Kitabı oxu: «Geschiedenis der Noordsche Compagnie»
Samuel Muller
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066400651
Inhoudsopgave
VOORREDE.
INLEIDING.
HOOFDSTUK I. DE NEDERLANDERS IN DE IJSZEE. (1565-1613.)
HOOFDSTUK II. DE NOORDSCHE COMPAGNIE.
HOOFDSTUK III. DE WALVISCHVANGST DER NOORDSCHE COMPAGNIE.
HOOFDSTUK IV. DE VESTIGINGEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.
HOOFDSTUK V. ONTDEKKINGSREIZEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.
HOOFDSTUK VI. ENGELSCHE MEDEDINGERS.
HOOFDSTUK VII. DEENSCHE PRETENSIËN.
HOOFDSTUK VIII. ONEENIGHEDEN MET FRANSCHEN EN ZUID-NEDERLANDERS.
HOOFDSTUK IX. BINNENLANDSCHE WEDIJVER.
BIJLAGEN.
BIJLAGE I. (.)
BIJLAGE II. (.)
BIJLAGE III. (.)
BIJLAGE IV. (p. 39 Noot 2 .)
BIJLAGE V. (.)
BIJLAGE VI. (.)
BIJLAGE VII. (.)
BIJLAGE VIII. (.)
BIJLAGE IX. (- .)
BIJLAGE X. (- .)
BIJLAGE XI. (- .)
BIJLAGE XII. (- .)
BIJLAGE XIII. (, .)
BIJLAGE XIV. (- .)
BIJLAGE XV. (- .)
BIJLAGE XVI. (- , - .)
BIJLAGE XVII. (, .)
BIJLAGE XVIII. (- .)
BIJLAGE XIX. (- .)
BIJLAGE XX. (- .)
BIJLAGE XXI. (.)
BIJLAGE XXII.
VERKORTINGEN.
VOORREDE.
Inhoudsopgave
Een enkel woord vooraf bij het in het licht zenden van dit boek ter rechtvaardiging van titel en inhoud, die niet geheel beantwoorden aan het geëischte in de door het Provinciaal Utrechtsch Genootschap uitgeschreven prijsvraag.
Mijne aandacht werd het eerst op deze zaak gevestigd door de vermelding der internationale geschillen over vaart en visscherij in de IJszee, een onderwerp mij van vroeger bekend. Het bleek mij echter aanstonds, dat de hoofdinhoud der vraag—de geschiedenis der Nederlandsche ontdekkingsreizen naar de noordpool—eene afzonderlijke, uitvoerige studie vorderde, en hoe meer ik mij daarin verdiepte, hoe meer ik de overtuiging erlangde, dat tusschen de reizen, door de Nederlanders herhaaldelijk naar Novaya Zemlya ondernomen om den noordelijken doortocht te zoeken, en de tochten, door hen in latere jaren ter walvischvangst naar Spitsbergen gedaan, nauwelijks eenig verband bestond. De vereeniging van beide onderwerpen in éen boek scheen mij onmogelijk. Eerst nadat ik kennis gekregen had van de tot dusver geheel onbekende latere Nederlandsche noordpoolreizen, gelukte het mij een aanknoopingspunt te vinden. Dien band tusschen de twee ongelijksoortige onderwerpen meende ik gevonden te hebben in de geschiedenis der Noordsche Compagnie.
En zoodra ik dezen weg om uit de moeielijkheid te geraken gevonden had, kreeg het onderwerp voor mij dadelijk groote aantrekkelijkheid. Er is niet veel studie noodig om zich te overtuigen, dat het eenige, dat tot nog toe van deze compagnie bekend was, bestaat in eenige weinige bladzijden, door Aitzema in zijn groot werk aan een of twee punten uit hare geschiedenis gewijd. Wat men overigens daarover vindt, is niets dan naschrijverij en omwerking van het weinige, dat Aitzema gaf. En toch bleek het mij weldra, dat men wel is waar terecht de geschiedenis der geoctrooieerde Oost- en West-Indische Compagniën met groote voorliefde behandeld had, maar dat toch de veronachtzaming van de lotgevallen der derde zuster, de Noordsche Compagnie, zeer te bejammeren was.
De vroege val van dit lichaam heeft de Nederlandsche geschiedschrijvers geheel doen vergeten, dat de Noordsche Compagnie gedurende haar bijna dertigjarig bestaan nagenoeg de eenige Nederlandsche handelsvereeniging was, die expedities uitzond ter verkenning van de noordsche streken,—dat zij het was, die de Nederlanders in staat stelde, daar met de Engelschen gelijken tred te houden en ze soms voorbij te streven,—dat zij niettegenstaande schijnbaar onoverkomelijke moeielijkheden lange jaren alleen onder alle Europeesche natiën op de kusten der IJszee gevestigd bleef,—dat de handhaving van de eer der Nederlandsche vlag in die wateren tegen verschillende machtige volken langen tijd alleen aan hare handen toevertrouwd was,—en eindelijk dat hare geschiedenis eene leerzame bijdrage zou kunnen leveren voor de kennis der te weinig bestudeerde handelspolitiek van de Nederlanders der zeventiende eeuw.
Ik zette mij dan ook dadelijk aan het werk, en was zoo gelukkig drie rijke bronnen voor de geschiedenis der Noordsche Compagnie te vinden, die in dit opzicht nog onbearbeid waren, en ons voor het verlies van het archief der vereeniging eenigszins schadeloos stellen. In de Resolutiën der Staten-Generaal ontdekte ik reeds dadelijk een lange lijst van besluiten, die op dit onderwerp betrekking hadden, en die, hoewel steeds zeer kort, een vaste leiddraad voor de geschiedenis der vereeniging leverden. Het bekende werk van Purchas bood verder een schat van nog onopgemerkte berichten over het begin van de walvischvangst der Nederlanders en hunne geschillen daarover met de Engelschen. Eindelijk trof ik op het Rijks-archief eene portefeuille met stukken aan, die door wijlen den rijks-archivaris Bakhuizen Van den Brink—meest uit de liassen der inkomende brieven aan de Staten-Generaal—waren bijeengebracht, en die onder den titel »Noordsche togten” eene wel is waar ongeordende, maar overigens voor mijn onderwerp geheel gereedgemaakte verzameling bleken te zijn. Dáarin vond ik de meeste eenigszins uitvoerige bouwstoffen voor mijn werk. Het viel mij gemakkelijk, het ontbrekende uit de liassen van brieven, uit Denemarken aan de Staten-Generaal gericht, uit de verhalen van enkele ambassaden en uit de Sententiën van het Hof van Holland nog eenigermate aan te vullen, en het resultaat van dit alles bied ik hierbij aan het publiek aan. Wil men zeggen, dat het weinig is, ik zal de eerste zijn om het te erkennen. Nu het archief der compagnie eenmaal verloren is, moeten er natuurlijk bijna op elke bladzijde van hare inwendige geschiedenis vraagteekens blijven staan, en met name moet al, wat naar statistiek zweemt, steeds wijde gapingen vertoonen. Nog veel hinderlijker is het gemis der archiefstukken bij het verhaal der ontdekkingsreizen. Ik heb in het daarover handelende hoofdstuk bijna niets anders kunnen doen, dan de bronnen te gebruiken, waarop reeds de aandacht gevestigd was door den heer De Jonge, wiens niet genoeg te waardeeren verdienste het is, dat hij bijna voor elk gedeelte der geschiedenis van onze handel en zeevaart nieuwe bronnen geopend heeft. De hoogste lof, dien ik hierbij kan oogsten, is dan ook, dat ik een goed gebruik gemaakt heb van wat hij gevonden heeft. Ongelukkig geven die bronnen hier echter bijna niets over de resultaten der ontdekkingsreizen, en voor aardrijkskunde en cosmographie is het verhaal dan ook zonder waarde. Maar de enkele namen, dagteekeningen en aanduidingen van bezochte kusten, die ik heb kunnen opsporen, geven op verrassende wijze een nieuwe getuigenis van de verbazende volharding en de uitgebreide kundigheden onzer voorvaderen. Mocht het mij gelukt zijn, die nieuwe aanspraak van het voorgeslacht op onze bewondering in het licht te stellen!
Nog een enkel woord. Men zal in dit werk niet gesproken vinden van de in de prijsvraag vermelde geschillen met Zweden. Ik heb daarvan niet het minste spoor kunnen ontdekken. In het door mij behandelde tijdvak hebben ze zonder eenigen twijfel niet plaats gehad, en ook al was mij van latere diplomatieke geschillen met Zweden iets gebleken, ik zou gemeend hebben de eenheid van mijn werk niet te mogen verbreken ter wille dier in ieder geval onbeduidende twisten.—Anders is het gesteld met het eerste hoofdstuk van dit boek. Het valt in het oog, dat het hier niet thuis behoort. Ware ik vrij geweest in de behandeling van mijn onderwerp, ik had dit hoofdstuk met de nu onvermijdelijke inleiding dan ook laten vervallen en alleen in een kort woord vooraf de Nederlandsche ontdekkingsreizen in het noorden vóor 1614 besproken, met bizondere vermelding der plannen van Thorne, Plancius en Barendsz. en der reizen van Jan Cornelisz. Ryp en Henry Hudson, die samen de eer van Spitsbergens ontdekking moeten deelen. Ik voelde echter geene vrijheid datgene weg te laten, wat blijkbaar voor den steller der prijsvraag de hoofdzaak was geweest.
Zooveel ter rechtvaardiging van mijn plan en de groote uitbreiding, die dit boek daardoor erlangde. Er blijft mij over, met een enkel woord mijn hartelijken dank te betuigen aan allen, die mij bij de bewerking daarvan behulpzaam zijn geweest. Ik noem hier gaarne in het bizonder den heer rijks-archivaris Van den Bergh, wiens welwillendheid voor allen, die van de aan zijne zorg toevertrouwde schatten gebruik willen maken, trouwens algemeen bekend is,—den heer bibliothecaris Campbell, die mij zelfs met opoffering van zijn vrijen tijd in de gelegenheid heeft willen stellen de uitvoerige excerpten uit Purchas’ zeldzaam werk, die ik behoefde, te vervaardigen,—den heer Leupe, die niet moede werd mij voor mijn werk nieuwe bouwstoffen aan te wijzen, waarvan hij bij zijne langdurige studiën over de Nederlandsche reizen der zeventiende eeuw kennis had gekregen,—en eindelijk den heer Baudet te Utrecht, die met meer dan gewone hulpvaardigheid mij wel heeft willen behulpzaam zijn bij het teekenen der hierbij gevoegde kaart.
INLEIDING.
Inhoudsopgave
»Men kan zich niets treurigers denken dan het voorkomen van Spitsbergens kusten, wanneer de heuvelen, bedekt met versch gevallen sneeuw, in nevel en mist gehuld zijn, maar men zal ook niet licht een schitterender en vrolijker tafereel aanschouwen, wanneer op een schoonen dag de wolkenlooze hemel prijkt in zijn onovertroffen donkerblauwen tint, terwijl de zon hare stralen uitschiet, getemperd door die eigenaardig zachte en toch heldere atmospheer, die een besneeuwd landschap altijd omgeeft. Op zulk eenen dag is de wind bij het land nauwelijks merkbaar, dikwijls is het zelfs volkomen stil, maar de stranden zijn vol beweging en leven. De geheele natuur schijnt dankbaar te zijn voor den heerlijken zonneschijn, al wat leeft verheugt zich en is vrolijk.
»Zulk een dag was de 4e Juni (1818). Wij allen waren verrast door de verandering van de sombere atmospheer der opene zee in den vrolijken glans, die de heuvelen en de kalme oppervlakte van de Magdalena-baai bestraalde. Niemand voelde de koude, en toch waren wij omringd door sneeuw en ijs, toch stond de thermometer slechts even boven het vriespunt. Verschillende soorten van amphibiën, duizenden vogels, die hier bijeen waren, schenen zooveel zij konden van de kortstondige warmte te genieten, die hun de zonneschijn bood. Reeds vroeg in den morgen weergalmde het strand onophoudelijk van de vrolijke kreten der watervogels; overal vermengde zich het afgebroken geblaf van den zeehond met het speelsche gebrul van troepen walrussen, die zich in de zonnestralen koesterden.
»Zeker, er was geen harmonie in deze vreemde mengeling van geluiden; maar toch hoorden wij ze met genoegen omdat wij wisten dat dit alles eene uiting was van geluk. Het was een genoegen van denzelfden aard als dat van iederen reiziger, die op een helderen avond in een tropisch klimaat luistert naar het vrolijk gegons van duizenden gevleugelde insecten, zoodra de zon is ondergegaan. Zoo verschillend heeft de groote Schepper der natuur zijne giften verdeeld! In de verschroeiende hitte onder de keerkringen wekt het dalen der zon duizenden kleine wezens tot vrolijkheid en beweging op, waartoe zij onder de stekende stralen der middagzon de kracht niet hadden. Hier integendeel is de zonsondergang het teeken tot algemeene rust.
»Zoodra die tijd van den dag in de Magdalena-baai was aangebroken, ontstond er dan ook eene stilte, die aan het verhevene grensde, eene stilte, slechts afgebroken door het barsten van een ijsberg of het vallen van stukken rots, die van de bergen afrolden. En zelfs deze geluiden, die over de kalme oppervlakte der baai weergalmden, braken het algemeene zwijgen niet af: als zij weldra in de verte verstierven, was de stilte die ze achterlieten nog dieper dan te voren.
»Over dag ging de aanwezigheid onzer schepen niet onopgemerkt voorbij. De vogelen ontweken ons in hun vlucht. Elk geraas, dat toevallig gemaakt werd, was daar vreemd: de zeevogels, die tusschen de rotsen vischten, trokken zich verder terug, geheele troepen van dieren, die anders grootendeels in diepen slaap zouden verzonken geweest zijn, bleven wakker en op hunne hoede. Telkens wanneer er iets op het dek viel, lichtten zij hunne koppen op en wierpen onderzoekende blikken over de baai, als om te vernemen waardoor zulk een ongewone stoornis werd veroorzaakt. Deze zwakke geluiden, die op bewoonde plaatsen zeker onopgemerkt zouden gebleven zijn, bewezen meer dan iets anders hoezeer de mensch hier een vreemdeling is. Ik moet bekennen, dat deze bewustheid iets streelends had door de overtuiging, dat wij ons op eene plek bevonden, slechts zelden vóor ons door menschen bezocht.”[1]
[1] Beechey, Voyage of Discovery towards the North Pole, gecit. in: White, Spitzbergen and Greenland. p. VIII-X.
Zóo moet Spitsbergen zich vertoond hebben aan hen, die op het einde der zestiende eeuw het vroeger geheel onbekende land bezochten; zóo beschrijft nog in onze eeuw een Engelschman den indruk, dien de verlatene stranden van dit barre gewest op hem maakten. En geen wonder, zoo Spitsbergen eeuwen achtereen eenzaam was! De natuur schijnt dit land, verscholen in den uitersten hoek der aarde, door een dam van ijs aan den blik der menschen te hebben willen onttrekken. Reeds de groote bezwaren, verbonden aan het bezoeken van streken, waar schijnbaar niets is wat den mensch kan aanlokken, leiden tot de gevolgtrekking, dat Spitsbergen voor altoos even eenzaam blijven zou als de ontdekkers het vonden.
Toch is dit niet het geval geweest. In de eeuwen, die tusschen de ontdekking en het hierboven beschreven bezoek verliepen, is het land niet alleen herhaaldelijk bezeild, maar zijn de steeds met sneeuw en ijs bedekte kusten het tooneel geweest van het drukke gewoel eener handelsnederzetting, de bron waaruit een jeugdig volk een winst van millioenen te voorschijn bracht, een voorwerp om welks bezit zelfs de machtigste volken der zeventiende eeuw lang en hardnekkig gestreden hebben. »Indien men deeze tyden hadde mogen beleeven, of noch beleeven mogt,” roept een Hollandsch schrijver uit, »wat zou men zich met lust en yver aan de Visschery konnen overgeeven! Want gelyk meest alles door schaade of voordeel, welgevallig of ongevallig, licht of zwaar werd gemaakt, zoo is dan by gevolg, dit voor veelen een behaaglyke Visschery geweest, geevende niet alleen groot voordeel aan de Reeders, maar teffens voor de Commandeurs, Harponiers en meer andere Belanghebbers, die door veel te vangen, zoo veel te meer partgeldt verdienden. Alle de Kookeryen en Pakhuizen maakten gelykzaam een buurt of klein Dorp uit, ’t welk dieshalven niet oneigentlyk naar de nering, het Dorp Smeerenburg wierd genoemt. Nademaal de Schepen dubbelt volk voerden, zoo was ’t daar dagelyks ’t zy in de Schepen, in de Sloepen of op ’t Landt niet weinig drok; derhalven quamen ’er ook met deeze Schepen, gelyk in de Leegers, eenige Zoetelaars over, die in hun eigen behuizing, of in de Pakhuizen hunne Waaren, als Brandewyn, Tabak, en meer diergelyke dingen verkochten; insgelyks quamen er ook Bakkers om Broodt te bakken, wordende des morgens wanneer de warme bollen en ’t wittebroodt uit den oven quam, op den Hoorn geblaazen; zulks dat aan dit Smeerenburg, omtrent den zelvigen tydt met Batavia gesticht, in dien tydt lustig wat te doen viel, schoon echter niet in vergelyking met deeze Javaansche Hoofdstadt; niet te min was ’er mede al vry veel gewoel, en naar de gelegentheit van ’tLandt taamelyk wat te bekomen, mogelyk ook de Wyn en Brandewyn reedelyk goed koop.”[2]
[2] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215, 227, 228.
Zulk eene drukte, zulk een gewoel vertoonde zich aan den bezoeker van Spitsbergen lang voordat een halve eeuw na de ontdekking verloopen was; nog een halve eeuw later en de kusten waren sedert lang weder tot hare vorige eenzaamheid teruggekeerd! Slechts een enkele verdwaalde walvischvaarder, een zeldzame wetenschappelijke reiziger storen nu en dan met groote tusschenpoozen den ijsbeer en den zeehond in hunne worstelingen op leven en dood. Zelfs de reusachtige bewoner der zee, de walvisch, heeft voor goed Spitsbergens stranden verlaten.
Kan men zich wonderlijker geschiedenis van een land denken? Sinds de vroegste tijden onbewoond, plotseling gedurende een halve eeuw druk bezocht, zoo druk dat de wedijverende natiën elkander van de kust trachten te verdringen, en daarna even plotseling en voor goed in de eenzaamheid teruggevallen! Zeker, de lotbedeeling van alle staten is rijk aan verrassende wendingen, welk land heeft echter zulk eene korte en tevens zulk eene belangwekkende geschiedenis?
Het is mijn voornemen deze geschiedenis van Spitsbergen in de volgende bladen te verhalen; de ontvouwing der redenen, die tot het bevolken en het verlaten van dit land geleid hebben, zal mij tevens gelegenheid geven een belangrijk en nog onbeschreven hoofdstuk van onze eigene handelsgeschiedenis te schetsen. Voordat ik echter daartoe overga, is het noodig een overzicht te geven van de vroegste tochten in de IJszee, die middellijk tot de ontdekking van Spitsbergen geleid hebben.
Reeds vroeg in de middeleeuwen, kort na den dood van Karel den Groote, was er eene natie, die bijna de geheele uitgestrektheid der noordelijke IJszee, voor zooverre zij het tooneel was van de ontdekkingsreizen der zestiende en zeventiende eeuw, had bevaren. Deze natie, de Noormannen, had niet slechts hoog in het noorden hare koloniën steeds meer vooruitgeschoven totdat zelfs Groenlands westkust op een trap van beschaving stond, die in die streken sedert niet weder bereikt is, maar zij bezat zelfs vrij nauwkeurige kennis van het groote vasteland aan den overkant des aardbols, dat eerst vele eeuwen later aan het overige Europa bekend zou worden. Door de uitvoerige verhalen, die hunne kroniekschrijvers daarvan hebben nagelaten, kunnen wij ons eene vrij duidelijke voorstelling van de bedoelde ontdekkingstochten maken.
Had nog vóor 890 de Noorman Octher de Noordkaap omzeild en, verre voorbij de plek waar later Kola stond gestevend, zijne reis misschien tot zelfs aan de Witte Zee uitgestrekt, reeds vroeger was IJsland door zijnen landgenoot Naddodr ontdekt (860) en spoedig daarop door Ingolfr gekoloniseerd (874). Het kon niet lang duren of de zeevarende bewoners van IJsland, dat als het ware de brug vormt van Europa naar Amerika, werden bekend met het bestaan van Groenland. En werkelijk was dit zoo. Wel had de eerste ontdekking van dit groote vasteland door den IJslander Gumbiörn (880) naar het schijnt geen gevolg, maar toen een ander, Erikr Rauthi genaamd, in 982 en 983 de kusten nader onderzocht had, was spoedig bij hem het besluit gerijpt eene volkplanting van IJsland daarheen te voeren, een besluit reeds in 985 en 986 ten uitvoer gelegd. De vestiging leidde weldra tot eene kolonisatie op uitgebreide schaal. In twee gedeelten, den Ooster- en Westerbygd, gescheiden door de onbewoonbare wildernis Ubygd, bevolkten de IJslanders de zuidwestkust van Groenland.[3] De nederzetting, vooral de meest zuidelijk gelegen Oosterbygd, bloeide aanvankelijk zéer. Vele dorpen, waarbij na de bekeering der bewoners tot het Christendom (door Leifr Erikson omstreeks 990) verscheidene kerken verrezen, ontstonden langzamerhand. In jacht en visscherij en door talrijke kudden vond men overvloedige middelen van bestaan. Het verkeer met Noorwegen was levendig, de handel niet onbelangrijk; het schijnt zelfs dat de Groenlandsche kolonie schatting aan het moederland betaalde. En geen wonder! de volkplanting wist zich zelve te helpen en scheen door hare ondernemingszucht te toonen, dat zij levenskracht bezat. Immers niet alleen strekten zich de tochten der jeugdige Groenlandsche nederzetting ter walvischvangst hoog in het noorden door straat Davis tot in de Baffinsbaai uit, zóo zelfs dat zij in 1266 het eiland Disco bereikten, maar ook het verkeer met het Amerikaansche vasteland was levendig. Reeds spoedig na de aankomst in Groenland had Bjarni Herjulfrson toevallig de streek lands bij het tegenwoordige Boston ontdekt (986) en sinds het jaar 1000 was de verdere ontdekking van dit heerlijke gewest, dat men Vinland noemde, gevolgd: overwinteringen in het zachte klimaat waren niet zeldzaam geweest. Hoewel kolonisatie en zelfs handel door de vijandige houding der inboorlingen onmogelijk bleek, ondernamen de stoutmoedige Groenlanders eeuwenlang gedurig tochten naar het nieuwe land. Voornamelijk om de rijke ladingen hout, die zij daar vonden, was het te doen: hout was een artikel in het eigen land niet te vinden en toch bepaald onmisbaar.
[3] Volgens de vroeger algemeen heerschende meening was het Groenlands oostkust, die door IJslanders bevolkt werd. Het is hier de plaats niet, deze meening te wederleggen, die voornamelijk schijnt te steunen op den verkeerd begrepen naam Oosterbygd. Door de resultaten van Graahs expeditie naar Groenlands oostkust en het vinden der ruines van de Noorweegsche huizen op Groenlands westkust schijnt mij de zaak echter nu uitgemaakt.
En toch, niettegenstaande al de ontwikkelde energie ging de kolonie eindelijk te niet. Op den duur schijnt het klimaat, de grond van Groenland te bar geweest te zijn, dan dat de bewoners onafhankelijk van alle hulp uit Europa konden bestaan. Aanvankelijk was dan ook het verkeer vrij geregeld geweest: na den dood van den bisschop van Groenland was altijd dadelijk weder een opvolger derwaarts gezonden; ook tot het drijven van handel landden niet zelden schepen, die de Groenlanders van noodzakelijke levensbehoeften voorzagen. Toen echter in de eerste jaren der vijftiende eeuw de beroemde Margaretha van Denemarken in een oogenblik van ontevredenheid plotseling alle verkeer met de verafgelegene kolonie verbood, hielden natuurlijk alle berichten uit Groenland op. Langzamerhand vergat men in Europa de eens zoo bloeiende volkplanting, en toen jaren later de koningen van Denemarken hunne fout inziende expedities uitzonden om het verkeer te hernieuwen, was het te laat. De Noorsche nederzetting in Groenland was verdwenen en alle reizigers kwamen onverrichter zake terug.[4] Vele eeuwen duurde het eer men weder eenige geringe sporen vond, dat Groenlands westkust eertijds door eene beschaafde bevolking bewoond geweest was. Hoewel ons dus natuurlijk over den ondergang der kolonie alle berichten ontbreken, is het niet moeielijk te gissen, hoe eene nederzetting, die eeuwen bestaan had, zoo plotseling verdwenen is.
[4] Tot die expedities behooren o. a. die van Jan van Kolno (verkeerdelijk ook Szkolno en Anskoeld genoemd) in 1476 (Richardson, Polar regions. p. 33.—Asher, Hudson the Navigator, p. XCVIII),—van Walkendorp in 1521 en van Paulus Stygotus, Deensch landvoogd op IJsland, in 1564 (Berghaus, Wat men van de aarde weet. I p. 121.—Nicolai, Relation. Vorredt. p. 7),—van Henningson in 1578 (Barrow, Abrégé chronol. V p. 18),—van Olivier Brunel in de laatste jaren der zestiende eeuw (Megiser, Septentrio Novantiquus. p. 174),—van Lindenau en Hall in 1605 en 1606, van Richardson en Hall in 1607 (Barrow, Abrégé chronol. V p. 24-29.—Barrow, Voyages into the arctic regions. p. 169, 73)—en van Jens Munck in 1619, 20. (Richardson, Polar regions. p. 107, 8.—Barrow, Abr. chronol. V p. 55-69.)
Men weet, dat de pest, die onder den naam van de zwarte dood in de veertiende eeuw geheel Europa doorgetrokken was, ook de kleine bevolking van Groenland geweldig geteisterd had; men weet, dat een inval uit het zuiden, waarschijnlijk van Amerikaansche inboorlingen, de gedunde bevolking nog had doen verminderen; men weet eindelijk, dat de kustbewoners langen tijd veel te lijden hadden gehad van binnenlandsche vijanden. Het waren de reeds door de herhaalde tochten der Noormannen naar hun land verbitterde Amerikanen, die, toen in de veertiende eeuw eene volksverhuizing der tegenwoordige bewoners van Amerika, de roodkleurige Indianen, hen steeds meer naar het oosten drong, besloten hadden de gelegenheid aan te grijpen om zich op hunne oude vijanden te wreken. Zij waren straat Davis overgestoken en hadden zich weldra op Groenlands westkust gevestigd. Deze wilde horden, de tegenwoordige Eskimo’s, hadden sedert dien tijd jarenlang een bitteren krijg met de Europeesche bewoners gevoerd. In 1379 waren zij eindelijk aanvallend tegen de kleinste der beide volkplantingen, den Westerbygd, opgetreden. De hulp, den bedreigden kolonisten door hunne stamgenooten uit den Oosterbygd ijlings toegezonden, was te laat gekomen[5]: de troepen hadden slechts rookende puinhoopen gevonden en geen levend wezen was er sinds dien tijd in den eens zoo bloeienden Westerbygd gezien. Het kan bijna niet twijfelachtig zijn, of de bevolking van den Oosterbygd, door Denemarken aan zich zelve overgelaten, door herhaalde rampen gedund, onderging een gelijk lot. Eskimosche overleveringen wijzen nog de plaats aan, waar de laatste Noorman strijdende voor zijn land bezweek.[6]
[5] Aan het hoofd dezer expeditie stond Ivar Bere of Bardseu, die onder den naam van Iver Booty eene zekere vermaardheid heeft verkregen in de geschiedenis der ontdekkingsreizen door de vertaling, die Barendsz van zijne aanteekeningen over den weg naar Groenland maakte.
[6] Het verhaal dezer Noorsche tochten is voornamelijk ontleend aan: Richardson, The polar regions. p. 20-30.—Vgl. daarover en over de Noorsche ruines in Groenland ook: Hayes, The land of desolation. p. 45-72.—Berghaus, Wat men van de aarde weet. I p. 118-20.—Asher, Hudson the Navigator. p. LIX vlg. CLXIII.—Reeds in de vorige eeuw had men daarvan vrij nauwkeurige kennis. Zie het verhaal bij: Barrow, Abr. chronol. V p. 1-18. Ook: Mauricius, Naleesingen tot Weederlegging van ’t regt gepraetendeert by Noorwegen op de Noordelijke Landen. (R.-A.), die echter de geloofwaardigheid dezer verhalen zeer betwijfelt.—Alle berichten zijn oorspronkelijk ontleend aan IJslandsche kronieken, grootendeels uitgegeven in Rafn’s Antiquitates Americanae.
De geschiedenis dezer ontdekkingen—wanneer men ze zoo noemen mag, nu er nieuwe ontdekkingen op geographisch en historisch gebied noodig zijn geweest om zoowel het ontdekte land als de geschiedenis der ontdekkers zelven aan de beschaafde wereld bekend te maken,—ze is voor ons op het oogenblik van weinig belang. Zoo ik er desniettemin een paar bladzijden aan wijdde, dan is het omdat in een overzicht der vroegste reizen in de noordelijke IJszee de vermelding er van niet ontbreken mag, en vooral omdat het waarschijnlijk mag heeten, dat de beide ontdekkers van Amerika, Columbus en Cabot, bij hunne bezoeken aan IJsland juist door de verhalen over de Noorsche tochten het plan hebben opgevat tot hunne latere reizen. Zóo knoopt een dunne draad de Noorsche ontdekkingen aan die van het overige Europa vast.
Want niet lang nadat de Groenlandsche koloniën zoo ellendig waren te niet gegaan, verspreidde zich over geheel Europa de lust tot ontdekkingen, die eens de Scandinaviërs tot hunne avontuurlijke tochten had aangespoord. Aangevuurd door de schitterende uitkomsten der Portugeesche reizen, vooral door de wonderen, die van de door Columbus betreden landstreken verhaald werden, wenschten alle natiën in het aangewezen spoor te volgen. De Italianen, de ijverigsten van allen, die in hun eigen verbrokkeld land de middelen niet vonden om hun dorst naar avonturen te lesschen, verspreidden zich over de geheele wereld en velen boden aan vreemde vorsten hunne nuttige diensten aan. Zulk een man was Columbus zelf, zulk een man was ook Giovanni Cabot.
Elke geschiedenis van de ontdekkingsreizen naar het noorden behoort te beginnen met eene eervolle vermelding der namen van dezen genialen reiziger en zijnen uitnemenden zoon Sebastiaan. De Cabots zijn minder bekend dan Columbus, maar zij hebben bijna evenveel aanspraak op den dank van het nageslacht. Al volgden zij ook slechts op de baan die Columbus geopend had, toch zijn zij de eigenlijke ontdekkers van Amerika[7] en hunne meer veelzijdige werkzaamheid heeft hunnen naam ook op het gebied der noordpoolreizen met onverwelkbare lauweren omkransd[8]. Giovanni Cabot, een Venetiaan die zich te Bristol gevestigd had, verkreeg 5 Maart 1496 van Hendrik VII van Engeland eene akte om met zijne drie zonen ter ontdekking van onbekende streken te mogen uitvaren. De reis, die daarop door hem ondernomen werd, leverde de belangrijkste resultaten: den 24 Juni 1497 zette Cabot bij Newfoundland het eerst den voet op Amerikaanschen grond en zeilde van daar eenige weken zuidwaarts langs eene geheel onbekende kust. De koning was door de mededeeling hiervan zoo verrast, dat hij dadelijk een nieuw patent aan den reiziger verleende (13 Februari 1498). Weldra rustten de Cabots zich dan ook tot eene tweede ontdekkingsreis uit. Ditmaal was het Giovanni Cabots tweede zoon Sebastiaan, die den tocht ondernam. Zijn doel was echter niet het verder onderzoeken van het nieuwgevonden land: Amerika werd steeds door hem beschouwd als een hinderpaal voor het vinden van zijn ideaal, een korten weg naar Oost-Indië. Ook het resultaat van deze reis was allergewichtigst. Het moet ieder met bewondering voor Cabot vervullen, dat hij, de eerste die het plan om eene noordwestelijke doorvaart naar Oost-Indië te zoeken opwierp, de eerste die daarnaar zocht, reeds dadelijk de twee wegen vond, die ook nu nog als de eenige beschouwd worden, die kans op welslagen in het noordwesten bieden: de beide zeeëngten, die haren naam, met voorbijgaan van haren ontdekker, van de veel latere reizigers Davis en Hudson hebben ontvangen[9].
[7] Cabot bereikte het vaste land van Amerika in 1497, dus een jaar vóor Columbus. Bovendien schijnt Cabot de eerste geweest te zijn, die bemerkte, dat de gevondene landstreken niet een deel van Azië waren, maar een nieuw, tot dusverre geheel onbekend werelddeel. (cf. Asher, Hudson the Navigator. p. LXXI.)
[8] Zie over de Cabots: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 89, 90.—Rundall, Voyages tow. the North-west, p. 4-6.—Richardson, Polar regions. p. 36 vlg.,—en vooral: Asher, Hudson the Navigator, p. LXVI-LXXV, CII, CXX-CXXIII.—Het hoofdwerk over de Cabots is: Biddle, Memoir of Sebastian Cabot.
[9] Waarschijnlijk werd straat Davis door Cabot eerst op zijne reis van 1517 ontdekt. De berichten omtrent de beide reizen zijn echter zeer verward. (cf. Asher, Hudson the Navigator, p. LXXIII, CXX.)
Het voorbeeld door Cabot gegeven vond weldra navolging. In eenen tijd, toen de lust tot ontdekkingen nagenoeg geheel Europa bezielde, was het niet meer dan natuurlijk, dat ook bijna alle handeldrijvende natiën Cabot op zijnen weg volgden. Het zoeken van eenen doortocht naar Oost-Indië midden door Amerika werd het doel van verscheidene ondernemingen. Van de meesten zijn slechts zeer onvolledige berichten tot ons gekomen, slechts de meer bekende vermeld ik hier. De Portugeezen waren ook hier wederom de eersten. Reeds in 1501 deed een edelman van die natie, Gaspar de Cortereal, een reis naar Amerika’s noordkust. Misschien onder het zoeken naar Hudsons-straat, misschien ook terwijl hij trachtte een anderen weg dan den door Cabot aangewezene te vinden, verviel hij in eene zeer natuurlijke en later algemeene vergissing. De wijde mond van de St. Laurens-rivier, die in de golf van dien naam eindigt, werd voor eene zeeëngte gehouden. De berichten, die men al spoedig van de inboorlingen verkreeg over de groote zee, waarnaar die stroom leidde (de vijf groote Amerikaansche meren) konden niet anders dan dit vermoeden bevestigen. Cortereal was de eerste die dezen weg onderzocht. Zijne ontdekkingen bepaalden zich dan ook tot de golf en de riviermonding van St. Laurens en tot de omliggende kusten. Een tweede tocht leidde tot geen verder resultaat en de moedige reiziger zelf vond daarbij den dood.
Ook de Franschen deden spoedig pogingen om hun aandeel in den roem hunner tijdgenooten te bemachtigen. Maar eerst na twintig jaren vruchteloos gezocht te hebben, vonden zij krachtige hulp in den Venetiaan Giovanni di Verazzano, die zijne diensten aan Frans I aanbood. De koning nam ze gretig aan en gaf hem het bevel over een schip, waarmede de reiziger in 1524 den oceaan overstak. Verazzano handelde onder de bepaalde overtuiging, dat er een westelijke doortocht naar Oost-Indië moest zijn, naar het schijnt echter zonder bepaald plan waar die was. Om zeker te zijn, dat de gewenschte zeeëngte hem niet ontsnappen zou, stuurde hij zuidwestelijk en ontdekte de Amerikaansche kust op 34° NB. Van daar noordwaarts langs het strand stevenende onderzocht hij de baaien, die hij ontmoette (voornamelijk den mond der Hudsons-rivier en de Narraganset-baai) en zette zijne tochten voort tot de noordpunt van Newfoundland. Omtrent de St. Laurensbaai schijnt hij beter ingelicht te zijn geweest dan zijne voorgangers; maar daardoor moest hij nu ook, toen de levensmiddelen begonnen te ontbreken, naar huis keeren zonder zelfs hoop op een bepaalden doortocht te kunnen geven. De bekende reizen van den Franschman Jaques Cartier in 1534 en 1535 slaagden nog minder goed: evenals Cortereal bepaalde hij zich tot onderzoekingen op de St. Laurensrivier, waar hij meende den noordwestelijken doortocht te zullen vinden. De volkplantingen door Cartier later (1540) naar de dus bekend geworden streken gevoerd hebben zijnen naam echter een eervolle plaats in de geschiedenis verzekerd.
