Kitabı oxu: «Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken»

Şrift:

M. W. F. Treub

Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066400569

Inhoudsopgave

EEN WOORD VOORAF.

INLEIDING.

HOOFDSTUK I. HANDHAVING VAN ’S LANDS SOUVEREINITEIT EN NEUTRALITEIT.

§ 1. De mobilisatie en de staat van oorlog en van beleg.

§ 2. De neutraliteit ter zee.

§3. Interneering; luchtvaart.

§ 4. Gevaarlijke bakerpraatjes.

HOOFDSTUK II. DE LEVENSMIDDELENVOORZIENINGEN.

§ 1. Beperking van den uitvoer.

§ 2. De levensmiddelenwet.

§ 3. De broodvoorziening.

HOOFDSTUK III. VOORKOMEN EN LENIGEN VAN NOOD.

§ 1. Het Koninklijk Nationaal Steuncomité.

§ 2. Hulp aan vreemdelingen.

§ 3. Voorkoming van werkloosheid; arbeidsbemiddeling.

§ 4. De Werkloosheidsverzekering.

HOOFDSTUK IV. GELD EN CREDIET IN DEN OORLOGSTIJD.

§ 1. De paniek en haar meest urgente bestrijdingsmaatregelen.

§ 2. Het middenstandscrediet.

§ 3. De Beurswet.

§ 4. De aandrang tot een moratorium.

HOOFDSTUK V. HET OP GANG HOUDEN DER BEDRIJVEN.

§ 1. Nijverheid; kolenvoorziening.

§ 2. Land- en tuinbouw.

§ 3. Visscherij; Scheepvaart.

§ 4. Handel.

HOOFDSTUK VI. DE OORLOGSTOESTAND EN DE SCHATKIST.

§ 1. De Staatsleening 1914.

§ 2. Verdere maatregelen op financieel gebied.

NABETRACHTING.

EEN WOORD VOORAF.

Inhoudsopgave

Zooveel mogelijk heb ik mij bepaald tot den tijd, waarin ik de regeeringszaken van nabij kon waarnemen en mij onthouden van het leveren van critiek. De grenzen, die ik mijzelven aldus stelde, heb ik evenwel op sommige punten moeten overschrijden.

Vooral in de eerste maanden van den oorlogstijd had ik het groote voorrecht de waakzaamheid en zorgzaamheid van H. M. de Koningin voor het Nederlandsche volk van nabij te kunnen waarnemen, en daardoor hoog te leeren waardeeren.

Aan Hare Majesteit ben ik zeer erkentelijk voor de mij verleende vergunning, mijn boek eerbiedig aan Haar te mogen opdragen.

Eerbiedig opgedragen

aan

Hare Majesteit de Koningin,

aan onze begaafde Landsvorstin, die zich in moeilijke dagen heeft doen kennen als een ware Moeder des Vaderlands.

INLEIDING.

Inhoudsopgave

Al heeft Europa sedert den aanvang van de twintigste eeuw bijna onafgebroken in het teeken van oorlogsgevaar gestaan, toch werd zelfs nog in het midden van Juli 1914 door niemand vermoed, dat een strijd van zulk een omvang, zulk een hardnekkigheid en zulk een duur over ons werelddeel zou komen, als de werkelijkheid spoedig daarna te zien gaf. Op een gebeurlijkheid van zoo diep wereldschokkende beteekenis was niemand voorbereid; niet alleen niet de regeeringen der kleine staten, doch ook de groote mogendheden niet, die thans aan den krijg deelnemen.

Zeker, in militair opzicht had men overal in meerdere of mindere mate op de oorlogsmogelijkheid gerekend. In sommige landen, Duitschland vooraan, was de voorbereiding zelfs tot een hoog peil opgevoerd; maar zelfs voor Duitschland heeft de oorlogswerkelijkheid de voorstelling, welke men zich van te voren daarvan gemaakt had, ver achter zich gelaten. En voor de andere oorlogvoerenden geldt dit in nog heel wat hoogere mate. Men denke, om slechts één voorbeeld te noemen, aan het verbruik en in verband daarmede aan de productie van munitie. Dat verbruik en die productie hebben afmetingen verkregen, waarvan vóór den oorlog zelfs de vurigste militairist niet had kunnen droomen.

Ongetwijfeld heeft in de afgeloopen jaren vóór den oorlog de één den toestand donkerder ingezien dan de ander. Dit geldt voor regeeringen en regeeringspersonen zoo goed als voor ambtelooze burgers. Maar de slachting, die nu reeds meer dan twee jaren aanhoudt, heeft ieder overvallen; ook dit geldt voor regeeringen en regeeringspersonen zoo goed als voor ambtelooze burgers. Daarop was niemand, daarop was men nergens voorbereid. Natuurlijk waren in verband met de militaire toebereidselen voor een eventueelen oorlog wel maatregelen van financieelen aard overwogen en ten deele getroffen; ook was men zich wel vaag bewust, dat belemmeringen in het internationale verkeer, welke als gevolg van een uit te breken oorlog niet zouden achterwege blijven, de verzorging der bevolking zoodanig zouden kunnen bemoeilijken, dat op uitbreiding der regeeringstaak ter oplossing van zulke moeilijkheden moest worden gerekend. Maar hoe het hiermede eigenlijk zou zijn gesteld, als er eens oorlog zou komen, wist niemand en kon niemand weten; daarvoor waren de omstandigheden, waaronder een mogelijke oorlog gevoerd zou moeten worden, voor elk land, dat er in betrokken zou kunnen worden of dat er den terugslag van zou kunnen ondervinden, te onzeker.

Men besefte wel algemeen, dat een oorlog tusschen Europeesche mogendheden een beroering ook op economisch gebied zou teweegbrengen, waarbij de regeeringen niet zouden kunnen stilzitten. Maar hoe het ingrijpen der regeeringen zou moeten zijn, welke richting het zou moeten nemen en welken omvang het zou moeten krijgen, dit alles was bij voorbaat zelfs niet bij benadering te voorzien, omdat de factoren, waarvan de aard en de mate van dat ingrijpen zouden afhangen, van te voren geheel onzeker waren. De economische voorbereidingen voor den oorlog, voor zoover zij gemaakt waren, zijn dan ook overal, toen de krijg eenmaal losgebroken was, zóó ver ten achter gebleven bij de eischen der werkelijkheid, dat zonder ernstige overdrijving te dien aanzien van alle landen kan worden getuigd, dat zij niet voorbereid waren.

Toen de oorlog op eens in geheel Europa het economisch leven ontwrichtte, hebben de bevolkingen der oorlogvoerende landen met vooraf voor onmogelijk gehouden inschikkelijkheid in het onvermijdelijke berust en zich ongelooflijk spoedig, zoo goed en zoo kwaad als het ging, aan den oorlogstoestand aangepast. In de neutrale staten ging het niet anders, al was daar de inschikkelijkheid niet altijd even groot.

Het onvermijdelijke, dat bij de bevolkingen den geest van onderwerping aan- en berusting in het noodlot aankweekte, scherpte bij de verantwoordelijke bestuurders den geest der doortastendheid. Zoo ontstonden, zonder veel wikken en wegen, bijna steeds zonder voorafgaand plan, allerlei economische regelingen, die meer aan den drang der omstandigheden dan aan het vernuft van den eenen of anderen staatsman, financier of koopman haar ontstaan danken.

Die hohe Fluth ist’s, die das schwere Schiff

Vom Strande hebt....

De toestanden hebben zich in den oorlogstijd ontwikkeld, zonder zich te storen aan hetgeen economisten van de studeercel of uit het practisch leven ervan voorspeld hadden.

Overal heeft men in Augustus 1914 gestaan voor een plotseling te voorschijn getreden grooten onbekende, wiens karakter men als het ware van dag tot dag had te bespieden, wiens eigenaardigheden van dag tot dag bleken te veranderen of verkeerd te zijn ingezien, en wiens gedragingen een ongekend groot gevaar opleverden, als men er niet in slaagde, zich van zijn wezen en zijn doen en laten een zoo goed mogelijk beeld te vormen en naar dat beeld zijn maatregelen van tegenweer tegen den indringer te nemen en door te voeren.

Dit alles geldt natuurlijk voor de groote oorlogvoerende landen in de eerste plaats, maar op kleiner schaal geldt het ook voor de neutraal gebleven staten, met name voor ons land. Men stond voor een toestand die niet was voorzien, die niet had kunnen zijn voorzien en waarin toch, zonder dralen, zoo goed mogelijk voorzien moest worden. Onvoorbereid werd men geplaatst voor ongekende moeilijkheden. Niet alleen, zelfs niet in de eerste plaats, op militair gebied. Daar kon men ten minste zijn eerste maatregelen nemen als vrucht van jarenlange studie en voorbereiding. Op economisch en op financieel terrein stond de groote onbekende plotseling, zonder waarschuwing voor ons, als een dreigend gevaar, dat hoe dan ook bezworen moest worden. Zóó was het elders; zóó was het ook hier.

Hoe daarop in andere landen werd gereageerd, kunnen anderen beter beoordeelen dan ik, die gedurende den tijd, waarover ik mijn herinneringen en indrukken opschrijf, evenals alle leden der Regeering, als het ware binnen onze grenzen gevangen zat. Ik bepaal mij dus tot ons eigen land. De zoo onverwachts over het land gekomen oorlogstoestand, met het vooral in de eerste weken voortdurend dreigende gevaar van in de worsteling der volken van Europa te worden meegesleurd, werkte op de groote menigte zooals een plotseling opkomende vrees voor dreigend brandgevaar pleegt te werken op het publiek in een schouwburg- of concertzaal. Er ontstond een paniek, die zich op verschillende wijze uitte. Het sterkste bewijs dat de bevolking op een reusachtige worsteling als daar plotseling ging beginnen, nog minder voorbereid was dan de Regeering. Men had in de laatste jaren al zoo dikwijls gelezen van dreigende conflicten van ernstigen aard tusschen de groote mogendheden, die telkens vóór het tot een uitbarsting kwam, langs diplomatieken weg waren bijgelegd. Zóó zou het ook nu wel gaan. Wèl begreep ieder, dat na den moord op den aartshertog van Oostenrijk en zijn gemalin en na de uiterst kras gestelde nota, welke daarop door Oostenrijk-Hongarije tot Servië werd gericht, een oorlog tusschen die beide landen niet kon uitblijven. Maar voor de groote menigte was en bleef het gevaar, dat daarin voor den algemeenen vrede in Europa schuilde, een gesloten boek. En onder hen die meer inzicht in de onderlinge betrekkingen der groote mogendheden hadden, bleef tot het laatste oogenblik de hoop bestaan, dat het ook nu, evenals bij den Balkanoorlog, gelukken zou, den strijd te localiseeren.

Ik herinner mij nog levendig een gesprek, dat ik, slechts enkele dagen vóór het uitbreken van den oorlog, had met een oud-minister, die veel van de wereld gezien heeft, die behoort tot onze flinkste staatslieden, dien niemand een overdreven optimist zal noemen en wiens doorzicht wordt erkend ook door zijne politieke tegenstanders. Pratende over den onzekeren toestand en het oorlogsgevaar, vrijwel het eenige onderwerp van gesprek uit die dagen, beweerde die staatsman met groote stelligheid, dat hij de verschillende berichten goed had nagegaan en daaruit de conclusie had getrokken, dat het met den dreigenden oorlog wel zou losloopen. Servië zou een afstraffing krijgen van Oostenrijk-Hongarije, die niet malsch zou wezen, maar de overige mogendheden, Rusland incluis, zouden erkennen, dat zij verdiend was. De verdere verwikkelingen zouden in de kabinetten der diplomatieke vertegenwoordigers en der regeeringen, in wier opdracht deze hadden te handelen, worden afgedaan. En ik herinner mij ook, dat ik, hoewel die beschouwing mij wat optimistisch toescheen, toch niet met een gelijke stelligheid een donkerder getinte meening daartegenover durfde stellen. Toch zou zulk eene somberder beoordeeling van den toestand, als zij door mij bij die gelegenheid was geuit, door de feiten binnen slechts enkele dagen zijn bevestigd.

Deze herinnering wordt door mij niet naar voren gehaald omdat het gesprek op zich zelf zoo bijzonder belangwekkend was. Herhaaldelijk zal in die dagen door den één zijn gesproken in den geest van den bedoelden bewindsman en door een ander een meer pessimistische meening daartegen zijn overgesteld. Ik doe er alleen hierom licht op vallen, omdat het een gesprek gold tusschen een lid van een vorige en een lid van de aan het bewind zijnde Regeering, dus tusschen twee personen die—indien de gebeurtenissen elkander niet met zulk een schrikwekkende snelheid hadden opgevolgd—beter in staat zouden zijn geweest, zich een eenigszins op feiten gegrond oordeel te vormen, dan het gros van het belangstellend publiek.

De lucht was in Juli 1914 zeker al lang niet helder meer, maar toch trof het uitbreken van den Europeeschen oorlog als een donderslag. Dat de moord in Serajewo, welk een sensatie die gebeurtenis ook in geheel de wereld moge hebben veroorzaakt, leiden zou tot een reuzenkrijg, waarin alle groote mogendheden van Europa zouden worden betrokken, heeft wel niemand aanstonds vermoed. En toen zóó plotseling het ongedachte, zoo niet onmogelijk geachte, werkelijkheid was geworden, scheen alles uit zijn voegen geslagen.

Land- en tuinbouwers wisten niet wat er van den afzet van hun producten worden zou; dit was in die mate het geval dat warmoezeniers hun tomatenstruiken uitrukten en op den mesthoop wierpen en kleine boertjes hun kippen en varkens tegen elken prijs van de hand deden. Handelaars vreesden aan hun wisselverbintenissen niet te kunnen voldoen en riepen om strijd met een aantal kleine neringdoenden om een moratorium als redmiddel uit den nood. Huismoeders zagen in haar verbeelding de dagen vóór zich, waarop zij voor hare gezinnen niet de noodige etenswaar zouden kunnen bekomen en bestormden de kruidenierswinkels. Huisvaders met eenig vermogen vroegen hun saldi op bij de bankiers, in wie zij tot dusver een onbeperkt vertrouwen hadden gehad, en zochten hun heil in het bijeenschrapen en wegbergen van zooveel mogelijk klinkende munt. Kleine spaarders bestormden de spaarbanken.

Zóó zag het er in grove trekken in die gedenkwaardige laatste dagen van Juli en eerste weken van Augustus 1914 uit. Ieder trachtte uit den maalstroom, dien hij zag aankomen, te redden wat te redden viel en zeer velen raakten daarbij hun hoofd kwijt. Het hielp niet daarover te toornen of den staf te breken; daarmede was de toestand niet te redden. Maar evenmin mocht men de paniek ongestoord laten voortwoekeren. Het bloote feit dat velen onder den indruk van den schok, die gansch Europa deed trillen, zoo geheel anders handelden dan onder normale omstandigheden, riep toestanden in het leven, die gestuit moesten worden. Stilzitten ware van de zijde dergenen, die de verantwoordelijkheid droegen en de zorg hadden voor het algemeen belang,—hetgeen toen wilde zeggen: voor den zooveel mogelijk geregelden voortgang van het maatschappelijk leven,—onduldbaar kortzichtig zoo niet misdadig geweest.

Of men het wilde of niet; of men het theoretisch juist achtte of niet; of het met algemeene staatkundige denkbeelden van de regeeringspersonen strookte of niet,—dit alles deed niet ter zake. Waar de bevolking zich onmondig gedroeg, moest de staat plotseling voogdijstaat zijn. De omstandigheden waren machtiger dan het individueele denken en willen der regeeringspersonen, machtiger dan hun theoretische inzichten, machtiger dan hun staatkundige beginselen. Om rust en orde te herstellen en vertrouwen te geven, moest worden ingegrepen. En er werd ingegrepen.

Opmerkelijk was het, hoe het publiek in zijn toestand van opgewondenheid en van vrees voor hetgeen over het land zou kunnen beschoren worden, op het ingrijpen der Regeering reageerde. Terwijl in normale tijden bijna elke inmenging van overheidswege in het economisch leven tegenzin, zoo geen weerstand wekt in breede kringen der bevolking, werd nu de regeeringsinmenging algemeen als een weldaad begroet. Er was haast nog meer kracht noodig om tegenstand te bieden aan den aandrang tot verder ingrijpen dan strikt noodzakelijk en derhalve passend en toelaatbaar was, dan voor het voorbereiden, doorvoeren en in toepassing brengen van de maatregelen, welke genomen moesten worden. Personen en lichamen, die in normale omstandigheden de overtuiging hadden gekoesterd en zeker herhaaldelijk ten beste hadden gegeven, dat de staat zich met handel en bedrijf niet heeft af te geven en op dit gebied verknoeit, al wat hij aanraakt, kwamen als om strijd vragen, dat toch zou worden ingegrepen en bezwoeren de Regeering, dat er allerlei onheilen waren te duchten, als zij met haar maatregelen niet verder ging, dan zij deed. Die aandrang kwam niet alleen van den kleinen man en van den middenstander. Kamers van Koophandel, groothandelaars en grootindustrieelen sloten zich daarbij aan. In de kabinetten van verschillende ministers, met name in die van den tijdelijken voorzitter van den Ministerraad en van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, zijn in Augustus 1914 personen om regeeringsinmenging komen vragen, die het van zichzelven vroeger onmogelijk zouden hebben geacht, dat zij ooit zulk een stap zouden doen, en zijn gesprekken gevoerd, die in normale tijden hen, die ze voerden, de haren zouden hebben doen te berge rijzen.

Maar gelukkig waren er onder de mannen uit de zakenwereld ook personen, die het hoofd koel wisten te houden, en die door hun raad en bijstand de Regeering in die moeilijke dagen krachtig hebben gesteund en aan het land onschatbare diensten hebben bewezen. Heeft het destijds de overheid aan den eenen kant niet ontbroken aan zenuwachtige adviezen van overspannen gemoederen; aan den anderen kant heeft zij het groote voorrecht gehad, te kunnen steunen op ervaren lieden uit de financieele wereld, zoowel als uit de kringen van den groothandel en het grootbedrijf, wier voorlichting en medewerking voor haar van onschatbare beteekenis was. Daarnaast hebben de leiders van de verschillende schakeeringen in de arbeidersbeweging zich beijverd verstoringen van rust en orde te verhoeden en hebben deze vertrouwensmannen van de arbeidersbevolking bij de maatregelen, welke meer in het bijzonder de arbeidende klasse raakten, de Regeering krachtig bijgestaan.

Dank zij dien veelzijdigen steun en die veelzijdige medewerking is het mogelijk geweest, het economisch leven aan den gang te houden en vrij spoedig in niet al te abnormale banen terug te leiden; dank zij dien steun en die medewerking zijn geweldige en gevaarlijke schokken vermeden. Onder den overstelpenden drang der omstandigheden heeft zich in de eerste weken van den oorlogstoestand ook de hoogere eenheid van het volk geopenbaard; met eerbied en erkentelijkheid denkt men er aan terug.

In de spoedvergadering van de Tweede Kamer, welke op 3 Augustus 1914 werd gehouden, kwam die eenheid treffend tot uiting. Niemand van hen, die het voorrecht gehad hebben, die historische bijeenkomst bij te wonen, zal haar ooit vergeten. Er heerschte een plechtige ernst, welke door ieder werd gevoeld en dien niemand kan beschrijven. Partijschap was vergeten. Van de rechterzijde kwam bij monde van den heer de Savornin Lohman het woord: „Laat ons bedenken, dat alles wat naar partijdigheid zweemt thans ter zijde moet worden gesteld. In ons leger dienen niet partijen maar Nederlanders.

„Laat ons ons scharen om den troon, indachtig dat H. M. de Koningin persoonlijk gezworen heeft de onafhankelijkheid van het grondgebied des Rijks met al haar vermogen te zullen verdedigen en bewaren en dat in Haar mond deze eed geen ijdele klanken zijn geweest.”

Voor de sociaaldemocraten sprak de heer Troelstra. In verband met de pas voltrokken mobilisatie vermaande hij zijne partijgenooten: „Indien er eenige Regeering in Europa is, die onschuldig is aan de verschrikkelijke misdaad, die thans over Europa is losgelaten, dan is het—wij mogen het met trots zeggen—wel de Regeering van ons land.

„Om deze reden mogen mijn geestverwanten, die met mij het militairisme afkeuren, dit bedenken: zij hebben hun afkeuring te richten tegen het stelsel, dat wij bestrijden; zij hebben hun afkeuring niet te richten tegen deze Regeering. Zij hebben hun plicht te doen als Nederlanders voor het groote doel, waarvoor zij zijn opgeroepen.”

Daarop volgde de heer Bos, sprekende namens de geheele vrijzinnige linkerzijde, met een korte en gevoelvolle rede, welke hij aldus sloot: „Wij vertrouwen, dat met een koel hoofd, rustig te midden van den storm der tijden, Regeering en volk zich zullen handhaven: door eendracht sterk.”

Ieder was onder den indruk. Het meest nog, toen de heer Cort van der Linden, die het geheim bezit in plechtige oogenblikken de juiste snaar te treffen, aan het slot van zijn korte toespraak, gehouden terstond na het ernstige openingswoord van den voorzitter, met kalme waardigheid verklaarde: „Wij zijn gereed en besloten onze onzijdigheid en, moet het, ons volksbestaan te handhaven met al onze krachten. Ons voegend naar Gods wil wachten wij vastberaden en koelbloedig af, wat de toekomst brengt.

„De Regeering rekent op de trouwe medewerking der Staten-Generaal. Zij heeft het vaste vertrouwen dat deze, zich verheffend boven alles wat in gewone omstandigheden verdeelt, bezield is met de gedachte aan de eenheid en het behoud van ons dierbaar vaderland.”

Op dat beroep op de algemeene vaderlandsliefde volgde een oogenblik van haast hoorbare stilte....

...... und jedem Einzelnen

Wächst das Gemüth im grossen Strom der Menge.

HOOFDSTUK I.
HANDHAVING VAN ’S LANDS SOUVEREINITEIT EN NEUTRALITEIT.

Inhoudsopgave

§ 1. De mobilisatie en de staat van oorlog en van beleg.

Inhoudsopgave

Onder de betrekkelijk weinige regeeringsmaatregelen, welke geheel spontaan, zonder aandrang van buiten, werden genomen, neemt het mobilisatiebesluit zeker de eerste plaats in. Toen de onweerswolken aan den internationalen politieken hemel in de laatste dagen van Juli 1914 zóó dreigend samenpakten, dat een uitbarsting onvermijdelijk scheen, kwam de Ministerraad dagelijks bijeen en werd ook dagelijks hetzij bij monde van den tijdelijken voorzitter van dien Raad of van een der andere, bij eenig onderwerp meer in het bijzonder betrokken, ministers overleg gepleegd met H. M. de Koningin, die, toen gevaar dreigde, terstond Haar verblijf op het Loo had onderbroken en naar Den Haag was gekomen. Maandag 27 Juli des ochtends vroeg kwam de Koningin in de residentie. Denzelfden dag werd voor het eerst Ministerraad gehouden tot het beramen van maatregelen met het oog op het dreigend oorlogsgevaar.

Het resultaat van dien eersten oorlogsministerraad was het gebruik maken van de bevoegdheid door militie- en landweerwet aan de Kroon gegeven, om bij oorlogsgevaar het ontslag van dienstplichtigen uit den dienst bij de militie en bij de landweer en den overgang van militieplichtigen tot de landweer te schorsen, in afwachting van wettelijke regelingen in dien geest, waarvoor de ontwerpen te gelijk werden vastgesteld en naar den Raad van State verzonden. Reeds denzelfden dag werden de voorstellen van den Ministerraad tot die maatregelen door de Koningin bekrachtigd en onderteekend en verschenen zij in het Staatsblad. Dat was het eerste gelui.

Die maatregelen hadden slechts een voorbereidend karakter. Financieele offers van beteekenis brachten zij niet met zich en, mochten zij overbodig gebleken zijn, dan zouden zij ook geen persoonlijke offers van eenig aanbelang geëischt hebben. Zij wezen echter op het gespannen zijn van den toestand en op de waakzaamheid der Regeering voor den afweer van eventueele schending van grondgebied. Spoedig werden zij gevolgd door een tweeden maatregel van wijdere strekking, maar die toch nog van betrekkelijk weinig ingrijpenden aard was. Tusschen Maandag 27 en Donderdag 30 Juli werd het oorlogsgevaar zooveel dreigender, dat op laatstgenoemden dag door den Ministerraad aan de Koningin werd voorgesteld, op grond van artikel 186 der Grondwet te verklaren: dat oorlogsgevaar, in den zin waarin dat woord in ’s Lands wetten voorkomt, aanwezig was; en dat gebruik gemaakt werd van de bevoegdheid aan de Kroon bij de landweerwet gegeven, om in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de landweer in haar geheel of bepaalde landweerafdeelingen of landweerkorpsen onder de wapenen te roepen. Krachtens die bevoegdheid werden bij Koninklijk besluit van dien dag de tot de landweer behoorenden, die deel uitmaken van de landweer-grenswacht, de landweer-kustwacht en de landweer-bewakingsdetachementen onder de wapenen geroepen. De Koninklijke verklaring dat oorlogsgevaar aanwezig was, verscheen op 31 Juli in de Staatscourant.

Het besluit tot oproeping der grenswacht was het resultaat van een uitvoerige beraadslaging in den Ministerraad. Niet aan de wenschelijkheid van den door den Minister van Oorlog voorgestelden maatregel betreffende de grensbewaking werd getwijfeld. Daarover bestond aanstonds eenstemmigheid. Men vroeg zich echter af, of het niet noodig was reeds terstond den definitieven stap te doen en het geheele leger te mobiliseeren. Na het voor en tegen te hebben gewikt en gewogen, besloot men den loop van zaken althans nog één dag aan te zien, daar, behalve in Servië en in Oostenrijk-Hongarije, nog in geen enkel land tot mobilisatie was overgegaan en nog met de mogelijkheid mocht worden gerekend, dat op het laatste oogenblik de zaken een gunstige wending zouden nemen. Het mobilisatiebesluit zou, al duurde het onder de wapenen zijn van alle dienstplichtigen nog zoo kort, zooals de Minister van Oorlog mededeelde, te staan komen op een uitgaaf van omstreeks ƒ12 millioen. Zulk een uitgaaf achtte de Regeering alleen bij dringende noodzakelijkheid verantwoord.

