Kitabı oxu: «De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood»
Pieter Louwerse
De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066401269
Inhoudsopgave
VOORBERICHT.
EERSTE HOOFDSTUK.
Een weinig geschiedenis.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Dat is weer gebeurd.
DERDE HOOFDSTUK.
Echte leeuwen op den weg.
VIERDE HOOFDSTUK.
Eendeneieren en Nieuws.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Er broedt verraad en onweder.
ZESDE HOOFDSTUK.
Twee, die vroeg op pad zijn.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Aan doovemans-deur geklopt.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Waar moet het heen?
NEGENDE HOOFDSTUK.
Mislukt Zondags-werk.
TIENDE HOOFDSTUK.
Een duur slaapje.
ELFDE HOOFDSTUK .
Zonneschijn en regen.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Godt behoede Leyden!
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Medicijn voor den Prins.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Wat zal van Leiden worden?
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Samenzweerders beluisterd.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Wat zal het nog worden?
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Onder de Watergeuzen.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Om brood bij den vijand.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Burgemeester van der Werff.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Noordwest! Noordwest!
EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Watergeuzen en Spanjaarden.
TWEEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Overwonnen!
DRIEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Oude kennissen.
VOORBERICHT.
Inhoudsopgave
Hier is de derde druk van „De Schippersjongen”, of „Leiden in strijd en nood.”—Een nieuw boekje is het niet, maar er is toch zóó veel in veranderd, dat ik op den titel „geheel omgewerkt” durfde zetten.—Het veranderen der schoolboeken bij eenen nieuwen druk, heeft een groot bezwaar, omdat men dan de verschillende drukken niet naast elkander gebruiken kan. Dit bezwaar vervalt bij boekjes, als dit, echter geheel; men leest zulk een boekje alleen.
Maar waartoe die groote verandering?
In den eersten en tweeden druk vertelde ik alleen van Leidens tweede beleg met het daarop gevolgde ontzet. Het eerste beleg hing echter zoo nauw samen met het tweede beleg, dat ik mijne hoofdpersonen telkens van het verleden moest laten vertellen, en waar ik dat niet deed, moest ik door noten ophelderingen geven. Die gesprekken over hetgeen gebeurd was, gaven echter aan den inhoud wat stroefs en het invlechten van ophelderingen brak het verhaal te vaak af. Nu meende ik die gebreken weg te nemen door mijn verhaal kort na het eerste beleg te beginnen. Deze bijvoeging van nieuwen tekst maakte op vele plaatsen in den oorspronkelijken tal van wijzigingen noodzakelijk, zoodat het boekje vrij wat grooter geworden is.
Een der jongenshelden van mijn verhaal is de schippersjongen gebleven, doch ik heb hem nu den naam gegeven, welken hij werkelijk droeg. Hij heette Cornelis Joppensz.—Ik gaf hem tot belooning eene marktschuit, doch waarschijnlijk heeft hij wel niets gekregen, want den negentienden Januari 1588 leverde hij een verzoekschrift in aan de Stads-regeering om op zijne beurt op Amsterdam te mogen varen gelijk de andere gildebroeders.
Ophelderingen genoeg. Mocht de Uitgever genoegen beleven van deze derde uitgave, dan zal ik tevreden zijn, daar ik dan weet, dat „De Schippersjongen” op zijne derde reis door Nederland nog een welkom onthaal vond.
’s-Gravenhage. P. LOUWERSE.
EERSTE HOOFDSTUK.
Een weinig geschiedenis.
Inhoudsopgave
In dit boekje wil ik u het merkwaardige tweede beleg en het daarop gevolgde ontzet van Leiden vertellen.
Een verhaal telkens afbreken om eenige opheldering te geven aangaande de geschiedenis of den toestand van het land of de stad, is niet aangenaam. Om dat zooveel mogelijk te voorkomen, wil ik, eer ik begin te vertellen, u een en ander mededeelen van den toestand van ons land en het eerste beleg van Leiden, zonder daarom u nog de verzekering te geven, dat ik er in het verhaal nu in het geheel niet meer over spreken zal, want aan die belofte zou ik mij stellig niet kunnen houden. Dit stukje geschiedenis, dat het verhaal voorafgaat, dient alleen om die ophelderingen en verwijzingen naar het eerste beleg midden in het verhaal zoo weinig mogelijk te maken.
Den dertienden Juli 1573 had Haarlem, na eene roemrijke en schitterende verdediging, het hoofd in den schoot moeten leggen en zich bijna onvoorwaardelijk aan Don Fadrique of Don Frederik, zoon van Alva, moeten overgeven.
De dapperheid en de onbezweken trouw der Haarlemmers hadden dus niets gebaat, naar het scheen.
Niets gebaat? Waarom niet? Omdat de stad zich toch moest overgeven?
Wat de Haarlemmers aangaat, hebt gij gelijk, maar niet wat het land betreft; want de Haarlemmers hebben het heele land, door hunnen moed en hunne toewijding, misschien wel voor Spanje doen verloren gaan.
Ruim zeven maanden heeft dat beleg geduurd en Alva had in dien tijd niet minder dan vijfduizend manschappen zien sneuvelen en ruim zevenduizend aan ziekten, die gevolgen waren van koud weder, vermoeienissen en ontberingen, zien sterven. Dat was een verlies van twaalfduizend man, en in al dien tijd moest hij geduldig toezien, dat men, het geheele land door, gebruik maakte van de gelegenheid dat er geene Spanjaarden waren, om de plannen van den Prins van Oranje ten uitvoer te brengen.
„Zonder geld geene Zwitsers,” zeide eens de lijfwacht van eenen Franschen Koning, maar Alva had reeds toen kunnen zeggen: „Zonder geld geene soldaten.”
Zoolang hij in de Nederlanden geweest was, had Koning Filips hem met geldgebrek laten worstelen. Dit was oorzaak geweest, dat Alva zijne toevlucht wel had moeten nemen tot het heffen van de nieuwe belasting, die onder den naam van „tienden penning” Roomsch en Onroomsch verbitterde en tegen hem in het harnas joeg.
En welke schatten gelds had dat langdurige beleg van Haarlem hem niet gekost!
De belegering had zijne berooide geldmiddelen uitgeput en hem ten einde raad gebracht.
En wat volgde er?
Dat Don Fadrique, die na de inneming van Haarlem zich naar Alkmaar begaf, daar, na een kort beleg, zóó afgeslagen en teruggedreven werd, dat de Alkmaarders toen reeds joelden en juichten: „Van Alkmaar begint de victorie!”
Alsof dat alles nog niet genoeg was, zag Alva zijne vloot, onder Bossu, door de Noord-Hollandsche Watergeuzen, onder Cornelis Dirksz. van Monnikendam, geheel vernietigen.
Van alle kanten, zelfs vanwege den Koning, dien hij met onbezweken trouw, hoewel dikwijls zeer eigendunkelijk, gediend had, tegengewerkt, en zóó verarmd, dat hij de rekeningen voor zijn huishouden te Amsterdam zelfs onbetaald moest achterlaten, vertrok hij naar Spanje.
Zijn opvolger was Don Louis de Requesens y Çuniga, Groot-Kommandeur van Kastilië.
Deze Requesens was een even goed Legerhoofd als Alva, doch hij was niet wreed, en zocht aanvankelijk meer te winnen door onderhandelingen dan door het zwaard. Zijn lastbrief, hem door Koning Filips medegegeven, luidde echter niet anders dan die, welken Alva mede gekregen had. Daarom moest hij, toen hij zag, dat de kans verkeken was om door onderhandelingen de Nederlanden weer aan Spanje te onderwerpen, vanzelf het zwaard ter hand nemen, en dat deed hij niet minder goed, en enkele malen zelfs met gunstiger uitslag, dan Alva het gedaan had.
Den achttienden Februari 1574 ging Middelburg, dat zich onder Mondragon vijf maanden lang tegen de Zeeuwsche Watergeuzen verdedigd had, tot de zijde van den Prins over, nadat Requesens met eigen oogen had moeten toezien, dat zijne kostbare vloot, onder Romero en Glimes bij Romerswaal door de Watergeuzen geheel verslagen werd. Deze overwinning bracht den Nederlanders niet weinig hoop, en men meende dat het land nu heel spoedig aan het Spaansch geweld zou ontworsteld zijn. Die hoop werd nog meer versterkt, toen men vernam, dat Graaf Lodewijk van Nassau in zijne onderhandelingen met het Fransche Hof geslaagd was, en van Koning Karel IX niet minder dan honderdduizend rijksdaalders ontvangen had om een leger te werven. Spoedig begon Graaf Lodewijk nu in Duitschland krijgsbenden te verzamelen, doch het duurde evenwel tot in Februari 1574 eer hij instaat was, handelend op te treden. Aan het hoofd van een leger, dat uit bijna zesduizend man voetvolk, drieduizend ruiters en tweeduizend Franschen bestond, sloeg hij zich tusschen Aken en Maastricht neder met het oogmerk om Maastricht in te nemen en dan in het Brabantsche te vallen.
Zoodra Requesens hiervan bericht kreeg, begon deze van zijne zijde ook een leger te verzamelen om Graaf Lodewijks bedoelingen te verijdelen, en vrij spoedig kon Don Sanchio D’Avila, die als Bevelhebber der vloot zoo ongelukkig geweest was, aan het hoofd van een leger, dat uit achtduizend Duitsche ruiters, vierduizend Zwitsers en tweeënveertig Spaansche vendels bestond, Lodewijk te gemoet trekken.
Een der laatste bevelen van Alva was geweest, Leiden te belegeren en hieraan was gevolg gegeven. Sedert den eenendertigsten October 1573 was Leiden door de Spanjaarden, onder Francesco Valdez belegerd, doch de Leidenaars weerden zich dapper, zoowel tegen het zwaard, als tegen den honger en hadden zich nog niet overgegeven toen Requesens aan Valdez het bevel zond om het beleg op te breken teneinde zich met zijne benden bij het leger van D’Avila aan te sluiten.
