Kitabı oxu: «Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk»

Şrift:

Raden Adjeng Kartini

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066314385

Inhoudsopgave

INLEIDING.

VOORWOORD BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

VOORWOORD BIJ DEN DERDEN DRUK.

GEDACHTEN ONTLEEND AAN NIET OPENBAAR GEMAAKTE BRIEVEN.

AAN ONZE VRIENDEN.

BESCHOUWINGEN VAN RADEN ADJENG KARTINI,

NEERGELEGD IN EENE NOTA MET HET OPSCHRIFT

GEEF DEN JAVAAN OPVOEDING!

INLEIDING.

Inhoudsopgave

Op 8 Augustus 1900 kwam ik op eene dienstreis als hoofd van het Departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid, te Japara, vergezeld van mijne echtgenoote. Mijn doel was met den toenmaligen Regent van Japara, wijlen Raden Mas Adipati Ario Sosroningrat, en zijne Raden Ajoe en dochters te overleggen, op welke wijze het best te voorzien zou zijn in de geestelijke ontwikkeling van de Javaansche meisjes der hoogere en lagere klassen, en wat overigens te doen ware in haar belang.

Die dag zal altijd blijven een der merkwaardigste van ons leven.

Was het hoogst aangenaam kennis te maken met den Regent en zijne Raden Ajoe, de ontmoeting met de dochters van dit vriendelijke echtpaar, gaf ons een blijde verrassing. Dit geldt vooral van het oudste drietal, als een "klaverblaadje" nauw aaneengesloten. De jongere dochters waren destijds nog kinderen.

Ongeveer een maand later kwam de Regent met de Raden Ajoe en het lieve drietal te Batavia enkele dagen bij ons doorbrengen. We leerden elkander nog beter begrijpen en waardeeren, en een getrouwe briefwisseling, vooral met de oudste van de drie meisjes, was het gevolg.

Meer en meer troffen ons de brieven van Raden Adjeng Kartini door de buitengewone diepte van denken en gevoelen, door den krachtigen wil om vooruit te streven tot heil van het Javaansche volk, de Javaansche vrouw in het bijzonder.

Tevens werden we ons echter bewust van de groote zedelijke verantwoordelijkheid bij het beantwoorden van die brieven.

Het is gemakkelijk mede te dweepen met hen, die grootsche denkbeelden koesteren. Waar echter de verwezenlijking daarvan gepaard gaat met schier onoverkomelijke maatschappelijke moeilijkheden, is het plicht zich eenigermate in te toomen. De gevolgen van het tegen den stroom opvaren zijn niet altijd te voorzien. En doen zij zich op smartelijke wijze gevoelen, dan is men niet altijd in staat hulp te verleenen.

Deze overweging deed ons menigmaal een gedwongen voorzichtigheid in acht nemen, waar we veel liever medegejubeld zouden hebben in het bewonderenswaardig enthousiasme van de schrijfster en hare zusters.

R.A. Kartini zelve gevoelde tegenover hare zusters de verantwoordelijkheid om dezen tot medewerksters aan te nemen. Zij vroeg zich af, of zij kalm mocht aanzijn en rustig toelaten, dat de zusjes met haar medegingen? "Ik weet, de weg dien ik wensch op te gaan, is moeilijk, vol doornen en distelen, kuilen; hij is steenachtig, hobbelig, glibberig, hij is ... ongebaand." Maar de zusjes stelden haar gerust met de woorden: "Noch gij, noch iemand anders kan ons denkbeelden ingeven, met vrucht in ons hoofd en hart zaaien, zoo niet wij zelf daartoe reeds aanleg hadden. Wij gaan samen den hemel in of de hel."

Wat R.A. Kartini wilde, was het verkrijgen van meer kennis, om, daarmede toegerust, beter berekend te zijn voor de taak, die zij zich voorgeschreven had: ontwikkeling van geest en gemoed der Javaansche vrouw om haar geschikt te maken voor de opvoeding van hare kinderen. Maar daarnaast ook: vrijmaking van het Javaansche meisje ten opzichte van den huwelijksdwang, en in verband hiermede het zich vrij bewegen in de maatschappij.

Zij wilde hierdoor bereiken, dat de vrouwen, meer dan nu het geval is, de waardige gezellinnen zouden zijn van de steeds meer in ontwikkeling vooruitgaande mannen.

Intusschen, hoe krachtig zij ook den innerlijken drang gevoelde, zij wilde haren geliefden vader geen verdriet doen.