In dezelfde vergadering werden echter de Ministers van Oorlog en van Marine gemachtigd, behoudens Koninklijke goedkeuring, de noodige voorbereidende maatregelen te treffen en werd een vér strekkend besluit genomen, waardoor de mobilisatie ook in ander opzicht werd ingeleid. Op grond van art. 50 der Spoorwegwet werd besloten aan de Koningin te vragen, dat de Minister van Oorlog zou worden gemachtigd het gebruik der spoorwegen voor ’s Rijks dienst te vorderen. Die machtiging werd denzelfden dag verleend, maar nog niet bekend gemaakt.

Vrijdagochtend (31 Juli) waren de berichten zóó onrustbarend dat, na nieuw beraad, besloten werd tot de mobilisatie, het onder de wapenen roepen van alle militie- en landweerplichtigen, over te gaan en tot het nemen van de verschillende maatregelen, welke met de mobilisatie in onafscheidelijk verband stonden, daaronder het gebruik maken door den Minister van Oorlog van de machtiging tot vordering der spoorwegen, hem den vorigen dag door de Kroon verleend. Het mobilisatiebesluit was het rechtstreeksch gevolg van de telegrafische berichten omtrent den uiterst gespannen toestand tusschen Rusland en Duitschland. In de Staatscourant van 31 Juli verschenen de kennisgevingen van de Ministers van Oorlog en van Marine, dat bij Koninklijk besluit van dienzelfden dag: 1º was bevolen de niet in werkelijken dienst zijnde dienstplichtigen van het leger, de landweer en de zeemacht van alle lichtingen onverwijld onder de wapenen te roepen, waarvoor als datum van opkomst de eerste Augustus was aangegeven; en 2º. de Minister van Oorlog gemachtigd was, het gebruik van alle spoorwegen te vorderen, voor zooveel hem dat gebruik voor ’s Rijks dienst in het belang van de verdediging van het land noodig voorkwam.

Ik behoef wel niet te zeggen, dat alle leden van de Regeering gevoelden, welk een verantwoordelijkheid zij met die besluiten op zich namen, besluiten, die niet alleen aan ’s Rijks schatkist op millioenen te staan kwamen, maar die bovendien zeer diep ingrepen in het leven der dienstplichtigen en een schromelijke belemmering zouden teweegbrengen in het verkeer. Die verantwoordelijkheid was te grooter, omdat op het oogenblik dat Nederland tot mobilisatie overging, met uitzondering van Servië en Oostenrijk-Hongarije, welke landen sedert 28 Juli met elkander in oorlog waren, nog geen enkel land dien maatregel officieel genomen had, ook al waren er, met name in Rusland en Duitschland, reeds groote troepenbewegingen gaande. Bij het nemen dezer zoo gewichtige beslissing gaf den doorslag de overweging, dat indien men talmde en de grens eens werd geschonden, vóórdat men tot afweer, voor zoover de krachten reikten, gereed zou staan, de verantwoordelijkheid voor het niet doen nog veel grooter zou zijn, dan die voor een daad, waarvan wel denkbaar, maar hoogst onwaarschijnlijk was, dat zij overbodig zou blijken, doch die door het enkele feit, dat zij plaats greep, zoowel naar binnen als naar buiten getuigenis aflegde van den ernstigen wil der Regeering, met de kracht waarover men beschikte, elke schending van Neerlands grondgebied te weren. Het verdere verloop der omstandigheden heeft den maatregel maar al te zeer gewettigd. De mobilisatie kwam geen dag te vroeg, maar ook geen dag te laat.

De wijze waarop zij van stapel liep, ligt nog versch in ieders geheugen. Zij was in één woord onberispelijk. Binnen drie à vier dagen was zij geheel voltooid en zij ging in haar werk, alsof er een jaarlijksche generale repetitie aan was voorafgegaan. De praestatie welke daarmede door onze legerautoriteiten werd geleverd, maakte een onverdeeld gunstigen indruk en zij heeft zeker niet nagelaten, ook bij onze machtige naburen eerbied af te dwingen voor hetgeen hier met beperkte middelen werd bereikt en voor het zoo volledig in orde zijn der voorbereiding en der organisatie van het onverwijld op voet van oorlog brengen van de geheele weermacht. Wat er ook aan onze legerorganisatie moge ontbreken, het onderdeel daarvan dat de mobilisatie voorbereid en uitgewerkt had, bleek puik te zijn.

Op denzelfden dag dat het mobilisatiebesluit in de Staatscourant verscheen, werd de luitenant-generaal C. J. Snijders benoemd tot Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht. Ik herinner mij niet meer of de toekenning van den rang van „Generaal” aanstonds bij het besluit tot benoeming van den Opperbevelhebber plaats vond of eenige dagen later geschiedde. Dat is trouwens van ondergeschikte beteekenis. Voordat tot die benoeming kon worden overgegaan, waren zaken van heel wat grooter belang te regelen. Toen eenmaal vaststond, dat een Opperbevelhebber zou worden benoemd, was men het over de keuze van den persoon vrijwel terstond eens. De voordracht van den Minister van Oorlog daaromtrent gaf nauwelijks tot eenige gedachtenwisseling aanleiding. Anders echter stond het met de regeling van de positie, welke de Opperbevelhebber tegenover de Regeering en inzonderheid ook tegenover de Ministers van Oorlog en van Marine zou innemen. Het gold hier een even delicate als moeilijke kwestie. Wordt eenmaal een Opperbevelhebber benoemd, dan moet het legerbestuur in engeren zin geheel in zijn hand berusten en voor zijn verantwoordelijkheid zijn. Hij mag geen gevaar loopen, dat hij bij de opstelling of de verplaatsing van troepen inmenging zal behoeven te dulden van het Departement van Oorlog. Ieder gevoelt de noodzakelijkheid, dat als er met het leger gehandeld, d. w. z. gestreden, moet worden, de leiding in één hand zij. Alleen bij zulk een regeling is er waarborg, dat er snel en naar één leidende gedachte zal kunnen worden opgetreden. Alleen dan is ook mogelijk, dat de verantwoordelijkheid voor het gebruik dat van het leger wordt gemaakt en voor de behandeling welke het daarbij ondergaat, niet wordt verdeeld en verwaterd. Maar aan den anderen kant blijft ook in tijd van oorlog het voorschrift van de Grondwet van kracht, dat de Koning onschendbaar is en de ministers (tegenover de Staten-Generaal) verantwoordelijk zijn. Het was dus niet mogelijk, de instructie van den Opperbevelhebber op te trekken op den grondslag, dat hij eene positie zou bekleeden, waardoor de ministerieele verantwoordelijkheid voor zijne handelingen zou worden uitgeschakeld.

Aangezien de instructie van den Opperbevelhebber geen publiek stuk is, mag ik niet mededeelen op welke wijze het probleem, dat hier op te lossen viel, als resultaat van overleggingen met de Koningin en met den heer Snijders en van besprekingen in den Ministerraad, een oplossing vond. Ik moet er mij toe bepalen, als mijn oordeel uit te spreken, dat de oplossing die gevonden werd, een gelukkige heeten mag. Dit neemt niet weg, dat het enkele feit van het bestaan van een opperbevelhebberschap voor een Minister van Oorlog moeilijkheden schept, die niet door papieren regelingen kunnen worden overwonnen, maar alleen door tact en wederzijdsch streven naar goede verstandhouding.

Heel wat minder hoofdbreken dan de regeling der verhouding tusschen den Opperbevelhebber en de Regeering kostte de bepaling van zijn salaris. Er mocht mede worden gerekend en er werd mede gerekend dat de aanstelling tot Opperbevelhebber voor den militair die daartoe werd uitverkoren, een onderscheiding was van de allerhoogste orde. Maar het was niettemin duidelijk dat het opperbevelhebberschap niet als een zuiver eereambt mocht worden aangemerkt en behandeld. Indien ons land, onverhoopt, in den oorlog zou worden betrokken—en men mocht in het begin van Augustus 1914 nauwlijks verwachten dat die ramp aan ons land zou voorbijtrekken—zou op den leider van leger en vloot een zóó buitengemeen zware verantwoordelijkheid rusten, zouden aan hem zóó hooge eischen worden gesteld, dat het groote vertrouwen in zijn kunde en krijgsbeleid ook in het bedrag zijner bezoldiging althans eenigszins tot uitdrukking moest komen. Aan dezen eisch kon slechts in zeer beperkte mate worden voldaan, daar de salarissen ook van de hoogste staatsambtenaren in Nederland nu eenmaal niet in verhouding staan tot de eischen, welke hun mogen en moeten worden gesteld, noch tot de verantwoordelijkheid, die zij hebben te dragen. Doch zelfs in het licht van deze overweging bezien, was het bedrag waarop het salaris van den Opperbevelhebber werd bepaald, aan den bescheiden kant.

In het nauwste verband met de mobilisatie en de verschillende daaraan aansluitende maatregelen ter verdediging van het vaderland stonden de later bij de wet bekrachtigde Koninklijke besluiten tot het in staat van oorlog of van beleg verklaren van enkele gedeelten des Rijks. Het eerst werd, bij Koninklijk besluit van 5 Augustus, de staat van oorlog afgekondigd over het gebied behoorende tot verschillende stellingen en tot de Nieuwe Hollandsche Waterlinie en over het grondgebied rondom enkele verdedigingswerken. Deze eerste verklaring in staat van oorlog geschiedde voornamelijk, ten einde in de gedeelten van het Rijk, waarop zij betrekking had, de artikelen 15 en 16 van de wet van 23 Mei 1899 (Stbl. no. 128) houdende bepalingen ter uitvoering van art. 187 der Grondwet, toepasselijk te maken. Die artikelen regelen de bevoegdheid van het militair gezag om in de in staat van oorlog verklaarde landsgedeelten tegen schadeloosstelling te doen wegruimen, wat aan de behoorlijke verdediging in den weg staat, en in gebruik te nemen, wat voor den militairen dienst noodzakelijk is.

Heel spoedig volgde, in verband met den strijd die in België werd gestreden en met de daaruit voortspruitende noodzakelijkheid vooral in de Zuidelijke provincies zich op alle mogelijke eventualiteiten voor te bereiden, bij Koninklijk besluit van 10 Augustus de staat van oorlog voor de provincies Limburg, Noordbrabant en Zeeland en voor het gedeelte van Gelderland bezuiden de Waal. Bij latere Koninklijke besluiten, die telkens ingevolge art 5 der zooeven genoemde wet werden bekrachtigd, werd de staat van oorlog nog over enkele andere landsgedeelten uitgebreid.

De staat van beleg werd bij Koninklijk besluit van 29 Augustus afgekondigd voor een aantal grensgemeenten in Zeeuwsch-Vlaanderen, Noordbrabant en Limburg. Spoedig daarna, bij Koninklijk besluit van 8 September, werden de grensgemeenten langs de geheele land- en zeegrens en daarmede ook de riviermondingen in staat van beleg verklaard. Later werd de grensstrook, waar de staat van beleg geldt, nog eenigszins verbreed.

Het verschil tusschen den staat van beleg en den staat van oorlog bestaat hierin, dat de staat van beleg een verscherpte staat van oorlog is. Bij den staat van oorlog gaat het gezag wel grootendeels van de burgerlijke overheid op de militaire autoriteit over, maar moet toch door deze autoriteit met de burgerlijke overheid nog overleg worden gepleegd. Bij den staat van oorlog blijven ook het grondwettelijk recht van vereeniging en vergadering evenals de vrijheid van drukpers en het geheim van post en telegraaf ongerept. De staat van beleg gaat aanmerkelijk verder. De burgerlijke besturen en de daarbij in dienst zijnde ambtenaren zijn in de in staat van beleg verklaarde landsgedeelten verplicht te gehoorzamen aan de bevelen van het militaire gezag. Openbare vergaderingen worden daar, met uitzondering van openbare godsdienstoefeningen, alleen gehouden met vergunning van de militaire overheid. Dit gezag kan in de in staat van beleg verklaarde landsgedeelten beperkende bepalingen vaststellen omtrent het drukken, uitgeven, verspreiden, aanplakken of in den handel brengen van geschriften of teekeningen, of dit geheel verbieden. Het krijgt er de beschikking over de posterij, den telegraaf- en den telephoondienst en is bevoegd alle stukken, aan die diensten of aan eenige andere instelling van vervoer toevertrouwd, te openen. Het is bevoegd personen, wier aanwezigheid voor de rust of de algemeene veiligheid gevaarlijk wordt geacht, uit het in staat van beleg verklaarde gebied te verwijderen en omgekeerd aan niet-militairen, die voor de verdediging nuttig werkzaam kunnen zijn, het verlaten van het in staat van beleg verklaarde grondgebied te verbieden. Het heeft nog andere bevoegdheden, die ik niet alle behoef op te sommen. Uit het medegedeelde blijkt wel, dat het militaire gezag, behoudens de door de Kroon gegeven instructiën, in landsgedeelten die in staat van beleg zijn verklaard, oppermachtig is.

De bijna grenzenlooze macht, waarover het militaire gezag beschikt in de streken waar de staat van beleg geldt, moest de Regeering er wel toe brengen, den staat van beleg alleen daar af te kondigen, waar dit ter handhaving van de verschillende in het belang der veiligheid van den staat gegeven voorschriften strikt noodzakelijk was. Aandrang tot verdere uitbreiding werd dan ook meer dan eenmaal door den Ministerraad afgewezen. Het zou wel gewenscht geweest zijn, dat bijv. eenige kooplieden in onze handelssteden wat meer onder contrôle hadden gestaan dan onder normale omstandigheden het geval is, maar een maatregel waardoor, om dit te bereiken, in steden als Amsterdam en Rotterdam het briefgeheim zoowel als de vrijheid van vereeniging en vergadering en de vrijheid van drukpers zouden zijn opgeheven, zou toch buiten verhouding zijn geweest tot het kwaad, dat hij moest keeren. Die maatregel werd dan ook terecht niet genomen, al is hij meer dan eenmaal ter sprake gekomen.

Bij de vaststelling der landsgedeelten, welke in staat van oorlog of van beleg werden verklaard, golden natuurlijk in de eerste plaats overwegingen van zuiver militairen aard. Die overwegingen werden echter ten aanzien van verschillende plaatsen door andere aangevuld. Sommige gemeenten werden in staat van beleg verklaard ter wille van het tegengaan van ontvluchting van geïnterneerden; andere om wederzijdsche bespionneering van oorlogvoerenden door agenten van den vijand met beter gevolg te kunnen beletten. Bij het in staat van beleg verklaren van een zoom langs de grenzen sprak ook de noodzakelijkheid eener ernstige bestrijding van den smokkelhandel, inzonderheid van de ontduiking der uitvoerverboden, een krachtig woord mede. Het stond niet zoo aanstonds vast, dat de staat van oorlog en de staat van beleg mede tot dit doel mochten worden gebezigd; daarover is dan ook in den Ministerraad meer dan eenmaal van gedachten gewisseld. Voor mij is het niet twijfelachtig geweest, dat deze middelen ter handhaving van de veiligheid wel degelijk ook gebezigd mochten worden om het illusoir maken van uitvoerverboden te voorkomen, al ontken ik niet, dat men bij de vaststelling van art. 187 der Grondwet en van de wet op den staat van oorlog en van beleg, welke ter uitvoering van dat grondwetsartikel werd gemaakt, meer in het bijzonder aan rechtstreeksch gevaar door vijandelijke invallen heeft gedacht. Men moet er toch van uitgaan, dat de uitvoerverboden ten doel hadden en hebben krijgsbenoodigdheden, levensmiddelen en grondstoffen binnen ’s lands grenzen te houden, voor zoover zij geheel of ten deele voor de verdediging van het land of voor de voeding, kleeding of huisvesting van de bevolking in het land behooren te blijven of zonder gevaar van weder-uitvoer moeten kunnen worden ingevoerd. Over de uitvoerverboden zelve en de overwegingen, welke bij het stellen daarvan hebben gegolden, spreek ik in het volgende hoofdstuk.

Wanneer echter vaststaat, dat zij—zooals te gelegener plaatse nader zal worden aangetoond—geen ander doel hebben dan zooeven werd aangegeven, is het toch wel duidelijk dat het overtreden daarvan niet alleen indirect maar ook rechtstreeks de veiligheid van den staat in gevaar kan brengen. Aan smokkelarij volledig den kop indrukken, is onder zoo abnormale toestanden als waaronder men sedert het uitbreken van den oorlog leeft, minder dan ooit te denken. De prijsverschillen aan deze en aan gene zijde van de grens waren en zijn ten aanzien van een aantal artikelen zóó buitensporig groot, dat de verleiding om daarvan te profiteeren niet alleen in het klein voor een aantal grensbewoners, maar ook in het groot voor helaas maar al te veel kooplieden te sterk is geweest. Indien nu de Regeering er niet voor zorgt, dat kwaad binnen zoo eng mogelijke grenzen te beperken, krijgt het afmetingen, welke gevaren van verschillenden aard kunnen in het leven roepen. Wordt er gesmokkeld met het over de grenzen voeren van ten uitvoer verboden krijgsbenoodigdheden of grondstoffen daarvoor, dan ligt het gevaar dat dit voor de veiligheid hebben kan, voor de hand. Maar ook het uitvoeren van levensmiddelen kan die veiligheid ernstig schaden; men behoeft dit thans wel niet in den breede te betoogen, nu, ondanks de uitvoerverboden, de prijzen van sommige levensmiddelen tijdelijk zoozeer zijn gestegen, dat zij voor bescheiden beurzen onbereikbaar zijn geworden. Betreft het uitvoerverbod goederen, die hier niet worden voortgebracht en moeten worden ingevoerd en die van elders alleen kunnen worden verkregen, indien aan een der belligerente partijen door den importeur gegarandeerd wordt, dat hetgeen zij naar Nederland doorlaat, uitsluitend voor binnenlandsch verbruik is bestemd en zal worden gebezigd, dan brengt de goede trouw mede, dat de Regeering, welke van zulke garanties niet onkundig is, er naar vermogen toe medewerkt, om te voorkomen, dat zij worden geschonden en door de mogendheid, aan welke zij werden gegeven, als niet ernstig bedoeld zouden kunnen worden aangemerkt. Langs dezen weg kan het ontduiken van uitvoerverboden, wanneer het overschrijdt wat men het onvermijdelijk minimum zou kunnen noemen, ook gevaarlijk worden voor ’s lands neutraliteit. Afkondiging van den staat van oorlog of van beleg, mede als middel om de smokkelarij binnen de perken van dat onvermijdelijk minimum te houden, was dan ook, naar mijne stellige overtuiging, geheel in overeenstemming met het desbetreffende artikel van de Grondwet en de ter uitvoering daarvan afgekondigde wet.

Ter loops merk ik op, dat de officieele kennisgeving, in een onbewaakt oogenblik door het legerbestuur gedaan, als zou het ontduiken van uitvoerverboden wel verkeerd zijn, maar met de handhaving der neutraliteit niet te maken hebben, in elk opzicht beter achterwege ware gebleven. De opvatting waarvan het legerbestuur in die kennisgeving blijk gaf, was niet alleen niet zeer gelukkig; de legerautoriteit begaf zich, afgezien van de innerlijke waarde harer meening, door daarvan openlijk kond te doen, bovendien op een terrein, dat niet des legerbestuurs is.

§ 2. De neutraliteit ter zee.

Inhoudsopgave

De tot nog toe besproken maatregelen hadden in de eerste plaats de verdediging tegen gevaren, welke van de landzijde konden dreigen, op het oog. Het spreekt echter wel van zelf, dat ook aan de verdediging van de kust en aan het tegengaan van mogelijke gevaren, die van de zeezijde zouden kunnen rijzen, terstond de noodige aandacht werd geschonken.

Een der eerste maatregelen daartoe was het afsluiten van de doorgangen tusschen de eilanden boven de Zuiderzee door mijnversperringen, het dooven van de voor de verdediging aan de zeezijde ongewenschte kustlichten en het leggen van oorlogsbetonning ook op de Schelde. Bij dit laatste diende er rekening mede te worden gehouden, dat volgens het tractaat van 1839, in verband met de akte van het Weenercongres van 1814, de vrije vaart op deze rivier voor handelsschepen openblijven moest. Er werd dan ook een vaargeul opengelaten. Aangezien uit den aard der zaak alleen Nederlandsche loodsen met de ligging der Nederlandsche mijnen werden bekend gemaakt, had deze verdedigingsmaatregel ten gevolge, dat de vaart op de Schelde gedurende den oorlogstijd, voor zoover het Nederlandsch gebied betreft, niet langer met Belgische loodsen mogelijk was. De maatregel gaf spoedig aanleiding tot een betreurenswaardig ongeval. Den 7den Augustus 1914 liep een Noorsch schip in de Schelde op een Nederlandsche mijn. Aangezien er een Nederlandsche loods aan boord was, toen het ongeval geschiedde, erkende onze Regeering terstond hare aansprakelijkheid en gaf zij aan Noorwegen haar leedwezen over het gebeurde te kennen. De toegebrachte schade werd aan de Noorsche reederij vergoed. Dit ongeval noopte de loodsen en schippers, voortaan bij de vaart op de Schelde met meer omzichtigheid te werk te gaan. Zij wisten nu, dat de Nederlandsche mijnen, zooals een onzer marine-officieren het uitdrukte, niet met stopverf waren gevuld.

Een tweede maatregel op maritiem gebied, waartoe op voorstel van den Minister van Marine reeds op 30 Juli werd besloten, was de wijziging van het Koninklijk besluit van 30 October 1909, bepalende dat—behoudens enkele met name genoemde uitzonderingen—het aan oorlogsschepen van vreemde mogendheden toegestaan is, zich van uit zee in de Nederlandsche territoriale wateren en het daarbinnen gelegen Nederlandsch watergebied te begeven, mits zulks geschiede, om, langs den kortsten weg en met inachtneming van eenige in het Koninklijk besluit gestelde voorschriften, de meest nabij de zee gelegen reede of haven te bereiken, ten einde aldaar te ankeren en mits hun aantal, met inbegrip der reeds binnen het Nederlandsche rechtsgebied onder dezelfde vlag aanwezige oorlogsschepen, niet meer dan drie bedraagt.

De Minister van Marine zag in de handhaving dezer voor vreemde oorlogsschepen vrijgevige bepaling een bron van allerlei moeilijkheden. Niet alleen zou zij, indien er werkelijk gevaar van de zeezijde dreigde, aan een oorlogvoerende mogendheid, die ons land in den krijg wilde betrekken, gelegenheid geven vóór de oorlogsverklaring twee of drie vol bewapende oorlogsschepen over enkele onzer havens te verdeelen of in één haven te concentreeren, maar zij zou ook, bij verblijf van oorlogsschepen van één der oorlogvoerende partijen binnen Nederlandsch grondgebied, zeer gemakkelijk aanleiding hebben kunnen geven tot conflict met de tegenpartij.

Bij Koninklijk besluit van 30 Juli 1914, dus eenige dagen vóórdat ook Engeland besloten had aan den oorlog deel te nemen, op een oogenblik waarop de krijg zelfs nog tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië was beperkt, werd het Koninklijk besluit van 1909 tijdelijk buiten werking gesteld en in plaats daarvan bepaald, dat het aan oorlogsschepen of daarmede gelijkgestelde vaartuigen van vreemde mogendheden niet geoorloofd is, zich van uit zee in de Nederlandsche territoriale wateren en het daarbinnen gelegen Nederlandsche watergebied te begeven of zich daarin op te houden. Op dezen regel werden slechts enkele uitzonderingen gesteld, waarvan de belangrijkste is die voor oorlogsschepen van vreemde mogendheden in geval van nood, zeegevaar of averij.

Deze regeling ten aanzien van vreemde oorlogsschepen en daarmede gelijkgestelde vaartuigen gedurende den oorlogstijd werd met eenige aanvullingen opgenomen in de neutraliteitsverklaring van denzelfden dag in verband met den oorlog tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië, en later herhaald in de volgende neutraliteitsverklaringen in verband met de uitbreiding, welke de oorlog onderging.

Tot dezen veiligheidsmaatregel was Nederland volkenrechtelijk ten volle bevoegd. Wel paste het Koninklijk besluit van 30 October 1909 bij art. 15 van het verdrag van 18 October 1907, als resultaat van de Tweede Vredesconferentie gesloten, nopens de rechten en verplichtingen der onzijdige mogendheden in geval van zeeoorlog, maar dat verdragsartikel geldt, volgens zijn eigen bewoordingen, alleen „bij gebreke van andere bijzondere bepalingen der wetgeving van de onzijdige Mogendheid”.

De bijzondere bepaling, welke Nederland veiligheidshalve ten aanzien van vreemde oorlogsschepen bij het Koninklijk besluit van 30 Juli 1914 maakte, heeft een uitstekende preventieve werking gehad. Zij kon echter alleen doel treffen, als zij met gestrengheid werd gehandhaafd. Voor de oorlogvoerenden is zij bij enkele gelegenheden minder aangenaam geweest. Zoo voor de Duitsche duikboot, die, om snel haar doel te bereiken, te dicht onder de kust voer en daardoor in onze territoriale wateren terecht kwam. Zij raakte binnen ons gebied, bij Terschelling, in de zandbanken verward en strandde op 4 November 1915. Op grond der genoemde bepaling werd zij met haar bemanning geïnterneerd, aangezien zij niet tengevolge van bekomen averij onze territoriale wateren was binnengeloopen, maar eerst na in ongeschonden toestand daar gekomen te zijn, in het ongereede was geraakt. Deze interneering heeft tot eene wisseling van nota’s tusschen de Duitsche en de Nederlandsche Regeering aanleiding gegeven, waarbij van onze zijde het goed recht daarvan werd staande gehouden, ondanks de daartegen aangevoerde bezwaren. Nederland bleef daarbij geheel binnen de perken van zijn recht en liet zich door de betoogen van zijn machtigen nabuur niet van zijn rechtsstandpunt afdringen.