Graaf Lodewijk en de Prins van Oranje schijnen elkander niet goed begrepen te hebben, want Lodewijks plan werd door den Prins zóó weinig goedgekeurd, dat deze laatste zich uitliet: „Ik wenschte Lodewijk en zijn leger wel honderd mijlen ver.”
Toch stelde Graaf Lodewijk zich in beweging om te handelen, en misschien was zijn grootste drijfveer wel geldgebrek. Gedurende geruimen tijd zulk een aanzienlijk leger onderhouden, ging boven zijne krachten, hoe hij ook door Frankrijk gesteund mocht worden. Hij scheen dus van meening te zijn, dat snel handelen het eenige was, wat er gedaan kon worden, en de Prins dit ziende, verzamelde metterhaast zesduizend man, waarmede hij zich in den Bommelerwaard wierp, teneinde Lodewijk tegemoet te trekken en D’Avila tusschen twee vuren te brengen.
Maar had D’Avila getoond een slecht Admiraal te zijn, nu zou hij bewijzen, dat hij een uitnemend Generaal was. Hij wachtte Lodewijk niet af, maar trok hem met versnelde marschen tegen, en eer Graaf Lodewijk op de Mookerheide gereed was om den vijand af te wachten, werd hij door hem aangevallen en geheel verslagen, den veertienden April 1574. Graaf Lodewijk en zijn broeder Hendrik moeten in dien slag gesneuveld of op eene andere wijze omgekomen zijn, want geen der twee werd na den slag gevonden.
Dat was voor Prins Willem een ontzettend verlies; Graaf Lodewijk, zijne rechterhand in alles, was hem meer dan een leger.
En welk eenen nadeeligen invloed zou die nederlaag niet uitoefenen op de gemoederen der Nederlanders, die op verscheidene plaatsen door Requesens’ staatkunde toch al aan het wankelen gebracht waren?
De toekomst was verre van rooskleurig; ze was zeer donker. En nog eer een enkel lichtstraaltje doorbrak, werd de toekomst nog donkerder toen de mare door heel Nederland ging: „De Spanjaarden hebben Leiden alweer belegerd. Ze vonden de schansen, gedurende het eerste beleg opgeworpen, zóó ongeschonden, dat zij er zich terstond in neerslaan konden. Bovendien waren de Leidenaars op een tweede beleg niet voorbereid, zoodat honger er weldra het scherpste zwaard zou zijn.”
Het was een treurig bericht.
De slag op de Mookerheide verloren; de Graven Lodewijk en Hendrik van Nassau dood; de Prins van Oranje worstelende met geldgebrek; Leiden andermaal belegerd.
Als Leiden nu viel, spoedig viel, wat dan?
Waarlijk, Requesens was in den korten tijd van zijn bestuur verder gekomen dan Alva in bijna vijf jaar tijds.
Jan Van Hout, de wakkere Secretaris van Leiden, schreef eenmaal in zijne stadsrekening, dat Leiden den drieëntwintigsten Juni 1572 „tjock der slaverniën, daerinne zij bij den Hertoge van Alva ende synen aenhang was gehouden van hem werpende,” Oranjes zijde gekozen had. Dit was dus al heel kort na de inneming van Brielle.
Dat zulk een overgang niet met goedvinden van alle ingezetenen geschiedde, is natuurlijk, en vooral binnen Leiden was dit het geval, want de vele kloosters, die er waren, bewezen dat een groot deel van Leidens inwoners van de nieuwe leer niets weten wilde en dus Roomsch was. Bij de Roomschen, die voor den Prins waren, gaf stellig de heffing van den tienden penning wel voor een voornaam gedeelte den doorslag. Trouwens, nog bijna niemand dacht er toen nog aan om de trouw aan Koning Filips op te zeggen. Men was alleen tegen zijne staatkunde gekant, en als hij deze slechts richten wilde naar de oude Privilegiën, en Alva met zijne Spanjaarden het land liet ontruimen, dan zou men Koning Filips, als Graaf, wel onderdanig willen zijn. Alle besluiten dan ook, welke genomen werden in steden, die de zijde van den Prins kozen, werden uitgevaardigd in naam van Koning Filips, Heer der Nederlanden en diens Stadhouder Willem, Prins van Oranje.—Het heette dus niets anders dan een zich verzetten tegen de dwingelandij van Alva, zooals Van Hout dan ook duidelijk liet uitkomen.
De stad Leiden was in dezen tijd reeds meer dan eene eeuw lang, de tweede of derde stad in Holland. Hertog Filips I van Bourgondië liet in 1426 Haarlem vijfduizend, Leiden en Delft ieder vijfendertighonderd, Amsterdam drieduizend, Hoorn tweeduizend, Rotterdam twaalfhonderdvijftig en Enkhuizen zeshonderdvijfentwintig schilden betalen aan de soldij van vijftienhonderd gewapende mannen. Het is duidelijk dat de grootte der bede berekend werd naar de meerdere of mindere welvaart dezer steden. In 1468 werd door Karel den Stouten, die niet minder dan vijfhonderd tweeëndertigduizend achthonderd schilden noodig had, om dat geld eene bede uitgeschreven en weer werden Leiden en Delft voor een zelfde bedrag het eerst na Haarlem genoemd.
Nu, de bevolking, die waarschijnlijk uit omstreeks twintigduizend zielen zal bestaan hebben, was dan ook vrij welvarend. Die welvaart had de stad in de eerste plaats te danken aan „het reeden en drapieren van verscheyden soorten van Coopmanschappen, als Baeyen, Saeyen, Greynen, Laeckenen, ende andere dinghen meer” en in de tweede plaats aan den in-, uit- en doorvoer van de voortbrengselen der vruchtbare omstreken, „waer mede niet alleen de Borgeren en de Inwoonderen deser Stede, alhoewel deselve een groote menichte zijn, ende veel behouven, maer alle de omleggende Steden ende Plaetsen, ryckelicken van deselve versien ende ghespyst werden met allerley Suyvel, als Boter, Kase ende Vleesch van verscheyden gheslachten.”
Dat er welvaart heerschte bleek ook uit: „Rondomme becingelt zijnde met ontelbare Lust-hoven ofte Thuynen, dewelcke een oneyndelicken Schat waerdich zijn, vermits ’t merendeel van dien rijckelicken versien zijn met schoone Speel-huyskens, Fruyt-Boomen, costelicke Bloemen ende andere lieflickheden.” Verder vond men er achttien „Heeren Huysen en Slooten, al te samen int’ ronde de alderverste wat meer als een Myle weechs van deser Stede gheleghen.”
Denkelijk zal echter het fabriekswezen zoowel als de handel door de Spaansche onlusten wel geleden hebben, zoodat er in 1574 niet die welvaart heerschte, welke men er vóór en na dien tijd vond.
Hoe de stad bestuurd werd, dient hier ook met een paar woorden gezegd te worden.
Natuurlijk stond aan het hoofd der Regeering de Graaf van Holland, doch daar deze slechts in enkele gevallen kon tegenwoordig zijn, werd hij vertegenwoordigd door eenen, die den titel had van Schout. Met dien Schout bestond het bestuur uit acht Schepenen en vier Burgemeesters, en van deze dertien Regeerders gingen alle bevelen, besluiten en bekendmakingen uit. De Schout, ook wel Officier of Hoofd-officier genoemd, stond aan het hoofd der Schepenen en vormde met dezen de Stedelijke Rechtbank of vierschaar.—Om altijd het voldoende aantal Burgemeesters en Schepenen te hebben, kozen de burgers eene Vroedschap van veertig personen, die daarom meestal „De Veertigen” genoemd werden. Uit die Vroedschap koos men voor eenen bepaalden tijd de Burgemeesters en Schepenen, doch de leden der Vroedschap zelven werden voor onbepaalden tijd gekozen. Verder werd Leiden verdeeld in zeven Bonnen of Kwartieren, en aan het hoofd van elke Bon stonden vier mannen, die „Bonmeesters” heetten. Deze „Bonmeesters” moesten zorgen dat er bij brand terstond bluschmiddelen kwamen, dat er bij winterdag bijten in het ijs gehakt werden, en dat ze voor het aandeel der bon de stadswallen en versterkingen hielpen onderhouden. Elke Bon was bovendien nog verdeeld in Buurten of Gebuurten. De Stadsregeering benoemde voor zulk eene wijk een „Heer der Gebuurte”. De burgers uit die Gebuurte kozen hunne Raden en dezen moesten nu alweer onder voorzitting van den „Heer der Gebuurte” zorgen dat de vrede bewaard bleef, dat er niet gestolen werd, dat de dooden eerlijk begraven en dat de bevelen van de Regeering, ook wel Magistraat geheeten, ten uitvoer gelegd werden. In het geheel had men in dien tijd niet minder dan zevenenzeventig Gebuurten binnen Leiden. Waren die „Heeren der Gebuurte” die „Bonmeesters” met hunne „Raden” nu allen eensgezind, dan was de Regeeringstaak van Schout, Burgemeesters en Schepenen niet zwaar, doch waren de gevoelens verdeeld, dan werd die taak verbazend zwaar. Die verdeeldheid bestond reeds na den overgang aan de zijde van den Prins, en veel meer nog tijdens de eerste en tweede belegering. Juist in het volharden en in het volbrengen van die moeielijke en buitengewoon zware taak, bestaat de grootste verdienste van den Zeemtouwer, Pieter Adriaensz. Vermeer, bijgenaamd „van der Werff”, die, na vijf jaar, als balling rondgezworven en de zaak van den Prins met voorbeeldelooze trouw en verachting van alle gevaren gediend te hebben, door zijne medeburgers eerst tot Lid van de Vroedschap en kort daarop tot Burgemeester gekozen werd in het begin van 1573 of het einde van 1572. Wanneer we nagaan hoe deze man, krachtig gesteund door den wakkeren Secretaris Jan Van Hout en den Stedelijken Bevelhebber den moedigen en geleerden Jonker Johan van der Does, niet alleen blootstond, zooals Schotel schrijft „aan de vijanden van buiten, die dan eens met het zwaard in de vuist, dan met een sirenenzang op de lippen de stad tot overgaaf wilden dwingen of verlokken,” maar ook aan „zijne Spaanschgezinde ambtgenooten, een groot deel der burgerij, die in het geheim het vertrouwen der welgezinden ondermijnden, het zaad der tweedracht uitstrooiden, tot verzet en oproer aanspoorden,” en bovendien aan „de leeraren, die zijne vaderlandsliefde en godsdienstzin miskenden en hem bij de burgers verdacht maakten,” dan kunnen we dien man alleen bewonderen, doch hem begrijpen onmogelijk. Waarlijk, die eenvoudige zeemtouwer of touwslager, wiens Vader, een Vermaner of Leeraar der Doopsgezinden te Haarlem, in 1537 om zijn geloof ter dood gebracht werd, en die, juist om het geloof zijns Vaders, door de Calvinistische predikanten van Leiden verdacht werd gemaakt, verdient zijn standbeeld ten volle. Het is wel meest altijd gekheid om te zeggen: „Als dit of dat niet gebeurd was, dan zou dit of dat anders zijn.” Maar geene gekheid is het te beweren, dat Spanje misschien wel gezegepraald zou hebben, zoo Pieter Adriaensz. niet dien onwrikbaren moed, dien helderen geest en die onkreukbare trouw bezeten had.