Treffend is dan ook de beschrijving der verhouding tusschen vader en dochter, die slechts op één punt niet overeenstemden, het zich gehéél vrijmaken van de oude gewoonten.

En dit is zoo volkomen te begrijpen, wanneer men bedenkt dat R.A. Kartini weer een geslacht verder van het oude stond dan haar vader.

Deze was als zoon van den ouden Pangeran van Demak, geheel in Nederlandschen geest opgeleid, evenals zijne broeders, van wie thans nog alleen de Regent van Demak, Pangeran Ario Hadiningrat, in leven is. Hoe vrijzinnig ook in zijne opvattingen, kon de Vader er toch nog niet toe komen zich nog meer te ontworstelen aan de overleveringen der Javaansche maatschappij dan hij, ter wille van zijne dochters, reeds gedaan had.

In R.A. Kartini's geest bestond de scheidsmuur tusschen den ouden en jongen tijd niet meer, maar zij stootte zich toch in werkelijkheid daartegen, telkens wanneer zij bemerkte, dat zij niet dadelijk allen die haar lief waren, kon overreden.

Zóó is het altijd geweest, en zóó zal het wel te allen tijde blijven, wanneer baanbrekers rekening moeten houden met hen, die zich nog niet, of nog niet geheel, hebben kunnen losmaken van de begrippen uit vroeger jaren.

R.A. Kartini schudde echter niet vergeefs aan den scheidsmuur: het gelukte haar niet alleen haren Vader, maar ook hare Moeder, de Raden Ajoe, in hoofdzaak te overtuigen, althans te verzoenen met het denkbeeld dat hare dochters wilden breken met het oude.

De Raden Ajoe heeft ten slotte meer sympathie betoond met de vooruitstrevende denkbeelden harer dochters, waardoor zij hare kinderen dichter tot zich bracht. En den eenmaal ingeslagen weg is zij blijven bewandelen tot op dezen dag.

Ook R.A. Kartini's oudere zuster, veel vroeger gehuwd, die aanvankelijk scherp tegenover haar stond, werd overtuigd, evenals de broers.

En het is wel te verwachten dat hoe langer hoe meer hare beginselen zullen zegevieren, en zij niet vruchteloos gearbeid en geleden zal hebben.

R.A. Kartini's hart trok al spoedig naar het Europeesche deel van Groot-Nederland; zij wenschte gedachtenwisseling met meisjes in Europa, en plaatste, tot dit doel, eene uitnoodiging in een der dames-tijdschriften. Zoo begon hare briefwisseling met Mejuffrouw Estelle H. Zeehandelaar, thans Mevrouw Hartshalt. Al spoedig ontstond tusschen de twee meisjes—zonder elkaar ooit te hebben gezien—een toon van groote vertrouwelijkheid.

Met tal van andere personen heeft R.A. Kartini briefwisseling gevoerd. Van enkelen, wier namen mij bekend werden, mocht ik brieven ter inzage krijgen met vrijheid de hiervoor geschikte gedeelten te doen overschrijven en uit te geven.

Mijne echtgenoote, mijn zoon E.C. en ik ontvingen ook tal van brieven. Op gelijke wijze zijn daaruit gedeelten overgenomen en gerangschikt.

Alles verschijnt thans naar volgorde van tijd. Een Romeinsch cijfer (I tot X) achter de dagteekening der brieven komt overeen met de namen op een blad na de inleiding aangegeven.

Dat ik door de uitgave van deze brieven geen onbescheidenheid bega, zal in de eerste plaats blijken uit verscheidene bladzijden daarvan, welke er op wijzen, dat het geheel in den geest is van de schrijfster wanneer hare denkbeelden het licht zien.

Verder heb ik de volle toestemming verkregen van Raden Adipati Ario Djojo Adi Ningrat, Regent van Rembang, met wien R.A. Kartini gehuwd was, van hare Moeder, de Raden Ajoe Adipati Ario Sosroningrat, weduwe van haren kort na haar overleden Vader. Ik weet ook dat bij hare zusters en broers geen bezwaar bestaat.

En eindelijk, ik ben vast overtuigd dat het bekend worden van hare gedachten veel zal kunnen bijdragen tot verwezenlijking van hetgeen haar zoo na aan het hart lag.