Het noodlot heeft trouwens gewild, dat eenigen tijd na de Duitsche, een Engelsche duikboot op overeenkomstige wijze onze neutraliteitsproclamatie schond en uit dien hoofde geïnterneerd werd. In Januari 1916 strandde een Britsche onderzeeboot binnen onze territoriale wateren in het Friesche gat tusschen Ameland en Schiermonnikoog. Daar het stranden van de boot hier evenmin als bij den Duitschen onderzeeër aan het bekomen van averij, vóór zij in die wateren was gekomen, kon worden toegeschreven, werd zij op gelijke wijze als deze behandeld. Er deed zich hierbij nog een incident voor, waarbij onze neutraliteitsbepalingen door een vaartuig van de Engelsche marine ten tweeden male werden geschonden. Toen de duikboot vastliep, bevonden zich Britsche torpedojagers, buiten de territoriale wateren kruisende, in de nabijheid. Door een dier vaartuigen werd, toen het ongeval was opgemerkt, een motorsloep uitgezonden om de schipbreukelingen te helpen. Die sloep nam 10 der opvarenden van de duikboot mede. De overige twaalf, waaronder de commandant, werden door de reddingboot van Schiermonnikoog aan land gebracht. Deze werden, evenals met hun Duitsche lotgenooten was geschied, geïnterneerd; de boot zelf werd, nadat zij vlot was gebracht, opgelegd op dezelfde wijze als met den Duitschen onderzeeër was geschied. Onze Regeering protesteerde bij de Britsche tegen het feit, dat een motorsloep van de Britsche marine zich in de territoriale wateren had begeven en daar een deel der opvarenden van de gestrande duikboot had afgehaald. Aangezien de reddingsboot van Schiermonnikoog reeds ter plaatse was en de redding van de geheele bemanning verzekerd was, konden voor die handelwijze geen overwegingen van menschelijkheid worden aangevoerd. De Regeering voegde aan haar protest toe, dat slechts ten gevolge van de omstandigheid, dat de reddingboot geen militaire autoriteiten aan boord had, de motorsloep weder met de door haar afgehaalde leden der bemanning van de duikboot het Nederlandsche gebied had kunnen verlaten.

De bepaling der neutraliteitsproclamatie, welke tot de interneering der beide duikbooten en hare bemanningen heeft geleid, gaf aanleiding tot een vraag, waarover zoowel met de Duitsche als met de Britsche regeering nota’s werden gewisseld. Dat die bepaling ook toepasselijk is op koopvaardijschepen die tijdelijk tot hulpkruiser zijn ingericht, was niet twijfelachtig. Zulke hulpkruisers zijn zeker met oorlogsschepen gelijk te stellen. Moeilijker echter was de beslissing ten aanzien van koopvaardijschepen, die, zooals het heet, alleen ter verdediging, en wel speciaal tegen duikbooten, een tweetal kanonnen op den achtersteven hebben. Engeland heeft zulk een defensieve bewapening zijner handelsschepen in overweging genomen en voor een deel in toepassing gebracht. Moesten zulke defensief bewapende handelsschepen, een Nederlandsche haven binnenloopend, met oorlogsschepen worden gelijkgesteld en op dien grond worden vastgehouden, tenzij hun binnenloopen gevolg was van bekomen averij? Het antwoord op deze vraag werd vooral door deze overweging beheerscht, dat al staat een aldus bewapend handelsvaartuig niet met een hulpkruiser gelijk, het onderscheid tusschen offensieve en defensieve bewapening wel op het papier maar niet in werkelijkheid is vol te houden. Het is toch meer dan waarschijnlijk, dat zulk een defensief bewapend vaartuig, als het een vijandelijke duikboot in zijne nabijheid ziet, zich zal houden aan den regel: „la meilleure façon de se défendre, c’est d’attaquer.” Het is intusschen alleen tot een uitwisseling van nota’s over deze soort vaartuigen gekomen, waarbij het door Nederland ingenomen standpunt tegenover de belligerenten, in de eerste plaats tegenover Engeland werd uiteengezet en volgehouden. Vaartuigen als de hier bedoelde hebben Nederlandsche havens niet aangedaan.

Op het stuk van vreemde oorlogsschepen bevat de neutraliteitsproclamatie, die ook door het Nederlandsch-Indische Gouvernement voor onze bezittingen aldaar werd afgekondigd, enkele bepalingen, welke in Indië met zijn uitgebreid territoriaal watergebied veel moeilijker te handhaven waren dan hier te lande, doch waaraan niettemin streng de hand gehouden worden moest en streng de hand gehouden werd, zoo dikwijls pogingen tot inbreuk daarop met reden konden worden vermoed. Ik doel hiermede in de eerste plaats op de bepaling, dat het verboden is binnen het rechtsgebied van den Staat, zonder voorafgaande machtiging der bevoegde autoriteiten ter plaatse, aan oorlogsschepen of daarmede gelijkgestelde vaartuigen van een oorlogvoerende mogendheid herstellingen aan te brengen en levensmiddelen of brandstoffen te verstrekken. Het Nederlandsch-Indische Gouvernement heeft vooral in den eersten tijd van den oorlog, toen enkele Duitsche kruisers hun beroemd geworden tochten over den Oceaan deden, meer dan eenmaal maatregelen moeten nemen om te voorkomen, dat aan zulke kruisers in Nederlandsch-Indische territoriale wateren kolen werden verstrekt.

In verband met die dolende zeeridders moest ook, zoowel in West- als in Oost-Indië, de hand worden gehouden aan de uitzonderingsbepaling van de neutraliteitsproclamatie ten gunste van oorlogsschepen of daarmede gelijkgestelde vaartuigen van een oorlogvoerende, welke binnen het rechtsgebied van de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen een haven of reede aandoen, uitsluitend met het doel om hun voorraad levensmiddelen of brandstof aan te vullen. Practisch was deze bepaling vooral van gewicht ten aanzien van het innemen van brandstof. Volgens de bepalingen der proclamatie, zich aansluitende bij het verdrag nopens de rechten en verplichtingen der onzijdige mogendheden in geval van zeeoorlog, mogen vreemde oorlogsschepen daartoe in geen geval langer dan 24 uren in de haven of op de reede blijven, en mogen hun niet meer brandstoffen worden verstrekt dan noodig is om, met inbegrip van den nog aan boord aanwezigen voorraad, de naaste haven van hun eigen land te bereiken. Hoe groot die officieel toegestane hoeveelheid wel was voor een in een Oost- of West-Indische haven binnenloopend schip als bijv. de „Leipzig” of de „Emden” viel niet zoo heel gemakkelijk te bepalen. De oplossing van deze moeilijkheid moest echter uit den aard der zaak aan de autoriteiten ter plaatse worden overgelaten.

Een tweede moeilijkheid deed zich hierbij nog voor, welke echter gelukkig van theoretischen aard is gebleven. Volgens de neutraliteitsproclamatie mag een zelfde vreemd oorlogsschip niet wederom van brandstof worden voorzien dan nadat ten minste drie maanden sedert een vorige aanvulling binnen het rechtsgebied van den staat zijn verstreken. De vraag deed zich nu voor, wat zou moeten geschieden met een kruiser, waarvan bekend was, dat hij in open zee strooptochten was blijven maken zonder naar het eigen land terug te keeren, indien hij na een tusschenpoos van drie maanden opnieuw kolen zou willen laden. Naar de letter der proclamatie zou dit toegestaan zijn; naar den geest evenwel niet. Immers de hoofdbepaling omtrent het kolenladen houdt in, dat niet meer brandstof zal worden verstrekt dan noodig is om de naaste haven van het eigen land te bereiken. Door aan een schip, dat niet naar huis terugkeert doch in open zee kaapvaart blijft uitoefenen, en zijn kolenvoorraad aanvult uit veroverde schepen of in havens van andere neutrale landen, om de drie maanden kolen te verstrekken, zou niet worden voldaan aan de bedoeling der uitzonderingsbepaling, er toe strekkende een oorlogsschip, uit menschelijkheidsoverwegingen, gelegenheid te geven naar huis terug te keeren, maar zouden onwillekeurig aan een der strijdvoerenden, tegen de bedoeling der kolenbepaling in, handlangersdiensten worden bewezen. Zooals reeds werd opgemerkt, bleef ook deze kwestie intusschen alleen van academische beteekenis.

Hier te lande moest al heel spoedig aan enkelen onzer eigen landgenooten worden ingescherpt, dat ook zij zich aan de neutraliteitsbepalingen hadden te onderwerpen en het land niet door daarmede strijdige handelingen in oorlogsgevaar mochten brengen. Art. 13 der neutraliteitsproclamatie verbiedt, binnen het rechtsgebied van den Staat ten behoeve van een oorlogvoerende natie vaartuigen, voor militaire doeleinden bestemd, uit te rusten, te bewapenen of te bemannen of zoodanige vaartuigen aan een belligerent toe te voeren of te verschaffen. In de allereerste weken van den oorlog nu kwam aan de Regeering een poging ter oore, die in vrij vergevorderden staat van uitvoering bleek te zijn, om ten behoeve van het Duitsche Rijk een aantal stoomtrawlers en sleepbooten aan te koopen. Het was niet twijfelachtig dat, indien die koop was doorgegaan, de bedoelde schepen voor oorlogsdoeleinden zouden zijn gebezigd. Onverwijld werden de noodige maatregelen genomen om de Nederlandsche tusschenpersonen, die zich tot deze transactie hadden geleend, op het ongeoorloofde van hun medewerking te wijzen; dientengevolge kon worden belet, dat de uitvoering der reeds begonnen poging werd voltooid.

Als tegenhanger van dit geval vermeld ik hier, dat ook tegen overtreding van een ander artikel der neutraliteitsproclamatie eenige malen moest worden opgekomen. Het door mij bedoelde artikel behelst het verbod om binnen het rechtsgebied van den Staat ten behoeve der oorlogvoerenden strijderskorpsen te vormen of aanwervingsbureaux te openen.

Deze bepaling werd van practisch belang, eenigen tijd nadat Antwerpen was gevallen en België zoo goed als geheel in handen van Duitschland was gekomen. Niet alleen bleek toen, dat verschillende hierheen gevluchte Belgische jonge mannen zich individueel en uit vrije beweging bij het in Noord-Frankrijk strijdende Belgische leger gingen vervoegen, wat geheel geoorloofd was; maar ook dat door meer of minder openlijk optredende wervingsbureaux pogingen werden in het werk gesteld, om hunne indiensttreding te bevorderen en hen groepsgewijze naar Engeland te vervoeren. Zoo vaak van zulke pogingen iets bleek, werden zij, krachtens de neutraliteitsproclamatie, in haar geboorte gesmoord.

De verovering van België en vooral de val van Antwerpen gaf ook practische beteekenis aan het artikel der neutraliteitsproclamatie, dat het vervoer van convooien van munitie of levensmiddelen over Nederlandsch territoir verbiedt. De vrije doorvoer van koopmansgoederen tusschen België en Duitschland of omgekeerd, over onze water- en landwegen, gelijk die vóór den oorlog bestond, bleef natuurlijk ongehinderd voortduren. Echter ontstond in en door den nieuw geschapen toestand gevaar, dat onze waterwegen zouden worden gebruikt om munitie en andere legerbenoodigdheden van Duitschland naar Antwerpen te vervoeren, of dat door oorlogsdaden verkregen zaken van daar uit over ons land naar Duitschland zouden worden gebracht. Aan de Duitsche regeering werd uit dien hoofde medegedeeld, dat hoewel de door verschillende tractaten en inzonderheid door de Rijnvaart-akte gewaarborgde vrije doorvoer door ons land tusschen Duitschland en België ongerept zou blijven, deze ten aanzien van krijgsbuit of van oorlogsbenoodigdheden niet kon worden toegestaan, aangezien dit ons in conflict zou brengen met onzen onzijdigheidsplicht. De noodige maatregelen werden getroffen om, door samenwerking tusschen daartoe aangewezen ambtenaren van Buitenlandsche Zaken met de douane-ambtenaren en de leger-autoriteiten aan de grens, ervoor te zorgen dat aan dit neutraliteitsverbod de hand zou worden gehouden. Voor zoover ik mij herinner, behoefde geen enkele maal tegen eene poging tot overtreding daarvan te worden opgekomen.

Had deze zaak betrekking op de Rijnvaart, de vaart op de Schelde gaf aanleiding tot een gedachtenwisseling, reeds voordat Antwerpen in de macht van Duitschland was gekomen. Zij betrof een vijftigtal Duitsche en Oostenrijksche handelsschepen, die bij den aanvang van den oorlog in de haven van Antwerpen lagen en als gevolg van den strijd in de macht van de Belgische regeering waren gekomen. In het begin van September 1914 werd mededeeling ontvangen dat de Britsche regeering voornemens was, die schepen met eene niet-militaire bemanning over de Schelde naar Engeland te voeren. Zij beriep zich ter rechtvaardiging van dit voornemen op het tractaat van Londen van 19 April 1839, dat de vrije vaart over de Schelde waarborgt. Onze Regeering maakte daartegen bezwaar. Zij wees het beroep van Engeland op het verdrag van 1839 af, aangezien het hier schepen gold, die door een oorlogsdaad in handen van de Belgische regeering waren gekomen en die, als zij met een Britsche bemanning over de Schelde zouden worden vervoerd, niet met een handelsoogmerk de Schelde zouden bevaren. Het tractaat van 1839 beperkt, in verband met art. 109 van de akte van het Weener congres van 9 Juni 1815, de vrije vaart op de Wester-Schelde uitdrukkelijk „tot de vaart met opzigt tot den koophandel” en was dus op dit geval niet van toepassing. Het gold hier schepen, waarvan de rechtstoestand onzeker was, maar waarvan vaststond dat zij zonder oorlogsdaad niet ter beschikking van de Belgische noch van de Engelsche regeering zouden hebben gestaan. Hoewel het artikel der neutraliteitsproclamatie, behelzende dat prijsgemaakte schepen, behalve wegens onzeewaardigheid, slechte gesteldheid der zee of gebrek aan brandstof of aan levensmiddelen, niet in het rechtsgebied van den Staat mogen worden binnengebracht, hier niet letterlijk van toepassing was, was het toch noodig, ter handhaving onzer onzijdigheid, in dit geval naar analogie van dat neutraliteitsvoorschrift te handelen. In dien zin werd dan ook aan Engeland geantwoord. Indien deze schepen de grenzen zouden overschrijden en op het Nederlandsch gedeelte van de Schelde zouden komen, zouden zij worden geïnterneerd tot aan het einde van den oorlog en dan worden teruggegeven aan dengene, die alsdan zou blijken daarop recht te hebben.

Na deze verklaring van onze zijde heeft Engeland aan zijn voornemen te dezen aanzien geen gevolg gegeven. De houding ten aanzien van die schepen tegenover Engeland aangenomen, bracht van zelf mede, dat toen Antwerpen was gevallen en in handen van Duitschland was gekomen, de bewuste schepen evenmin op de Schelde konden worden toegelaten. Zij waren toch door een oorlogsdaad weder onder andere oorlogvoerende heerschappij gekomen. Toen dan ook enkele dier schepen later niettemin in ons land kwamen, werden zij tot aan het eind van den oorlog in bewaring gesteld. Aan wie zij dan zullen worden afgegeven, is thans nog niet aan de orde.

§3. Interneering; luchtvaart.

Inhoudsopgave

Onder de neutraliteitsbepalingen is er één, welker toepassing op het publiek zeer grooten indruk heeft gemaakt en die aan de militaire autoriteiten, vooral in de eerste weken van October 1914, de handen vol werk heeft gegeven. De bepaling namelijk dat troepen of militairen, behoorende tot of bestemd voor de oorlogvoerenden, komende binnen het gebied van den Staat te land, onmiddellijk worden ontwapend en tot het einde van den oorlog worden geïnterneerd. Toen zij, eveneens als uitvloeisel van het algemeen erkende volkenrecht (Tractaten van 1907 als gevolg van de Tweede Haagsche Vredesconferentie) werd opgenomen, werd niet vermoed, dat er op zóó groote schaal van zou moeten worden gebruik gemaakt. De snelle verovering van Antwerpen deed een deel van het Belgische leger alsmede van de ter hulp gekomen Engelsche troepen den 10den October 1914 over onze grenzen in Staatsvlaanderen de wijk nemen. Hun aantal steeg weldra tot omstreeks 30.000. Het spreekt van zelf, dat het ontwapenen en onder dak brengen van een zóó groot aantal soldaten heel wat voeten in de aarde had, te meer omdat zoowel de militaire als de burgerlijke autoriteiten in diezelfde dagen overstelpt waren met werk in verband met den stroom van Belgen die, wegens de belegering van Antwerpen, over onze grenzen een goed heenkomen zochten. Op die vluchtelingen kom ik hieronder in hoofdstuk III § 2 terug.

De interneering van de over onze grenzen gekomen Belgische en Engelsche legerafdeelingen gaf wel practische maar geen volkenrechtelijke moeilijkheden. Dat deze militairen geïnterneerd moesten worden, was niet aan den minsten twijfel onderhevig. Niet altijd evenwel lag de zaak juridiek zoo eenvoudig. Opdat onderdanen van een oorlogvoerende mogendheid bij het overschrijden der grenzen in de termen vallen van te worden ontwapend en geïnterneerd, moeten zij in de eerste plaats behooren tot of bestemd zijn voor den militairen dienst en in de tweede plaats binnen het gebied van den staat „komen”, d. w. z. uit vrijen wil de grenzen overschrijden en niet tegen hun wil of door omstandigheden onafhankelijk van hun wil binnen het rechtsgebied van den staat worden gebracht.

De eerste dezer voorwaarden voor de interneering is niet aanwezig bij deserteurs noch bij gevluchte krijgsgevangenen. Beide categorieën van personen hebben wel behoord tot de krijgsmacht van een oorlogvoerende mogendheid, maar behooren daartoe niet meer op het oogenblik dat zij de grenzen overschrijden. Het tractaat van 1907 betreffende de rechten en verplichtingen van onzijdige mogendheden en personen ingeval van oorlog te land, bepaalt trouwens uitdrukkelijk dat ontvluchte krijgsgevangenen worden vrijgelaten. Het is intusschen niet altijd even gemakkelijk na te gaan of over de grenzen komende militairen tot een van de beide genoemde categorieën behooren. Bij ontsnapte krijgsgevangenen zullen de omstandigheden in den regel wel van dien aard zijn, dat zonder veel moeite is vast te stellen of men hunne verklaringen vertrouwen kan en zal dus de beslissing dat zij buiten de interneeringsbepalingen vallen, wel zoo goed als altijd vrij gemakkelijk zijn te nemen.

Met deserteurs staat de zaak ietwat anders. Daar is groote voorzichtigheid geboden. Men kan niet zonder meer iederen militair van een der oorlogvoerenden, die de grenzen overkomt onder het beweren dat hij deserteur is, vrij laten rondloopen. Dit zou volkenrechtelijk onjuist zijn en voor het land gevaarlijk kunnen worden. Men behoeft daarvoor slechts te denken aan den omvang dien de spionnagediensten der oorlogvoerenden in dezen krijg hebben gekregen. De opvatting die in militaire kringen schijnt te heerschen, dat zoolang een militair zijne distinctieven als zoodanig draagt, hij beschouwd moet worden nog tot den troep te behooren en dus moet worden geïnterneerd, als hij over de grenzen komt, acht ik even weinig houdbaar, als het aanmerken en behandelen als deserteur van iederen vreemden militair, die voorgeeft dit te zijn. Het is toch zeer wel mogelijk dat een vreemde soldaat, wien het inderdaad er om te doen is, desertie te plegen, aan dit voornemen alleen gevolg kan geven, indien hij er zich zorgvuldig van onthoudt zijne militaire distinctieven af te leggen, zoolang hij de grenzen niet gepasseerd is. Bovendien ligt niet voor iederen deserteur een pakje burgerkleederen aan de grens gereed. Deze mij onhoudbaar toeschijnende opvatting heeft voorts een bedenkelijken kant ook voor het land zelf, speciaal in verband met het steeds aanwezige spionnagegevaar. Zij leidt er namelijk zoo licht toe, iederen vreemden militair, die vóór het overschrijden van de grens zijn militaire uniform voor een burgerpak heeft weten te verwisselen, zonder meer als deserteur aan te merken. Dat zulk eene conclusie aan militaire spionnen maar al te gelegen zou komen, behoeft wel geen betoog. Er zit dan ook niet anders op, dan elk geval op zich zelf te beoordeelen en van een zoo nauwkeurig mogelijk onderzoek te doen afhangen of men werkelijk met een geval van desertie heeft te maken. Bij twijfel blijve men aan den voorzichtigen kant, dat is hier de interneering.

Heel anders ligt de zaak, als bij het einde van den oorlog de interneering wordt opgeheven. Geïnterneerden mogen vóór het einde van den oorlog het land niet verlaten. Dit brengt echter niet mede, dat men verplicht zou zijn, hen na den krijg tegen hun wil uit te leveren aan de mogendheid tot welker krijgsmacht zij behoorden. Dit zou ten aanzien van deserteurs of van militairen die vreezen dat zij, in hun land teruggekeerd, als deserteurs zullen worden aangemerkt, onmenschelijk zijn. Wie eenmaal geïnterneerd is, blijft geïnterneerd tot aan het einde van den oorlog. Of hij gedurende zijne interneering door den oorlogvoerende tot wiens leger hij behoort, tot eenige straf wordt veroordeeld of van den militairen stand wordt vervallen verklaard, is voor den Staat die hem interneerde, onverschillig. De regeering van den interneerenden Staat heeft met hem alleen te maken afgaande op den toestand, waarin zij hem vond, toen hij geïnterneerd werd. Het eenige gevaar dat de interneerende Staat daarbij loopen kan, is van financieelen aard en zinkt als zoodanig weg tegenover de andere financieele lasten, die de oorlogstoestand oplegt. De Staat kan namelijk de verplegingskosten niet terugeischen van die militairen, van wie door den oorlogvoerende tot wiens leger zij hebben behoord, wordt bewezen, dat zij als deserteurs over de grenzen zijn gekomen. Houdt de oorlog op, dan krijgt ieder oorlogvoerende zijne soldaten terug, met dit voorbehoud dat ieder hunner, die maar eenigszins aannemelijk maakt, dat hij gevaar loopt als deserteur te worden behandeld of dat hij zal worden gestraft voor een feit, waarvoor geen uitlevering kan worden gevraagd, indien hij dit verkiest, hier kan blijven. Men zal in zulke gevallen ook de vreemdelingenwet, die hier toch al niet met overgroote gestrengheid wordt toegepast, uit menschelijkheidsoverwegingen zeer mild moeten uitvoeren. Maar zoolang de oorlog duurt, hecht het Departement van Oorlog aan beweringen van eenmaal geïnterneerden, dat zij deserteur zijn, terecht niet al te veel. Het zou anders een te gemakkelijk middel zijn, om zich aan de interneering te onttrekken en zich weer bij het strijdende leger te voegen.

Het tegen den wil of door omstandigheden buiten den wil van de betrokkenen binnen het gebied van den Staat worden gebracht, heeft zich eenige malen ten aanzien van militairen behoorende tot de oorlogvoerenden voorgedaan en heeft in die gevallen er terecht toe geleid, dat die militairen niet werden geïnterneerd. In het begin van den oorlog is dit gebeurd met Duitsche en Belgische krijgers, die in de nabijheid van de Nederlandsch-Belgische grens gewond en bewusteloos op het slagveld werden gevonden en door de zorgen van het Roode Kruis of van particuliere verplegers naar een Nederlandsch hospitaal in de nabijheid werden vervoerd. Zulke gewonde soldaten werden na hun herstel geheel vrijgelaten in hun beweging. Hetzelfde geschiedde met de matrozen van de eveneens in het begin van den oorlog getorpedeerde Engelsche kruisers Aboukir, Cressy en Hogue, die door Nederlandsche handelsvaartuigen in volle zee werden opgepikt en hier te lande werden gebracht. Ook zij werden terecht niet geïnterneerd. Het zeeoorlogsrecht geeft geen voorschrift omtrent hetgeen in het geval dezer schipbreukelingen had te geschieden, maar de algemeene beginselen der onzijdigheid wezen hier in de richting der vrijlating. Na den slag van het Skagerak profiteerden eenige Duitsche matrozen van deze humane toepassing der interneeringsregelen. Toch moesten hierover vóór dien tijd nog eenige nota’s met de Duitsche regeering worden gewisseld.

Dat de Staat behoort te zorgen niet alleen voor de behoorlijke verpleging maar ook voor de behoorlijke bewaking der geïnterneerden (het laatste voorzoover dezen niet op parool vrijheid van beweging binnen ’s lands grenzen is gegeven) spreekt evenzeer van zelf, als dat het schenden van het gegeven parool verregaand onbehoorlijk is en gestraft wordt met strenge bewaking, als men de woordbrekers weer te pakken kan krijgen.

In verband met de interneering zijn ook vragen gerezen ten aanzien van luchtschepen en vliegeniers. Wat de luchtschepen betreft, is de moeilijkheid tot nog toe van theoretischen aard gebleven; ten aanzien van de vliegeniers daarentegen heeft zij zich ook practisch voorgedaan. De neutraliteitsproclamatie houdt daaromtrent niets in. De Regeering heeft echter bij Koninklijk besluit van 3 Augustus 1914, het overschrijden van de landsgrenzen aan vreemde luchtvaarders voor den duur van den oorlogstoestand verboden en terstond aan de oorlogvoerenden doen weten, dat zij het varen van vreemde luchtschepen en het vliegen van vreemde vliegeniers boven ons grondgebied als schending onzer souvereiniteit en neutraliteit beschouwt. De volkenrechtelijke kwestie welke achter deze zaak verscholen ligt, laat ik rusten; zij heeft—gegeven het principieele standpunt dat Nederland, zonder protest van één der oorlogvoerenden ten aanzien der luchtschepen en vliegeniers van oorlogvoerenden, heeft ingenomen—geen beteekenis. Daarvan uitgaande zijn boven het Nederlandsch gebied varende vreemde luchtschepen of vliegende aëroplanen door onze militairen terecht beschoten. Heeft die beschieting—gelijk een enkele maal bij een vliegtuig is voorgekomen—het effect, dat de vliegenier of het luchtschip genoodzaakt wordt binnen Nederlandsch gebied te landen, dan is er geen twijfel aan, dat de inzittenden vallen onder de interneeringsbepalingen. Zij behooren tot de militaire macht van een der oorlogvoerenden, zij zijn boven (wat, gegeven de principieele opvatting waarvan ik zoo even sprak, gelijk staat met „binnen”) het gebied van den staat gekomen en zij zijn neergeschoten, omdat dit het eenige middel was, om hen te ontwapenen en te interneeren.