Een der laatste bevelen van Alva was geweest, we zeiden het reeds, om Leiden te gaan belegeren, en dat wel, nadat deze stad gedurende het langdurig beleg van Haarlem heel wat geleden en gedaan had terwille der moedige Haarlemmers. Nu eens was zij de verzamelplaats der benden, die beproeven zouden, Haarlem te ontzetten, dan weer was zij het eerste veilige toevluchtsoord, dat de soldaten bereikten, wanneer ze door de Spanjaarden verslagen waren geworden, of op eene andere wijze hun plan mislukt zagen. Op baldadige wijze konden de soldaten huishouden. Na de nederlaag van Lumey op het Manpad bij Haarlem, den twaalfden December 1574, kwamen, volgens de aanteekeningen van Jan Van Hout, minstens twaalf vendels binnen Leiden, die daar bleven tot het laatst van December en door de burgers moesten gevoed en geherbergd worden. Niet zoo licht tevreden waren die ruwe mannen, en om vrede met hen te houden, waren de inwoners genoodzaakt hen telkens, ten koste van zichzelven, op bier te onthalen.
Na den val van Haarlem begrepen de Prinsgezinde Leden van den Magistraat, dat het meer dan zaak was om nu ook Leiden te gaan versterken, daar de Spanjaard dit niet rustig zou laten liggen. De Prins gaf daartoe reeds den dag na Haarlems val bevel, en voegde er meteen bij, dat „yegelyck alle ’t sout, turf, tacken, ende hout, suyvel ende fouragie, dat binnen twee mylen rontsomme gevonden werd, binnen die stadt Leyden brenghen soude.”
Met alle man ging men aan den slag om ook het graan, zoodra het maar rijp was, binnen te halen en in de kerken te bergen. Toch ging alles nog lang niet, zooals het gaan moest. De aftocht der Spanjaarden van Alkmaar en hunne nederlaag op de Zuiderzee maakten de nijvere handen wel wat traag, en zij, die Spaanschgezind waren, sloegen nu hunnen slag. Er was immers geen gevaar voor een beleg? Wat zou een verslagen vijand kunnen doen? Waarom nu al dat werken aan versterkingen, dat zich oefenen in den wapenhandel en dat opbergen van levens- en krijgsvoorraad? Het was immers nergens toe noodig? Vooral als het op het geld aankomt, zijn er tal van menschen, die zich gauw laten overhalen om het een of ander te laten of te doen, als het hun maar oogenblikkelijk voordeel geeft.
Den laatsten October 1573 kwamen de Spanjaarden om Leiden, en nu bleek het al heel spoedig, dat de Magistraat niet te veel gezorgd had, want reeds zes dagen later was men genoodzaakt bekend te laten maken, dat men matig moest zijn in het gebruik van spijs en drank, en de brouwers kregen bevel, het bier niet sterker te brouwen dan de Magistraat voorschreef. Erger was het nog, dat zij, die groote inkoopen gedaan hadden, nu hunne waren met schandelijk veel winst van de hand trachtten te zetten. Ook dit moest verboden worden, en ieder moest verkoopen naar eene zetting, die door den Magistraat bepaald werd. Enkele kwaadwilligen trachtten hierop sommige graanpakhuizen of korenschelven in brand te steken. De uitgaven der stadskas waren in het laatste jaar zóó groot geweest, dat weldra de bodem der geldkist te zien was, en daarom liet de Stadsregeering, met goedkeuring van den Prins, papieren noodmunten slaan, om deze in te wisselen, als er weer geld zou zijn. Als spreuk voor het papieren geld koos de Regeering „Haec libertatis ergo”, dat zeggen wil: „Ter wille van de vrijheid”. Hierover waren de Predikanten zeer verbolgen, want ze meenden, dat de spreuk moest zijn: „Ter wille van den godsdienst”. Of men hierdoor de Roomschen ergeren zou, achtten zij minder. In de kerk, waar Burgemeester Pieter Adriaensz. en de Secretaris Van Hout onder het gehoor waren, schold een Predikant de Magistraat-leden voor „Epicurische zwijnen”, hetgeen Van Hout aan den Burgemeester vragen deed: „Wil ik hem van den kansel schieten?”—Ik haal dit voorbeeld alleen aan om u te doen begrijpen, welk eene hoogst moeielijke taak de Regeering had, waar ze tusschen twee partijen moest doorzeilen. Één geluk kwam nog bij alle ongelukken. Valdez had de stad niet zóó nauw ingesloten, of men kon nog door middel van schuiten eenigen leeftocht binnenbrengen, zoodat de duurte der levensmiddelen niet zoo boven mate steeg, of de eenvoudige burger kon zich die nog aanschaffen. Daar evenwel alle handwerken stilstonden, vervielen de werklieden, die buiten verdiensten waren, tot bittere armoede. Nu werd er besloten, dat eenige deftige burgervrouwen, aan wier hoofd de huisvrouw van Bartels, eene zekere Anna Sandelyns, stond, aan de huizen der gegoede burgers giften zouden verzamelen, en toen het bleek niet veel te geven, liet men het collectanten-werk door mannen verrichten. Langzamerhand echter werd de stad nauwer ingesloten en het gebrek nam allerwegen toe, zoodat het er voor de belegerden zeer duister begon uit te zien. De ontevredenen begonnen weer ijverig verdeeldheid te zaaien, terwijl de soldaten der bezetting tot de gewone baldadigheden oversloegen en hier en daar van hunne drieste roof- en plunderzucht blijk gaven. Zoo drongen zij het Witte-nonnenklooster binnen, en namen van daar alles mede, wat hun aanstond. Sommigen der burgers volgden dit voorbeeld, zoodat het roggebrood, dat voor de bedeelden gebakken en in de Steenschuur bewaard werd, zelfs niet langer veilig was.
Gelukkig kwam er aan dien onhoudbaren toestand spoedig een einde, omdat Valdez bevel kreeg, het beleg op te breken, ten einde zich met zijne benden te scharen onder de vaandels van D’Avila.
Donderdag den vijfentwintigsten Maart was de laatste Spanjaard vertrokken en ademde Leiden weer vrij met geopende poorten en neergelaten bruggen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Dat is weer gebeurd.
Inhoudsopgave
In eene der drukste en gezelligste buurten van Leiden stond een net en vrij groot huis, waarvan een gedeelte ingericht was tot eene werkplaats en eenen winkel voor eenen goud- en zilversmid. Verreweg het grootste gedeelte van dat huis was echter bestemd tot herberg, wat dan ook wel te zien was aan het groote uithangbord, dat boven de deur hing, en waarop met groote letters geverfd was, dat de dorstige burger „In den Wissel” bij Cornelis Claesz. Van Aecken, zooveel wijn, bier en brandewijn kon koopen, als hij maar lustte. Vreemd mocht het echter in dien tijd heeten, dat de herbergier of waard het mes van twee kanten liet snijden, want een ander bord boven dezelfde deur vertelde, dat Mr. Cornelis Claesz. Van Aecken meteen goud- en zilversmid en stempelsnijder was.
Wel was, na het openen der poorten en het neerlaten der bruggen, weer veel leven en vertier binnen de stad gekomen, vooral vanwege de boeren en boerinnen, die hunne eerste eieren en hunne boter en kaas aan den man zochten te brengen, doch in de stad zelve was nog lang niet alles, zooals het geweest was. Er heerschte eene zeer ongeregelde drukte en bij velen ook ontevredenheid, die door Spaanschgezinden niet weinig aangewakkerd werd.
Zoo had de Regeering, zelfs nog in de laatste week van het beleg, besloten om het papieren noodgeld alweer te doen vervangen door klinkende munt. Men zou dan zilvergeld slaan van minder zilver-gehalte, doch den Prins van Oranje verlof vragen om dat slechtere geld in alle dorpen en steden, die aan zijne zijde waren, voor goed geld te mogen uitgeven, tot de stadskas instaat zou zijn om het weer tegen munt van bepaald gehalte in te wisselen. De afkondiging van dit besluit geschiedde Zondag den eenentwintigsten Maart.
Zoodra het beleg opgeheven was, zette men dat plan door, en Zijne Excellentie de Prins van Oranje stond toe, dat die van Leiden guldens en kwartjes zouden mogen slaan van minder zilver, doch naar het fatsoen en den vorm van de papieren noodmunt. Nu begon de Regeering met kracht aan het inwisselen, doch stuitte op tegenstand bij de burgerij, wat geen wonder was. Men had de verzekering gekregen, dat de papieren noodmunt later zou ingewisseld worden tegen echte munt van onvervalschte waarde, doch nu men munt in den handel bracht, die met minder gehalte dezelfde waarde zou hebben, als echte munt, zoo vertrouwde men de zaak niet, en de meesten, die niet gedwongen waren door gebrek aan goed geld zich het noodige aan te schaffen, hielden de papieren munt onder zich, en waren niet tot inwisselen te bewegen, zoodat tot driemalen toe het besluit der Regeering moest herhaald worden.