Ik maak niet alle brieven openbaar, die mij werden toevertrouwd, en ook niet alles daarvan. Slechts die gedeelten liet ik overschrijven welke ik dacht dat de schrijfster voor openbaarmaking geschikt zou hebben geacht. Alleen de allerlaatste brieven geef ik bijna in hun geheel, daar zij als 't ware een afscheidsgroet zijn aan het leven.

Uit de niet afgedrukte brieven zijn enkele korte gedachten bijeengebracht, die op de brieven volgen, alsmede een gedicht door de schrijfster in een tijdschrift geplaatst.

Nog enkele mededeelingen over het boekdeeltje zelf.

De photo's stellen voor de Regentswoning te Japara, waar R.A. Kartini de jaren van strijd doorleefde, en enkele andere plekjes van "het vergeten uithoekje", daarbij in het bijzonder haar geliefd "Klein Scheveningen", waar zij oogenblikken doorbracht van zieleleed, maar ook van dankbare levensvreugde. Verder van de Regentswoning te Rembang, waar zij iets meer dan een jaar een gelukkig leven leidde, waar haar zoontje Raden Mas Sienggih geboren werd, en waar zij vier dagen na diens geboorte, slechts 25 jaren oud, uit dit leven werd weggeroepen. Deze photo en die van haar graf, mocht ik van haren echtgenoot voor dit boekwerkje ontvangen. Ik dank er hem te meer voor, omdat hij geen beter bewijs had kunnen geven dat de uitgave der brieven zijne volle goedkeuring wegdraagt, blijkbaar omdat ook hij overtuigd is dat zij zullen helpen tot stand brengen wat de schrijfster zich voor oogen stelde. Ik betuig ook om eene andere reden mijne groote erkentelijkheid, en wel voor het vertrouwen in mij gesteld, om zonder eenige beperking, verlof te geven tot deze uitgave.

Het Javaansche grafschrift is door de vriendelijkheid van den broeder der schrijfster, Raden Mas Pandji Sosro Kartono, in Latijnsch karakter overgebracht en vertaald. Het luidt als volgt:

{Kangdjeng Raden Ajoe

1 {

{Adipati Djojo Hadiningrat.


2 Wijossan ipoen.


{28 Rabingoelakir 1808.

3 {

{21 April 1879.


4 Soeroed ipoen


{7 Redjeb 1834,

5 {

{17 September 1904.

{Kangdjeng Raden Ajoe Adipati

1 {

{Djojo Hadinningrat.


2 Geboorte (verjaardag)


{28 Rabingoelakir 1808 =

3 {

{21 April 1879.


4 Overlijden.


{7 Redjeb 1834 =

5 {

{17 September 1904.

Het portret van de schrijfster, met hare handteekening, komt voor op een groepje van het "klaverblaadje", dat zij ons in 1902 toezond.

De vignetten zijn penteekeningen naar eigen potloodschetsen vervaardigd door "Moedertje" (VIII), die voor het eerst zich aan dergelijke teekeningen waagde uit liefde voor de schrijfster.

De slotfiguren der hoofdstukken zijn gemaakt naar photo's van Javaansche kunstnijverheidsvoorwerpen, opgenomen door "broer Edie". Het schilderijtje op blz. 86 en de sarong op blz. 338 zijn door de schrijfster vervaardigd.

Aan de uitgave is toegevoegd eene nota, door R.A. Kartini opgesteld, mij daartoe welwillend afgestaan door Mevrouw A. Buyn, geboren Glaser, die vroeger als hulponderwijzeres te Japara eene vriendin was van het klaverblaadje.

Het doel der uitgave is, naast het wekken van sympathie, het verkrijgen van veler medewerking tot oprichting van eene kost- en dagschool voor dochters van Inlandsche hoofden, zooals de schrijfster zich die gedacht had; voorloopig op kleine schaal, langzaam zich uitbreidende door eigen kracht. Aan die school mag niet ontbreken de gelegenheid om zich te bekwamen voor de hulpakte bij het Inlandsch onderwijs.

Alles wat mij door den uitgever wordt uitgekeerd, is bestemd voor de Raden Adjeng Kartini-school, waarvan reeds de eerste financiëele steen gelegd is.

Overigens is het mijn voornemen om na de verschijning eenige dames uit te noodigen tot het vormen van eene commissie, die zich wil belasten met het bijeenbrengen van verdere fondsen tot stichting van de school in een nader te bepalen, gezonde plaats in Midden-Java. Bij het door particulieren bijeengebrachte, zal, hoop ik, de Regeering bereid worden bevonden een subsidie te voegen.