De Spanjaarden, bezitters van een gedeelte der Amerikaansche streken, waardoor men verwachtte dat de doortocht zou loopen, waren niet het minst ijverig in het zoeken daarnaar. Sinds 1500 deden zij onophoudelijk tochten langs de kust, voornamelijk in Middel-Amerika. De beroemde Fernando Cortez maakte zelfs een plan om de geheele Noord-Amerikaansche kust, zoowel de oost- als de westzijde te doen onderzoeken door eene daartoe met opzet uitgeruste expeditie, die van het zuiden beginnende niet rusten zou voordat zij verder noordwaarts den doortocht gevonden had. De verdienstelijkste tocht der Spanjaarden was echter die onder den Portugees Estevan Gomez. Deze uitstekende zeeman, die naar het schijnt in zijnen tijd voor eene autoriteit op het gebied der cosmographie gehouden werd, verkende slechts weinige maanden na Verazzano (1525) op last van Karel V dezelfde kusten, die de Venetiaan had bevaren, maar in omgekeerde richting. Waar hij zijne reis begon is niet zeker, maar het staat vast, dat hij de Amerikaansche kust ten noorden van 41° NB. tot aan de West-Indische eilanden nauwkeurig opnam en de meest volledige berichten over land en volk medebracht. De kaart, die hij van de door hem geziene kust opmaakte, staat verre boven de gelijktijdige van Verazzano. De interessante reis van Gomez, die trouwens niet nader tot het voorgestelde doel leidde, was de laatste tocht van belang, die voorloopig ondernomen werd. De Engelschen begonnen zich omstreeks dezen tijd mede in het strijdperk te vertoonen, maar hunne eerste pogingen waren zwak en zonder eenig belangrijk resultaat.
Twee redenen schijnen omstreeks 1530 samengewerkt te hebben om de pogingen om westwaarts naar Oost-Indië te zeilen te doen opgeven. De hoofdreden zal natuurlijk wel geweest zijn de slechte uitslag van zoovele ondernemingen, die bijna jaar op jaar gedurende meer dan het vierde eener eeuw waren beproefd. Alle reizen, die in deze eerste periode volbracht waren, hadden wel is waar geleid tot eene betrekkelijk nauwkeurige kennis van Amerika’s oostkust, maar tot het voorgestelde doel, het vinden van eenen korten weg naar Oost-Indië, was men geen stap genaderd. Voor een lateren tijd bleef het bewaard het spoor door Cabot aangewezen te volgen en in het verre noordwesten naar een doortocht te zoeken[10]; voorloopig werd de tot dusverre betreden weg algemeen verlaten, en terwijl de Spanjaarden op het voetspoor van Cortez in verschillende expedities Amerika’s westkust onderzochten zonder de doorvaart te vinden, gaven de andere natiën hunne pogingen geheel op. Maar een tweede reden bracht daartoe niet weinig bij. De expedities om het rijke Oost-Indië en het mythische Cathay, het land waarvan men zoovele wonderen verhaalde, te vinden hadden de Europeanen meer en meer opmerkzaam gemaakt op de schatten, die het nieuwontdekte westelijke vasteland zelf in niet minderen overvloed aanbood. Langzamerhand begon dan ook de lust om die zoo gemakkelijk te bereiken voordeelen te bemachtigen, de overhand te krijgen op de begeerte om de Indische rijkdommen, waarvan de oudheid gewaagd had, te winnen. En de reizen naar Amerika’s kusten met dat doel gemaakt, hadden natuurlijk niet meer den omvang, waardoor de vroegere zulke uitgebreide resultaten op het gebied der aardrijkskunde hadden opgeleverd. Want voortaan waren het bepaalde punten van het nieuwe vasteland zelf, waarheen men zijne tochten richtte, en alleen het voortdurend toenemende verkeer was oorzaak, dat ook deze reizen na lange jaren aanmerkelijk bijdroegen tot de geographische kennis van Amerika’s kusten. De landstreek, waarop ik hierbij voornamelijk het oog heb, is Newfoundland. Het was reeds den eersten reizigers niet ontgaan, dat de bijzonder groote overvloed van kabeljauw, die zich op de kusten van dat land bevond, een bron van voordeel zou kunnen zijn, die niet verwaarloosd diende te worden, en toen eenmaal de weg daarheen gewezen was, verschenen hoe langer hoe meer Portugeesche, Spaansche en vooral Fransche schepen in die rijke wateren. De Franschen, wier Baskische broeders reeds van ouds als onverschrokkene visschers bekend stonden, verdrongen eindelijk hunne mededingers geheel van dat gebied, maar niet voordat de Portugeezen de geheele kust tot zelfs in Hudsons-baai bezeild en vrij nauwkeurig opgenomen hadden. (vóor 1570.)[11]
[10] In deze eerste periode had men over het algemeen het voetspoor gevolgd van Columbus, die eenvoudig westwaarts naar Oost-Indië had willen zeilen. Toen men het bestaan van Amerika ontdekt had, zocht men ergens midden door dat werelddeel een doortocht, die zeker de eenvoudigste weg naar Oost-Indië zou geweest zijn. Nadat deze pogingen vruchteloos gebleken waren, beproefde men natuurlijk den kortsten weg, den noordoostelijken doortocht. Eerst toen ook hier zich groote moeielijkheden opdeden, wendde men zich naar het noordwesten en in deze glansrijke tweede periode van het zoeken naar de westelijke doorvaart, nagenoeg uitsluitend door Engelschen beproefd, onderscheidden zich vooral mannen als Frobisher, Davis, Weymouth, Bileth en Baffin. Over deze reizen vindt men uitvoerige berichten in: Purchas his Pilgrimes. III.
[11] In dit overzicht der ontdekkingsreizen op de Amerikaansche kust volg ik bijna uitsluitend de uitnemende inleiding voor: Asher, Hudson the Navigator. p. LXV-CI.
Lang voor dien tijd was echter het zoeken van een noordelijken doortocht naar Oost-Indië, of zooals men toen algemeen zeide naar China en Cathay, reeds weder hervat en wel volgens een geheel nieuw plan.
De pauselijke bul, waarbij aan de Portugeezen de nieuw ontdekte landen op de oostelijke helft van den aardbol, aan de Spanjaarden die op de westelijke helft werden geschonken (1493), had dezen in hun eigen oog gerechtigd alle andere natiën van de vaart op de hun toebehoorende landen, bekend of onbekend, uit te sluiten. Er waren maatregelen genomen om de demarcatielijn juist te trekken (congres van Badajoz 1524)[12], en men was eindelijk tot eene vreedzame oplossing gekomen. Het laat zich begrijpen, dat dit alles door de overige Europeesche natiën met leede oogen werd aangezien. Mocht ook voor niet-katholieke natiën het pauselijk woord geen gewicht in de schaal leggen, de beide begunstigde mogendheden hechtten daaraan des te meer, en daar zij in de zeeën, die den toegang naar het zoo begeerde Oost-Indië openden, oppermachtig waren, deed hun wil om anderen uit te sluiten hier alles af. Maar deze toestand was op den duur niet te dulden: voor de uitgeslotenen was het alles waard het verre land te bereiken en de wrevel tegen de overweldigers was algemeen. Eene handeldrijvende natie als de Engelsche, bovendien steeds in oppositie tegen Spanje, moest wel het eerst ongeduldig worden over den opgelegden dwang. Het was dus waarschijnlijk, dat Engeland eene nieuwe poging zou doen om Oost-Indië te bereiken, zoodra zich een kans opdeed om dien stap te doen met eenige hoop op goeden uitslag.
[12] Zie daarover: Hakluyt, Divers voyages. p. 47 Noot 2.
En die kans deed zich op. In 1548 was Sebastiaan Cabot, die sinds zijne vorige tochten met een korte tusschenpoos[13] in Spaanschen dienst was geweest, in Engeland teruggekomen. Een reis naar het noordwesten in 1517 ondernomen had hem de overtuiging geschonken, dat zoo al een doortocht naar Oost-Indië in die richting te vinden was, de moeielijkheden daaraan verbonden toch in ieder geval te groot waren dan dat die weg voor den geregelden handel met Oost-Indië van eenig nut zou kunnen zijn. Zijn aandacht viel nu op de eenige zee, die nog kans op eenen nieuwen weg scheen aan te bieden.
[13] In die tusschenpoos volbracht Cabot in Engelschen dienst zijne noordwestelijke reis van 1516 of 1517.
Het hooge noorden van Europa was sinds de dagen van Octher niet meer bezocht geworden: de beschaafde wereld was geheel onbekend met de kusten der IJszee. Slechts onbepaalde voorstellingen vormde men zich van die streken, voorstellingen voornamelijk aan de schriften van Plinius en andere oude geographen ontleend. Dezen hadden geleerd, dat de kust van Azië ten noorden in een kaap uitliep, die kaap Tabin (kaap Taimyr?) genoemd werd. Van dat punt zou de kust recht naar het zuiden loopen. Door eene straat, de straat van Anian genaamd (de Behring-straat), meende men onmiddellijk het rijke Cathay, een mythisch land ten noorden van China, te kunnen bereiken; de weg van daar naar China en Oost-Indië zou niet moeielijk te vinden zijn.—Dezen weg wilde Cabot nu inslaan. De moeielijkheden daaraan verbonden waren hem onbekend; het onmiskenbare voordeel, dat deze weg boven alle andere bood, de kortheid, moest ieder in het oog vallen. Vast besloten om ten minste een proef te wagen, vinden wij Cabot dan ook reeds weinige jaren na zijne laatste mislukte noordwestelijke reis, in 1522 en 1523 bezig met onderhandelingen, om aan zijne vaderstad Venetië de voordeelen van deze vaart te verzekeren[14]. Maar te vergeefs! Venetië was door hare ligging aan gene zijde van de straat van Gibraltar te veel afhankelijk van Spanje’s goedvinden om het te wagen de bedoelingen dier groote mogendheid te weerstreven op een punt van zooveel belang. Cabot was dus genoodzaakt van zijn ideaal af te zien: Venetië zou de vruchten van de plannen door haren zoon gemaakt niet plukken. Maar nauwelijks was de geniale grijsaard vele jaren later in Engeland teruggekeerd, of hij maakte gebruik van de gunstige gelegenheid en het jarenlang geliefkoosde plan werd ter tafel gebracht.
[14] Cabot heeft dus de prioriteit boven Robert Thorne, die in 1527 nieuwe plannen over den noordelijken doortocht naar Oost-Indië opperde. Zie Thorne’s werkjes afgedrukt in: Hakluyt, Divers Voyages to America.
En niet zonder vrucht! Het eerste resultaat van Cabots bemoeiingen was reeds in 1551 de oprichting eener nieuwe compagnie, die bestemd schijnt geweest te zijn om het overwicht, dat de Hansesteden door hare privilegiën in Engelands handel hadden, te vernietigen en de eigen werkzaamheid der Engelschen door het openen van nieuwe banen voor het verkeer op te wekken. De belangrijke plaats, die deze compagnie ook in ons verhaal innemen zal, maakt het noodig over haar iets uitvoeriger te spreken[15]. Het was eene maatschappij op aandeelen van 25 p. St.; binnen korten tijd had men de som van 6000 p. St. bijeen en kon de compagnie onder den naam van »The Mystery, Company and Fellowship of Merchants Adventurers for discovery of unknown lands” hare werkzaamheden beginnen. Cabot werd tot president voor zijn geheele leven benoemd. Het doel was, zooals reeds uit den naam blijkt, het ontdekken van nieuwe landen; het aanknoopen van handelsbetrekkingen zou daarmede natuurlijk gepaard gaan. Reeds de eerste tocht der compagnie, waarover later meer, bepaalde voor goed de richting, waarin zich hare ondernemingen voortaan zouden bewegen. Er werden namelijk reeds in 1553 handelsbetrekkingen met Rusland aangeknoopt, en hoewel de compagnie haar doel, het ontdekken van vreemde landen, niet uit het oog verloor,—hoewel door hare pogingen de Engelsche walvischvangst een tijdlang bloeide, bleven toch de betrekkingen met Rusland zoozeer hoofdzaak, dat de naam der compagnie geheel in vergetelheid geraakte en men haar gewoonlijk de Moscovische of Russische Compagnie noemde.
[15] Zie Hakluyts uitvoerig verhaal der omstandigheden, die tot de vestiging dezer compagnie leidden, in de inleiding van: Beke, Three voyages by the North-east. p. II-IV.
In Engeland was men trouwens zeer met de handelwijze der nieuwe vereeniging ingenomen. Dadelijk na de terugkomst der eerste expeditie verkreeg zij (6 Februari 1555) van Philips en Maria verschillende privilegiën en octrooi voor den uitsluitenden handel op het noorden. De compagnie werd in dit stuk aangeduid door de omschrijving: »The Merchants adventurers of England for the discovery of lands, territories, isles, dominions and seignories unknown.” Toen later, door de groote winsten die de maatschappij maakte aangelokt, andere Engelschen inbreuk op haar octrooi maakten en onder allerlei voorwendsels trachtten de beperkende bepalingen der wet te ontduiken[16], toonde Elisabeth hoezeer zij het bestaan der compagnie op prijs stelde, door op nieuw in uitdrukkelijke bewoordingen het uitsluitend recht der vereeniging, voortaan »The Fellowship of English Merchants for the Discovery of New Trades” genaamd, te handhaven. (1566)[17] Onder laatstgemelden naam heeft de Moscovische Compagnie de eeuwen getrotseerd en bestaat zij tot op dit oogenblik[18].
[16] Zie over deze inbreuken op het octrooi der Moscovische Compagnie: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 204, 212, ook p. 220, cf. p. 201 Noot 1, 214 Noot 2, 216 Noot 2.
[17] Sommigen verhalen, dat deze bevestiging van het octrooi onder Elizabeth bij parlementsakte is geschied.
[18] Zie over de Moscovische Compagnie: Hamel, Tradescant. p. 88-90, 162, 212.—Asher, Hudson the Navigator p. CII, CIII, CXXIII, CXXV.—Beke, Three voyages by the north-east. p. II-IV, VII.—Hakluyt, Divers voyages. p. LXXXV, LXXXVI.—Read, Hist. inq. conc. Henry Hudson. p. 21 vlg.
Dadelijk na hunne vereeniging maakten de kooplieden zich op Cabots aandrijven gereed het voorgestelde doel, de ontdekking van nieuwe landen, te bereiken. Reeds in 1553 zeilde eene expeditie naar het noordoosten. In plaats van Cabot, die te oud was om persoonlijk de ontberingen eener noordelijke ontdekkingsreis te verduren, werd Sir Hugh Willoughby, een ervaren krijgsman van aanzienlijke familie[19], aan het hoofd der onderneming gesteld. Als opperstuurman werd hem de bekwame Richard Chancellor toegevoegd. De drie schepen, waaruit de kleine vloot bestond, de Bona Esperanza, de Edward Bonaventure en de Bona Confidentia, verlieten de haven van Ratcliff den 10 Mei 1553. Geheel Engeland zag met belangstelling den uitslag der onderneming te gemoet. Het resultaat was dubbel belangrijk. Niettegenstaande een hevige storm reeds spoedig op de kust van Noorwegen den Edward Bonaventure, met Richard Chancellor aan boord, van de overige schepen scheidde, zeilden beide afdeelingen moedig voort. Willoughby ontdekte den 14 Augustus Novaya Zemlya. Hij bereikte dat gedeelte van het eiland, dat de Ganzenkust heet en dat op de nieuwste kaarten ter zijner eere Willoughby-land genoemd wordt[20]. Het ijs belette hem te landen en na vruchteloos getracht te hebben noordwaarts te zeilen besloot hij de Russische kust op te zoeken. Hij bereikte den mond van de rivier Warsina, waar het ijs hem insloot. In deze zeer ongunstig gelegen haven in eene verlatene streek moesten de daarop niet voorbereide schepen overwinteren. Het volgend voorjaar vonden de Laplanders ze beiden ingevroren: de geheele bemanning was van koude en gebrek omgekomen.
[19] Zie over den persoon en de familie van Willoughby met zeer overdrevene uitvoerigheid: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 91-104.
[20] Dat Willoughby-land en de Ganzenkust identiek zijn, wordt nu algemeen erkend. (Beke, Three voyages by the north-east. p. V.—Asher, Hudson the Navigator, p. CXXIV, CLVIII.—Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 110.) De eer van dit overtuigend bewezen te hebben komt toe aan Rundall. (Voyages towards the north-west. p. III-VI.)—Tot zoover is men het eens; over de quaestie of Willoughby na de ontdekking van Novaya Zemlya ook Spitsbergen heeft gevonden kan nog eenig verschil bestaan. Bij de overtuigende gronden door Rundall (l. c. p. VI-XII) tegen dit gevoelen aangevoerd, zou men m. i. nog deze kunnen voegen, dat het onwaarschijnlijk, ja bijna onmogelijk is, dat Willoughby in een reis van negen dagen door eene altijd met ijs bezette zee (terwijl hij in het gunstigste geval slechts drie dagen noordelijk gezeild is en overigens meest zuidoost of zuidwest) den grooten afstand heeft afgelegd tusschen Novaya Zemlya’s zuidwestpunt en Spitsbergen.
Van meer dadelijk belang voor de compagnie was het resultaat door Chancellor bereikt. Met zijn schip, waarvan de bekende Stephen Burrough kapitein was, oostwaarts gezeild, kwam hij in de Witte Zee en landde 24 Augustus 1553 aan den mond van de Dwina. Welwillend ontvangen overwinterde de bemanning aldaar. Chancellor zelf vertrok over land naar Moscou, waar hij den czaar bereid vond tot het aanknoopen van handelsbetrekkingen. Dit heugelijk bericht, door hem het volgende jaar aan zijne lastgevers overgebracht, gaf aanleiding tot het aanknoopen van een geregeld verkeer tusschen Engeland en den mond der Dwina, waar spoedig op het Rozen-eiland bij Kholmogorui eene kolonie van Engelschen verrees[21].
[21] Zie over het handelsverkeer tusschen Engeland en Rusland voornamelijk in de eerste twintig jaren: Hamel, Tradescant der Aeltere 1618 in Russland. In dit zeer geleerde, zeer onsystematisch bewerkte en met vele onbelangrijke kleinigheden opgevulde boek vindt men over dezen handel nauwkeurige en uitvoerige berichten van het grootste belang, die grootendeels uit de voor ons zoo moeielijk toegankelijke Russische archieven geput zijn.
Niettegenstaande deze handel weldra bijna alle aandacht der jeugdige compagnie tot zich trok, werden toch de pogingen tot het ontdekken van den noordoostelijken doortocht naar Oost-Indië niet opgegeven. Reeds in 1556 werd Stephen Burrough, die kapitein was geweest van Chancellors schip, uitgezonden om nadere kennis omtrent de noordoostelijke zee te verkrijgen en bepaaldelijk om den mond van de rivier den Ob te verkennen. Met een klein schip de Searchthrift verliet hij 23 April Gravesend, bevond zich 9 Juni te Kola, stak verder oostwaarts gezeild den mond der Witte Zee over en volgde van daar nagenoeg de lijn der Russische kust. Langs het eiland Kolguev bereikte de moedige zeeman den 31 Juli Vaigatsch, waar hij landde; hij zag Novaya Zemlya en ontdekte den ingang naar de zee van Kara, de breede naar hem genoemde Burroughs-straat, ook wel Kara-straat geheeten[22]. Maar toen hij de nog door geen Europeaan bezeilde zee was ingevaren, vond hij het ijs daar in zulke hoeveelheden ronddrijven, dat hij het ongeraden achtte verder te gaan. Den 5 Augustus keerde hij terug en kwam 11 September behouden te Kholmogorui aan.
[22] Dat deze straat later voor de noordpoolreizen zelden of nooit meer gebruikt werd, is waarschijnlijk aan hare ondiepte toe te schrijven. Massa teekent toch daarbij op zijne kaart (in Hessel Gerritsz’ Beschr. v. Samoyeden-Landt) aan: „Hier machmen by hoogh water overvaeren, anders ist droogh.” Witsen (Noord en oost Tartarye. p. 921) is van een ander gevoelen en verhaalt, dat „de Moskoviten de vaert benoorden ’t Eiland Waigats na de Binnen-zee schouwen, maer meest altoos de doortogt naest aen de vaste Kust gebruiken, hoewel de Noorder-straet het diepste is. Zy zyn vreesachtig,” voegt hij er bij, „dat van die zyde meer gevaer is, om dat aldaer de meeste Ys-schollen zoude(n) zyn.”
Hoezeer deze reis de geographische wetenschap eene belangrijke schrede voor uitbracht, waren hare praktische resultaten eer ontmoedigend dan verblijdend. De zekerheid was wel is waar verkregen, dat de hinderpaal, die zich zoo onverwachts in de IJszee tot ver in het noorden uitstrekte, den toegang naar het oosten niet geheel sloot, maar men had zich tevens kunnen overtuigen, dat de verdere weg naar Oost-Indië met vele bezwaren bezet was,—dat niet alleen kaap Tabin, het doel waarnaar ieder zeeman streefde, maar zelfs de mond van den Ob niet gemakkelijk te bereiken was. Onder deze omstandigheden besloot de compagnie, meer en meer door den handel op de Dwina beziggehouden, eenen weg in te slaan, die waarschijnlijk spoediger tot resultaten van praktisch belang zou leiden dan de tot dusver beproefde. Verschillende pogingen werden door Anthony Jenkinson op haren last aangewend om overland het rijke Cathay te bereiken en onderweg handelsbetrekkingen met Perzië aan te knoopen. Maar dit plan mislukte volkomen: de onderlinge oorlogen der aldaar wonende stammen beletten, dat er een vreedzame handelsweg door Azië’s binnenlanden geopend werd[23].
[23] Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 199-203.—Read, Henry Hudson. p. 55, 59.
Toen het zoodoende gebleken was, dat de weg overland aan meer bezwaren en meer wisselvalligheden onderworpen was dan die over zee, sloeg de compagnie den ouden weg op nieuw in. Herhaaldelijk beproefde zij van de noordelijke kusten ten minste eene eenigszins nauwkeurige kennis te verkrijgen. Het doel was bij die tochten niet zoozeer het omzeilen van kaap Tabin,—de onverwachte ontdekking van Novaya Zemlya schijnt de toenmalige geographen aan de juistheid van Plinius’ mededeelingen te hebben doen twijfelen,—maar voornamelijk om te onderzoeken of ergens voorbij den Ob de kust zich al dan niet noordwestwaarts omwendde en door aansluiting aan Novaya Zemlya’s noordoostpunt een baai vormde, die aan alle verdere pogingen om den doortocht naar Oost-Indië langs dien weg te vinden eens en voor goed een onoverkomelijken hinderpaal in den weg moest leggen. Tevens werd den reizigers op het hart gedrukt om te onderzoeken, of het door Willoughby ontdekte land al dan niet verbonden was met het door Burrough geziene Novaya Zemlya, en om te ontdekken hoedanig de gesteldheid was van de kusten van den Ob en van de bewoners dier streken.[24]
[24] De instructiën aan Bassendine c. s. in 1568 en aan Pet en Jackman in 1580 door de Moscovische Compagnie gegeven, zijn nagenoeg volkomen eensluidend wat het doel der reis betreft. Men moet echter uit dit feit geene conclusiën trekken over de algemeene verspreiding der daarin vervatte beschouwingen, immers beide stukken zijn van de hand van den bekenden William Burrough. (Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 223 en vooral p. 185 Noot 1.—Beke, Three voyages. p. XXV.) De lijst van geschriften van W. Burrough in de inleiding van Hakluyts Divers voyages (p. LXI) moet dus met deze beide vermeerderd worden.
Van de tochten met dit oogmerk ondernomen zijn ons slechts zeer onvolledige berichten bewaard gebleven. Slechts van éene reis, die van Arthur Pet en Charles Jackman in 1580, kunnen wij een eenigszins volledig overzicht geven. Evenals in 1553 was de belangstelling in dezen tocht, waaraan men een meer dan gewoon gewicht schijnt gehecht te hebben, in Engeland zeer levendig. Met twee schepen, de George en de William, verlieten Pet en Jackman, twee ervaren zeelieden, 31 Mei 1580 de reede van Harwich. Reeds den 24 Juni, niet ver voorbij Wardöhuus, moest echter Jackman tot herstel van zijn ontredderd scheepje—de William—de kust opzoeken. Pet zette zijne reis moedig voort: hij bereikte, Willoughby’s spoor volgende, Novaya Zemlya nagenoeg op dezelfde plaats als zijn voorganger en maakte zoodoende de identiteit van Novaya Zemlya en Willoughby-land voor goed uit, een feit, waarop door de toenmalige geographen echter geen acht geslagen is. Op eenigen afstand van de kust—ijs en mist beletten hem haar geheel te volgen—zeilde Pet langs Novaya Zemlya, miste den ingang van Burroughs-straat, die vol ijs zat, en kwam 17 Juli in de baai van Pechora aan. Bij de eerste goede gelegenheid vertrok hij weder van daar; volgde de Russische kust en ontdekte de tweede opening, die toegang verleent tot de zee van Kara, Yugorsky-sjar, door de Hollanders later straat van Nassau, door de nieuwere geographen echter naar haren ontdekker Pets-straat genoemd. Na vruchtelooze pogingen om door het ijs te breken, ontmoette onze reiziger volgens afspraak zijnen tochtgenoot Jackman bij Vaigatsch. Beide bevelhebbers besloten nu noordwaarts te zeilen om eene ijsvrije zee te zoeken, maar vruchteloos! Na eene nieuwe beraadslaging besloot men de reis op te geven en den terugtocht aan te nemen. Pet kwam 26 December behouden te Ratcliff aan, Jackman overwinterde in eene Noorweegsche haven en men heeft sedert dien tijd niets meer van hem vernomen.
Van de overige expedities, door de Moscovische Compagnie omstreeks dezen tijd uitgezonden, weten wij uiterst weinig.[25] Uit verspreide berichten vernemen wij, dat er in 1568 een plan heeft bestaan tot eene expeditie met geheel hetzelfde doel als die van Pet en Jackman, onder Bassendine, Woodcocke en Browne, en dat deze expeditie waarschijnlijk vertrokken is. Vóor 1584 zijn er nog verschillende andere reizen door Engelschen gemaakt met het doel om den mond van den Ob te vinden, en wel niet zonder belangrijke resultaten, die echter ongelukkig alle voor de wetenschap verloren zijn gegaan. De eerste dier reizen had ten gevolge het vinden van den weg ter zee naar den mond van den Ob, eene wetenschap, die aan Europa niet bekend werd, daar alle deelnemers aan de expeditie door de Samojeden vermoord werden.[26] Zekere Anthony Marsh, onbekend met het resultaat door zijne landgenooten verkregen, deed in dienst der compagnie nogmaals den landweg beproeven. Een Rus met name Bodan, bereikte op zijnen last zoodoende den Ob weder, maar de czaar keurde dergelijke proefnemingen ten sterkste af: hij zette Bodan gevangen, ontnam hem zijn rijke voorraad koopmansgoederen en belette daardoor op nadrukkelijke wijze alle verdere proefnemingen met gebruikmaking van de verkregen kennis. Marsh beraamde eindelijk in 1584 een nieuw plan om den Ob te bereiken. Eenige Russen zouden voor hem in twee vaartuigen de rivier de Pechora opzeilen, van daar door eene andere rivier, door hen Ouson genoemd (de Ussa?), in den Ob komen en dien met den stroom afzakken. De Russen gaven aan Marsh de keus tusschen dezen weg en dien door Mathijs-straat over de zee van Kara naar den mond van den Ob. Of er ooit iets van deze onderneming gekomen is, is niet bekend. Eene ontdekking van niet minder belang was de kennis, die Marsh door deze Russen verkreeg van het bestaan en de ligging van Mathijs-straat zelve (Matyushin-sjar tusschen Novaya Zemlya en Mathijs-land), de derde en voor zoover bekend is de laatste weg naar de zee van Kara[27].
[25] Zie intusschen daarover: Hamel, Tradescant. p. 313, 22.
[26] Zie over deze reis breedvoerig: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 322 Noot 2. Hamel plaatst haar op goede gronden in 1581 en maakt het waarschijnlijk, dat Jackman en de zijnen de moedige reizigers geweest zijn, die hier den dood vonden.
[27] Van een vierden weg door Novaya Zemlya naar de zee van Kara, tusschen Mathijs-land en Lütke’s-land wordt het bestaan wel vermoed; het is echter nog niet gelukt hem te ontdekken. Hamel (Tradescant. p. 321) gelooft er niet aan.
Hoe belangrijk de tot 1584 verkregen uitkomsten zijn mochten, men kon zich niet verhelen, dat men na dertig jaren zoekens nog slechts éene schrede op den moeielijken weg naar Oost-Indië gevorderd was. Ook nu men den mond van den Ob bereikt had, bleven de grootste hinderpalen op dien weg zelfs ondoorzocht. Volgde men Plinius’ uitspraken, dan bleef de verre noordelijkste punt van Azië kaap Tabin nog steeds in het duister; het bleef twijfelachtig of op zulk eene noordelijke hoogte de zee bevaarbaar was. En de vrees, dat de zee van Kara niets dan eene groote baai zou zijn, die den weg naar Oost-Indië afsloot, was niet weggenomen. Onder deze omstandigheden schijnt de compagnie, die nu reeds naar haren uitgebreiden handel op de Witte Zee terecht den naam van Moscovische droeg, besloten te hebben aan dien handel al hare aandacht te wijden. Noch Hakluyt, die zooveel belang gesteld had in de noordpoolreis van 1580 en wiens beroemd werk Principal Navigations eerst in 1589 verscheen, (de tweede editie is van 1598),—noch Purchas, die de wetenschappelijke nalatenschap van dezen uitnemenden geleerde in materiëelen en immateriëelen zin aanvaardde, melden iets van Engelsche ontdekkingsreizen naar het noordoosten na 1584. De reis van Pet en Jackman schijnt de laatste expeditie van eenig belang geweest te zijn, door Engelschen uitsluitend tot het doen van ontdekkingen naar het noordoosten uitgezonden, totdat de opmerking, dat de IJszee in den walvisch een onmetelijken rijkdom in hare wateren verborg, op nieuw tot het opsporen van onbekende landen aanzette[28].
[28] In het verhaal dezer noordoostelijke tochten volgde ik voornamelijk de uitnemende inleiding voor: Beke, Three voyages by the north-east.
Maar de taak, die de Engelschen na moedig en ijverig pogen dus onafgewerkt gelaten hadden, werd dadelijk door eene andere natie opgevat. De rivaliteit, die Engeland en Nederland gedurende de geheele zeventiende eeuw verdeelde, nam reeds op het einde der zestiende een aanvang. In de onherbergzame wateren der IJszee begon een strijd, die zich van daar over alle oorden der wereld zou uitbreiden,—een strijd, die op de geschiedenis van geheel Europa den beslissendsten invloed zou oefenen.
HOOFDSTUK I.
DE NEDERLANDERS IN DE IJSZEE. (1565-1613.)
Inhoudsopgave
»Men miskent het doel der wetenschap, als men hare waarheden minder hoog schat, omdat men de nuttige toepassingen niet ontdekt, die men daarvan zal kunnen maken[29]”. Zoo is het waarlijk! De wetenschap is het slechts te doen om waarheid op elk gebied: met de eischen der praktijk kan zij zich niet dan accidenteel bezighouden. Gelukkig echter is het nut der wetenschap daarom nog niet uitsluitend in het ontdekken van waarheden gelegen, die, hoe gewichtig ook, toch soms zeer koel door het algemeen ontvangen worden. De onbaatzuchtige geleerde, wien het alleen om die waarheden te doen is, doet soms op zijnen weg ongezochte en onverwachte ontdekkingen, die aanleiding geven tot het verbeteren van bestaande of het scheppen van nieuwe toestanden,—ontdekkingen, die door personen alleen op praktische resultaten bedacht bezwaarlijk zouden zijn gedaan. Op deze wijze zijn verreweg de meeste der uitvindingen verkregen, die de negentiende eeuw zoo oneindig ver boven de vorige verheffen; op deze wijze verwierven ook de Nederlandsche noordpoolreizigers der zeventiende eeuw een ongedachten prijs voor hunne inspanning.
[29] Spruyt, De achterhoede van het idealisme. (Gids, Juni 1872. p. 391.)
De herhaalde reizen door de Nederlanders op het einde der zestiende en in het begin der zeventiende eeuw in de IJszee gedaan, versierden de namen der eenvoudige zeelieden die ze ondernamen met onverwelkbare lauweren, en zelfs nog zeer onlangs verleenden onverwachte ontdekkingen aan den roem van hun moed en volharding nieuwen glans. Zij brachten over tot dien tijd nagenoeg onbekende streken verrassende berichten en bewezen aan de wetenschap dier dagen belangrijke diensten. Maar te gelijk verwierven zij ook voor hunne volharding eene belooning van practischen aard, al werd het doel, dat zij zich voorgesteld hadden, in weerwil van al hunne inspanning niet bereikt. De gezochte handelsweg naar Oost-Indië bleek meer en meer een hersenschim, maar onverwachts werd den moedigen ontdekkers een ruim veld geopend, waarop de energie hunner landgenooten door het vestigen der walvischvangst eerlang schatten zou verwerven.
Men make uit het voorgaande de gevolgtrekking niet, dat het den helden op wie ik het oog heb om een zuiver wetenschappelijk belang te doen was. Overdreven zucht tot verheerlijking van het voorgeslacht moge soms de Staten voorgesteld hebben als edele menschen, die van liefde tot de wetenschap blakende kostbare expeditiën uitrustten om de menschheid met de wonderen der IJszee bekend te maken; teleurgestelde nationale trots moge het zelfs den moedigen ontdekkers tot schande aangerekend hebben, dat zij niet uit zuivere zucht om de kennis van den aardbol te vermeerderen maar uit baatzucht hunne reizen ondernamen: deze traditioneele voorstellingen, deze overdreven eischen zijn even onjuist als onbillijk. Reeds in theorie schijnt het voor eene regeering onwenschelijk, de plannen van zuiver wetenschappelijke mannen, die zich met de eischen der practijk niet inlaten, uit hare middelen te steunen. Partikulieren als Hakluyt en Mercator mogen tijd en geld overhebben voor het doen van nasporingen, die slechts theoretisch nut opleveren; de staat, die het algemeen belang moet behartigen, kan zich met die nasporingen niet inlaten, wanneer er niet gegronde hoop bestaat, dat ze tot een praktisch nuttig resultaat zullen leiden. Het is reeds veel, zoo de regeering door premiën en belooningen voor verkregen uitkomsten de beoefening der wetenschap aanmoedigt; eerst wanneer de geleerde onderzoekingen haar bevorderlijk schijnen voor het algemeen belang mag zij zelve daaraan deelnemen. Hoeveel te minder mag men hoogere eischen stellen aan de leiders van den gewapenden opstand tegen Spanje, in eenen tijd toen geld en nogmaals geld het doel der verarmde onderzaten bij al hunne ondernemingen was en zijn moest, toen de behoefte van den geest aan iets hoogers dan de belangen der geldkist zich bijna uitsluitend uitte in een streng vasthouden aan den onlangs aangenomen kerkvorm! Hoe getuigt het veeleer voor den ruimen blik der Staten-Generaal, voor hun gezonden practischen zin, voor hunne verlichte denkbeelden, dat zij niet meer maar ook niet minder deden dan men zelfs in gewone omstandigheden van eene regeering eischen mag!