Zoo was het twee weken na het openen der poorten, dus Donderdag den achtsten April, dat de vrij groote gelagkamer van „de Wissel” des avonds nog druk bezocht was, en wel met velen, die met den gang der zaken niet tevreden waren.
Tot de ergste ontevredenen behoorde een schipper, die, als het met de schipperij niet vlotte, ook zijn brood als zoetelaar verdiende. Hij heette Pieter Van Wezel en had, hetzij het hem aangeboren was, of dat hij het door zijne slinksche en bedriegelijke handelingen gekregen had, zulk een terugstuitend en weerzinwekkend voorkomen, dat men hem den bijnaam gegeven had van „Pieter Quaet-Gelaet.”
Wie om de eene of andere oorzaak op het Stadsbestuur of de Regeering van den Prins ontevreden was, vond in Pieter Van Wezel terstond eenen aanhanger, doch altijd in het verborgen, als hij zeker wist, dat er geen gevaar bij was. Een lafaard was hij, als elke huichelaar, doch gedurende het winterbeleg had hij het met al zijne slimheid toch niet zoo ver kunnen brengen, dat de Magistraat er niet achter gekomen was, dat hij tot die geheime Spaanschgezinden behoorde, welke men in Haarlem ook had gekend en daar den naam van „Glippers” had gegeven. Meer dan iemand anders hadden de Prinsgezinden hem dan ook in het oog gehouden, en geenen vinger kon hij in de asch steken of men wist het.
Nu evenwel was het beleg opgeheven en kon hij ten opzichte van de stad, als verrader, zoo goed als niets uitrichten, en daarom liet men hem ook gaan en komen waar hij wilde, zonder hem langer na te gaan.
Het beleg had hem weinig voordeel gebracht, hiervoor had de Magistraat gezorgd. Daardoor was Pieter dan ook zeer ontevreden, en welk besluit Schout, Burgemeesters en Schepenen ook mochten nemen, Pieter had er het zijne van te zeggen, en wat hij er van zeide, was nooit goed.
„Hoe zit gij daar zoo stil, Pieter?” vroeg hem Floris Hendricksz., de hoefsmid, en plaatste zich met zijne kan bier naast Van Wezel, die, in zichzelven gekeerd, zich in eenen hoek van het vertrek bij zijnen brandewijn of „brangdemoris” had neergezet.
„Het is er, bijlo, ook een tijd naar om vroolijk en opgewekt te zijn,” luidde een brommend antwoord.
„Hei, hei, nu toch beter tijd dan een veertien dagen geleden. Toen hadt gij dát niet kunnen krijgen.”
Floris Hendriksz. wees op het bijna ledige roemerken brandewijn.
„Ik heb nooit behoefte aan brangdemoris gehad, Floris, en dat ik ze nu drink is alleen om mijne zinnen wat te verzetten.”
„Een slecht middel, Pieter! Brangdemoris is een gemeen goedje. Het windt een mensch een oogenblik op om hem daarna, als een natgeregende zoutzak, in elkander te laten zakken. Drink liever bier, het is weer echt Delftsch brouwsel.”
„Schande genoeg, dat de Magistraat toelaat, dat die van Delft tot schade van onze eigen brouwers, bier mogen invoeren.”
„Maar kom, is dat doorslaan! Geen enkele brouwer in onze goede stad is immers instaat, om binnen acht dagen bier te leveren, zooals dit is? Neen, man, nu zijt gij al zeer onbillijk.”
Pieter dronk zijn roemerken ledig en riep: „Vullen, Van Aecken!”
Van Aecken, die, als het in de herberg wat druk liep, zijnen winkel en gereedschappen verliet om vrouw en dochter in het bedienen te helpen, keek bij Pieters geroep op, en toen hij dezen zijn roemerken omhoog zag houden, kwam hij met de brandewijnflesch naar den hoek, waar de twee zaten en vulden het roemerken tot even beneden den rand.
„Nog niet genoeg verdiend gedurende het beleg om uwen gasten halfvolle roemerkens te geven voor het geld van volle?”
Meester Van Aecken, die eigenlijk eenen ekel aan Pieter had en liever zag, dat hij „De Wissel” voorbijging dan dat hij er intrad, sprak geen woord en wilde zich verwijderen.
„Hei,” riep Pieter, „geef gij het soms voor niemendal?”
„Wat geeft gij voor niemendal?” vroeg Van Aecken norsch.
„Ik? Liever niets, maar ze dwingen arme schippers en zoetelaars wel om tegen hunnen zin en tot hunne groote schade, al te dikwijls wat voor niemendal te geven.”
„Het zal best met Pieter Van Wezel schikken,” zeide Van Aecken en wilde weer heengaan.
„Neen, neen,” riep Pieter. „Hier is geld!”
Meteen wierp hij eenen papieren gulden op de tafel.
„Niet gangbaar meer,” zeide Van Aecken en liet het papieren muntstuk eenvoudig liggen.
Pieter Van Wezel wist zeer goed, dat reeds den achtentwintigsten Maart bekend was gemaakt, dat ieder, die vóór „sonnen-onderganck” de papieren Munt niet ter bestemder plaatse had ingewisseld, daarvoor later geene vergoeding zou krijgen. Met opzet nu had hij dat niet alleen nagelaten, maar heel in stilte had hij zelfs bij enkelen, die dit vergeten hadden te doen, die papieren Munt voor eene kleinigheid afgekocht. Toch hield hij zich, alsof hij er in geloopen was, en eenen handvol papieren guldens en kwartjes uit den buidel halende, wierp hij die driftig op de tafel en zeide: „Niet gangbaar? Niet gangbaar? Wat moet ik er dan mede doen?”
„Bewaar ze als rariteiten, Van Wezel,” riep Hendricksz. vroolijk lachend uit.
„Zeker ter eere van hem daar,”—hij wees op Van Aecken,—„die de stempels van deze vodden gesneden heeft. De man wist, wat hij deed. Stempelsnijder en beurzensnijder was bij hem één stiel (ambacht).”
Hendricksz. verschrikte van dat brutale gezegde en keek Van Aecken vragend aan.
Van Aecken echter glimlachte en zeide: „Denkt gij, Hendricksz., dat ik er mij iets van aantrek? Niets man! Glippers mogen mij alles verwijten; een fatsoenlijk mensch schaamt er zich voor om er ook maar een oogenblik naar te luisteren.”
„Ik een Glipper?!” riep Pieter en sprong zoogenaamd woedend op. „Een schelm, die dat durft zeggen! Maar weet gij, wie hier in Leiden dadelijk Glipper heet? Dat is iedereen, die maar wat durft aanmerken op hetgeen Mijne Heeren van den Gerechte of van den Magistraat believen te besluiten.
„Ziedaar, hier op tafel ligt eene ronde som van vierentwintig gulden aan papieren munt. Staande het beleg heb ik ze aangenomen, als een burger, die het oprecht meent met stad en land. Ik vertrouwde er op, ze later te kunnen inwisselen tegen goede, klinkende munt.”
„Dat hebt ge toch al veertien dagen lang kunnen doen, nietwaar?”
Met deze woorden mengde zich Schipper Gijsbert Cornelisz. Van Schaeck in het gesprek, nadat hij het al dien tijd met aandacht gevolgd had, doch zich hield, alsof het hem niet aanging. Hij was eenvoudig vrachtschipper van Leiden op Utrecht, maar stond bij dat deel der bevolking en van den Magistraat, dat Prinsgezind was, hoog aangeschreven, terwijl zelfs al de anderen gaarne met hem te doen hadden, omdat hij onkreukbaar eerlijk en buitengewoon oprecht was. Iedereen wist, wat men aan hem had, en niemand achtte er hem te minder om, dat hij zulk een ijveraar was tegen den Hertog van Alva en al wat Spanjaard was. Hijzelf zou ook niemand minder achten, als hij Roomsch of Spaanschgezind, of wel Geus en Hervormd was.
„Elk mensch moet vrij zijn om te denken, wat hij wil,” zeide hij altijd. „En als ik nu graag zie, dat niemand het mij euvel duidt, dat ik met hart en ziel tegen Alva en zijnen aanhang gekant ben, dan moet ik het een ander ook niet euvel duiden, als hij tegen den Prins is. Zóó behoort het. Maar .... eerlijke wapenen, man, eerlijke wapenen! Niets zijn in het verborgen, om dan rond te sluipen bij nacht en ontij als eene kat, die naar eene prooi zoekt.”
Zoo redeneerde Schipper Van Schaeck, en dat wist even goed de Spaanschgezinde Jonkheer van Mathenesse, als de Prinsgezinde Jonkheer Johan van der Does,—dat wist even goed de Calvinistische Predikant Petrus Cornelius als de Eerwaarde Immetgen Ruelen, de Mater of Abdis van de Nonnekens in het „Graeuwe Sustershuys”, en toch was Van Schaeck altijd en bij allen de graag gewilde Schipper.
Heel anders was het met Pieter Van Wezel, die Roomsch en in stilte Spaanschgezind was. Zelfs zijne geloofsgenooten en zij, die evenals hij, den Spanjaard dienden of achtten, lieten hem, als Van Schaeck kwam, links liggen, en die van de tegenpartij keken in het geheel niet naar hem om, dan om hem gedurende het beleg in zijn doen en laten na te gaan.
Dit griefde Van Wezel, die ook van Leiden op Utrecht voer, niet weinig, en daarom kon hij Van Schaeck niet lijden.
Toen dan Van Schaeck zoo zeide dat er al veertien dagen lang gelegenheid bestaan had om het papieren geld tegen klinkende munt in te wisselen, stoof Pieter op en riep: „Inwisselen voor valsch geld? Nooit! Die van den Gerechte en den Magistraat mogen het voor zichzelven verantwoorden kunnen, dat ze valsche munters zijn, mijn geweten is zoo ruim niet om het aan te nemen of uit te geven. Zeg nu ook eens wat, als gij kunt.”