Het standpunt onzer Regeering in zake de luchtvaart van belligerenten heeft nog aanleiding gegeven tot een wisseling van nota’s met de Duitsche regeering ter zake van het Duitsche luchtschip, dat op 1 Februari 1916 over ons grondgebied voer, door de kustwacht uit dien hoofde werd beschoten en later met de geheele bemanning in de Noordzee verongelukte. De Duitsche regeering verweet ons naar aanleiding van dit voorval, dat de Nederlandsche militaire autoriteiten, door blijkbaar zonder voorafgaande waarschuwing te vuren op een luchtschip, dat geacht kon worden door overmacht boven het Nederlandsch grondgebied te zijn gekomen, in strijd met het volkenrecht en de wetten der menschelijkheid hadden gehandeld.

Naar aanleiding van dat ongegronde verwijt schrijft de Minister van Buitenlandsche Zaken in het in Juli 1916 verschenen Oranjeboek: „Ondergeteekende heeft dit schrijven met een Nota-Verbale d.d. 18 Maart beantwoord, waarin nogmaals uitvoerig de zienswijze der Regeering te dezer zake werd uiteengezet. Overigens werd aangetoond dat het luchtschip, dat geen enkel teeken had gegeven van averij te hebben of te willen landen, herhaaldelijk was gewaarschuwd zich boven neutraal gebied te bevinden, en dat de militaire autoriteiten de wetten der menschelijkheid hadden in acht genomen zoover als dit met haar plicht, de onschendbaarheid van het territoir te doen eerbiedigen, slechts eenigszins was overeen te brengen”.

Eenigszins moeilijker ligt de zaak, wanneer het luchtschip of het vliegtuig niet wordt neergeschoten maar door eenigerlei averij gedwongen wordt binnen het gebied van den Staat te landen. Men is dan aanvankelijk geneigd analogie te zoeken met de neutraliteitsbepaling betreffende oorlogsschepen, welke wegens averij een Nederlandsche haven binnenloopen en die na herstel weder mogen vertrekken. Toch brengt eenig nadenken spoedig tot het inzicht, dat de zaak hier zóó geheel anders ligt, dat van analogische toepassing dier bepaling geen sprake zijn kan. Het vreemde oorlogsschip, dat wegens averij een onzer havens binnenloopt, schendt op geen enkel oogenblik onze neutraliteit. Het vreemde luchtschip of vliegtuig daarentegen kan alleen dan wegens averij gedwongen worden hier te dalen, als het in strijd met de Nederlandsche souvereiniteit en neutraliteit, welke het had te eerbiedigen, reeds boven ons territoir voer of vloog. Het enkele feit dat het hier wegens averij landen moet, bewijst dus reeds dat het de Nederlandsche souvereiniteit had geschonden, vóór het averij kreeg en tot neerstrijken werd gedwongen. Mocht het weer voorkomen, dat Duitsche luchtschepen, gaande naar Engeland of daarvan terugkomende, over ons land varen, en mocht bij zulk een gelegenheid een dezer schepen wegens averij binnen onze grenzen moeten dalen, dan zou het buiten twijfel zijn, dat het tot na den oorlog zou moeten worden opgeborgen en dat de inzittenden behoorden te worden geïnterneerd. Met luchtschepen heeft zich deze kwestie nog niet practisch voorgedaan; daarentegen wèl met een Duitsch watervliegtuig dat, tengevolge van averij ten Noorden van Schiermonnikoog in zee was neergedaald en naar de kust van dit eiland was gedreven en daar geland. De bemanning daarvan werd geïnterneerd, ondanks protest van de Duitsche regeering.

Naast de hier genoemde theoretische gronden voor de gedragslijn, welke de Regeering zich in deze kwestie heeft gesteld, is er nog een bij uitnemendheid practische militaire overweging, welke in dezelfde richting wijst en die tevens het principieele standpunt steunt, dat Nederland bij het Koninklijk besluit van 3 Augustus 1914 ten aanzien van de luchtvaart van oorlogvoerenden heeft ingenomen. Het enkele feit van het varen of vliegen boven het Nederlandsche gebied stelt den luchtvaarder of den vliegenier in staat, waarnemingen te doen omtrent- en opnemingen te doen van Nederlandsche verdedigingswerken en kan dus onze veiligheid in gevaar brengen.

Deze laatste overweging schraagt ook het standpunt, dat Nederland tegenover Duitschland heeft ingenomen ten aanzien van luchtschepen, waarvan terecht of ten onrechte wordt beweerd, dat zij bij vergissing, tengevolge van de weersgesteldheid, boven ons land zijn terecht gekomen. Zoodra de bestuurder van een oorlogvoerend luchtschip zulk een vergissing bemerkt, is hij verplicht langs den kortsten weg zich buiten het Nederlandsche rechtsgebied te begeven. Hij mag zich dan niet bevoegd achten langs den kortsten weg naar zijn eigen land terug te keeren, wanneer die niet tevens de kortste is om buiten ons gebied te komen. Terecht heeft onze Regeering dit standpunt tegenover Duitschland met beslistheid volgehouden. Elke afwijking daarvan zou de deur wagenwijd openzetten voor niet te controleeren en niet te achterhalen schendingen van ons rechtsgebied door oorlogvoerende luchtvaarders.

In verband met de luchtvaart heeft de Regeering nog voor een moeilijkheid gestaan, die wel niet rechtstreeks met het belang van Nederland had te maken, maar waarbij zij zich de vraag had voor te leggen, of de voorschriften der onzijdigheid wel met de eischen der menschelijkheid waren overeen te brengen. De neutraliteit brengt mede, dat het verspreiden van berichten over de waarneming, van Nederlandsch grondgebied uit, omtrent bewegingen van oorlogvoerende strijdkrachten, zooveel mogelijk worde tegengegaan. Om aan dezen eisch der onzijdigheid te voldoen worden berichten van nieuwsagenten omtrent bewegingen van belligerente oorlogsschepen gedurende 6 uren opgehouden. Deze maatregel wordt ook toegepast ten aanzien van waargenomen bewegingen van vreemde vliegeniers en vreemde luchtschepen. Voor zoover betreft Duitsche luchtschepen, die naar Engeland koersten, gaf dit in sommige kringen aanleiding tot ontstemming, voortspruitende uit de omstandigheid, dat de Duitsche luchtraids, voor zoover zij menschenlevens kosten, in hoofdzaak weerlooze burgers treffen en dus tot de meest inhumane oorlogsverrichtingen behooren van den thans woedenden krijg, waarin de vindingrijkheid op het gebied der verdelging van elkanders leven en gezondheid over het algemeen toch reeds een met alle menschelijkheid spottende hoogte heeft bereikt. Toch kon en mocht men, zonder schending van de neutraliteit ten aanzien van de Duitsche luchtschepen, van den gestelden regel niet afwijken. Het zou trouwens niet aangaan, dat neutrale staten hunne onzijdigheidsmaatregelen deden afhangen van de mate van weerzin, welke door bepaalde oorlogshandelingen der belligerenten bij hen werd gewekt. Elk objectief kenmerk van beoordeeling zou dan ontbreken en men zou door gevoelsoverwegingen al heel spoedig in zeer gevaarlijk vaarwater worden gevoerd. Natuurlijk stond de zaak geheel anders, wanneer het een luchtschip betrof, dat de onzijdigheid van het Nederlandsche territoir niet had geëerbiedigd en zijn weg ten deele over ons gebied had genomen. In dat geval bleef bekendmaking daarvan aan den tegenstander, langs telegrafischen weg, zonder de minste vertraging vrij. De neutraliteit werd dan niet geschonden door de berichtgeving, maar was geschonden door den luchtschipper omtrent wien bericht gegeven werd.

§ 4. Gevaarlijke bakerpraatjes.

Inhoudsopgave

Tot slot van dit hoofdstuk vermeld ik nog een tweetal bakerpraatjes, waarvan vooral het eerste aan het land veel kwaad heeft gedaan en aan de Regeering veel last en onaangenaamheid bezorgd heeft.

Toen het Duitsche leger, om snel in Noord-Frankrijk te komen, de neutraliteit van België schond en zich een weg baande door het land van onze Zuidelijke naburen, dook al heel spoedig het gerucht op, dat Nederland zou hebben toegelaten, dat bij dien opmarsch Duitsche troepen ook over Nederlandsch grondgebied trokken. Vooral in Frankrijk werd dit verhaal als waarheid aanvaard en werd het ondanks officieele tegenspraak met hardnekkigheid staande gehouden. In de „Illustration” verscheen zelfs een kaartje, aanduidende hoe het Duitsche leger door België was getrokken; de richtingen werden daarop door pijltjes aangegeven; een dier pijltjes wees den weg van Duitschland naar België over het zuidelijk deel van Nederlandsch Limburg. Hoewel hier bij de Regeering genoegzaam bekend was, dat het heele verhaal uit de lucht was gegrepen en dat de Duitsche legeraanvoerders niet slechts bevel hadden ontvangen de Nederlandsche grens zorgvuldig te ontzien, maar dat bevel ook met de grootste nauwgezetheid hadden opgevolgd, wierp het praatje een zóó valsch en te gelijk zóó gevaarlijk licht op ons land en zijne Regeering, dat het noodig was de onjuistheid daarvan zóó voldongen vast te stellen, dat het niet alleen hier te lande maar ook bij de geallieerden zou worden erkend voor wat het was: een kwaadaardig kletspraatje. Er had daartoe een speciaal onderzoek door de militaire overheid plaats, waaromtrent uitvoerige mededeelingen zijn opgenomen in het Oranjeboek, dat in October 1915 door het Ministerie van Buitenlandsche Zaken werd uitgegeven. Zooals van te voren vaststond bij ieder, die op de hoogte was van de werkelijke toedracht, bewees dat onderzoek op een wijze, die zelfs voor den meest kwaaddenkende overtuigend zijn moest, dat de Nederlandsche grens door het Duitsche leger op geen enkel punt was geschonden.

Ter rechtvaardiging van het ontstaan en van de verspreiding van het praatje, als zou Nederland handlangersdiensten aan het Duitsche leger hebben bewezen, valt dan ook niets hoegenaamd aan te voeren; het kan integendeel niet genoeg worden betreurd en gelaakt, dat zulk een sprookje zonder eenigen grond ontstaan en verspreid worden kon en dat zij die zich daaraan schuldig maakten, niet beseften, welke ernstige gevolgen het wekken van een valschen schijn bij een der oorlogvoerende partijen omtrent Nederlands houding ten aanzien van den vijand, voor ons land had kunnen hebben en welk een verantwoordelijkheid zij door hun grondelooze en grenzelooze kwaaddenkendheid en lichtgeloovigheid tegenover Nederland op zich namen. Voor zoover er onder onze eigen landgenooten zijn, die aan de verspreiding van het gerucht mede schuld hebben, is hun bedrijf in zoo hooge mate ergerlijk, dat er geen woorden voor zijn te vinden om het naar waarde te brandmerken.

Voor buitenlanders kon althans nog ter verontschuldiging dienen, dat de Duitsche heerbaan op enkele punten, zooals bij Vaals en bij Kerkrade, zóó rakelings langs de Nederlandsche grens loopt, dat men van Nederlandsch grondgebied uit aan militairen, die op dien weg voorbijtrekken de hand kan reiken; dat het nieuwe grijze uniform onzer infanteristen zooveel gelijkenis vertoont met het Duitsche uniform voor dit wapen, dat vergissing omtrent de nationaliteit van een voorbijtrekkenden troep voor een buitenlander mogelijk is en, last not least, dat men in de oorlogvoerende landen, vooral in het begin van den oorlog, begrijpelijkerwijze, te gelijk zóó zenuwachtig en zóó wantrouwend was, dat elk praatje omtrent heulen met den tegenstander, zoodra het omtrent een neutralen staat eenmaal was gelanceerd, er een bij uitstek gunstigen voedings- en verspreidingsbodem vond. Voor Nederlanders die de verspreiding van het even valsche als gevaarlijke en kwaadaardige gerucht mede op hun geweten hebben, is niet de minste verontschuldiging aan te voeren.

Zelfs nadat zonneklaar en onomstootelijk was vastgesteld, dat van schending van de Nederlandsche grens door het Duitsche leger op geen enkel punt en op geen enkel oogenblik sprake is geweest, heeft het praatje niet opgehouden aan Nederland schade te doen. De buitenlandsche regeeringen hebben het ten slotte wel op de juiste waarde, dat wil hier zeggen: onwaarde, geschat en verdere verspreiding ervan, naar vermogen, tegengegaan. Maar daarmede was het kwaad niet gestuit. Zulke praatjes blijven nawerken onder allerlei kringen van de bevolking, en daarbij geldt helaas niet dat de waarheid de leugen wel achterhaalt. Wanneer Nederland en zijne Regeering bij het Fransche volk sympathie hebben verspeeld en zelfs bij maar al te velen onzer Gallische broeders in een kwaad blaadje zijn gekomen, heeft het valsche gerucht omtrent het oogluikend toelaten van schending onzer grenzen door Duitsche troepen daartoe meer dan iets anders bijgedragen. De franschgezinden onder de Nederlanders die aan de verspreiding daarvan mede schuld hebben, hebben eer van hun werk; zij hebben meer bijgedragen tot het kweeken van verwijdering tusschen Franschen en Nederlanders dan alle pro-duitsche propagandisten bij elkaar.

Van hetzelfde allooi, maar gelukkig van veel minder practische beteekenis, was het later uitgebroed sprookje, dat er een geheim verdrag tusschen Nederland en Duitschland in verband met den oorlog zou zijn gesloten. Dit verhaal is op zich zelf niet minder kwaadaardig en niet minder gevaarlijk; men kan voor niemand eenige verontschuldiging vinden, die aan het ontstaan of de verspreiding ervan heeft meegedaan. Hoewel het zijn ronde begon op een oogenblik toen de gemoederen reeds wat waren gekalmeerd en niet meer zoo ontvankelijk waren voor elk sensatiebericht, hoe onwaar en hoe onwaarschijnlijk het ook zijn mocht, heeft het toch nog zooveel stof opgeworpen, dat het de eer kreeg in de vergaderingen van de beide Kamers der Staten-Generaal te worden besproken. Het kón daar met de meeste beslistheid van regeeringswege worden tegengesproken en het werd met de meeste beslistheid tegengesproken; het eerst in een interruptie van den heer Cort van der Linden, zoodra er in de Kamer van werd gerept.

Zooals ik reeds opmerkte, is het in zijn gevolgen minder ernstig geweest dan dat van de beweerde toelating van schending onzer grenzen door Duitsche troepen; maar dat zij, die aan het ontstaan en de verspreiding van de verdrag-legende schuldig zijn, daarmede minder kwaad brouwden dan met het andere sprookje werd gesticht, kan men niet eens te hunner verontschuldiging aanvoeren. Het is te danken aan omstandigheden onafhankelijk van hun wil. Ware het ontstaan op een oogenblik van even groote algemeene opgewondenheid, als in Augustus 1914 heerschte, of ware het door de Fransche pers even gretig opgenomen en verspreid als zijn leugenbroeder uit die dagen, dan zou het in zijn uitwerking aan dezen niets hebben toegegeven. De duim waaruit het is gezogen, verdiende ten overstaan van Neerlands volk te worden verbrijzeld.

HOOFDSTUK II.
DE LEVENSMIDDELENVOORZIENINGEN.

Inhoudsopgave

§ 1. Beperking van den uitvoer.

Inhoudsopgave

De oorlogstoestand heeft op bij uitstek voelbare wijze aan ieder duidelijk gemaakt, welk een beteekenis het ongestoord interlocaal en internationaal verkeer voor het economische leven in de moderne maatschappij heeft. Toen in de eerste weken van Augustus 1914 het verkeer hokte, stonden alle economische vragen op eens onder een gansch ander licht, dan in normale omstandigheden en verlangden zij een gansch andere oplossing. Door de spoorwegvordering stond het goederenverkeer te land in die weken vrijwel stil; het scheepvaartverkeer was lam gelegd, niet alleen door de onzekerheid omtrent het lot dat aan ons land zou worden beschoren, maar ook door de onbekende gevaren waaraan de oorlog ter zee de scheepvaart, inzonderheid op de Noordzee, zou kunnen blootstellen. De binnenschipperij miste als terugslag van den stilstand in de groote scheepvaart en in het goederenvervoer op de spoorwegen voeding en werk. Daarbij kwam dat er gegronde vrees heerschte voor kolengebrek, zoo niet voor kolennood. Tot overmaat van ramp ontwrichtten de maatregelen, die door de oorlogvoerenden, in de eerste plaats door Engeland als feitelijk beheerscher der zee werden genomen, het internationaal verkeer geheel en al. Dit een en ander legde aan de Regeering, inzonderheid aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel den plicht op, vóór alles er voor te zorgen, dat geen gebrek aan de noodige levensmiddelen zou ontstaan. Daarbij had zij het hoofd koel te houden en moest zij zich niet laten meesleepen, tot het nemen van goed bedoelde maar in hun gevolgen bedenkelijke maatregelen, waarop zoowel in als buiten de Staten-Generaal werd aangedrongen.

Toen in de gedenkwaardige vergadering van de Tweede Kamer van 3 Augustus 1914 door den heer Troelstra werd opgemerkt, dat het niet voldoende zou zijn, waren beschikbaar te stellen tegen een maximalen prijs en dat er meer noodig was voor „de doodeenvoudige politiek dat er in Nederland geen honger zal worden geleden”, gaf ik daarop ten antwoord:

„Op het oogenblik toe te zeggen de indiening van een wetsontwerp, waarbij aan de bevolking, die dat noodig heeft, om niet door den Staat levensmiddelen zouden worden verstrekt, acht ik niet noodig en niet gewenscht. Niet gewenscht om een tweetal redenen. Vooreerst omdat de staat dat wel zal kunnen decreteeren op papier, maar het buitengemeen moeilijk zijn zou, dat onmiddellijk tot uitvoering te brengen, en verder omdat daarmede wat den kleinhandel aangaat, het economisch verkeer, naar ik vrees, nog meer zal worden geschokt dan op het oogenblik reeds het geval is.

„Hierover toch behoeven wij wel niet te twijfelen; wanneer er een wet was, waarbij onder zekere voorwaarden,—wij kunnen zeer goed begrijpen, in deze kritieke tijden, dat men de voorwaarden, die men stellen zou, toch niet streng zou kunnen toepassen—aan de bevolking die het noodig had, om niet levenswaren werden ter beschikking gesteld, dan zou niet alleen het verkeer—dat nu reeds wat den internationalen handel en het kredietwezen betreft, zeer verstoord is—maar ook de kleinhandel op zeer bedenkelijke wijze verstoord worden.

„Vandaar dat ik, waar ik sta voor de verantwoordelijkheid om zoo goed mogelijk in deze tijden, voor zoover het van den Staat kan geschieden, leiding te geven aan ons economisch leven, dergelijken maatregel niet durf voorstellen”.

In de Eerste Kamer werd door den heer Polak een overeenkomstige aandrang geoefend, als de heer Troelstra aan de overzijde van het Binnenhof had geuit. In antwoord daarop verwees ik dien afgevaardigde naar hetgeen ik even te voren aan zijn partijgenoot had tegemoet gevoerd. Aan mijn afweer van het denkbeeld tot het beschikbaar stellen van levensmiddelen van regeeringswege voegde ik echter in één adem toe, dat, als de toestanden nog erger werden, de Regeering niet zou aarzelen, verder reikende voorstellen te doen, dan zij reeds gedaan had en waarmede ook de heer Troelstra zijn instemming had betuigd. De eerste maatregel die kon strekken om gebrek aan levensmiddelen te voorkomen, was intusschen van anderen oorsprong en had aanvankelijk een ander hoofddoel.

Bij de wet van 3 Augustus 1914 (Stbl. no. 344) werd bepaald, dat in geval van oorlog of oorlogsgevaar bij algemeenen maatregel van bestuur de uitvoer van bepaalde goederen, geheel of gedeeltelijk, hetzij voor het geheele land, hetzij voor een bepaald deel daarvan tijdelijk kan worden verboden. Dit was geen nieuwigheid, het was een verruimde en verbeterde editie van een oude en verouderde wet. In verband met den Fransch-Duitschen oorlog was reeds bij een wet van 24 Juli 1870, bepaald, dat de uit- en de doorvoer van paarden, hooi, stroo, haver, steenkolen en cokes door de Kroon tijdelijk, geheel of gedeeltelijk konden worden verboden. Reeds geruimen tijd vóór het uitbreken van den thans woedenden krijg was het duidelijk geworden, dat die sedert 1870 in stand gebleven wet niet ver genoeg ging. Onder het ministerie Heemskerk werd, bij Koninklijke boodschap van 24 Mei 1913, een wetsontwerp ingediend tot verruiming van de wet van 1870. Die verruiming betrof verschillende soorten van levensmiddelen.

Hoewel ook dat ontwerp door militaire overwegingen was ingegeven, had het toch mede ten doel bescherming van den voorraad van verschillende artikelen, „welke onmisbaar zijn voor de dagelijksche behoeften van de bevolking”. In Februari 1914, nog vóór het ontwerp in de afdeelingen van de Tweede Kamer was behandeld, werd het onder het nieuw opgetreden ministerie in zoover gewijzigd, dat het niet langer de mogelijkheid ook van verbod van doorvoer inhield. Zulk een verbod zou, zoo werd in de toelichting der wijziging betoogd, weinig doeltreffend kunnen zijn en bij toepassing in strijd komen met internationale tractaten, waarbij vrijheid van doorvoer door ons land werd gewaarborgd, inzonderheid met de Rijnvaartakte. Het Voorloopig Verslag over het onderzoek van het ontwerp in de afdeelingen der Tweede Kamer verscheen 30 April 1914.

In het licht der ervaring, die de oorlog ons gebracht heeft, is het de moeite waard een der hoofdbezwaren in herinnering te brengen, welke in de afdeelingen van de Tweede Kamer tegen het ontwerp werden ingebracht. „Zonder eenigen twijfel zullen—zoo voerden verschillende leden aan—in geval van oorlog of oorlogsgevaar in onze omgeving, groote hoeveelheden proviand naar onze havens stroomen, om van daaruit met flinke winsten aan de oorlogvoerende partijen te kunnen worden verkocht.” Koopmansgeest ontbreekt ook in de Kamer niet. Er werd niet eens gedacht aan de mogelijkheid, dat één der oorlogvoerenden dien stroom van proviand, dien men reeds in zijn verbeelding zag en waarvan men de winst, die ermede zou zijn te maken, bij voorbaat reeds met welgevallen opsnoof, wel eens zou kunnen afdammen. Trouwens bij de weerlegging van dit argument in de Memorie van Antwoord, voor welke ook ik een deel der verantwoordelijkheid draag, werd van die mogelijkheid evenmin gerept. Het argument werd wel weersproken, maar niet op den grond, die thans in de eerste plaats naar voren zou worden gebracht.

De ironie van het oorlogsnoodlot heeft zich ten aanzien van de uitvoerverboden niet bepaald tot het den draak steken met die ééne verwachting van oorlogswinsten. Ook in een ander opzicht heeft het met goede bedoelingen en plechtige verzekeringen gejongleerd.

„Door eenige leden—zoo zegt het Voorloopig Verslag—werd als een bezwaar aangevoerd, dat de bepaling zou kunnen worden misbruikt om, door een tijdelijk verbod van uitvoer, invloed te oefenen op de prijzen binnenslands.” De onderteekenaars van de Memorie van Antwoord (gelukkig voor hem behoorde de heer Posthuma daar niet bij; ongelukkig voor mij, ik wèl) beantwoordden die opmerking aldus: „Er is, naar het voorkomt, geen aanleiding de Regeering ervan te verdenken, dat zij de wet zal misbruiken om, door een tijdelijk verbod van uitvoer, invloed te oefenen op de prijzen binnenslands. Het behoeft geen nader betoog, dat maatregelen met zoodanige strekking geheel zouden indruischen tegen de uitdrukkelijk uitgesproken bedoeling van het wetsontwerp.”

En toch is de wet daarvoor gebruikt, zonder dat iemand er een principieel bezwaar tegen heeft gemaakt. Er is wel strijd over dat gebruik geweest, maar die strijd liep over de mate waarin en de wijze waarop de wet voor dat doel werd toegepast. De een wilde meer, de ander minder; maar niemand heeft „hands off” geroepen. Natuurlijk had dat gebruik geen speculatieve bedoelingen, maar het bewustzijn, dat daarmede als ongewenscht neveneffect tevens speculatie in levensmiddelen en andere waren werd bevorderd, heeft niet weerhouden uitvoerverboden te stellen en gedeeltelijke afwijkingen daarvan te regelen, met het uitgesproken doel daarmede op de prijsvorming binnenslands in te werken. Waarlijk, oorlogstijd doordringt regeeringen zoowel als particulieren van de waarschuwing: „Ne dis pas: fontaine, je ne boirai pas de ton eau!”

De Memorie van Antwoord betreffende het wetsontwerp werd ingediend, toen de oorlogswolken reeds zeer dreigende waren, namelijk 27 Juli 1914: het Eindverslag werd uitgebracht op 1 Augustus. Tusschen dien dag en den dag waarop de wet in het Staatsblad verscheen, onderging het ontwerp nog eenige wijzigingen; de eerste daarvan had ten doel, ook het verbod van uitvoer van goud (hierop kom ik in hoofdstuk IV terug[1]) wettelijk te regelen. In verband ook met deze nieuwe verruiming bleek het ten slotte gewenscht, alle aanduiding van speciale goederen uit de wet te lichten en de mogelijkheid van het uitvaardigen van uitvoerverboden algemeen te maken voor de „bepaalde goederen”, welke telkens bij algemeenen maatregel van bestuur zullen worden aangewezen.

[1] Zie bl. 193.

Reeds vóór de wet van 3 Augustus in werking trad, was bij Koninklijk besluit van 1 Augustus, op grond van de wet van 1870, de uitvoer van paarden, hooi, stroo, steenkolen en cokes verboden. Spoedig na den 3den Augustus 1914 volgden uitvoerverboden van een aantal etenswaren. In de eerste weken werden die uitvoerverboden, zoo niet uitsluitend dan toch in de eerste plaats, ingegeven door motieven, ontleend aan het belang van leger en vloot en aan de noodzakelijkheid der geregelde approviandeering van stellingen en versterkte plaatsen. Heel spoedig echter veranderde dit en kwam het overwicht bij de uitvoering der wet op de uitvoerverboden bij het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel,—het departement, dat in het algemeen de zorg heeft voor de economische belangen des lands en dat in den oorlogstijd de moeilijke en, vooral bij den langen duur van den toestand, hoogst ondankbare taak heeft te vervullen, het economisch leven onder de door den oorlog geschapen buitengewone omstandigheden zoo goed mogelijk aan den gang te houden.

