhoudsopgave

[3]

[Inhoud]

De Pad en de Wouw

Inhoudsopgave

Moeder Pad had schuld doen eten1 aan Meester Wouw. Hij wilde niet betalen. Hij aan ’t wandelen en wandelen, hij was in ’t dorp niet te zien.

Moeder Pad, toen zij ging om ’t geld te vragen, hij, Meester Wouw, vond verstand; hij was er niet. «Overmorgen en overmorgen» deed hij altijd zeggen.

Maar Moeder Pad, toen zij gedaan had met haar hart2, ging haar verstand uitdenken, hoe zij Meester Wouw kon tegenkomen. Dicht bij het dorp van Moeder Pad, langs de rivier, was er een verlaten land; ’t was het droog seizoen3; ’t gras was droog. Moeder Pad had ’t land in brand gestoken. ’t Vuur was gedaan; zij ging zitten op een kleine hoogte kleigrond; haar witte borst blonk naar omhoog.

Meester Wouw, toen hij den rook van ’t vuur gezien had, kwam zwieren in de lucht, om te zien of er geen muizen wegliepen op dat land. En hij wandelde, hij wandelde; hij vond iets dat daar blonk op den kleigrond; hij kwam met de vleugels slaan en hij dacht: Dat is een muis! [4]

Meester Wouw viel beneden, greep op wat daar blonk, legde het in zijn weitasch, droeg het naar boven, en hij zag niet dat het de Pad was.

’s Avonds toen hij terugtrok naar zijn dorp, kwam Meester Wouw met zijn muizen te huis, begon te tellen de muizen van ’t jagen. De muizen, toen hij ze uitdeed, ze uitdeed, daar Moeder Pad ’n sprong: He, Meester Wouw, hier ben ik, ik ben gekomen om mijn geld te ontvangen.

Meester Wouw was verwonderd en verwonderd, was beschaamd. Hij ging geld halen in zijn geheimkamer, dat hij telde aan Moeder Pad: He, mijn vriendin, neem uw geld, ’t is gepast! Maar hoe gaat gij terug naar uw dorp? Gij, ik zal u niet voor niet dragen.

Moeder Pad, alzoo: Mijn geld heb ik genomen. Indien ik u geen strikken had gespannen, ’t geld, ik had het zeker niet gehad. Ik weet mijn wegen om langs ’t veld terug te gaan.

Meester Wouw wist ’t verstand van Moeder Pad niet. ’s Nachts, toen hij ging slapen, liet hij zijn weitasch hangen aan de deur van ’t huis dicht bij den grond. Moeder Pad, toen zij de weitasch zag, ’n sprong er in.

’s Morgens, toen de zon opgekomen was, Meester Wouw nam de weitasch, ging wandelen. Maar dien dag, ’t was heel warm en heet. Hij ging de rivier in, om een bad te nemen.

Moeder Pad kwam er uit, terwijl zij zegde: He, mijn vriend, ik ben er voor niet. Waar de voeten te klein zijn, de geest is niet te klein.

Kimpako. [5]

1 Schuld doen eten = geld leenen.↑

2 Zij had gedaan met haar hart = zij had er genoeg van.↑

3 In ’t droog seizoen steken de negers het gras in brand. Boven ’t vuur komen de roofvogels zwieren om muizen te vangen.↑

[Inhoud]

De Kameleon en de Muis1

Inhoudsopgave

De Kameleon en de Muis waren in twist. De Muis, toen zij den Kameleon uitdaagde, alzoo: Gij en ik, als wij gaan naar de markt, zoudt gij er rapper kunnen aankomen dan ik? Haast is met mij. Veel slepen is met u. Gij kunt er niet geraken.

De Kameleon antwoordde zoo: Ik kan wedden, laat ons wedden. Ik kom de eerste op den Nsona2.

De Muis alzoo: Wel, laat ons wedden. Ik ben gewonnen.

De dag van den Nsona was aangebroken, de dag was schoon. Alsdan vereenigden de Muis en de Kameleon hun geld om naar den Nsona te gaan. Te zamen vertrokken zij uit ’t dorp. De Kameleon telde langzaam, en altijd door, door, door. Maar de Muis begon hard te loopen: hare pooten stak zij uit, al hare krachten had zij vergaderd; op den top van den weg was zij heel ver voor. De oogen kwamen haar uit, zij was buiten adem.

De Kameleon volgde van achter; langzaam, langzaam mat zij, zij had geen hoop verloren van te winnen.

En zij gingen, zij gingen, zij gingen. [6]

De Muis was in de nabijheid van de markt gekomen, ’s morgens, toen er nog geen menschen waren3. Maar in haar zotheid wist zij de markt niet; zij ging door in de wegen die van de markt komen; daar was zij aan ’t dwalen.

Terwijl zij aan ’t dwalen en dwalen was, de Kameleon kwam op den Nsona; de menschen waren er vergaderd; zij zat neer, kocht hare zaken; zij bleef wachten naar haar, de Muis, of zij niet aankwam.

De markt was uiteengegaan. De Kameleon, zij alleen, bleef zitten. De Muis was aan ’t dwalen en dwalen. ’t Was noen geworden. Op de markt was zij niet te zien. Eindelijk kwam zij aan.

De Muis kwam op de markt aangeloopen, wijl zij uitriep tot den Kameleon: He, vriendin, groote pijn, groote pijn, ik zag de markt niet.

De Kameleon toonde hare zaken en zij was gewonnen.

Kisantu. [7]

1 Letterlijk Moeder Kameleon en Moeder Muis.↑

2 Nsona, vierde dag van de kongoleesche week, en ook de naam van de markt, die op dien dag valt.↑

3 ’s Morgens vroeg zijn er nog geen menschen op de markt te zien. Daarom kon de Muis de markt niet vinden.↑

[Inhoud]

De Muis

Inhoudsopgave

In ’t hol van eenen boom lag Moeder Muis te slapen. Terwijl zij rustte en rustte, maakten de kleine mieren haar wakker, die doorgingen door ’t hol. Zij spoedden zich en spoedden zich; zij gingen met haast en haast; zij droegen hunne zaken; zij gingen, zij kwamen terug; zij waren vol ijver en ijver, om hun huis te bouwen. Moeder Muis riep uit: He besten, he vriendinnen, waarom haast gij u zoo? Dat haasten, wat is ’t?

De kleine mieren, zij bleven niet stilstaan. Maar in hun voorbijgaan sprak een kleine Mier, ’t opperhoofd van allen, alzoo: Wij zijn slechts bezorgd om ons eten, wij zijn bezorgd om ons huis. De vogels zullen zoo onzen stam niet verdelgen. En gij, vreest gij den honger niet, vreest gij de slang niet?

Zij antwoordde, alzoo: Ik vrees niets; wij wandelen maar, wij eten, wij maken plezier.

Zoo sprak Moeder Muis.

Maar de kleine mieren gingen voorbij en gingen voorbij.

Met den eersten regen kwamen de vogels de kleine mieren vervolgen. Zij in hunne keuken waren gered.

In ’t hol ook van Moeder Muis, kwam een slang uit. Dat was hare dood, vermits zij geen huis had. Moeder Muis werd verslonden.

Was zij geen slang tegengekomen, misschien ware zij toch haren dood gestorven, ter oorzake van den honger.

Kisantu. [8]

[Inhoud]

De Palmboommuis en de Krabbe

Inhoudsopgave

De Palmboommuis en de Krabbe hadden te zamen gebouwd. Dat, dat was niet goed, vermits zij niet voorzichtig waren.

Op zekeren dag zegde de Palmboommuis tot de Krabbe: De ouden hebben geleerd ’s nachts alleenlijk te wandelen. Maar ik wil niet, wij wandelen in den dag. Vooruit, ik zal mijn palmnoten gaan zoeken.

En zij gingen. Dicht bij hun dorp, was er een palmnotenrist rijp.

De Palmboommuis had ’t gezien, zij was er opgeklommen om de palmnoten te snijden. De Krabbe kwam af, bleef staan onder den palmboom. Ga weg, vriendin, zoo deed ze opmerken, ga weg, misschien valt de palmnotenrist.

Stel u gerust, vriendin, zoo zegde de Krabbe; ik heb schelpen, ik kan niet sterven door dien palmnotenrist. Ik blijf hier van onder.

In ’t dorp juist was de vrouw van ’t opperhoofd maniok aan ’t stampen, terwijl zij haar liedje zong, alzoo: Maniok is hier, maar de kruiderijen waar zijn ze?1

Haar man, toen hij dit hoorde, nam zijn geweer, ging uit, ging zijn muizen schieten. Toen hij aan den palmboom [9]kwam, zag hij de Palmboommuis; hij legde zijn geweer aan, hij schoot.

De Palmboommuis at zijn poeder op2. De palmnotenrist, die afgesneden was, rolde naar beneden; zij de Krabbe werd vergruisd. Alle beiden stierven.

Waar zij hun dood gezocht hadden, daar vonden zij hem.

Kisantu. [10]

1 De negers zullen geen maniok eten, zonder een stukje vleesch of visch; makaya, noemen zij dat.↑

2 Werd getroffen.↑

[Inhoud]

De reizende Mieren en de kleine Mieren1

Inhoudsopgave

De reizende Mieren waren aan ’t twisten met de kleine Mieren, en zij zegden: Laat ons onze krachten beproeven. Wie kan er de huid van een mensch stelen, om ze op onze trommel te spannen?

De kleine Mieren namen het aan, en zij zegden: Laat ons ’t beproeven. Wij kunnen het.

Daarna speelden de reizende Mieren de oorlogstrommel2, vereenigden hunne bende, telden de soldaten, hunne tanden scherpten zij, om te gaan oorlog voeren met de menschen.

En zij gingen. Dicht bij ’t bosch kwam er een heele bende menschen aan, die naar de markt gingen.

De reizende Mieren stonden recht, bleven zich vasthechten aan de voeten van de menschen, om er een huid van een mensch af te stroopen.

Maar de menschen begonnen met hunne voeten te stampen: stampten de reizende Mieren plat, traden er over met [11]kracht, en gingen voorbij zonder eenig letsel. De reizende Mieren waren de pooten afgesneden, waren de keel af, gekneusd, gingen uiteen in ’t hooge gras, en gingen alzoo terug naar hun dorp.

De kleine Mieren hadden hun verstand uitgedacht. Aan den oever eener rivier dicht bij zijn dorp, ging een mensch zijne wonde afwasschen.

De kleine Mieren gingen hem volgen; de huid van zijn wonde die hij liet liggen, namen zij op, droegen haar, en spande ze op hun trommel.

De groote Mieren, toen zij afkwamen, vol verwondering: Onze krachten zijn niet gelijk aan de krachten van de menschen.

Maar de kleine Mieren toonden hun trommel en zegden: Verstand is genoeg, wij zijn gewonnen.

Kisantu. [12]

1 Nsalafwa = groote en zwarte mieren. Een heele bende.—Er zijn gendarmen bij, die niets dragen. Zij zijn de bewakers langs den weg, zij staan recht om den vijand aan te vallen; intusschentijd gaan de andere mieren door, met ’t eten geladen.

Binonia = kleine mieren.↑

2 Mondo, oorlogstrommel, die akelig weerklinkt.↑

[Inhoud]

De Krab met haren platten rug

Inhoudsopgave

Moeder Krab en Moeder Palmboommuis hadden vriendschap gesloten; zij gingen hun eten zoeken. In ’t bosch hadden zij hunnen palmnotentros gevonden.