Want de laatste twintig jaren der zestiende eeuw waren waarlijk geene gewone: het was een donkere tijd van algemeene ellende. De godsdiensttwisten, die Europa beroerd hadden, lieten bijna alle staten uitgeput achter en nog was er overal overvloedige brandstof opgehoopt, die eerlang de vlammen feller dan te voren zou doen uitbarsten. Spanje was door den reeds langen oorlog met zijne oproerige onderdanen verzwakt en verspilde zijne krachten met pogingen om in Frankrijk de leiding der zaken in handen te krijgen. En wel stuitten die pogingen af op den nationalen zin van het Fransche volk, maar Hendrik IV won slechts een land, sinds lange jaren door bijna onafgebroken bloedige twisten geteisterd en nog steeds door den bittersten partijhaat verdeeld. In Duitschland heerschte na de overwinning der protestantsche partij een betrekkelijke rust, maar de aanhoudende verdeeldheden deden reeds voorzien, dat de godsdienst ook hier in de politiek haar laatste woord nog niet gesproken had. Ook Engeland, dat onder het bestuur der protestantsche koningin tijden van ongekende welvaart doorleefde, moest alle aandacht wijden aan den toestand van het buitenland, wilde het zijne zelfstandige plaats tusschen de nog steeds vijandig tegen elkaar overstaande partijen behouden. Slechts éen volk ontwikkelde onder de algemeene verslapping plotseling groote energie. Het godsdienstige antagonisme, dat overal elders zoo nadeelig werkte, had in Nederland integendeel alle sluimerende krachten gewekt. Met taaie volharding werd de strijd gestreden; het enthousiasme van een jeugdig volk, dat zich nu voor het eerst één voelde tegen den algemeenen vijand, wekte tot groote daden op. Had ook Holland zelf in de middeleeuwen zijne vlag reeds op eene niet onaanzienlijke handelsvloot doen wapperen, de overkomst van talrijke Zuid-Nederlandsche vluchtelingen had nieuwen moed en nieuwe talenten in de bevolking ontwikkeld. De voorname Vlamingen, die in die jaren dikwijls den toon aangaven en in bijna alle ondernemingen van eenig belang gemoeid waren, deelden aan de Noord-Nederlanders hun heftigen ijver mede voor kerkelijke rechtzinnigheid, maar ook hunne ondernemingszucht en hunne ervaring in handel en nijverheid, en bepaalden zoodoende zelfs voor een goed deel het karakter der Nederlandsche natie gedurende den tachtigjarigen oorlog. Gesterkt door deze even talentvolle als vermogende schare, doorleefden de Hollanders bange tijden zonder te bezwijken: het gevaar en het ongeluk scheen hun slechts een nieuwe prikkel tot krachtsinspanning te zijn. Geleid door eene regeering, die, hoewel in geenen deele als eens haar vorstelijke leider den tijd waarin men leefde vèr vooruit, toch steeds in hare betrekkingen met handel en nijverheid eene even vrijzinnige als vrijgevige politiek volgde, geraakte het jonge gemeenebest eerlang tot verbazenden bloei. Niet tevreden met de oude banen, zocht de ontluikende energie naar nieuwe wegen om de welvaart te vermeerderen en onder het krijgsrumoer, dat haar soms van nabij dreigde, vond de wetenschap op het kleine plekje gronds reeds toen eene eervolle plaats.
Dit waren tijden, waarin stoute, geniale plannen konden gevormd worden, maar de kamergeleerde, de wetenschappelijke onderzoeker vond er geen plaats. Wie lust tot dergelijke bezigheid voelde, wijdde zich aan de theologie, die aller harten innam: buiten de kerk dwong de nood der tijden tot rusteloos werken, tot het zoeken van winst. In dien tijd moest een Plancius leven, rechtzinnig theoloog en wakker geleerde als éen, maar die misschien aan de geographische studiën zijne aandacht niet zou gewijd hebben, als hij er niet het eenige middel in gezien had om den noorderlijken doortocht naar het rijke Indië te vinden. Het was dit veelbelovende plan, dat aan de geographie in die dagen nieuwe vlucht gaf; daarmede waren schatten te verwerven, daardoor was Spanje gevoelig te treffen, daarvoor was dus ook de sympathie van regeering en volk. Stap voor stap naderde men het begeerde doel; allen werkten samen om het te verwezenlijken. Maar niet de geleerden gaven aan de uitvoering van het plan den krachtigsten stoot: een man der practijk, een Zuid-Nederlander bracht daartoe het meeste bij, evenals het weder eenvoudige kooplieden, weder Zuid-Nederlanders zouden zijn, die door het vestigen eener nieuwe nering de vruchten plukten van de inspanning hunner voorgangers.
Toen de Engelschen zich in 1553 aan den mond der Dwina bij het klooster van St. Nikolaas gevestigd hadden, was er door hen geene moeite gespaard om zich bij voortduring in het uitsluitend bezit van den handel op die streken te handhaven[30]. Slechts gedurende korten tijd had hun dit mogen gelukken; reeds twaalf jaren na de aankomst der Engelschen waren de Nederlanders er in geslaagd het spoor hunner voorgangers ten minste gedeeltelijk te vinden. In het jaar 1565 toch knoopte zekere Philip Winterkönig, een banneling uit Wardöhuus, betrekkingen met Nederland aan; een schip uit Enkhuizen kwam door zijne tusschenkomst naar de plaats, waar spoedig Kola verrijzen zou[31]. Reeds het volgende jaar (1566) durfden twee Antwerpsche kooplieden, Simon Van Salingen en Cornelis De Meijer, van Kola langs de kust gestevend, de Witte Zee inzeilen. Zij landden aan den mond van den Onega en reisden verder als Russen verkleed overland naar Moscou[32]. Schijnt ook deze moedige tocht, die geen ander doel had dan de regeling van partikuliere zaken, niet dadelijk tot het vestigen van handelsbetrekkingen met de Witte Zee geleid te hebben, de nederzetting te Kola bleef bestaan en nam weldra maatregelen om den directen handel met de Dwina in te leiden. Zij zond daartoe een vertrouwd persoon met Russische schepen naar Kholmogorui (eene stad, dicht bij de Engelsche nederzetting op het Rozen-eiland gelegen) om de Russische taal te leeren, waarschijnlijk ook om eenige voor de vestiging van handelsbetrekkingen noodige inlichtingen in te winnen. Die man was geen ander dan de vroeger zoo bekende[33], tegenwoordig voor velen raadselachtige Olivier Brunel[34].
[30] Vgl. Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 204-20.
[31] Hamel, Tradescant. p. 150 Noot, 293, 318.
[32] Hamel, Tradescant. p. 212 Noot, 318.
[33] Dat Olivier Brunel op het laatst der zestiende eeuw een persoon van Europeesche vermaardheid was, blijkt reeds daaruit, dat bijna alle berichtgevers (o. a. Gerrit De Veer, Moucheron, Logan en Hudson) zijnen naam zonder eenige verdere aanduiding noemen.
[34] De berichten omtrent Brunel vindt men verzameld bij: Beke, Three voyages. p. XXXVII-LI. De voornaamste bron (Wassenaer, Hist. verhael. VIII fol. 93) is hem echter ontgaan. Aan den heer De Jonge komt de eer toe, het eerst op dit allerbelangrijkste bericht de aandacht gevestigd te hebben. Te groote bescheidenheid geeft echter den schijn, alsof hij zijne mededeelingen over Brunel alleen aan Hamel ontleend heeft, wiens verhaal door Beke zéer ten onrechte „a hypothetical biographical memoir” genoemd wordt.
De nu bijna vergeten naam van Olivier Brunel verdient door den toekomstigen schrijver onzer handelsgeschiedenis in hooge eer gehouden te worden; ook in dit overzicht der Nederlandsche ontdekkingsreizen moet hij de eerste plaats innemen. Brunel was niet alleen de grondlegger van Nederlands handel op de Witte Zee, hij was ook onze eerste reiziger in het noorden. Laat ons zien in hoeverre wij uit de hier en daar verspreide losse berichten de levensgeschiedenis van dezen belangwekkenden man kunnen reconstrueeren[35].
[35] Ik neem hierbij de hypothese van Hamel over, die Olivier Brunel met Alferius vereenzelvigt. (Zie: Hamel, Tradescant. p. 316-19.) De juistheid dezer scherpzinnige gissing (te scherpzinniger omdat Hamel Wassenaers bericht slechts kende uit de verkorte mededeelingen van Scheltema in zijn: Rusland en de Nederlanden. I p. 39) wordt ook door De Jonge (Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I p. 10, 14) erkend. Daar deze echter de gronden zijner meening niet opgeeft, wil ik ze hier mededeelen om aan het ongeloof van mannen als Beke een einde te maken. Wij weten dan, dat in 1581 twee personen, beiden den niet gewonen naam van Olivier dragende, waarvan de een „natione Belga,” de ander „domo Bruxella” was, sinds lange jaren aan de Witte Zee gewoond hadden. Neemt men in aanmerking, dat eerst in 1578 zich eenige weinige Nederlanders voor het eerst daarheen begeven hadden, dan is reeds deze overeenkomst vrij in het oog vallend. Beider ontwikkeling was dezelfde: de een, Alferius was volgens Balak geen geleerde maar een man van rijpe ervaring; de ander, Brunel, had zijn leven als handelsreiziger in het noorden doorgebracht. Ook in beider levensomstandigheden is er eene treffende overeenkomst: Alferius „captivus aliquot annos vixit in Moscovitarum ditione, apud viros illic celeberrimos Iakouius et Vnekius”; Brunel werd in Rusland „eenighe jaren in gevanckenisse gehouden” en „daer uyt verlost door de Ameckers, dat seer treffelycke koopluyden zyn, ende haer houden tot Coolwitsogda”, die Brunel daarna „eenighe jaren gedient” heeft. „Iakouius et Vnekius” werden reeds door Lütke, die van Brunel waarschijnlijk niets wist, voor Iakov en Grigory Anikiew gehouden; Hamel was overtuigd, dat met de „Ameckers” alleen de Anikiews te Sol-Wütschegodsk bedoeld konden worden, hoewel zijn berichtgever Scheltema „Coolwitsogda” (Sol-Wütschegodsk) willekeurig in „Cool” (Kola) veranderd had. Alferius verder werd in 1581 naar Nederland gezonden, Brunel ging daar jaarlijks heen, Brunel reisde dikwijls over land naar Rusland, Alferius deed de reis langs de kusten der Oostzee. Alferius was dikwijls in dienst zijner patroons aan den Ob geweest, Brunel was jarenlang handelsbediende geweest bij Russen, die jaarlijks op den Ob handelden; Alferius zou van Nederland uit den noordelijken doortocht zoeken, Brunel is als de eerste Nederlandsche noordpoolreiziger bekend. Eindelijk: Brunel was een der bewerkers van de Nederlandsche noordpoolreizen en sprak daarover met den Zuid-Nederlander Moucheron; Alferius was op reis naar den Zuid-Nederlander Mercator, onder wiens medewerking Moucheron den stoot gaf tot het ondernemen dier noordpoolreizen.—Al deze redenen doen mij geen oogenblik aarzelen, voor Alferius Olivier Brunel te schrijven: de enkele bezwaren wegen niet tegen deze groote overeenkomst op.
Olivier Brunel werd in de eerste helft der zestiende eeuw te Brussel geboren. Van zijne eerste levensjaren is ons volstrekt niets bekend. Men kan gissen, dat hij reeds in 1565 met de eerste Enkhuizer schepen te Kola gekomen is; men kan het er voor houden, dat hij, evenals vele Zuid-Nederlandsche koopmansgeslachten, zooals de Moucherons, de Le Maire’s, de Usselincxs en anderen, Alva’s dwingelandij ontvluchtende, zich eerst later daarheen begeven heeft. Zeker is het, dat hij reeds spoedig na de vestiging der Nederlanders te Kola de bovenvermelde reis naar Kholmogorui aanvaardde. Het geluk diende hem daar niet: spoedig door de Engelschen opgemerkt en als concurrent gevreesd werd hij door hen als spion overgeleverd aan de Russische regeering, die hem te Jaroslawl verscheidene jaren gevangen hield. Eindelijk daagde er voor hem hulp op: de gebroeders Iakov en Grigory Anikiew[36], die tot het aanzienlijke handelshuis der Stroganows te Sol-Wütschegodsk behoorden, verzochten en verkregen van den czaar zijne vrijheid. De edelmoedige kooplieden hadden alle reden zich over de weldaad aan Brunel bewezen te verblijden: hun beschermeling nam ijverig en opmerkzaam deel aan de jaarlijksche tochten, die de Russen naar het oosten ondernamen. Zoowel te land door Samojedenland en Siberië, als ter zee langs de kust voorbij de rivier de Pechora, bereikte hij met hen den door Engelschen en Nederlanders vergeefs gezochten Ob. Op een dier reizen, die waarschijnlijk nu en dan ook langs den in Rusland gewonen weg door Matyushin-sjar gingen, werd hij door zijnen Russischen gids in Kostin-sjar gebracht, eene zeeëngte die door dit bezoek aan Europa bekend werd.
[36] Zie over de Anikiews en hunne plannen zeer uitvoerig: Massa, Beschryvinge van Siberia, in: Hessel Gerritsz, Beschr. v. Samoyeden-Landt. Zij hadden o. a. „eenighe van hunne Slaven ende Knechten, tot 10 ofte 12 toe met de Samoieden in haer Lant gesonden, bevelende de selve, dat se alle ’t Landt datse door-reysden, alles wel neerstelyck bespieden souden, ende oock alle haer manieren, wooningen, leven ende ghebaerden wel ordentelijck souden op-teeckenen, om so van alles goedt rapport te doen, als sy weder t’huys souden comen, d’welck eens geschiet zijnde, heeft hyse, dieder geweest waren, wel ghetracteert, ende oock goede gunste toe-ghedragen, dan heeft haer neerstelijck bevolen te swyghen, ende oock heeft hy ’t neerstelijck by hem gehouden, sonder yemant daer van te vermanen, maer heeft het Jaer daer aen volghende meerder partye daer heenen ghesonden, oock eenighe zyner Vrienden, met Coopmanschap van kleynder weerden, als Duytsche Cramerye, Bellen ende dierghelijcke dinghen: dese zijn oock met gereyst, ende hebbent oock gelijck als d’andere alles wel door-snuffelt ende doorsien, ende reysden tot de Riviere Oby toe, door vele Woestynen, ende verscheyden Rivieren, die daer vele zijn, ende maeckten met sommighe Samoyeden aldaer groote Vruntschap ende Alliantie.... In somma, door-saghen ’t alles, ende quaemen met rijckdommen van Bont weder t’huys, ende hebbende Anica doen van alles verstaen, daer hy nae wenschte, soo dreef hy met zyne Vrunsten eenighe Coopmanschappe op die Landen, eenighe jaren langh, so dat dese Aniconij heel machtich wierden.” Deze Aniconij „woonden inde Stadt Osoil, op de Riviere Witsogda ghelegen.” Is het niet, alsof deze beschrijving een commentaar is op het ons reeds van Alferius Brunel en zijne patroons bekende? en is het wel gewaagd onzen landgenoot onder deze „Slaven ende Knechten,” die de Aniconij „wel ghetracteert ende oock goede gunste toe-ghedraghen hebben,” eene eervolle plaats aan te wijzen?
Weldra maakte de ondergeschikte zich echter voor zijne meesters nog verdienstelijker door het openen van nieuwe wegen voor hunnen handel. Met de Nederlandsche kolonie te Kola en met de behoeften van den Nederlandschen handel goed bekend, opperde Brunel het plan om in het westen eene gelegenheid te zoeken tot afzet der Russische producten. Om dit plan uit te voeren vertrok hij zelf, begeleid door twee bloedverwanten der Anikiews en met passen van den czaar naar Kola, huurde daar een Nederlandsch schip en kwam behouden te Dordrecht aan. Daar vonden de Russische bezoekers goede gelegenheid om hunne waren te verkoopen. Het overblijvende gedeelte werd te Antwerpen en te Parijs voordeelig geplaatst, en toen Brunel het volgende jaar bij zijne patroons teruggekomen was, toonden dezen zich met het resultaat der reis zeer ingenomen. Zij besloten tot het aanknoopen van geregelde handelsbetrekkingen met Kola en van daar uit met Nederland. Zoo bezocht Brunel jaarlijks als agent der Anikiews beide plaatsen.
Het duurde niet lang of hij maakte van zijne gunstige positie gebruik om het plan uit te voeren, waarom hij jaren geleden met zoo ongelukkigen uitslag in Rusland gekomen was. Hij trad in overleg met zekeren Jan Van de Walle en in 1577 haalde hij dezen over om overland de reis naar Rusland mede te maken. Van de Walle maakte zich zijnen tijd uitnemend te nutte: reeds het volgende jaar werd het eerste Nederlandsche schip door stuurman Jan Jacobsz mette Lippen van Alkmaar in den Pudoshemscomond der Dwina voor anker gebracht. (1578.) Dit schip, uit Vlissingen uitgezeild, behoorde aan Gillis Van Eychelenberg, gezegd Hoofman, een Antwerpsch koopman te Middelburg gevestigd; als zijn agent was Jan Van de Walle daarop aanwezig. Onder de schepen, die tegelijk met dat van Hoofman in Rusland aankwamen, bevond zich reeds dadelijk dat van Adriaan Crijt, een zeekapitein in dienst van den bekenden Balthazar De Moucheron.
De handel van Nederland met de Witte Zee was zoodoende gevestigd. Spoedig kwam Melchior De Moucheron zich als agent van zijnen bloedverwant Balthazar aan den Dwina-mond vestigen. De handelsnederzetting werd verlegd naar een haven bij het klooster van St. Michiel; weinige jaren later verrees daar de stad Novo-Kholmogorui, meestal Archangelsk genoemd. Na langdurige aarzeling waren de Engelschen genoodzaakt hunne nederzetting op het Rozen-eiland te verlaten en zich in de nieuwe reeds bloeiende koopstad te vestigen: de Nederlandsche energie was hun te machtig, Nederlands handel bloeide weldra meer dan die van Engeland, dat toch den weg gebaand had[37]. Dit alles uitvoerig te verhalen ligt buiten ons bestek: wij keeren tot Olivier Brunel terug.
[37] Zie over de vestiging van den Nederlandschen handel op de Witte Zee: Wassenaer, Hist. verhael. p. 89-93.—De Jonge, Opkomst. I p. 9-14.—Purchas, Pilgrimes. III p. 464.—Uitvoerig bij: Scheltema, Rusland en de Nederlanden. I, en bij: Hamel, Tradescant, passim.
Reeds twee jaren nadat Brunel den Nederlandschen handel op Rusland had bevestigd, vinden wij hem bezig met nog grootscher en avontuurlijker plannen. Het was het jaar 1580, toen Pet en Jackman onder den toeloop van duizenden op eene nieuwe noordoostelijke reis uitgevaren waren, toen de geleerde wereld in gespannen verwachting den uitslag van deze poging verbeidde. Ook aan den Dwina-mond zullen de Russen, die dagelijks met de dienaars der Moscovische Compagnie in aanraking kwamen, zonder twijfel kennis gekregen hebben van de verwachtingen, die men omtrent den noordelijken doortocht koesterde. Niet te verwonderen was het zeker, dat Russen, met de kusten der IJszee oneindig beter bekend dan de Engelschen, van die meerdere kennis gebruik trachtten te maken, om aan de plannen op het vinden van den noordoostelijken doortocht gebouwd deel te nemen[38]. De Anikiews hadden reeds dadelijk een Zweedsch scheepsbouwmeester in hun dienst, die zich bezighield met het bouwen van twee tot die reis geschikte schepen. Brunel, de Nederlandsche handelsreiziger, kreeg van hen den last om in Antwerpen bekwame stuurlieden en matrozen te huren, al was het tegen hooge prijzen.
[38] Dat Engelsche en Russische kaarten Brunel tot zijne reis aangespoord hebben, blijkt uit de mededeeling van Hessel Gerritsz (Beschryvinghe van Samoyeden-Landt. p. 2), die trouwens met Brunel en zijne daden reeds veel minder bekend schijnt dan Barendsz en zijne tijdgenooten.—Overigens komt het mij waarschijnlijk voor, dat de twee schepen, door de Anikiews uitgerust, eerder met de plannen tot de verovering van Siberië omstreeks dien tijd in verband gestaan zullen hebben, dan met het zoeken van den noordoostelijken doortocht. Massa (Beschr. v. Siberia. p. 4) is zeer uitvoerig in het verhalen van het aandeel door de Anikiews aan dien tocht genomen.
Op zijnen weg daarheen kwam Brunel in Februari 1581 op het eiland Oesel in de golf van Riga, waar hij in de stad Arensburg eene samenkomst had met zekeren Johan Balak, een cosmograaph met den beroemden Gerard Mercator bevriend. Balak, die zeer veel belang schijnt gesteld te hebben in ontdekkingstochten, gaf hem eenen aanbevelingsbrief aan Mercator te Duisburg mede. Uit dezen brief, door Hakluyt bewaard, kennen wij de plannen en inzichten van onzen landgenoot. Zoo Balak het ons niet uitdrukkelijk verzekerde, uit de mededeelingen van Brunel zelven zouden wij het reeds kunnen opmaken, dat hij, de koopman, geen geleerde was, maar een man van rijke ervaring: zijne plannen getuigen niet van de studie van Plinius, maar daarentegen van eene betrekkelijk nauwkeurige kennis van de Siberische kusten.
Brunel was dan voornemens een schip van weinig diepgang in Nederland met koopmansgoederen te beladen, in de Witte Zee eenige ervaren Russen te huren, zich van den noodigen proviand te voorzien en in de maand Mei ter ontdekking uit te zeilen. Oostwaarts voorbij het eiland Dolgoi gestevend, wilde hij den mond der Pechora bezoeken, onderweg alle kusten en zeeën nauwkeurig opnemen en zooveel mogelijk de afstanden bepalen. Vooral den mond der Pechora wilde hij als een geschikt station voor de heen- en terugreis nauwkeurig onderzoeken. Langs de kust door de Yugorsky-sjar stevenende, de Karabaai overstekende, meende hij spoedig aan den Ob te zullen komen. Eenige van de vele monden dezer rivier wilde Brunel opnemen en dan twaalf dagen de rivier stroomopwaarts opzeilen totdat hij aan de plaats kwam, waar een andere groote rivier, de Yaks Olgush genaamd (de Taz-rivier?), zich in den Ob uitstortte. Op zijne reizen overland was hij vroeger reeds op die plaats geweest, waar de inboorlingen hem verzekerd hadden, dat zij, wanneer zij daarheen varende den Ob in drie dagen waren overgestoken, rijke scheepsladingen door zwarte menschen de rivier (namelijk de Yaks Olgush) hadden zien afvoeren. Eene nabijgelegene rivier, de Ardoh (de Keta of de Taimyr?), die zich in het meer van Kittai[39] (Keta of Taimyr?) uitstortte, begrensde dan ook het land, bewoonde door de Carrah Colmak, dat niets anders was dan het rijke en beroemde Cathay. (Khatangsk?) Brunel hoopte daar te overwinteren en het volgende jaar naar de Witte Zee terug te keeren.
[39] China heet volgens Hamel in het Russisch nog steeds Kittai.
Dit was het plan, dat de oudste Nederlandsche noordpoolreiziger zich had voorgesteld. Tot den mond van den Ob had hij zijne eigene ondervinding om hem te leiden. Verder moest hij alleen op de onvolkomene berichten der Samojeden afgaan. En dat dezen geene veilige gidsen waren, blijkt reeds bij eene oppervlakkige studie der kaarten. De verwarring, door Plinius’ berichten gesticht, was nauwelijks grooter dan die, waartoe de verhalen der wilde stammen Brunel brachten. Tot den Ob kunnen wij hem volgen. Maar zoo al de gissingen, hier en daar over zijn verderen tocht uit de overeenkomst van naam en ligging door mij gewaagd, juist zijn, in ieder geval blijkt het, dat de opgaven der afstanden voorbij den Ob geheel verkeerd zijn. En Brunel zou zeker spoedig hebben bemerkt, dat bij den Ob zijne reis eerst begon.
De ontwerper zelf was van de deugdelijkheid zijner plannen overtuigd. Niet echter zijne Russische weldoeners, het vaderland moest het voordeel genieten, dat de jarenlange nasporingen van den handelsreiziger zou beloonen. Nu hij zelf eindelijk de noodige kennis voor het aanvaarden der reis verkregen had, besloot Brunel dadelijk, de liefde tot het vaderland hooger stellende dan de dankbaarheid, om eenige kooplieden in Nederland voor zijn plan te winnen. Dadelijk na zijne aankomst stelde hij alles in het werk om tot de verwezenlijking zijner geliefkoosde denkbeelden te komen. Ik geloof dan ook niet, dat het gewaagd is aan te nemen, dat het op zijnen aandrang was, dat eenige kooplieden aan prins Willem I het voorstel deden om door het noordoosten eenen weg naar Oost-Indië te zoeken, mits de regeering hen ondersteunde. De bekende Middelburgsche koopman Balthazar De Moucheron[40], de beroemde geleerde Gerard Mercator[41], beiden evenals Brunel Zuid-Nederlandsche ballingen, beiden met hem goed bekend, schijnen aan dit plan niet vreemd geweest te zijn. De toestand des lands was echter te benard, dan dat de regeering het op zich had kunnen nemen veel geld te wagen in ondernemingen, waarvan de uitslag zoo twijfelachtig was als van deze. Hoe ingenomen de prins persoonlijk met het plan zijn mocht, aan ondersteuning van staatswege viel dus niet te denken.[42]
[40] Zie over Moucheron: De Jonge, Opkomst v. h. Ned. gezag. I p. 109-12.
[41] Moll, Zeetogten der Nederl. p. 46.—Reeds lang vóor 1581 had Mercator, volgens den brief van Balak, van de reizen naar den noordpool bizondere studie gemaakt.
[42] De Jonge, Opkomst. I p. 15.—Linschoten, Voyasie ofte schipvaert by Noorden om. (Voor-reden.)
De beide ondernemende Zuid-Nederlanders, Brunel en Moucheron, lieten zich echter niet afschrikken. Het komt mij hoogstwaarschijnlijk voor, dat in 1584 op kosten van Moucheron de eerste Nederlandsche noordpoolreis ondernomen werd[43]. Hoe dit zij, zeker is het, dat aan Brunel de eer dier eerste reis toekomt. Met een schip van Enkhuizen—de stad, die reeds sinds 1565 handel dreef op Kola,—vertrok de onvermoeide reiziger »lange voor Willem Barentszoons reis” naar het noorden om het verre Cathay te bereiken. Evenals al zijne navolgers, die, kooplieden in merg en been als de Nederlanders waren, zich ook op zulke gevaarlijke reizen niet van den handel wilden onthouden[44], hield ook Brunel zich onderweg bezig met het aanknoopen van handelsbetrekkingen met de Samojeedsche stammen. Zijne pogingen waren hem echter noodlottig: nog voordat hij Novaya Zemlya bereikt had, nam zijne reis een einde. De rivier de Pechora, die hij blijkens den brief van Balak reeds vroeger als zeer ondiep had leeren kennen, verzwolg zijn schip, dat reeds met eene rijke lading kostbare handelsartikelen (pelterijen, bergkristal en Russisch glas) bevracht was[45].
[43] Ik maak dit op uit het bericht van den hier zéér welingelichten Middelburgschen notaris Le Petit (Gr. chron. anc. et mod. II p. 651), die op het jaar 1594 verhaalt, dat Balthazar De Moucheron „s’asseurant sur cela (d. i. de berichten uit Rusland over de mogelijkheid van den noordelijken doortocht) oultre la petite espreuve que dix années auparavant il en avoit desia faite, advertit le prince Maurice de la délibération qu’il avoit de chercher ledit passage.” Moucheron deed juist in 1584 met kracht eene uitrusting op de Witte Zee en wij weten, dat hij dien handel sedert, „mits dat zijnen naem in desen eenichsins kennelic ende ruchtbaer gemaect was, nyet en heeft moghen ofte derven vervolgen ende continueren.” (De Jonge, Opkomst. I p. 15, 17.)—Wel verhaalt Linschoten (Voyasie, Voor-reden) dat „etlijcke Kooplieden ende andere dese Noordtsche Vaert ofte ondersoeckinghe langhe ghesocht hebben op de baen te brenghen; maer dat dat altijdt achterghebleven is tot op het Iaer 1593,” maar het bericht van den anders natuurlijk zeer betrouwbaren getuige is toch bepaald onjuist, daar wij weten dat Brunel omstreeks 1584 eene mislukte reis deed. Het eenige, dat tegen het noemen van Moucheron als reeder van Brunels schip pleit, is het feit, dat deze laatste uit Enkhuizen vertrok, terwijl de Moucherons zooals men weet te Middelburg, later te Veere gevestigd waren.
[44] Zoo moest b. v. ook de tweede noordpoolreis (van 1595) volgens de Instructie alleen dienen om handelsbetrekkingen met Cathay en andere Aziatische landen aan te knoopen: verder dan Japan mochten de schepen nog niet gaan.
[45] Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CXXV. („Sints,” d. i. na Pet en Jackman in 1580, „heeft Olivier Brunel uyt Hollant de Noordooste passagie ghesocht, ende ontdeckte”, d. i. onderzocht (?), „de Reviere van Pechora.”)—Beschr. v. d. Samoyeden-Landt. p. 2.—Ook Van Dam (Gesch. der O.-I. C. MS. R.-A.) spreekt van vruchtelooze noordpoolreizen, door Nederlanders op het voetspoor der Engelschen reeds vóor 1594 ondernomen.
Nog wilden de twee bondgenooten het niet opgeven: zij besloten tot eene nieuwe poging. Maar eene noordpoolreis was geene zaak van gering belang: „by de Kooplieden alleen konde ’t selfde seer qualijck te weghe ghebracht worden sonder eenighe hulpe ofte assistentie midtsgaders d’ authoriteyt van ’t Landt daer toe te hebben[46].” Het vaderland had zich tot bijstand onmachtig verklaard: men moest zich dus elders heenwenden. Aan een terugkeer in Russische dienst viel voor Brunel niet te denken: vernamen wij reeds, dat hij tijdens zijn bezoek aan Balak niet van plan was zich bij de Russische onderneming naar het oosten aan te sluiten, hoe zou men hem ontvangen, nu hij van het geheim den geheimzinnigen Russen afgezien gebruik gemaakt had om den streng verboden handel op Siberië zelf te ondernemen? Hoe zou men den ontwerper van het plan beschouwen, terwijl de geldschieter Moucheron zelf, die nog in 1584 talrijke schepen naar de Witte Zee zond, daar met zulke wantrouwende blikken werd aangezien, dat hij het raadzaam oordeelde den winstgevenden handel eerlang te staken?[47] Maar eene andere mogendheid bleef hun over. Denemarken, reeds lang misnoegd over de tochten naar de Witte Zee, die zijnen Sondtol afbreuk deden, zou gaarne de gelegenheid aangrijpen om zelf in het noorden machtig te worden. Daarheen wendde zich dan ook eerlang Brunel en sloot uit naam van Moucheron met den koning eene overeenkomst, waarbij Z. M. den Zeeuwschen koopman verscheidene privilegiën schonk en hem zelfs ƒ100,000 voor zijne moeite beloofde, zoo hij den tocht wilde doen ondernemen en zijne kennis voor den koning beschikbaar stellen. Maar ook ditmaal kwam er van de reis niets: mag men Moucheron gelooven, dan »prefereerde hy den dienst ende welvaert van deze landen” ten slotte boven het bevoordeelen van den vreemdeling, en was dus zuivere vaderlandsliefde de oorzaak, dat hij zich ongeneigd toonde den Deen te helpen[48].
[46] Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert. (Voor-reden.)
[47] Contract van Moucheron met de Staten van Zeeland, bij: De Jonge, Opkomst. I p. 17.
[48] Dit bericht heeft De Jonge bekend gemaakt uit het contract van Moucheron met de Staten van Zeeland. (De Jonge, Opkomst. I p. 17.)
Maakt ook dit wel wat laat opgekomen gewetensbezwaar bij iemand, die zoo goed wist wat hij wilde als de latere handlanger van Hendrik IV, een eenigszins verdacht figuur, zeker is het dat Brunel minder nauwgezet was. De wegen der beide krachtvolle mannen scheiden zich hier. Terwijl Moucheron zich langzamerhand en in het geheim voor verdere noordpoolreizen voorbereidde, zocht Brunel elders bevrediging voor zijn onleschbaren dorst naar avonturen. Eenmaal in betrekking met Denemarken bood hij den koning aan de lang verlorene Groenlandsche koloniën voor hem te gaan opzoeken. Het aanbod van den ervaren noordpoolreiziger kon niet anders dan welkom zijn aan eene natie, die reeds vroeger een paar maal tochten met dit doel had ondernomen, en gretig werd dan ook de voorslag aangenomen. Brunel trad dadelijk in Deenschen dienst en gaf niet eerder zijne pogingen op, voordat drie vruchtelooze reizen, door hem in achtereenvolgende jaren ondernomen, hem van de ijdelheid van zijn streven hadden overtuigd[49].
[49] Dit interessante bericht omtrent Brunel heb ik gevonden bij: Megiser, Septentrio Novantiquus (1613), die op p. 174 verhaalt: „Innerhalb 100 Iahren haben die Dennenmercker den Strich oder Weg dahin (d. i. naar Groenland) verlohren. Darumb dann beij vnsern Zeiten, Olivier Brunel, ein wolerfahrner Stewrman dreij Iahr nach einander vom König von Dennenmarck gegen Mitternacht gesandt worden, diese Insul Gronland zu suchen.” Ik heb er een oogenblik aan gedacht, of met die drie reizen in drie opeenvolgende jaren ook die van Hall c. s. (1605-7) bedoeld zouden kunnen zijn.
Het komt mij waarschijnlijk voor, dat Brunel zich daarna in zijn vaderland heeft nedergezet om krachtig mede te werken tot verwezenlijking zijner geliefkoosde plannen en om de begeerte zijner landgenooten naar betere kennis van het geheimzinnige noorden te prikkelen. Wij weten toch, dat de latere noordpoolreizen der Nederlanders voor geen gering deel aan zijne bemoeiingen moeten toegeschreven worden[50]; wij kunnen nagaan, dat hij met Barendsz. zelven uitvoerig over zijne ervaringen moet gesproken hebben[51]. Waarschijnlijk ging hij met zijne onderrichtingen voort tot aan zijnen dood, die zeker op het einde der zestiende eeuw voorgevallen is: althans in 1577 was hij »al een bedaeght man”[52]. Zijn naam bleef wijd en zijd bekend: Engelschen en Nederlanders vermelden hem als iemand van gezag en ondervinding[53]. Slechts de zorgeloosheid der geschiedschrijvers is oorzaak, dat wij zoolang onbekend gebleven zijn met de lotgevallen van eenen landgenoot, wiens naam als die van zoovele reizigers dier tijden tot nog toe nagenoeg het eenige was, dat van hem ter onzer kennis was gekomen[54].
[50] Hessel Gerritsz verhaalt (Beschr. v. d. Samoyeden-Landt. p. 2), dat „de tochten der Engelschen ende van Olivier Brunel” aanleiding tot de Nederlandsche noordpoolreizen gegeven hebben.—Ik vermoed, dat Brunel om tot die reizen aan te sporen zelfs eene brochure heeft uitgegeven, waarin hij zijne lotgevallen in het noorden beschreef. Het boekje is waarschijnlijk de aan prof. Fruin (Tien jaren p. 241 Noot 2) onbekend gebleven bron van Wassenaer.
[51] Dit maak ik op uit het feit, dat Barendsz. Kostin-sjar herkende volgens de beschrijving door Brunel daarvan gegeven. (De Veer, Drie seylagien. Eerste reis. fol. 7.)