Had men dit vooruit kunnen voorzien, men zou de uitvoering dezer wet, althans voor zoover het betreft uitvoerverboden, die niet met een militair oogmerk worden uitgevaardigd, niet in de eerste plaats in handen van het Departement van Oorlog hebben gelegd, dat uit den aard der zaak in oorlogstijd toch reeds de handen vol werk heeft. Bij de beoordeeling van het nu en dan te lang uitgebleven zijn van economische uitvoerverboden, nadat de wenschelijkheid daarvan was uitgemaakt, houde men er rekening mede, dat die verboden, behalve den Raad van State, niet alleen het Departement van Landbouw, maar ook de Ministeries van Buitenlandsche Zaken en van Financiën moesten passeeren, voordat daaraan door de zorg van het Departement van Oorlog de laatste hand kon worden gelegd. Als men bij vervolg van tijd weer in de noodzakelijkheid mocht komen, de wet op de uitvoerverboden toe te passen, zal men zeker niet verzuimen, die fout uit de regeling te schakelen. In de eerste oorlogsweken was de druk der omstandigheden groot genoeg, om een uitvoerverbod, dat noodig bleek, al de genoemde autoriteiten in één of twee dagen te doen passeeren. Maar onder zóó hooge spanning werkt men op den duur niet; ook niet in de bureaux onzer ministeriëele departementen.

Bij het stellen van uitvoerverboden werd natuurlijk rekening gehouden met de vriendschappelijke betrekkingen waarin Nederland als onzijdige natie met alle oorlogvoerenden staat; maar daarbij moest toch de binnenlandsche behoefte aan bepaalde goederen, inzonderheid aan levensmiddelen, den doorslag geven, ook al kon men zich niet verhelen dat de uitvoerpolitiek, welke de Regeering door den binnenlandschen toestand werd opgelegd, in haar gevolgen de centrale mogendheden over het algemeen meer trof dan de geallieerden. Als voorbeeld uit den eersten oorlogstijd breng ik in herinnering hetgeen met de rijst geschiedde.

Bij den aanvang van den oorlog was hier een zeer groote hoeveelheid rijst aanwezig. Zóó groot, dat die voorraad, onder normale omstandigheden, voor de behoeften der bevolking gedurende eenige jaren voldoende zou zijn geweest. Maar de omstandigheden waren juist niet normaal. Omdat moest gerekend worden met den zeer beperkten voorraad broodkoren, waarvoor rijst als surrogaat zou moeten in de plaats komen, indien het niet gelukte tarwe in voldoende hoeveelheid en met genoegzame regelmatigheid van overzee aan te voeren, mocht de Regeering, met name de Minister van Landbouw, het oog niet sluiten voor het feit, dat de rijst in ongekende hoeveelheden in Rijnschepen naar Duitschland werd verladen. De voorraad, die in het begin van Augustus 1914 de respectabele hoeveelheid van 200 millioen K.G. bedroeg, was drie weken later reeds tot 150 millioen K.G. geslonken. De rijstuitvoer was in Augustus 1914 grooter dan in normale omstandigheden in een half jaar. Toen dientengevolge gevaar dreigde dat de rijstreserve spoedig zou zijn uitgeput, mocht ik niet aarzelen en aarzelde ik niet, maatregelen te nemen, opdat de grens voor uitvoer van rijst onverbiddelijk zou worden gesloten, al was het duidelijk dat zulk een maatregel zoowel in Duitschland als bij de Nederlandsche rijstpellers en rijsthandelaren ontstemming moest wekken. De rijstuitvoer werd 3 September 1914 verboden en is sedertdien verboden gebleven.

Bij de suiker kon de wet op de uitvoerverboden op geheel andere wijze dienst doen. Er wordt hier ongeveer tweemaal zooveel ruwe suiker geproduceerd als voor het binnenlandsche verbruik van geraffineerd noodig is. Er moest echter voor gezorgd worden, dat in verband met de bij uitstek hooge prijzen, welke voor suiker in Engeland werden besteed, niet zooveel van het binnenlandsche product daarheen zou worden verscheept, dat voor de binnenlandsche consumptie niet voldoende hier zou blijven. Ware er nu niets meer te overwegen geweest, dan zou de beslissing hier, al stond de zaak niet precies zóó als bij de rijst, toch vrij eenvoudig zijn geweest. Er kwam echter nog een gansch ander element in het geding. „Het blijkt,—zoo zeide ik in de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914—dat er onder deze omstandigheden een zeer groote strijd van belangen is tusschen de ruwsuikerfabrikanten en de raffinadeurs. Wanneer men toeliet, gelijk men dat vooral in sommige landbouwstreken gaarne zien zou, dat de ruwsuiker vrij mocht worden uitgevoerd, wat zou daarvan dan het gevolg zijn? Dat de overgroote hoeveelheid ruwsuiker naar Engeland zou gaan, omdat daar zeer hooge prijzen voor ruwe suiker worden besteed. Maar als men dat deed, zouden onze eigen raffinadeurs geen voldoende grondstof hebben; zij zouden te weinig krijgen en wat zij kregen, zouden zij duur moeten betalen en de bevolking zou ten slotte hooge prijzen moeten besteden.” Bovendien zou een te groote uitvoer van ruwe suiker geleid hebben tot gebrek aan werk voor onze Nederlandsche suikerraffinaderijen, hetgeen vermeerdering van het aantal werkloozen zou hebben ten gevolge gehad. Ook deze overweging deed zich in de eerste oorlogsmaanden, toen moest worden gevreesd voor- en gerekend met een zeer groot werkloozencijfer, krachtig gelden. Als resultaat van een en ander werd toen door mij aan belanghebbenden medegedeeld, dat het uitvoerverbod op ruwe zoowel als op geraffineerde suiker, dat den 7den Augustus was uitgevaardigd, gehandhaafd zou worden, zoolang belanghebbenden niet een gezamenlijk advies zouden hebben uitgebracht over het gedeelte van de Nederlandsche suikerproductie, dat hier zou moeten blijven voor het verbruik binnen de grenzen en over het aandeel, dat het geraffineerd en het ruw zouden kunnen hebben in het voor uitvoer beschikbare restant.

Aangezien de bietenoogst weldra zou moeten worden binnengehaald en de suikercampagne dus spoedig voor de deur stond, waren de verschillende groepen van belanghebbenden wel verplicht het met elkander eens te worden. Het duurde dan ook niet lang, of zij brachten een gemeenschappelijk advies uit. Daarbij werd eerst nog wel gepoogd „des Pudels Kern”, de verhouding van het ruw en het geraffineerd in het deel van het product, dat uitgevoerd zou mogen worden, niet aan te raken. Maar toen ik den heeren duidelijk maakte, dat ik juist omtrent dit punt hun voorlichting noodig had, en dat een advies, dat dit onaangeroerd liet, voor de Regeering geen waarde zou hebben, werden zij het ten slotte toch ook daarover eens. Dat enkelen daarbij het hart bloedde, omdat zij gehoopt hadden een grooter deel van de in totaal te verwachten oorlogswinst voor hun groep te kunnen bemachtigen, zal ik niet tegenspreken.

Bepaald werd toen, in overeenstemming met het door belanghebbenden uitgebrachte advies, dat 40 pct. van de geheele productie in het land zou moeten blijven en dat het voor uitvoer overblijvende zoodanig zou worden verdeeld, dat van den geheelen voorraad ten hoogste 18% als ruw zou mogen worden uitgevoerd, zoodat voor den uitvoer van geraffineerd ruim 40% van het geheele product restte. De raffinaderijen konden dus rekenen op ruim 80% van de Nederlandsche ruwe suiker als grondstof voor hun bedrijf, namelijk 40% voor het binnenlandsche verbruik en ruim 40% voor den uitvoer naar het buitenland. Deze rekening gaat slechts ten naastenbij op, omdat een deel van de ruwe suiker, welke niet als zoodanig werd uitgevoerd, toch de raffinaderijen niet bereikte. Enkele suikerfabrieken zijn namelijk ingericht op het zoogenaamd wit afdraaien van ruwe suiker, waardoor een product wordt verkregen, dat er minder fraai uitziet dan de geraffineerde suiker, maar dat deze toch kan vervangen vooral voor banketbakkers, fabrikanten van suikerwaren, van gecondenseerde melk en dergelijke. Bepaald werd, om de regeling niet aanstonds op losse schroeven te zetten, dat alleen die ruwsuikerfabrieken wit zouden mogen afdraaien, die het ook in de vorige campagne hadden gedaan, en dat wel tot maximaal dezelfde hoeveelheid. Op grond van de in de volgende paragraaf te behandelen levensmiddelenwet werd voorts voor 1e kwaliteit witte suiker de groothandelsprijs gesteld op ƒ48.50 per 100 K.G., de kleinhandelsprijs op 55 centen per K.G. Daar de suikerfabrieken en de suikerraffinaderijen wegens den suikeraccijns onder voortdurend toezicht van het Departement van Financiën staan, had men hierin tevens een afdoende controle tegen pogingen tot ontduiking der regeling. Uit de verschillende groepen van belanghebbenden werd een commissie benoemd, die bij de maatregelen ter uitvoering van de getroffen regeling van advies zou dienen en bij het toezicht op die uitvoering behulpzaam zijn.

Ik heb de suikerregeling eenigszins uitvoerig behandeld, omdat zij tot voorbeeld heeft gestrekt voor analoge regelingen, die elkander ten aanzien van een toenemend aantal producten van tuinbouw, landbouw en veeteelt hebben opgevolgd. Bij die andere regelingen had men wel is waar niet te rekenen met een conflict van belangen als tusschen de ruwsuikerfabrikanten en de raffinadeurs. Maar de moeilijkheden waren daar toch niet minder. Ten aanzien van de meeste dier producten had men al aanstonds veel grooter moeilijkheden bij de controle, omdat zij, als accijnsvrij, niet onder een zoo streng fiscaal toezicht staan als de suiker. Bovendien ontbrak het ook daar niet aan belangenconflicten. Bij vele tuinbouwproducten is door het instituut der coöperatieve groentenveilingen althans het conflict tusschen den groothandelaar en den verbouwer grootendeels uitgeschakeld; bij de landbouwproducten is de coöperatie in den verkoop nog niet zoo algemeen. Zelfs buiten de coöperatieve organisatie van de boterbereiding en den boterafzet staan nog een aantal boterproducenten, speciaal in de westelijke provinciën; de eieren-veilingen bestrijken nog lang niet den heelen eierenvoorraad, en bij de kaas is de groothandel nog grootendeels in handen van kooplieden met andere belangen dan die der kaasproduceerende boeren.

Daarbij komt, dat overal tusschen den groothandel en den verbruiker nog verschillende groepen van tusschenhandelaars in staan. Het streven heeft van den aanvang af voorgezeten, bij de beperking en regeling van den uitvoer van producten, waarvan het land meer voortbrengt dan het voor eigen behoefte noodig heeft, in de verhouding tusschen de verschillende groepen van belanghebbenden zoo min mogelijk stoornis te brengen. Het spreekt intusschen wel van zelf, dat dit niet overal even gemakkelijk was door te voeren en ook dat bij zulke regelingen, welke steeds producten betroffen, waarmede oorlogswinsten waren te behalen, niet op een goudschaaltje kon worden afgewogen of elke groep van belanghebbenden daarbij wel haar evenredig deel kreeg van de gezamenlijke oorlogswinst, die er mede was te verdienen.

Zoo is het zeer wel mogelijk, dat de regeling, welke in 1914 ten aanzien van de suiker is getroffen, voor de raffinadeurs naar verhouding voordeeliger is geweest dan voor de ruwsuikerfabrikanten. Deze laatsten hebben echter in de campagne 1914/15 ook oorlogswinsten gemaakt, en die winsten zouden nog grooter zijn geweest, indien niet een invoerverbod van de Engelsche regeering, dat den 26sten October 1914 werd uitgevaardigd, speciaal den uitvoer naar Engeland van suiker, die op betere condities daarheen was verkocht, zoolang dat verbod duurde, grootendeels onmogelijk had gemaakt.

Voor mij zou de omstandigheid dat de raffinadeurs bij de regeling van 1914 wat meer zijde hadden gesponnen dan de ruwsuikerfabrikanten geen reden zijn geweest, van de hoofdtrekken dier regeling voor 1915 af te wijken, al zou ik aan de eenmaal gestelde verdeeling van het voor uitvoer beschikbare deel van den oogst tusschen ruw en geraffineerd niet krampachtig hebben vastgehouden, indien de ervaring had getoond, dat eenige wijziging daarin ter wille van eene meer gelijkmatige oorlogswinstverdeeling ware aan te brengen geweest, zonder het hoofddoel der geheele regeling te na te komen. Dit hoofddoel was, zooals zooeven werd in herinnering gebracht, tweeledig: zorg voor behoud van een voldoende hoeveelheid suiker voor het binnenlandsch verbruik en voorkoming van werkloosheid onder de arbeiders in de suikerraffinaderijen.

Door mijn opvolger van het Departement van Landbouw werd, in verband met den minder goeden bietenoogst in 1915, het percentage van de suiker der campagne 1915/16 dat niet zou mogen worden uitgevoerd, bepaald op 50. Ten aanzien van de overblijvende helft werd echter door hem een cardinale verandering gebracht in de regeling van 1914. Hij liet namelijk geheel vrij of die helft als ruw of als geraffineerd het land zou verlaten, er op rekenende dat dan de raffinadeurs van de ruwsuikerfabrikanten toch wel zooveel van den voorraad zouden afkoopen als zij voor hun bedrijf noodig hadden. Ook het wit afdraaien van ruwe suiker werd geheel vrijgelaten. Ik heb van den aanvang af betwijfeld, of die verandering ook een verbetering was en ik ben door de resultaten van de regeling voor 1915/16 in mijn twijfel bevestigd. Bij de afwijking van het bepaalde voor 1914/15 werd mijns inziens te veel rekening gehouden met de overweging, dat de ruwsuikerfabrikanten het vorig jaar niet hun evenredig deel in de behaalde oorlogswinst hadden genoten en de billijkheid meebracht nu eens hen „top dog” te maken, en te weinig er op gelet, dat men bij het betrachten van die verdeelende gerechtigheid gevaar liep, de verbruikers en de arbeiders in de suikerraffinaderijen het kind van de rekening te laten worden.

In normale tijden bemoeit de Regeering zich in het geheel niet met de verhouding waarin bedrijfswinsten tusschen de verschillende ondernemingen of groepen van ondernemingen in een handels- of nijverheidstak worden verdeeld. Waar in oorlogstijd de overheid door haar ingrijpen in het bedrijf onvermijdelijk ook aan die verhouding raakt, is het haar plicht daaraan niet meer te tornen dan strikt noodzakelijk is. Zij wachte zich er evenwel voor, de bijzaak tot hoofdzaak te maken en bij haar maatregelen er van uit te gaan, dat iedere groep van belanghebbenden, welke zonder het uitvoerverbod een zekere oorlogswinst zou kunnen maken, een zooveel mogelijk evenredig deel daarvan behoort te worden gelaten. Kan dit nevendoel worden bereikt zonder aan het hoofddoel tekort te doen, dan des te beter; maar een minister die ter wille van de nastreving van dat bijoogmerk zijn maatregelen anders neemt, dan hij ter bereiking van het hoofddoel op zich zelf zou hebben gedaan, komt daarmede op een verkeerden en zeer gevaarlijken weg.

Ik sta hierbij stil, omdat mij meer dan eenmaal is gebleken, dat men zich niet genoegzaam rekenschap geeft van den eenigen, maar dan ook afdoenden, rechtvaardigingsgrond van economische uitvoerverboden in oorlogstijd. Zulke verboden belemmeren onvermijdelijk den handel in bepaalde voedingsmiddelen, zoo zij dien niet tijdelijk geheel stopzetten, en doen daardoor aan de producenten van- en de handelaars in die waren oorlogswinsten derven, welke door hen anders zouden kunnen zijn genoten. Herhaaldelijk nu kan men de beschouwing hooren, dat de Regeering er mede rekening moet houden, door haar uitvoerverboden een bepaalde groep van producenten of van handelaars niet onevenredig veel in het maken van oorlogswinst te kortwieken. Zoo herinner ik mij een opmerking uit tuinbouwkringen, dat het toch niet zou aangaan den uitvoer van kool in zoodanige mate te verbieden, dat grootere stijging van den binnenlandschen prijs dan noodig is ter goedmaking van de verhooging der productiekosten, zou worden voorkomen. Bij die wijze van optreden der Regeering zou—zoo redeneerde men—een klein deel van het land (hier de zoogenaamde „Streek” in Noord-Holland) zoo goed als den ganschen last dragen van de voorziening der bevolking met deze in normale tijden binnen ieders bereik liggende groente.

Indien ik mij in de eerste oorlogsweken door zulk een overweging had laten leiden, zou—om slechts één voorbeeld te noemen—onze rijstreserve over de grenzen zijn verdwenen. De druk van het absolute uitvoerverbod van rijst, m. a. w. het vernietigen van verwachtingen op verder nog te maken oorlogswinst, kwam geheel neer op een nog heel wat kleinere groep van rijstpellers en rijsthandelaars.

Niet minder dan door de zooeven bedoelde beschouwing, werd ik getroffen door een betoog van een bekend landbouwkundige in een overigens zeer verdienstelijke en verdiende verdediging van het beleid van Minister Posthuma, die door het publiek hoogst onbillijk wordt beoordeeld, omdat men de moeilijkheden van de taak, waarvoor hij is gesteld, niet kent, of die moeilijkheden onderschat, voor zoover men er begrip van heeft. In het bedoelde betoog, dat in Juni jl. in een onzer groote dagbladen als hoofdartikel werd opgenomen, wordt er de nadruk op gelegd: dat de maatregelen van het Ministerie van Landbouw betreffende de beperking van den uitvoer van landbouw- en veeteeltproducten den boeren reeds op een derving van oorlogswinst te staan komen, die op meer dan ƒ70 millioen werd berekend; dat men wel behoort te overwegen, hoe land- en tuinbouw, ondanks de binnenlandsche prijsstijging hunner producten, derhalve reeds een veel grootere bijdrage in de lasten van den oorlogstoestand leveren, dan welke andere groep van producenten of handelaars ook, en dat men dus bescheiden zijn moet in zijn verlangen naar nog verdere beperking van den uitvoer hunner artikelen, waardoor de winstderving voor die breede groepen der bevolking nog grooter worden zou.

Waren dergelijke uitingen niet meer en niet anders dan verklaarbare opvattingen uit de kringen van belanghebbenden, dan zou men er zich niet over behoeven warm te maken. Zóó onschuldig zijn zij echter niet. In de stukken, welke dezen zomer van het Ministerie van Landbouw uitgingen, komen uitingen voor, die doen vreezen dat men aan de afdeeling Landbouw, de afdeeling van het Departement, welke zich met de levensmiddelenvoorziening in het bijzonder heeft bezig te houden, ook in dien gedachtengang is gekomen. Dat nu is voor de bevolking niet zonder gevaar.

Maatregelen, waardoor in oorlogstijd de prijs van bepaalde voedingsartikelen belet wordt buitensporig hoog boven het normale te stijgen, missen hun rechtsgrond, wanneer zij niet door het algemeen belang der bevolking worden geboden. Maar gebiedt dit eenmaal het nemen daarvan, dan hebben bepaalde categorieën, van producenten of van handelaars, die daardoor worden verhinderd van zulke buitensporig hooge prijzen en van nog hoogere prijzen over de grenzen vrijelijk profijt te trekken, geen recht van beklag. In het maken van oorlogswinst ligt op zich zelf niets onbehoorlijks, maar niemand heeft recht, dat hem de kans op een oorlogswinst zou worden gelaten, die alleen kan worden binnengehaald, als de overheid ter wille van de trekkers daarvan nalaat of beperkt, wat zij anders in het belang der volksvoeding zou hebben gedaan.

De mogelijkheid van het maken van oorlogswinsten door bepaalde groepen van de bevolking is een gevolg van de hoogst abnormale toestanden, door den oorlog op economisch gebied te voorschijn geroepen. Daartoe behoort zoowel de noodzakelijkheid, dat de Regeering landbouw en industrie helpt bij den aanvoer van grond- en hulpstoffen, als dat zij hen in hun afzetgebied beperkt door, met of zonder uitzonderingen, de grens te sluiten voor dat deel hunner producten, waaraan hier gebrek is of zonder die beperking zou ontstaan. Waar en voor zoover eenerzijds zulk een regeeringsinmenging voor aanvoer van grond- of hulpstoffen en anderzijds zulk een beperking van het afzetgebied noodig zijn, behooren ook zij tot de omstandigheden, die de mate bepalen, waarin verschillende groepen van producenten van den oorlogstoestand profiteeren of daaronder lijden.

Wanneer, om bij den landbouw te blijven, van de boeren wordt gezegd, dat zij hun oorlogswinst aan de Regeering hebben te danken, is dat overdreven en daardoor onjuist. Bij die voorstelling wordt aan één factor in de buitengewone omstandigheden een beteekenis gegeven, als bepaalde hij die omstandigheden, in stede van er een product en door wisselwerking een schakel van te zijn. Maar wanneer daartegenover wordt gezegd, dat men bij die voorstelling de zaken op den kop zet, is dat nog minder juist. Oorlogswinsten, die hadden kunnen zijn gemaakt, indien de Regeering niet verplicht was geweest ter wille van de volksvoeding den afzet naar buiten te beperken, zijn oorlogswinsten, die onder de omstandigheden, welke de oorlog in het leven riep, juist niet te maken zijn; immers dezelfde oorzaak, die de buitengewone winstkans schept, schept tegelijkertijd den breidel, welke daaraan wordt gelegd. Zonder den oorlog zou de Regeering inderdaad den uitvoer van allerlei levensmiddelen vrij hebben gelaten, maar zonder den oorlog zouden de prijzen buitenslands daarvan niet zoodanig zijn gestegen, dat abnormale winsten met den uitvoer dier producten zouden zijn te maken geweest, welke te gelijk gevaar voor schaarschte en gebrek binnenslands deden ontstaan. Zonder oorlog zou er inderdaad geen reden zijn voor begrenzing van oorlogswinsten door uitvoerverboden, maar zonder oorlog zouden er nu eenmaal geen oorlogswinsten zijn. Om hazepeper te maken heeft men een haas noodig.

Wat de overheid met het stellen van uitvoerverboden en het regelen van vergunningen als uitzonderingen daarop doet, ligt op een terrein, waar zij zich in normale omstandigheden behoort buiten te houden en zich ook zorgvuldig buiten houdt. Het betreden daarvan is alleen gerechtvaardigd door den zeer buitengewonen toestand, welken de oorlog doet ontstaan; gaat de overheid daartoe, gedrongen door den nood der omstandigheid, over, dan weet zij dat zij onvermijdelijk bepaalde oorlogswinstverwachtingen den bodem moet inslaan, en met zoo veler persoonlijke belangen in botsing komt, dat haar daad veel gelijkt op het roeren in een wespennest. Men doet dit niet, dan wanneer en voor zoover het strikt noodzakelijk is; maar als men er toe overgaat, houde men zich aan het recept, dat, naar beweerd wordt, van Bismarck afkomstig is: „Greif’ niemals in ein Wespennest; doch wenn du greifst, so greife fest!”

Het zou mij te ver voeren en in een vervelende opsomming ontaarden, indien ik poogde een volledig beeld te geven van de allengs door den drang der omstandigheden toenemende lijst der uitvoerverboden in den oorlogstijd en van de motieven, welke tot het stellen van elk dier verboden leidden. Ik bepaal mij tot enkele van de meest belangrijke voedingsartikelen. De overgroote meerderheid der andere uitvoerverboden weken van dat van suiker in zoover af, dat de naaste aanleiding daartoe niet gelegen was in abnormaal grooten uitvoer of gewettigde vrees daarvoor naar Engeland, doch naar Duitschland. In de geheele uitvoerpolitiek waartoe Nederland door de omstandigheden werd gedwongen, doet zich de terugslag gevoelen van den economischen oorlog door de geallieerden, met name door Groot-Brittannië, tegen de centrale mogendheden, en wel in de eerste plaats tegen Duitschland, gevoerd.

De later daar zoo nijpend geworden schaarschte aan boter en vet, maakte het spoedig raadzaam door het stellen van een verbod van uitvoer van boter, met organisatie van een stelsel van uitvoerconsenten, op het voetspoor van hetgeen ten aanzien van de suiker was geschied, te voorkomen dat van dit nationale exportartikel zooveel zou worden uitgevoerd, dat voor het binnenlandsch verbruik niet genoeg zou overblijven. De regeling, welke voor den boteruitvoer werd getroffen, kwam nog tot stand vóór ik van het Ministerie van Landbouw naar dat van Financiën overging. Zij dagteekent van 29 October 1914. Door mijn opvolger aan het Ministerie van Landbouw werd zij, als gevolg van lessen der ervaring, eenige malen herzien. Bij dit zuivelproduct was voor de regeling van den uitvoer van groote waarde, dat gebruik kon worden gemaakt van de organen der Rijksbotercontrole, en niet een geheel nieuwe en zelfstandige organisatie behoefde te worden in het leven geroepen. Die organen konden hier op analoge wijze medewerken als de ambtenaren der belastingen bij de regeling van den suikeruitvoer. Hoofdzaak van de regeling was, dat alleen voor gecontroleerde en daarmede gelijkgestelde boter uitvoerconsenten werden gegeven en dat die alleen verstrekt werden aan bereiders, die een zeker percentage van hun productie voor binnenlandsch gebruik beschikbaar stelden; bij den aanvang werd dit op 30 pct. gesteld. Voorts werd bepaald, dat de maximumprijs voor binnenlandsch verbruik van maand tot maand zou worden vastgesteld. Deze regeling had ook dit bijkomend voordeel, dat de vastkoppeling van het uitvoerconsent aan de botercontrole, waarborg gaf, dat niet onder den naam van boter allerlei minderwaardig goed zou worden uitgevoerd, waardoor de goede naam van de Hollandsche boter in het buitenland ernstig zou zijn benadeeld. Bij andere artikelen, waarbij zulk een waarborg niet kon worden gesteld, is helaas maar al te vaak gebleken, dat gewetenlooze knoeiers zich niet ontzagen met voor het buitenland bestemde waren de ergste en ergerlijkste vervalschingen te plegen en daarmede aan den naam van ons land en aan het vertrouwen in zijn fabrikanten en kooplieden groote schade te berokkenen.