Het telegram dat den plotselingen dood kwam melden op 17 September 1904, gaf ons eene diepe smart, zooals men die slechts gevoelt bij het heengaan van de liefste betrekkingen. Wat bij andere vrienden omging, kan men lezen in de Hollandsche Lelie van 30 November 1904, waar mevrouw Ovink—Soer een uitvoerig en teeder in "memoriam" schreef. Aan het slot daarvan zeide zij van hare lieve Kartini: "Ik heb nooit anders gezien dan je gouden hart. Je waart immer vol zelfopoffering en dienende liefde, anderer geluk en welzijn ging je steeds boven eigen. Moge de zoon, dien je naliet, niet alleen een ontwikkeld, begaafd man, maar bovenal een edel mensch worden als zijn moeder was. Mij zal je nagedachtenis immer in dierbare herinnering blijven."

Ook Augusta de Wit wijdde een levensschets aan haar in een der dagbladen, en Mevrouw Nellie van Kol richtte een gevoelvol schrijven tot den Regent Raden Adipati Ario Djojo Adi Ningrat, dat op dringend verzoek van de redactie der Locomotief te Semarang, openbaar werd gemaakt. De grondtoon daarvan is, dat Raden Mas Sienggih moge opgroeien tot een man, waardig zijne onvergetelijke Moeder.

Aan het toen gezegde zal ik slechts weinig toevoegen. De gedachten van de edele strijdster voor recht en vooruitgang, die thans ieder zal kunnen lezen en naar waarde schatten, zullen voor haar spreken.

Bij allen zal wel dezelfde treurige gedachte opkomen, hoe zij, die haar leven had willen geven aan de ontwikkeling van haar volk, haar eigen kindje slechts enkele dagen mocht verzorgen. Maar hare nagedachtenis zal hem doordringen van de hooge plichten die op hem rusten.

Gezegend zal haar naam blijven onder de Javanen en de andere volkeren van den Archipel, voor wie zij is geweest als de rozenvingerige Aurora, wijzende uit de duisternis naar het morgenlicht van den vooruitgang, die alleen te verkrijgen is door verheffing van geest en gemoed.

Gezegend zal haar naam ook zijn onder het blanke ras, dat zij door hare denkbeelden nader heeft gebracht tot het hare.

'S-GRAVENHAGE, April 1911.

MR. J.H. ABENDANON.

VOORWOORD BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

Inhoudsopgave

De eerste druk, met zooveel zorg door de N.V. voorheen G.C.T. van Dorp & Co. uitgegeven, was in enkele maanden uitverkocht. Toch had deze uitgeefster bezwaar, over te gaan tot een tweeden goedkooperen druk, uit vrees voor finantieele schade. Ik had toen het voorrecht, de Heeren H.M. d'Angremond en A.G. Rinders, Directeuren van de N.V. Electrische Drukkerij "Luctor et Emergo" te 's-Hage, bereid te vinden, onder voorwaarden, die het doel der uitgave zeer bevorderen. Ook deze druk toch geschiedt geheel in het belang van de oprichting der Raden Adjeng Kartini-School.

De wijze waarop de denkbeelden der onvergetelijke schrijfster ontvangen zijn, stemt tot groote vreugde. Er spreekt uit de beoordeelingen zooveel sympathie voor het streven van Raden Adjeng Kartini, dat de belangen, die zij zoo geestdriftig voorstond —de toekomst der inheemsche bevolking van Insulinde en van de vrouw in het bijzonder—een grooten stap voorwaarts hebben gedaan.

De eerste, die meer uitvoerig dit streven besprak, was de Heer Mr. C. Th. van Deventer, in zijn bekend Gids-artikel met het eenvoudige opschrift "Kartini". Keurig van vorm en krachtig van inhoud, roept dit artikel allen op tot medewerking.

Behalve op talrijke aankondigingen in dagbladen en tijdschriften, die ik niet afzonderlijk vermeld uit vrees voor onvolledigheid, valt te wijzen op eene sedert in het licht gegeven rede in de Indische Vereeniging van den Heer Raden Mas Noto Soeroto, welke aan Raden Adjeng Kartini een juichkreet zou hebben ontlokt.

Van Hare Majesteit de Koningin-Moeder mocht ik enkele dagen na de verschijning van het werk eene geldelijke bijdrage ontvangen als blijk van instemming en belangstelling in de op te richten school.