Deze uittartende vraag gold onzen Van Schaeck en deze zeide heel leuk: „Gij hebt gelijk, Van Wezel, uw geweten is zoo ruim niet, want gij hebt er in het geheel geen.”
Op dit scherp gezegde ontstond onder de aanwezigen een luid gelach.
„Verdraaid, Gijs, wat zijt gij scherp uitgevallen,” klonk nu eene andere stem. Het was die van Barend Cornelisz. Van Keulen, zetschipper op de marktschuit van Leiden op Utrecht en niet alleen een oud bekende, maar ook een goed vriend van Van Schaeck.
Van Schaeck keek hem even aan en zeide: „Scherp maar waar, Barend!”
„Nu, wáár, wáár, er is zooveel wáár, maar daarom moet ge niet alles zoo zeggen. En bovendien, ik zeg dat onze Pieter Van Wezel wel een geweten heeft!”
„Hoort gij dat?” riep Pieter triomfantelijk en liet zich het roemerken nog eens vullen.
„Maar een geweten, dat alles doorlaat zooals een eiernetje het water,” vervolgde Van Keulen, „en dan, dan het is zóó een piepertje van een gewetentje.” Hij wees een stukje nagel van zijne pink aan.
Pieter die zich eerst zoo verheugd had, werd nu woedend, en zeide: „Ja, al wie tegen eenen aap durft zeggen, dat zijne jongen leelijk zijn, die deugt niet. Zoo gaat het altijd. Maar ik tart iedereen om te weerleggen, of het den eenvoudigen werkman lijkt, als de Magistraat zoo willekeurig omspringt met het geld. Nu de coman in zijne comeny wat zou kunnen verdienen, zoo hij de zetting mocht houden, die de Magistraat tijdens het beleg verordend heeft, is het dadelijk na het beleg: „Ieder, die comanschap drijft, is vrij zoo duur en zoo goedkoop te verkoopen als hij wil.” Weg zijn de verdiensten, die toch wel gebruikt zouden kunnen worden. En of dat alles niet genoeg is, legt de Magistraat tot groot ongerief en nadeel van de burgeren gedurende zes maanden eene belasting op alle eet- en drinkwaren. Ik vraag waartoe dit noodig is?”
„Om de stadskas, die nu schoon ledig is, weer wat aan te vullen,” sprak Jan Van Hout, de wakkere Secretaris. „Er is geen geld in kas om ook maar eenen zak rogge te koopen!”
„De Magistraat koopen,” schreeuwde Pieter. „De Magistraat heeft niets te koopen en allerminst koren. Wat zou er mede gedaan worden?”
„U en allen Leidenaars er brood van geven, als de stad alweer belegerd wordt,” antwoordde Van Hout.
Pieter begon luidkeels te lachen en riep: „Alweer belegerd! Een gek, die dat gelooft! Maar van Secretaris Van Hout, die, geholpen door zijnen vriend Pieter Adriaensz., den Burgemeester, wil doordrijven dat de verlaten Spaansche schansen geslecht en tot eigen gebruik nieuwe aangelegd worden, kan men zoo iets verwachten.”
Hierop wendde zich Pieter tot eenen boer, die wel tot de bewoners van Leiden behoorde, maar toch buiten de stad woonde, en zeide: „Dat is nu de man, Gerrit, die niet wil hebben, dat gij uw houten huis en evenmin uwe houten schuur, die ge op bevel van den Magistraat bij het beleg moest afbreken, in steen opbouwt. Gij moogt hem wel eene kaas tot dank aan huis bezorgen. Hij woont bij het Wolhuis en is met zijn negenen. Hij kan dus best een kaasje gebruiken.”
Alsof hij de grootste aardigheid gezegd had, begon hij luid te lachen en zijnen buurman Hendricksz. aanstootende zeide hij tot dezen: „Die is raak, hé? Als hij eenen goeden zak heeft, kan hij hem vullen.”
Enkelen waren er, die ook medelachten, doch de meesten lieten een afkeurend gemompel hooren en Frans Franszoon, de brouwer uit de Donkersteeg, sprong op Pieter toe, greep hem bij den strot en riep: „Slik die lasterlijke woorden in, Glipper, of ik wring je de keel toe.”
„Het was m-maar gek-heid,” bracht Pieter er met moeite uit, terwijl hij bloedrood werd.
„Laat dat, Frans,” zeide Jan Van Hout. „De man heeft te veel brangdemoris of courage-water gedronken, en hij weet niet, wat hij zegt.”
„Maar waarom wilt gij niet, dat ik huis en schuur in steen opbouw?” vroeg nu Gerrit.
„Huisman, wat denkt gij toch weinig na! Hoe zou ik, die maar Secretaris van Leiden ben, zoo iets kunnen tegenhouden? Mijn goede vriend, ik heb niets te gebieden of te verbieden.”
„Nu, dan verbiedt de Magistraat het, en waarom doet hij dat?”
„Omdat de octrooien van Leiden het verbieden, Gerrit! Meer kan ik er niet van zeggen.”
„Dan moet de Magistraat die octrooien afschaffen,” meende Gerrit. „Het is niets anders dan plagerij.”
„Alweer mis, Gerrit! De Magistraat mag op eigen hand die octrooien niet afschaffen. Dat is het werk van de Staten en van den Prins. Leg er u dus bij neer, man!”
„Maar waarom mag dat niet?” vroeg Gerrit.
„Omdat de vijand zich bij eene belegering daarin zou kunnen nestelen. Maar laat ik nu maar over deze zaak zwijgen en wat anders vertellen. De Magistraat heeft besloten om de schans te Valkenburg met spoed te versterken, want werkelijk, wij vreezen dat de vijand terugkomen zal.”
„Dat geloof ik niet,” klonk hier en daar eene stem. „De Spanjaard heeft aan dat beleg van vijf maanden zóó zijne bekomst, dat hij zich wel aan geen tweede wagen zal. Let op mijne woorden: wij blijven vrij!”
Pieter Van Wezel knikte met eene kleine beweging van het hoofd toestemmend en bromde: „Dat heb ik al zoo lang geleden gezegd en niemand gelooft mij.”
„Als gij nooit iets anders dan waarheid gesproken hadt, Pieter,” zeide Van Hout nu weer, „dan zou iedereen u gelooven. Maar ik heb toch wat voor u!”
„En dat is?”
„Gij hebt de Heeren van de Gerechte en den Magistraat gevraagd om onder de Engelschen, die in de schans te Valkenburg liggen, te mogen zoetelen. Hier is het bewijs, dat gij moogt. Ik wensch u eene goede comanschap!”
„En hoeveel spionnen zal men mij nazenden?” vroeg Pieter driest.
„Wel, man, niet éénen! Gij staat hier in Leiden bij hoog en laag zóó goed aangeschreven, dat iedereen u gerust zijn laatste grootje in bewaring zou durven geven,” sprak Van Hout lachend.
„Ei, de laatste koperen grootjes zeker, die ook al ingewisseld werden om door slecht geld van valsche munters vervangen te worden.”
„Is dat mensch nu nog dronken, Van Hout?” riep Van Keulen en stond al gereed om den lasteraar, die bovendien geen sterk en kloek gebouwd man was, bij den kraag te vatten.
„Zeker, Van Keulen, hij is dronken en niet recht goed bij zinnen! Breng den goeden man naar huis en leg hem te bed, anders verslaapt hij morgenochtend zijnen tijd en een ander zoetelaar doet hem achter het net visschen. Ik wensch u allen eenen goeden avond.”
Van Hout door verscheidene anderen gevolgd verliet de herberg waar Pieter Van Wezel alleen met zijne vrienden achterbleef.
Onder die achterblijvers behoorden ook enkele soldaten, die met hun vendel dienst gedaan hadden in de afgeloopen belegering. Reeds kort na het opbreken van het beleg hadden de verschillende vendels bevel gekregen om naar Woerden, Delft, Brielle of andere plaatsen heen te gaan. Verreweg de meesten hadden hieraan voldaan en, waren tot groote vreugde der burgerij, de stad uitgetrokken. De anderen waren tot heden onder allerlei voorwendsels in de stad gebleven en leefden ten koste der burgers, die hiertegen niet weinig morden, want ze meenden dat ze zoowel door het beleg van Haarlem, als door hun eigen beleg, nu al lang genoeg die vreemdelingen binnen de poorten gehad hadden. Nog altijd heeft de groote menigte wat tegen de soldaten en beschouwt ze eigenlijk als een bijzonder soort van menschen, die niet zoo goed en minder te vertrouwen zijn dan gewone burgers. Dat is stellig in onzen tijd zeer verkeerd gezien, doch in die dagen was het maar al te zeer waar. Wie te lui of te onverschillig was om in het eene of andere gilde een ambacht te leeren, verhuurde zich als soldaat aan dat land, dat het meeste betaalde of aan dat Legerhoofd, dat de meeste plunderingen toeliet. Daarom werd er bij de overgave van eene stad aan den vijand ook eene zekere som gelds gegeven om de plundering af te koopen. Had de overwinnende vijand die som niet betaald, en wilde hij van geen afkoopen weten, dan waren de overwinnaars nauwelijks in de stad of ze drongen, zonder daartoe verlof te vragen, alle huizen binnen, namen mede wat van eenige waarde was, vernielden het overige en bedreven met de bewoners de wreedste baldadigheden. En zulke ruwe gasten moesten ook door de burgerij binnen de stad genomen worden, als ze belegerd zou worden. Kazernen had men in dien tijd niet, zoodat ze bij de burgers tegen eene kleine vergoeding ingekwartierd werden. Het was dus geen wonder, dat die van Leiden met vreugde hoorden dat de soldaten vertrekken moesten en met leedwezen zagen, dat enkelen er wat op gevonden hadden, te blijven. Dat dezen niet vriendelijk behandeld werden, spreekt vanzelf.