De steun van eene de gansche binnenlandsche productie beheerschende Rijkscontrôle ontbrak al aanstonds bij de kaas, met het gevolg dat hier allerlei fraude werd gepleegd, die bij de boter onmogelijk was en dat het Centraal Bureau voor den uitvoer van kaas, dat omstreeks half November 1914 werd opgericht en bij mijn aftreden als Minister van Landbouw in voorbereiding was, niet zoo goed voldoen kon en dan ook lang niet zoo goed voldeed, als het uitvoerbureau voor boter. De consenten werden volgens de kaasregeling alleen afgegeven aan exporteurs, die zich verbonden een zekere hoeveelheid kaas, geschikt voor binnenlandsch verbruik, in voorraad te houden. Voor deze kaas werd van maand tot maand een maximum prijs vastgesteld. Veel is er van die regeling in de practijk niet terecht gekomen; de controle op de in voorraad te houden hoeveelheden bleek niet uitvoerbaar, en de regeling heeft niet belet, dat kaas voor binnenlandsch verbruik steeds schaarscher werd en dat de prijzen daarvan zoozeer stegen, dat dit zuivelproduct haast een weelde-artikel werd.

Naast den uitvoer van boter en kaas trok ook de aardappeluitvoer heel spoedig de aandacht der Regeering. Waar Nederland ook in normale tijden aardappelen exporteert en van dit volksvoedsel bij uitnemendheid hier te lande heel wat meer wordt verbouwd dan voor het binnenlandsche verbruik en als grondstof voor onze aardappelmeelfabrieken noodig is, behoefde afvloeiing van een deel van den voorraad, ook al steeg dat eenigszins boven het normale exportcijfer, niet aanstonds te verontrusten. Die uitvoer nam echter in het laatst van September en het begin van October 1914 zulke afmetingen aan, dat het mij noodig scheen in te grijpen, niettegenstaande de door mij geraadpleegde land- en tuinbouwdeskundigen mij verzekerden, dat er geen aanleiding was om voor gebrek te vreezen. De uitvoer van aardappelen werd bij Koninklijk besluit van 15 October 1914 verboden. In de Eerste Economische Nota, de eenige die van mij als Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel (toen reeds: ad interim) uitging, wordt van dat verbod gezegd: „Hiervan is niet de bedoeling de grenzen geheel voor den export te sluiten; door uitvoerpermissies te geven, voor zoover dit in verband met de binnenlandsche behoefte kan geschieden, zal er voor worden gezorgd, dat de hoeveelheid die binnenslands kan worden gemist, ook thans zal kunnen worden uitgevoerd; voorkomen zal echter worden, dat de prijs van dit belangrijke volksvoedsel onevenredig stijgt, en dat het bedrijf der aardappelmeelfabrieken zou kunnen verlamd worden”.

Ik heb geen oogenblik berouw van den maatregel gehad. Het uitvoerverbod op aardappelen van October 1914 was niet voorbarig, hoewel belanghebbenden in gemoede overtuigd waren, dat er nog geen reden was hen in hun exportbedrijf te belemmeren en die overtuiging door de deskundigen, die ik raadpleegde, werd gedeeld. Een minister, die in zulke abnormale tijden de zorg heeft voor de levensmiddelenvoorziening moet zich wachten voor het hechten van al te veel waarde zoowel aan overdreven voorstellingen van de zijde van het verbruikende publiek omtrent uitvoeren, welke men meent te hebben waargenomen en waarvan de faam al wandelende zienderoogen groeit, als aan adviezen van deskundigen, die onwillekeurig door het feit van hun deskundigheid te veel beteekenis toekennen aan het belang van het bedrijf, dat zij kennen, tegenover het algemeen belang der verbruikers van het product, dat door dat bedrijf ter markt wordt gebracht.

De eerstbedoelde overdrijving bleek herhaaldelijk uit berichten omtrent uitvoerkwantiteiten, die van niet ambtelijke zijde bij het Departement van Landbouw inkwamen of in de pers werden opgenomen. In de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 gaf ik daarvan een voorbeeld, dat later met een aantal andere zou zijn aan te vullen geweest.

„Men moet niet vergeten—zoo zeide ik—, dat, zonder dat de menschen willens en wetens overdrijven, zij onwillekeurig wat zij meenen gezien te hebben, ik zal niet zeggen zien met een vergrootglas, maar met een vergrootglas weergeven. Zoo is er aan mijn Departement een brief ontvangen van iemand die volkomen te goeder trouw was, en die mededeelde, dat het zóó erg was dat over Vaals op 17 Augustus niet minder dan 1500 stuks vee waren uitgevoerd. Men heeft het precies nagegaan, want aan de douane is opgedragen geregeld elken dag alles na te gaan, en geregeld komen elken dag van alles wat over de grenzen is gegaan, opgaven in. Wat bleek nu? Dat op 17 Augustus niet 1500, maar 87 stuks rundvee over Vaals waren uitgevoerd en op 17 en 18 Augustus 199 stuks te zamen. Ik zeg nog eens: die briefschrijver heeft niet willens en wetens verkeerde cijfers medegedeeld, maar men is zenuwachtig en in zijn zenuwachtigheid ziet men de zaken soms te donker in.”

Tegenover zulke overdrijvingen te goeder trouw van de zijde van het zenuwachtige en voor gebrek beangste publiek staat nu de evenzeer te goeder trouw zijnde overtuiging van velen der deskundigen, die de Regeering raadpleegt, dat het belang der groep van de bevolking, waarmede zij speciaal vertrouwd zijn, het algemeene volksbelang is, een overtuiging die leidt tot overdrijving van de schade, welke door een belemmering van het bedrijf dier groep, waar de omstandigheden die belemmering noodzakelijk maken, zal worden geleden. Volgens mijne ervaring hebben inzonderheid landbouwdeskundigen vaak moeite zich met de gedachte vertrouwd te maken, dat het algemeen belang niet altijd met dat van den landbouw of van bepaalde landbouwersgroepen samenvalt. Natuurlijk zou een bewindsman, die tusschen deze Scylla en Charybdis heeft door te laveeren, heel spoedig vastloopen, indien hij meende het zich gemakkelijk te kunnen maken, door van de uitingen van het publiek geen kennis te nemen en van het hooren van deskundigen af te zien. De beide klippen, waartusschen hij heeft door te zeilen, zouden daarmede niet uit zijn vaarwater verdwijnen, maar het zou bovendien nog worden verstopt door de zandbank der struisvogelpolitiek.

Hoe men, tusschen de beide uitersten doorsturende, het scheepje der economische voorzieningen onder zoo abnormale omstandigheden als de Europeesche oorlog heeft te weeg gebracht, in de nauwe vaargeul kan houden, waar het geen gevaar heeft aan den grond te raken, is in het algemeen niet aan te geven. Trouwens ook in elk speciaal geval is het meer een zaak van intuïtie dan van het redeneerend verstand, hoe men het roer houden moet. Ik heb alleen hierom een oogenblik de aandacht op de door mij gesignaleerde moeilijkheid gevestigd, omdat ik den indruk niet van mij kan afzetten, dat men aan het Departement van Landbouw allengs wat veel op de adviezen van speciale vakdeskundigen heeft gesteund. Dreigt men daardoor vast te loopen, dan komt men er zoo licht toe, het roer wat schielijk om te gooien. Door zulke plotselinge koersveranderingen bereikt men zijn doel misschien wel op een bepaald oogenblik, doch berokkent men meer schade dan bij een meer vooruitziend en voorzichtiger houden van het midden tusschen de naar verschillende zijde trekkende producenten en verbruikers noodig zou zijn geweest. Bovendien stelt men er een eenmaal angstig geworden publieke opinie niet mede gerust; men wekt er veeleer den indruk mede van onvastheid in het bestuur. Zoowel voor de verbruikers als om de speculatie in voedingsmiddelen binnen de engst mogelijke grenzen te beperken en bovenal om het vertrouwen in het regeeringsbeleid hoog te houden, is vastheid van economische politiek onder zoo buitengewone omstandigheden als de Europeesche oorlog in het leven riep, nog meer noodig dan anders.

Doch, revenons à nos moutons! Toen het uitvoerverbod van aardappelen was gesteld, werden enkele deskundigen aangezocht om de Directie van den Landbouw behulpzaam te zijn bij het opmaken der voorraden, bij het zoeken in welke gemeenten die te vinden waren, bij het schiften der soorten, die voor de consumptie wèl en die daarvoor niet geschikt waren, bij het vaststellen van de soorten en hoeveelheden die nog uitgelaten zouden kunnen worden en bij de verdeeling van den voorraad tusschen de grossiers en winkeliers eenerzijds en de aardappelmeelfabrikanten aan den anderen kant. Bij dit laatste moest bovendien nog rekening gehouden worden met den strijd tusschen de coöperatieve en de zoogenaamd „speculatieve” fabrieken, welke zich ook bij de verdeeling van de voor haar gezamenlijk te reserveeren grondstof onverflauwd deed gelden. Dat het bij een en ander van een leien dakje is gegaan, zou ik niet durven beweren. Ook hier konden de deskundigen niet altijd blindelings gevolgd worden, ook al waren hunne adviezen te goeder trouw.

Den 1en Maart 1915 werd door mijn opvolger aan het Departement van Landbouw besloten, geen verdere consenten tot uitvoer van aardappelen meer te geven; de uitzonderingen op het uitvoerverbod hielden daarmede op. Den 1en April d. a. v. werd, op het voetspoor van de suiker, de boter en de kaas, een Rijkscentraalbureau tot regeling van den uitvoer van aardappelen opgericht. Dit bureau kreeg inzonderheid tot taak die soorten uit te laten, welke door hare geringe duurzaamheid anders tot bederf zouden kunnen overgaan. Half Juni 1915, toen de nieuwe aardappeloogst begon, werd het uitvoerverbod van aardappelen tijdelijk opgeheven. De uitvoer nam toen echter aanstonds zulk een omvang aan, dat het verbod in het laatst van Juli moest worden hersteld. De groote moeilijkheden, welke in 1916 zich ten aanzien der aardappelen hebben voorgedaan, laat ik onbesproken. Toen zij zich voordeden, was ik niet meer in de gelegenheid de regeeringszaken van de binnenzijde waar te nemen.

Toen het aantal uitvoerverboden met regelingen van uitvoerconsenten in het najaar van 1914 telkens toenam, deed zich allengs meer de behoefte gevoelen aan meer algemeene feitenkennis omtrent de in het land aanwezige voorraden levensmiddelen, dan waarover de Regeering beschikte. Ten aanzien van enkele der meest belangrijke voedingsartikelen, zooals tarwe, rogge en rijst, was men wel vrij goed op de hoogte, maar zelfs daaromtrent was de feitenkennis zoo weinig volledig, dat in Augustus 1914 door de Regeering, in de eerste plaats door mijzelven, de fout kon worden begaan van het uitvoerverbod voor rogge op te heffen, een fout die wel na een week weer was hersteld, maar niet dan nadat betrekkelijk groote hoeveelheden van dit zoo hoog noodige broodkoren de grens waren overgegaan. Terecht heeft men mij daarvan een verwijt gemaakt; ik heb mijzelf over die domheid genoeg geërgerd. Om haar te verklaren en tot op zekere hoogte te verontschuldigen, zou ik interne zaken moeten mededeelen, tot welker openbaarmaking ik noch vrijheid noch neiging gevoel.

Op de wenschelijkheid een inventaris te doen opmaken van de in ons land aanwezige levensbenoodigdheden werd door den heer Troelstra reeds gewezen in de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914. Ik antwoordde daarop in diezelfde vergadering: „Natuurlijk is de Regeering daartoe bereid, maar op dit oogenblik zou ik toch niet gaarne zoo’n inventaris laten maken. De heer Troelstra zal toch wel begrijpen, dat op dit oogenblik aan mijn departement de werkkrachten zoo overvuld zijn met het buitengewone werk, noodig om te zorgen voor de maatregelen, die genomen worden in het belang der volksvoeding, dat het wezenlijk niet is te vergen, dat men bovendien nog een deel van zijn tijd gaat besteden aan het opmaken van een dergelijken schriftelijken inventaris. Maar ik wil er dit wel bijvoegen, dat ik geloof, dat die inventaris onvermijdelijk zou zijn misleidend, want men heeft natuurlijk wel gegevens en men is bezig die aan te vullen, maar daarbij moet men uitgaan van de gegevens, die men onder normale omstandigheden krachtens de statistiek heeft. Welnu, het blijkt telkens, dat de normale gegevens op het oogenblik niet meer juist zijn.”

Toen de eerste drukte aan het Departement van Landbouw wat begon te luwen heb ik, op aandrang van het Kon. Nat. Steuncomité, dat—zooals uit de volgende hoofdstukken blijken zal—veel heeft bijgedragen tot het niet al te ongunstig verloop van zaken in de oorlogscrisis, bij het scheiden van de markt, op een der laatste dagen dat ik als Minister a. i. het Departement van Landbouw beheerde, de hulp van de Commissarissen der Koningin ingeroepen, om door bemiddeling van de burgemeesters een antwoord te krijgen, hoe het stond met de voorraden levensmiddelen en wat was gedaan om wegstrooming daarvan naar buiten de gemeente te voorkomen. Het resultaat van die enquête, dat uit den aard der zaak niet terstond werd verkregen, heeft mij bevestigd in mijn weinig hoog gespannen verwachting omtrent zulk een onderzoek. In de Tweede Nota betreffende den Economischen Toestand maakte Minister Posthuma er slechts met een korten volzin melding van. „In het algemeen leverde dit onderzoek vrij bevredigende resultaten op. Toch bleek het, dat het geraden was het noodige te doen, opdat enkele voorraden niet zouden worden uitgeput.”

Om tot die slotsom te komen, was de enquête niet noodig geweest. Het groote bezwaar van zulke spoedopnemingen is, dat men er zich niet op kan verlaten. Men moet daarbij aan de burgemeesters allerlei vragen doen, voor welker beantwoording zij de gegevens evenzeer missen als de Regeering zelve en die zij slechts behoorlijk zouden kunnen beantwoorden, als zij de beschikking hadden over personeel, dat voor zulk een onderzoek geschoold is en dat dit na de noodige voorbereiding en met de noodige omzichtigheid leiden en uitvoeren kan. Zooals de zaak geschieden moest, kreeg men niet veel meer dan een verzameling persoonlijke meeningen van burgemeesters, van welke het geraden was niet dan een critisch gebruik te maken.

Voortdurend trachtte het Departement van Landbouw zich, ook na die enquête, zoo goed mogelijk van den stand der verschillende voedingsmiddelen op de hoogte te houden. Steeds was daarbij critiek op de ontvangen gegevens uiterst geraden. Gold het artikelen, zooals rogge, die de boeren liefst in het eigen bedrijf wilden gebruiken, dan hadden die gegevens de neiging beneden de werkelijkheid te blijven; gold het daarentegen artikelen, zooals aardappelen, waarvan een gedeelte over de grens kon worden gelaten, dat absoluut en percentsgewijze hooger was, naar gelang de voorraad meer overschreed hetgeen voor binnenlandsch verbruik gereserveerd moest blijven, dan moest men rekenen met de neiging de werkelijkheid te flatteeren. Men moet ook deze moeilijkheid niet onderschatten bij het beoordeelen en veroordeelen van tekortkomingen van het Departement van Landbouw in de vervulling van zijn even moeilijke als buitengewone taak ten aanzien van de levensmiddelenvoorziening.

Na de suiker, de boter, de kaas en de aardappelen kwamen het varkensvleesch, de eieren en allerlei groenten aan de beurt. Daarbij werd de regeling voor de suiker, telkens met de afwijkingen, welke de aard van het product noodig of wenschelijk maakte, tot voorbeeld genomen. Er werden percentages vastgesteld, die hier te lande moesten blijven en Rijksbureaux opgericht ter regeling en controleering der uitvoerconsenten.

Bij het stellen der uitvoerverboden en het regelen der uitvoerconsenten werd dankbaar gebruik gemaakt van de adviezen der in hoofdstuk V nader te bespreken subcommissie uit het Kon. Nat. Steuncomité, welke zich tot taak gesteld had, mede te werken aan het weder op gang brengen van het verkeer en de productie en daarmede de fourageering der bevolking te verzekeren. Op initiatief van den heer Posthuma als 2en Voorzitter van dat comité werd de fourageeringscommissie den 5en Januari 1915 omgezet in de algemeen bekend geworden Commissie voor de voeding van mensch en dier. Deze werd samengesteld uit: de voorzitters der hieronder te bespreken roggecommissies en der provinciale bemiddelingsbureaux van het Nederlandsch Landbouw-comité, den secretaris van den Nederlandschen Tuinbouwraad, den voorzitter van den Middenstandsbond, de voorzitters van de vereenigingen of bonden van bakkers, aardappelhandelaars en slagers, de directeuren van de distributiebureaux van graan en meel en van boter en kaas; de verbruikers waren er in vertegenwoordigd door den voorzitter van den Nederlandschen Coöperatieven Bond. Vanwege het Kon. Nat. Steuncomité werden aan de Commissie toegevoegd: de voorzitter van de commissie van uitvoering, de algemeene secretaris en eenige adjunct-secretarissen. De samenstelling van de Commissie was dus zeer veelzijdig en gaf alle waarborgen van deskundigheid; echter was tegenover de verschillende producenten en handelaars het verbruikersbelang wel wat zwak vertegenwoordigd. De stem van den voorzitter van den Nederlandschen Coöperatieven Bond kon tegen het groote aantal stemmen van vertegenwoordigers van producenten- of handelaarsbelangen niet opwegen. Het voorzitterschap werd opgedragen aan den heer Mr. J. T. Linthorst Homan te Assen, lid van de Commissie van uitvoering van het Kon. Nat. Steuncomité, en voorzitter van het Nederlandsch Landbouwcomité, die van het begin van den oorlogstoestand af met groote toewijding zijn krachten aan het land beschikbaar heeft gesteld en nog stelt.

In zijne rede tot installatie der commissie wees de heer Posthuma er op, dat de commissie het middelpunt zou vormen van de verschillende provinciale en plaatselijke bureaux en commissies, welke verzorging van onderdeelen van het voedingsvraagstuk ten doel hadden.

„Provinciaal plegen de bestaande roggecommissies en de bemiddelingsbureaux voor den Nederlandschen Landbouw overleg met elkander—zoo werd in die installatierede de te vervullen taak omschreven—inzake alle vraagstukken de voeding van mensch en dier betreffend. Van dit overleg wordt verwacht, dat wederzijds het beste inzicht wordt verkregen òf in elkanders belang òf in hetgeen voor het algemeen belang de meest juiste maatregel moet geacht worden te zijn. Stilzwijgend wordt aangenomen, dat men provinciaal een uitvoerend comité vormt, dat de beslissing neemt in die zaken, waarvoor de voorzitters van de roggecommissie of het bemiddelingsbureau het niet noodig oordeelen de leden hunner commissie op te roepen. Het is bepaald wenschelijk dat door zoo’n provinciaal uitvoerend comité getracht wordt de medewerking te verkrijgen van de plaatselijke organisatiën, waarvan de voorzitters der landelijke organisatiën in de Commissie voor de voeding van mensch en dier van het Kon. Nat. Steuncomité zijn opgenomen. Noodzakelijk is, dat iedere provinciale commissie een adres heeft, waaraan alles de provincie betreffende kan worden gezonden.

„Verwacht wordt, dat het op deze wijze voor de Regeering mogelijk zal zijn, van het Kon. Nat. Steuncomité inlichtingen te verkrijgen, waarin de verschillende belangen die de verschillende provinciën dikwijls hebben, geheel tot uiting komen.

„De Regeering heeft het voornemen vele malen hetzij van het bureau, hetzij van het bureau versterkt door voor een bepaalde vraag meer aangewezen leden, advies te vragen en vertrouwt, dat bij vragen van algemeenen aard of het landsbelang rakende, door het bureau dezer commissie het advies der provinciale comités zal worden gevraagd.”

De Commissie voor de voeding van mensch en dier is bedoeld als een commissie van advies en zij kon trouwens niet anders bedoeld zijn, daar zij geen tijdelijk regeeringsinstituut is, maar een schepping en een onderdeel van het Kon. Nat. Steuncomité dat, hoewel het met de Regeering in zeer nauwe betrekking staat, toch een particuliere vereeniging is, aan welke geen regeeringsdaden kunnen worden opgedragen. Practisch heeft het zich echter zoodanig ontwikkeld, dat de commissie niet slechts over de uitvoerconsenten advies geeft, maar feitelijk de uitvoering der consentenregelingen onder verantwoordelijkheid van den Minister van Landbouw in handen heeft. Uit den aard der zaak moet zij daarbij steeds voeling houden met de Nederlandsche Overzee Trust Maatschappij, waarover ik in hoofdstuk V spreek.

De Commissie voor de voeding van mensch en dier werd echter niet alleen gesteld aan het hoofd der consentenafgiften, ook de leiding der distributie van de levensmiddelen, waarover de Regeering de beschikking kreeg, werd haar toevertrouwd. In de circulaire van 29 September 1915 aan de burgemeesters, waarin door den Minister van Landbouw de hoofdtrekken van een nieuw plan van levensmiddelendistributie werden uiteengezet, naar aanleiding van de hieronder nog eenigszins nader te bespreken omzetting der Rijksbureaux voor distributie van verschillende levensmiddelen in vereenigingen van belanghebbenden, welke onder een van Regeeringswege georganiseerd toezicht werken, werd medegedeeld dat de centrale leiding van die nieuw georganiseerde levensmiddelendistributie was opgedragen aan „de Commissie voor de voeding van mensch en dier uit het Kon. Nat. Steuncomité, door welke commissie een algemeen administratiekantoor wordt ingesteld.

„De verstrekking van de in aanmerking komende levensmiddelen geschiedt voor de onderscheidene gemeenten door tusschenkomst van dit administratiekantoor. Hierdoor wordt het dubbele voordeel verkregen, dat voor alle artikelen door de gemeenten slechts aan één adres behoeft geschreven te worden en het administratiekantoor zich niet, als de thans bestaande distributiebureaux, met een steeds grooter wordend getal afnemers, doch enkel met de gemeenten in verbinding behoeft te stellen.”

Staatsrechtelijk was het zeker niet onberispelijk, dat de leiding van de distributie van verschillende etenswaren, welke Rijkseigendom waren geworden, tusschen de gemeenten, die daaraan behoefte hadden, werd opgedragen aan een niet-publiekrechtelijk georganiseerd centraal distributiebureau. Deze fout werd trouwens spoedig hersteld door de omzetting van het centraal distributiebureau van de Commissie voor de voeding van mensch en dier in een Rijksbureau. Practisch was, afgezien van de karakterverandering der afzonderlijke distributiebureaux voor de verschillende levensmiddelen—waarover aanstonds,—het brengen van onderling verband tusschen die uit den nood der tijden ontsproten instellingen en het organiseeren daarvan onder een centraal hoofdbureau zonder twijfel een verbetering. Dat de ervaring, welke met de levensmiddelendistributie werd opgedaan, toch vaak zoo weinig bemoedigend was, mag aan de in September 1915 tot stand gebrachte reorganisatie niet worden geweten; die ervaring was verre van onverdeeld gunstig, ondanks de door die reorganisatie aangebrachte verbetering.

De hoofdmoeilijkheid waarmede men bij de Rijkslevensmiddelendistributie heeft te kampen gehad, kon door centralisatie van den distributiedienst hoogstens iets worden verminderd; ondervangen worden kon zij daardoor niet. Zij was inhaerent aan de omstandigheid, dat de levensmiddelen, die gedistribueerd moesten worden, Rijkseigendom waren geworden, d. w. z. dat zij, vóór zij door tusschenkomst van den kleinhandel (en de slagers) onder het bereik van de verbruikers werden gebracht, eerst, zij het ook in tijd vaak slechts zeer kort, aan het handelsverkeer werden onttrokken. Terwijl het lot zijner waren in normale tijden den groothandelaar en den grossier onverschillig zijn kan, als zij hem maar betaald worden, mocht het der Regeering, hier als groothandelaar of grossier optredend, juist niet onverschillig zijn, wat er met het goed gebeurde. Haar geheele optreden op dit gebied was alleen gerechtvaardigd als middel om de goederen, waar het om ging, tegen billijken prijs aan de verbruikers te brengen. De geheele organisatie moest er dus op ingericht zijn, zoo goed mogelijk te waarborgen, dat dit doel ook zou worden bereikt, m.a.w. dat de waren, welke onder de machtssfeer van het Centrale Rijksdistributiebureau en zijne vertakkingen kwamen, die machtssfeer eerst zouden kunnen verlaten op het oogenblik, dat zij in handen gekomen waren van de verbruikers, voor wie zij bestemd waren. De taak, waarvoor het distributiebureau stond, was het wegvloeien dier goederen tusschen het beginpunt, de overgang in Rijkseigendom, en het eindpunt, het in handen gekomen zijn van den verbruiker, te verhinderen. Dat was daarom zoo moeilijk, omdat bij de distributie gebruik gemaakt worden moest van de tusschenkomst van hen, die gewoon zijn deze rol in het maatschappelijk leven, maar dan voor eigen rekening, te vervullen, grossiers en winkeliers (en slagers). Den tusschenhandel voorbijgaan was onmogelijk. Zoowel direct practische als algemeen sociale overwegingen verzetten zich daartegen. Maar aangezien de prijzen, waarvoor de regeeringswaren afgeleverd moesten worden, lager, in sommige gevallen zeer aanzienlijk lager waren, dan die, welke de grossiers en winkeliers konden bedingen voor waren van dezelfde kwaliteit, die op hun weg naar het verbruikende publiek geen oogenblik het particuliere verkeer hadden verlaten, was het bij uitstek moeilijk er voor te zorgen, dat de regeeringskaas, de regeeringseieren, de regeeringsgroenten enz. op hun weg naar den verbruiker niet afdwaalden en aan hun bestemming werden onttrokken. De contrôle tot het tegengaan van dergelijke hoogst hinderlijke verdwijningen was bij het eene product minder moeilijk dan bij het andere. Geheel afdoende kon zij nergens zijn. Het enkele feit dat zulke lekken telkens opnieuw aan het licht kwamen, was teleurstellend voor de verbruikers, ontstemmend voor hen, die hun waren beneden den handelsprijs hadden moeten afstaan, en ontmoedigend voor de organen, welke tot taak hadden de distributie te verzorgen. Hinc illae lacrimae!