Van Z.E. den Gouverneur-Generaal, den Heer A.W.F. Idenburg, kwam een brief, waarin steun wordt beloofd voor de school.

In gelijken zin uitte zich Z.E. de Minister van Koloniën, de Heer J.H. de Waal Malefijt, naar aanleiding van een vraag in de Tweede Kamer van den Heer Mr. Th.H. de Meester.

Van verschillende zijden werden bijdragen en toezeggingen ontvangen.

Mogen alle pogingen met goeden uitslag bekroond worden!

Maart 1912.

J.H.A.

VOORWOORD BIJ DEN DERDEN DRUK.

Inhoudsopgave

Het stemt tot groote blijdschap, dat nu reeds, zeven maanden na het verschijnen van den tweeden druk (3000 exemplaren), een derde noodig is. Ook deze komt ten bate van de Raden Adjeng Kartini-school.

Over de plannen zal zoo spoedig mogelijk in het openbaar mededeeling worden gedaan, terwijl allen in de gelegenheid zullen zijn van hunne belangstelling te doen blijken.

Het register dat voor het eerst aan den tweeden druk werd toegevoegd, is samengesteld en tot openbaarmaking afgestaan door den Heer A.J.H. Engelenberg, Oud-Resident van Djambi. Door bijzondere omstandigheden kon dit niet meer in den vorigen druk worden vermeld. Het geschiedt thans, met betuiging van groote erkentelijkheid.

Deze strekt zich mede uit tot de velen, die inmiddels van hunne instemming met deze uitgave en de voorgenomen school hebben doen blijken.

Het zal zeker met diep leedwezen worden vernomen, dat op 23 Mei j.l. ook Raden Adjeng Kartini's echtgenoot Raden Adipati Ario Djojo Adi Ningrat overleden is. Hij werd als Regent van Rembang opgevolgd door zijn oudsten zoon Raden Mas Iskander Abdul Karnen, die met liefde en toewijding voor zijne jongere broers en zusters zorgt, en dus ook voor Kartini's zoontje, Raden Mas Sienggih, die thans reeds acht jaren telt en de Europeesche school te Rembang bezoekt.

J.H.A.

'S-GRAVENHAGE, 20 November 1912.

JAPARA, 25 Mei 1899. (I.)

Ik heb zóó verlangd kennis te maken met een "modern meisje", het fiere, zelfstandige meisje, dat zoo ten volle mijne sympathie heeft, dat met vluggen, flinken tred haar weg door 't leven gaat, vroolijk en opgeruimd, vol geestdrift en warm gevoel, arbeidend niet voor eigen heil en geluk alleen, doch ook zich gevend aan de groote Maatschappij, werkend tot het heil van vele medemenschen. Ik gloei van geestdrift voor den nieuwen tijd en ja, ik kan wel zeggen, dat wat denken en voelen betreft, ik den Indischen tijd niet meeleef, doch geheel die mijner vooruitstrevende blanke zusters in het verre Westen.

En als de wetten van mijn land zulks zouden toelaten, zou ik niets liever willen en doen, dan me geheel te geven aan het werken en streven van de nieuwe Vrouw in Europa. Eeuwenoude tradities echter, die niet zoo maar af te breken zijn, houden ons in haar stevige armen gekluisterd. Eens ja, zullen die armen ons loslaten, maar die tijd ligt nog verre van ons—zoo eindeloos ver! Hij zàl komen, dat weet ik, doch eerst drie, vier geslachten na ons. O! U weet niet wat 't is den jongen, den nieuwen tijd, úw tijd, lief te hebben met hart en ziel, terwijl je nog aan handen en voeten gebonden, vastgeketend bent aan de wetten, gebruiken en gewoonten van je land, waaraan 't niet mogelijk is te ontkomen. En de gebruiken en gewoonten van ons land staan lijnrecht tegenover het nieuwe, dat ik graag in onze Maatschappij zou ingevoerd zien. Dag en nacht peins en zin ik op middelen om tòch aan de strenge zeden en gewoonten van mijn land te kunnen ontsnappen, doch ... de oude Oostersche tradities zijn wel hecht en sterk, maar ik zou ze toch van mij kunnen afschudden, verbreken,—ware het niet, dat een andere hechtere en sterkere band dan eenige eeuwenoude traditie mij aan mijne wereld bond: de liefde, die ik heb voor hen, die mij het aanzien schonken, aan wie ik àlles, àlles te danken heb. Mag ik, heb ik het recht wel, om hen, die mij mijn leven lang niets dan liefde en goedheid betoonen en mij omringen met de trouwste zorgen, het hart te breken? Hunne harten zou ik breken, wanneer ik aan mijn verlangen toegaf en deed waar heel mijn wezen naar smacht, bij iederen polsslag, bij elke ademhaling.