[52] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 93.—Het tijdstip van zijnen dood maak ik op uit het feit, dat hij, bekend als hij was en na al zijne bemoeiingen, niet voorkomt onder de bevelhebbers der drie noordpoolreizen van 1594-97. Ook sprak Hessel Gerritsz. reeds in 1613 van zijne reis als die van „Oliverii cuiusdam Bunelli.” (Descr. detect. freti, bij: Asher, Hudson. p. 237)—Ik geloof dan ook niet, dat hij in 1606 bij de ongelukkige noordpoolreis van John Knight tegenwoordig geweest kan zijn, wat men anders zou kunnen opmaken uit de volgende mededeeling. Aan het einde van het journaal der reis (bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 831) staat vermeld: „The rest of this Iournall, from the death of Master John Knight, was written by Oliuer Browne (of „Brownel”) one of the Company.” (De laatste letter van den naam Brownel is niet duidelijk afgedrukt.) Maar al is de lezing „Brownel” (de gewone Engelsche verbastering van „Brunel”) juist, dan schijnt het toch vreemd, dat een oud en ervaren, algemeen bekend zeeman als hij nog in eene ondergeschikte betrekking zou gevaren hebben. Onmogelijk is het echter volstrekt niet, dat wij hier een belangrijk bericht over den verderen levensloop van onzen landgenoot bezitten. Dat Brunel te gelijk met Knight uit Deenschen in Engelschen dienst overgegaan is en zoodoende het noordwesten op nieuw bezocht, is op zich zelf niet onwaarschijnlijk, te minder daar de Engelschman Josiah Logan nog in 1611 nauwkeurig wist te zeggen, hoe Brunel Kostin-sjar gevonden had. (Beke, Three voyages. p. XLIII.) Ik maak hieruit op, dat deze Engelsche noordpoolreiziger, die uit de ons bekende veel kortere Nederlandsche berichten niet geput kan hebben, Brunel persoonlijk moet gekend hebben. En bovendien zou het feit, dat Brunel zich na zijne mislukte noordpoolreis in 1584 voortdurend in Deenschen en Engelschen dienst bevond, zijne afwezigheid op de latere Nederlandsche noordpoolreizen en Hessel Gerritsz.’ onbekendheid met zijne lotgevallen voldoende verklaren.
[53] Vgl. de bij Beke (Three voyages. p. XLIII, XLIII) aangehaalde gezegden van Barendsz., Hudson en Logan. Zie ook het contract van Moucheron met Zeeland, bij: De Jonge, Opkomst. I p. 17.
[54] Ik ben in de beschrijving van het leven van Brunel uitvoeriger geweest dan ik over de verdere Nederlandsche noordpoolreizen zijn zal, omdat hetgeen over dezen persoon, die reeds vroeger de aandacht der geschiedkundigen getrokken heeft, bekend is, gevonden wordt in allerlei oude werken. De eenige, die er een overzicht van geeft is—behalve De Jonge, die natuurlijk zeer kort is,—Hamel, wiens boek door het geheele gemis van opgaven der bronnen minder vertrouwen geniet dan het verdient. De drie nu volgende, beroemde ontdekkingsreizen der Nederlanders zijn echter meer dan voldoende bekend: ik zal dus bij het verhalen daarvan den tegenovergestelden weg inslaan en mij zooveel mogelijk bekorten.
Maar waren ook zijne daden vergeten, de uitwerkselen daarvan zijn sinds eeuwen wereldberoemd. Brunel zelf schijnt de uitvoering zijner plannen niet meer beleefd te hebben, maar zijn deelgenoot Moucheron vatte met de hem eigene energie het oude, niet vergeten plan weder met kracht aan, zoodra hij een geringe kans van slagen zag. Gedurende de lange jaren, dat de onderneming schijnbaar was opgegeven, had hij door zijne bloedverwanten te Archangel en te Londen, door personen, die hij alleen met dat doel naar Rusland zond, onvermoeid de meest volledige inlichtingen verzameld over de kansen op eene noordoostelijke doorvaart en de resultaten door Russen en Engelschen reeds verkregen[55]. In 1593 kon hij zich dan ook tot Maurits Van Nassau wenden[56] en, door dezen aan de Staten aanbevolen, in December aan den thesaurier van Zeeland Jacob Valcke en aan de Gecommitteerde Raden dier provincie zijne plannen ontvouwen. De Staten van Zeeland toonden zich dadelijk geneigd tot medewerking: zij boden Moucheron het bestuur over de onderneming aan en 1⁄3 van de in- en uitgaande rechten der langs den nieuwen weg te vervoeren goederen, mits hij 1⁄4 van de kosten droeg. Toen echter de zaak door eene conferentie van Moucheron met Maurits, Oldenbarnevelt, Cant, Maelson en Valcke meer algemeen bekend werd, mengde zich ook Holland daarin en beide provinciën besloten geheel op eigene kosten zonder tusschenkomst van Moucheron den tocht te doen ondernemen. Den ontwerper beloofden zij met eene som gelds of eene jaarwedde voor hem en zijne nakomelingen te zullen beloonen. Moucheron moest, hoewel hij liever zelf als aandeelhouder in de verwachte voordeelen der onderneming had willen deelen, toegeven en hij sloot met de Staten van Holland en Zeeland een contract, waarbij hij zich verbond hen voor de ontworpen reis met zijne verkregen kennis bij te staan. Na lange beraadslagingen en vele conferentiën met Moucheron werd eindelijk 11 Mei 1594 de Instructie voor de expeditie vastgesteld en den 16 door de Staten-Generaal bekrachtigd. Dit gewichtige stuk bevatte den last om de Yugorsky-sjar, de straat tusschen het vaste land en het eiland Vaigatsch, door te zeilen, te trachten over de Kara-zee het voorgebergte Tabin te bereiken en van daar na alle kusten, eilanden, havens en reeden, alle zeeën en andere wateren goed opgenomen te hebben, na de nauwkeurigste waarnemingen omtrent vloed en eb en andere belangrijke verschijnselen in het scheepsjournaal te hebben aangeteekend, onverwijld huiswaarts te keeren. Het zoeken van den verderen weg werd voor eene volgende reis bewaard[57].
[55] Zie hierover en over de verdere voorbereidingen tot de expeditie: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Voor-reden.)—Contr. der Stn. v. Zeeland met Moucheron, als bijlage achter de Notulen Zeeland 1594.—Le Petit, Gr. chron. anc. et mod. II p. 651.—De Jonge, Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I p. 14-18.—Een uitnemend en tot in bizonderheden volkomen juist overzicht van de aanleiding en voorbereiding der Nederlandsche noordpoolreizen vindt men bij: Fruin, Tien jaren. p. 238-54.—In: Begin ende Voortgangh van de Oost-Indische Compagnie (Inleid. p. 1, 2) worden Jacob Valcke en Christoffel Roeltius, Thesaurier en Pensionaris van Zeeland, en de bekende kooplieden Balthazar De Moucheron, Jan Jansz. Carel en Dirk van Os als de voornaamste aanleggers der noordoostelijke tochten genoemd. Eveneens bij: Van Meteren, Comment. ofte Memor. fol. CXXV.
[56] Le Petit. Gr. chron. anc. et mod. II p. 651.—Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Voor-reden.)
[57] „Instructie voor Wilhem Barentsz. waer naer hy hem sal hebben te reguleren, omme die reyse by Noorden (Noua Sembla) om t’ ondersoucken ende te vinden naer ’t Coninckryck van China enz.” dd. 16 Mei 1594, in het Register der „Instructien zedert 1588 tot 1610.” R.-A.[Bijlage I]
Ondertusschen had de Amsterdamsche regeering, wier opmerkzaamheid zich weldra op de onderneming vestigde, het plan opgevat om voor zich een aandeel in den roem en het voordeel daarvan te verkrijgen. Aangevuurd door haren burger, den beroemden cosmograaph Petrus Plancius, besloot zij tegelijk met de Staten-Generaal een schip voor eigene rekening naar het noorden uit te zenden. De plannen, door de hooge regeering in overleg met Moucheron gemaakt, droegen echter de goedkeuring der Amsterdammers niet weg. Zij besloten de inzichten van Plancius te volgen. Misschien onder den invloed der berichten van Brunel, die ongetwijfeld van den Russischen handelsweg naar het oosten door Matyushin-sjar ten noorden van Novaya Zemlya (propria) gesproken had, verkondigde Plancius de leer, dat de weg door Yugorsky-sjar met vele moeielijkheden verbonden was (de reis van Pet en Jackman had dit voldoende bewezen) en dat men dus de voorkeur moest geven aan het zoeken van eenen doortocht ten noorden van Novaya Zemlya[58]. De instructie, aan de Amsterdammers door de Staten-Generaal gegeven, luidde dus, dat zij overeenkomstig met deze begrippen den weg aan de beide andere schepen voorgeschreven wel een eind ver moesten volgen, maar dat zij vóor het bereiken van Novaya Zemlya daarvan moesten afwijken en trachten dit land te omzeilen. Na het bereiken van kaap Tabin moest ook deze expeditie na soortgelijke waarnemingen als de andere langs denzelfden weg huiswaarts keeren[59].
[58] Tot het aannemen van Plancius’ meening werkte ongetwijfeld mede de onzekerheid of Novaya Zemlya een eiland dan wel ten noordoosten met het vaste land verbonden was. Was het laatste waar, dan voerde de Yugorsky-sjar niet naar eene opene zee maar naar eene baai, die geen uitgang ten oosten had. (Vgl. o. a. Hessel Gerritsz’ aanteekeningen op de kaart van Massa in: Beschr. v. d. Samoyeden-Landt.—Ook de Instr. der Mosc. Comp. aan Bassendine c. s. en aan Pet en Jackman, aangehaald hiervóor p. 17 Noot 2.—Eindelijk nog: Philosophical Transactions. Vol. X (1675) p. 418.)
[59] Instr. der Stn.-Gen. voor Wilhem Barentsz., dd. 16 Mei 1594, in: Instructieboek der Stn.-Gen. 1588-1610. R.-A.
Wel niet te gelijk, maar toch op denzelfden dag (5 Juni 1594) verlieten de beide expedities de reede van Texel. Den vorigen dag had men besloten gezamenlijk den tocht tot Kildin te maken en Cornelis Cornelisz. Nay, den kapitein van een der beide schepen van de Staten-Generaal, tot opperbevelhebber van de geheele vloot benoemd. Den 23 Juni lag men te zamen voor Kildin: spoedig daarop vertrok elk in de hem voorgeschrevene richting. Wij zullen eerst de grootste der beide uitrustingen op haren weg volgen.
De twee schepen, de Swane van Veere en de Mercurius van Enkhuizen, uitgerust onder toezicht van Moucheron en Maelson, vertrokken 2 Juli naar Vaigatsch. Op de Swane was kapitein Cornelis Cornelisz. Nay van Enkhuizen, die meermalen voor Moucheron op de Witte Zee gevaren had, stuurman Pieter Dircksz. Strickbolle van Enkhuizen, een zeeman, die zijne ervaring mede in dienst der Moucherons had verkregen; als commies was daar de bekende Francoys De la Dale, een bloedverwant van Moucheron, die lang voor hem aan de monden der Dwina vertoefd had; Christoffel Splindler, een Slavoniër die te Leiden gestudeerd had, ging als tolk mede. Op de Mercurius was kapitein Brandt Ysbrandtsz. Tetgales van Enkhuizen en stuurman Claes Cornelisz. uit dezelfde stad; de commies was de beroemde Jan Huygen Van Linschoten. Wat kon men niet van de vereenigde pogingen van zoovele ervarene en geleerde mannen verwachten!
Het resultaat der onderneming was, hoezeer ook door tijdgenooten geroemd, slechts gering: de Nederlanders kwamen langs denzelfden weg als Pet en Jackman ongeveer tot hetzelfde punt als hunne voorgangers. Reeds dadelijk door drijfijs bemoeielijkt zeilden zij langs de Russische kust, staken de Witte Zee en de Cheskaia-golf over en bereikten 18 Juli den mond der Pechora. Den 21 kwamen zij bij Vaigatsch voor anker, zeilden na vele onderzoekingen de Yugorsky-sjar door en bereikten 1 Augustus de zee van Kara. Ook daar werden zij zeer door drijfijs gehinderd, maar na moedig doorzetten kwamen zij 9 Augustus op omstreeks 71° NB. in eene opene zee. Zij meenden daarom wel wat voorbarig de doorvaart naar Indië gevonden te hebben en »stemden met een ghemeen accoort de Cours weder naer ’t Vaderslandt te stellen om aldaer (hun Godt sulcks gunnende) dese wel-gheluckte begonnen vaert, met blijdtschap te communiceren.” Aan verschillende, zooals zij meenden door hen ontdekte plaatsen hadden zij namen gegeven. Zoo noemden zij Yugorsky-sjar de straat van Nassau, Vaigatsch het Enkhuizer eiland, de Kara-zee de Nieuwe Noordzee, twee eilanden het Maelsons- en het Staten-eiland[60]. Fier op het resultaat hunner reis, die hen naar zij meenden voorbij den Ob en in het gezicht van kaap Tabin gebracht had, ontmoetten Nay en de zijnen den 16 Augustus ten westen van Vaigatsch de Amsterdammers, die minder hoog van zich zelven denkende in werkelijkheid aan het voorgestelde doel veel nader gekomen waren.
[60] Vgl. over deze reis: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Eerste reis.)
Deze expeditie bestond uit slechts éen schip, de Mercurius, dat een jacht of visschersschuit bij zich had. De geringe krachten der onderneming werden echter ruimschoots opgewogen door de tegenwoordigheid van Willem Barendsz. als kapitein. Het is voldoende zijnen naam te noemen om voor den lezer dadelijk het beeld op te roepen van dezen beroemden Terschellinger, den ervaren stuurman, die »van syne kintsche daghen aen altijt gheneghen gheweest was, omme nae alle syn vermoghen, de Landen die hy bewandelde oft beseylde, Caertsghewyse met den omloopenden Zeen, Wateren, ende Streckinghen af te beelden”[61],—den vromen held, die volgens zijne zinspreuk »Niet sonder God”[62] deed,—den man eindelijk, wiens karakter zijnen onderhoorigen tegelijk diep ontzag en warme genegenheid inboezemde. Het is dan ook overbodig meer over zijnen persoon te zeggen; van zijne vroegste lotgevallen is het onmogelijk iets van belang mede te deelen.
[61] Barentzoen, Nieuwe beschr. ende Caertboeck vande Midlandtsche Zee. (Voorrede.)
[62] Barentzoen, Caertb. vande Midlandtsche Zee. (Lofdicht.)—De opvoeding van Barendsz. schijnt door Beke (Three voyages. p. LV) met recht „good if not learned” genoemd te zijn: uit de opdracht van het Caertboeck blijkt, dat hij Latijn verstond.
Den 29 Juni verliet de Amsterdamsche expeditie Kildin, den 4 Juli kreeg zij Novaya Zemlya in het gezicht ten noorden van Matyushin-sjar. De lijn der kust volgende bereikte Barendsz. reeds 10 Juli zonder vele moeielijkheden kaap Nassau, het punt van waar de kust zich oostwaarts wendt, maar reeds drie dagen later ontmoette hem veel ijs en het overige gedeelte der reis ging daardoor met ontelbare bezwaren gepaard. Steeds heen en weer zeilende kwam het schip eerst 29 Juli op 77° NB. bij het noordelijkste punt van Novaya Zemlya, dat IJskaap genoemd werd, en twee dagen later bij de Oranje-eilanden, die nog steeds de herinnering aan Willem Van Oranje bewaren. Juist op dit punt, waar de lang gezochte zee van Kara zich opende, moest Barendsz. zijne pogingen opgeven: de zee was vol drijfijs en de bemanning weigerde verder te gaan. Men zeilde terug geheel langs Novaya Zemlya tot de zuidpunt toe, miste echter Matyushin-sjar, waar men juist de kust eenige dagen verlaten had, en bereikte na lang omzwerven Vaigatsch. Den 16 Augustus ontmoette Barendsz. daar Nay en de zijnen[63]. [Bijlage II]
[63] Vgl. over deze reis: De Veer, Drie seylagien na de Coninckrycken van Catthay ende China. (Eerste reis.)
Den 16 September 1594 kwam de verzamelde vloot behouden in het vaderland aan. De bevelhebbers deden dadelijk verslag van hunne verrichtingen aan Maurits, aan de Staten-Generaal en aan de Staten van Holland, in tegenwoordigheid van eenen afgevaardigde van Zeeland. Het resultaat van Nay’s reis, hoe gering het ons moge schijnen, en ook het verslag door de Amsterdammers uitgebracht, waren wel geschikt om den Staten moed te geven tot verdere pogingen. Beide ondernemingen hadden ten oosten van Novaya Zemlya eene opene zee gevonden; beide konden meenen, dat de bezwaren op eenen weg naar Oost-Indië niet onoverkomelijk waren. Dadelijk werden dan ook de voorbereidende maatregelen getroffen om op nieuw uit te zeilen. Door middel van den bekenden Emanuel Van Meteren, Nederlandsch consul te Londen, werden inlichtingen ingewonnen van den Engelschen geograaph Richard Hakluyt. Het bericht door dezen gegeven luidde alleszins bemoedigend: Hakluyt geloofde, ook onafhankelijk van de door de Nederlanders verkregen kennis, vast aan het vinden van den noordoostelijken doortocht. Door al deze berichten was men in Nederland vol hoop; men vreesde zelfs nu reeds mededinging van Frankrijk langs den te vinden weg: men stelde voor de straat van Nassau te versterken en zoo aan alle vreemde natiën den pas af te snijden; tot het verder voortzetten der ontdekkingsreizen werd zonder aarzeling besloten. Holland was de eerste provincie, die van de zaak sprak. Reeds in October 1594 werd de zaak daar in de statenvergadering behandeld. Ook Zeeland toonde zich ijverig: Moucheron was den Staten weder met raad en daad behulpzaam. Na langdurige conferentiën van Holland en Zeeland onderling en van deze provinciën met de Staten-Generaal, werd 9 Mei 1595 tot het ondernemen eener tweede reis op staatskosten besloten: de instructie werd 16 Juni vastgesteld[64].
[64] De Jonge, Opkomst v. h. Nederl. gezag in Oost-Indië. I p. 20, 21.—De Instructie is afgedrukt in de „Voyasie” van Linschoten op fol. 24.
Het plan dezer tweede Nederlandsche noordpoolreis leeren wij nauwkeurig kennen uit de »pointen geproponeert opte Nauigatie benoorden om, naeden Coninckrycken van China ende Japan.”[65][Bijlage III] Het voornemen was zich 11 Juni in het Marsdiep te verzamelen en van daar ten spoedigste langs Vaigatsch naar kaap Tabin te zeilen. Twee jachten waren bestemd om de tijding van het bereiken van dit moeielijk te naderen punt dadelijk in het vaderland aan te brengen. De expeditie zou ondertusschen van kaap Tabin voortstevenen »naede haeuen ende Stadt van Guinsay”, aldaar landen en moeite doen om den vrijen handel te bekomen, vooral er op lettende »wat Coopmanschappen aldaer aengenaem waren, ende voor retour herwaert szouden wezen te becommen.” Dezelfde pogingen moesten de schippers, wanneer het hun hier mislukte, herhalen in alle havens van Azië’s oostkust tot aan het noorden van Japan. Slaagde men ook daar niet, dan moesten de schepen terugkeeren om in Juli, Augustus of uiterlijk September 1596 straat Nassau weder te kunnen passeeren. Evenals het vorige jaar kreeg de bemanning last »van alles goede notitie te houden” en twee jachten af te zenden om den terugweg benoorden Novaya Zemlya te beproeven onder belofte van »eerlycke recompense extraordinarie by succes.” Zooveel wat de reis zelve betrof; de Staten wenschten echter reeds dadelijk de handelsbelangen te bevorderen en besloten »omme te aengenamer te wezen in de voorszeide landen” »eenige Coopmanschap” aan de schepen te doen medegeven. Ten einde de ondernemingszucht der kooplieden, »die op zoe onzekere reyse niet gaerne en zouden hazarderen,” te prikkelen, zou men hen »daertoe Inviteren” door de belofte van vrijdom van in- en uitgaande rechten en van de vracht. Ook kolonisatieplannen werden gekoesterd; ten minste men besloot, dat »oick geleth soude werden oft men eenige quaetdoenders op het Landt soude stellen.”[66]
[65] Zie dit merkwaardige stuk in de verzameling: Noordsche togten, 1. R.-A.—Deze „pointen” werden den 9 Mei 1595 in tegenwoordigheid van Moucheron en andere gecommitteerden der Staten van Zeeland in de vergadering der Staten-Generaal geresumeerd. Men besloot de reis op die punten vermeerderd met de adviezen der comparanten en op eene nadere instructie te ondernemen, en de kosten uit den opbrengst der konvooien en licenten te vinden. (R. S.-G. 9 Mei 1595.)[Bijlage IV]
[66] Daertoe werd besloten; Van Meteren (Comment. ofte memor. fol. CXXV) verhaalt: „eenighe souden daer ontrent verwinteren, om te weten hoe langhe den Winter ende ghevries daer duert, daer toe ghereetschappe mede nemende om stoven op te stellen.”
Nog veel tijd ging met het gereedmaken der vloot heen: eerst 2 Juli konden de schepen voor de onderneming bestemd van Texel in zee steken. Opperbevelhebber der vloot was wederom Cornelis Cornelisz. Nay[67], opperstuurman Willem Barendsz. Als commiezen van Holland waren op de vloot aanwezig de bekende Linschoten, Heemskerck en Rijp; voor Zeeland De la Dale en Buys, neven van Moucheron. Zoo zeker rekende men ditmaal op het bereiken van Azië’s oostkust, dat men het anders geheel onnoodige getal van zeven schepen voor de reis had uitgerust; men hoopte ze beladen met kostbare handelsartikelen te zien terugkeeren, en werkelijk hadden eenige kooplieden de schepen met koopmanschappen bevracht. De Instructie, die voor Linschoten en De la Dale als oppercommiezen werd gereed gemaakt, schreef hun zelfs nauwkeurig voor, hoe zij met de vorsten der stammen ten noorden van Japan handelsbetrekkingen moesten aanknoopen.
[67] Merkwaardig is het zeker en het getuigt niet voor Nay’s bestuur op den eersten tocht, dat de Staten-Generaal besloten, wanneer de bevelhebber „thert ende Resolutie nyet en hadde om voort te varen”, de overige bevelhebbers dit op hunne eigene verantwoordelijkheid mochten doen; een nader aan te wijzen persoon, misschien wel de onversaagde Willem Barendsz., zou dan het bestuur voeren. (Pointen opte Nauigatie benoorden om, in: Noordsche togten, 1 R.-A.)
Al deze schoone verwachtingen zouden echter op de grievendste wijze teleurgesteld worden. Eerst den 10 Augustus bereikte de vloot den Noordkaap; reeds den 17 ontmoette zij drijfijs. Toch kwamen de reizigers weldra aan de straat van Nassau, waar zij echter in eene baai, door hen Traenbaei genoemd, moesten blijven liggen: de geheele straat van Nassau was eene onafgebroken ijsvlakte. Wel gelukte het 24 Augustus de straat door te zeilen, maar het ijs dreef de schepen spoedig weder naar Vaigatsch terug en toen zij eindelijk 3 September het Staten-eiland bereikten, bleken de moeielijkheden in de zee van Kara toch te groot dan dat men zich daarin durfde wagen. Na herhaalde vruchtelooze pogingen door Barendsz., die van geen terugkeeren hooren wilde, gedaan om ergens open water te vinden, bewilligde deze eindelijk 15 September in het mede-onderteekenen van een protest, waarbij alle bevelhebbers der vloot voor God verklaarden, dat het hun onmogelijk was dit jaar verder te zeilen. Eerst in November kwamen de schepen zeer verspreid in het vaderland terug[68].
[68] Zie over deze reis: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Tweede reis.)—De Veer, Drie seylagien na de Coninckrycken van Catthay ende China. (Tweede reis.)
Maar al was het resultaat ontmoedigend, de kooplieden wilden hun streven niet opgeven. Nog vóor het einde van het jaar leverde Linschoten aan de Staten-Generaal zijn journaal van de reis over; tegelijk gaf hij HHM. een nieuw plan ter overweging. Op het voorbeeld der Portugeezen wijzende, die eerst na herhaalde proefnemingen den weg naar Oost-Indië hadden gevonden, wekte hij de Staten tot een nieuwe poging op. Door het reeds omtrent de gelegenheid der Yszee bekende achtte hij het ontwijfelbaar, dat de noordoostelijke doortocht naar Oost-Indië bestond; uit de jaarlijksche tochten der Russen naar den Ob besloot hij, dat de straat van Nassau niet altijd zoo onbevaarbaar zijn kon als de Nederlanders haar dien zomer gevonden hadden. Alleen »de kennisse ende rechte ervarentheydt van den tijt” was nog onbekend. Om die kennis te verkrijgen stelde Linschoten voor, dat de Staten vroeg in het voorjaar van 1596 twee »Iachten ofte Boots” naar de straat van Nassau zouden zenden om daar het oogenblik af te wachten, dat de Russische schepen de reis naar den Ob deden. Eenmaal daar aangekomen twijfelde hij niet of de verdere weg was gemakkelijk: zijne ondervinding van 1594, toen hij meenende reeds voorbij den Ob te zijn eene opene zee had gevonden, boezemde hem daaromtrent het volste vertrouwen in. Weldra zouden de schepen de rivier de Gillissy (de Jenissei) bereiken, waar zij des gevorderd gemakkelijk overwinteren en van de talrijke kustbewoners de noodige inlichtingen verzamelen konden om het volgende jaar de reis voort te zetten[69].
[69] Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. (Conclusie ofte Na-reden.)—Hetzelfde plan werd later nog aanbevolen door Massa (Cort verhael. p. 8, in: Beschr. v. d. Samoyeden-Landt),—en door Pontanus. (Beschr. v. Amst. p. 179.)
Maar hoe schoon het plan mocht schijnen, er kwam niets van. De onvoldoende uitslag der laatste onderneming schrikte de regeering van verdere pogingen af. Wel beraadslaagden de Staten-Generaal en de Staten van Holland nogmaals ernstig over een nieuwen tocht, maar »hoe wel meest alle de Steden van Hollant daer toe eerst waren jnclinerende”[70], besloot men toch geen geld meer aan zoo onzekere kansen te verkwisten en liever eene premie van ƒ25.000 benevens vrijdom van in- en uitgaande rechten uit te loven voor dengene, die den doortocht werkelijk ontdekt had[71]. Amsterdam, altijd zoo ijverig in het bevorderen van deze zaak, liet het er niet lang bij blijven. Reeds vóordat de premie uitgeloofd was had de vroedschap besloten,—overwegende »dat bysonder dese Stad (als principaelyck Inde coophandel ende nauigatie bestaende) ende oick ’t gemeene landt ende d’Ingesetenen vandien in neringe, coophandelinge ende ryckdomme grootelicx souden kommen te floreren, by soe verre de voorszeide vaert (daer toe goede hope wierd gegeven) mochte werden gevonden,”—dat de stad ƒ12.000 zou beschikbaar stellen om twee schepen, éen van 50 à 60 en éen van 30 last, naar het noorden uit te zenden[72]. Plancius was nu evenals de vorige malen niet alleen een der voornaamste bevorderaars der reis, maar ook de eerste raadsman der regeering. Had hij het vorige jaar bij het opmaken der plannen voor de reis zijne eigene inzichten opgeofferd, toen het scheen alsof de straat van Nassau een geheel ijsvrijen weg naar Oost-Indië zou openen; nu het gebleken was, dat deze straat somtijds nog grootere moeielijkheden opleverde dan het omzeilen van Novaya Zemlya, kwam hij op zijn oude plan terug. Men besloot dan ook, dat deze expeditie den door Barendsz. onderzochten weg nogmaals zou inslaan.
[70] Resol. der Amst. vroedschap, dd. 25 Maart 1596. (Amst. arch.)[Bijlage V]
[71] R. S.-G. 13 Apr. 1596.—De Veer, Derde seylagie. fol. 16.
[72] Resol. Amst. vroedsch. 25 Mrt. 1596.—Pieter Hasselaer en eenige anderen werden door de burgemeesters volgens deze resolutie aangewezen, „omme te verzorgen alle ’t gundt tot wtrustinge vande voornoemde schepen van noode wezen zou.” De Veer, Drie seylagien. fol. 61.
Wederom waren het ervarene zeelieden, aan wie het bestuur der schepen werd toevertrouwd. Was Jan Cornelisz. Rijp van Enkhuizen, die reeds den vorigen tocht als commies had medegemaakt, schipper en commies op het eerste schip met Arend Martensz. van Amsterdam als stuurman[73]; in het andere bekleedde Jacob Hendricksz. Heemskerck dezelfde betrekkingen als Rijp, terwijl geen minder persoon dan Willem Barendsz. stuurman was. De bizonderheden van deze allerbelangrijkste onderneming, waarbij men verdere ontdekkingen deed dan de meeste beroemde zeevaarders der negentiende eeuw, zijn algemeen bekend: deze reis is een der populairste gedeelten onzer geschiedenis. Ik kan mij dus bepalen tot het geven van een overzicht van den gevolgden weg. Den 18 Mei van Vlieland uitgezeild zette men noordelijk koers. Reeds spoedig ontstonden er onaangenaamheden tusschen de aanvoerders van beide schepen. Rijp meende, in overeenstemming met Plancius’ inzichten[74], dat het volgen van den ouden koers tot bij Novaya Zemlya de expeditie evenals vroeger in het ijs zou voeren; hij vreesde ook op de reeds zoo dikwijls onoverkomelijk bevonden bezwaren, die de zee bij Vaigatsch aanbiedt, te zullen stuiten. Ook Barendsz. was wel niet van plan zich naar Vaigatsch te begeven, maar hij meende toch dat de richting, die Rijp aangaf, te veel westelijk was. Voor eenen tijd gaf hij echter toe dien koers te blijven vervolgen. Het resultaat daarvan was reeds 9 Juni de ontdekking van Beeren-eiland en weinige dagen later (17 Juni[75]) ook van Spitsbergen[Bijlage VII], dat zij niet verre van den noordwestelijken hoek bereikten. De pogingen om van daar in noordwestelijke richting eenen doorgang door het ijs naar de pool te vinden mislukten. Men keerde na eene landing op een der noordwestelijke eilanden terug en poogde, langs de kust zuidelijk gestevend, de zeeëngte, die Prince Charles’ foreland van Spitsbergen scheidt, door te zeilen. Maar deze nauwe straat bleek onbevaarbaar en de expeditie voer dus het eiland westelijk langs, bezocht Bellsound en bereikte, nadat zij de geheele westkust van Spitsbergen gevolgd had, den 1 Juli het Beeren-eiland weder[76]. Hier deed zich het verschil van gevoelen tusschen beide bevelhebbers op nieuw voor en men besloot tot eene scheiding. Rijp zeilde nogmaals noordelijk om te trachten de pool te bereiken. Daar hij aan de westzijde van het nieuw ontdekte Spitsbergen de ijsvlakte dicht aaneengesloten bevonden had, beproefde hij ditmaal of ten oosten van dat land de kans hem gunstiger zou zijn. Maar vergeefs! Ook daar vond hij de ijsmuur ondoordringbaar en al volgde hij den rand daarvan westelijk, geen doorgang vertoonde zich. Bij zijne pogingen om dien te vinden geraakte hij ondertusschen hoe langer hoe meer westelijk, ten noorden van het land, en kwam eindelijk op de plaats terug, waar hij eenige weken te voren met Heemskerck en de zijnen vruchteloos naar eenen doorgang gezocht had. Van daar zuidelijk gezeild, richtte hij in eene baai op 79° en eenige minuten NB., waarschijnlijk de Cross-bay, een paal op, zooals hij dat met de anderen had afgesproken en zeilde ook de vroeger bezochte Vogelhoek voorbij. Het vinden van een doortocht noordelijk naar den pool werd nu opgegeven en Rijp besloot Heemskerck en de zijnen naar Novaya Zemlya te volgen. Het jaargetijde was ondertusschen verre verloopen en weldra stuitten de reizigers op zooveel ijs, dat zij genoodzaakt waren »sonder veel anders uyt te rechten” te Kola binnen te loopen en van daar huiswaarts te keeren[77]. Niet het schip van Heemskerck heeft dus, zooals onlangs beweerd is, Spitsbergen omzeild; aan Rijp alleen komt de eer van die moeielijke reis toe. De weinige publiciteit, die echter aan den tocht van Rijp na zijne scheiding van Heemskerck gegeven is, schijnt de oorzaak geweest te zijn, dat de aardrijkskundige wetenschap der zeventiende eeuw van zijne ontdekking, dat Spitsbergen een eiland is, geen partij getrokken heeft.
[73] Zie zijne getuigenis over den tocht van Rijp in de verzameling: Noordsche togten. 4. Loopende Noordsche Compagnie. R.-A.[Bijlage VI]
[74] Plancius meende volgens Linschoten (Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. Voor-reden): „dat boven Nova-Zembla, te weten, onder den Polus Arcticus door, den rechten ende doenlijcksten wegh moeste zijn; om welkes te bevestighen, hy .... ghenoegh met sekerheyt bevestighde, .... dat den wegh onder den Pole, te weten, boven Nova Zembla om, seker, gantsch ghewis, ende sonder twijffel goet was.”
[75] Dien datum geeft het journaal van Barendsz., door Hessel Gerritsz. medegedeeld; dat van De Veer vermeldt eerst 19 Juni het zien van land.