Nauwelijks waren Van Hout en zijne vrienden heengegaan of de Bevelhebber van de afdeeling Leidsche vrijwilligers, die met hun allen slechts zesentachtig man uitmaakten, trad binnen en bracht den soldaten het bevel, dat ze kort en goed te zorgen hadden, dat ze binnen de vierentwintig uren de stad verlaten hadden.
„Jawel,” bromde een soldaat, „we mogen hier wel zijn om lijf en leven te wagen, als de nood aan den man is, maar is de nood voorbij, dan kunnen we een heenkomen zoeken.”
„Het ergste nog niet,” liet een ander zich hooren. „Lijf en leven in een eerlijk gevecht wagen, bah, een lafaard, die er tegen opziet. Maar honger lijden, dat men er scheel van wordt en vechten bovendien, ja, dan zijn we goed, dan zijn we „goeman” voor en „kompeer” achter. Doch zijn de vetpotten er weer en is de vijand weg, dan zou ieder burger wel eenen bezemsteel willen nemen en ons, onder het geschreeuw van: „Pak je weg, gespuis,” de poorten willen uitjagen.”
„Mij krijgen ze de stad niet uit,” zeide een derde. „Ik zou wel eens willen weten, wie het wagen zou, mij met geweld de poorten uit te jagen. Dat zou ik willen weten!”
Hij sloeg met den harden lederen handschoen zóó hevig op de tafel, dat de bierkannen er van opwipten.
„Het is mij om het even of gij wilt of niet, man,” zeide Meester Andries Albertsz., de Bevelhebber. „Inplaats van Cornelis Adriaensz., den trommelslager, dien gijlieden niet schijnt te verstaan of te hooren, want hij is verscheidene reizen te vergeefs geweest, kom ik zelf het bevel van den Magistraat brengen. Ik weet nu dat gij mij verstaan en gehoord hebt. Wilt gij nu niet vrijwillig uittrekken, wacht dan de gevolgen af. Goeden avond!”
Meester Andries Albertsz. was geen man om er mede te spotten, en waar een ander zich nog door eenig gevaar liet weerhouden, daar wist hij van geene vrees en hij deed wat er te doen was. Dat wist Pieter Van Wezel ook wel, doch de deugniet had er een bedoeling mede om de soldaten in hunne koppigheid te stijven, en daarom zeide hij, zoodra de Bevelhebber weg was: „Zou men niet zeggen, dat die Meester Andries voor Veldheer in de wieg gelegd is? Één ding is jammer.”
„Wat is jammer?” vroeg een soldaat.
„Dat de Prins hem niet aanneemt om, inplaats van Graaf Lodewijk, die nu eens hier dan daar is, aan het hoofd van een leger te staan. Hij heeft nu met alles en alles slechts zesentachtig man onder zijne bevelen, en als gij,”—hij tikte den soldaat, die zoo dapper met zijnen handschoen kon slaan, op den schouder—„eenvoudig zegt: „Komt eens nader, als gij durft,” dan loopen ze alle zesentachtig met den Bevelhebber aan het hoofd, zoo gauw weg als ze maar kunnen. Het is eene bende koekbakkers, en ik, al ben ik maar een eenvoudig schipper op eene tentsnebbe of, zooals nu, zoetelaar, ik wil wel zeggen dat ik ze sta, en allemaal tegelijk ook.”
Toen Pieter dat zoo zeide, trok hij een heel dapper gezicht, doch geheel dat krijgshaftig voorkomen was in een oogenblik verdwenen, toen Meester Van Aecken, de waard, hem bij den kraag greep en met de woorden: „Geene ophitserij hier, manneke,” buiten de deur zette. Hierop keerde hij terug en zich tot de negen of tien soldaten wendende, zeide hij: „Mag ik u verzoeken mijne herberg te verlaten, mannen?”
„En als wij nu niet willen, gij, wijn- en biervervalscher?” zeide de dappere handschoen-man, terwijl hij uittartend de beide beenen op tafel legde en brutaal lachend Meester Van Aecken aankeek.
Meester Van Aecken zeide niets, doch de deur naar zijne werkplaats openende, riep hij: „Toe, jongens, komt me eens even een handje helpen om windbuilen op straat te gooien!”
„Goed, Meester,” klonk het, en bijna op hetzelfde oogenblik traden vier forsche gezellen, met een schootsvel voor, in de gelagkamer.
„Ik neem dien man met de beenen op tafel voor mijne rekening,” zeide Meester Van Aecken. „De anderen zijn voor u.”
Pas was dit gezegd of de handschoen-held spartelde als een paling in de ijzeren vuisten van den goudsmid en, eer de dappere man er aan dacht, lag hij al op straat, waar hij gevolgd werd door al de anderen. Meester Van Aecken sloot de deur en zeide: „Dank u, mannen! Dat is weer gebeurd.”
DERDE HOOFDSTUK.
Echte leeuwen op den weg.
Inhoudsopgave
De soldaten, niet veel meer of beter dan de herberg uitgegooid, waren woedend en wilden hunne wraak al gaan koelen op de vensterluiken en ramen van „De Wissel” toen ze de burgerwacht zagen naderen, en al bestond die ook nu, volgens Pieter Van Wezel, uit acht „koekbakkers” toch besloten ze om maar niet in aanraking met hen te komen en heen te gaan.
„Gaat met mij mede, mannen,” zeide Pieter, die opeens te voorschijn trad, „ik weet nog wel eene taveerne waar de waard weet, wat een soldaat toekomt.”
„En verkoopt die brangdemoris?” vroeg een soldaat.
„Verkoopen? Ja, en duur ook aan domme mannen, die het met de Regeering houden. Maar soldaten rekent hij geen grootje voor eene mingel.”
De soldaten keken hem ongeloovig aan en dat was, waarlijk, geen wonder. Eene mingel was bijna eene halve kan en kostte ongeveer twaalf stuivers. En zooveel zou hij geven voor nog minder dan een grootje of halven stuiver? Gekheid, als er zulk eene taveerne of herberg was, dan hadden ze het immers al lang geweten?
Pieter keek hen lachend aan en zeide: „Nu ja, voor eenen enkelen keer geeft hij het om niet. Er zijn hier tweeëntwintig herbergen of taveernen in de stad, maar de Magistraat weet er maar van eenentwintig. Die eene is er in stilte, en de waard Jurrie Thysz., ook een schipper, is een heel goed vriend van me. Hij weet den brangdemoris stilletjes binnen de poort in huis te krijgen, en betaalt er geene stadsbelasting voor. Ik heb dan ook bijna al mijn brangdemoris, waarmede ik morgen ga zoetelen, van hem. Op die manier zit er voor een arm man, als ik ben, nog wat winst op.”
De soldaten geloofden hem en volgden hem naar de buurt waar die Jurrie Thysz. woonde, en dat was bij de Coebrugsgraft, niet ver van de Zijlpoort.
Terwijl dit op straat vóór „De Wissel” gebeurde en Meester Van Aecken nog bezig was de deur te sluiten, trad door de achterdeur een jong Edelman met een vriendelijk voorkomen binnen, en zoodra hij Meester Van Aecken zag, zeide hij: „Ik ben maar dadelijk achter op het erf gereden en heb mijn paard aan den stalknecht overgegeven. Gij hebt zeker voor dezen nacht nog wel eens logies voor me?”
Hij, die daar binnentrad en die woorden sprak, was Jonker Johan van der Does, Heer van Noordwijk en in Leiden zeer goed bekend, daar hij er ook eene woning had, welke hij met zijn gezin des winters betrok. Nauwelijks echter was April in het land of hij en de zijnen gingen te Noordwijk wonen om daar van het buitenleven te genieten. Op het oogenblik van ons verhaal was hij nog geen negenentwintig jaar oud.
Meester Van Aecken maakte eene beleefde buiging en zeide: „Zeker, Heer van Noordwijk! De tijden zijn nog niet zóó, dat al mijn slaapkamers bezet zijn; maar ik dacht dat uw huis hier in de stad al klaar was.”
„Ja, het is klaar. Zoodra we naar buiten gingen, dat was dadelijk na het beleg, is het werkvolk al gekomen, doch nu is er geverfd en ik slaap niet graag in een vertrek waar de verf nog niet bestorven is. Maar, hoe komen die soldaten daar op straat? Ik dacht dat ze allen weg waren. De Magistraat heeft er toch bevel toe gegeven?”
„Ja, Uwe Edelheid, dat is zoo; maar dat zijn ontevreden achterblijvers, die van alles bedenken om toch maar niet naar hun vendel terug te keeren. Zoo even is Kapitein Andries Albertz. echter hier geweest en heeft hun gelast binnen een etmaal te vertrekken.”
„Maar wat voeren ze nu uit? Ze schijnen het op uw huis verzien te hebben?”
„Ik heb ze de deur uitgeworpen, Uwe Edelheid! Ze beleedigden den Magistraat en dat kan ik niet hooren.”
„Maar welk afschuwlijk leelijk man spreekt daar met hen?”
De waard keek op straat en zeide: „Dat is Pieter Van Wezel, Edele Heer! Hij is bijgenaamd „Pier Quaet-Gelaet.”
„Ha, de beruchte Glipper?”
„Ja, Uwe Edelheid! En nu doet de schelm niets anders dan verdeeldheid zaaien.”
„Zie, hij neemt de mannen mede! Ik gaf wel wat, als ik wist waar ze heengaan.”
„Daar is kans op, Uwe Edelheid! Ik zie daar twee jongens aankomen, die er als voor geknipt zijn. De een is Cornelis Joppensz., een arme wees, die van zijne eerste kinderjaren liefderijk verpleegd is ten huize van Barend Van Keulen, meesterknecht op de marktschuit van Leiden op Utrecht. Hij noemt zijne Pleegouders Vader en Moeder en hij kon het bij eigen Ouders waarlijk niet beter hebben. De ander is Gerrit Verlaen, die knecht is op de schuit van Gijsbert Cornelisz. Van Schaeck. Beide jongens varen al jaren mede en de schippers hebben wel gezorgd, dat ze echte Prinsgezinden zijn.”