Moeder Krab, alzoo: He, Moeder Palmboommuis, gij zijt de oudste, klim op, snijd den palmnotentros af, ik zal hem vatten.

Moeder Palmboommuis, toen zij opgeklommen was, toen zij afgesneden had, beval alzoo: Moeder Krab, vat den palmnotentros.

Moeder Krab, alzoo: Ik zal een kussentje1 gaan halen op den berg.

En zij ging, zij zag Meester Boog, alzoo: He, Meester Boog, zoo gij Moeder Palmboommuis zaagt, die boven op den palmboom zit, zoudt gij haar schieten?

Hij, toen hij sprak, alzoo: Schieten, ik schiet haar.

Zij ging op een andere plaats; zij zag Moeder Witte mier, alzoo: He, Moeder Witte mier, zoo gij Meester Boog zaagt, zoudt gij hem aanaarden?

Moeder Witte mier, alzoo: Aanaarden, ik aard hem aan. [13]

Zij ging weer elders, zij zag Meester Haan, alzo: Meester Haan, zoo gij Moeder Witte mier zaagt, zoudt gij ze pikken?

Meester Haan zegde zoo: Pikken, ik pik ze.

Zij ging elders, en ging zien naar Meester Steenmarter, alzoo: Meester Steenmarter, zoo gij Meester Haan zaagt, zoudt gij hem pakken?

Meester Steenmarter, alzoo: Pakken, ik pak hem.

Zij ging elders om Meester Hond te zien, alzoo: Meester Hond, zoo gij Meester Steenmarter zaagt, zoudt gij hem vatten?

Meester Hond, alzoo: Vatten, ik vat hem.

Dan toen zij allen te zamen gekomen waren, Meester Hond vatte Meester Steenmarter; Meester Steenmarter pakte Meester Haan; Meester Haan pikte Moeder Witte mier; Moeder Witte mier werd kwaad, aardde Meester Boog aan; Meester Boog werd kwaad, liet den pijl los; de pijl trof Moeder Palmboommuis, die den palmentros liet vallen, die viel Moeder Krab op den rug, en alzoo had Moeder Krab haren rug plat.

Zoo zij niet was gaan zien naar de menschen, dat zij kwamen om Moeder Palmboommuis te schieten, dan zou zij haren rug niet plat gehad hebben.

Kimpako. [14]

1 Een kussentje leggen zij boven den kop, om eene vracht te dragen.↑

[Inhoud]

De Hond die den Egel misprijst

Inhoudsopgave

Meester Hond en Meester Egel en Moeder Pad en Meester Patrijs en Meester Papegaai, toen zij vereenigd waren, om koophandel te drijven, alzoo: Vooruit, wij gaan koophandel drijven.

Zij verzamelden een langen dragerskorf eten. En zij trokken op. Maar het land waar zij gingen handel drijven, was ver. Zij waren gekomen op halven afstand; ’t eten, dat zij medegedragen hadden, was op. Toen kwamen zij aan een verlaten dorp. Meester Papegaai, toen hij een nog niet rijpen palmnotenrist op een palmboom zag, zegde zoo: Wij allen, wij wachten hier tot dat die palmnotenrist op die palmboom rijp is, ik zal de palmnoten eten en dan vervolgen wij onzen weg.

Zij kwamen allen te zamen, zij bleven daar drie maanden. Die palmnotenrist, toen hij rijp was, at Meester Papegaai hem op en dan: Laat ons optrekken.

Zij gingen weg. En zij gingen, zij gingen, zij gingen; zij kwamen een beetje verder dan halfweg.

Meester Patrijs zegde zoo: Voor mij, steekt dit groot stuk gras in brand; met den eersten regen, die er opvalt, zal het jonge gras opschieten, ik eet. En dan zullen wij weggaan.

Zij staken ’t gras in brand, de eerste regen viel, ’t jonge gras schoot op en Meester Patrijs die at. [15]

Zij gingen weg, en zij gingen, zij gingen, zij gingen.

Moeder Pad, alzoo: Voor mij ook, kapt die nkambaboom1 af. Als hij rot geworden is, zullen de witte mieren hem aanaarden en ik eet de witte mieren op. En dan zullen wij weggaan.

Toen zij den nkambaboom hadden afgehakt, toen hij was verrot, aardden de witte mieren hem aan. En Meester Pad, die at de witte mieren op, en sprak zoo: Laat ons optrekken.

En zij gingen weg, en zij gingen, zij gingen. Toen zij heel wijd aankwamen, Meester Egel alzoo: Voor mij ook, verbrandt dit stuk gras. De madiadia2 schieten weer op, en ik eet. Toen staken zij ’t gras in brand, de madiadia schoten op, en Meester Egel toen hij gegeten had, sprak alzoo: Nu vooruit!

Zij stonden op, gingen weg, en gingen; zij waren heel ver.

Meester Hond, alzoo: En voor mij, gaat hout rapen, gij allen. Ik droog mijn neus boven ’t vuur; als hij gedroogd is, dan gaan wij weg. Zoo zijn wij allen gelijk.

Zij, alzoo: ’t Is goed. Blijf gij hier, Meester Hond, wij gaan om hout.

Meester Patrijs en Meester Papegaai: He, wij twee, wij rapen afzonderlijk.

Meester Egel en Moeder Pad langs hunnen weg gingen hout rapen. Toen zij mutsaarden hout geraapt hadden, toen zij kwamen, maakten zij een groot vuur, het vuur knetterde en knetterde. [16]

Zij alzoo: A! Meester Hond, nu kom af, kom, droog uw neus.

Meester Hond, kwam af, zat op zijn hurken dicht bij het vuur, en zij maar altijd hout aan ’t in werpen; de neus, hij wilde drogen; maar zij, wanneer zij ergens anders keken, lekte Meester Hond zijn neus, en hij was weer aan ’t loopen, aan ’t loopen.

Maar zij, aan ’t hout werpen, waren zij bezig. De neus van Meester Hond droogde en hij droogde niet.

Zij alzoo: Nu en langen tijd geleden, zijn wij begonnen, den neus van Meester Hond drogen wij, hij is bijna droog, en toch hij droogt niet, loopen doet hij; onze koppen doen zeer; altijd hout in werpen, en hout in werpen.

Meester Patrijs en Meester Papegaai kwamen met malkander in akkoord. Meester Papegaai, alzoo: Gij, Meester Patrijs, wij vluchten; laat ons het zeggen aan Meester Egel en Moeder Pad. Indien zij naar ons niet luisteren, wij, wij vluchten.

Meester Pad en Moeder Egel, toen zij kwamen, allen waren vereenigd.

Meester Patrijs zegde hun alzoo: Gij, Ouden3, de neus van Meester Hond, wij drogen, wij drogen. Vandaag, ’t is nu twee maanden. Hij, zoo gij ziet, hij droogt niet. Wel, blijven wij hier dus? Wij gaan vluchten, grooten honger, ’t eten is op.

Meester Egel, alzoo: Laat ons gaan, om het aan Meester Hond te vragen; wel vooruit. Indien hij iets tegenwerpt dan vluchten wij.

Zij alzoo: ’t Is wel, vooruit naar Meester Hond.

Toen kwamen zij en zegden aan Meester Hond, alzoo: Meester Hond, laat dit lastig werk varen. [17]

Meester Hond alzoo: A, en waarom? Wij allen, toen wij op weg gekomen zijn, was het geen lastig werk, dat gij gevraagd hebt? Gij, Meester Papegaai, gij hebt uwe palmnoten gegeten; gij, Meester Patrijs, gij hebt uw jong gras gegeten; gij, Meester Pad, hebt den nkambaboom doen kappen; toen hij rot was, at gij de witte mieren; gij, Meester Egel, hebt dat stuk gras in brand gestoken, die felle struiken van gras; de madiadia, toen zij weer geschoten waren, gij at ze op. En nu willen wij vertrekken. Maar ik? Droogt mijn neus, dat hij droog worde. Dan zullen wij vertrekken. Indien hij niet droog wordt, geen mensch mag hier weggaan.

Meester Patrijs en Meester Papegaai, alzoo: He Meester Egel, he Moeder Pad, wij hadden eten, ’t is op. En wij zouden hier blijven! Eenieder, die hier blijft, ziet, hoe wij optrekken. Als hij ons vat, dat hij ons ete.

Meester Patrijs en Meester Papegaai stegen naar boven op.

Moeder Pad en Meester Egel vluchtten langs den grond weg.

Meester Hond, alzoo: Gij allen, die geëten hebt, wel, ik doe mijnen neus verdrogen, en nu volhardt gij daar niet in. Gij zijt weggeloopen. Ik zal volgen waar Meester Patrijs en Meester Papegaai gevlucht zijn.

Toen hij ze volgde, langs den hemel gingen zij.

Meester Hond, alzoo: Die niet, neen. Indien ik volhoud ze te volgen, ik lijd voor niet; ’t is niets gekort, en ik kom er af als een zot. Ik trek er van onder; ik volg waar Meester Egel en Moeder Pad vluchten.

Toen hij aan de deur van Moeder Pad kwam, wilde hij Moeder Pad vastgrijpen; maar zij had schelpen op den rug.

Meester Hond sprak: He, den dood zou ik zoeken voor niet. [18]

En hij liet Moeder Pad daar.

Dus volg ik Meester Egel tot aan zijn deur.

En hij volgde, hij volgde; hij greep Meester Egel4 vast, hij doodde hem. En hij at hem op. Meester Hond sprak deze wet uit, alzoo: Gansch onze hondenstam, jagen en jagen5. Als wij de familie van de boschdieren tegenkomen ofwel de familie der egels, ofwel de familie van andere dieren, wij volgen maar, van ’t begin van ’t jaar, tot op ’t einde van ’t jaar. Zoo zijn wij met hen.

Spreekwoord van Meester Hond: Wild der bosschen jagen!

Sedert dien dag is Meester Hond in twist met Meester Egel. Tot op dezer dagen nog, hebben zij geen vriendschap meer gesloten.

Een egel, die een hond tegenkomt, is dood, niet levend.

Mbengo. [19]

1 Schoon en sterk hout, dat op onzen eik trekt.↑

2 Madiadia = soort van dik en lang gras, groeit gewoonlijk in de valleien en wordt soms wel vijf meters hoog.↑

3 Eeretitel.↑

4 Egel = soort van knagend dier; in Kongo heeft het geen stekels.↑

5 In Kongo dient de hond alleen om ’t wild te jagen.↑

[Inhoud]

De Patrijs en de Papegaai1

Inhoudsopgave

De Patrijs en de Papegaai, alle twee sloten vriendschap. Op zekeren dag sprak de Papegaai, alzoo: He, Patrijs, laat ons gaan wandelen in ’t verlaten dorp2, misschien zien wij er onze palmnoten3.

De Patrijs, alzoo: ’t Is wel mijne moeder4, vooruit!

Toen gingen zij naar ’t verlaten dorp. De Patrijs zag een palmnotenrist op een grooten palmboom. Hij was rijp.

De Patrijs, alzoo: He, Meester Papegaai, welaan, klim op dien palmboom; ga palmnoten aftrekken, dat wij eten!

De Papegaai zegde, zoo: Laat ons gaan, moeder. Gij, blijf hier staan aan den stam van den boom.