[76] In de beschrijving van deze reis verwerp ik het gevoelen van Beke (Three voyages. p. LXXXV-LXXXIX), die meent, dat Spitsbergen door Heemskerck en Rijp omzeild is. Ook De Jonge is het niet met Beke eens (Opkomst. I p. 23-26); het komt mij echter voor, dat zijne gronden niet alle even afdoende zijn. Doch sinds de uitgave van dat werk zijn er een paar ontdekkingen gedaan, die Beke’s gevoelen geheel wederleggen. Tiele heeft aangetoond (Mém. s. l. journ. des navigat. Holl. p. 93, 112, 195): 1o. dat de opgave van den weg der reizigers van 1596/7 op de „tabula geographica” (opgenomen o. a. in Ashers Hudson the Navigator) door Barendsz. zelven daarop is aangeteekend en dus een onwederlegbaar bewijs levert, dat Spitsbergen door hem niet omzeild is. 2o. dat de voornaamste grond, waarop Beke de authenticiteit van het door Hessel Gerritsz. in zijne Histoire de Spitsberghe medegedeelde journaal van Barendsz. zelven betwist, (namelijk de vermelding daarin van den naam Spitsbergen,) vervallen is door De Jonge’s ontdekking van Rijps getuigenis, waarin men leest, dat reeds de eerste ontdekkers aan het eiland den naam gaven, waaronder het later bekend bleef. (Opkomst, I p. 24.) De andere reden, waarop Beke de echtheid daarvan betwist, beteekent m. i. niets. Hij meent, dat Barendsz’. journaal noodzakelijk na den dood van den schrijver in handen van De Veer had moeten komen en dus met het journaal van den laatste in alle opzichten overeenstemmen. De noodzakelijkheid, dat het journaal van den opperstuurman na diens dood aan een ondergeschikt, zij het ook bevriend, persoon uit de bemanning ter hand gesteld werd, zie ik volstrekt niet in. Maar ook al neemt men die aan, dan toch is het ondenkbaar, dat de eerlijke Gerritsz., om de ontdekking van Spitsbergen door de Nederlanders te bewijzen, terwijl hij uit het journaal van De Veer eenige feiten overnam, de oppervlakkig beschouwd zeer onwaarschijnlijke koersen langs nog grootendeels onbekende kusten, die het door hem medegedeelde extract opgeeft, zou verzonnen hebben, zonder daardoor zijne argumentatie vóor de ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders ook maar iets sterker te maken dan ze door de eenvoudige mededeeling van De Veer’s journaal zou geweest zijn. Het verschil in de opgaven der koersen en hier en daar in het verhaal der omstandigheden, bewijst voldoende, dat wij hier twee geheel zelfstandige werken voor ons hebben. En dan verdient het journaal van Barendsz., dat minder anecdoten, maar meer opgaven van koersen geeft, m. i. zelfs veel meer vertrouwen dan de onduidelijke opgaven van De Veer, die blijkbaar minder goed op de hoogte was. Nog meer: uit den tekst van het door Gerritsz. medegedeelde uittreksel zelf blijkt m. i., dat het aan het dagboek van den stuurman ontleend is. De uiterst nauwkeurige mededeeling van de gevolgde koersen, van de gemaakte waarnemingen, het geheel verwaarloozen van alles, wat aan het verhaal voor den lezer iets aangenaams geven kan, stempelt het fragment als een scheepsjournaal, een „logbook”, dat niet tot lectuur bestemd is. Ik meen dus, dat het journaal van Barendsz. echt is. Maar ook al neemt men dit niet aan, dan nog verdient het fragment als zelfstandig werk van een blijkbaar beter ingelicht persoon dan De Veer, wiens mededeelingen soms zeer onbestemd zijn, alle vertrouwen. En Beke zelf geeft toe (Three voyages. p. LXXXIX Noot), dat de daar beschrevene reis langs Spitsbergens westkust niet ten noorden van het eiland plaats had. (Vgl. ook het verhaal der reis van den goed ingelichten Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CLIII,—en het verhaal door Hessel Gerritz. in de Detectio freti. ed. 1613, F. 2 uit het journaal van De Veer opgemaakt.)—Zoo het noodig was, bij deze afdoende argumenten tegen de omzeiling van Spitsbergen door Barendsz. een ander te voegen, dan zou reeds het door Beke zelf vermelde feit, dat Spitsbergen door Barendsz (en door velen lang na hem) voor een gedeelte van Groenlands oostkust gehouden werd (een feit, dat volstrekt niet strijdt met het geven van den naam van Spitsbergen aan een gedeelte dier kust) onverklaarbaar zijn, wanneer het eiland op de zoo algemeen bekende reis van 1596/7 door Barendsz. omzeild was. (Vgl. o. a. Van Meteren, Comment. fol. CLIII.—Zie ook: Hist. de Spitsberghe. p. 13, waar gezegd wordt: „Du Fayre Forland au long de la coste il faut prendre la route Nord nordest et Nordest, jusqu’es par dessus la hauteur de 80 degrés la ou Guilliaume Barenss. et Jean Corneliss. Rijp, decouvrirent premièrement le Pays”,—en van het noordelijke gedeelte van den Foreland fjord: „c’est la mesme Baye la ou ont esté Guilliaume Barenss. et Jean Corneliss. laquelle ils pensoyent passer par derrière ou par dedans, mais ils n’y trouvoyent pas prou (?) profond et y avoit de la glace, qui estoit ferme attaché au fond, comme aussi a trouvé la Navire de Duynkerkes, selon qu’a raconté un de leur Pilotes.” Het Duinkerksche schip was in 1613 op Spitsbergen ter walvischvangst. (Hist. de Spitsb. p. 21.) Deze ijsdam, waarop men stuitte, wordt nog op eene in 1631 vervaardigde kaart van Spitsbergen (in: White, Greenland and Spitsbergen p. 253) als „The Barr” aangeteekend.—Zie over de op deze reis aangedane plaatsen ook de getuigenissen van Arend Martensz. en Antonie Claesz. Homan, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., waar duidelijk het Amsterdamsche eiland, de Foreland fjord en Bellsound opgegeven worden.)
Nog een enkel woord over de beide verhalen van de ontdekking van Spitsbergen: de ontdekking van het journaal van Barendsz. geeft een zeer goede maatstaf voor de kritiek van De Veer’s reisverhaal. Ik zeide reeds, dat de mededeelingen van Barendsz. in alle opzichten den voorkeur verdienen. Niet alleen heeft Barendsz. als zegsman meer gezag dan zijn onderhoorige, maar zijne opgaven zijn beter. Barendsz. geeft gedurig uiterst nauwkeurig de richting op, die soms verscheidene malen op één dag veranderd werd; De Veer zegt dikwijls, dat de koers b.v. eenigszins noordelijk was zonder nadere aanduiding. Barendsz. geeft elken dag het voorgevallene op; De Veer slaat somtijds een paar dagen over. De Veer houdt zich niet alleen dikwijls bezig met uitvoerige verhalen, die van geen belang zijn (b.v. de tallooze gevechten met beeren), maar hij verwaarloost daarom dikwijls zaken van meer belang, waarbij hij trouwens misschien niet altijd tegenwoordig was, of die om andere redenen hem als ondergeschikte dikwijls onbekend bleven. Maar vooral daalt het journaal van De Veer in waarde, wanneer wij door de vergelijking met dat van Barendsz. bemerken, dat hij zijn journaal niet dagelijks bijschreef, maar later opgesteld heeft: hoewel in de hoofdzaak beide verhalen volkomen overeenstemmen is de chronologie van De Veer geheel verkeerd.—Van de andere zijde is het verwijt aan De Veer gedaan, dat zijn verhaal niet te begrijpen zou zijn en de richting van het schip niet te volgen (Beke, Three Voyages. p. LXXXV.—De Jonge, Opkomst. I p. 23,—vooral: Asher, Hudson. p. CXXXIX) onverdiend. Het schijnt mij duidelijk, dat de schepen, van Beeren-eiland NW. gezeild (De Veer’s mededeeling van een NO. koers wordt door de feiten weêrsproken; niettemin was men reeds op de reis zelf het over de gevolgde richting niet eens: Rijp hield met De Veer vol, dat zij NO. gezeild waren. cf. Hist. de Spitsb. p. 10), den 17 Juni ten NW. van Spitsbergen op het ijsveld stuitten, dat zich ten noorden van het eiland uitstrekt. Westelijk deed zich geene opening daarin op, zuidoostelijk scheen het in eene punt te eindigen. De wind belette den reizigers die punt te omzeilen, maar hunne ZO. richting had hen in de nabijheid van Spitsbergen gebracht, dat zij den 19 ontdekten op ongeveer 79°50´ NB. en 13° OL. van Greenwich. Den 20 volgden zij de kust in westelijke richting en zeilden den 21 den NW. hoek van het eiland om. 22 Juni onderzochten zij dien NW. hoek (de twee eilanden en het schiereiland, waar zij de rotganzen vingen, zijn zonder eenigen twijfel het Amsterdamsche en het Deensche eiland met het schiereiland ten N. van de Magdalenabaai, waarop nog de „Rotges- of Rotganzen-berg” ligt.) 23 Juni: vergeefsche pogingen om NW. door den ijsdam naar de pool door te breken, en daarop terugkeer. Zij zeilen daarop „langs de westzijde van het land.” 24 Juni: Cross-bay. 25-27 Juni: tusschen Spitsbergen en Prince Charles’ foreland. 28 Juni: om Vogelhoek Z. langs de kust. 29 Juni: langs de kust tot de zuidpunt van het eiland. 30 Juni: ZO. door de zee. 1 Juli: Beereneiland.—Barendsz.’ journaal komt in hoofdzaak met deze beschrijving van den tocht overeen; vooral in de chronologische volgorde der feiten verschilt hij echter nu en dan en over het geheel geeft hij ook de gevolgde koersen veel nauwkeuriger op.
[77] De koers van Rijp na zijne scheiding van Heemskerck wordt hier voor het eerst medegedeeld. Ik ontleen dien voornamelijk aan de door De Jonge gevonden getuigenis van Rijp zelven. (Opkomst. I p. 24.) De woorden zijn niet overal duidelijk, maar in verband met de mededeeling van De Veer op 1 Juli 1596 (en van Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CLIII), dat Rijp op nieuw naar 80° NB. wilde zeilen en wel oostelijk van Spitsbergen, en met de berichten van zijne aankomst bij Vogelhoek, kan ik de woorden van Rijp: „et prist son cours en amont (naar het noorden?) a tour d’iceluy pays,” niet anders verstaan dan door het omzeilen van Spitsbergen aan te nemen. Daarmede stemt volkomen overeen het verhaal van Rijps plannen en reis door Hessel Gerritsz. (Hist. de Spitsb. p. 10), die Barendsz.’ journaal voor zich had liggen.—Vgl. over de reis van Rijp ook: Pontanus, Beschr. v. Amst. p. 168.
Onderwijl hadden Heemskerck en Barendsz. een geheel andere richting gevolgd. Den 17 Juli kwamen zij in het gezicht van Novaya Zemlya. Op nieuw volgde Barendsz. nu de noordwestkust van het eiland, die hem reeds in 1594 bekend geworden was. Weken lang worstelde het schip met het ijs en den 15 Augustus bereikte men eindelijk de Oranje-eilanden, het verste punt der eerste reis. Ditmaal gelukte het verder te gaan. Zuidoostwaarts de kust volgende zeilde men den Hoek van Begeerte om en kwam 21 Augustus in de IJshaven aan, waar het schip geheel in het ijs beklemd raakte. Hoe de Nederlanders hier van den 26 Augustus 1596 tot den 14 Juni 1597 onder 76° NB. op eene onbewoonde barre plaats in een hut van planken moesten overwinteren, hoe zij daarna in twee opene schuiten de terugreis aannamen, hoe Barendsz. onderweg overleed, hoe zijne lotgenooten na tallooze gevaren ontmoet te hebben eindelijk 2 September te Kola een Nederlandsch koopvaardij schip vonden, waarop hun vroegere tochtgenoot Jan Cornelisz. Rijp kapitein was, en hoe zij van daar 29 October in de Maas aangekomen te Amsterdam in hunne pelzen van vossenvel rapport van hun wedervaren deden,—zijn zaken, die te bekend zijn om ze hier uitvoerig te verhalen[78].
[78] Zie over deze reis: De Veer, Drie seylagien na de Coninckrycken van Catthay ende China. (Derde reis.)—Ook: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 148 Noot 1.
Het verslag, dat Heemskerck en de zijnen van hunne avontuurlijke reis deden, was niet geschikt om tot verdere proefnemingen aan te moedigen. Men mocht hen prijzen om den betoonden moed en volharding; men mocht hun den lof geven, dat zij verder dan een hunner voorgangers in het noorden waren doorgedrongen, te verhelen was het niet, dat de doortocht niet gevonden was en dat, ook al had geen land de reizigers gestuit, de zee zelve dicht bezet met drijfijs een bijna even onoverkomelijken hinderpaal had opgeleverd. Men moest wel door eene harde noodzakelijkheid gedrongen worden, wanneer men die bijna onbevaarbare zee als handelsweg gebruiken wilde. En die noodzakelijkheid bestond reeds niet meer. Waren reeds in het begin van 1596 de uitkomsten van Linschotens reizen in Portugeeschen dienst bekend geworden, in hetzelfde jaar als Heemskerck keerde Houtman met de eerste Nederlandsche vloot uit Oost-Indië terug. De gewone weg, waarom men Spanje en Portugal steeds zoozeer benijd had, was gevonden: wat behoefde men zich een nieuwen doortocht te zoeken, die zooveel meer moeielijkheden aanbood?
Werkelijk werd er in de eerste jaren na 1597 niet meer aan den noordelijken doortocht gedacht: de handel op Oost-Indië bloeide langs den gewonen weg meer en meer. In 1602 kwam het tot de oprichting der Oost-Indische Compagnie, die den handel bevestigen en voor goed in den ouden weg leiden zou. Maar juist door die oprichting ontstond er weder eene aanleiding tot het zoeken van den noordelijken doortocht. In het octrooi had de regeering zijdelings eene premie uitgeloofd op het bereiken van het vroeger zoo begeerde doel. Aan de Oost-Indische Compagnie was namelijk door de Staten het recht verleend om met uitsluiting van alle andere Nederlanders op Oost-Indië te mogen varen langs de kaap de Goede Hoop en door de straat van Magellaan. Andere onontdekte wegen naar Oost-Indië bleven dus voor de vrije mededinging open. Wat wonder; dat zij, die om politieke of religieuse redenen geen deel aan de voordeelen, door de bevoorrechte compagnie verkregen, wilden hebben, zich dadelijk beijverden het oude Nederlandsche plan weder op te vatten, dat te lang vergeten was? De Oost-Indische Compagnie werd door deze mededingers dan ook reeds dadelijk na hare oprichting verontrust. Was er reeds in December 1601—misschien onder den indruk van de verschijning van het journaal van Linschoten in dat jaar,—weder sprake geweest van het zoeken van den noordoostelijken doortocht[79], den 8 November 1602 richtten eenige kooplieden tot de Staten-Generaal een verzoek om hulp tot een tocht »om te soecken den pas om noorden nade eylanden ende vaste landen van Asia ende America.”[80] Dadelijk beraadslaagden de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie om zelven den doortocht te zoeken en zoodoende, steunende op hun recht als eerste ontdekkers, ook dezen weg in hun monopolie te doen opnemen. Het gevaar dreigde echter de compagnie nog te zeer van verre om de vergadering tot zulke maatregelen van belang over te halen: den 7 Augustus 1603 namen de zeventien het besluit den doortocht niet te zoeken. Men schijnt overwogen te hebben, dat ook na de ontdekking het verkrijgen van octrooi bij de bekende ongunstige gezindheid der Staten-Generaal voor monopoliën twijfelachtig was, en men nam dus voor, liever te trachten de pogingen door de vijanden der compagnie aangewend te verijdelen, dan zelf met hen te wedijveren in zoo onzekere ondernemingen[81].
[79] R. S.-G. 21 Dec. 1601.—Het journaal van Linschoten bevatte in de opdracht aan de Staten-Generaal eene nieuwe aansporing tot het zoeken van den noordoostelijken doortocht. Het doel dezer poging, door de vijanden der O.-I. C. gewaagd, schijnt geweest te zijn, te beletten, dat de compagnie octrooi kreeg ook voor de nog onontdekte wegen naar Oost-Indië.
[80] R. S.-G. 8 Nov. 1602.
[81] Resol. XVII dd. 27 Febr., 7 Aug. 1603.—Murphy, Hudson in Holland. p. 22, 23.—De Jonge, Opkomst. I p. 26.—Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I Cap. I. 5. (M.S.) R.-A.
Hoewel dit plan van de bestrijders der Oost-Indische Compagnie voorloopig ter zijde gesteld schijnt te zijn, hield de concurrentie volstrekt niet op. De bekende Isaac Le Maire, de hardnekkige tegenstander der compagnie, zocht voortdurend naar middelen om de gehate vereeniging te doen bukken. Wel had in 1606 een besluit der Staten-Generaal het door hen verleende monopolie krachtig gehandhaafd, maar de publieke opinie verklaarde zich meer en meer ten nadeele der compagnie en de oppositie schepte moed. Vele Zuid-Nederlandsche kooplieden, nog onlangs versterkt door de rijke aandeelhouders der compagnie zelve, die geen deel aan den door haar met de wapenen in de vuist verkregen buit wilden hebben, waren reeds lang in het geheim aan het onderhandelen met Hendrik IV, om onder zijne bescherming den Franschen handel op Oost-Indië te vestigen. Le Maire voegde zich bij hen. De nieuwe compagnie, die zich alleen op vreedzaam handeldrijven wilde toeleggen, zou ongestoord de vruchten plukken van de door de Oost-Indische Compagnie met geweld en kosten behaalde voordeelen en haar dadelijk op elk met moeite ontgonnen veld als mededingster kunnen volgen. Door de bescherming van Nederlands machtigen vriend zou zij onschendbaar zijn[82]. En dit meer slimme dan edele plan was niet het eenige gevaar, dat de Oost-Indische Compagnie dreigde. Een ander lievelingsdenkbeeld der Zuid-Nederlanders, het ontwerp van eene West-Indische Compagnie, werd door Willem Usselincx gedurig met kracht aangedrongen, en het naderend bestand met Spanje dreigde de compagnie met nieuwe moeielijkheden. Wat eindelijk alles afdeed: de alvermogende Oldenbarnevelt, die slechts onder den drang der omstandigheden medegewerkt had tot het vestigen van het Oost-Indische monopolie, scheen niet ongeneigd den mededingers nu de hand boven het hoofd te houden. Waarlijk, zelden stonden de kansen der Oost-Indische Compagnie zoo hachelijk! In deze omstandigheden was het van het uiterste belang, dat de publieke opinie zich weder begon bezig te houden met den doortocht in het noorden.
[82] Zie over deze plannen: Fruin, Een onuitgeg. werk van de Groot, in: Gids. 1868. IV p. 33-35.—Bakhuizen van den Brink, Isaac le Maire, in: Gids. 1865. IV p. 18-34.—Asher, Hudson the Navigator, p. CXCVIII-CCI.
In 1607 had de beroemde Henry Hudson een nieuw tijdperk in de geschiedenis der noordoostelijke reizen geopend. Hij had Spitsbergen bezocht en bij zijne terugkomst vele belangrijke mededeelingen gedaan. Het gerucht van zijne reis had ook Nederland bereikt en de algemeene aandacht gaande gemaakt. Voor de Oost-Indische Compagnie was dit een feit, waarmede gerekend moest worden: in den ernstigen toestand, waarin zij verkeerde, zou de ontdekking van de noordelijke doorvaart, die aan hare mededingers ook binnenslands de handen beloofde vrij te geven, haar onmiddellijk ten val gebracht hebben. Er moesten dus maatregelen genomen worden om die mededingers vóór te zijn, nu de publieke opinie nieuwe tochten naar het noorden scheen te eischen.
De compagnie zag dit zelve in en hare maatregelen beantwoordden aan haar karakter als bevoorrechte vereeniging. Op het einde van 1608 besloot zij bij de Staten-Generaal een verzoek in te dienen om haar octrooi uit te breiden. Door ook den noordelijken weg naar Indië daarin op te nemen meende zij, dat voor goed aan alle mededinging de pas afgesneden zou zijn. Maar het plan lekte uit en dadelijk was de erfvijand der compagnie, Isaac Le Maire, gereed om het te bestrijden. Hij diende bij Oldenbarnevelt eene uitvoerige memorie in, waarin hij er op wees, dat alle onnoodige uitbreiding van monopolie schadelijk was, omdat »daermede eenige particuliere alleen het benefitie genietten ende het generael daervan gefrustreert is.” Waren daarom alle de verzochte uitbreidingen van het octrooi niet wenschelijk, de vaart naar het noorden in het bizonder behoorde open te blijven; aangezien »die noch te vinden was ende misschien by de Compagnie niet gevonden soude werden, ende met sulcken ernst apparentelycken niet en soude gesocht worden, als by andere.” Het verzoek der bewindhebbers strekte verder tot nadeel van alle partikuliere kooplieden der Vereenigde Provinciën, die zich steeds verlaten hadden op de in 1596 op het ontdekken van den doortocht gestelde premie[83].
[83] Zie deze memorie afgedrukt bij: De Jonge, Opkomst v. h. Nederl. gezag in O.-I. III p. 364 vlg.—Vgl. daarover: De Jonge, I. c. III. p. 125.—Van Rees, Gesch. der staathuishoudk. II. p. 42 vlg.—Bakhuizen van den Brink, Isaac le Maire, in: Gids, 1865. IV p. 34-39.
Dit laatste was wel het hart der quaestie. Le Maire verheelde het aan Oldenbarnevelt niet, »dat andere soowel als de Compagnie, desseing hadden gemaeckt, inde vaert van Noorden te aventueren, ende niet en behoorden gefrustreert te worden.” Werkelijk werden van beide zijden toebereidselen gemaakt om den doortocht te zoeken. Oldenbarnevelt, de oude vijand van alle monopolie, was de man niet om tot het plan der compagnie mede te werken, en van het uitbreiden van het octrooi kwam dan ook niets. De bewindhebbers hadden dit zelven reeds gevreesd. Reeds vooraf hadden zij hunne maatregelen genomen, en zoodra het bleek, dat hun plan geen kans van slagen had, poogden zij in het worstelperk der vrije concurrentie de overwinning te behalen. Dadelijk toen Hudson in 1608 terugkwam van zijne tweede reis, waarop hij den weg ten noorden van Novaya Zemlya te vergeefs had beproefd, Kostin-sjar onderzocht en bevonden had, dat die zeeëngte niet naar de zee van Kara leidde, ontbood de Oost-Indische Compagnie hem zelven naar Nederland om met hem in onderhandeling te treden.
Omstreeks het einde van 1608 kwam Hudson werkelijk te Amsterdam[84]. Hij had langdurige conferentiën met de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, met Plancius en Hondius, maar ten slotte oordeelde men het onmogelijk, van een zoo omslachtig ingericht lichaam als de Oost-Indische Compagnie, tijdig een besluit te verkrijgen om Hudson nog dit jaar in dienst te nemen. Met eene belooning voor zijne moeite en de belofte hem het volgende jaar te zullen uitzenden, moest de Engelschman dus naar huis vertrekken. Dadelijk maakte Le Maire van deze gelegenheid gebruik. Hij sprak met Hudson en trachtte hem over te halen, de reis naar het noorden nog dit jaar voor zijne rekening te doen. Voor de nieuwe in Frankrijk op te richten Oost-Indische Compagnie stelde hij zich gouden bergen voor van de diensten des beroemden zeemans. Maar het plan lekte uit en de Oost-Indische Compagnie nam dadelijk hare maatregelen. Toen de Zeeuwsche kamer weigerde Hudson uit te zenden, daar zij de uitgaven aan het zoeken van den noordoostelijken doortocht besteed, als nuttelooze geldverspilling beschouwde, besloot de Amsterdamsche kamer in de bestaande onmogelijkheid om tijdig eene algemeene vergadering bijeen te roepen, de verantwoordelijkheid voor de zending alléen op zich te nemen. Zij trad dadelijk op nieuw met Hudson in overleg en den 8 Januari 1609 sloten beide partijen een contract, waarbij de Engelschman zich verbond den noordoostelijken doortocht te zoeken en bij goeden uitslag dadelijk naar Nederland terug te keeren. Daar zou hij zich dan met der woon vestigen en uitsluitend in dienst der Oost-Indische Compagnie blijven. Deze verbond zich daarentegen aan Hudson na het einde der reis ƒ800 of bij overlijden aan zijne vrouw en kinderen ƒ200 uit te betalen. Zoo de doortocht gevonden was, zou men hem rijkelijk beloonen; de aard en grootte dezer belooning werden geheel aan de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie overgelaten. Den 6 April 1609 vertrok Hudson daarop met een vlieboot, de Halve Maan genaamd, van de reede van Texel[85].
[84] Zie hetgene over Hudsons vroegere betrekkingen te zeggen valt zeer uitvoerig bij: Read, Hist. inquiry conc. Henry Hudson.
[85] Zie over het voorgaande zeer uitvoerig: Murphy, Hudson in Holland. p. 22-39.—Ook: Asher, Hudson the Navigator, p. CCII, CCIII.—Dat Hudsons schip de Halve Maan, niet de Goede Hoop heette, heeft Murphy l. c. p. 55-58 overtuigend aangetoond.
Zoo belangrijk de geschiedenis van het uitzenden van Hudson is, zoo onbeduidend zijn de resultaten, door hem verkregen in de hem bij zijne Instructie opgedragen taak. Men had hem voorgeschreven het oude Amsterdamsche plan nogmaals te beproeven, en dus evenals Barendsz. ten noorden van Novaya Zemlya te trachten de straat Anian te bereiken[86]. Van daar moest hij terugkeeren, zonder bij mislukking van die poging eenen anderen weg te mogen beproeven. Dergelijke proefnemingen wenschte de Oost-Indische Compagnie tot eene latere gelegenheid uit te stellen; voorloopig was het haar alleen om de prioriteit in het vinden van den noordoostelijken doortocht te doen[87].
[86] Witsen, Noord- en oost-Tartarye. p. 906.
[87] Hudsons Instructie is verloren; zie echter een overzicht van den inhoud uit Van Dam’s Geschiedenis der O.-I. C. bij: Murphy, Hudson in Holland. p. 38, 39.—Zoo men al de ontdekkingen, door den Engelschman Hudson op deze reis gedaan, aan de Nederlanders wil toeschrijven, is het toch duidelijk, dat Nederland alle aanspraak op de ontdekking der Hudsonsrivier, die tegen den wil der bewindhebbers geschiedde, verliest.
In de uitvoering van dit plan was Hudson bizonder ongelukkig. Evenmin als op zijne vorige reis vermocht hij Novaya Zemlya nu te omzeilen. Den 5 Mei bij de Noordkaap aangekomen, zette hij koers naar Novaya Zemlya, maar geraakte spoedig in het ijs beklemd. Nog voordat hij dit eiland bereikt had, werd zijn volk oproerig en was hij genoodzaakt den tocht op te geven. Den 14 Mei keerde hij om, den 19 was hij weder bij de Noordkaap en op zijne verdere reis hield hij zich geheel bezig met het uitvoeren zijner nieuw opgevatte plannen tot het vinden van den noordwestelijken doortocht[88]. Dat hij op die reis o. a. de Hudsonsrivier onderzocht en aanleiding gaf, dat de aandacht zich op de heerlijke streek, waar nu New-York verrezen is, vestigde, is eene zaak, die, hoe gewichtig ook en met hoeveel ingenomenheid ook door de geschiedkundigen besproken, voor ons van geen belang is. Het zij ons genoeg op te merken, dat Hudson den 7 November in Engeland aan wal gestapt, aan de Nederlandsche Oost-Indische Compagnie voorstelde om van daar uit op hare kosten het noordwesten verder te onderzoeken,—dat de bewindhebbers hem integendeel bevalen dadelijk naar Nederland te komen, maar dat hij door de Engelsche regeering verhinderd werd aan dien last te voldoen; eindelijk dat hij, dus belet om zijne gelofte aan de Oost-Indische Compagnie gestand te doen, zijn journaal overzond, het schip alleen naar Nederland liet terug gaan en zich op nieuw in dienst der Engelsche Moscovische Compagnie begaf[89].
[88] Zie over deze plannen zeer uitvoerig het scherpzinnige betoog van Murphy: Hudson in Holland, p. 41-52.
[89] Alle berichten over Hudsons reizen vindt men verzameld by: Asher, Hudson the Navigator. De berichten over dezen tocht, voor zoover die voor mijn onderwerp van belang is, vindt men bij: Van Meteren, Historie. fol. 629 en in het journaal van Juet bij Purchas.
Hoe was het ondertusschen met de pogingen van Le Maire afgeloopen? Het was niet te verwachten, dat een man van zijne energie eene zoo belangrijke zaak zou opgeven zonder ze eerst te beproeven. Werkelijk was dit ook het geval niet: niettegenstaande de vele teleurstellingen zette hij zijn plan door. Wij hebben gezien, dat Hendrik IV de plannen van de vijanden der Oost-Indische Compagnie in zijn eigen belang begunstigde; het kwam er slechts op aan den weg door het noorden te vinden, ten einde botsingen met de Staten-Generaal te voorkomen. In Frankrijk was echter niet licht iemand te vinden, die met kans op goeden uitslag den gevaarvollen tocht zou kunnen ondernemen. Wij zagen, dat ook de onderhandelingen met Hudson aangeknoopt mislukten. Het was dus zaak, in Nederland een persoon in dienst te nemen, die tegen den Engelschman ten minste eenigszins opgewassen was. Le Maire meende dat dit niet moeielijk zou zijn. Reeds dadelijk nadat Hudson door de Oost-Indische Compagnie in dienst was genomen, had hij het oog op een ander, die zijne oogmerken kon bevorderen. Wie daarmede bedoeld wordt, weten wij niet; alleen verhaalt ons Jeannin, dat het iemand was, die de reis (ten noorden van Novaya Zemlya) reeds eenmaal gedaan had en door Le Maire voor een meer ervaren zeeman dan Hudson zelf gehouden werd. Wij mogen het er voor houden, dat dit verhaal meer van de zucht om het plan aan Hendrik IV smakelijk te maken dan van historische nauwgezetheid getuigt: een bekwamer persoon dan Hudson was toch in 1609 bezwaarlijk te vinden. Verschillende omstandigheden schijnen dan ook den bedoelden zeeman eenvoudig als eenen tochtgenoot van Heemskerck en Rijp op hunne beroemde reis van 1596 en 97 te kenmerken[90].
[90] Jeannin, Négotiation. II p. 280.—De gissing maak ik op uit eene plaats van denzelfden (l. c. II p. 276) waar hij ons meldt, dat Le Maire bij deze gelegenheid confereerde met Plancius en eenige „pilotes, qui ont fait la même navigation,” o. a. een, „qui fut aussi, il y a trois ans, employé en cette même recherche, et passa jusqu’à Nova Zembla, ... tirant au nord.” Dat hier sprake is van eenen tochtgenoot van Heemskerck in 1596, is dunkt mij buiten twijfel. Eene Nederlandsche reis naar het noorden tusschen 1597 en 1609 heeft niet plaats gehad: de reis van Hudson was „de vierde Schip-vaerd.” (Tiele, Mémoire. p. 115.) Ook eene reis door Engelschen naar Novaya Zemlya ondernomen is mij niet bekend, behalve die van Hudson zelven in 1608. Asher plaatste dan ook zonder aarzeling „treize” voor „trois ans.” (Hudson the Navigator, p. 246.)—Hoe dit zij, op Melchior Van Kerckhoven schijnt de beschrijving van dezen stuurman gegeven volstrekt niet te passen (zooals De Jonge, Opkomst. I p. 28, III p. 125 wil) en ik moet dus aannemen, dat Le Maire zich eerst later tot hem gewend heeft.—Asher daarentegen (Hudson the Navigator, p. 253 Noot 1) gist, dat Le Maire het oog had op Nay, den bevelhebber der Nederlandsche expeditiën van 1594 en 1595, zonder nochtans eenigen grond voor dit gevoelen op te geven. Daar Asher echter Cornelis Cornelisz. Nay nu en dan met Jan Cornelisz. May, den noordpoolreiziger van 1611 en 12, verwart (zie l. c. p. XLV en CXXXIII, waar hij beide malen May bedoelt) is het ook mogelijk, dat hij den laatste voor den aangeduiden persoon houdt. Ik geloof echter, dat beide gissingen onaannemelijk zijn: van Nay noch van May is het bekend, dat hij „ce même voyage” (namelijk ten noorden van Novaya Zemlya) vóor 1609 gedaan heeft.
Wij weten niet, of Hendrik IV Le Maire’s keus goedkeurde; zeker is het, dat de onderhandelingen met den stuurman van 1596 weldra werden afgebroken. De redenen daarvan zijn ons onbekend; wij kunnen ze echter gissen. De Oost-Indische Compagnie had in overleg met Hudson de plannen voor de onderneming vastgesteld en het was voor Le Maire, die breedvoerige conferenties met den Engelschman gehad had, niet twijfelachtig langs welken weg deze zijn doel zou trachten te bereiken. Het kon niet wenschelijk schijnen, met de compagnie, die in ieder geval vroeger gereed zou zijn dan Le Maire, langs denzelfden weg mede te dingen, en de koers ten noorden van Novaya Zemlya werd dus door den ondernemenden koopman opgegeven[91]. De voornaamste aanbeveling van den stuurman van 1596, namelijk het vermoeden dat hij den te volgen weg kende, verviel hiermede en het was dus verkieslijker iemand van meer ervaring in dienst te nemen.
[91] Dat Le Maire aanvankelijk op den weg ten N. van Novaya Zemlya het oog had, blijkt uit het verslag zijner conferentiën met Hudson e. a. bij: Jeannin, Négotiation. II p. 276. Massa’s beschrijving van de reis bewijst echter, dat dit plan veranderd werd. De poging om Massa voor de reis te winnen wijst aan, dat het de bedoeling van Le Maire was, zich de ondervinding der Russen volgens het plan van Linschoten (zie hiervóor p. 41) ten nutte te maken en zoodoende eene laatste poging langs den algemeen opgegeven weg door de straat van Nassau te wagen. Nog in 1614 beval Pontanus deze richting aan boven de toen algemeen geroemde over de pool. (Beschr. v. Amst. p. 179.)
Het voornemen was nu, om overeenkomstig met de plannen van Linschoten den ouden korteren weg door de straat van Nassau weder te beproeven. De jaarlijksche tochten der Russen naar den Ob bewezen, dat het mogelijk was langs dien weg ten minste ver naar het oosten te komen, en het viel Le Maire niet moeielijk eenen anderen schipper »fort entendu aux nauigations et de grande expérience” voor die plannen te winnen. De dus door Jeannin geprezen zeeman was geen ander dan de befaamde Melchior Van Kerckhoven, op wiens bekwaamheid en moed met meer reden geroemd werd dan op zijn karakter en beginselen[92]. Moeielijker bleek het een commies voor de reis te vinden. Le Maire had dadelijk het oog laten vallen op den bekenden Isaac Massa van Haarlem[93] en zeker had hij moeielijk een beter keus kunnen doen, nu het gold de kennis, die de Russen van de kusten der IJszee verkregen hadden, ten nutte der reis aan te wenden. Gedurende zijn langjarig verblijf in Rusland had Massa, ijverig beoefenaar der aardrijkskunde en schrander opmerker als hij was, langzamerhand een schat van berichten opgezameld, die in Europa geheel onbekend gebleven waren. Ongelukkig bleek hij echter de man niet te zijn, die Le Maire dienen kon. Ofschoon een tegenstander der bekende plannen van Plancius en overtuigd dat alleen de weg door de straat van Nassau kans van slagen aanbood, was Massa te nauwkeurig bekend met de bezwaren, die eene reis in de IJszee opleverde, misschien ook te weinig doortastend om de altijd onzekere plannen zelf te steunen.
[92] Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 4.—Jeannin, Négotiation. II p. 489. Vgl. over Van Kerckhoven: De Jonge, Opkomst. I p. 52, 128, 29.—De Jonge, Nederland en Venetië. p. 86.
[93] Zie over hem: Van der Linden, Isaac Massa.—Nicolai (Relation. Vorredt, p. 11) verhaalt, dat de Staten „ein aignen Mann in der Moszkau underhalten Isaac Massa genannt” om berichten over de mogelijkheid van een NO. doortocht naar O.-I. in te winnen; het schijnt echter, dat dit bericht alleen steunt op Massa’s verhaal der wegen naar en door Siberië, dat Nicolai in Hessel Gerritsz.’ Detectio freti vond. Nicolai was toch over Nederlandsche zaken zeer slecht ingelicht.
Hij stelde reeds dadelijk vele eischen. De geheele inrichting der expeditie was volgens hem verkeerd. De reizigers moesten vóor hun vertrek nog talrijke voorzorgen nemen en zich beter toerusten tot den tocht; zij moesten bepaaldelijk naar het voorbeeld der Russen kleine booten medenemen, die altijd veel meer kans hadden zich door het ijs heen te werken dan de betrekkelijk groote Nederlandsche schepen; zij moesten eindelijk zich voorbereiden op de mogelijkheid eener overwintering in het barre noorden, die waarschijnlijk noodig was wilde men zijn doel bereiken. Het was echter Le Maire onmogelijk zich al deze wenken, hoe heilzaam ook, ten nutte te maken: hij had de voorschriften, die van ouds voor noordpoolreizen bestonden, gevolgd en Massa’s plannen zouden eene geheel nieuwe uitrusting hebben noodig gemaakt. Daartoe zou echter vóor alles veel tijd en veel geld noodig zijn geweest, en hoewel Hendrik IV zijnen handlanger een paar maal eene som gelds door zijnen gezant deed toekomen, had hij gemeend aan diens hooge eischen niet geheel te moeten voldoen. Tijd vooral was het, die Le Maire ontbrak: het door de Oost-Indische Compagnie uitgeruste schip was reeds gereed en Hudson kon op zijnen tijd vertrekken. Zoo deze ervaren zeeman, van wien men zooveel verwachtte, den doortocht vond voordat Le Maire gereed was, dan was alles verloren, het doel der reis gemist.