Geheel had men het euvel, ook bij eene andere regeling, niet den kop kunnen indrukken. Maar men had toch twee belangrijke factoren, die tot vergrooting van het kwaad leidden, kunnen uitschakelen. Een daarvan hangt ten nauwste samen met de verandering in rechtskarakter, welke men bij de gevolgde regeling het te distribueeren goed deed ondergaan, vóór het in distributie kwam. Op welke wijze men die verandering naar mijne meening had kunnen ontgaan, kan ik eerst nader uiteenzetten, als ik in de volgende paragraaf de hoofdtrekken van de levensmiddelenwet van 3 Augustus 1914 zal hebben besproken[2]. De andere factor ligt hierin, dat de hoeveelheid der aan de distributie-organen ter beschikking gestelde regeeringswaren niet afhankelijk was van den omvang der behoefte daaraan, maar van den omvang van het exportbedrijf in de branche, welke in die waren handel dreef. Hierdoor ontbrak elk innerlijk verband tusschen aanbod en vraag in de Rijksdistributieorganisatie en was er nu eens een relatief te veel dan weer een absoluut te kort, dat desorganiseerend werken moest en desorganiseerend gewerkt heeft, ook al heeft men, zooals bijv. bij de regeeringsvarkens, maatregelen genomen om het nadeelig gevolg van het ontbreken van dat innerlijk verband zoo goed mogelijk te neutraliseeren.

[2] Zie blz. 89-91.

Deze tweede factor in de moeilijkheden, welke bij de distributie der regeeringswaren werden ondervonden, staat in den nauwsten samenhang met een principieel verschil tusschen de beperking van den uitvoer en de regeling der uitvoerconsenten bij de suiker en bij de andere producten van tuinbouw, landbouw en veeteelt, welke in allengs versnellend tempo volgden. Dat verschil bestaat hierin, dat ten aanzien van de suiker in het algemeen werd bepaald, welk deel hier te lande moest blijven en welk deel kon worden uitgevoerd en voorts in het algemeen een maximumprijs voor de binnenslands blijvende suiker werd vastgesteld, terwijl daarentegen de boteruitvoerregeling zoodanig werd ingericht, dat telkens tegenover het uitvoerconsent een zekere hoeveelheid boter tegen een van regeeringswege vastgestelden prijs voor de binnenlandsche consumptie aan het Rijk moest worden afgestaan. In deze afwijking van de suikeruitvoerregeling ligt de principieele fout. Zij werd reeds begaan onder mijn bewind als Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel; mijne critiek treft dus ook mijzelven. Hoe meer regelingen intusschen in den geest van de boter- en kaasbureaux werden getroffen en hoe langer zij werkten, des te sterker kwam de fout naar voren en des te duidelijker moest het worden, dat het zaak was haar weg te nemen.

Door het vastkoppelen van de vorming van een voorraad voor binnenlandsch verbruik aan de afgifte van consenten voor den uitvoer, ging die voorraad met den omvang van den export op en neer en hield de aanvulling of vernieuwing daarvan op, zoodra door maatregelen van onze eigen Regeering of van die van het land, waarheen de uitvoer voornamelijk ging, in dien uitvoer tijdelijk stilstand intrad. Een voorbeeld daarvan geeft de Achtste Nota betreffende den Economischen Toestand:

„Het bleek noodzakelijk den geheelen uitvoer van kaas stop te zetten, hetgeen geschiedde vanaf 24 October tot en met 7 December 1915. Het gevolg daarvan was natuurlijk[3], dat gedurende dit tijdsverloop ook geen zoogenaamde regeeringskaas meer beschikbaar werd gesteld”,—werd in die Nota opgemerkt. Het wekt reeds eenige verwondering, dat men bij het neerschrijven van die opmerking niet tevens inzag, dat men op den verkeerden weg was en dat het noodig was de beschikbaarstelling van regeeringsvarkens, regeeringskaas, regeeringseieren, regeeringsgroenten enz. op andere wijze te regelen. Maar nog meer trof het mij, dat eenige maanden later, in de Memorie van Toelichting bij het ontwerp tot beschikbaarstelling van ƒ20 millioen voor de volksvoeding, als iets dat volkomen in den haak is, werd geschreven: „Het behoeft geen betoog, dat in de periode welke wij thans ingaan of reeds zijn ingegaan, de uitvoer van verschillende onzer producten belangrijk zal verminderen en daardoor, afgezien nog van de hoogere productiekosten, den producent de voor het binnenlandsch verbruik opgeëischte waren duurder zullen moeten worden betaald[4];” en enkele regels verder: „voor die waren, waarvan geen uitvoer en dus geen (automatische) beschikbaarstelling door de bekende vereenigingen plaats heeft, zal....” enz.

[3] De cursiveering komt van mij.

[4] De cursiveering komt van mij.

Die uitlatingen toch leggen den vinger op de principiëele fout van de regeling (een fout, die—ik herhaal het—ook voor mijne rekening komt), zonder dat uit de aanwijzing daarvan de conclusie wordt getrokken, dat het dus noodig is verandering aan te brengen. Het deel van den geheelen voorraad, dat voor binnenlandsch verbruik beschikbaar wordt gehouden, moet niet afhangen van hetgeen ten uitvoer wordt aangeboden, maar het deel van dien voorraad, dat ten uitvoer kan worden toegelaten, moet afhangen van het deel, dat voor het binnenlandsch verbruik gereserveerd moet blijven. Zoolang de uitvoer tamelijk geregeld zijn gang ging, had de fout in het punt van uitgang der uitvoerregelingen geen practische gevolgen van overwegende beteekenis. Maar zoodra kwam er niet stilstand of vertraging daarin of die fout moest zich wreken. In stede van zich te haasten, haar zoo goed mogelijk te herstellen, beriep men er zich op, als op iets natuurlijks en leidde er zelfs de averechtsche conclusie uit af, dat als er minder werd uitgevoerd, voor den voorraad die voor binnenlandsch verbruik werd opgeëischt, dus duurder zou moeten worden betaald, boven en behalve hetgeen volkomen terecht moet worden vergoed ter compensatie van hoogere productiekosten. Na hetgeen ik zooeven[5] over het verband van oorlogswinst en uitvoerbeperking zeide, behoef ik hier niet nog eens te betoogen, waarom ik die conclusie onjuist acht. De bedoelde Memorie van Toelichting wijst er op, dat men aan de afdeeling Landbouw van het Departement het spoor eenigszins bijster is geworden.

[5] Zie blz. 49-53.

Een ander principieel bezwaar, dat, zooals ik reeds aangaf, ook practisch nadeelige gevolgen heeft, treft de regeling krachtens welke de exporteurs van ten uitvoer verboden levensmiddelen hun uitvoerconsenten als het ware moeten koopen voor een prijs, bestaande in het overdragen aan het Rijk van een deel hunner waar beneden de marktwaarde, welk deel door tusschenkomst van de distributiebureaux, later van de distributievereenigingen en van het Rijks-Centraal Distributiebureau, aan de burgemeesters, die zulke levensmiddelen aanvroegen, ter beschikking wordt gesteld.

Onwettig zijn die regelingen niet, daar de exporteurs tegenover het consent dat zij ontvangen, vrijwillig een bepaald deel van hun voorraad tegen een bepaalden prijs afstaan. Maar die vrijwilligheid is slechts zeer betrekkelijk; in werkelijkheid wordt het voor het binnenlandsch verbruik beschikbaar gestelde deel afgedwongen, doordien het afstaan daarvan voorwaarde is voor het verkrijgen van het uitvoerconsent, m. a. w. voor de exporteurs voorwaarde is voor de uitoefening van hun bedrijf.

Het is reeds niet zonder bedenking, dat zulk een dwang wordt opgelegd zonder dat de overheid, die daaraan in normale omstandigheden niet zou denken, in den oorlogstoestand, welke dien dwang volkomen wettigt, zich kan beroepen op een uitdrukkelijk daartoe verleende wettelijke bevoegdheid. Misschien meer nog dan in gewone tijden is het in oorlogstijd, als de Regeering telkens in het economisch leven gevoelig ingrijpen moet, wenschelijk, zoo niet noodig, dat zij die den greep der overheid gevoelen, niet kunnen twijfelen aan het goed recht daartoe en dat geen voedsel wordt gegeven aan een, gelukkig geheel ongerechtvaardigd, maar toch onder abnormale toestanden met abnormale regeeringsinmenging zoo licht opkomend gevoel van te zijn overgegeven aan willekeur, in stede van te moeten bukken voor de wet van het inwendig oorlogsrecht.

Bij de regeling welke de beschikbaarstelling van voorraden voor binnenlandsch verbruik vastkoppelde aan de afgifte van consenten voor uitvoer, bleef wel de mogelijkheid open, gebruik te maken van de bevoegdheid tot ingrijpen, aan de Regeering uitdrukkelijk gegeven bij de wet tot het tegengaan van vasthouding en prijsopdrijving van waren, welke ik in de volgende paragraaf bespreek, maar bij de toepassing der geschetste consentenregeling werd er als het ware stilzwijgend van uitgegaan, dat zoolang zij in stand gehouden werd, tot inbezitneming van de aan haar onderworpen exportartikelen krachtens de levensmiddelenwet niet zou worden overgegaan. Zóó vatten niet alleen belanghebbenden het op, maar ook de Regeering kwam, blijkens haar handelingen, in die gedachtensfeer. Dit is geen verwijt aan den Minister van Landbouw; het niet gebruik maken van de bevoegdheden door de levensmiddelenwet gegeven, was zoozeer saamgeweven met de gansche regeling der uitvoerconsenten, dat het wèl hanteeren daarvan nauwlijks oirbaar zou zijn geweest, zoolang de consentenregeling bestond en voor zoover zij door belanghebbenden behoorlijk werd nageleefd. Echter pleit ook dit haast onvermijdelijk gevolg wèl tegen de regeling zelve. Men had, zooals ik in de volgende paragraaf nog nader denk te motiveeren, beter gedaan zich aan de wettelijke bevoegdheden te houden dan, met de beste bedoelingen en hier en daar ook langen tijd wel met gunstig gevolg, zich te begeven op den gevaarlijken weg der extralegale, zoogenaamd vrijwillige, maar inderdaad door den nood der omstandigheden afgedwongen beschikbaarstellingen.

Hier heeft bovendien de eerste stap geleid tot een haast logisch noodzakelijke consequentie, die principieel alweer iets verder van den rechten weg af voerde en die practisch weinig voldaan heeft. Daarmede doel ik op het tweede deel van de in September 1915 doorgevoerde reorganisatie van de regeling der uitvoerconsenten. Zooeven wees ik er reeds op, dat het eerste deel daarvan, namelijk het brengen van verband tusschen de verschillende consenteninstituten, een verbetering was. Ditzelfde kan m. i. niet worden getuigd van het andere deel dier reorganisatie, namelijk de vervanging der Regeeringsbureaux op den uitvoer van voedingsmiddelen door vereenigingen van belanghebbenden, welke werkten onder toezicht van commissies, waarvan de leden door den Minister van Landbouw werden benoemd. Waar bij de geheele regeling der uitvoerconsenten allengs het privaatrechtelijk beginsel van het „do ut des” meer op den voorgrond kwam, kon de uitvoering daarvan practisch inderdaad beter worden toevertrouwd aan privaatrechtelijke vereenigingen van belanghebbenden, dan aan krachtens hun oorsprong (tijdelijke) staatsrechtelijke bureaux. Die vereenigingen van belanghebbenden konden met de individueele exporteurs veel beter onderhandelen, zoowel over het voor binnenlandsch verbruik beschikbaar te stellen quantum tegenover elken uitvoer, als over den prijs, waarvoor de beschikbaar te stellen hoeveelheden moesten worden afgestaan. Een nadeel was echter, dat door haar den hoofdinvloed te geven op de uitvoering der regeling, het groepsbelang der exporteurs van een bepaald voedingsmiddel veel te sterk op den voorgrond kwam tegenover het algemeen belang van den consument. Het boven[6] aangestipte bezwaar der onwillekeurige eenzijdigheid van speciale vakdeskundigen, deed zich hier in sterk verhoogde mate gelden. De door den Minister benoemde commissies van toezicht konden dat bezwaar wel temperen en zij hebben het ook stellig wel getemperd; wegnemen konden zij het niet. Daartoe lag het te veel in het wezen der geheele uitvoerregeling.

[6] Zie bl. 55/6.

Het denkbeeld om in die commissies van toezicht een overwegende plaats toe te kennen aan leden van de Tweede en de Eerste Kamer heeft heel wat critiek ondervonden. Toch is het verklaarbaar genoeg, hoe het Departement van Landbouw daartoe is gekomen, al wil ik aanstonds toegeven, dat het geen gelukkig denkbeeld was en dat de ervaring, welke er mede is opgedaan, niet gunstig kan worden genoemd. Er werden in de Tweede Kamer zeer vaak klachten geuit, waaruit bleek, dat de klagende volksvertegenwoordigers de moeilijkheden, welke de Regeering bij haar noodgedrongen optreden op een haar zoo vreemd terrein ondervond, veel te gering schatten. Het kan daarom geen verwondering wekken, dat dit bij den heer Posthuma het denkbeeld deed rijpen, de volksvertegenwoordigers nader bij de zaak te brengen en hen de moeilijkheden daarvan te doen proeven. Er werd inderdaad mede bereikt, dat verschillende Kamerleden meer inzicht in die moeilijkheden kregen, maar dit voordeel werd voor een te hoogen prijs gekocht. Eenerzijds was het gevolg, dat de voorzittende Kamerleden van de commissies van toezicht op den uitvoer van land- en tuinbouwproducten zich eenigszins begonnen te gevoelen en te gedragen als onder-ministertjes, die, zonder verantwoordelijk te zijn, mochten meeregeeren; en anderzijds dat de werkelijke Minister, in verband daarmede, de teugels van het bewind niet zoo vast in handen kon houden, als juist in den abnormaal moeilijken oorlogstijd dubbel noodig was. De verantwoordelijkheid raakte feitelijk eenigszins verdeeld, hoewel zij staatsrechtelijk natuurlijk uitsluitend op den Minister bleef rusten. Het eindresultaat was, dat toen tot overmaat van ramp de Minister van Landbouw door ongesteldheid tijdelijk buiten gevecht gesteld werd, de feitelijke en de grondwettelijke verantwoordelijkheid zich nauwelijks meer dekten en er een practische veelhoofdigheid in het bestuur der levensmiddelenvoorziening kwam, die den wagen geheel uit het spoor bracht. De bevolking begon, niet geheel ten onrechte, beangst te worden en de Minister van Binnenlandsche Zaken, optredende als feitelijk interimair Minister van Landbouw, werd genoodzaakt tot forsch ingrijpen om den wagen weer aan het rollen te brengen. Op een helaas voor de bevolking wat zeer voelbare wijze werd zoodoende weer eens door de ervaring bevestigd, dat gedeelde verantwoordelijkheid geen verantwoordelijkheid is.

En niet slechts de verbruikers waren beangst en ontstemd, ook de boeren waren ontevreden. De grondtoon van hun ontevredenheid was verbolgenheid over het feit, dat zij niet zooveel oorlogswinst konden maken als zonder beperking van den uitvoer het geval zou zijn geweest. In zoover was die ontevredenheid menschelijk, maar onredelijk. Na hetgeen ik boven[7] over oorlogswinst en beperking daarvan door uitvoerverboden schreef, behoef ik dit oordeel hier niet opnieuw te staven. Ik zou daardoor slechts in herhaling vervallen.

[7] Zie bl. 49-53.

Daarnaast hadden de boeren een andere grief, die alleszins reden van bestaan had. Ik maakte er reeds melding van, hoe de uitvoerregeling bij de kaas op mislukking uitliep. Met de andere voedingsartikelen, waarvoor een analoge regeling was getroffen, ging het over het algemeen wel beter, maar toch waren ook hier te veel lekken. En te dikwijls is het voorgekomen, dat producten, die door de boeren tegen matigen prijs moesten worden afgestaan om voor het overige van hun voorraad uitvoerconsent te verkrijgen, in stede van hun bestemming te bereiken, werden opgekocht door tusschenhandelaars, die toch gelegenheid zagen ze met grove winst over de grenzen te krijgen of ze als vrij goed binnenslands te verkoopen. Dat de boeren daartegen in opstand kwamen, is niet slechts menschelijk, maar volkomen gerechtvaardigd tevens. De oorlogstoestand heeft een aantal knoeiende beunhazen gekweekt, die door allerhande practijken, welke nu eens lijnrecht tegen de wet ingaan, dan weer langs de grens der strafbaarheid heenglijden, alle maatregelen, welke in het belang der volksvoeding moeten worden genomen, in de uitvoering bemoeilijken. Deze schadelijke parasieten, die wel voornamelijk maar helaas niet uitsluitend onder de gelegenheidshandelaars worden aangetroffen, zijn een ware nachtmerrie voor de Regeering. Voor den Minister van Landbouw zijn zij wat de smokkelaars zijn voor den Minister van Financiën. Voortdurend moet tegen hen strijd worden gevoerd. Hun optreden heeft er meer dan iets anders toe geleid, dat de regeeringsbureaux tot het afgeven van consenten, werden vervangen door vereenigingen van belanghebbenden, werkende onder contrôle van commissies van toezicht, en deel uitmakende van de over het heele land vertakte organisatie der Rijks-levensmiddelendistributie. Die verandering in de regeling is echter evenmin voldoende geweest om het kwaad te keeren.

Niemand beelde zich in, dat men dit euvel geheel den kop zal kunnen indrukken. Het is een voortdurende strijd, waarbij na elken nieuwen maatregel de beunhaas en de smokkelaar nieuwe wegen vinden, om dien te ontduiken. Dat het hen, die een deel van hun waar tegen betrekkelijk lagen prijs moeten afstaan, grootelijks ontstemt, wanneer zij ontdekken, dat anderen zich daarmede onrechtmatig verrijken, is volkomen begrijpelijk; zij zouden sukkels zijn, indien het anders ware. Die ontstemming kan men den boeren dan ook waarlijk niet kwalijk nemen. In dit opzicht beginnen zij eerst ongelijk te krijgen, als zij wegens de knoeierijen en ontduikingen, waartegen men wel den strijd kan en moet aanbinden, maar die men niet geheel verhinderen kan, het geheele ingrijpen der Regeering veroordeelen. Alleen dan zou hun conclusie te dezen aanzien gerechtvaardigd zijn, indien de Regeering niet voortdurend deed wat in haar vermogen is, om dat geknoei zooveel mogelijk tegen te gaan, of indien zij daartegenover zóó machteloos stond, dat zij wel den boeren een deel van hun kans op oorlogswinst wegnam, maar daarmede de volksvoeding weinig of niet hielp. Ja, dan zou men zich aan de zijde der pruttelende boeren moeten stellen. Een ingrijpen dat zijn doel niet bereikt en alleen de boeren zou beletten zooveel winst te maken, als zij anders zouden kunnen doen, zou inderdaad zich zelf veroordeelen.

Maar zoo erg is het gelukkig niet. Uit de bovenstaande bladzijden blijkt voldoende, dat ik geen onverdeeld bewonderaar ben van de regeling der uitvoerconsenten en de fouten daarvan niet wil verbloemen, maar al zou het effect zonder die fouten grooter zijn geweest en al moet worden erkend, dat er lekken zijn, welke men niet heeft weten te stoppen, toch is die voorziening niet gelijk te stellen met water gieten in een bodemloos vat. Verre van dien. Ondanks alles heeft zij zeer nuttig gewerkt. In de eerste plaats mag dankbaar worden gewag gemaakt van hetgeen geschied is met de beschikbaarstelling van regeeringsvarkens; daardoor is het varkensvleesch op groote schaal gebleven binnen het bereik ook van de kleinere beurzen. Daarnaast mogen ook de regeeringsboter, de regeeringsgroenten en zeker ook de regeeringsvisch worden genoemd, al heeft het met die groenten wel eens leelijk gehokt.

Niet op inkrimping en nog minder op ontijdige opheffing der beperkingen van den uitvoer van levensmiddelen, waarvan het land meer voortbrengt dan voor de eigen behoefte noodig is, moet voorloopig worden aangestuurd. Niet wegwerpen van het in den oorlogstijd onmisbare, omdat het gebreken heeft, maar rusteloos en gestadig zoeken naar- en aanbrengen van verbetering daarin, principieel en practisch. Dat is wat de buitengewone toestanden vragen; dat is ook wat de Regeering onverpoosd nastreeft en wat zij beter zal bereiken, naar gelang zij 1º. zich meer rekenschap geeft zoowel van de principieele beteekenis harer daden, als van de onwillekeurige partijdigheid van belanghebbende raadgevers en medewerkers, ook al zijn dezen volkomen te goeder trouw, en 2º. bij de uitvoering harer maatregelen zelve de teugels vaster in handen houdt.

Voor zoover ik in de voorafgaande bladzijden ook critiek liet hooren, heb ik dat niet gedaan zonder schroom. Echter treft mijn critiek voor een deel ook mijzelven. Maar wat mij vooral mijne aarzeling deed overwinnen, was de overweging dat de levensmiddelenvoorziening van zoo groot belang is en ook na het sluiten van den vrede nog eenigen tijd blijven zal, dat andere overwegingen daarvoor moeten wijken. Hieronder[8] zal nog nader blijken hoezeer mijn critiek een opbouwend karakter heeft.

[8] Zie bl. 89-91.

Tot besluit van deze paragraaf nog een enkel woord over de regeeringsvisch. Regeeringsvisch is niet alleen natuurwetenschappelijk iets anders dan regeeringsboter, regeeringsvarkens of regeeringsgroenten. Hij wijkt daarvan ook af door een ietwat anderen oorsprong als regeeringswaar. In het begin van de oorlogscrisis had het allen schijn, dat het moeilijk zijn zou, voor de producenten der visscherij het gewone afzetgebied te vinden. Het Kon. Nat. Steuncomité trachtte toen niet zonder succes mosselen, welke anders grootendeels worden uitgevoerd, met name naar België, hier te lande als volksvoedsel ingang te doen vinden. Het richtte daartoe den 17den October 1914 een circulaire aan de plaatselijke comités en riep ook de tusschenkomst van de Commissarissen der Koningin in, om de medewerking der burgemeesters te verkrijgen ter algemeene verspreiding van dat stuk. Daarin werden zelfs recepten gegeven, hoe de mosselen op verschillende wijze bereid kunnen worden. Tevens werd toen, op initiatief van het Comité, te Tholen een Centraal Bureau opgericht voor de bevordering van den afzet van Zeeuwsche mosselen. Door dat bureau werden mosselen tegen zeer lagen prijs aangeboden. Weldra greep ook de Regeering in en werd een poging gedaan om meer in het algemeen het verbruik van producten der visscherij onder de bevolking van ons eigen land te bevorderen. In de Tweede Nota betreffende den Economischen Toestand, welke van Januari 1915 dagteekent, wordt daarvan gezegd:

„Opgericht werd een Centraal Bureau voor den afzet van visscherijproducten, dat onder leiding is gesteld van de visscherijinspectie in samenwerking met de vertegenwoordigers der visscherijorganisaties. Dit bureau, gevestigd te Amsterdam, stichtte daar een vischbakkerij, waarin reeds groote hoeveelheden spiering gebakken worden, welke aan het leger, aan vluchtelingen- en interneeringskampen en ook aan de gemeente Amsterdam geleverd werden. Deze laat het product in een aantal winkels verkoopen. Ook organiseerde het bureau reeds den verkoop van versche spiering door venters, terwijl het bovendien aan verschillende gemeentebesturen advies gaf over den inkoop van visch van gemeentewege, of de inrichting van gemeentelijke vischmarkten.”

In een latere Nota schrijft de Minister van Landbouw:

„Het Centraal Bureau voor den afzet van visscherijproducten zette in het 2e kwartaal van dit jaar (1915) met succes zijn werkzaamheden voort.

„Toen de spieringaanvoer minderde, werd voor de bakkerij ook eerst Zuiderzeeharing en later vooral Noordzeevisch door bemiddeling van het Centraal Bureau verkocht, hetzij doordat te Amsterdam en ’s Gravenhage vanwege het bureau zelf in marktkramen en halletjes verkocht werd, hetzij door levering aan gemeenten.

„Het aantal gemeentebesturen, dat door tusschenkomst van het bureau visch betrok, was aan het einde van het kwartaal tot 49 gestegen.

„Tijdens de stagnatie van de trawlvisch-aanvoer door moeilijkheden ten aanzien van de kolenvoorziening der stoomtrawlers en het mijnengevaar, werd door het Centraal Bureau ook aal verkocht, hetgeen ten goede kwam aan de visscherij in de Zuidhollandsche stroomen en benedenrivieren.”

Uit deze mededeelingen blijkt zonneklaar, dat de oorsprong van dit centraal bureau heel anders is dan die van de andere distributiebureaux. Terwijl deze laatste werden opgericht ter voorziening in de behoefte van verbruikers, was het bij het vischbureau juist andersom gesteld. De verbruikers profiteerden wel van het bureau, maar dit was een gelukkig gevolg van het eigenlijke doel: hulpverleening aan de in moeilijkheden geraakte visscherij. Indien het zoo gebleven was, zou ik van deze aangelegenheid hier in het geheel niet hebben gesproken en de zaak behandeld hebben in hoofdstuk V, waar ik de takken van ons volksbestaan gedurende de oorlogscrisis bespreek.

In den loop van het jaar 1915 werden echter ten aanzien van de visscherij, met uitzondering van enkele onderdeelen, met name de mossel- en de oestervisscherij, de bordjes verhangen. Van noodlijdend werd de visscherij, inzonderheid de trawl- en de haringvisscherij, ongekend winstgevend door eene buitengewone toeneming van de buitenlandsche (Duitsche) vraag. Zij kwam toen in een overeenkomstige positie als de exporteurs van boter, kaas, varkensvleesch, groenten enz. In verband daarmede werd in November 1915 een Zeevischvereeniging opgericht, om een deel van de aangevoerde kleine trawlvisch en zekere hoeveelheden haring ter beschikking te stellen voor binnenlandsch verbruik. Met die verandering in den toestand kwam de regeeringsvisch in hetzelfde schuitje met de regeeringsgroente. De afwijkende oorsprong heeft echter op de distributie van die visch een gunstig gevolg gehad.

§ 2. De levensmiddelenwet.

Inhoudsopgave

Zelfs al was de regeling der uitvoerverboden en -consenten zonder gebreken geweest, dan zou zij toch niet voldoende geweest zijn. Om aan de bevolking het verkrijgen der benoodigde levensmiddelen tegen niet te hoog opgedreven prijzen te waarborgen, was meer noodig.