En zij gingen. De Papegaai, toen hij op den palmboom geklommen was, trok palmnoten af. Hij, terwijl hij at, wierp er naar de Patrijs, die op den grond was. En zij at ook.

De Patrijs, alzoo: He, Meester Papegaai, doe er nog [20]een palmnoot bij. Die kleine versukkelde, versukkelde werpt gij mij. De groote palmnoten eet gij op.

De Papegaai, alzoo: Dus kom dichter bij den stam, kom vatten die ik werp.

De Patrijs, toen zij dicht bij den stam van den palmboom gekomen was, sprak, alzoo: Wel, Meester Papegaai, werp mij een palmnoot; ik ben nu gekomen.

De Papegaai, toen hij er eene afgetrokken had, mikte waar de Patrijs nader was gekomen en met de palmnoot trof hij haar op de voeten: de voeten van de Patrijs werden rood.

De Patrijs, alzoo: Wel! Gij, ziet gij, Meester Papegaai, ik hoe gij mij gemaakt hebt, mijn voeten zijn rood. Gij, gij zijt schuldig.

De Papegaai, alzoo: Mijne moeder, ik ben hier boven, ik weet het niet. Werpen zonder inzicht heb ik de palmnoot geworpen; ik heb u niet bedoeld, mijne moeder.

De Patrijs zegde zoo in haar zelven: Indien ik niet verstandig ben, zou ik mij daarover niet wreken? Wacht! Ik zal een palmnoot verbergen in mijn zaksken van mijn paan.

Daarna sprak zij: He, Meester Papegaai, kom af, laat ons gaan, mijne moeder.

De Papegaai, alzoo: Ik kom af, ik daal beneden.

Toen kwam hij. Toen hij kwam op den grond, alzoo: Soto5, kwam de Patrijs hem vastpakken.

Dan vochten zij en vochten en vochten; de Patrijs nam een stok en sloeg hem op den kop van den Papegaai.

De stok ging recht tot op den bek van den Papegaai. En de bek werd krom; hij keek omlaag.

De Papegaai, alzoo: E ngwa mono tata! He, moeder ik vader6! Gij hebt mij mismaakt. Mijn mond was recht [21]en nu is mijn mond krom. Vandaag zeker gij en ik, hier sterven wij.

En zij vochten en vochten en vochten. De Patrijs tastte in haar zaksken en zij nam de palmnoot. Toen begon de Papegaai te vluchten.

De Patrijs mikte de palmnoot waar de Papegaai ging loopen tot op zijn staart, alzoo: Te7. De staart van den Papegaai werd rood. En zij verwijderden zich.

De Patrijs, alzoo: Gij, Meester Papegaai, vermits gij mijn pooten rood gemaakt hebt, wij wandelen niet meer met u op een zelfden weg.

De Papegaai sprak ook, alzoo: Ik, vermits gij mijn staart hebt rood gemaakt en gij mijn mond gekromd hebt den dood sterven wij, gij en ik. Gij, gij eet afzonderlijk; ik, ik zal afzonderlijk eten.

Sedert dien tijd hebben de Papegaai en de Patrijs hun oude vriendschap verbroken; zij wandelen een zelfden weg niet meer.

Mbengo. [22]

1 Ngumbi = Patrijs met roode pooten.

Nkusu = de kongoleesche papegaai is grauwachtig met rooden staart.↑

2 Op een vwoka (verlaten dorp) staan vele palmboomen.↑

3 De palmnoten, als zij rijp zijn, zijn rood.↑

4 Eeretitel.↑

5 Soto = val, gelijk de vogels vallen op den grond.↑

6 Uitroepingen van verwondering.↑

7 Te = gerucht van iets dat botst.↑

[Inhoud]

De Paling en het Water

Inhoudsopgave

Een mensch had zijn vischfuik geplaatst en de Paling werd er in gevangen. De Paling sprak, alzoo: He, Water, ik ben gevangen.

Het Water, alzoo: Gelief zoo droevig niet te huilen, want eens komen wij weer te zamen.

En men vatte den Paling. En hij sprak weer, alzoo: He, beste Vader Water, ik ben gegaan!

Het Water, alzoo: Waarom spreekt gij alzoo, Vader Paling? Wij komen immers weer te zamen.

En men ging naar ’t dorp, en men braadde den Paling.

Hij, alzoo: He moeder, men braadt mij.

Het Water, alzoo: He, Vader Paling, waarom zegt gij dat. Zeg dat niet meer; het sterven, hebt gij het alleen niet gezocht?

En men braadde den Paling.

De Paling sprak weer, alzoo: He, Water, ik ben op een palmlat gestoken, vader.

En hij huilde en huilde, alzoo: He, moeder, ik ben dood; he, moeder, ik ben op een palmlat gestoken.

Het Water, alzoo: Zeg dat niet meer; waar gij gaat, zullen wij malkander tegenkomen.

De Paling verdroogde op de palmlat. [23]

En men legde den Paling in ’t water, om hem te doen opzwellen, en daarna om hem op te eten.

Maar de Paling sprak, alzoo: He, moeder, men heeft mij in ’t water gelegd om mij te doen opzwellen.

Het Water sprak in de kruik: Zeg dat niet; en gij en ik wij zijn te zamen.

Men at den Paling. Maar de Paling sprak, alzoo: He, moeder, ik ga er in.

En men at den Paling. Daarna dronk men water.

Naar binnen was de Paling gegaan. En het Water en de Paling kwamen te zamen, en zij zagen malkander.

Ndanda. [24]

[Inhoud]

De Rat en de Gazelle

Inhoudsopgave

Zij hadden hun dorp gebouwd, alle beiden. Veel geiten en verkens en kiekens hadden zij.

Op zekeren dag, toen zij alle twee naar de markt waren, in hun dorp waren twee maagden toegekomen. Zij waren hunne vriendinnen.

De Rat en de Gazelle, toen zij dat hoorden, kwamen af, en kwamen hunne vriendinnen tegen in hun dorp. Zij verdeelden onder malkander eten, en zij stelden den dag, wanneer zij weer zouden terugkomen.

De maagden, zij gingen.

De Gazelle, alzoo: He, Moeder Rat, laat ons eten.

De Rat, alzoo: ’s Avonds eten wij; dezen avond eten wij, mijne moeder1!

De Gazelle, alzoo: ’t Is wel.

De avond, toen hij gevallen was, in een ander dorp had men den ngoma2 boven ’t vuur verwarmd, en hij weergalmde en weergalmde3.

De Rat, alzoo: He Gazelle, laat ons gaan, wij dansen, [25]de trommel weergalmt. Als wij terug komen, dan zullen wij eten.

De Gazelle wist ’t verstand van de Rat niet. Zij gingen naar den dans. En zij dansten en dansten en dansten. De dans was uiteengegaan. En zij trokken terug naar hun dorp.

Maar toen zij aan de rivier kwamen, de Rat, alzoo: He, Gazelle, eten en een bad nemen, ’t eerste was is ’t? Wat moet men eerst doen? De Gazelle, alzoo: Alle twee, ’t zelfde.

De Rat, alzoo: Wel, Gazelle, eerst en vooral neem een bad, gij eerst.

De Gazelle liet zich drie keeren in ’t water vallen.

Daarna viel de Rat ook; maar hij boorde een weg onder de aarde tot aan hun huis. En daar gekomen at zij al ’t eten op, dat de maagden gegeven hadden.

En de Gazelle bleef daar staan op den boord van de rivier, en dien avond aan ’t roepen en roepen op de Rat.

Maar de Rat, zij was niet te zien. Eindelijk kwam de Rat aan.

De Gazelle vroeg haar: Waar zijt gij zoolang geweest, waar is ’t?

De Rat, alzoo: Wees gerust, Gazelle, mijn moeder; onder een steen lag ik. En nu vooruit, laat ons nu gaan eten.

Zij gingen; zij maakten hun huis los; zij staken vuur aan; zij zagen naar ’t eten, ’t was er niet. Zij sliepen.

De Gazelle, toen zij ging denken op hare dingen, die verloren waren, dacht ook verstand uit. Zij ging een tooverbeeld halen bij den tooveraar. Men zegde haar, alzoo: Plaats het aan den dorpel. Ieder dief, die iets wil stelen, het tooverbeeld zal hem vastgrijpen.

De gestelde dag was aangebroken. De maagden ook kwamen af en zij brachten hunne geschenken. De Gazelle [26]en de Rat hadden alles aangenomen. Zij zonden de maagden terug.

De avond was gevallen. De trommel weergalmde weer en zij trokken op om te dansen. ’t Dansen was gedaan, en zij gingen terug naar hun dorp. Zij namen weer een bad, en de Rat volgde haren weg tot in hun huis. Toen zij wilde maniok eten, een jongeling riep haar, alzoo: Hum, hum, hum.

Zij, zij zag om en vroeg: Wie zijt gij?

En hij: Kom, laat ons eten.

De Rat dacht een mensch. Zij wist niet dat het een tooverbeeld was. De Rat, toen zij hem vastpakte, het tooverbeeld sprak.

De Rat gaf ’t tooverbeeld een slag op de kaak. Maar hare hand bleef zich vasthechten aan ’t lijf van ’t tooverbeeld.

De Rat werd kwaad: Laat mijn hand los, ofwel ik sla u met die, die overblijft.

Het tooverbeeld antwoordde: Wel, sla maar, hoort ge!

En zij sloeg weer! En hare hand bleef zich vasthechten en vasthechten.

Laat mijne hand los, of ik geef u een schop.

Wel, sla maar!

En zij sloeg, en haar voet bleef vastgehecht.

Alzoo bleef heel haar lichaam vast aan ’t lijf van ’t tooverbeeld. En de Rat viel in ’t vuur, en zij werd zwart en zwart verbrand. En zij stierf.

Toen de Gazelle opklom naar boven, want aan ’t water wachtte zij en wachtte. Toen zij er genoeg van had, kwam zij naar haar dorp. Zij kwam ’t huis binnen en zij zag de Rat, die gestorven was, en haar lijf aan ’t tooverbeeld vastgehecht. [27]

Het tooverbeeld, alzoo: He, vader4, spoed u, ik heb ze vast, de diefegge!

Toen de Gazelle kwam, had ’t tooverbeeld zich rondgeslingerd om ’t lijf van de Rat, en de Rat was gestorven5.

De Gazelle stond op; vertrok met al hare zaken, en ging een ander dorp bouwen.

Kibangu. [28]

1 Eeretitel.↑

2 Inheemsche trommel.↑

3 Bij maneschijn danst men in alle dorpen. De inheemsche trommels weergalmen soms uren wijd, vooral als men ze boven ’t vuur verwarmt.↑

4 Eeretitel.↑

5 Verhaal, waarmede de ouden schrik inboezemen aan de jongeren om de tooverbeelden te eerbiedigen, en tevens om niet te stelen.↑

[Inhoud]

De Pad en de Patrijs

Inhoudsopgave

De Patrijs trouwde zijne vrouwen; hij trouwde eerst Ngoni, Mbendi, Nkusu, Kiebu, Nkankala, Kimbwa, Tonga, Nketinsala, Kitaya1, op ’t laatste trouwde hij de Pad. En hij stelde den dag, alzoo: Toekomenden Nsona2, komt allen af.