Het was dus duidelijk, dat de onderhandelingen moesten afspringen. Maar ook al waren de beide geniale kooplieden het hierin eens geworden, dan nog zou Le Maire zich waarschijnlijk van Massa’s medewerking niet veel goeds hebben mogen beloven. Het mocht een verstandige eisch heeten, dat Massa in de plannen en voorbereidingen van Le Maire de fouten wilde verbeterd zien, die zijne rijke ervaring hem aanwees; het is hem geheel niet kwalijk te nemen, dat hij, toen Le Maire weigerde zijnen raad te volgen, van zijnen kant ongeneigd was om deel te nemen aan eene expeditie, die naar zijne inzichten niet slagen kon, maar het was kleingeestig, dat hij ook, waar zijne ervaring hem in den steek liet, aan zijne bekrompene wereldbeschouwing argumenten tegen de mogelijkheid van te slagen ontleende. Het toonde, dat het Massa met de zaak geen ernst was;—het bewees, dat hij niet bezield was met den geest, die de Moucherons, de Barendszen, de Linschotens gedrongen had hunne tochten over den geheelen aardbol uit te strekken, dat hij zijne landgenooten door dwaze bezwaren, waaraan hij zelf niet geloofde, van verdere pogingen afschrikte[94]. Maar wij laten Massa en zijne kritiek rusten: »ick sloech het af,” dus verhaalt hij, »want ick bewysen wil dat mender niet door en can en altyts vergeefs sal wesen wat sy doen, oft moesten ’t anders aenlegghen.”[95]
[94] Dit was te meer verkeerd, omdat men toen ter tijd vrij algemeen aan de mogelijkheid van den noordoostelijken doortocht gewanhoopt schijnt te hebben. Zelfs Hessel Gerritsz. twijfelde. (Zie zijne Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 3, 4. Vgl. echter aldaar zijne aanteekeningen op Massa’s kaart.) Het blijkt uit Massa’s in den tekst aangehaalde woorden, dat hij integendeel aan de mogelijkheid geloofde.
[95] Zie de kritiek van Massa in zijn: „Cort verhael van de Wegen ende Rivieren uyt Moscovia.” p. 8, 13, 14, in: Beschr. v. d. Samoyeden Landt.
Zoo was dus Le Maire weder teleurgesteld, maar de zaak opgeven dat wilde hij niet. Spoedig was een andere commies gevonden en de overeenkomst met Hendrik IV werd nu gesloten. De onderneming zou op naam van Le Maire, in het geheim echter voor Fransche rekening, plaats hebben. Gelukte de poging, dan zou het schip niet in Nederland maar in Frankrijk binnenvallen; Le Maire zou dan dadelijk naar Parijs vertrekken en zich aan het hoofd der nieuwe Fransche Oost-Indische Compagnie plaatsen. Voorloopig ontving de ondernemer reeds 15,000 livres van Hendrik IV[96] en den 5 Mei 1609 vertrok Kerckhoven met een »kleyn schipken” en voorzien van eenen geloofsbrief van Maurits naar het noorden.[97]
[96] Zie over de plannen en voorbereidingen voor deze reis: Jeannin, Négotiation. II p. 345, 70, 75.—Bakhuizen van den Brink, Isaac le Maire, in: Gids. 1865. IV p. 28-33.—Murphy, Hudson in Holland, p. 31, 32.
[97] Jeannin, Négotiation. II p. 489.—Bij het verhaal dezer reis verwerp ik het door De Jonge (Opkomst. I p. 28) op het voetspoor van Murphy (Hudson in Holland, p. 32 Noot 1) voorgestane gevoelen, dat Le Maire twee tochten naar het noorden zou hebben doen ondernemen: in 1609 en omstreeks 1611. Reeds Megiser (Septentrio Novantiquus. p. 431) sprak in 1613 van eene reis van Le Maire naar het noorden in 1611. Al deze schrijvers hebben echter hun bericht ontleend aan Massa, die zegt, dat een Nederlandsch schip „dit Jaer” voor Le Maire aan Vaigatsch geweest is. (Cort verhael. p. 8 in: Beschr. v. d. Samoyeden Landt.) Nu is de „Beschryvinge vander Samoyeden Landt” verschenen in het voorjaar van 1612 en het lag dus voor de hand te meenen, dat Massa’s „Cort verhael” geschreven was in 1611, toen de schrijver in Nederland aanwezig was. De drie geleerden schijnen echter voorbijgezien te hebben, dat Hessel Gerritsz. op den titel zijner Beschryvinge vander Samoyeden Landt mededeelt, dat de beide daarin voorkomende stukken van Massa „wt de Russche tale overgheset (en blijkens de aanteekeningen op den rug van Massa’s kaart vermeerderd) syn Anno 1609.”—Het door De Jonge l. c. gecursiveerde woordje „wederom” behoeft dunkt mij niet op een Nederlandsch schip door Le Maire uitgerust te slaan.
Hoe dwaas ook de argumenten van Massa tegen de uitvoerbaarheid van het laatste gedeelte der reis waren, het bleek den reizigers weldra, dat hij over het eerste gedeelte met volkomen kennis van zaken gesproken had. De onderneming was tegen de bedoeling van Le Maire, die haar gaarne zeer vroeg in het voorjaar had zien vertrekken[98], door den herhaalden tegenspoed een paar maanden vertraagd en geen wonder dan ook, dat Kerckhoven in dit toch reeds zeer ongunstige jaar de straat van Nassau onbevaarbaar vond. De zeeëngte was opgevuld met ijsmassa’s van niet minder dan 50 à 60 vademen dikte.[99] Aan het volvoeren van den tocht viel niet te denken; de reizigers moesten terugkeeren en maakten eene »slechte reyse.”[100] Het is niet onwaarschijnlijk, dat Le Maire in het volgende voorjaar op nieuwe pogingen bedacht was[101], maar de plotselinge dood van zijnen beschermer Hendrik IV maakte natuurlijk aan alle plannen een einde.
[98] Jeannin, Négotiation. II p. 279.
[99] Massa, Cort verhael. p. 8, in: Beschr. v. d. Samoyeden Landt.
[100] Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 4.
[101] Dit maakt De Jonge (Opkomst. I p. 28) op uit het aankoopen van een voor Noordsche tochten veelal gebruikte vlieboot door Le Maire in Februari 1610 voor een doel, dat volgens zijn zeggen, wanneer het bereikt werd, den lande zeer voordeelig zou zijn.
Terwijl de beide bovenvermelde reizen grootendeels hare verklaring vinden in den strijd tusschen monopolie en vrije concurrentie, schijnt het tot nog toe niet duidelijk geweest te zijn, wat de reden was, dat van 1607 tot 1612 plotseling na tienjarige rust het zoeken van den noordoostelijken doortocht naar Oost-Indië weder met zooveel ijver, een enkele maal zelfs van staatswege, in Engeland en Nederland werd opgevat. Het komt mij voor, dat deze hernieuwde pogingen moeten toegeschreven worden aan het genie van twee Engelschen, die eene andere richting aanwezen dan den tot nog toe in de noordsche ondernemingen gewoonlijk gevolgden koers.
Toen Henry Hudson in 1607 zijne eerste reis naar het noorden ondernam, handelde hij volgens een bepaald plan. Reeds in 1527 had Robert Thorne, een Engelschman, die te Seville woonde, verkondigd, dat men noordelijk recht over de pool naar Oost-Indië moest zeilen. Hij meende, dat die weg veel korter was dan eenige andere tot dusver ingeslagen; aan de bezwaren met dit plan verbonden, de onbevaarbaarheid der zee en de onbewoonbaarheid van het land, geloofde hij niet[102]. Dit voorstel, in 1582 door Hakluyt in zijne Divers Voyages wereldkundig gemaakt, bleef aanvankelijk onopgemerkt. Plancius alleen schijnt het met Thorne eens geweest te zijn[103], maar Barendsz. nam op de twee tot bereiking van Plancius’ doel uitgeruste tochten steeds zijn koers te veel oostelijk om de pool te bereiken en zoo naar Oost-Indië te geraken. Slechts Jan Cornelisz. Rijp, getrouwer dan Barendsz. aan Plancius’ instructiën, sloeg in 1596 de richting door Thorne aangewezen in[104]. Hij wilde ten noorden van Spitsbergen door het ijs breken en de pool bereiken, maar de ijsdam, die zich steeds oostelijk van Groenland en ten noorden van Spitsbergen uitstrekt, belette hem zijn plan uit te voeren. En Barendsz. zelf, al kon hij zich ook niet vereenigen met de plannen van Rijp, stierf in de overtuiging, dat men niet door de noordelijke kusten van Europa of van Novaya Zemlya te volgen, maar door hooger in het noorden zijnen weg te zoeken de meeste kans hebben zou om eene opene zee te vinden[105]. Het onbeduidende resultaat, dat de reis van Rijp volgens de toenmalige inzichten had, belette, dat men zijn plan op nieuw trachtte uit te voeren, maar de op zijn aandrijven gevolgde noordelijke koers had tot de ontdekking geleid, dat niet altijd de koude, hoe meer men de pool naderde, heviger werd[106]. De opmerking, dat het op Spitsbergen op 80° minder koud was dan op Novaya Zemlya op 76°,—een verschijnsel, dat waarschijnlijk aan den warmen golfstroom moet worden toegeschreven,—leidde reeds de Nederlanders tot de conclusie, dat de massa’s ijs, die de Russische rivieren in de IJszee uitstortten, de atmospheer kouder, de zeeën onbevaarbaarder maakten dan hoog in het noorden, waar volgens Mercator de snelle stroomingen de vorming van ijs verhinderden en waar dus eene opene zee zich uitstrekte[107]. Door deze opmerkingen moesten de plannen van Thorne meer en meer uitvoerbaar schijnen.
[102] Het plan van Thorne wordt uiteengezet in: „The booke made by Master Robert Thorne,” in: Hakluyt, Divers voyages. p. 48 vlg.—De hier beschreven koers is als „de vijfde wegh naar Cathay” opgenomen in de „Diversche Discourssen de O.-I. vaert betreffende” achter de uitgave der Nederlandsche reizen naar het NO. van Jan Jansz. (1648.)
[103] „Nowe then,” zegt Thorne, „there is no doubte, but sayling Northwarde and passing the pole, descending to the equinoctiall lyne, wee shall hitte those Ilandes.” (nam. de Oost-Indische.)—Over het gevoelen van Plancius zie hiervóor p. 43 Noot 1 en vooral: Jeannin, Négotiation. II p. 276, 77.
[104] Dat de koers door de noordpoolreizigers gevolgd niet met hunne instructiën overeenkwam, blijkt duidelijk uit De Veer’s inleiding voor de eerste reis. (Drie seylagien. fol. 1, 2.) Barendsz. schijnt na het mislukken zijner reis in 1597 van plan geweest te zijn, van de Noordkaap recht naar het NO. te zeilen. Zie ook de opdracht der Drie seylagien aan de Staten-Generaal.
[105] Zie vooral de merkwaardige plaatsen in: De Veer, Drie seylagien. fol. 18.—Vgl. ook ald. Opdr. en fol. 1, 2.
[106] De Veer, Drie seylagien na de Coninckrijcken van Catthay ende China. Opdr. en fol. 2.
[107] De Veer, Drie seylagien. Opdr. en fol. 1, 2, 9, 18.—De Jonge, Opkomst. I p. 18.—Zie eene uiteenzetting en kritiek van dit plan in het „Discours van Joh. Is. Pontanus” achter: Begin ende Voortgangh van de Oost-Indische Compagnie. p. 70.
Toch was een Engelschman de eerste, die weder volgens Thorne’s voorschriften handelde. Eerst in 1607 trachtte Henry Hudson de noordpool te bereiken en zeilde daarom aan beide zijden van Spitsbergen naar het noorden. Evenmin als Rijp, die in 1596 geheel hetzelfde gedaan had, slaagde Hudson. Toch gaf hij het niet op en volgde op zijne tweede reis hetzelfde plan. Ditmaal was het echter meer oostwaarts dat hij den doortocht zocht en zoodoende kwam hij eenigszins op den weg, dien Barendsz. gevolgd had. Maar minder gelukkig dan zijn voorganger moest hij het reeds spoedig opgeven en terugkeeren[108]. Toch was het resultaat zijner reizen gewichtig. Evenals de Nederlanders had hij de opmerking gemaakt, dat op Spitsbergen de atmospheer betrekkelijk warm was, de plantengroei minder dor dan op Novaya Zemlya[109]. Zijn bezoek in Nederland, waar hij in den geleerden Plancius een warmen voorstander zijner denkbeelden vond, versterkte hem in zijne plannen, en evenals vroeger was hij dan ook in 1609 weder voornemens het plan van Thorne uit te voeren. Hij sprak daarover nog uitvoerig met Plancius en Le Maire, en schijnt het met beiden volkomen eens geworden te zijn[110]. Ook de bekende cartograaph Hessel Gerritsz., hoewel aanhanger der plannen van Linschoten, achtte de meeningen van Plancius en de zijnen eene ernstige overweging waard.
[108] Zie over de plannen van Hudson bij zijne twee eerste reizen: Asher, Hudson the Navigator, p. CLXXXIV-CXCVI.
[109] Zie o. a. Asher, Hudson the Navigator, p. 14.—Jeannin, Négotiation. II p. 277.
[110] Jeannin, Négotiation. II p. 277.
Het laat zich begrijpen, dat, toen Hudsons plannen zoodoende in Nederland bekend werden, waar de publieke opinie reeds eenigszins op het ontvangen van zulke mededeelingen was voorbereid[111], ze dadelijk algemeen ingang vonden. Plancius werd meer en meer in zijne denkbeelden bevestigd. Met nadruk verkondigde hij, dat de zon, die gedurende de zes zomermaanden onafgebroken de noordelijke streken beschijnt, de zee warmer maakt, het ijs doet smelten en daardoor de overmatige koude aan de atmospheer ontneemt[112]. Hij meende dus, dat de koude tot op 66° NB. voortdurend toenam om van daar weder af te nemen tot de pool toe; hij vond eene bevestiging dier meening in het feit, dat het onder de evennachtslijn minder warm is dan onder de keerkringen. De meening der ouden, die de poollanden voor onbewoonbaar hielden, was volgens Plancius even ongegrond als hunne verhalen omtrent de onverdragelijke hitte onder de evennachtslijn, waar men eene talrijke bevolking gevonden had. Hij geloofde dus, dat de Nederlanders niet meer als vroeger langs de kust slechts tot ongeveer 73° NB. moesten gaan, maar in de opene zee recht noordelijk tot 83° NB. zeilen, waar de ijsvrije oceaan zonder twijfel den weg naar straat Anian zou openstellen. Van daar zou de weg langs Azië’s oostkust naar Oost-Indië gemakkelijk zijn en veel korter dan alle andere bekende wegen[113]. De invloedrijke Plancius won weldra weder aanhangers voor zijne leer en meer en meer maakte het denkbeeld om naar de pool te zeilen opgang.
[111] Zoo zeide een van Heemskercks tochtgenooten in 1609 tot Plancius: „que, pour n’estre lors assez experimenté en cette nauigation, au lieu d’entrer auant en pleine mer, où elle n’est iamais gelée, à cause de la profondeur et de la grande impetuosité de ses flots et vagues, il se contenta de costoyer les bords: où, ayant trouué la mer gelée, luy et ses compagnons furent arrestez et contrains de s’en retourner sans passer outre.” (Jeannin, Négotiation. II p. 276.)—Zie ook De Veer’s oordeel over de drie eerste Nederlandsche noordpoolreizen: Drie seylagien. Opdr. en fol. 1, 2.
[112] Deze voorstelling maakte men zich nog in 1624. Vgl.: Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 95 vso. (Juni 1624.)
[113] Jeannin, Négotiation. II p. 277.
Zoo waren de zaken gesteld, toen in 1610 zekere Helisaeus Röslin, med. doct. te Buchsweiler in den Elzas en lijfmedicus van den graaf van Hanau, den Staten een boekje aanbood, waarin hij het nieuwe plan uitvoerig aanbeval[114]. Door astrologische berekeningen tot het inzicht gekomen, dat God de ontdekking van de Noordpool wilde, stelde hij voor om ten minste tot 80° of 82° noordwaarts te zeilen, waar hij meende, dat men eene opene zee zou vinden. Het mislukken der vroegere Nederlandsche tochten was volgens hem alleen toe te schrijven aan de richting dier reizen, die de schepen steeds door eene zeeëngte voerde, waar het ijs zich ophoopte[115]. Evenals Thorne wees hij op de vergissing der ouden, die ook de tropische gewesten voor onbewoonbaar gehouden hadden; evenals Plancius meende hij, dat de lange pooldag de temperatuur hoe langer hoe meer verhitte, naarmate men de pool naderde. Met veel ernst trok hij te velde tegen een paar argumenten van eenige tegenstanders van zijn plan: het religieuse bezwaar van sommigen, dat het Paradijs aan de pool zou liggen en dat dus God zelf door zijnen engel met het vlammende zwaard den toegang daarheen zou beletten, achtte hij onbewezen; de verhalen van den magneetberg, die alle schepen, als zij de noordpool bereikten, bij het daaraan bevestigde ijzer vasthouden zou, hield hij voor volkomen ongegrond[116].
[114] Mitternächtige Schiffarth, von den Herrn Staden inn Niderlanden vor XV Jahren vergebenlich fürgenommen, wie dieselbige anzustellen, dass man daselbst herumb in Oriënt vnd Chinam kommen möge, zu sonderem der Christenheit, sonderlich Teutschlands Nutzen vnd Wohlfart, Ein künstlicher Philosophischer Tractat, ... Gestellt durch Helisaeum Röslin.” 1610.—Vgl. over andere werken van Röslin: Jöcher, Allg. Gelehrten-Lexicon. III p. 2175.
[115] Volgens de kaart, in het boekje voorkomende (waarop het eerst kaap Tabin verre voorbij het zeer noordelijk gelegen Promontorium Scythicum is aangegeven), is de zee van Kara niets dan eene zeeëngte tusschen Novaya Zemlya en het promontorium Scythicum.
[116] Een duidelijk overzicht van de voorstellingen, die men zich destijds van de poollanden vormde, geeft Megiser. (Septentrio Novantiquus. p. 369.) „Es sind lauter Fantaseyen,” zegt hij, „was etliche bisshero fürgegeben vnd den Nort-Polum also gemalet haben, dass nemlich gestracks vnder dem Polo ein hoher schwartzlichtiger Steinfels von lauter Magnet seye, der begreiff in seinem Vmbkreiss 33 Frantzösische Meilen. Es sollen auch vmb denselben hervmb vier Insuln ligen, zwischen denen der Oceanus durch 19 Ostia oder Eingäng einbreche, vnd vier Euripos oder Arm vnd Strom mache, welche vom 78 gradu an mit solcher Gewalt vnd Vngestümmigkeit nach dem Polo zu gezogen vnd getrieben, vnd allda in mechtig grosse Abgrund verschlucket werden: also dass kein Schiff, so einmahl darein komme, auch durch den stärcksten Wind, mög zurück gebracht werden.”
Het boekje maakte opgang en werkte er krachtig toe mede, dat twee Nederlanders, Ernst Van de Wal en Pieter Aertsz. de jonge van Amersfoort, de Staten-Generaal en de Amsterdamsche admiraliteit om bijstand tot het ondernemen van eenen nieuwen tocht verzochten[117]. Zij beweerden stoutweg, dat het Barendsz. en Linschoten aan den noodigen moed en volharding ontbroken had. Overtuigd als zij waren van de deugdelijkheid van Röslins beschouwingen, meenden zij zelven gelukkiger te zullen zijn, want, zoo redeneerden zij schertsend, »de Son soude eerder daer by Noorden zout maken dan ijs.” Niettegenstaande de afkeuring van sommigen[118], die het boekje vol »sotternien” achtten en de voorstellers van den tocht »eenige onervaren, vermetele menschen” noemden, vond het plan bijval en in 1611 besloot de admiraliteit te Amsterdam tot den nieuwen tocht. Twee schepen, de Vos en de Craen, werden na langdurige beraadslagingen met Plancius en Linschoten voor de reis uitgerust. De bevelhebber der onderneming was Jan Cornelisz. May, bijgenaamd Mensch-eter, van Hoorn[119], die reeds in 1598 de reis van Van Neck naar Oost-Indië had medegemaakt en later op de reis om de wereld van Spilbergen van 1614 tot 1617 als kapitein op des bevelhebbers schip zou aanwezig zijn[120]. Commies en stuurman op zijn schip de Vos waren Ernst Van de Wal en Pieter Fransz.; het andere schip voerden Symon Willemsz. Cat als kapitein, Pieter Aertsz. de jonge als commies, en Cornelis Jansz. Mes als stuurman. Hun werd bij hunne Instructie gelast, ten noordoosten den doortocht door straat Anian te zoeken. Zoo dit doel in één jaar niet bereikt kon worden, moesten zij ergens eene plaats opzoeken, geschikt tot overwinteren. Mocht de reis naar het noordoosten ook het tweede jaar niet gelukken, dan moest May het in het noordwesten beproeven en trachten door straat Davis Oost-Indië te bereiken. In overeenstemming met de pogingen in de laatste jaren door Engeland en Frankrijk aangewend om koloniën in Amerika te verkrijgen, werd nu ook May belast, overal te letten op de plaatsen, die geschikt waren ter colonisatie en tot het aanleggen van forten[121].
[117] Hessel Gerritsz., Beschr. vander Samoyeden Landt. Voorrede, p. 4.
[118] Hevige bestrijders vond het misschien wel wat onberaden plan der overmoedige voorstellers in Hessel Gerritsz. (Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 3, 4.—Detectio freti ed. 1613 F. 2) en in Joh. Is. Pontanus (Beschr. v. Amst. p. 179, 80), beiden voorstanders der plannen van Linschoten. Ook Isaac Massa oordeelde het door dezen ontworpen plan het eenige, dat kans van slagen had. (Massa, Cort verhael, in: Beschr. v. d. Samoyeden Landt. p. 13.) Nicolai (Relation. Vorredt, p. 10) zegt, dat Röslin „allein etliche seine Träum und Mucken erzehlt, die er ihm hinder dem Ofen im Sawrbrunnen zu Schwalbach traumen lassen.”—Onder leiding van May werd het plan echter beter uitgevoerd dan het zich aanvankelijk liet aanzien en althans Gerritsz. kwam nog in zijne Detectio freti zelven op zijne afkeuring terug.
[119] De reis van Jan Corneliszoon van Hoorn, waarover Witsen (Noord- en oost-Tartarye. p. 906) spreekt, is geen andere dan deze tot voor korten tijd bijna onbekende tocht.—Volgens Wassenaer (Hist. verhael. VIII fol. 84 vso) deed „Ian May van Hoorn” in 1624 nog eene reis naar Nieuw-Nederland. Op deze reis noemde hij waarschijnlijk den mond der Delaware „May-bay”, de oostelijke punt van den oever daarbij „Caep May.” (Zie de kaart v. Nieuw-Nederland in den Atlas v. Just. Danckers.) Ook een veel zuidelijker gelegen rivier op die kust heette „R. de May.” (Zie de kaart van Amerika in dien Atlas.) Mogelijk zijn echter al deze namen van den bekenden Cornelis Jacobsz. May afkomstig.
[120] Tiele, Mémoire. p. 70.
[121] De Jonge (Opkomst v. h. Nederl. gezag. I. p. 28-30) heeft het eerst de aandacht op deze belangrijke reis gevestigd.
De reis, den 18 Maart 1611 aangevangen, beantwoordde geheel niet aan de verwachting. May sloeg weder den door Barendsz. reeds tweemaal beproefden weg in en was nog ongelukkiger dan deze. Nu het goede spoor, door Rijp ingeslagen en in Nederland in de laatste jaren met zooveel warmte aanbevolen, verlaten was, beloofde de reis reeds dadelijk niet veel nieuws. En waarlijk was dit gedeelte van May’s reis arm aan resultaten. Hij bezeilde de kust van Novaya Zemlya, onderzocht de langen tijd zoo raadselachtige Kostin-sjar[122], en bereikte het Cruys-eylant op 76°, maar nergens kon hij door het ijs breken. Tegen het najaar moest hij tot herstel der geledene schade naar Kildin vertrekken, van waar hij naar Noord-Amerika zeilde om te overwinteren. Het langdurige gedwongen oponthoud werd door hem besteed tot onderzoekingen op de Amerikaansche kust van 47°-421⁄2° NB.[123]; bij eene dier landingen werd Aertsz. met eenige anderen door de wilden vermoord. Den 27 Februari 1612 besloot men eindelijk, dat het schip de Craen, na nog eenig vertoef op de Amerikaansche kust, huiswaarts zou keeren[124], en dat May met het schip de Vos op nieuw den noordoostelijken doortocht zou opzoeken.
[122] Hudson had trouwens op zijne tweede reis reeds bewezen, dat Kostin-sjar niet naar de Kara-zee leidde.
[123] Herinneringen van de reis vindt men echter ook op Amerika’s oostkust op 42° NB. in de „Vos-haven” en „Crane-bay”. (Kaart v. N. Nederl. in den atlas v. Goos van 1666.)
[124] Het schip kwam behouden aan. (Hessel Gerritsz., Beschr. v. d. Samoyeden Landt. Voorrede, p. 4.) Zie over de onderzoekingen op de Amerikaansche kust na het vertrek van de „Vos” vrij uitvoerig: Descr. detect. freti. ed. 1613 F.
Deze tweede reis volbracht May met evenveel volharding, maar met even ongelukkigen uitslag als die van het vorige jaar. In het begin van Juni 1612 bereikte hij Kildin, vertrok van daar den 10 en stevende naar Novaya Zemlya, waar hij den 30 aankwam. Tot 8 Juli zeilde hij noordelijk langs de kusten van dit eiland, maar toen stuitte hij op een vast ijsveld, dat zich noordwestelijk van het land uitstrekte. Hij volgde den rand daarvan tot 14 Juli, wanneer hij op 77° NB. was, en keerde naar de kust van Novaya Zemlya terug, die hij den 20 bereikte. Een dergelijken tocht langs het ijs ondernam hij tusschen 29 Juli en 9 Augustus, toen hij niet verder dan tot 77° 45´ NB. kon komen. Zijn plan om recht naar het noorden te zeilen scheen dus onuitvoerbaar; de buitengewoon strenge winter van 1611/12 had de zee van Spitsbergen in eene ijsvlakte veranderd[125]. Den 26 Augustus keerde hij naar huis terug, waar hij omstreeks half September behouden aankwam. Het eenige resultaat der reis was de zekerheid, dat de uitgestrekte zee tusschen Novaya Zemlya en Beeren-eiland geene eilanden bevatte en dat dus de eilanden Matsyn en Willoughby-land niet bestonden[126].
[125] Een dergelijk ijsveld tusschen Spitsbergen en Novaya Zemlya vond kapitein Wood in 1676. Zie de afbeelding daarvan bij: Witsen, Noord- en oost-Tartarye. p. 907.
[126] Berichten omtrent dezen tocht vindt men, behalve by De Jonge en Witsen, in: Beschryvinghe vander Samoyeden Landt. (Voorrede p. 4, en op den rug der kaart van Massa) en uitvoeriger in: Descriptio detectionis freti. (ed. 1613 F en F 2.)—Als eene merkwaardigheid brachten de reizigers behalve walrustanden en beerenhuiden een stuk ijs mede van zulk eene dikte, dat de Amsterdamsche admiraliteit het in Nederland nog aan het publiek kon vertoonen.
De ongelukkige uitslag dezer reis schrikte anderen niet af: reeds het volgende jaar werd een andere tocht met hetzelfde doel ondernomen. Jonas Witsen, raad en oud-schepen der stad Amsterdam, en Symon Willemsz. Nooms[127][Bijlage VIII], een Amsterdamsch handelaar op de kust van Guinea, wendden zich in Maart 1613 uit naam eener Amsterdamsche compagnie weder tot de admiraliteit en verzochten het schip de Vos, waarmede May de reis gedaan had, ter leen. Zij boden daartegen aan een deel in de winst, door handel of door het verkrijgen der in 1596 door de Staten uitgeloofde premie te maken. De admiraliteit toonde zich genegen aan het verzoek te voldoen en om voor de waarde van het schip, gewaardeerd op ƒ3000, in de onderneming te participeeren[128]. Zoodra men het eens was geworden, vertrok het schip. Als schipper diende daarop Pieter Fransz.[129], die May’s stuurman geweest was[130]; de lading bestond in koopmansgoederen van allerlei soorten: glazen flesschen, olifantstanden, stukken laken, ketels en vooral »zeeven cleynne kasgens met norembergerije.”[131] Evenals May wilde men eerst den noordelijken doortocht zoeken; ditmaal echter langs eenen nieuwen weg. Reeds zoovele malen hadden Nederlandsche zeelieden het noordoostelijk gedeelte der IJszee vruchteloos doorkruist, dat men er aan begon te wanhopen, daar te slagen. Het noordwesten, waar Hudson in de laatste jaren onverwelkbare lauweren had geplukt, waarheen nog onlangs Button vertrokken was, om het verloren spoor van zijnen voorganger te zoeken, was den Nederlanders echter nog geheel onbekend en beloofde dus beteren uitslag. Wij zagen, dat reeds May den last had, wanneer zijne pogingen in het noordoosten mislukten, naar straat Davis den steven te wenden; nu besloot men, de straat, die reeds den naam van Hudson droeg, te doen onderzoeken en te trachten handelsbetrekkingen met de inwoners dier streken aan te knoopen. Door straat Anian moesten de reizigers verder Oost-Indië zien te bereiken. Daar echter het drijven van handel en het verkrijgen van direct voordeel ditmaal hoofdzaak was, werd aan Fransz. reeds dadelijk evenals aan May de last gegeven, om, wanneer het doel in het noordwesten niet bereikt werd, zuidelijker streken te bevaren en in Nova-Francia met de inlanders den ruilhandel te beproeven[132].
[127] Het octrooi der compagnie van Nieuw-Nederland (bij: O’Callaghan, New Netherland. I p. 74) noemt ook den Amsterdamschen oud-burgemeester Gerrit Jacobsz. Witsen onder de reeders van de „Vos.” De Resolutiën der Amsterdamsche admiraliteit spreken van hem geen enkele maal.
[128] Resol. Adm. Amst. 27, 28, 29 Mrt. 1613.—Vgl. De Jonge, Opkomst. I. p. 30.
[129] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.
[130] Waarschijnlijk was op deze reis ook tegenwoordig de bekende Willem Meerman, zoon van den oud-burgemeester en schout van Delft Gerrit Meerman en schrijver van de geestige satire op de kerkelijke geschillen „Comoedia vetus.” Althans Brandt (Hist. der reform. II p. 197) verhaalt van hem, dat hij na lange jaren op zee gevaren te hebben, in 1612 „op een tocht naar ’t Noordtwesten van America ging, om van daer een nieuwe doortoght naar Oostindie te soecken; doch nooit terugkeerde.” Waarschijnlijk heeft dit „overedel vernuft” zich in Nieuw-Nederland gevestigd. Het is waar, dat de reis van de Amsterdamsche reeders in 1613 voorviel, maar ik acht het toch waarschijnlijker, dat Meerman hierbij tegenwoordig was, dan op de reizen in 1612 door de Engelschen Button en Hall gedaan.
[131] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.
[132] Descr. detect. freti. p. 5.—„Nec fervor iste (om den N. doortocht te zoeken)”, dus verhaalt ons daar Hessel Gerritsz. in den zomer van 1613 „in nostris Amsterodamensibus deferbuit plane, superioribus enim mensibus ab ijs emissa est navis, eo tantum fine, ut de transitu, vel Freto Hudsoni inquireret, et num commercij locus sit in istis oris; si vero eventus votis non respondeat, in Oris Novae Franciae negotiabuntur.”
Weldra bleek het, hoe wijs deze bijvoeging geweest was. Waarschijnlijk sneed het tusschen de tallooze landen en eilanden van het noordwesten opgehoopte ijs den reizigers weldra den pas af; zeker is het, dat het zoeken van den doortocht opgegeven en de steven naar »de Riviere Hudson” gewend werd.[133] Ondertusschen was de zomer verstreken en men moest besluiten in het latere Nieuw-Nederland te overwinteren. De »quaetwillige inwoonders”, door herhaalde bezoeken in de laatste jaren niet gunstig jegens hunne blanke broeders gestemd, toonden zich echter nu evenmin als twee jaren vroeger den overwinterenden genegen. Van het drijven van handel was geen sprake; ja evenals op de reis van May vielen ook nu eenige Nederlanders, waaronder de kapitein Pieter Fransz. zelf, als offers der ontembare Indianen[134].
[133] Resol. Adm. Amst. 13, 14 Aug. 1614. Over de reis in het noordwesten wordt daar het stilzwijgen bewaard, omdat men vrijdom van uitgaande rechten hoopte te verkrijgen, zoo de teruggebrachte goederen in 1615 weder naar dezelfde bestemming als in 1613 werden uitgevoerd.
[134] Resol. Adm. Amst. 14 Aug. 1614.
Tegen het voorjaar van 1614 schenen de kansen voor onze reizigers zich te verbeteren. Achtereenvolgens verschenen niet minder dan vier Nederlandsche schepen op de kust. Lambert Van Tweenhuysen, de oprichter der Noordsche Compagnie, had twee vaartuigen gezonden: de Tyger, schipper Adriaen Block en de Fortuyne, schipper Hendrick Christiaensz. Van Cleef; voor eene andere Amsterdamsche reederij was het schip de Nachtegael schipper Tys Volckaertsz. Mossel uitgezeild, terwijl Le Maire’s Austraalsche Compagnie—of ten minste de hoofdreeders daarvan—Cornelis Jacobsz. May met het schip de Fortuyne, van Hoorn uitgezonden hadden[135]. Schipper Jan De Wit, die in plaats van den vermoorden Fransz. aan boord van de Vos was opgetreden[136], kwam met de nieuw aangekomenen overeen »in Compaignie te handelen”[137], en ieder vertrok om zijn voordeel te zoeken. Block en May maakten zich door hunne ontdekkingen een beroemden naam[138]; Van Cleef was reeds in Juli met zijn schip geladen met bevervellen te huis[139], maar het schip de Vos had voortdurend ongeluk. Toen De Wit in het begin van Augustus 1614 weder te Amsterdam aankwam, had hij zoo weinig voordeel behaald, dat de beide reeders van het schip de admiraliteit moesten verzoeken om vrijstelling van de inkomende rechten over bijna alle goederen, waarvoor zij reeds bij het uitvaren betaald hadden. Hunne ondernemingszucht was echter door het ongeluk zoo weinig uitgedoofd, dat zij dadelijk verlof verzochten de goederen naar dezelfde plaats weder vrij te mogen uitvoeren[140].
[135] O’Callaghan, Hist. of N.-Netherland. p. 74.
[136] Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614.—O’Callaghan, N.-Netherland. I p. 74.
[137] Resol. Adm. Amst. 24 Juli 1614.
[138] O’Callaghan, N.-Netherland. I p. 72, 78.
[139] Resol. Adm. Amst. 24 juli 1614.
[140] Resol. Adm. Amst. 13, 14 Aug. 1614.—Berghaus (Wat men van de aarde weet. p. 226) deelt nog een bericht mede over eene andere Nederlandsche noordpoolreis, die hij tot het jaar 1613 terugbrengt. De ongenoemde zeevaarders zouden, verre naar het NO. stevenende, Novaya Zemlya’s noordoostpunt verre voorbij gezeild, ja zelfs tot 112° OL. gekomen zijn. Het resultaat is zeker verbazend, maar voor ons onderwerp van minder belang. Uit het verhaal zelf blijkt toch, dat het jaartal 1613 hoogstwaarschijnlijk onjuist is. De daarbij vermelde omstandigheden vertoonen zelfs eene groote gelijkheid met het verhaal der plannen van Willem Vlaming en eenige andere requestranten, die in 1664 van de Stn.-Gen. een monopolie voor de N. vaart verzochten. Het jaartal strookt bovendien zeer goed met de mededeelingen in Berghaus’ bron, de: Philosophical Transactions. Dl. X (1675) p. 418, waar wel het jaar der reis niet opgegeven, maar toch gesproken wordt van „some years since.” Misschien is dus de geheele mededeeling niets anders dan een uitvoeriger, maar dan ook zeer overdreven verhaal van de bekende eerste reis van Vlaming, die door De Jonge (Nova Zembla. p. 24) tot 1663 teruggebracht wordt, en dus juist een halve eeuw na 1613 plaats had.—Nicolai (Relation. Vorredt p. 7, 11, 18) verhaalt van verschillende Nederlandsche reizen ter zee en te land ondernomen om den doortocht te zoeken in 1611-13, met name van 3 Nederlandsche schepen, in 1613 uitgevaren om Hudson te zoeken, maar onverrichter zake teruggekomen met de ontdekking, dat Hudsons straat een zeeboezem is. De schrijver, met de gebeurtenissen in Nederland zoo slecht bekend, dat hij zelfs niets van de reis van J. Csz. May vernomen heeft, schijnt echter zijne berichten alleen uit Megisers vertaling van Hessel Gerritsz’s Detectio freti geput te hebben; de eerste zéer onbepaalde mededeeling schijnt op de beweerde reis van Le Maire en Massa in 1611 te slaan; de tocht van 1613 is dunkt mij zonder twijfel Buttons reis in dat jaar, waarvan Nicolai Hessel Gerritsz.’ verhaal verkeerd begrepen heeft.