„Ze zijn tenminste in goede handen. Ga, stuurt hen er op uit en laten ze dan hier komen om te zeggen, wat ze gezien hebben. Maar, beveel hen voorzichtigheid aan, hoort ge? Die Glippers zijn meestal uitgeslapen vogels.”
Meester Van Aecken begaf zich naar de voordeur en kort daarop zag men twee jongens de soldaten en Van Wezel voorzichtig nasluipen.
„Geen nieuws in de stad sedert verleden week?” vroeg Van der Does aan Van Aecken toen deze binnengekomen was en eene kan wijn voor zijnen gast had nedergezet.
„Neen, Uwe Edelheid! De Magistraat is nog altijd verdeeld in twee partijen. De sterkste is die, welke, òf uit opzet, òf uit onkunde volhardt, in het geloof, dat de Spanjaarden zich aan geen tweede beleg zullen wagen.”
„Laat men daarom de schansen van den vijand onaangeroerd? Mij dunkt dat het noodzakelijk is dat ze geslecht worden.”
„Zoo denken Burgemeester Pieter Adriaensz. en Secretaris Van Hout er ook over, doch ze ontvangen te weinig steun om de zaak door te zetten.”
„En het geschil over het koopen van koren?”
„Nog in het geheel niet bijgelegd. Er is trouwens ook te weinig geld in de stadskas om veel koren te koopen.”
„De nieuwe munt schijnt in Holland niet gewild te zijn, al heeft Zijne Excellentie er ook hare goedkeuring aan geschonken.”
„Wat zal ik u zeggen, Uwe Edelheid? Als mannen, zooals Pier Quaet-Gelaet, de onnoozele Leidenaars weten te bepraten om de papieren munt niet tegen het nieuwe geld te laten inwisselen, dan zeggen ze daar buiten: „Als de Leidenaars zelven die munt niet vertrouwen, waarom zouden wij het dan doen?”
„Dus gij denkt, dat nog niet al het papieren geld ingewisseld is?”
„Nog lang niet, Uwe Edelheid! Pier Quaet-Gelaet had er nog eenen buidel vol van en zeide dat hij het niet verkoos in te wisselen.”
„Die jammerlijke opruiers toch! Als die er niet waren, zouden de zaken heel anders loopen.”
„Maar heeft Uwe Edelheid nog al wat vertrouwen op de Fransche hulp?”
„Niet veel, Van Aecken! Frankrijk kijkt Engeland, en Engeland kijkt Frankrijk naar de oogen. Beiden hebben den mond vol van de schoonste beloften, maar als het op krachtige hulp aankomt, dan blijkt het dat beloven en doen twee is.”
„Uit Frankrijk heeft Graaf Lodewijk toch nog al geld medegebracht, Uwe Edelheid!”
„Zeker! Maar hoe groot die som ook wezen moge, ze is niet meer dan eene boon in den brouwketel. Zijne Excellentie kan zelf zoo goed als niets bijzetten. Hij was eens een rijk Prins; hij is nu een arm Vorst.”
„Als Graaf Lodewijk in het begin maar wat geluk heeft, dan zal het met dat geld wel schikken. De soldaten zullen dan door plundering hunne achterstallige soldij wel krijgen.”
„Ja, als Graaf Lodewijk een plunderaar van beroep was, maar dat is hij niet. Wel is hij, als de beroemde Franschman, Pierre du Terrail, Chevalier de Bayard, een Ridder zonder vrees of blaam, maar al wie Alva of Requesens met eenige vrucht beoorlogen wil, moet nog iets meer zijn dan dat.”
„Die Requesens schijnt dan toch niet te zijn, die hij lijkt?”
„Dat laat nog al wat te wenschen over, Van Aecken! Trouwens de lastbrief, dien Requesens mede kreeg, luidt niet anders dan die van Alva. Ik vermoed zoo, dat Requesens niet uit liefhebberij beulenwerk zal laten verrichten, doch dat hij, uit menschlievendheid de Nederlanders zachter behandelen zal, dat geloof ik ook niet.”
„Toch liet hij het standbeeld, dat Alva zich tot eigen eer oprichtte, neerhalen.”
„Dat zegt zoo goed als niets. Alva heeft in Spanje machtige vijanden, en Requesens kan even goed een vijand van hem zijn, en die vijandschap kan oorzaak zijn van het neerhalen van het beeld.”
„Hij deed er toch velen Nederlanders evenwel een groot genoegen mede.”
„Juist, en hierop zal Requesens ook wel gerekend hebben. En als iemand ons een genoegen doet, dan willen we wel eenige zijner gebreken over het hoofd zien. Zoo wordt de heele neerhaling van het beeld niet veel anders dan eene staatkundige daad.”
„De druppel honig om de vliegen te vangen?”
„Ja, of nog beter, het schelvischken, dat men uitwerpt om eenen kabeljauw te vangen.”
„Ziet u de toekomst dan donker in, als ik Uwe Edelheid vragen mag?”
„Donker en donker is twee, Van Aecken! Toen de Watergeuzen Brielle hadden ingenomen, waren er enkelen, die dat de „dageraad der Vrijheid” noemden. Ik vind dat het nog schemert en dat de schemering verbazend lang duurt.”
„Veel zal afhangen van hetgeen Graaf Lodewijk met zijn leger uitvoert.”
„Dat zal het ook, doch ik vrees, dat het met die onderneming niet te best zal afloopen. Zijne Excellentie zelve moet er niet veel van verwachten.”
„Maar als de onderneming, wat we waarlijk niet hopen, toch mislukt, Heer van Noordwijk, wat zouden dan de gevolgen zijn?”
„Van Aecken, ik geloof zoo, dat gij mij naar den bekenden weg vraagt. Gij denkt over alles, zooals ik en wilt alleen maar meer zekerheid voor uw geloof hebben. Gij denkt, en ik denk het ook, dat Leiden dan alweer zal belegerd worden. Gij hebt weinig hoop op de hulp met Fransch geld, en ik ook, en zoo gelooven wij beiden, dat binnen betrekkelijk korten tijd Leiden, ten tweeden male, zal belegerd worden.”
„Uwe Edelheid, het is zoo. Ik weet het bijna zeker, dat we eenen bangen tijd tegemoet gaan, en het is zoo waar als ik hier voor u sta, dat „Pier Quaet-Gelaet” en zijne vrienden nu al aan het werk zijn. Zij doen alles, wat ze kunnen, om de zorgeloosheid te doen toenemen.”
„Hoe leggen ze dat aan?”
„Ze doen niets dan kallen over het feest, dat plaats zal hebben bij gelegenheid van de monstering en den „ommegang” der schutters en de daarop volgende vrije jaarmarkt. Zij beloven gouden bergen van dat feest, en, lacie, het lichtgeloovige volk gaat zich op eenen vreugdedag voorbereiden, inplaats van op dagen, weken en maanden van strijd en nood. Ze .... maar daar zijn de jongens terug. Zal ik hen hier laten komen of zal Uwe Edelheid zelve naar de voordeur gaan?”
„Laat de jongens hier komen, Van Aecken! Ik wil wel eens wat met hen praten. Jongens durven overal komen, en ze zien en hooren veel meer dan wij wel denken. Geef hun ieder eene kan bier!”
Van Aecken liet de beide jongens in de gelagkamer komen, waar ze stellig Jonkheer Van der Does niet gewacht hadden te zien.
Jonkheer Van der Does keek gedurende eenige oogenblikken de beide forsch gebouwde knapen aan, en blijkbaar deed hij dat met welgevallen.
Gerrit Verlaen, die zoo ongeveer zestien of zeventien jaar oud kon zijn, was slank van gestalte, doch wat hij ook aan kracht mocht missen, scheen hij door vlugheid meer dan goed te kunnen maken. Zijne oogen stonden hem helder en flink in het hoofd en hadden iets over zich dat terstond aan wat uittartends denken deed. Geen spelletje, zoo gevaarlijk, of Gerrit waagde het; geen boom zoo hoog of hij klom tot in het topje; geen sloot zoo breed of hij durfde er over springen, en juist, als men dacht: „nu zal hij zijne waaghalzerij toch met een ongeluk moeten betalen,” wist hij zich door zijne voorbeeldelooze vlugheid uit den brand te helpen. Het was vooral daarom, dat Gerrit onder zijne makkers den bijnaam had gekregen van „Leeuwke”.
Cornelis Joppensz., even oud als „Leeuwke,” was niet zoo lang, doch veel sterker van lichaamsbouw, en wat deze aan vlugheid miste, zou hij stellig door kracht vergoeden. Dat getuigden de breede schouders, de dikke nekspieren en de volle kloeke handen. Zijn oogopslag was niet guitig en slim, zooals van „Leeuwke”, maar eer brutaal en driest. Men kon het hem aanzien, dat hij zich nimmer aan daden wagen zou, waarbij behendigheid noodig was, maar dat hij altijd te vinden zou zijn, daar, waar met moed en kracht wat te bereiken viel.
„Zet u jongens, en laten we eens een oogenblik met elkander praten,” zeide Jonkheer Van der Does, en zoodra ze gezeten waren, vroeg hij hun vriendelijk: „Van waar kwaamt gij samen toen Meester Van Aecken u aanriep?”
„Wel, Uwe Edelheid, morgen ga ik met Vader alweer met de schuit naar Woerden of Utrecht, en mijn vriend Gerrit gaat er ook heen, maar met Schipper Gijsbert Cornelisz. Van Schaeck. Daar de reis wel lang duren zal, zoo wilden Gerrit en ik nog wel eens een paar verlaten schansen zien vóór we vertrekken; later komt er misschien niet van.”
„En waarom zou de reis lang duren, vriendje? Zoo veel te laden?”
„Dat ook wel, Uwe Edelheid,” antwoordde Gerrit, „want er is hier van allerlei noodig, en iedereen wil het eerst geholpen zijn. Maar daarom duurt de reis zoo lang niet. Er is gauw wat geladen.”