De Nsona was gekomen; allen hadden kiekens voorbereid, anderen verkensvleesch en anderen geitenvleesch. De Pad had maniokbladeren en luku3 gereed gemaakt, en de luku was gansch zwart4.

En zij gingen naar de plaats, die de Patrijs aangeduid had. Eerst en vooral hief de Ngoni haar lied aan, alzoo: He, Meester Patrijs, Meester Patrijs, ik, de Ngoni, uw beminde vrouw, ik roep u, antwoord mij: Ke, ke5, antwoord mij, Patrijs.

Zoo ieder op zijne beurt, zongen al de vrouwen.

De Pad zong ook haar lied.

Dat bleef duren alzoo, zes dagen lang. [29]

Den zevenden dag, sprak de Patrijs, alzoo: He, mijne vrouw Pad, snijd mijn haar.

De Pad nam ’t mes, sneed zijn haar, alzoo: Hef uwe keel omhoog. En zij sneed Meester Patrijs den hals af. De Patrijs viel daar.

Maar de Pad ging hem verbergen in ’t hooge gras, en zij trok op.

Den volgenden Nsona, kwamen al de vrouwen weer bijeen op dezelfde plaats.

Eerst en vooral, sprak de Ngoni, alzoo: He, Meester Patrijs, Meester Patrijs, ik, de Ngoni, uwe beminde vrouw, ik roep u, antwoord mij: Ke, ke, antwoord mij, Patrijs.

Allen op hunne beurt hadden geroepen.

Maar de Patrijs antwoordde niet. En zij aan ’t weenen en weenen.

Dan sprak een klein vogel van boven op een boom, alzoo: Wat zijt gij aan ’t weenen? Daar, achter dien boom, daar ligt uw echtgenoot.

Zij allen, zij vielen aan ’t zoeken naar hunnen echtgenoot.

Zij vonden hem onder ’t hooge gras.

Allen dan aan ’t huilen, zij huilden, alzoo: Vooruit wij allen naar den stroom, wij gaan vergift innemen6. Vereenigt uwe familie. Ieder mensch met zijne familie.

Allen waren vereenigd op den boord van den stroom. Eerst en vooral zong de Ngoni haar lied, alzoo: Zoo ik, Moeder Ngoni, Meester Patrijs heb gedood, dat ik in ’t water duike en onderga, en dat de stroom mij verdelge!

En de Ngoni zwom den stroom over.

Al de andere zwommen er ook over.

Maar de Pad, toen het hare beurt was om te zingen, [30]toen zij gezongen had, en de rivier wou overzwemmen, duikte zij onder ’t water en kwam niet meer boven.

Al de vrouwen waren dus gered, zij waren niet schuldig; ’t was zij alleen de Pad.

De Pad ging rivierafwaarts en werd gevangen in de vischfuik van Nsiesa7. Meester Nsiesa, toen hij ging naar ’t water, toen hij de fuik ledigde, vond de Pad erin. Hij droeg haar naar zijn dorp, deed hare schelpen van haar lijf; kleedde haar aan met een vrouwspaan, en nam haar als zijne vrouw aan. En hij deed haar in zijn huis binnen.

Nsiesa, wanneer hij ging wandelen, zij de Pad, waar zij bleef, ging waar de jongelingen waren; zij hief daar haar lied aan, alzoo: Ik, ik trouw de Rat Nsiesa niet, zijne voeten zijn te mager.

Alle dagen was het alzoo.

Op zekeren dag, ging een kleine van Nsiesa zich verbergen achter de verandah van ’t huis, waar de Pad kwam bij de jongelingen. Deze hief weer haar lied aan. Maar Nsiesa, toen hij terugkwam, de kleine vertelde hem alles.

En Nsiesa, toen hij dit hoorde, werd kwaad; nam de schelpen terug en legde ze weer op ’t lichaam van de Pad en droeg haar terug naar den stroom, van waar zij gekomen was.

Boko. [31]

1 Namen van muizen.↑

2 Nsona = vierde dag van de kongoleesche week.↑

3 Luku = maniokbrood.↑

4 Slecht en bedorven maniokbrood.↑

5 Geschreeuw van de Patrijs.↑

6 Middel, om te weten wie schuldig is.↑

7 Soort van rat.↑

[Inhoud]

De Gazelle en de Luipaard

Inhoudsopgave

De Gazelle had haar dorp gebouwd, afzonderlijk; de Luipaard ook afzonderlijk. Maar zij bleven een heelen tijd zonder werk.

De Gazelle had haar werk weer herbegonnen, om palmwijn te trekken; zij maakte de palmboomen schoon, wel twintig, en hing aan hare palmboomen kalebassen.

De Luipaard, toen hij hoorde dat de Gazelle haren palmwijn aftrok, sprak aldus: Morgen ga ik naar ’t dorp van Moeder Gazelle.

De dag was klaar geworden. Hij kwam in ’t dorp van de Gazelle, om te zien hoe zij palmwijn trok.

Maar de Gazelle vond verstand uit: zij deed al hare kruiken van de palmboomen af, en hing ze aan de bananenplanten.

De Luipaard vroeg: He, Gazelle, de palmwijn, dien gij drinkt, is ’t daar dat hij uitkomt?

De Gazelle antwoordde: Een toovermiddel heb ik om palmwijn te trekken.

De Luipaard zegde: Geef mij dat, ik ook, ik zou willen palmwijn trekken, Moeder.

De Gazelle zegde zoo: Als gij dat neemt, waar gij gaat, kijk toch niet om. Indien gij omziet, uw toovermiddel sterft. [32]

De Luipaard ontving dat toovermiddel, en hij ging naar zijn dorp. Terwijl hij ging, achtervolgde hem de Gazelle met hoesten; hij keek om; zij zei alzoo: Een kruiksken palmwijn zult gij betalen voor mijn toovermiddel, niet waar!

Hij: Ja, ja; en hij ging en ging naar zijn dorp. Hij maakte bananenplanten schoon, hij hing zijne kruiken er aan.

’s Morgens vroeg, den volgenden dag, ging hij zijne kruiken afdoen; hij klom op de banaanplant; hij schudde met de kruiken; zij spraken: Tsaka, tsaka1!

Hij, de Luipaard was verwonderd, en hij zegde: Zij, de Gazelle, bedrogen, zij heeft mij bedrogen.

Hij ging waar de Gazelle was, wijl hij zegde: He, Gazelle, gij, bedrogen hebt gij mij, moeder; ik heb de bananenplanten schoon gemaakt; ’k heb er mijn kruiken aan vastgehecht; maar niet een lekske palmwijn, ik heb het niet gezien.

De Gazelle zegde hem zoo: Gisteren, toen gij weggingt, hebt gij omgekeken; ga weer terug en hang uw kruiken er aan, en niets zult gij hebben; ’t toovermiddel is immers gestorven.

Maar de Luipaard wist ’t verstand niet van de Gazelle om palmwijn te trekken.

Kizinga. [33]

1 Gerucht van iets dat ledig is.↑

[Inhoud]

De Gazelle die veel verstand heeft

Inhoudsopgave

De Gazelle was in vijandschap met den Luipaard. Hij, de Luipaard, hij vervolgde en vervolgde de Gazelle; de Luipaard wilde de Gazelle dooden; maar de Gazelle, zij vluchtte en vluchtte den Luipaard.

Op zekeren dag was de Gazelle in haar dorp teruggekomen: zij had haar werk begonnen; zij vervaardigde hare fuiken; zij legde ze in ’t water dicht bij haar dorp. De regen was gevallen; de Gazelle ging uit om middernacht: zij ledigde de visschen uit hare fuiken, en zij kwam terug en legde de visschen in al hare fuiken. De zon was opgestaan, ’t was klaar geworden. De Luipaard kwam in ’t dorp van de Gazelle; hij zag de Gazelle, die bezig was hare visschen te tellen.

De Luipaard sprak, alzoo: He, Gazelle, die visschen, waar gaat gij ze halen?

Moeder Gazelle toonde een fuik onder een banaanplant; kwam, ledigde die fuik, en schudde ze uit, en zag groote visschen. De Luipaard zegde, zoo: He, Gazelle, geef mij ook dat toovermiddel.

De Gazelle, alzoo: Waar gij gaat, kijk niet om!

De Luipaard ging; de Gazelle volgde den Luipaard, zij schudde met ’t hooge gras. En de Luipaard vergat ’t verbod dat de Gazelle hem had voorgeschreven: hij [34]zag om bij vergissing, en hij dacht: Ach! De Gazelle heeft het mij verboden.

En hij zegde: ’t Is niets.

Hij ging; hij deed, gelijk de Gazelle het hem bevolen had. De regen viel, hij ging waar hij de fuiken had gespannen; hij ledigde ze, maar er was niets in; hij wist niet hoe de Gazelle deed met haar verstand; hij kwam terug bij de Gazelle, en hij zegde: He, Gazelle, ik heb niets gevangen.

Zij antwoordde: Gij hebt omgekeken.

De Luipaard alzoo: ’t Is waar.

De Gazelle had gelijk; maar hij, de Luipaard wist niet hoe de Gazelle haar verstand toonde. Want zij de Gazelle bedrogen, zij had hem ook bedrogen.

Kinlau. [35]

[Inhoud]

Looze streek van de Gazelle

Inhoudsopgave

De Luipaard had tien kinderen gebaard. Wandelen, hij wandelde om eten te zoeken voor zijne kinderen. Toen kwam de Gazelle in ’t dorp van den Luipaard aan; zij, toen zij hare oogen richtte vóór ’t huis, zag een jonge maagd van den Luipaard, die de kinderen verzorgde. De Gazelle ging ’t huis binnen, waar de kinderen van den Luipaard waren, en zij zegde tot de jonge maagd van den Luipaard, alzoo: Neem dezen sprinkhaan, en bereid hem mij boven ’t vuur.

En de jonge maagd nam hem aan, en legde hem boven ’t vuur. Maar zij, de Gazelle, zegde zoo: Mijn sprinkhaan, dat hij niet verbrande!

En zij gingen zich neerzetten, zij vielen aan ’t vertellen. En zij vertelden en vertelden. Zij, de jonge maagd, wien men den sprinkhaan bevolen had, toen zij ging zien naar ’t vuur, de sprinkhaan was verbrand. Zij zegde, zoo: He, Gazelle, de sprinkhaan is verbrand.

De Gazelle antwoordde: Ik heb het u gezegd; mijn sprinkhaan, dat hij niet verbrande! Maar geef een kind van den Luipaard, dat wij het opeten!

De jonge maagd, toen zij dat hoorde, nam een kind.

De Gazelle zegde zoo: Bereid het boven ’t vuur, wij eten het op.

Zij bereidden het voor, en zij aten het. De Gazelle ging naar haar dorp terug. [36]

De Luipaard, toen hij kwam, vroeg aan de jonge maagd: Tel mijne kinderen.

Zij telde tien kinderen, bij het tellen waren zij er. Maar hij, de Luipaard, hij wist niet, of zijne kinderen er waren. Maar zij waren er allen niet.

Op een anderen dag kwam de Gazelle weer in ’t dorp van den Luipaard, toen hij aan ’t wandelen en wandelen was; zij kwam ’t huis binnen waar de kinderen van den Luipaard waren. Zij beval weer aan de jonge maagd, een sprinkhaan voor te bereiden: Mijn sprinkhaan, dat hij niet verbrande!