Hier eindigt het eerste tijdperk der Nederlandsche tochten naar het noorden. Het jaar 1614 was bestemd om aan de ondernemingszucht der ontdekkers een dubbelen hinderpaal in den weg te stellen. Twee compagniën verrezen nagenoeg tegelijkertijd, die, door het octrooi der Staten-Generaal beschermd, alle Nederlanders uitsloten van den handel op het terrein, door de Nederlandsche noordpoolreizigers in de laatste jaren bevaren. Het verzoek door Witsen en Nooms gedaan om hunne goederen weder vrij te mogen uitvoeren—een verzoek dadelijk toegestaan[141]—toonde reeds dat de vaart op Amerika’s oostkust door hen niet opgegeven zou worden. Weinige maanden later (11 October 1614) werden de beide reeders dan ook opgenomen in het octrooi, dat de Compagnie van Nieuw-Nederland van de Staten-Generaal verkreeg. Reeds in Januari van hetzelfde jaar had eene andere compagnie ook voor de vaart op de noordsche landen uitsluitende rechten verkregen: de »Noordsche Compagnie” trad als bevoorrechte vereeniging op. De vaart op het noorden en het westen, sinds Hudsons derde reis voortdurend vereenigd, werd dus voortaan de bron waaruit twee vereenigingen schatten hoopten te verzamelen. Maar toch bleef de band, die de beide compagniën verbond, zeer nauw. Lambert Van Tweenhuysen, die als hoofdreeder in de compagnie van Nieuw-Nederland optrad, was ook de eerste, die in het octrooi der Noordsche genoemd werd, en terwijl de eerste bewindhebbers van beide compagniën gedeeltelijk dezelfde personen waren, zetten de familiën deze traditie nog jarenlang voort[142]. De Compagnie van Nieuw-Nederland, die eerlang in de West-Indische Compagnie opging, bleef ook toen nog nauw met hare Noordsche zuster verbonden. Maar het lot der beide lichamen, door oorsprong en belangen vereenigd, was toch geheel verschillend. De West-Indische Compagnie, eerlang van het terrein, waarop zij zich eerst gevestigd had, verdreven, sleepte in andere gewesten gedurende langer dan eene eeuw haar kwijnend bestaan voort; terwijl de Noordsche, zich juist te nauw beperkend tot het gebied, dat zij reeds dadelijk bezette, wel is waar zonder vreemde hulp en aanvankelijk met voordeel zich kon staande houden, maar toch reeds na dertig jaren voor de aanvallen harer mededingers bezweek. De geschiedenis der eerste vereeniging is, voorzoover zij Nieuw-Nederland betreft, door Amerikanen reeds op eene wijze bewerkt, die den Nederlander moet doen blozen; het zal mijn streven zijn, nu ten minste door de beschrijving van de lotgevallen der Noordsche Compagnie gedeeltelijk eene leemte aan te vullen, die te lang in onze geschiedboeken bestaan heeft.
[141] Resol. Adm. Amst. 18 Aug. 1614.
[142] Onder de eerste reeders ter walvischvangst worden als bewindhebbers, reeders of patroons in Nieuw-Nederland genoemd: Lambert Van Tweenhuysen, Simon Van der Does, Samuel Godin, Claes Jacobsz. Harencarspel, Hans Claessen en Barend Sweerts voor Amsterdam; bij de Zeeuwen: Pieter Boudaen Courten, Adriaan Ketelaer, Jan Gyselingh, Adriaan Velters en Jan De Moor. Onder de latere reeders vinden wij bij beide compagniën leden der familiën Ranst, Van der Graeff Snellingh, Velincx, Lampsens, Bisschop, Ray en Van der Dussen. Adriaan Block reisde in 1614 naar Nieuw-Nederland, in 1615 naar Spitsbergen; het schip de Fortuyne voer in 1613 naar Spitsbergen, in 1614 naar Nieuw-Nederland; Hinlopen, een der bewindhebbers der N. C. werd in Nieuw-Nederland vernoemd; de beide zonen van Jacob May deden in dienst van beide compagniën in 1614 twee reizen.
HOOFDSTUK II.
DE NOORDSCHE COMPAGNIE.
Inhoudsopgave
Terwijl de Nederlanders zich alzoo bij herhaling verdienstelijk maakten door hunne pogingen om de noordelijke zeeën aan Europa te doen kennen, hadden ook de Engelschen niet stilgezeten. De Moscovische Compagnie, in 1553 opgericht met het doel om ontdekkingen te doen en nieuwe handelswegen te openen, was daartoe dan ook te goed in de gelegenheid dan dat zij niet meer systematisch dan de Nederlanders zich op het verkennen der noordelijke streken zou toegelegd hebben. Al bleef hare aandacht voornamelijk op den Russischen handel gericht, toch zond zij nog dikwijls schepen naar het hooge noorden om de onbekende zeeën te doorzoeken.
Op een dezer reizen, in 1603 door Stephen Bennet op kosten van Sir Francis Cherie, lid der Moscovische Compagnie[143], met het schip The Grace ondernomen, stuitte men echter toevallig, op weg van Kola naar het noorden, op het den Engelschen nog onbekende Beeren-eiland. De tocht werd gestaakt en met het bericht, dat men op het nieuw gevonden land eenig looderts en vele sporen van walrussen gevonden had, keerde men huiswaarts. De Moscovische Compagnie begreep het gewicht der ontdekking. Dadelijk zond zij in 1604 Bennet weder naar Beeren-eiland en toen hij daar nu werkelijk eene groote menigte walrussen gevonden had, besloot men het land geregeld te bezoeken. Naar den eersten reeder werd het Cherie-island genoemd en jaarlijks vertrok nu voortaan een schip, op kosten van een der leden van de Moscovische Compagnie, daarheen[144]. De walrusjacht bleef hoofdzaak: aanvankelijk met geweren, later met lansen viel men de logge monsters aan, die eerlang een gemakkelijke prooi voor de jagers werden. Honderden koppen werden jaarlijks in Engeland ingevoerd; want vooral de tanden, destijds duur betaald, waren het doel der jacht. In 1605 begon men uit het spek de eerste traan te kooken; sinds 1611 beproefde men ook de huiden als handelsartikel te gebruiken[145]. Naast de walrusjacht hield men zich met het dooden van zeehonden, beeren, vossen en vogels bezig; de reeds in 1603 opgemerkte loodmijn leverde nu en dan eenig erts en een enkele maal vond men steenkool. Zoo was Beeren-eiland gedurende eenige jaren een rijke bron van voordeel voor de Moscovische Compagnie.
[143] Zie over Sir Francis Cherie: Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 295, 96.—De Moscovische Compagnie was evenals de Engelsche Oost-Indische eene zoogenaamde „regulated company”, „een soort van gilde, welks leden vrij waren om binnen zekere grenzen en met inachtneming van zekere bepalingen zelfstandig te handelen, en dat onder zekere voorwaarden nieuwe leden in zich mogt opnemen. Elke uitrusting eener vloot werd ondernomen door eenige personen, die vrijwillig zamenwerkten, geheel voor eigen rekening handelden, en slechts door de algemeene voorschriften der compagnie gebonden waren.” (Van Rees, Staathuishoudkunde in Nederl. II p. 19.)
[144] Zie de verhalen dezer reizen bij: Gordon, Voyage to the Northwards. Anno 1603. (Purchas, Pilgrimes. III p. 566; cf. ald. III p. 464.)—Poole, Divers Voyages to Cherie Iland. (1604) (Purchas, l. c. III p. 556.)—Poole, Third Voyage to Cherie Iland. (1605) (Purchas, l. c. III p. 558.)—Poole, Fourth Voyage to Chery Iland. 1606. (Purchas, l. c. III p. 559.)—Poole, Sixth Voyage to Cherie Iland. (1608) (Purchas, l. c. III p. 560.)—Poole, Seventh Voyage to Cherie Iland. (1609) (Purchas, l. c. III p. 561.)—Poole, Voyage to Cherry Iland etc. (1610) (Purchas, l. c. III p. 700.)—Comm. der Mosc. Comp. voor Edge. (Purchas, l. c. III p. 709.)—Edge, Dutch disturbance. (Purchas, l. c. III p. 464.)—Poole deelt ons in het verhaal van een dezer reizen (1608) een merkwaardig bericht mede over de temperatuur in de IJszee. „The twentieth and one and twentieth dayes (of June),” dus verhaalt hij, „it was calme, and the weather cleere, and wee had it as hot as I haue commonly felt in England at that time of the yeere. For the Pitch did runne downe the ships sides; and that side of the Masts that was to the Sunne ward, was so hot, that the Tarre did frye out of it, as though it had boyled.” Heley verhaalde aan Purchas, dat het op Spitsbergen somtijds zoo koud was, dat de bevroren zeilen niet te behandelen waren, terwijl den volgenden dag de temperatuur zoo heet was, dat al het pik op het schip smolt, zoodat alles vuil werd; ja, nu en dan kon men te middernacht zijne pijp door middel van een brandglas aansteken. (Purchas, Pilgrimes. III p. 788.)
[145] Commissie der Mosc. Comp. voor Poole, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 709.
Maar de kans keerde. De walrussen werden door het jagen schuw, de vangst werd bezwaarlijker, de dieren minder in getal. En daarbij kwamen concurrenten, die eerlang op de voordeelen der vaart opmerkzaam werden. Reeds in 1607 verscheen een schip voor rekening van een Londensch bierbrouwer op het eiland; de visschers van Hull, reeds van ouds geoefende walvischvangers aan de Noordkaap, volgden dadelijk in dit spoor[146]. De compagnie, die het door haar aan de Engelschen bekend geworden eiland als haar uitsluitend eigendom aanmerkte en er dan ook reeds in 1608 een sloep achterliet, ging wel in 1609 tot de plechtige inbezitneming over, maar het baatte niet, de concurrentie nam toe en het voordeel verminderde sterk. In deze omstandigheden sloeg de Moscovische Compagnie het oog op Spitsbergen, dat door Hudsons bezoek in 1607 nader bekend geworden was. Jonas Poole werd in 1610 door de vereeniging naar de tot nog toe slechts tweemaal bezochte kusten van dit eiland gezonden; hij verkende de baaien[147] en ving eenige walrussen. En daar Thomas Edge, die met een ander schip der compagnie weder naar Beeren-eiland vertrokken was, dit jaar geheel zonder lading terugkwam, nam men dadelijk het besluit de oude nederzetting te verlaten[148] en de uitrustingen voortaan naar Spitsbergen, of zooals men toen zeide, naar Greenland[149], te richten.
[146] Purchas, Pilgrimes. III p. 709.
[147] Bij deze gelegenheid gaf Poole aan verschillende plaatsen namen, die ze langen tijd (enkele zelfs tot nu toe) behouden hebben. Zoo vinden wij genoemd: Hornesound, Muscovy Companies Mount, Ice-point, Bell-point, Lownesse-island, Lowe-sound, Blackpoint-isle, Cape Cold, Ice-sound, Fair foreland, Knotty-point, Fowl-sound, Deer-sound, Closs-cove, Gurnerds-nose, Cross-road, Fairhaven en Greenhaven of Greenharbour.
[148] Wel werd „Cherie-island” nog verscheidene malen bezocht, o. a. reeds in 1611 door Poole, die daar 200 walrussen doodde en de bemanning der bij Spitsbergen gestrande Mary Margaret vond (cf. Poole, Briefe Declaration of my Voyage to Greeneland. 1611, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 711) en door Gordon met „The Amitie” (cf. Hamel, Tradescant der Aeltere. p. 306), maar de geregelde jaarlijksche tochten van de schepen der Moscovische Compagnie tot de walrusjacht hielden sinds 1610 op.
[149] De Engelsche schrijvers van dien tijd noemen nagenoeg zonder uitzondering Spitsbergen „Greenland”, een naam, gegeven in den tijd, dat men het eiland voor een gedeelte der Groenlandsche kust hield. Groenland zelf noemden zij daarom nu ter onderscheiding Groneland, Groynland, Groenland of met eene andere dergelijke verbastering.
Met dit besluit ging echter dadelijk eene geheele verandering van het doel der reizen gepaard. Reeds Hudson had de aandacht gevestigd op den aan traan en andere kostbare handelsartikelen zoo rijken walvisch; Poole had het bevestigd, dat de zee om Spitsbergen van die dieren wemelde[150]. Dadelijk in 1611 vinden wij dan ook op de twee schepen, die onder Bennet en Poole naar Spitsbergen vertrokken, zes harpoeniers uit St. Jean de Luz; de sinds eeuwen met de walvischvangst goed bekende Basken moesten de Engelschen in de gelegenheid stellen dit handwerk zelven te leeren. Dit eerste jaar was de reis zeer ongelukkig. De beide schepen strandden en de bemanning mocht zich gelukkig rekenen, dat schipper Thomas Marmaduke van Hull, die de Engelschen ook daarheen gevolgd was, zich bereid verklaarde haar naar het vaderland terug te voeren[151]. De compagnie hield echter vol: in 1612 verschenen weder twee schepen, het eene onder Poole en Bennet, het tweede onder Russell en Edge op Spitsbergen. Ditmaal was men gelukkiger: niettegenstaande hunne onbedrevenheid doodden de Engelschen zeventien walvisschen en eenige walrussen, die te zamen 180 tonnen traan leverden[152]. Maar tegelijk vertoonden zich ook op het nieuwe jachtveld concurrenten, die de hoopvolle vooruitzichten der compagnie zouden vernietigen.
[150] In deze eerste jaren waren de Engelschen gewoon, behalve op walrussen en robben ook op zoogenaamde witvisschen (witte walvisschen) jacht te maken. Men ving ze met groote netten van kabeltouw als zegens. Zij namen weldra de wijk naar diepere wateren. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195, 206.) De Nederlanders hadden reeds in 1613 ontdekt, dat die vangst geen voordeel gaf, en hielden zich er nooit mede bezig. (Hist. de Spitsberghe. p. 19.)
[151] De verhalen over de handelwijze der bemanning van het schip van Hull bij deze gelegenheid zijn zeer verschillend. Terwijl Jonas Poole met groote heftigheid zijne oude concurrenten van eene schandelijke handelwijze beschuldigt, neemt de onpartijdige Purchas mede een verhaal van Pooles broeder Randolph op, waarin die van Hull zeer geprezen worden. (Purchas, Pilgrimes. III p. 712, 13.) Het is onmogelijk hier te beslissen: in ieder geval is dit echter eene merkwaardige bijdrage ter beoordeeling van de groote animositeit tusschen monopolisten en „interlopers” in dien tijd.
[152] Zie het verhaal van de drie eerste reizen der Engelschen naar Spitsbergen door Poole zelven bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 699-707, 711-13, 713-15.
Reeds in 1611 was de verschijning van het Hullsche schip eene ernstige zaak geweest. Niettegenstaande de Moscovische Compagnie hare schepen voorzien had van een bevelschrift van den Geheimen Raad, dat de vereeniging machtigde om haar octrooi te handhaven tegen alle Engelschen, die zich in het noorden vertoonen zouden, en om zich met alle kracht tegen aanvallen van vreemden te verdedigen, had schipper Marmaduke zich niet ontzien Spitsbergen te bezoeken en had Nicholas Woodcocke, een van Bennets matrozen, hem zelfs den weg naar de beste baaien gewezen. Zulk eene niets ontziende stoutmoedigheid van hare concurrenten, zulk eene trouweloosheid van de zijde harer onderhoorigen beloofde voor de compagnie niets goeds. En werkelijk, in 1612 verschenen nog geduchter mededingers. De Nederlanders, het jeugdige volk, dat overal naar middelen zocht om te voldoen aan den lust tot daden, die het bezielde, waren ook nu weder onder de eersten, die met de Engelschen kwamen concurreeren. »They kept their wont in following of the English steps,” zegt Edge met kwalijk verborgen wrevel: evenals in 1578 naar de Witte Zee volgde zij nu weder in de baan door de Engelschen geopend. Hadden zij echter toen in hunnen landgenoot Brunel eenen gids gehad, die hun niet alleen den weg, maar ook de beste plaatsen voor hunnen handel aanwees, nu ontbrak hun zulk een leidsman geheel. De weg naar Spitsbergen was den Nederlanders door de reis der ontdekkers genoegzaam bekend; de plaatsen voor de walvischvangst geschikt, de wijze waarop die nieuwe winstgevende nering werd geoefend, moesten zij door eigene krachtsinspanning leeren kennen. Het moet tot hunne schande gezegd worden, dat zij een gemakkelijker maar ook minder eervol middel aangrepen om dit doel te bereiken: door omkooping haalden zij eenen Engelschman over tot verraad aan zijn land en zijne heeren[153].
[153] Edge (Dutch, Spanish, Danish disturbance, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 466) verhaalt uitdrukkelijk, dat de Nederlanders „were brought thither (d. i. naar Spitsbergen) by an English man, and not out of any knowledge of their owne Discoueries, but by the direction of one Allan Sallowes.” Zoo ik desniettegenstaande eene andere voorstelling geef, dan is het omdat: 1o. het uit de Hist. du pays de Spitsberghe van 1614 blijkt, dat de Nederlanders toen nog in bizonderheden met de reis hunner landgenooten naar Spitsbergen in 1596 bekend waren en dus eigenlijk geen gids daarheen noodig hadden. 2o. omdat Sallowes door het hardnekkig en gevaarlijk volgen der Engelsche schepen van Beereneiland af toonde, dat hij de bekwaamheid miste om dien weg te wijzen. Ik ben daarom van het trouwens zeer partijdige geschrift van Edge afgeweken en meen, dat Sallowes door de Amsterdammers aangenomen was om hun de wijze der walvischvangst en de plaatsen daartoe geschikt te toonen.
Reeds in 1611 waren—mag men het eenigszins verwarde verhaal van Zorgdrager[154] gelooven—op verschillende plaatsen des lands, met name te Amsterdam, Schiedam, Hoorn, Enkhuizen en Middelburg, inschrijvingen gedaan om de zoo winstgevende nieuwe nering der walvischvangst ook in Nederland te vestigen. De zaak had echter toen op zulk eene uitgebreide schaal nog geen voortgang; voorloopig vereenigden zich alleen Lambert Van Tweenhuysen, Jacques Nicquet, Jacques Mercys en eenige andere Amsterdamsche kooplieden, wier namen hunne Zuid-Nederlandsche afkomst verrieden, tot eene compagnie, die ten doel had de walvischvangst in de IJszee te beginnen. De vereeniging rustte dadelijk in 1612 een schip van 140 last uit[155], bemande het met 36 koppen en zond het onder bevel van Willem Van Muyden naar Spitsbergen met patent van graaf Maurits »om aldaer Walrussen te bekomen, ofte anders haer profijt te soecken”. Allan Sallowes, een Engelschman, die lange jaren voor de Moscovische Compagnie op de IJszee gevaren had, maar volgens de Engelschen een ter kwader naam bekend staande persoon, die zijn vaderland om schulden verlaten had, ging als stuurman mede[156]. Reeds aan het Beeren-eiland ontmoetten Van Muyden en de zijnen de twee Engelsche schepen. De bevelhebbers daarvan beraadslaagden er dadelijk ernstig over Sallowes als een »interloper”—of zooals men toen zeide »lorrendrayer”—gevangen te nemen, maar besloten toch eindelijk hem te laten gaan. Het Engelsche schip volgende kwamen daarop de Amsterdammers, niettegenstaande het herhaalde verbod der Engelschen, 26 Mei met een Engelschen »interloper,” (het schip Diana, kapitein Thomas Bustion van Wapping-wall[157]) op Spitsbergen aan. De beide schepen zwierven langs de kust heen en weer en deden pogingen om eene goede ligplaats buiten het gezicht van de schepen der compagnie te vinden, maar hunne onbekendheid met de walvischvangst was oorzaak, dat de buit schraal was en zij bijna onverrichter zake huiswaarts moesten keeren[158]. Een ander Nederlandsch schip, door eene Zaandamsche reederij uitgerust, schijnt zich dit jaar alleen met de walrusjacht op Beeren-eiland te hebben beziggehouden[159].
[154] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 207.
[155] Purchas (Pilgrimage. p. 815) spreekt ten onrechte van drie Nederlandsche schepen. De Nederlandsche berichten (Hist. de Spitsberghe. p. 10, 11) noemen er twee, waarvan een slechts tot Beeren-eiland kwam.
[156] Sallowes, die in vrijheid weder vertrok, verscheen ook in 1613 als stuurman van een schip van Bordeaux op Spitsbergen. (Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. p. 716, 17.—Vgl. Hist. du pays de Spitsb. p. 20-25, waar Sallowes „Maistre Selly” genoemd wordt.)
[157] Dit waren niet de eenige concurrenten der Moscovische Compagnie. Nicholas Woodcocke had dit jaar een Spaansch schip uit St. Sebastiaan naar Spitsbergen geleid. Marmaduke van Hull kwam met zijn schip „The Hope-well” ook weder aan het eiland, dat hij echter weldra verliet om eene ontdekkingsreis in het noorden te maken.
[158] De commies van Van Muyden, de koopman Kyen, verloor op Prince Charles’ foreland het leven. (Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 714—Hist. du pays de Spitsberghe. p. 12.) Naar deze gebeurtenis werd het eiland, waar ze plaats had, door de Nederlanders dier dagen „l’Isle de Kyn” genoemd.
[159] Zie over deze eerste reis der Nederlanders: Request der Amst. reeders aan de Stn.-Gen., bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII. fol. 88.—Hist. de Spitsberghe p. 10, 11.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 207.—Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 713-15.—Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466.—Detectio freti, ed. 1613 F 3.
Het volgende jaar bleven de Nederlanders niet achter. Willem Van Muyden kwam weder met zijn schip op Spitsbergen; de reeders hadden er nog het kleinere schip de Fortuyne, kapitein Jan Jacobsz. Boots van Medemblik[160], bijgevoegd. De Zaandamsche reederij zond mede twee schepen op de walrusjacht uit, die ditmaal ook op Spitsbergen kwamen[161]; een Enkhuizer schip, dat door eene tweede Amsterdamsche reederij was uitgerust, was weder door eenige Engelschen, waartoe de kapitein Thomas Bonner zelf behoorde, daarheen geleid. Eindelijk was er nog een schip van Hoorn, dat voor eene Fransche reederij voer. Ditmaal was men ook beter ter walvischvangst toegerust: behielpen de Enkhuizers zich nog met Engelschen, de Amsterdammers hadden zich reeds evenals hunne voorgangers gedaan hadden, van twaalf Baskische harpoeniers voorzien, die, meer ervaren dan de Engelschen, tevens minder de woede van den admiraal der Moscovische Compagnie zouden opwekken. De concurrentie werd dus voor deze vereeniging gevaarlijk; bovendien had de rijke vangst, in 1612 door een Biskaaisch schip op Spitsbergen verkregen, nu ook talrijke schepen van die bekwame walvischvaarders daarheen gelokt[Bijlage IX].
[160] De Histoire de Spitsberghe noemt den bevelhebber voortdurend „Mossel.” Misschien wordt daarmede Tys Volckaertsz. Mossel bedoeld, die in het volgende jaar als schipper op de Nachtegael naar Nieuw-Nederland kwam; waarschijnlijk was hij hier stuurman.
[161] Zie over de verdere geschiedenis dezer reederij: hierna p. 74 Noot 2.
De Engelsche compagnie was van al deze toebereidselen in tijds verwittigd en maakte zich gereed tot veel grooter uitrusting dan het vorige jaar. Voelde men zich misschien in 1612 niet sterk genoeg om tegen de mededingers geweld te gebruiken, dit jaar werden zeven schepen door de Moscovische Compagnie uitgerust en steunende op een koninklijk patent onder het groote zegel van Engeland, werden de vreemde schepen alle aangevallen. Sommige werden verdreven, andere beroofd, enkele in dienst der Engelschen gehouden. De Nederlanders ontvingen van dien aanval ruimschoots hun deel: slechts een der Zaandamsche schepen ontkwam zonder schade[162]. Zoo was de oorlog door de Moscovische Compagnie aan hare mededingers verklaard. Men had nu in Nederland slechts de keus tusschen het opgeven van den handel en het nemen van krachtige maatregelen. Tot het laatste werd dadelijk besloten.
[162] Verg. over de gebeurtenissen op Spitsbergen in 1613 (waarover later meer): Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716-20.—Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, in: Purchas, Pilgrimes III p. 466.—Hist. du pays de Spitsberghe. p. 11, 12, 20-26—Request der Amst. reeders aan de Stn.-Gen. bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.
De reeders zelven zagen in, dat men eenig moest zijn om krachtig te kunnen optreden; de beide Amsterdamsche compagniën voor de walvischvangst vereenigden zich dadelijk tot éene compagnie[163] en den 27 Januari 1614 werd in de vergadering der Staten-Generaal gelezen een request van Van Tweenhuysen, Nicquet, Mercys en zes andere kooplieden »met haere Compaignons, als nu te samen vereenicht in eene Compagnie.”[164] De requestranten verzochten daarbij van de Staten-Generaal »Consent ende Octroy omme voor den tydt van thien eerstkomende Jaeren alleene te mogen handelen van Nova Sembla tot Fretum Davidis toe, daer onder begrepen Spitsbergen, Beeren-eylant, Groenlandt ende de andere Eylanden die onder de voorszeide limiten souden mogen gevonden worden.” Zij steunden hun verzoek op het feit, »dat sy Supplianten de aldereerste waeren die uyt dese Landen soo verre om de Noort aengevangen hadden te varen ofte te seylen, met toerustinge van eene quantiteyt Schepen, alwaer noyt Christen Menschen ontrent hadden gheweest.” Zij meenden dus volgens de begrippen dier tijden recht te hebben om als de eersten, die den handel hadden gedreven, alle andere Nederlanders daarvan uit te sluiten. Toch waren zij er niet eer toe gekomen om de bekrachtiging van dit recht door de Staten-Generaal te vragen, voordat zij door eene harde noodzakelijkheid daartoe gedrongen waren: »Ende alsoo zij supplianten bij experientie beuonden hebben,” dus gaat het request voort, »dat de Engelschen hun soucken te beletten de voorszeide vaerte, poogende hun seluen mette Waepenen Eijgenaers te maecken vande voorszeide Landen, twelck zij supplianten uwe Ho: Mo: Ed: int lange hebben verthoont[165], waervan de questie alsnoch is ongedecideert, sien zij geene apparentie omme alleene ofte int particulier opte voorszeide landen te connen vaeren, door het gewelt vande voorszeide Engelschen, waerdoor de couragie lichtelick benomen soude werden vanden Coopluyden in ’t particulier te ondersoecken eenige nieuwe Landen.” Alleen de zucht der Engelschen om monopolie te verkrijgen had hen genoodzaakt, zelven tot een dergelijk middel om den handel te vestigen de toevlucht te nemen[166]; immers »het soude buyten reden wesen, dat ’t geene sy Supplianten op hare groote excessive kosten gevonden hadden, ende ’t geene sy als noch verhoopten te vinden, by andere de profijten ende vruchten daer van getrocken souden werden, ’t welck sy Supplianten vastelick vertrouwden haere Ho: Mo: meyninge oock niet te zijn.” Toch verklaarden de requestranten zich »tevreden, dat alle Persoonen onder haer Ho: Mo: gebiedt inde voorszeide Compagnie vande eerste aenstaende Equipagie binnen een Maent souden aengenomen werden, ende voor de naevolgende Jaren binnen drie eerst-komende Maenden, door dien sy Supplianten binnen den tijdt van ses Weecken in Zee souden moeten wesen met haere Schepen.” Geen monopolie, alleen samenwerking was het dus, wat de oprichters der compagnie beoogden[167].
[163] De Zaandamsche reederij ging later ook in de Noordsche Compagnie op. De Staten-Generaal maakten bij het verleenen van het octrooi aan die vereeniging het uitdrukkelijke beding, „dat die twee Scepen van Serdam, die twee Jaren aldaer (d. i. op de IJszee) hebben gevaren, jnde Compaignie souden werden aengenomen, Oft dat de Compaignie dese Scepen souden coopen, ende die eygenaers recompenseren voor hare gedane costen tot redelycke pryse, ten seggen van luyden hen des verstaende, Ofte anders ten seggen van hare Ho. Mo.” (R. S.-G. 27 Mrt. 1614.) Waarschijnlijk had de weinige deelneming der Zaandammers aan de inschrijvingen ten gevolge, dat de laatste weg ingeslagen werd.
[164] De mededeeling van Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 207) over pogingen om reeds vóor en in 1611 octrooi voor de walvischvangst van de Staten-Generaal te krijgen schijnt ontleend aan: Le Long, Kooph. van Amst. II p. 159-61, die echter niet dit zegt, maar alleen dat in 1611 de eerste Nederlandsche uitrusting ter walvischvangst plaats had. (Vermoedelijk ontleend aan een Engelsche bron, die 1611 voor 1612 schrijft.) De verandering, door Zorgdrager in het verhaal gemaakt, wordt door de R. S.-G. weêrsproken, die vóor 1614 van verzoeken om octrooi zwijgen.
[165] Zinspeling op het request der Amsterdamsche reeders ter walvischvangst, afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.
[166] De hierboven aangehaalde zinsnede uit het request bevestigt alleszins het gevoelen van Van Rees (Gesch. der staathuishoudk. in Ned. p. 175, 76), dat alleen de vrees, dat de Nederlandsche walvischvangst zich zonder octrooi niet tegen de Engelschen zou kunnen staande houden, den afkeer der Staten-Generaal voor monopoliën ditmaal overwonnen heeft. Joachimi verhaalde ook aan de Staten van Zeeland, dat het octrooi verleend werd „ter oorsaecke van” de gewelddadigheden der Engelschen en de aanmatiging van uitsluitende rechten door hunnen koning. (Not. Zeeland. 19 Mrt. 1614.) Zie ook het gevoelen van De la Court bij: Van Rees l. c. p. 179 Noot 1.—De N. C. zelve verhaalde in 1624 de geschiedenis van het verleenen van het octrooi aldus: „In het jaer 1614 den ijver ende genegentheijt totte neringe van Walvischvanght, bij velen ingesetenen deser landen noch meer als oijt te vooren ontsteken sijnde, uijt de Rapporten ende advertentien dijemen vercreeg, vande gene dije het jaer te vooren ter selver neringe wtgeweest waeren, ende datmen verstondt wat effecten de Engelschen daervan waren genietende, soo hebben verscheijden persoonen geraden geuonden de neringe te hervatten ende omme haer te meer te verseeckeren jegens alle hostiliteijten soo van de Engelschen als anderen natien,” (zinspeling op de Denen, die echter onjuist is, daar dezen zich eerst in 1615 op Spitsbergen vertoonden) „dije haer daerjnne souden willen troubleren, van Uwe Ho: Mo: te versoucken een generael Octroij, onder beneficie van twelcke, sekere Compagnien in dese landen mochten werden gedresseert, dije met meerder orde ende eenicheijt als wel te vooren de voorszeide neringe aenvangen mochten; ende nae dat tselve Octroij by Uwe Ho: Mo: was vergunt ende daeronder alles in redelijcke goede ordre gebracht, ... soo js daermede met meerder verseeckerheijt de Neringe ... aen Spitsbergen gecontinueert.” (Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
[167] Een afschrift van dit request is door mij gevonden op het R.-A. in de verzameling getiteld: Noordsche togten. 1596-1634. (4. Loop. N. C. 1616-1634.) Het is mij daaruit gebleken, dat de griffier Aerssen, die in dit afschrift eigenhandig hier en daar veranderingen en aanvullingen maakte en het verleende octrooi achteraan stelde, het geheele request nagenoeg onveranderd als considerans in het octrooi opgenomen heeft. Alleen de door mij hierboven afgedrukte zinsneden over de Engelschen zijn om redenen van staat eenvoudig geschrapt, waardoor de gedachtengang in het octrooi trouwens onverstaanbaar wordt.
De beslissing der Staten-Generaal kon niet twijfelachtig zijn. Daar reeds eenmaal na lange beraadslaging door het verleenen van octrooi aan de Oost-Indische Compagnie[168] van het oud-Nederlandsche systeem van vrijen handel was afgeweken, kon nu ook aan de in geheel dezelfde omstandigheden verkeerende Nederlandsche reeders op de IJszee een gelijke gunst niet geweigerd worden: ook daar dreigde te groote concurrentie bij aanvallen van buitenlandsche vijanden den ontluikenden handel eerlang den doodsteek te zullen geven. Dadelijk besloten dan ook de Staten-Generaal het verzoek der Amsterdammers toe te staan en den supplianten voor het loopende en de twee volgende jaren het octrooi te verleenen. Als waarborg tegen een monopolie stelde de Staten echter uitdrukkelijk de voorwaarde, »dat die geene die dit Jaer inde Compagnie sullen begeren te komen ’t selve sullen moeten doen, ende haer daer op verklaren binnen ses Weecken naer affixie van Billieten, ende binnen vier Maenden die geene die daer inne sullen begeeren ontfangen te werden voor de voorszeide twee naevolgende Jaren. Welverstaende dat die geene die respective inde Compagnie sullen komen niet alleen en sullen profijteren van haer Gelt naer advenant dat sy gheadventueert sullen hebben, maer oock van alsulcke voordere voordeelen alsser sullen mogen geraecken te vallen binnen den voorszeiden tijt, soo wel het bewint vande voorszeide Compagnie ende Equipagie aengaende, als anders.” Op deze voorwaarde »interdiceerden ende verboden de Staten alle ende een yegelijck vande Inghesetenen van dese Landen, van wat conditie ofte qualiteyt die zijn, anders als die vande voorszeide Compagnie Supplianten, binnen dit loopende ende twee daer na volgende Jaeren, uyt dese Vereenichde Nederlanden te handelen ende visschen op de Kusten ende Landen van Nova Sembla, tot Fretum Davidis toe, daer onder begrepen Spitsbergen, Beren-Eylant, Groenlant, ende die andere Landen die onder de voorszeide Landen gevonden souden mogen werden, op de verbeurte van hare Schepen ende Goederen.” Zij »ontboden daer omme ende bevalen wel expresselick allen Gouverneurs, Justicieren, Officieren, Magistraten ende Inwoonders der voorszeide Vereenichde Landen, dat sy de voorszeide Compagnie Supplianten rustelijck ende vredelijck souden laten genieten ende gebruycken ’t volkomen effect van desen Octroye ende consent, cesserende alle contradictien ende empeschementen ter contrarien, want Haere Ho: Mo: ’t selve ten dienste vanden Lande bevonden hadden alsoo te behooren”[169].
[168] Zie over de motieven, die tot de oprichting der Oost-Indische Compagnie leidden: Van Rees, Staathuishoudk. in Nederland. II p. 9-22.
[169] R. S.-G. 26, 27 Jan. 1614.—Gr. Placaet-boeck. I p. 669-72.—Het octrooi is ook afgedrukt bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 208, 9, en bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95, 6.