't Waren de stemmen niet alleen, die van buiten, van het beschaafde, het herboren Europa tot me doordrongen, die me naar verandering der nu bestaande toestanden deden verlangen. Reeds in mijne kinderjaren, toen het woord "emancipatie" nog geen klank, nog geen beteekenis voor mijne ooren had, en geschriften, en werken, die het daarover hadden, ver buiten mijn bereik waren, ontwaakte in mij een verlangen, dat gaandeweg grooter en grooter werd: het verlangen naar vrijheid en onafhankelijkheid, zelfstandigheid. Toestanden in mijne directe en indirecte omgeving, die mijn hart braken, en deden schreien van nameloos verdriet, riepen het wakker.

En de stemmen, die voortdurend van buiten al luider en luider tot mij kwamen, deden het zaad, hetwelk het diep medevoelen van het leed van anderen, die ik innig liefheb, in mijn hart legde, ontkiemen, wortel schieten, welig groeien en tieren.

Maar hierover voorloopig niet verder—een anderen keer meer. Nu wil ik u het een en ander van mijn persoon vertellen, ter kennismaking. Ik ben de oudste of eigenlijk de tweede dochter van den Regent van Japara en heb vijf broers en zusters—wat een weelde, hé? Wijlen mijn grootvader, Pangeran Ario Tjondronegoro van Demak, die een groot voorstander was van den vooruitgang, was de eerste Regent op Midden-Java, die zijn huis ontsloot voor den gast van ver over zee: de Westersche beschaving. Al zijn kinderen, die allen eene Europeesche opvoeding genoten, hebben of hadden (velen dezer zijn er niet meer) de liefde voor den vooruitgang van hunnen vader overgeërfd, en deze gaven op hun beurt hun kroost dezelfde opvoeding, die zij zelf genoten hadden. Vele mijner neven en al mijne oudere broers hebben de H.B.S. doorloopen—de hoogste inrichting van onderwijs, die wij hier in Indië hebben, en de jongste mijner drie oudere broers bevindt zich sedert ruim drie jaren ter voltooiing zijner studiën in Nederland, de twee anderen zijn in 's Lands dienst. Wij meisjes, geketend als we nog zijn aan oude gebruiken en gewoonten, hebben slechts povertjes mogen profiteeren van den vooruitgang, wat 't onderwijs betreft.—'t Was al een heel groot vergrijp tegen de zeden en gewoonten van mijn land, dat wij meisjes uit leeren gingen en daarvoor eiken dag het huis verlaten moesten om de school te bezoeken. Zie, de adat van ons land verbiedt meisjes ten strengste uit hun huis te komen. Naar een andere plaats gaan mòchten wij niet—en de eenige inrichting van onderwijs, die ons stadje rijk is, is maar een gewone openbare lagere school voor Europeanen. Op mijn twaalfde jaar werd ik thuis gehaald—ik moest de "doos" in; ik werd in huis opgesloten in algeheele afzondering van de buitenwereld, waarin ik niet eer terug mocht keeren, dan aan de zijde van een echtgenoot, een wildvreemden man, dien onze ouders voor ons uitkiezen en met wien we getrouwd worden feitelijk zonder dat wij het weten. Europeesche vrienden—dit heb ik eerst heel later gehoord—hadden al 't mogelijke beproefd om mijne ouders tot andere gedachten te brengen, tot intrekking van het voor mij, jong en levenslustig kind, zoo wreed besluit, maar zij hadden niets kunnen verkrijgen—mijne ouders waren onverbiddelijk—, ik ging mijn gevangenis in. Vier lange jaren heb ik tusschen vier dikke muren doorgebracht, zonder ooit iets van de buitenwereld te zien.[1]

Hoe ik dien tijd doorkwam, weet ik niet—ik weet alleen maar, dat hij verschrikkelijk was.