En zij zaten neer, en zij vertelden en vertelden. Maar de sprinkhaan was verbrand, en de Gazelle zegde: Neem een kind van den Luipaard, wij eten het op!

En zij aten het op. En alzoo verdwenen al de kinderen van den Luipaard, alle tien.

De Luipaard, toen hij van ’t wandelen terugkwam, kwam terug in zijn huis, en hij zegde: Tel mijne kinderen. En de jonge maagd telde zijne kinderen. En zijne kinderen waren er alle tien, maar slechts bij het tellen.

Toen hij weer gewandeld had, kwam hij in zijn dorp terug. Zijn huis stond wijd open. De Luipaard begon te weenen; de tranen vielen over zijne wangen; hij kwam buiten, hij zocht naar de jonge maagd; op den weg struikelde hij1! En in zijn hart kwam gramschap, vele gramschap op; hij kwam terug in zijn huis; hij vatte een hak, hij ging een stuk hout losmaken, hij vond zijn jonge maagd en hij doodde haar.

Alzoo waren al de kinderen van den Luipaard verdwenen.

Kinlau. [37]

1 Struikelen op den weg is een teeken dat er iets slecht gebeurd is.↑

[Inhoud]

De Gazelle die leeft

Inhoudsopgave

De Gazelle, de Rat, de Luipaard en de Boa hadden vriendschap gesloten en ’t akkoord gemaakt hun wild te verdeelen onder malkander. Op zekeren dag, toen zij gejaagd hadden, schoten zij veel wild; zij gingen het in stukken hakken.

Zij bevolen aan de Gazelle, alzoo: Kom, klim op dien palmboom, snijd een palmtak af, wij dragen ons vleesch.

Maar de Gazelle, alzoo: Ik kan dat niet, ik heb geen nagelen om er op te klimmen.

De Rat ging opklimmen, maar zij viel.

Wel, klim gij Luipaard, gij hebt sterke nagelen, snijd een palmtak af, wij dragen ons vleesch.

De Luipaard klom rap, rap op den boom; hij wilde zich aan een palmtak vasthouden, maar de palmtak was glad, zijn hand gleed uit, hij viel op den grond en bleef daar liggen, uitgestrekt in ’t hooge gras.

Is hij daar niet dood? zoo vroeg de Gazelle.

Alle drie te zamen, riepen uit: Dood, hij is dood, wij eten ons vleesch op. Wij zijn verlost van den Luipaard.

De Gazelle, de Rat en de Boa hakten hun vleesch in stukken, om het te verdeelen. Maar er was geen vuur, om ’t vleesch voor te bereiden.

In de velden, aan den anderen kant der rivier, zag men rook van vuur opstijgen in den hoogen hemel. [38]

Zij bevolen aan de Gazelle, alzoo: Welaan, Gazelle, ga ons vuur halen.

De Gazelle ging. Maar zij verdween in ’t hooge gras, en hield zich verborgen. Zij hield zich stil en ging dan terug, alzoo: Zij hebben mij weggejaagd; aan mijn groote lichaamsgestalte hebben zij mij herkend. Ga, gij Rat, gij zijt van kleiner gestalte.

De Rat ging. Maar toen zij dicht bij ’t vuur kwam, hoorde zij een hond bassen. De Rat liep weg, kwam terug en zegde: Ik ook, ’t vuur, ik kan het niet.

De Gazelle zegde dan: Zet u neer, Rat, wij sterven niet voor niet. Ga, gij Boa, gij glijdt en glijdt langs de aarde, gij kunt niet gezien worden.

Maar daar de Boa geen armen had, bond men hem droog gras aan den staart, en zij zegden, alzoo: Als gij vuur neemt en het aansteekt aan het droog gras, haast u dan, en kom hier terug.

De Boa ging, stak vuur aan ’t gras, dat men aan zijnen staart gebonden had en hij kwam terug. Maar onderwegen ’t vuur werd fel en deelde zich mede aan ’t hooge gras en alzoo, langs de rivier, was er overal vuur en vuur; de vlammen stegen hoog op in den hemel.

De Boa om te vluchten, hij kon niet vluchten en hij verbrandde in zijn vuur.

De Gazelle en de Rat zagen het vuur en zij zegden alzoo: De Boa branden is verbrand; wij blijven over, wij twee, wij eten ons vleesch op.

Zij verdeelden het vleesch, aten het op en sliepen.

De Luipaard, toen hij van den palmboom viel, was in onmacht gevallen; maar in den nacht verrees hij, en hij trok terug naar zijn dorp. Hij kwam de Rat tegen, en [39]hij vroeg haar, alzoo: He, mijn vriendin, waarom dooden hebt gij mij gedood?

De Rat antwoordde: Ik niet, de Gazelle heeft u gedood.

De Luipaard, alzoo: Wij zullen de Gazelle eens leeren.

Dan had de Luipaard zich met vademsstoffen omringd en hij ging liggen op den grond, gelijk een lijk ligt, en hij zegde: He, Rat, ga de Gazelle verwittigen, alzoo: Uw broeder is gestorven, kom, zing den doodenzang1.

De Rat ging, en zij droeg de doodmare aan de Gazelle. Maar de Gazelle, toen zij dat hoorde, geloofde het niet. Zij kwam dicht bij het dorp. Om er bij te komen, zij kwam er niet bij; zij bleef zich verbergen in ’t hooge gras, zij hief haren zang aan, alzoo: He, Gazelle, wees voorzichtig, ’t is een groote ziekte, ’t is de zaak van den tooveraar.

De vrouwen van den Luipaard noodigden de Gazelle uit, alzoo: Wel, kom, ’t is geen leugen, hij is waarlijk dood.

De Gazelle geloofde ’t niet, bleef zich verbergen dicht bij, in ’t hooge gras. De Luipaard werd kwaad, stond op en ging de Gazelle in ’t hooge gras najagen. Maar hij kon haar niet. De Gazelle vluchtte en ging in haar familiestam bouwen.

Op zekeren dag, toen de Gazelle naar den Nsona2 ging, zag zij veel menschen, die geld uitleenden. De Nkayi3, de Kimpiti3, de Nsa3, de Egel, de Civetkat waren daar vereenigd om hunnen koophandel.

De Gazelle beroemde zich, alzoo: Hier, als ik mijn zang zing, zou ik hem niet zingen?

Zij antwoordden haar: Zing maar.

De Gazelle hief den zang aan, alzoo: ’t Vleesch van den [40]Luipaard, wij eten het op, he Gazelle, die leeft! Wij, wij sterven niet.

De Luipaard, toen hij dit vernam, kwam de Gazelle tegen, hij van dezen kant der rivier, zij van genen kant, eene rivier in ’t midden. En hij vroeg: Gij, Gazelle, waarom doodt gij mij?

De Gazelle antwoordde: Ik niet, de menschen, die op den Nsona zijn, die dooden u. Wel, laat ons toekomenden Nsona gaan of hun zang daar niet hoorbaar is. Als gij den zang hoort dien zij zingen, dan komen zij af om u te dooden.

De Nsona verscheen en de Luipaard ging naar de markt. De Gazelle ook ging langs een anderen weg naar de markt. Zij kwamen dicht bij den Nsona, bleven verscholen in ’t gras, hij afzonderlijk, zij afzonderlijk.

Daar kwamen de menschen aan, die geld uitleenden: de Kimpiti, de Nsa, de Civetkat kwamen den Nsona op, om geld uit te leenen. Toen zeiden zij: Welaan, laat ons ’t lied zingen, dat de Gazelle geleerd heeft.

Zij zongen het lied, alzoo: ’t Vleesch van den Luipaard wij eten het op, he Gazelle, die leeft! Wij, wij sterven niet.

De Gazelle kwam nader tot bij den Luipaard en zij riep: He, Luipaard, hoort gij de menschen niet, die u komen dooden. Wel, ik toch niet.

De Luipaard werd kwaad, stond op en doodde deze menschen.

De Gazelle verdeelde ’t vleesch met den Luipaard. Zij, zij stierven; maar zij, de Gazelle, zij leefde.

Kisantu. [41]

1 Als er iemand sterft, zal men den doodenzang komen zingen.↑

2 Naam van een markt.↑

3 Namen van antilopen.↑a b c

[Inhoud]

Wraak van de Gazelle

Inhoudsopgave

De Gazelle, alzoo: He, Luipaard, vat uwe moeder, wij dooden haar, wij drinken haar bloed.

De Luipaard nam zijne moeder. Zij gingen naar de rivier. Hij alzoo: Gij, Gazelle, blijf rivierafwaarts; als gij ziet dat ’t water troebel wordt, dat het modderachtig is, doe uw mond weg en drink niet. Maar als gij ziet dat het water rood wordt, dan is ’t bloed van moeder.

De Luipaard, rivieropwaarts, sneed zijne moeder de keel af. Maar de Gazelle had veel verstand. ’t Water, zij dronk het niet. De Luipaard vroeg, alzoo: He, Gazelle, hebt ge genoeg gedronken?

Zij, alzoo: Ik heb genoeg, vader, laat ons gaan.

Hij, alzoo: He, Gazelle, vermits wij vandaag mijne moeder geëten hebben, de uwe zullen wij morgen eten.

En zij trokken op. De Gazelle ging naar haar huis. De Luipaard naar zijn huis. Zij sliepen. ’t Weder, toen het klaar geworden was, sprak de Luipaard alzoo: He, Gazelle, vooruit waar wij gisteren geweest zijn.

Zij alzoo: Ik, ik ga langs denzelfden weg niet; gij, Luipaard, ga voorop rivierafwaarts, waar ik gisteren gedronken heb. Ik, rivieropwaarts.

De Gazelle, toen zij ging, nam een geitje, sneed het den hals af, alzoo: He, Luipaard, zie rivierafwaarts, ’t bloed van moeder komt aan. De Luipaard, toen hij dronk en [42]dronk en dronk, de Gazelle vroeg zoo: He, Luipaard, hebt ge genoeg gedronken?

Hij, alzoo: Ik heb genoeg, ik, uw oom1, kom, laat ons gaan.

En zij waren, zij waren. De Gazelle ging om koophandel te drijven. Zij liet haar moeder in haar geheimkamer, alzoo: Als gij hoort dat ik het lied aangeheven heb: Ik, ik heb de moeder van den Luipaard gedood; de mijne kan hij niet; dan antwoord mij.

En zij deed de deur op slot; zij zette er stokken voor en ’t huis was vast, heel vast in slot. En zij trok weg.

Maar de Luipaard had ’t lied afgeluisterd van de Gazelle.

Op zekeren dag kwam hij af, hij schoot met vuur en hij schoot en hij schoot2. Dan hief hij den zang aan, dien de Gazelle gezongen had; maar de moeder geloofde het niet, want zij dacht alzoo: Mijn kind is nauwelijks vertrokken; om de dingen te verkoopen, kan hij zoo rap niet handelen.

De Luipaard vertrok.

Hij wachtte en wachtte, kocht alweer poeder en kwam tot op de plaats. Hij schoot weer en hij schoot en hij schoot, en hij hief den zang aan, dien hij van de Gazelle had afgeluisterd.

Zij, de moeder antwoordde. Maar toen hij beproefde, ’t huis kon hij niet. Hij nam een bijl, hij sloeg de deur in stukken, hij ging binnen, hij nam een mes, hij sneed de moeder van de Gazelle in stukken. Hij nam een andere deur, hij hing ze in de plaats, sloot de deur dicht en kwam in zijn dorp terug.