Zooals in de inleiding werd in herinnering gebracht, gaven de huisvrouwen in het laatst van Juli en in de eerste dagen van Augustus 1914 uiting aan den schrik, die haar op het vernemen der berichten omtrent het uitbreken van den oorlog om het hart sloeg, door de winkels van eetbare waren te bestormen en voorraden van allerlei levensmiddelen en huishoudelijke verbruiksartikelen in te slaan. Dit gaf aanleiding dat sommige winkels werden uitverkocht en dat hier en daar fancy-prijzen werden gevraagd, welke, in den schrik welke de bevolking bevangen had, gereedelijk werden betaald door de koopsters, die daartoe in staat waren. Deze uiting van oorlogspaniek was tegelijk zóó onverwacht en zóó hevig, dat daartegen zonder verwijl moest worden opgekomen. Zij gaf aan het kamerlid Schaper den 31en Juli 1914 aanleiding, aan de Regeering de schriftelijke vraag te stellen, wat zij tot het tegengaan van prijsopdrijving van levensbenoodigdheden dacht te doen. Die vraag werd door Het Volk in het nummer van Vrijdag-avond 31 Juli bekend gemaakt en den volgenden ochtend overgenomen in de ochtend-edities van de groote dagbladen. Daardoor nam ik er kennis van, nog voordat mij het officieele bericht van den Voorzitter der Tweede Kamer daaromtrent bereikte. Ook zonder dat die vraag gesteld was, zou men de prijsopdrijving niet ongestoord haar gang hebben laten gaan; dit neemt intusschen niet weg, dat het bloote doen der vraag reeds nuttig werkte. De Regeering had in die dagen als het ware naar alle zijden tegelijk te zien en te voorzien. Het was haar niet mogelijk alles wat er omging en voorziening vereischte, zelve waar te nemen. Veel was er, dat zij hetzij uit de dagbladen, hetzij uit vragen of mededeelingen van belanghebbenden of belangstellenden vernemen moest. Door de vraag van den heer Schaper werd haar aandacht bijtijds gevestigd op het gevaar, dat ten aanzien der prijsopdrijving van levensmiddelen dreigde.

Het was aanstonds duidelijk dat de bestaande onteigeningswet niet voldoende was om het opkomende gevaar te keeren en dat het langs den weg van uitbreiding dier wet gekeerd worden moest. Zaterdag ochtend onder het gaan naar het Ministerie overwoog ik de hoofdpunten van hetgeen hier noodig was. Daar gekomen, zette ik die hoofdpunten op het papier als schema voor een wetsontwerp met een korte Memorie van Toelichting. Aan den chef der afdeeling Handel werd door mij opgedragen, ze in den vereischten vorm te gieten en daaromtrent voor zooveel noodig de Departementen van Binnenlandsche Zaken en van Justitie te raadplegen. Persoonlijk besprak ik de zaak met den heer Cort van der Linden, van wien het ontwerp, daar het een aanvulling van de onteigeningswet betrof, formeel in de eerste plaats moest uitgaan. Naar aanleiding van opmerkingen van de Departementen van Binnenlandsche Zaken en van Justitie werd het stuk, dat tegen den middag in zijn eersten vorm gereed was gekomen, voor zooveel noodig gewijzigd en aangevuld. Hoewel ’s middags ook een belangrijke en vrij langdurige vergadering met personen uit de financieele wereld moest worden gehouden, was het toch omstreeks 7 uur ’s avonds zoover, dat ik aan de Koningin een audiëntie kon aanvragen om het ontwerp aan H. M. voor te leggen. De Koningin, die in die dagen met allerlei spoedzaken door Hare verschillende grondwettelijke raadslieden werd overstelpt, had den Voorzitter van den Ministerraad doen weten, dat alle leden van het Kabinet konden verzoeken in gehoor te worden ontvangen, zoo dikwijls zij dit voor dringende aangelegenheden noodig oordeelden. Bovendien had H. M. er voor gezorgd, dat voortdurend een der ambtenaren van Haar Kabinet ten Paleize aanwezig was, om de verdere behandeling van urgente stukken zooveel mogelijk te bespoedigen. Hoewel aan het ontwerp onophoudelijk was gewerkt, werd het toch ongeveer negen uur ’s avonds, vóórdat ik het stuk in den vorm, waarin het aan de Koningin kon worden voorgelegd, naar het Paleis kon medenemen. Toen ik met een enkel woord de strekking van het ontwerp uiteenzette, zeide de Koningin mij, dat Zij dienzelfden dag zeer was getroffen door de bestorming van winkels, welke Zij zelve had opgemerkt en dat Zij met genoegen zag, dat terstond een maatregel was voorbereid om het hieruit te duchten gevaar te keeren. Hoewel hetgeen ten Paleize binnenskamers tusschen de Koningin en een van Haar raadslieden wordt besproken, geheim is en behoort te blijven, ben ik wel niet onbescheiden en verklap ik geen staatsgeheim door te dezer zake een tipje van den sluier, die om zulke besprekingen hangt, op te lichten. Hare Majesteit gaf mij verlof het ontwerp uit Haar naam onverwijld naar den Raad van State om advies te zenden en teekende voorloopig het exemplaar, dat ik achterliet, boven op het stuk af, opdat de Directeur van Haar Kabinet daaruit voorloopig reeds Haar instemming met het ontwerp zou zien. Zoo werkte in die gedenkwaardige dagen ieder, de Koningin aan het hoofd, mede om den gang van zaken te bespoedigen en werd over formaliteiten, die vertraging teweegbrengen, heengestapt.

Intusschen was de Ministerraad van acht uur af bijeen ter behandeling van verschillende dringende onderwerpen en waren in een afzonderlijke kamer van het Ministerie van Justitie eenige ambtenaren van dat Departement en van die van Landbouw en van Binnenlandsche Zaken samengekomen, om het ontwerp nog nader onder handen te nemen, naar aanleiding van de opmerkingen, welke de Raad van State mocht maken. Toen ik in het gebouw van het Departement van Justitie, waar de Ministerraad pleegt te vergaderen, gekomen was, ging ik eerst naar de kamer van den Secretaris-Generaal. Daar vertelden mij de heeren, die er met het zooeven aangewezen doel samengekomen waren, dat de Raad van State uiteen was gegaan en den volgenden ochtend opnieuw zou vergaderen. Aangezien het ontwerp van zeer urgenten aard was en, zoo eenigszins mogelijk, behandeld moest worden in de vergadering van de Tweede Kamer, die Maandag 3 Augustus bijeenkwam, kon ik die mededeeling niet eenvoudig voor kennisgeving aannemen. Telefonisch kreeg ik er den hoofdcommies die in het gebouw van den Raad van State achtergebleven was, toe, dat hij den waarnemenden vice-voorzitter van den Raad (de heer Röell was kort te voren overleden en een nieuwe vice-voorzitter was nog niet benoemd) zou mededeelen, dat er een bij uitstek dringend ontwerp was ingekomen en dat de Regeering het zeer op prijs zou stellen, als zij nog dienzelfden avond of nacht het advies van den Raad daaromtrent zou kunnen ontvangen. De waarnemende voorzitter bleek aanstonds bereid zijne medewerking te verleenen. De leden van den Raad van State werden terstond voor een spoedvergadering op denzelfden avond opgeroepen en des nachts omstreeks half één of één uur kwam het advies in. De Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Justitie waren met mij in de vergaderzaal van den Ministerraad gebleven ter behandeling van het ontwerp naar aanleiding van het in aantocht zijnde advies. De zooeven genoemde ambtenaren hadden het intusschen nog eens zorgvuldig van alle kanten bekeken, zoodat de slotredactie, toen het advies van den Raad van State ingekomen was, spoedig kon worden vastgesteld. Het ontwerp kon nu den volgenden ochtend aan de Tweede Kamer worden aangeboden en zóó tijdig aan de leden van de beide kamers worden rondgezonden, dat zij er nog vóór de vergadering op Maandag den 3den Augustus van konden kennis nemen. Na formeel in de afdeelingen te zijn onderzocht, werd het nog denzelfden dag met eenige andere zeer urgente wetsontwerpen door beide Kamers der Staten-Generaal aangenomen; des avonds verscheen het, door de Koningin bekrachtigd, in het Staatsblad. Sneller levensloop, van het eerste stadium der overweging van zijn inhoud tot zijn metamorphose als van kracht zijnde wet toe, heeft wel nooit een wetsontwerp gehad.

De strekking kan ik het eenvoudigst duidelijk maken door het overnemen van de Memorie van Toelichting.

De zeer buitengewone omstandigheden, waarin Nederland thans verkeert, maken een ingrijpen van den wetgever ter voorkoming van het gevaar van vasthouding en prijsopdrijving van levensmiddelen grondstoffen van levensmiddelen, huishoudelijke artikelen en brandstoffen, dringend noodzakelijk.

In de eerste plaats is reeds thans, nu de buitengewone toestand slechts enkele dagen duurt, gebleken, dat onder de bevolking zich een vrees verspreidt, dat binnenkort het moeilijk zal vallen levensmiddelen of handelswaren naar gelang van de behoefte in te koopen en dat dientengevolge hier en daar men tot buitengewone inkoopen overgaat.

Die buitengewone inkoopen zouden niet alleen de prijzen in het algemeen kunnen opdrijven en daardoor pogingen van speculanten om prijsstijging in de hand te werken, kunnen bevorderen, maar ook gevaar kunnen doen ontstaan, dat bij mogelijk in de toekomst blijkend krap zijn van voorraden van sommige artikelen, er gebrek voor sommigen naast overvloed voor anderen zou zijn.

De wettelijke maatregel welke wordt voorgesteld, wordt in hoofdzaak als een preventieve bedoeld. Juist daarom zal hij gemakkelijk doorvoerbaar moeten zijn.

De maatregel bestaat hierin, dat na artikel 76 van de Onteigeningswet eenige bepalingen worden opgenomen, krachtens welke na machtiging van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel de burgemeesters bevoegd zullen zijn, in de gemeente aanwezige levensmiddelen en grondstoffen van levensmiddelen alsmede huishoudelijke artikelen en brandstoffen voor de gemeente in bezit te nemen, en deze aan de gemeentenaren tegen redelijke prijzen ter beschikking te stellen, terwijl de schadeloosstelling voor de in bezit genomen artikelen zal worden geregeld in den geest van die bij de vordering van paarden (zie artikel 27 van het Koninklijk Besluit van 10 November 1892, Staatsblad no. 253, laatstelijk gewijzigd bij Koninklijk besluit van 16 December 1902, Staatsblad no. 222).

De bedoelde machtiging van den Minister zal in het algemeen voor het geheele land of, al dan niet op verzoek, voor bepaalde gemeenten kunnen worden verleend.

De kern van deze korte toelichting ligt in de alinea, waarin wordt gezegd dat de maatregel de bedoeling heeft preventief te werken. Bij het overwegen van hetgeen tegen prijsopdrijving en speculatieve vasthouding van waren te doen was, heb ik vooral gezocht naar een middel, dat door zijn preventieve werking zoowel betrekkelijk gemakkelijk hanteerbaar zou zijn, als afdoende zou wezen ter voorkoming of afwering van het gevaar dat niet alleen werd geducht, maar het hoofd reeds begon op te steken.

De beoogde preventieve werking mocht reeds worden verwacht van het bloote feit, dat aan den Minister van Landbouw gedurende den oorlog bij de wet de noodige macht werd verleend tot ingrijpen door tusschenkomst van de burgemeesters, zoo dikwijls hij dit noodig oordeelde. Zij die levensmiddelen en andere in de wet genoemde goederen met speculatieve doeleinden wilden achterhouden of ongemotiveerd hooge prijzen daarvoor vroegen, waren van het oogenblik dat de wet tot stand gekomen was, gewaarschuwd, dat zij, indien hun bedrijf aan het licht kwam, gevaar liepen hun voorraden onteigend te zien. Zij konden wel nagaan, dat hun dan geen buitensporig hooge schadeloosstelling zou worden toegekend, zoodat het niet vrijwillig zich onderwerpen aan den drang der wet tot beschikbaarstelling hunner voorraden tegen redelijke prijzen, een gevaarlijke speculatie zijn zou.

Toch zou de wet moeilijk zijn te hanteeren geweest, als telkens het middel van inbezitneming door den burgemeester bij elke poging tot vasthouding of tot prijsopdrijving van de bedoelde waren in toepassing had moeten zijn gebracht. Van het eerste oogenblik dat de zaak door mij werd overwogen, zocht ik dan ook naar een uitweg, waarlangs de inbezitneming kon worden beperkt tot de gevallen, waarin medewerking van de belanghebbenden, na eene algemeene of individueele waarschuwing, achterwege bleef. Daartoe werd bepaald, dat indien hij, onder wien de burgemeester in de wet genoemde waren in bezit wil nemen, onmiddellijk ten genoege van het hoofd der gemeente aanbiedt, zelf op door dezen goedgekeurde wijze die goederen ter beschikking te stellen tegen prijzen, die niet te boven gaan de daarvoor door den Minister van Landbouw bepaalde bedragen, de inbezitneming kan worden opgeschort.

Practisch gesproken kwam deze bepaling hierop neer, dat de winkeliers en andere handelaars, die hunne voorraden levensmiddelen enz. verkochten tegen niet hoogere prijzen dan door den Minister van Landbouw zouden worden vastgesteld, geen gevaar liepen van inbezitneming hunner voorraden. Op grond daarvan werden reeds vóórdat de wet was aangenomen, op Zondag 2 Augustus, bij voorbaat prijslijsten voor de meest belangrijke levensmiddelen en brandstoffen vastgesteld, voor het geval het ontwerp onveranderd tot wet zou worden verheven. Opdat de burgemeesters aanstonds, als de wet in werking zou zijn getreden, zouden weten wat van hen werd verwacht, werd denzelfden dag door mijn ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken en mij een gezamenlijke circulaire tot hen gericht, waarin de strekking van het ontwerp (en dus eventueel van de wet) werd uiteengezet en eenige wenken werden gegeven voor de toepassing. De op 2 Augustus opgemaakte lijsten werden terstond na het in werking treden der wet openlijk bekend gemaakt. Dat zij herhaaldelijk moesten worden herzien, aangevuld en door nieuwe lijsten vervangen, is zoo van zelf sprekend, dat het nauwelijks vermelding behoeft.

De zooeven bedoelde bepaling heeft, voornamelijk in de eerste maanden van den oorlogstijd, de daarvan verwachte uitwerking niet gemist. Zij is in de handen der burgemeesters, vooral van die der grootere steden, een wapen geweest om verschillende regelingen op het gebied der levensmiddelenvoorziening door te zetten, zonder dat het tot inbezitneming en tot distributie van gemeentewege behoefde te komen. Bij den langen duur van den oorlogstoestand gaf de toepassing der levensmiddelenwet aanleiding tot telkens nieuwe vragen. Zoo bleek vrij spoedig, dat niet volstaan kon worden met het stellen van een enkelen maximum-prijs voor verschillende artikelen, maar dat onderscheiden moest worden tusschen groothandels- en détailprijzen. Natuurlijk werd dit van het begin af wel ingezien, maar men meende aanvankelijk met het stellen van maximale détailprijzen te kunnen volstaan en aan de burgemeesters het ingrijpen te kunnen overlaten, zoo dikwijls naar hun oordeel in verband met die prijzen in hunne gemeente te hooge groothandelsprijzen werden gevraagd.

In een der op 3 Augustus 1914 door mij tot de burgemeesters gerichte circulaires werd hieromtrent gezegd: „Ik maak van deze gelegenheid gebruik om er Uwe aandacht op te vestigen, dat deze lijst (die bij de circulaire was gevoegd) maximum-prijzen bevat voor den verkoop in het klein. Bij verkoop in het groot zou dus al het eischen van prijzen die lager zijn dan de in de lijst vermelde, aanleiding kunnen geven tot optreden Uwerzijds, wanneer de gevraagde prijzen sedert kort aanmerkelijk zijn verhoogd.” Later zijn voor een aantal artikelen zoowel maximale groothandels- als kleinhandelsprijzen vastgesteld. Het spreekt wel van zelf, dat bij deze materie aan de overheid, aan den Minister zoowel als aan de burgemeesters, de handen vaak wat verkeerd stonden. In normale tijden kan en moet de overheid de regeling van verkoopprijzen aan de belanghebbenden overlaten, die dit tot stand brengen, geleid in de eerste plaats door vraag en aanbod en daarnaast ook door gewoonte en ervaring, als resultaat van een aantal elkander doorkruisende factoren, welke in het vrije verkeer bij de bepaling van détailprijzen hun invloed mede doen gelden.

Toen de oorlogstoestand eenigen tijd had geduurd, werd het stellen van maximum-prijzen nog moeilijker, omdat er allengs meer mede gerekend moest worden, dat de productie- of de aanschaffingskosten der waren boven het normale waren gestegen en het niet zoo heel eenvoudig was, zonder eenerzijds onbillijkheden te begaan en zonder anderzijds de wet illusoir te maken, in de te stellen maxima met de verhooging van productie- of aanschaffingskosten in de juiste maat rekening te houden. Dit een en ander heeft de prijszettingen verzwaard naar gelang de oorlogstoestand langer aanhield.

Hoewel, gelijk zooeven werd opgemerkt, de wet zoodanig was ingericht, dat het middel der inbezitneming in den regel als stok achter de deur voldoende effect had om vrijwillige regelingen tusschen de burgemeesters en de belanghebbenden tot stand te doen komen, waarbij de eerstgenoemden meestal uit eigen beweging maar somtijds ook in opdracht van de Regeering handelden, toch kon de inbezitneming zelve niet steeds worden ontgaan. In den aanvang moest tot dezen maatregel eenige malen worden overgegaan ten aanzien van tarwe en rogge; eerst geschiedde het plaatselijk met voorraden tarwe, niet lang daarna op grooter schaal zoowel ten aanzien van tarwe als van rogge. Die inbezitnemingen geschiedden natuurlijk zonder aanzien des persoons van den eigenaar van het in bezit te nemen goed. Het deed er derhalve ook niet toe of die eigenaars Nederlanders dan wel vreemdelingen waren. Toch hebben enkele Duitsche belanghebbenden, wier in Rotterdam liggende tarwevoorraden onteigend werden, bij hunne regeering de stelling willen doen ingang vinden, dat met die inbezitnemingen art. 7 van de Rijnvaartakte, dat de vrije doorvaart op den Rijn waarborgt, zou zijn geschonden. Die bewering gaat mank aan beide beenen, waarop zij zou moeten loopen.

In de eerste plaats werd niets in beslag genomen, dat als doorvoergoed moest worden aangemerkt. Bedriegt mijne herinnering mij niet zeer, dan betrof de kwestie enkele partijen tarwe, die in Rotterdam ter beurze verkocht waren of verkocht zouden worden. Uit dit enkele feit blijkt reeds dat, zoo die partijen al aan Duitschers behoorden of aan Duitschers waren verkocht, zij, zelfs als uit de Duitsche woonplaats des eigenaars of koopers zonder meer de bestemming voor vervoer naar Duitschland had moeten worden afgeleid, bestemd waren voor uitvoer en niet voor doorvoer. Het betrof hier goederen welke overeenkomstig de geldende handelsusantiën in het vrije verkeer waren ingevoerd en die, na hier daarin te zijn gekomen, de bestemming kregen naar elders te worden uitgevoerd. Die bestemming nu konden de bedoelde partijen tarwe niet bereiken, omdat uitvoer daarvan reeds van 1 Augustus 1914 af verboden was. Dat een uitvoerverbod ook uitvoer over den Rijn treft en de Rijnvaartakte niettemin geheel intact laat, is niet voor betwisting vatbaar en is dan ook van Duitsche zijde niet betwist.

Maar gesteld eens, de feitelijke toestand ware anders en de in bezit genomen tarwe wèl doorvoergoed geweest, dan nog zou die inbezitneming aan de stipte uitvoering der Rijnvaartakte van de zijde der Nederlandsche Regeering niets hebben tekort gedaan. Het feit dat dit verdrag den vrijen doorvoer op den Rijn waarborgt, neemt niet weg, dat ten doorvoer bestemde goederen, zoolang zij op het Nederlandsche gedeelte van den Rijn varende zijn, zich bevinden op Nederlandsch territoir en onderworpen zijn aan de Nederlandsche wetten. Daartoe behoort ook de wet van 3 Augustus 1914 ter voorkoming van vasthouding en prijsopdrijving van waren. Worden volgens die wet goederen onteigend, dan geschiedt dit door den Staat krachtens zijn souvereiniteitsrecht op eigen territoir, dat hij tegenover elk en een iegelijk kan doen gelden. Het gevolg van zulk eene onteigening is, dat het goed overgaat in het bezit van de overheid, welke de wet aanwijst en dat deze nu verder de bestemming van het goed bepaalt. De onteigende partijen tarwe, die vóór de inbezitneming aan Duitschers behoorden, verloren op het oogenblik der inbezitneming de bestemming, welke die rechthebbenden daaraan hadden gegeven. Aangenomen dus, hoewel het feitelijk niet aldus gesteld was, dat die Duitsche rechthebbenden zonder met de geldende handelsusantiën en met de wettelijke voorschriften voor doorvoergoed in strijd te zijn, die waren voor doorvoer naar Duitschland hadden bestemd, was toch de doorvoerbestemming verdwenen op het oogenblik dat de goederen bij de inbezitneming overeenkomstig de wet door de Nederlandsche overheid, van den nieuwen eigenaar, hier de Regeering, een andere bestemming kregen.

De inbezitneming der bewuste partijen tarwe kwam niet alleen niet in botsing met de Rijnvaartakte, maar zij kon daarmede niet in botsing komen. Indien en zoolang het goed doorvoerbestemming had gehad, werd het overeenkomstig de Rijnvaartakte volkomen vrij en ongemoeid gelaten. Toen het in beslag genomen werd, viel het daarbuiten, omdat het van dat oogenblik af geen doorvoergoed meer was. De van Duitsche zijde gelanceerde bewering dat hier de Rijnvaartakte zou zijn geschonden, of zelfs maar zou kunnen zijn geschonden, staat of valt met de al of niet erkenning van het recht van den Staat op onteigening, overeenkomstig de wet van zijn eigen land, van goederen die zich op zijn territoir bevinden, ook al behooren die aan buitenlandsche rechthebbenden. De Duitsche regeering kan en zal dat souvereiniteitsrecht van iederen onafhankelijken staat zeker niet loochenen. Zij zelve nam op grond daarvan zelfs oorlogsschepen in beslag, welke voor de Nederlandsche Regeering op Duitsche werven in aanbouw waren. Dit was haar recht; maar dan moet zij of moeten enkele van haar onderdanen ook niet pogen, langs den omweg van een onhoudbaar beroep op de Rijnvaartakte, te tornen aan het even onaantastbaar recht van de Nederlandsche Regeering tot inbeslagneming overeenkomstig de Nederlandsche wet van goederen welke zich in Nederland bevonden, ook al behoorden die goederen aan Duitschers toe en al waren zij bestemd geweest om naar Duitschland te worden uit- of doorgevoerd. De laatste alinea van de in hoofdstuk V[9] medegedeelde kennisgeving van onze Regeering van 21 Augustus 1914 betreffende den doorvoer in verband met de Rijnvaartakte, had tot strekking het onbeperkte recht van den Staat tot inbezitneming der daarin genoemde zaken algemeen kenbaar te maken.

[9] Zie bl. 323/4.

Zooals de Grondwet dit waarborgt, geschiedden de inbezitnemingen krachtens de wet van 3 Augustus 1914 tegen schadeloosstelling. De Duitsche belanghebbenden zullen zich zeker niet beklagen over de vergoedingen, welke hun werden toegekend. De schadeloosstellingen werden, voor zoover daaromtrent niet in der minne werd overeengekomen, bepaald door twee schatters. Het was voor een goede toepassing van de wet van overwegende beteekenis, dat de schattingen zouden worden opgedragen aan volkomen vertrouwbare en voor hun taak berekende personen. Opdat de Regeering hiervoor zou kunnen zorgen, werd in de wet bepaald dat de schatters door den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel zouden worden benoemd, tenzij deze het recht daartoe aan den burgemeester delegeerde. Het is intusschen wel duidelijk, dat de Regeering zonder voorlichting der burgemeesters niet overal waar het noodig zou blijken, schatters had kunnen vinden. Vandaar dat reeds den 3den Augustus een circulaire aan de burgemeesters werd gericht, waarin werd gevraagd namen op te geven van personen, die, zoo noodig, als zoodanig zouden kunnen dienst doen.

Daar het gevaar niet denkbeeldig was, dat de schatters, ook al werden zij met zorg gekozen, de bedoeling der wet niet geheel zouden begrijpen en de waren taxeeren zouden niet volgens haar normale verkoopwaarde, doch naar de paniekprijzen welke daarvoor waren te maken, werd den 9den Augustus aan de burgemeesters een circulaire gericht van den volgenden inhoud:

„Ik acht het nuttig te Uwer kennis te brengen, dat naar mijne bedoeling de ingevolge art. 76a der Onteigeningswet door U met mijne machtiging eventueel te benoemen schatters als maatstaf voor de waardebepaling der in bezit genomen waren zullen aannemen ten aanzien van industrieelen den inkoopsprijs van de grondstof plus de kosten van fabricage, ten aanzien van handelaren den inkoopsprijs van de waren plus bedrijfskosten, een en ander voor beide categorieën vermeerderd met een normaal percentage voor winst.—Ik verzoek U bij voorkomende gevallen de schatters dienovereenkomstig te instrueeren.”

Op deze wijze werd voorkomen dat door verkeerde of ongelijkmatige toepassing de wet haar werking zou missen. In het algemeen legde de wet de uitvoering, onder den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, in handen van de burgemeesters. In de plaatsen die in staat van oorlog of in staat van beleg waren verklaard, mochten deze echter niet optreden zonder overleg met het militaire gezag. Ook dit werd hun, ter voorkoming van wrijvingen, enkele dagen na de inwerkingtreding der wet bij circulaire nader uiteengezet.

Pulsuz fraqment bitdi.

3,79 ₼

Janr və etiketlər

Yaş həddi:
0+
Litresdə buraxılış tarixi:
16 yanvar 2025
Həcm:
590 səh. 1 illustrasiya
ISBN:
4064066400569
Naşir:
Müəllif hüququ sahibi:
Bookwire
Yükləmə formatı:

Oxşar kitablar