Een groot geluk was het voor me, dat de lectuur van Hollandsche boeken en de correspondentie met Hollandsche vrienden mij niet ontzegd waren. Deze waren de eenige lichtpunten in dien naren, somberen tijd. Zij waren mijn àlles—zonder die twee zoude ik misschien omgekomen zijn of erger nog dan dat—mijn ziele, mijn geest zouden gestorven zijn. Maar de tijdgeest, mijn helper en beschermer, liet overal zijne dreunende stappen hooren; trotsche, hechte, oude gebouwen waggelden bij zijne nadering op hunne grondvesten—stevig gebaricadeerde deuren sprongen, de een als van zelf, de ander met veel moeite open, maar open gingen ze toch, en lieten den onwelkomen gast binnen. En waar hij is geweest, liet hij sporen achter.

Op mijn 16e jaar eindelijk zag ik voor 't eerst de buitenwereld weer. Goddank! Goddank! ik mocht mijn kerker verlaten als een vrij mensch, en niet geketend aan een mij opgedrongen echtgenoot. Na zes maanden zag ik voor den tweeden keer de buitenwereld terug; daarna volgden verschillende gebeurtenissen elkaar op, die ons meisjes al meer en meer onze verloren vrijheid hergaven; en verleden jaar met de inhuldiging onzer jonge Vorstin schonken onze ouders ons "officiëel" de vrijheid terug. Voor het eerst van ons leven mochten wij de stad onzer inwoning verlaten en meê naar de hoofdplaats gaan om daar àl de festiviteiten bij te wonen, die ter eere van de Koningin waren aangelegd. Alweêr een héél, héél groote overwinning, die wij zeer op prijs mogen stellen, wat wij dan ook doen. Dat jonge meisjes van onzen stand zich in het publiek vertoonen is hier een ongehoord iets, de "wereld" stond er verbaasd over. Lieve tongetjes raakten over dit ongehoord feit druk in beweging, mijne Europeesche vrienden juichten, en wij, wij waren er den koning te rijk meê!

Maar tevreden ben ik niet, nog in lange niet. Verder, immer verder wil ik! Neen, geen feesten, geen pretjes naloopen heb ik ooit begeerd, is ooit de bedoeling geweest van mijn verlangen naar vrijheid. Vrij verlangde ik te zijn, om me zelfstandig te mogen, te kunnen maken, om van niemand afhankelijk behoeven te zijn, om ... om nòòit te moèten trouwen.

Maar trouwen moeten we, moèt, moèt. Niet trouwen is de grootste zonde, die een Mohammedaansche kan begaan, is de grootste schande die voor een Inlandsch meisje en hare familie bestaat.

En het huwelijk hier, o, ellendig is hier nog een tè zachte uitdrukking voor! Hoe kan het ook anders zijn, als de wetten zijn gemaakt àlles voor den man en nièts voor de vrouw? als wet en leer beide zijn vóór den man—als hem àlles, àlles is geoorloofd?

Liefde! wat weten wij hier van liefde?—Hoe kunnen wij een man en een man ons liefhebben, als wij elkaar niet kennen, ja zelfs niet zien mogen? Jonge meisjes en mannen worden in strenge afzondering van elkaar gehouden.

Ja, heel graag zou ik alles van uwe betrekking willen vernemen, zij lijkt mij zeer interessant toe. En wilt u me dan ook vertellen van de voorbereidende studies, die haar voorafgingen? Ook heel erg graag zou ik meer van uwe Toynbee-avondjes willen vernemen, evenals van den geheel-onthoudersbond, waarvan u zoo'n ijverig lid is. Dit alles hebben wij in Indië niet. Maar ik stel daar warm belang in. Zou u mij later niet eens zoo'n Toynbee-avondje willen beschrijven? Ik verlang er werkelijk naar, wat meer van dezen arbeid van naastenliefde te vernemen, dan wat de dagbladen en tijdschriften me vluchtigjes er over vertellen.

In de Inlandsche maatschappij hebben we Goddank, nog den drankdemon niet te bestrijden—maar ik vrees, ik vrees, dat als eenmaal—vergeef me—de Westersche beschaving hier burgerrecht heeft verkregen, wij ook met dat kwaad te kampen zullen hebben. De beschaving is een zegen, maar zij heeft ook haar schaduwzijden. De zucht tot naäperij is den mensch aangeboren, geloof ik. Het volk doet de gewoonten van den goeden stand na, deze op zijn beurt van een nog beteren stand, en deze eindelijk van de allerbesten—de Europeanen.