De Gazelle, toen zij den koophandel had gedreven en hare goederen verkocht had, kwam in haar dorp terug. [43]

Toen zij dicht bij ’t dorp kwam, schoot zij kassen poeder en poeder en poeder, dan begon zij ’t lied te zingen: Ik, ik heb de moeder van den Luipaard gedood, de mijne kan hij niet!

Maar zij hoorde niet dat hare moeder antwoordde. Zij kwam het huis opendoen; toen zij de deur vasthield, maakten de lijkwormen gerucht3.

En zij sloeg in hare handen, alzoo: Vu4. Zij begon te weenen en te weenen en te weenen. Zij verzamelde de beenderen en bond ze bijeen. En zij begroef ze. En de tijd vervloog.

De Gazelle ging haar verstand uitdenken. Zij vervaardigde ringen, kleedde er wel zes aan en werd een schoone jonkvrouw. Zij bond een mandeken aardnoten vast en een bananenrist.

Toen de zon was ondergegaan, kwam zij aan, waar de Luipaard was. Zij, alzoo: Heer Luipaard is hij hier?

Hij, alzoo: Ik ben hier, Mama5.

En zij kwam binnen, zat neer, groette hem bij handgeklap, alzoo: Neem dit mandeken aardnoten aan en deze bananenrist, die mijne moeder mij gegeven heeft.

De Luipaard groette bij handgeklap, alzoo: Ik bedank er u voor, Mama.

Toen zij koutten en koutten, de Gazelle, alzoo: Ik moet vertrekken.

De Luipaard, alzoo: Wacht een weinig, laat ons kouten, dan gaat gij weg.

De Gazelle, zij wilde niet. En zij ging, zij sliep. ’t Weder was klaar geworden en de zon was opgestaan. [44]

Zij doodde een kieken, kwam het dragen aan den Luipaard.

Zij bleef daar slapen. Maar hij, de Luipaard, hij wist niet dat het de Gazelle was; hij dacht alzoo: ’t Is mijn verloofde.

Toen de zon was opgestaan, kocht hij een verkensbil, twee kleine vrouwenpanen en drie groote vadems stof; ieder vadem bestond uit twee stukken, die samen genaaid waren. Hij gaf het aan de jonkvrouw en zij trok terug naar haar dorp. En zij ging, zij sliep.

Den volgenden dag, toen de zon opgekomen was, ging zij naar ’t hooge gras; zij ging er makwakwa6 en mankundia7 halen en rupsen van alle soorten, goede en slechte. Zij legde alles in een pot ondereen, en zij had het voorbereid.

’s Avonds kwam zij in het dorp van den Luipaard aan. Zij spreidde het eten open. De Luipaard, toen hij het eten naar zich trok, vroeg alzoo: Gij, Nkenge8, eet gij niet?

Zij, alzoo: Ik heb geëten in ’t huis van mijne moeder. De Luipaard viel aan ’t eten. En hij at, hij at, ’t was klaar gemaakt. Toen voelde hij aan zijne keel, alzoo: De9.

Hij, alzoo: Gij, mijn beste, dat kittelen aan mijn keel, wat is ’t?

Zij, alzoo: Mijn Luipaard, mijn man, gij zijt aan ’t lachen, he! Misschien de peper kittelen, zij kittelt.

Het kittelen verergerde, en hij, alzoo: He, Nkenge, krab aan mijn keel. [45]

En hij hoestte en hoestte en hoestte en hij stierf.

De Gazelle nam den koker10, ging op den weg en speelde: Ke, ke, ke11! Ik ben de Gazelle van verstand, ik ben de lieveling van mijn moeder.

Zij nam de kiekens, die de Luipaard achterliet en de geiten en zijne vrouwen. Zij brandde zijn huis af en zij ging naar haar dorp terug.

Kimoa. [46]

1 Eeretitel.↑

2 Als een neger van een lange reis terugkomt, zal er veel poeder geschoten worden.↑

3 Het lijk wemelde van wormen.↑

4 Vu = Klanknabootsing van iemand die in de handen slaat.↑

5 Mama = Moeder. ’t Is een eeretitel.↑

6 Makwakwa = een soort van distels die veel pijn veroorzaken.↑

7 Mankundia = wilde boonen, die met haar bedekt zijn.↑

8 Nkenge = Naam van een vrouw, waaronder de Gazelle zich verscholen had.↑

9 De = Uitroeping van smart.↑

10 Koker = inheemsch muziekinstrument. Horen van een antilope.↑

11 Klank van den koker.↑

[Inhoud]

Bedrog van de Gazelle

Inhoudsopgave

De Gazelle had zijne vrouw getrouwd. Dien dag was er maniok in overvloed. Hij zegde tot zijne vrouw, alzoo: Gisteren, den heelen dag hebben wij maniok gestampt; wij, wij hebben nog geenen maniok geëten; er is wel maniok, maar niet een stuksken vleesch noch visch. Wel, ga naar ’t water, ga onze visschen vangen.

Zij de vrouw, alzoo: Vooruit met u!

Hij, de Gazelle, alzoo: ’t Is wel, vooruit, mijn vrouw.

En zij gingen tot aan ’t water. Toen zij schepten en schepten1, kwam de Luipaard aan, hij was eene vrouw geworden, alzoo: He, Gazelle, wij zullen te zamen scheppen.

Hij, alzoo: ’t Is goed, mijn vrouw. Ik de man, ik alleen. De vrouwen zijn nu twee.

Toen zij schepten en schepten, nam de Luipaard modder, mengelde het met peper, en wierp het de Gazelle in ’t gezicht.

De Gazelle zijne oogen brandden en brandden. Op dien oogenblik stierven zijne oogen en hij zag niet meer.

De Luipaard nam de vrouw van de Gazelle en hij trok er mee op. De Gazelle, toen hij zijne oogen waschte en waschte, zij gingen open. Toen hij naar zijne vrouw zag, zij [47]was er niet, alzoo: Wo2! De Luipaard heeft mij bedrogen. Ziet ge, hij heeft mijn vrouw genomen. Wacht! Ik zal hem volgen op zijn voetstappen met zijn moeder3.

En de Gazelle volgde en volgde; maar de Luipaard bedroog de Gazelle weer. De Luipaard ging de vrouw verbergen en veranderde in een kleinen hond; hij kwam af waar de Gazelle was.

Hij, de Gazelle, alzoo: Ik zal mijn kleinen hond nemen, ik zal hem verzorgen.

En zij gingen tot in ’t dorp. Toen hij de hond neerzette op het plein, de hond aan ’t wandelen wandelde op het plein. Een kleine slaaf van de Gazelle sprak alzoo: He, Gazelle, die hond doet niets dan wandelen op het plein, wat is ’t?

Wel, neem hem op en kom, ik zal hem maniok geven. En hij, toen hij eten gaf, de hond beet in den neus van de Gazelle. En hij werd weer Luipaard, en hij liep weg.

Hij, de Gazelle, alzoo: Wacht, ik zal hem ook vatten. En hij werd een schoone jonge maagd. Hij, de Luipaard kwam af, alzoo: He, vrouw, wie heeft u getrouwd?

Zij, de maagd, alzoo: Ik heb geen man.

En hij, alzoo: Wilt gij dat ik u trouwe?

Zij, de jonge maagd, alzoo: Indien gij wilt, ’t is uwe zaak.

Hij, de Luipaard alzoo: Ik wil u.

Zij, de maagd, alzoo: ’t Is wel!

En zij gingen tot in ’t dorp. Hij, de Luipaard, alzoo: Ga water scheppen, wij zullen maniok gereed maken.

Zij, de maagd, alzoo: Wel, ga, gij man, ga water halen.

En hij nam de kruik op, en ging. Toen hij kwam, alzoo: Wel, neem de maniokbollen, stamp ze in den stampersblok. [48]

Zij, de maagd, alzoo: Stamp ze, gij, beste man.

Hij, de Luipaard, alzoo: Is het de vrouw niet, die maniok stampt? En gij, alzoo: Gij beste man, stamp den maniok.

Zij, de vrouw, alzoo: ’t Is niets, stamp gij maar.

En hij stampte maniok.

Toen ’t gedaan was, hij de Luipaard, alzoo: Wel, nu, neem den pot, zet hem op ’t vuur.

Zij, de vrouw, alzoo: Zet gij hem op!

Hij, de Luipaard, alzoo: Wo! En die maniokbollen ook, ik heb ze gestampt. ’t Water, ik heb het geschept, en nu den maniok moet ik gereedmaken. Spoed u, dat gij weg zijt, ga weg. Indien ik u niet getrouwd heb, ’t is niets. De vrouwen, zijn zij mij niet aan ’t zoeken en zoeken?

Zij, de maagd, alzoo: ’t Is wel. Ik trek er van onder.

Zij, de maagd, toen zij een bijl vatte, om den Luipaard te dooden. En zij ging de Luipaard op ’t hoofd slaan, alzoo: Te4.

En ’t hoofd dwarrelde en dwarrelde.

Hij, de Luipaard, alzoo: Wo! Zijt gij het, Gazelle, die mij komt bedriegen? ’t Is wel, blijf hier met uwe moeder5. En hij vervolgde en vervolgde. De Gazelle ging in een hol van een boom vluchten, en ging zich veranderen in een kinonia6 en hield zich verscholen in ’t hol.

Hij, de Luipaard, toen hij ronddwaalde en dwaalde, hij zag ze niet, alzoo: De Gazelle is waarlijk in ’t hol binnengedrongen, en nu is zij niet meer zichtbaar. A! dat zij een [49]beetje wachte! Ik ga vuur in ’t hol aansteken; als de rook haar zal vatten, zal zij er wel uitkomen.

En hij stak vuur aan, en vuur en vuur. De rook vervulde het hol. En zij de Gazelle hoesten, was aan ’t hoesten omdat er zooveel rook was, terwijl zij zegde: He, Heer Luipaard, laat mij gerust, uw zuster ben ik!

De Luipaard, alzoo: Waarom hebt gij mij met ’t bijl geslagen? Mijn hoofd, ziet ge, hoe het gekloven is. Kom er uit, en betaal mij, om mijn bloed, dat gij uit mijn hoofd hebt doen springen.

De Gazelle gaf hem twintig stukken van vijf frank.

Hij, alzoo: Wij maken weer vriendschap, moeder.

En zij sloten vriendschap. En op denzelfden weg gingen zij wandelen.

Kinkoko. [50]

1 Als men visschen vangt in de vijvers en moerassen, dan zal men eenen dijk maken, en alzoo ’t water uitscheppen.↑

2 Uitroeping.↑

3 Mam’ani = zijn moeder. ’t Is een scheldwoord.↑

4 Klank van den slag.↑

5 Mam’aku = uwe moeder. Scheldwoord.

Gewoonlijk kifwanga ki mam’aku = wangedrocht van uwe moeder.↑

6 Kleine mier.↑

[Inhoud]

De bedrogen Luipaard

Inhoudsopgave

De Luipaard en de Gazelle gingen hun dorp bouwen, alle twee, en zij hadden nog alle twee hun moeder. De Luipaard had zijn kind Kiteba. De Gazelle, zij had geen kind.

De tijd vervloog en de tijd vervloog. De moeder van de Gazelle had een ziekte opgevat; zij was ziek en ziek en zij stierf.