„Wat is dan de oorzaak?”
„Te Alfen hebben ze eene akelige brug over den Rijn, Uwe Edelheid! In het voorjaar, als het water hoog is, kunnen de schuiten er niet door en moeten ze soms dagen blijven liggen eer ze naar Leiden kunnen doorvaren.”
„Dat alles is Zijne Edelheid bekend, manneke,” zeide Van Aecken. „Of weet gij niet dat de Heer van Noordwijk Dijkgraaf en Hoogheemraad van Rijnland is?”
„Neen,” antwoordde Cornelis, „dat wist ik niet.”
Jonkheer Van der Does hoorde dit alles bedaard aan, doch welk eene vrij groote macht hij ook, als Dijkgraaf en Hoogheemraad, bezitten mocht, aan het veranderen van die brug kon hij niet veel doen, daar de belangen van het heele waterschap soms heftig konden tegengewerkt worden door de belangen van de talrijke Heerlijkheden, die men in Rijnland vond. Hij zeide er dus niets op, maar vroeg: „En hoe zijt gij in die schansen gekomen?”
„Wij hebben de boot gevraagd van Cornelis Jansz., die op de „Hogewoert” woont, en deze zelf is met ons medegegaan.”
„Ja, en onderweg hebben we Mees nog opgenomen. Deze zat te peuëren, doch ving niets,” sprak Gerrit.
„Welke Mees?” vroeg Van Aecken.
„Mees, de klapperman, die op „Marendorp” woont.”
„En wat heeft die heldhaftige krijgsman wel gezegd?” vroeg Jonkheer van der Does met een spotachtig glimlachje.
„Hij heeft ons alles uitgelegd, Uwe Edelheid! Want, ziet u, die oude Mees weet van oorlogen af. Hij heeft onder Keizer Karel gediend en is, zegt hij, zelfs in Rome geweest om den Paus gevangen te nemen. Kan dat waar zijn, Uwe Edelheid?”
„Dan diende hij onder eenen anderen Karel, en wel Karel van Bourbon en het is moeielijk uit te maken of die gevangenneming geschiedde met goedvinden van Keizer Karel, ja of neen.”
„Dat zei Mees ook, Uwe Edelheid, en dan zal hij ook wel dien Karel van Bourbon bedoeld hebben. Maar later ging hij toch in dienst van den Keizer en van Koning Filips,” zeide nu Gerrit. „Hij werd in den slag bij Saint Quentin gewond en kwam toen, na dertig jaar lang soldaat geweest te zijn, in Leiden.”
„En hoe zien de schansen er van binnen uit?” vroeg Jonkheer van der Does nu. „Hebben ze niet veel door weer en wind geleden?”
„Wel neen, Uwe Edelheid,” hernam Gerrit. „Mees zei: Als de Spanjaarden terugkomen, zullen ze de Leidenaars niet voor „Schansenschenders” schelden. Hij vond maar één ding jammer.”
„En wat was dat dan?”
„Wel, hij vond het jammer, dat de Leidenaars niet afgemaakt hebben, wat de Spanjaarden er onvoltooid aan lieten. Mees meende dat dit wel zoo mooi zou geweest zijn.”
„Die oude Mees kan ondeugend wezen,” sprak van der Does. „Maar vertel me nu eens, weet gij waar Pieter Van Wezel met de soldaten heengegaan is?”
„Ja, Uwe Edelheid, ze zijn met hun allen in het huis van Jurrie Thijsz. gegaan. Jurrie Thijsz. de schipper, weet u, die op de „Coebrugsgraft” woont. Die houdt een sluikertje.”
„Een sluikertje? Wat is dat?”
„Hij verkoopt in stilte aan het soldaten-volk brangdemoris, Uwe Edelheid!”
„Kom, hoe zoudt gij dat weten?”
„Wij hebben wel eens op den loer gestaan en de lui er heel raar vandaan zien komen.”
„Maar waarom noemt gij dat een sluikertje?”
„Omdat hij den brangdemoris binnen de stad brengt zonder er belasting voor te betalen.”
„Kom, jongen, gij verzint maar wat?”
„Neen, Uwe Edelheid, het is waar! Nietwaar, Cornelis?”
„Ja, Uwe Edelheid, dat is zoo! En er zijn hier in de stad nog meer sluikertjes. Maar ieder, die een sluikertje houdt, is een glipper of zal een glipper worden.”
„En denkt gij dat die soldaten daar nu zijn om brangdemoris te drinken?” vroeg van der Does.
„Ja, Uwe Edelheid, maar ook om kwaad van den Magistraat te spreken, want Pieter Van Wezel is medegegaan, en die is al een even groote Spanjaardsvriend, als Jurrie Thijsz. Maar Jurrie Thijsz. is veel slimmer dan „Pier Quaet-Gelaet.” Deze is leelijk ondeugend, maar erg dom.”
„Kom, jongen, dat kunt gij niet weten! Gij zijt daartoe veel te jong!”
„Ja maar, Uwe Edelheid, Mees zeide het vanmiddag, en toen liet Cornelis Jansz. er op volgen, dat Pier nog wel eens in de val loopen en zich dan leelijk branden zou.”
„Gij moet niet met zulke oude menschen omgaan, jongens! Dat deugt niet, want gij wordt dan veel te wijs voor uwe jaren. Maar hebt gij niets meer vernomen?”
„Neen, Uwe Edelheid, anders niet,” zeide Gerrit.
„Nu, luistert dan beiden naar dat, wat ik u zeg. Aan Schipper Van Keulen moogt gij alles vertellen, Gerrit! En gij, Cornelis moogt alles aan uwen Pleegvader zeggen, maar voor het overige moet gij zwijgen. Begrijpt gij dat die mannen kwaad doen?”
„Ja, Uwe Edelheid, dat begrijpen wij wel.”
„Hoor nu, als ze er achter komen, dat wij hunne streken weten, dan worden ze voorzichtiger, en wij kunnen hen dan niet meer straffen. Hier, dat is voor uwe moeite!”
Jonkheer van der Does gaf ieder een verreltje, dat was een vierde gulden, en beide knapen snelden verheugd heen.
„Wat denkt gij ervan, Van Aecken? Zouden de jongens ons niets wijs hebben gemaakt? Gij kent het volk hier beter dan ik,” zeide van der Does toen de beide knapen weg waren.
„Het spreekwoord zegt: „kinderen en dronken lieden zeggen de waarheid,” Uwe Edelheid!”
„Met spreekwoorden moet men voorzichtig zijn, Van Aecken! Als dat waar was, dan zouden alle waarden welgestelde lieden moeten zijn, want een spreekwoord is er, dat luidt: „Der en is ghien weert so arm, hij can eenen gaste een maeltijt broots borghen.”
„Uwe Edelheid heeft gelijk, maar met deze twee jongens kan toch wel een onderscheid gemaakt worden. Beiden varen al van hun tiende jaar af, en gaan daardoor altijd met oudere lieden om. U kan bovendien verzekerd zijn, dat beide schippers, als het jagertje de schuit trekt en er dus aanboord niets te doen is dan te sturen, heel wat met de jongens bepraten, dat eigenlijk nog niet voor kinderen geschikt is om besproken te worden.”
„Gij meent dus dat Pieter Adriaensz. mij niet uitlachen zal, als ik hem mijne vermoedens mededeel?”
„Och, Uwe Edelheid, ik houd het er voor, dat hij, zoo wel als Van Hout, reeds alles weet.”
„Hoe zouden ze dat te weten gekomen zijn?”
„Jonker Morsch is er ook nog, Uwe Edelheid! En wat Jonker Morsch niet weet, dat weet Willem Cornelisz. Speelman.”
„Dien laatste ken ik goed. Ik heb hem indertijd toen hij mij vertelde, dat hij duiven had, die hij niet zoo ver kon wegbrengen of ze kwamen altijd terug, aangeraden van die duiven aan te kweeken, omdat ze misschien bij een beleg van dienst zouden kunnen zijn. Zou hij die duiven nog hebben?”
„Of hij die duiven heeft, kan ik Uwe Edelheid niet zeggen, maar duiven, die hij buiten en binnen de stad laat vliegen, heeft hij.”
„Dan zullen het de duiven wel zijn, die ik bedoel. Maar wie is Jonker Morsch?”
„Jonker Morsch of de Leidsche Piero zal u toch wel kennen? Hij heet Pieter Cornelisz. Van der Morsch en is stadsbode.”
„O, is het die man? De nar van de Kamer van Rethorijken „De Witte Acolijen!” Dat is een slim en uitgeslapen man. Met zijne snaaksche uitvallen en guiterijen is hij overal gezien en weet hij dingen, die een ander niet hoort. Maar, zoo veel te beter, als Burgemeester Adriaensz. het weet. Als ik het hem dan ook nog eens zeg, zal hij er stellig zijne schouders nog wel meer onder zetten om alles te doen, wat in het belang der stad is.”
„Hij kan niet meer doen dan hij reeds doet, Uwe Edelheid! Al zijn pogen stuit af op den onwil van een groot deel van den Magistraat, dat gesteund wordt door Spaanschgezinden of door eenvoudige mannen, die zich door de gladde tongen van mannen als „Pier Quaet-Gelaet” en Jurrie Thijsz. alles laten wijsmaken.”
„Nu, Meester Van Aecken, we willen hopen, dat we kalveren, die in de weide loopen, voor leeuwen hebben aangezien. Ik wenschte nu ter ruste te gaan en morgenochtend om halfzes gewekt te worden. Ik heb morgen veel te doen.”
De Heer van Noordwijk nam zijn licht en ging naar zijne kamer, doch eer hij insliep, schudde hij het hoofd en mompelde: „Het zijn wel degelijk leeuwen, die ik zie.”
Ook Meester Van Aecken ging, na zich verzekerd te hebben, dat alles gesloten en gegrendeld was, slapen, en eene van zijne laatste gedachten van dien dag was: „Geen kalveren zijn het, maar echte leeuwen zijn er op den weg”.
Pulsuz fraqment bitdi.