Het is geen ècht feest, wanneer er niet bij gedronken wordt. Tegenwoordig ziet men bij feestvierende Inlanders—zoo dezen niet streng godsdienstig zijn—en de meeste Inlanders zijn enkel Mohammedanen, omdat hun vader, grootvader en verdere voorzaten Mohammedanen waren—in werkelijkheid zijn ze niet meer of minder dan heidenen—steeds één of meer vierkante flesschen die dan niet zuinig door hen aangesproken worden.

Een kwaad, erger, grooter nog dan de alcohol, is er hier! Het is opium. O! wat een ellende dat afschuwelijk goed over mijn land, over mijn volk heeft gebracht is niet te zeggen. Het opium is de pest van Java. Ja, erger nog dan de pest is 't opium. De pest is niet altijddurend, vroeg of laat zal zij wijken, maar het kwaad door opium gesticht wordt gaandeweg grooter en grooter, breidt zich hoe langer hoe meer uit en zal niet, nooit verdwijnen, eenvoudig omdat het is beschermd door het Gouvernement! Hoe grooter het verbruik van opium op Java is, des te voller zal de schatkist zijn. De opiumpacht is één der rijkste bronnen van inkomst der N.-I. Regeering. Wat geeft het of het volk er wèl of niet bij vaart?... de Regeering vaart er wèl bij, dat is het voornaamste. De vloek van het volk vult den buidel der Ned.-Indische Regeering met tonnen, met millioenen gouds.

Velen zeggen, dat het gebruik van opium geen kwaad is, maar die dat beweren hebben Indië nooit gezien of zijn ziende blind.

Geen kwaad!—Wat zijn dan de talrijke moorden, brandstichtingen, diefstallen, die onmiddellijk het gevolg zijn van het gebruik van opium? Neen, opiumschuiven is geen kwaad, zoolang je het kan doen, je geld hebt, om dat vergift te koopen; maar wanneer je het niet kan doen, je geen geld hebt om het te koopen en je bent een verslaafd schuiver, dan ben je gevaarlijk, dan ben je verloren. De honger in je maag kan je tot een dief maken, maar de honger naar opium maakt je tot een moordenaar. Men zegt hier: "Eerst geniet je van het opium, maar op het laatst verslindt het opium je." En dit is heel, heel waar!

O God, o God! 't is ellendig om zooveel kwaad om je heen te zien en onmachtig te zijn iets daartegen te doen!

Het heerlijk mooi boek van Mevrouw Goekoop genoot ik in zijn geheel en wel drie keeren. Ik ben er niet moe van geworden —het boek wordt mij bij elke herlezing juist des te liever. Wat zou ik er voor willen geven om in Hilda's tijd meê te mogen en te kunnen leven. O! waren wij in Indië maar al zoo ver, dat een boek zulk een geweldigen storm kon veroorzaken, als Hilda van Suylenburg het deed en nog steeds doet in uw land! Ik zou dan niet rusten, voor H.v.S. in mijn taal verscheen om in de Inlandsche wereld goed en desnoods kwaad te doen. Onverschillig, goed of kwaad, als het maar indruk maakt, is 't goed, want het is een bewijs, dat men niet meer slaapt. Java is nog in diepen sluimer. En hoe wil ik toch, dat wij wakker zijn, als zij die ons tot voorbeeld moesten zijn, de rust, den slaap zelf nog liefhebben? Een feit is het, dat het meerendeel der Europeesche vrouwen (ik spreek hier niet van de Hollandsche vrouwen, die hier zijn) in Indië weinig of niets geeft om het werken en streven harer blanke zusters in het Vaderland. En de jongste gebeurtenis in de Hollandsche vrouwenwereld heeft dit feit bevestigd. Werd niet door de Ned.-Indische dames kranig (!!!) deelgenomen aan de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in Nederland? Wij ook hadden eene uitnoodiging gekregen om mede daaraan te werken, hetgeen we volgaarne aannamen. Het grootsche vrouwenwerk had mijn gansche sympathie, wij gloeiden voor de goede zaak, voor het edele streven der moedige vrouwen in uw land, en waren in-gelukkig, dat we een zaadkorreltje konden, mochten bijdragen tot het vormen van den reuzenberg, die den vrouwen, blank en ook bruin, zàl en moet ten zegen zijn.

Janr və etiketlər

Yaş həddi:
0+
Litresdə buraxılış tarixi:
11 oktyabr 2024
Həcm:
521 səh. 20 illustrasiyalar
ISBN:
4064066314385
Naşir:
Müəllif hüququ sahibi:
Bookwire
Yükləmə formatı:

Oxşar kitablar