De Gazelle weende en weende.

De Luipaard haastte zich niet om te komen weenen1.

Dan had de Gazelle eenige kassen poeder losgemaakt, en zij schoot en schoot.

De Luipaard, als hij ’t vuur hoorde, kwam af, alzoo: Ik zal gaan; ik ga vragen aan de Gazelle, dat vuur dat zij aan ’t schieten is, wat het is?

En hij kwam, alzoo: Het vuur dat gij schiet, wat is ’t?

Zij, alzoo: Ik, ’t vuur dat ik schiet, mijn moeder is gestorven.

Maar de Luipaard, alzoo: Welaan, wij gaan ze u begraven. [51]

De Gazelle, alzoo: Voor haar heb ik nog geen kleedingsstoffen gezocht om haar te begraven2.

De Luipaard, alzoo: Wel, als wij kleedingsstoffen gaan zoeken, zal zij ze betalen, of zal zij verrijzen? Wij hebben geen kleedingsstoffen, die wij uitdeelen.

De Gazelle, alzoo: ’t Is wel. Vooruit! Wij zullen ze begraven.

En zij gingen, zij begroeven ’t lijk. En zij kwamen terug van de begrafenis.

En de tijd vervloog en de tijd vervloog. De moeder van den Luipaard had ook eene ziekte opgevat. En zij was ziek en ziek, en zij stierf.

De Luipaard, alzoo: He, mijn kind Kiteba, kom. Ga de Gazelle verwittigen, dat zij kome.

De Gazelle kwam, en zij bonden ’t lijk in kleedingsstoffen.

De Luipaard, alzoo: Ik, vooraleer ik mijne moeder begraaf, ga ik feest houden.

De Gazelle, alzoo: ’t Is wel.

En de Gazelle ging terug naar huis. En de tijd vervloog; wel eene maand was er vervlogen. De Luipaard had palmwijn uitgedeeld aan al de dorpen, die in den omtrek waren. En hij stelde den dag, waarop zij het lijk zouden begraven.

De dag was verschenen!

Die trommels hadden, kwamen af. En men danste en danste. De Luipaard beval aan zijne slaven, alzoo: Welaan, gaat sterke boomtakken afkappen, die niet vermolmd zijn, om de kleedingsstoffen er op te leggen.

De slaven gingen en zij gingen boomtakken afsnijden. Maar een jongen zag een schoone staak. Als hij die staak [52]zag, alzoo: Ik zal dien afkappen. En hij sloeg met zijn kapmes, alzoo: Te3! Maar de Gazelle was eerst in dien boom gekropen en zij hief een lied aan, alzoo: He, kleinen, wij zijn in dit woud!…

Als hij dat hoorde, riep hij de anderen, alzoo: He, vrienden, komt hier, komt luisteren, deze boom is een lied aan ’t zingen.

De kleinen kwamen af, en als zij kwamen, was de boom weer aan ’t zingen. Zij wierpen de kapmessen op den grond, en allen waren aan ’t dansen.

De Luipaard keek en keek, en hij zag de kleinen niet, alzoo: Hoe! De kleinen zijn reeds lang vertrokken om staken, en zij zijn nog niet teruggekomen.

En hij beval weer andere kleinen, alzoo: Gaat en verwittigt ze, dat zij aanstonds komen.

De kleine kwamen af, alzoo: Wel, gij, vader in ’t dorp maakt zich kwaad op u, vertrekt spoedig.

Zij, alzoo: Wel, komt hier en luistert. De boom is bezig een lied aan ’t zingen.

Maar de kleinen, die juist toegekomen waren, waren aan ’t redetwisten, alzoo: Aan ’t liegen zijt gij.

En zij kwamen naderbij, en de boom was aan ’t spreken.

Allen, en degenen die eerst gekomen waren, en degenen die gevolgd hadden, vielen aan ’t dansen.

De Luipaard, hij keek en keek; ’t was ’t zelfde; hij zag ze niet afkomen. En hij schoot vol gramschap. En hij ging hij zelf, alzoo: De kop van Moeder Luipaard4! Ik zal ze slaan, daar waar zij zijn.

En hij ging. Toen hij daar aankwam, begon hij eenige [53]kleinen te slaan; maar de anderen, alzoo: He, grijsaard5, slaat ons niet voor niet; kom zelf en luister, vermits gij gekomen zijt.

En hij nam een kapmes en hij sloeg, alzoo: Te!

De boom spreken begon te spreken en hief een lied aan, alzoo: He, kleinen! Wij verblijven in ’t bosch.

De Luipaard, als hij het lied hoorde, viel aan ’t dansen met al de kleinen te zamen, en sprak alzoo: He, mijn kind Kiteba, maak de plaats schoon, en laat ons wel dansen. Dat vijf kleinen naar ’t dorp terugtrekken. Haalt de vijf baaltjes stof, die wij om ’t lijk mijner moeder gedaan hebben. Deze boom vraagt dit alzoo, omdat mijne moeder misschien in den boom is binnengedrongen; zij wil misschien niet dat men haar begrave.

De kleinen gingen de vijf balen stof halen, en zij kwamen. De Luipaard deed al de stof rond den boom. Al wat hij bezat, was er rond, en niets meer bleef er over om feest te houden. Hij dwaalde overal rond. Iets om zijne moeder te begraven, niets.

’t Was avond geworden, en men trok terug naar ’t dorp.

De Gazelle, toen zij zag, dat men vertrokken was, kwam uit den boom; zij verzamelde al de balen, trok op en ging ze verbergen. Daarna ging zij terug naar haar dorp.

Men sliep; ’t weder was klaar geworden. De Luipaard beval aan de slaven, alzoo: Welaan gaat zien, waar wij de balen stof gelaten hebben.

Maar er bleef niets meer over. Alles was verdwenen.

De Luipaard dwalen hij dwaalde, en hij had hoegenaamd niets om zijne moeder te begraven.

En de Gazelle bracht hem drie balen stof, men bond ze om het lijk, en men begroef het. [54]

En de vreemdelingen, die de Luipaard had uitgenoodigd om den doodendans zijner moeder te dansen, hij had niets om hun te geven. Toen de Gazelle dat zag, ging zij een verken slachten, en zij verdeelde het aan de vreemdelingen.

En eenieder trok terug naar zijn dorp. Maar de Luipaard was vol schaamte.

Kivwanza. [55]

1 Als er iemand sterft, dan komt men den doode in zijn hut beweenen, terwijl er in ’t dorp veel geschoten wordt.↑

2 ’t Is een groote schaamte iemand te begraven, zonder kleedingsstoffen.↑

3 Klanknabootsing.↑

4 Verwensching of eed.↑

5 Eeretitel.↑

[Inhoud]

De wraak van de Gazelle

Inhoudsopgave

Zij hadden beiden hun boonenland bewerkt; zij hadden de boonen geplant; zij waren rijp. Toen zij rijp waren, den dag van den Nkandu1, zegden zij alzoo: Kom, wij gaan de boonen op de markt verkoopen.

En zij gingen, zij verkochten hunne boonen. De Luipaard ontving twaalf frank, de Gazelle zes frank. En zij kwamen terug, en zij zegden zoo: Laat ons ’t geld tellen.

Toen zij telden, had de Luipaard ’t meeste. Hij, alzoo: Ik, moeder, de zakken vol boonen heb ik tot op de markt gedragen, daarom heb ik die twaalf frank.

En zij kwamen tot in hun dorp.

Op een anderen dag, alzoo: Kom, wij gaan boonen trekken.

En zij trokken boonen en vulden de zakken.

De dag van den Nkandu was weer aangebroken; de Luipaard kreeg zes frank, de Gazelle maar drie.

Maar er kwam nijd in het hart van de Gazelle. En de vriendschap stierf uit; zij beminden malkander niet meer. De Gazelle, veranderde zich in een schoone jonkvrouw, en zij kwam den Luipaard afwachten aan den doorgang eener rivier. De Luipaard vroeg, alzoo: Gij, van waar zijt gij gekomen?

Zij, alzoo: Dwalen, ik dwaal in deze streek. Ik ben nog [56]een jeugdige maagd. Ik ben hier aan ’t dwalen en dwalen, ik alleen.

Dan vroeg de Luipaard, alzoo: Wie heeft u getrouwd?

Zij, alzoo: Ik, ik heb geen man.

Hij, alzoo: Uw dorp waar is ’t?

Zij, alzoo: Mijn dorp is Kipasa.

Hij, alzoo: Toekomenden Nkandu, kom hier aan den doorgang, dan zien wij malkander.

Op dien dag van den Nkandu, toen de zon was opgekomen en ’t klaar geworden was, hij de Luipaard, toen hij boonen had geplukt met zijn kind Kiteba en met de Gazelle, hij wist niet dat het een schijn was, die met hem ging wandelen. Hij dacht waarlijk: ’t is zij, de Gazelle… En ’t was maar een schijn. Hij aldus: Vooruit, naar de markt.

En zij gingen en zij verkochten de boonen op de markt; en hij bedroog zijn kind Kiteba, alzoo: Wel, ga langs hier den weg van Kimuingu; ik langs den weg van Kiduma ga ik.

En hij kwam langs den weg van Kiduma, tot aan den doorgang van ’t water; en hij kwam bij de jonge maagd aan. En terwijl zij spraken en spraken, zij de jonkvrouw haalde maniokbrooden en twee kiekens te voorschijn, en zij gaf het aan den Luipaard. En de Luipaard liet haar drie frank, alzoo: Toekomenden Nkandu, den dezen niet, maar den volgenden, dan zien wij malkander weer.

De dag van den Nkandu, die gesteld was, was aangebroken, en hij ging de markt voorbij, en terwijl hij ging en ging, speelde hij zijn kisansi2. En hij speelde en speelde, en zong een lied tot hij kwam aan den doorgang van de rivier. En hij kwam, en hij kwam nader bij tot de Gazelle.

Zij, de Gazelle, sprak alzoo: Ik met u, Luipaard, wij gaan te zamen. [57]

Hij, de Luipaard alzoo, toen hij dat hoorde: He, moeder, beste moeder, vooruit!

En zij gingen, en gingen, en de Luipaard speelde en speelde op zijn kisansi!… Hij had immers zijne vrouw gevonden. Zij, de Gazelle, gaf hem een anderen naam, alzoo: Ik, mijn naam is Nzekele.

Hij, de Luipaard, toen hij dat hoorde, en door de zotheid verblind, alzoo: He, Nzekele, mijn kind, sta op, en begin te dansen!

En zij aan ’t dansen was zij. En zij danste en danste, en daarna trokken zij op naar hun dorp.

De avond was gevallen. Hij de Luipaard, alzoo: Kom nu ’t huis binnen.

Zij, alzoo: Ik, voor dat ik in dit huis treed, trek al de nagels uwer vingers!

En hij trok de nagels zijner vingers uit.

Allen waren uitgetrokken, en hij aldus: Kom nu binnen.

Ik, eer ik in huis treed, doe al de teenen uwer voeten af.

En hij deed de teenen zijner voeten af; en hij alzoo: Kom nu binnen.

Ik, eer ik in huis treed, nu de vingers uwer armen.

En hij deed de vingers zijner armen af, en hij alzoo: Kom binnen in huis!

Zij, alzoo: Snijd uwe voeten af!

En hij sneed zijne voeten af, en hij alzoo: He, liefste, kom nu binnen.

Zij, alzoo: Snijd uwe armen af.

En hij sneed zijne armen af, en alzoo: Kom nu binnen.

Eerst en vooral dat men uw neus afsnijde!

En hij sneed zijn neus af.

En nu, eer ik binnenga, doe uwe tanden en oogen uit!

En hij deed zijne tanden en oogen uit, en alzoo: Nu, Nzekele, kom binnen! [58]

Eer ik binnen kome, moet gij uw hart afsnijden!

En hij sneed zijn hart af, alzoo: Nu, kom binnen.

Eerst moet men u met een nagel doorboren!

En men doorboorde hem met een nagel. En de Luipaard stierf.

En de Luipaard, hij stierf, en de Gazelle sprak alzoo: Gij, kleine Kiteba, wie gaat u nu verzorgen? Ik ben de Gazelle. Ik ben de Gazelle van verstand, ’t lievelingskind van mijne moeder!

En zij nam al ’t geld en ’t goed op, dat de Luipaard had achtergelaten; en Kiteba ging zij verkoopen aan den anderen kant der rivier.

Makanga. [59]

1 Eerste dag van de kongoleesche week.↑

2 Kisansi: inheemsch muziekinstrument; klein speeltuig, waaruit de negers vreemd-schoone noten weten te trekken.↑

APOLOGEN

Inhoudsopgave

[61]

[Inhoud]

Heer Fungwa

Inhoudsopgave

Heer Fungwa was een schoon jongeling. Op zekeren dag, was hij gaan wandelen in een dorre streek; hij kwam een schoone jonkvrouw tegen, haar naam was Miese.

Heer Fungwa sprak alzoo met den mond: He gij daar, vrouw, geef mij water, dat ik drinke, want mijn hart brandt mij met een branden van den dorst om water.

Dan zei de jonkvrouw ook met den mond, alzoo: Drink maar, vader man1, aan mijne kruik.

En heer Fungwa ook, vatte de kruik en hij dronk er aan.

Toen Heer Fungwa gedronken had, zegde hij deze zaak met den mond alzoo: O gij deze vrouw, wie is uw verloofde?

En de jonge vrouw met den mond, alzoo: Ik ben nog niet getrouwd, maar mijn vader is dood, hij. Maar toen hij dood ging, riep hij uit, alzoo: Vandaag, ’t is mijn sterven, maar ieder man, die mijn dochter Miese trouwt, vraagt hem geen geld, maar alleenlijk dat hij den doodenzang kome aanheffen, en dat die zang zich verspreide in heel de omstreek, en hij, hij trouwt mijne dochter. Maar dien doodenzang, dat hij hem kome aanheffen, daar waar ik aan ’t droogen lig2, waar men mij beweent, ik haar vader. [62]

Zoo uitte zich mijn vader aan mijne moeder en aan mijne ouden.

Heer Fungwa, toen hij dit hoorde, sprak met den mond alzoo: ’t Is wel, ik zal dien doodenzang komen aanheffen waar men uw vader gelegd heeft.

Zij, de jonge dochter ook, wilde niet redetwisten, en zij sprak alzoo: ’t Is zoo wel, ik verlang u; kom den doodenzang aanheffen waar mijn vader begraven ligt en dan word ik uw echtgenoote.

Heer Fungwa ging naar zijn dorp. En hij ging denken, en denken en denken op dien doodenzang, dien hij ging aanheffen bij zijne verwanten, maar hij kon dien hoegenaamd niet uitvinden.

Daarna ging hij Heer Ngundu Nkunga verwittigen, dat hij kome den doodenzang aanheffen, daar waar zijn schoonvader begraven lag.

En Heer Fungwa droeg palmwijn mede naar Heer Ngundu Nkunga, en hij zeide tot Heer Ngundu Nkunga, alzoo: He, mijn vriend Heer Ngundu Nkunga, ik smeek u, laat ons gaan, en hef voor mij den doodenzang aan bij mijn schoonvader, waar ik mijne vrouw trouw met den doodenzang immers, en niet met geld, toen zij zegden, alzoo: Als gij den doodenzang komt aanheffen, de vrouw, die den naam draagt van Miese, dan wordt zij uwe echtgenoote. Maar sedert men mij dit gezegd heeft, ik denk op dien doodenzang, en ik denk, ik denk, ik denk, en ik heb hem nog hoegenaamd niet gevonden. ’t Is daarom, dat ik gekomen ben om u te vragen, maar ik ben niet ledig gekomen; daar, die kruik, heb ik voor u medegebracht.

En dan had Heer Ngundu Nkunga zijnen palmwijn lief, en zij dronken hem te zamen uit. En zij bepaalden den dag waarop zij tot hunne verwanten zouden gaan.

De dag, toen hij aangebroken was, brachten zij te zamen [63]tien kruiken palmwijn, en vijf geiten en twee gesneden verkens en twintig kiekens. Zij vereenigden ook eene bende van hunne slaven. En zij gingen naar hun verwantschap. Toen zij daar aankwamen, zegden zij, alzoo: Wij, wij weenen in den dag niet, in den nacht alleen weenen wij.

De verwantschap ook, alzoo: ’t Is wel.

Dan wees men hun een slaapvertrek aan. Daarna gaven zij ook al de zaken, die zij medegebracht hadden voor hun verwantschap.

Dan ging Heer Ngundu Nkunga, Heer Fungwa leeren, achter ’t huis, alzoo: Maar gij, Heer Fungwa, als wij zullen binnengaan in ’t doodenhuis om te weenen, daar waar uw schoonvader ligt, dan zult gij mij Ngundu Nkunga vatten, gij zult mij onder uwen mantel verbergen, alzoo kan men niet weten dat ik, Ngundu Nkunga, den doodenzang aanhef. Dit zullen zij alleenlijk denken, alzoo: Heer Fungwa, hij, hij zelf heeft den doodenzang aangeheven.

Dan ook viel de nacht. Alle man, en de menschen van ’t dorp en zij de vreemdelingen gingen de doodenkamer binnen.

Heer Fungwa ook nam Heer Ngundu Nkunga, stak hem onder zijnen mantel. Heer Ngundu Nkunga zeide tot Heer Fungwa, alzoo: Als gij een klop slaat onder den mantel waar ik ben, dan weet ik, dat ik den doodenzang moet aanheffen.

Dan waren zij allen binnengetreden. Heer Fungwa ook kwam binnen en ging zitten aan den kant van de voeten van zijn schoonvader.

En Heer Fungwa had een klop geslagen onder den mantel, waar Heer Ngundu Nkunga zat. Dan hief Heer Ngundu Nkunga den doodenzang aan, alzoo: E Nkandi yaya nkandi yiganga ngangu, kilelele! E, e!

En al de menschen zongen dien doodenzang en hij verspreidde zich in gansch de omstreek. [64]

Vijf dagen bleven zij daar, maar Heer Fungwa gaf Heer Ngundu Nkunga geen eten, en hij verborg hem onder zijn mantel. En Heer Ngundu Nkunga vermagerde.

En gedurende die dagen had men eetwaren verzameld om Heer Fungwa te spijzen, en om zijne vrouw weg te zenden met hem; en zij slachtten dertig kiekens, en twintig geiten en tien gesneden verkens en honderd maniokbrooden. Dan gaf men hem zijne vrouw en zij ging met hem.

En zij gingen, zij gingen, zij gingen, en zij kwamen aan ’t groote woud van hun dorp. Heer Fungwa haalde toen Heer Ngundu Nkunga uit. Maar Heer Ngundu Nkunga was vermagerd.

Dan sprak Heer Ngundu Nkunga met den mond, alzoo: Zie, ik Ngundu Nkunga, waarlijk ik ben zoo vermagerd, om welke reden hebt gij, Heer Fungwa, mij niets gegeven dat ik ete bij uw verwantschap? Ik ook ik heb u den doodenzang aangeheven, waarmede gij uw echtgenoote getrouwd hebt. Maar ’t is niets. Maar geef mijne belooning, ik ga naar mijn dorp.

En hij, Heer Fungwa, alzoo: He, broeder, vandaag heb ik geen geld om u te betalen. Maar vandaag vier dagen3 kom bij mij terug en ik zal u betalen.

Heer Ngundu Nkunga, alzoo: Dat, dat is niets, ik ben gegaan.

De dag, toen hij verscheen, kwam Heer Ngundu Nkunga terug bij Heer Fungwa om zijn belooning te ontvangen, maar Heer Fungwa brak zich ’t hoofd en hij had hoegenaamd niets om Heer Ngundu Nkunga te betalen.

En Heer Ngundu Nkunga ging weenen op den weg tot aan zijn dorp.

En in ’t seizoen dat de gevleugelde mieren uit den grond komen, Heer Ngundu Nkunga ging Heer Vogelvanger [65]verwittigen, dat hij kome en dat hij hem Heer Fungwa snappe in ’t net van vliegende mieren.

Dan ging Heer Vogelvanger ’t net van vliegende mieren spannen in ’t woud van Heer Fungwa.

En Heer Fungwa, toen hij ’s avonds wilde wandelen in den omtrek van zijn dorp, kwam hij die vliegende mier tegen, die hare vleugelen aan ’t zwieren was, en hij zegde alzoo: Ik zal die gevleugelde mier, die daar op den boom zit, gaan snappen.

Toen hij ze gepikt had, het net ook viel toe en Heer Fungwa was gevangen in den strop en Heer Vogelvanger trof hem aan in zijn net. Hij zegde, alzoo: He Fungwa, vandaag gaat ge in mijne soep.

Heer Fungwa ving aan Heer Vogelvanger te smeeken, alzoo: Laat mij los, ik zal u een schoone belooning geven.

Maar Heer Vogelvanger, alzoo: Indien gij Heer Ngundu Nkunga bedrogen hebt met zijne belooning, zoo zoudt gij mij ook niet bedriegen?

Hij, alzoo: Ik zal u niet bedriegen, gelijk ik Heer Ngundu Nkunga bedrogen heb. Maar Heer Vogelvanger luisterde naar zijne woorden niet, en hij sloeg slechts met den steel van zijn mes op den kop van Fungwa en hij droeg hem naar Heer Ngundu Nkunga.

Heer Ngundu Nkunga was gansch verheugd, en hij ging zijne vrouw Miese nemen en zij werd dus de vrouw van Heer Ngundu Nkunga om zijne belooning, die hij niet gekregen had van Heer Fungwa.

Het vertelsel gaat recht, heel recht op den kop van wien?

Op dien kop van Fungwa4.

Kisantu. [66]

1 Vader man: eeretitel.↑

2 Het lijk wordt in de hut boven een put gelegd, daar om wordt vuur gestoken en alzoo droogt het lijk.↑

3 De kongoleesche week telt slechts vier dagen.↑

4 Fungwa = Vogel.

Miese = Vogel.

Ngundu Nkunga = De schoonste zanger onder de vogelen van Kongo. Hij kan de trommels en de dansliederen der negers opperbest nadoen.↑

[Inhoud]

Pulsuz fraqment bitdi.

3,80 ₼

Janr və etiketlər

Yaş həddi:
0+
Litresdə buraxılış tarixi:
17 yanvar 2025
Həcm:
260 səh. 1 illustrasiya
ISBN:
4064066404550
Naşir:
Müəllif hüququ sahibi:
Bookwire
Yükləmə formatı:

Oxşar kitablar