Zoo was de vereeniging gegrondvest, die onder den naam van de »Noordsche compagnie”[170] bijna dertig jaren lang zoo goed als alleen de vlag der Nederlanders in de barre poolstreken zou voeren. Het waren natuurlijk meestal personen van meer dan gewone energie en bekwaamheid, die den eersten stoot aan den nieuwen handel gaven. Onder de eerste bewindhebbers vinden wij vooraan gedurende lange jaren het hoofd der Amsterdamsche compagnie, die het eerst de walvischvangst ter hand genomen had, Lambert Van Tweenhuysen, een naam ook onder de eerste reeders op Nieuw-Nederland met eere bekend.[171] Naast hem traden op zijne medebewindhebbers van de Amsterdamsche compagnie, Jacques Niquet en Jacques Mercys en een vierde lid Gilles Dodeur[172]. Hoogstwaarschijnlijk was het de tweede Amsterdamsche compagnie, die als bewindhebber Ysbrandt Dobbesz. zond, een der reeders, die in 1613 door de Engelschen benadeeld waren[173], en naast hem Leonard Rans[174], die spoedig uit de rij der bewindhebbers verdween. Delft, de stad, die na Amsterdam steeds de meeste aandeelen in de Noordsche Compagnie had, benoemde tot bewindhebber Antonie Monier, »Contrerolleur van de Artillerije”, die aanstonds den goeden weg insloeg door zelf in den zomer van 1614 als commissaris-generaal het commando over de Nederlandsche walvischvaarders op zich te nemen[175]; naast hem werden door Delft afgevaardigd Nicasius Kyen, »Commijs van de Vivres”, en Dirck Adriaensz. Leversteyn, twee mannen, die later door de oprichting der kleine Noordsche Compagnie toonden, dat geld en goed hun liever was dan een onbesproken naam, maar die tevens bewezen, dat zij geene inspanning van hunne groote talenten wilden ontzien om dat geld en goed te verkrijgen[176]. Dit waren de eerste bewindhebbers der Noordsche Compagnie[177], maar ook andere personen van naam vinden wij onder de vroegste Nederlandsche walvischvaarders. Daar was vooreerst Samuel Godin, evenals Tweenhuysen een der eerste reeders op Nieuw-Nederland en later patroon van een der koloniën aldaar[178]; ook Symon, de zoon van den Amsterdamschen schout Van der Does, die zich reeds in 1613 op het schip van Bonner naar Spitsbergen waagde[179], en in 1625 bewindhebber der Noordsche Compagnie was[180]; eindelijk Claes Jacobsz. Harencarspel, evenals Godin reeds in 1617 als bewindhebber genoemd[181].
[170] Zie over de verschillende namen der compagnie: Muller, Mare Clausum. p. 128 Noot 1.—De gewone naam was: Noordsche Compagnie. Het is zonderling, dat tegen het einde van het octrooi (1642) deze naam meer en meer plaats maakt voor dien van Groenlandsche Compagnie, terwijl het toch juist toen meer en meer zeker begon te worden, zoo het niet reeds uitgemaakt was, dat Spitsbergen evenmin als Jan Mayen-eiland iets met Groenland te maken had. In de eerste jaren van haar bestaan werd de N. C. veelal als „Compaignie van Spitsbergen” onderscheiden van de kleine N. C., die alleen bij Jan Mayen-eiland de visscherij oefenen mocht.
[171] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 44.—O’Callaghan, Hist. of New-Netherland. I p. 74.
[172] Verklaring van Rijp dd. 3 Dec. 1613, in: Noordsche togten, 1. R.-A.—Resol. Admir. Amst. 20 Apr. 1613.
[173] R. S.-G. 21 Mrt. 1625.
[174] Aitzema (Saken van Staet. II p. 356) noemt dezen L. Jansz. Dat dit onjuist is, blijkt uit het gelijktijdige afschrift van het request der reeders in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Waarschijnlijk was hij lid der familie Ranst, een naam ook later in de geschiedenis der walvischvangst herhaaldelijk genoemd.
[175] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.—Instr. der Stn.-Gen. voor Quast dd. 29 Apr. 1614, in het Register der „Instructien der Hooch Mogende Heeren Staten-Generael der Vereenichde Nederlanden, beginnende metten Iaere 1611 ende eijndigende met 1623.” R.-A.
[176] Zie hierna Hfdst. IX.
[177] Gr. Placaetboeck. I p. 669.
[178] O’Callaghan, Hist. of New-Netherland. I p. 121, 125, 411, 479.
[179] Detectio freti. ed. 1613. F. 2 en p. 3.—Later was hij ook directeur der Compagnie van Nieuw-Nederland. (O’Callaghan, New-Netherland. I p. 411.)
[180] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.
[181] R. S.-G. 21 Mrt. 1625.—Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19 Mrt. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Ook Harencarspel was een der voornaamste reeders op Nieuw-Nederland. (O’Callaghan, Hist. of N.-Netherland. I p. 94.)
Reeds uit de lijst der bewindhebbers blijkt, dat de »affixie van billieten,” door de Staten-Generaal bedongen, dadelijk groote gevolgen had gehad: vele nieuwe leden hadden zich op verscheidene plaatsen aangemeld en daar de regeering uitdrukkelijk bepaald had, dat hun eene plaats in het bestuur der compagnie zou ingeruimd worden, werd nu de oprichting van verschillende kamers noodzakelijk. Aanvankelijk werden deze, met uitsluiting der Zaanlanders, die toch onder de eerste walvischvangers behoord hadden, gevestigd te Amsterdam, te Delft, te Rotterdam, te Hoorn en te Enkhuizen. Reeds in 1617 werd echter de oprichting van nieuwe kamers noodig door de opneming van twee Vlissingsche compagniën, aan wier hoofd leden van de bekende Zeeuwsche handelshuizen Lampsius en De Moor stonden[182]. Ook nu weder werd aan alle Zeeuwen de gelegenheid geopend hun geld in de walvischvangst te beleggen, en het resultaat dier oproeping was de samenstelling van drie nieuwe kamers der Noordsche Compagnie te Middelburg, Vlissingen en Veere. Pieter Courten, een aanzienlijk Middelburgsch koopman, was de meest in het oog vallende persoon der nieuwe bewindhebbers. De vereeniging der Noordsche Compagnie met de zoogenaamde kleine Noordsche Compagnie in 1622 leidde tot de oprichting van eene tweede kamer te Delft. Deze kamer splitste zich weldra in twee deelen[183], en terwijl de aandeelen van het grootste, 3⁄4 deel weldra verdeeld werden tusschen de kamers van Vlissingen, Delft, Hoorn en Enkhuizen[184], verlieten de reeders van het overblijvende 1⁄4 deel, de woelige Pieter Van de Graeff, de ondernemende Adriaen Dircksz. Leversteyn en Reyer Van der Burch weldra de Noordsche Compagnie. Hun rustelooze aard dreef hen naar nieuwe bedrijven en hunne aandeelen werden opgekocht door Willem Pedij, bewindhebber van de kamer der Noordsche Compagnie te Delft[185] en door den Enkhuizenschen bewindhebber Jacob Meyn[186]. Eene laatste verandering onderging de inrichting der Noordsche Compagnie in 1636, toen zij zich vereenigde met eene Friesche compagnie, door den ervaren walvischvaarder Wybe Jansz. van Stavoren, naar het schijnt grootendeels met Harlingsche kapitalen, opgericht. Het getal kamers werd nu op nieuw met twee vermeerderd, die zich te Harlingen en te Stavoren vestigden. De Zaanlanders deden in 1640 eene poging om op nieuw deel aan de walvischvangst te krijgen[187], maar eerst na den val der Noordsche Compagnie gelukte hun dit voor goed. Van dien tijd dagteekent eerst de verbazende bloei der Nederlandsche walvischvangst, die zich sedert voornamelijk aan de boorden der Zaan vestigde[188].
[182] De namen der eerste Zeeuwsche reeders zijn: Jan Lampsius, Jan Gyseling, Adriaen Adriaensz. Ketelaer, Cornelis Claesz. Cees, Adam Cornelisz. en Jan De Moor; Arnoud Loncke, Johan Van Dort, Gelein Pietersz., Adriaen Stevensz., Jan Willemsz., Jan Thysz., Jacob Been, allen van Vlissingen. (Sent. v. de H.R. in zake de N. C. c. Lampsius c. s. dd. 13 Apr. 1617,—in zake Lampsius c. Clarcque dd. 31 Juli 1620.—Getuigenis v. Jan Verelle, Cornelis De Cock en Pierre Gasteloser c. s., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
[183] R. S.-G. 10, 11, 12 Febr. 1622.
[184] Juist deze vier kamers werden in 1624 tot vereffening der geschillen met de Engelschen van 1618 opgeroepen. (R. S.-G. 21 Mrt. 1625.) Daar ook de kleine N. C. daarbij geïnteresseerd schijnt geweest te zijn (R. S.-G. 5 Jan. 1621), is het niet onmogelijk, dat de liquidatie dezer vereeniging met de Engelsche quaestie in verband gestaan heeft. Het verband is mij echter volkomen duister.
[185] Ik geef dit laatste voor eene gissing. Uit het opschrift van het proces-verbaal van 1 Dec. 1631 (Bijl. D v. h. request der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) zou men kunnen opmaken, dat de zelfstandige positie van Pedij en Meyn ontstaan was door de overname van een deel der aandeelen van de kamer van Delft.
[186] Aitzema (Saken v. Staet. II p. 361) noemt dezen „Meim.” Het verslag der conferentiën met de N. C. van den Hrl. gedeput. (R.-A.) geeft beide lezingen. Ik kies de lezing „Meyn” omdat Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 315, 318) drie personen van den naam „Meyn” onder de directeurs en commandeurs der walvischvangst noemt.
[187] R. S.-G. 3 Apr. 1640.
[188] Tegenw. Staat. I p. 610.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 231.—Die van Jisp waren volgens de overlevering de eerste zeevisschers. De Zaandammers zonden in 1644 drie schepen; de eerste Rijper walvischvaarder zeilde in 1645 uit. (Dooregeest, Ryper zee-postil. p. 352, 53.) Het belang der Zaansche walvischvangst blijkt wel uit het feit, dat in 1695 van de directeurs der walvischvangst 3 waren uit Amsterdam, 1 uit Rotterdam en 1 uit Hoorn, terwijl Zaandam, Jisp, Zaandijk en De Rijp elk 1 directeur zonden. (Dooregeest, l. c. p. 360.) In 1728 was die verhouding nog onveranderd, alleen zond Amsterdam toen 2 in plaats van 3 directeurs. (Zorgdrager, Groenl. vissch. Opdragt.)
De bepaling van het aandeel, dat elke kamer aan de jaarlijksche vangst der Noordsche Compagnie hebben zou, was aanvankelijk zeer eenvoudig: Amsterdam kreeg de helft, terwijl de wederhelft in vier gelijke parten tusschen de overblijvende kamers van Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen verdeeld werd[189]. Maar de herhaalde veranderingen maakten de verhouding weldra zeer ingewikkeld. Toen aan Zeeland 1⁄4 aandeel in de Noordsche Compagnie werd ingeruimd (waarvan Middelburg en Vlissingen elk 15½⁄40, Veere 9⁄40 kreeg[190]) bleef de verdeeling der overschietende 3⁄4 deelen onder de Hollandsche kamers nog evenals vroeger[191], maar de vereeniging met de kleine Noordsche Compagnie baarde meer moeielijkheden. Voor het jaar 1622 werd door de Staten-Generaal eene voorloopige regeling vastgesteld, waarbij aan de Hollandsche kamers 10.000 quarteelen traan in de vangst, die voor dit jaar tot 21.000 quarteelen beperkt moest blijven, werden toegestaan; de Zeeuwsche kamers moesten zich dit jaar met 5000, de kleine Noordsche Compagnie met 6000 quarteelen tevreden houden[192]. Op het einde van het jaar 1622 sloten de partijen echter eene overeenkomst, waarbij ieders aandeel definitief werd vastgesteld[193]. Dat van Zeeland bleef op 1⁄4 bepaald; de Hollandsche kamers stonden aan de kleine Noordsche Compagnie waarschijnlijk slechts 1⁄3 van de geheele vangst af[194]. Daar dit 1⁄3 deel in vier gelijke parten verdeeld werd, waarvan 1⁄4 weder in drie onderdeelen was versnipperd, is het niet te verwonderen, dat de reeders, die elk eene afzonderlijke uitrusting deden en dan ook reeds met de schikking van 4 Februari 1622 niet tevreden geweest waren[195], den moed weldra opgaven. Twee der drie onverdeelde 1⁄4 parten werden door de Vlissingsche kamer overgenomen; het derde werd tusschen Delft, Hoorn en Enkhuizen verdeeld[196]. Pedij, die 7⁄8 van het in drie deelen gesplitste 1⁄4 bekwam, vereenigde zich later met de kamer te Veere[197], Meyn, die het overschietende 1⁄8 kocht, met die te Enkhuizen[198]. De onderlinge verhouding der kamers werd later, o. a. door de overeenkomst van 3 November 1630 nog gewijzigd[199], zoodat in Februari 1636 de verhouding der kamers was als volgt:
| quarteelen traan. | ||
|---|---|---|
| Amsterdam 9⁄32 | 4500 | |
| Delft 5⁄32 met 7⁄15 van 1⁄32 (van de 2e kamer van Delft) | 2733 | 1⁄3 |
| Pedij 7⁄8 van 1⁄32 (van de 2e kamer van Delft) | 437 | 1⁄2 |
| Meyn 1⁄8 van 1⁄32 (van de 2e kamer van Delft) | 62 | 1⁄2 |
| Rotterdam 2⁄32 | 1000 | |
| Hoorn, 2⁄32 met 1⁄3 van 1⁄32 (van de 2e kamer van Delft) | 1166 | 2⁄3 |
| Enkhuizen, 2⁄32 met 1⁄5 van 1⁄32 (van de 2e kamer van Delft) | 1100 | |
| Middelburg 15½⁄40 van 8⁄32 | 1550 | |
| Vlissingen 15½⁄40 van 8⁄32 met 2⁄32 (van de 2e kamer van Delft) | 2550 | |
| Veere 9⁄40 van 8⁄32 | 900 | |
| 16000 | [200] |
[189] Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19 Mrt. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[190] Verslag der conferentie v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[191] Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19 Mrt. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[192] R. S.-G. 4 Febr. 1622.
[193] Gr. Placaetb. I p 675.—R. S.-G. 20 Dec. 1622.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[194] Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[195] R. S.-G. 10, 11, 12 Febr. 1622.
[196] Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[197] Sent. v. d. H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[198] Aenwysinghe der kamers N. C. v. Rott. Hoorn en Enkh., jcto. Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[199] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Bij die overeenkomst, waarin de geheele vangst op 17500 quarteelen begroot was, werden aan Delft toegedeeld 30091⁄2 quarteelen, aan Hoorn 1317, Enkhuizen 1314, Veere en Pedij te zamen 2⁄3 van 2967 d. i. 1978 quarteelen.
[200] Naar het verslag der confer. van 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A. (gecorrigeerd naar een in denzelfden bundel aanwezig duplikaat.)—Pedij en Meyn worden daar gezegd hunne aandeelen te houden van de „1e kamer Delft” (evenals in het opschrift van het proces-verbaal van 1 Dec. 1631, Bijl. D v. h. request der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.); ik veranderde het overeenkomstig p. 80 Noot 2.
De opneming der Friezen, die 1⁄9 aandeel in de Noordsche Compagnie kregen, wijzigde deze verhouding niet: alle kamers droegen naar mate van hare krachten tot het den Friezen uit te keeren gedeelte der vangst bij[201]. De verdeeling tusschen de beide Friesche kamers onderling is onbekend, maar het is zeker dat de Harlingsche kamer die te Stavoren in belang verre overtrof.
[201] Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.
De kennis van de krachten der verschillende kamers is daarom van belang, omdat men hier onder den schijn alsof het deelen van een geheel waren, werkelijk met bijna geheel zelfstandige lichamen te doen heeft, die dan ook meermalen terecht compagnieën genoemd worden[202]. De verschillende kamers der Noordsche Compagnie hadden hare eigene bewindhebbers, die voor hun leven benoemd werden en wier getal bij ontstentenis van een hunner uit een dubbeltal, door de overige bewindhebbers uit de hoofdparticipanten (aandeelhouders voor minstens ƒ2000) genomineerd, werd aangevuld door de electie van den magistraat der stad, waar de kamer gevestigd was[203]. Iedere kamer had een afzonderlijk kapitaal[204] en bezorgde dus natuurlijk hare eigene uitrustingen[205]. Het gevolg was, dat ieder hare eigene schepen bezat[206], hare eigene scheepsbevelhebbers aanstelde[207], hare afzonderlijke loge had op het strand der plaatsen, waar de walvischvangst gedreven werd[208], afzonderlijke sloepen voor de walvischvangst[209], afzonderlijke vaten om de vangst te bergen[210]. De schade, door zeeroof of rampen aan een van deze zaken geleden, bleef dan ook voor rekening der kamer, aan wie zij behoorden[211]. In het doen van ontdekkingsreizen was elke kamer geheel vrij[212].
[202] R. S.-G. 9 Apr. 1625.—Req. der Zeeuwsche kamers N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.—Corte Deductie ende Remonstr. der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[203] De Zeeuwsche kamers schijnen iets meer democratisch ingericht te zijn geweest dan de overige; ten minste herhaaldelijk worden de participanten zelven als handelende personen genoemd, waar bij de Hollandsche kamers steeds de bewindhebbers als vertegenwoordigers optreden. (R. S.-G. 3 Mrt., 28 Mei 1622.—Req. der Zeeuwsche kamers N. C. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.—Req. der N. C. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.—N. Z. 17 Mrt. 1622.)
[204] R. S.-G; 4 Nov. 1622, 14 Apr. 1623, 21 Mrt. 1625.
[205] Miss. der gedeput. v. Zeel. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeel.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[206] Req. der N. C. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.) 1615, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.
[207] Raven, Journael vande Voyagie naer Groenlandt. p. 5.—Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1175.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[208] Van der Brugge, Journael van de Seven Matroosen. p. 12.
[209] Van der Brugge, Journael van de Seven Matroosen. p. 16, 42.
[210] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[211] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[212] R. S.-G. 28 Oct. 1617, 25 Mrt., 16 Dec. 1625.
De vrijheid, zoodoende aan ieder op zijn eigen gebied gelaten, kon niet anders dan weldadig werken, maar zij streed ook uit haren aard met het wezen der Noordsche Compagnie als geoctrooieerde vereeniging. De uitsluiting van alle concurrentie, het streven naar centralisatie, dat de compagnie met alle dergelijke lichamen gemeen had, moest reeds eene regeling doen afkeuren, die zooveel zelfstandigheid aan de leden der compagnie verzekerde. En dan had toch ook het versnipperen van de finantiëele krachten der vereeniging bij de groote risico, die de walvischvangst steeds opleverde, hare bedenkelijke zijde. Er werden dan ook herhaaldelijk pogingen gedaan om eene andere regeling te verkrijgen. Reeds in 1616 toonden eenige kamers zich geneigd, de walvischvangst »in eene gemeene rekeninge” te brengen[213], maar het plan stuitte waarschijnlijk af op den onwil van Amsterdam, dat begreep, zoodoende het overwicht, dat het in de compagnie bezat, te zullen verliezen. In 1623 was er op nieuw sprake van, dat eene generale compagnie »onder een gemeene borsse” zou opgericht worden[214], maar ook ditmaal schijnt er niets van gekomen te zijn. Enkele kamers onderling poogden toen de nadeelen, aan de regeling verbonden, door afzonderlijke overeenkomsten uit den weg te ruimen. Zoo sloten Hoorn en Enkhuizen, de »camers van het Noorderquartier”, 11 Maart 1632 een contract, waarbij zij o. a. besloten de uitrustingen voortaan gezamenlijk te bekostigen[215], en ook tusschen Delft en Rotterdam, de »camers van de Maze”, schijnt eene nauwe vereeniging bestaan te hebben[216]. Aan het bezwaar, dat de groote risico aanbood, kwam men mede zooveel mogelijk te gemoet. Reeds in 1617 bij de vereeniging met de Zeeuwen kwam men overeen de schade, door vreemde natiën aan de schepen der Noordsche Compagnie toegebracht, gezamenlijk naar evenredigheid van ieders uitrusting te dragen[217], en bij het bovenvermelde contract van die van het Noorderkwartier werd bepaald, dat ook de schade door zeerampen aan de schepen van een der partijen veroorzaakt, door elk der kamers voor de helft zou bekostigd worden[218].
[213] Miss. v. de Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Archief Zeeland.
[214] R. S.-G. 14 Apr. 1623.
[215] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[216] Voornamelijk tusschen de Rotterdamsche kamer en de kleine N. C. Van de vele kleine aanwijzingen noem ik alleen deze: Pieter Ewoutsz. Van der Horst was tegelijkertijd bewindhebber der kleine N. C. te Delft (R. S.-G. 3 Dec. 1620) en van de kamer der N. C. te Rotterdam. (Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Req. der N. C. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.—cf. ook: R. S.-G. 21 Apr. 1618, 19 Nov. 1620.)
[217] R. S.-G. 9 Nov. 1617.—Req. der Vliss. reeders dd. 26 Sept. 1617, en: Contr. der N. C. met de Zeeuwen dd. 19 Mrt. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart. c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.
[218] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
Maar dergelijke maatregelen alleen zouden niet voldoende geweest zijn. Het was te voorzien, dat tusschen zulke zelfstandige lichamen, die toch door een gemeenschappelijken band vereenigd waren, gedurig twist zou ontstaan en de uitkomst bewees het gegronde dier vrees. De Noordsche Compagnie was dan ook volstrekt niet, wat de Engelschen eene »regulated company” noemen, eene instelling hier te lande trouwens vreemd. Integendeel, reeds de oprichters hadden gezorgd voor een krachtig centraal gezag, dat berusten zou bij de algemeene vergadering. De inrichting dier vergadering was hoogst eenvoudig en op de leest der toenmalige regeeringscolleges geschoeid. Op de beschrijving der presideerende kamer[219] kwamen de bewindhebbers der verschillende kamers of eenigen van hen daartoe afgevaardigd[220], gewoonlijk driemaal ’s jaars te zamen: in het begin van Maart en van Juli en op het einde van October[221]. Het praesidium ging bij beurten rond[222], zoo dat gedurende drie jaren eene der Hollandsche kamers, het vierde jaar eene Zeeuwsche als voorzittende optrad[223]. De plaats der vergadering wisselde op dezelfde wijze af[224]. Men stemde natuurlijk kamersgewijze. Waarschijnlijk had aanvankelijk Amsterdam vier stemmen, terwijl elk der overige kamers zich met éene stem moest tevreden stellen; maar later veranderde de verhouding geheel. Toen Zeeland tot de compagnie toetrad, werd er bepaald, dat van de vijf stemmen gedurende drie jaren de Hollanders vier, de Zeeuwen éene zouden hebben; terwijl het vierde jaar Holland drie, Zeeland twee stemmen mocht uitbrengen[225]. De verdeeling dier stemmen onder de verschillende kamers kan men alleen gissen: waarschijnlijk stemden Delft en Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen, Middelburg en Veere met elkander. De opneming der Friezen bracht eene wijziging in de verhouding: van de negen uit te brengen stemmen werden aan Holland zes, aan Zeeland twee, aan de Friezen slechts éene toegekend[226].
[219] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten 4. Loop. N. C. R.-A.—Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.—Ook buitengewone vergaderingen kwamen op beschrijving der presideerende kamer bijeen. (R. S.-G. 30 Sept. 1636.)
[220] Aitzema, Saken v. Staet. II. p. 360.
[221] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.—Reeds in 1614 worden echter vergaderingen vermeld op 17 April, 21 Juni en 21 October („Debath” van Kyen en Leversteyn, in: Noordsche togten. I. R.-A.), later van 15, 17 en 25 Maart, 29 Juli, 25 November en 4 December.
[222] R. S.-G. 23 Apr. 1633.—Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[223] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.—Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.
[224] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[225] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[226] Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.
Aan deze vergadering waren de belangen der Noordsche Compagnie toevertrouwd: over de belangrijkste punten werd daar beraadslaagd. In het algemeen bestond de hoofdwerkzaamheid, aan de vergadering opgedragen, in het regelen der jaarlijksche uitrustingen: men besliste hoevele schepen de financiën der compagnie toelieten uit te zenden[227], en bepaalde het getal, dat iedere kamer volgens hare quote daarvan zou mogen uitrusten. Om de nering op te houden en ze niet door te groote concurrentie te benadeelen, oordeelde men het noodig, dat geene kamer schepen uitrusten mocht zonder of tegen het besluit der vergadering[228]. De gezamenlijke kamers bepaalden verder het getal der sloepen, die den walvisch zouden vervolgen; zij beraadslaagden over het huren der harpoeniers[229], stelden de instructie voor de commandeurs der schepen op[230], besloten waar iedere kamer de vangst zou oefenen[231] en beraamden middelen tot afwering van de vijanden der compagnie door het sluiten van admiraalschap of de wapening der schepen[232]. Zulke contracten of reglementen over de uitrusting, die strekken moesten »omme alle Confuijsie te weren ende tot defensie jegens ’t gewelt vande Vreemde Natien”[233], werden aanvankelijk jaarlijks gesloten[234], maar later voor verscheidene jaren tegelijk opgemaakt[235]. In haren walvischvangst zelven waren de kamers vrij[236], maar evenals iedere kamer naar evenredigheid van hare quote moest bijdragen tot alle uitgaven van de generale compagnie[237], zoo werd ook aan ieder van haar, hoeveel ze ook zelve gevangen mocht hebben, slechts een met hare quote evenredig deel van de geheele jaarlijksche vangst toegeleid. In den verkoop van dit deel waren de kamers ook weder gebonden aan de besluiten der algemeene vergadering. Jaarlijks werd er namelijk door haar bepaald, hoeveel de traan dit jaar gelden zou, en den kamers was het streng verboden, beneden de som, alzoo tot het op prijs houden der goederen bepaald, te verkoopen[238].
[227] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II. p. 360.
[228] Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.
[229] Reeds in 1617 was er sprake van, een definitief reglement te maken op het huren der „Basques.” (Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.)
[230] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[231] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[232] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.—Corte Deductie ende Remonstr. der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—N. Z. 26 Jan. 1617.
[233] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[234] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart, c. Amst., dd. 31 Mrt. 1635. (ov. het contr. v. 2 Mrt. 1618.)—R. S.-G. 1, 7 Dec. 1617, 20 Febr. 1622.—N. Z. 13 Apr. 1617.
[235] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637. (contr. v. 3 Nov. 1630 over de jaren 1631-34.)
[236] Miss. v. de regeering v. Delft aan de Gecommitt. Raden v. Holl. dd. 7 Febr. 1622, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[237] Req. der Zeeuwsche kamers N. C. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.—Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet II p. 360.
[238] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
De algemeene vergadering had de zekerheid, dat hare besluiten zouden worden uitgevoerd: niet alleen verbond de beslissing van de meerderheid der tegenwoordige leden ook de afwezige[239], maar er waren boeten op de overtreding der besluiten gesteld. Het bedrag dier boeten was in het algemeen bepaald op het dubbele der schade, door de overtreding aan de compagnie toegebracht; de goederen der kamers waren voor de voldoening verbonden[240]. Werd het nemen van een besluit door de veelvuldige oneenigheden der kamers en leden onderling[241] verhinderd, dan werd de beslissing, aanvankelijk aan de Staten-Generaal voorbehouden[242], gewoonlijk overgelaten aan de neutrale kamers of leden; zoo allen in het geschil betrokken waren, beslisten drie onpartijdige kooplieden als arbiters[243].
[239] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.—Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.
[240] Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 361.
[241] De Amsterdamsche kamer klaagde in 1636, dat 8 kamers waren „te veell om te verhandelen soo cleijnen werck als daer is den Walvisvangst. In welcker vergaderinge dickwils maer te veel swaricheijden voorvallen om alle de verstanden ende sinnen in een te brenghen.” (Repartitie v. de Amst. kamer N. C. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)
[242] R. S.-G. 24 Jan. 1617.—Gr. Placaetb. I p. 673, 74.
[243] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Contr. der N. C. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 361.
Wij hebben nu de inrichting der Noordsche Compagnie in al hare bizonderheden leeren kennen; wij zullen haar later handelend zien optreden. Hier is het de plaats om den indruk weder te geven, die het optreden der vereeniging op ons gemaakt heeft. Wij willen nagaan, in hoeverre uit de handelingen der vereeniging, uit de stukken van haar uitgegaan, de beginselen blijken, waardoor de bewindhebbers zich lieten leiden. Genoeg reeds bleek uit het eenvoudig verhaal van de inrichting der compagnie om te zeggen, dat haar hoofdbeginsel was de uitsluiting der vrijheid. Zij paste dit beginsel zoowel naar buiten als naar binnen toe, tegenover hare mededingers en tegenover zich zelve.
De bedoeling der Staten-Generaal met het verleenen van een uitsluitend octrooi aan de Noordsche Compagnie was aanvankelijk alleen geweest, de Nederlandsche walvischvangst door vereeniging van alle krachten in staat te stellen om zich tegenover hare mededingers staande te houden[244]. De hoofdreden van haar bestaan was dus het streven tot handhaving van het recht der Nederlanders om zich naast de Engelschen op Spitsbergen te vestigen, en de compagnie begon dan ook natuurlijk met in haar vaan de vrijzinnige leuze »mare liberum” te schrijven[245]. Daar echter, zoolang de walvischvangst onder het land, niet in de volle zee gedreven werd, volgens de bedoeling van den beroemden verdediger dier leuze zelven een beroep daarop hier niets afdeed, werd reeds dadelijk daarnaast op de ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders gewezen. Misschien werd dit feit aanvankelijk alleen vermeld om indruk te maken op de Engelschen, die hunne uitsluitende rechten op de voorgewende ontdekking van het eiland door hunnen landgenoot Willoughby grondden. Zoodra het echter gebleken was, dat de Engelschen wel niet overtuigd waren, maar toch door de overmacht der Nederlanders voortaan wel gedwongen zouden worden hen op Spitsbergen toe te laten, begon de Noordsche Compagnie een anderen toon aan te slaan. Had zij reeds kort na hare oprichting op grond harer ontdekking van Jan Mayen-eiland de Duinkerkers van dat eiland trachten te weren, op het voorbeeld der Engelschen begon zij zich nu ook op de ontdekking van Spitsbergen te beroepen en zich op hare beurt uitsluitende rechten aan te matigen[246]. De vrijheid der zee geraakte meer en meer op den achtergrond. Weldra heette niet alleen de Mauritius-baai[247], maar zelfs geheel Spitsbergen[248] eene Nederlandsche bezitting. Men achtte eerlang den ondergang der compagnie nabij, zoo vreemden op gelijken voet naast haar in de door Nederlanders bezochte baaien werden toegelaten[249]; zelfs het uitsluitend octrooi werd als argument gebruikt om vreemden uit de walvischvangst te weren[250].
[244] Groot Placaetb. I p. 675.
[245] R. S.-G. 26 Aug. 1613.—Antw. der Stn.-Gen. aan de Eng. ambass. dd. 16 Apr. 1615, bij: Muller, Mare Clausum. p. 364, 65.
[246] Zie o. a. „Mémoire” der N. C. bij: Muller, Mare Clausum. p. 370.
[247] Zie o. a. de gewisselde stukken tusschen Duynkercker, Ys en Vrolicq in 1632 en 1633, in: L. F. 1633, en in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—R. S.-G. 4 Jan. 1636.
[248] Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. en v. de N. C. c. Vrolicq, dd. 11 Mrt., 8 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[249] Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[250] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Mrt. 1619 (lees: 1618), in: Noordsche togten. 2. Admiralit. R.-A.—Protest der N. C. dd. 1 Dec. 1631, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Stn. gewisseld tuss. Ys en Vrolicq in 1633, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—R. H. 3 Mei 1633.
Dat het der compagnie niet gelukte, om alleen tegenover vele vreemde natiën een systeem van uitsluiting vol te houden, dat de Engelschen ook tegenover Nederland alleen hadden moeten opgeven, spreekt wel van zelf. Maar daarom liet zij haar streven niet varen: voortdurend poogde zij ten minste de gevolgen van de vreemde concurrentie zooveel mogelijk af te wenden. Jaren achtereen poogde zij de Staten te bewegen, den invoer van traan en balein uit het buitenland te verbieden of ten minste zoo hoog te belasten »datse hier nijet souden connen marcten.” Op deze wijze hoopte de compagnie de handen ten minste in Nederland zelf vrij te houden; werd de maatregel genomen, dan kon zij zonder vrees voor concurrentie de prijzen van hare goederen voortdurend opdrijven en ze toch spoedig verkoopen. Reeds in 1617 drong de Noordsche Compagnie bij de Staten-Generaal op zulk een verbod aan; het werd toen aanbevolen als retorsiemaatregel tegen de handelingen van vreemde vorsten, die getoond hadden dergelijke uitsluitende beginselen te zijn toegedaan. De uit Rusland ingevoerde traan wilde de Noordsche Compagnie vrijlaten om den handel op dat land niet te benadeelen, maar alle overige traan wenschte zij belast te zien met ƒ8 per okshoofd[251], de baarden met ƒ6 de 100 pond. De admiraliteiten van het Noorderkwartier, van de Maas en van Zeeland, wier oordeel gevraagd werd, adviseerden gunstig, maar de zaak stuitte af op den lijdelijken tegenstand van die van Amsterdam[252]. Nieuwe pogingen, door de Noordsche Compagnie in 1636 aangewend om het monopolie van invoer van alle »walvistraenen” (de »moscovitse, robben- en berger leuer-traen” werden ditmaal uitgezonderd) te verkrijgen, stuitten weder af op den onwil van Holland[253]. Toen het dus op deze wijze niet gelukte de concurrentie te vermijden, trachtte men in overleg met de mededingers zelve een dergelijk resultaat te verkrijgen. Van Cracauw, de Nederlandsche resident in Denemarken, deed in November 1638 »op het Belieuen ende approbatie” der Noordsche Compagnie aan Christiaan IV voorstellen, die ten doel hadden, dat de wederzijdsche walvischvaarders elkaar in vangst noch verkoop zouden hinderen. Om het eerste doel te bereiken, zonden beide natiën op afzonderlijke plaatsen met een vooruit bepaald getal schepen visschen; in den verkoop zou men vrij zijn door de aanwijzing van bepaalde rijken, die aan ieder als débouchés voor hare goederen geheel overgelaten zouden worden[254]. De koning was met die voorslagen zeer ingenomen, maar de zaak bleef slepen en toen Z. M. er op terugkwam, was de Noordsche Compagnie op het punt van ontbonden te worden en onder de groote concurrentie reeds bijna bezweken. Het plan bleef dus onuitgevoerd[255].
[251] 1 okshoofd = 1⁄4 quarteel. (Zeeuwsche schaderekening van 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
[252] R. S.-G. 31 Aug., 21, 22, 28 Sept. 1617, 12, 22 Jan., 15 Mrt. 1618.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Mrt. 1619 (lees: 1618), in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.
[253] Versl. der confer. met de N. C. v. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.—R. S.-G. 2 Nov. 1638.
[254] Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 27 Nov. 1638, in: L. D. 1638.
[255] Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.—Verbael der conferentie te Staden en Glückstadt van 1641, ad 10/20 Juli, 4/14 Sept. R.-A.
Maar ook tegen binnenlandsche concurrentie moest de Noordsche Compagnie voortdurend waken. Zij was nu eenmaal van oordeel, dat »de Visscherye van Walvisschen ende andere Zeemonsteren sonder Octroy hier te Lande niet konde werden gheconserveert nochte behouden, maer by vreemde Natien ondergeslagen, ongetwijffelt in andere Landen soude worden ghediverteert.”[256] De Staten-Generaal deelden die meening geheel; zij oordeelden samenwerking tegen de vreemde natiën noodig en zij legden er zich steeds op toe, om alle Nederlandsche walvischvaarders onder éen octrooi te vereenigen. De klachten der Noordsche Compagnie over zijdelingsche inbreuken, op haar octrooi gemaakt door Nederlanders, die zich onder vreemden vlag op Spitsbergen vertoonden, werden dan ook aanstonds door een plakkaat gevolgd, dat alle dergelijke knoeierijen ten strengste verbood (11 Maart 1633)[257],—een plakkaat, dat trouwens zoo slecht gehandhaafd werd, dat de Noordsche Compagnie reeds in 1636 en 1638 op vernieuwing moest aandringen[258], terwijl »de Heeren Bewinthebberen” zelven zich toch konden beroemen, dat zij »altijt hart hadden geweest teegen de Interloopers.”[259] Maar verder wenschte de regeering niet te gaan: hoezeer de compagnie ook aandrong, men zag volstrekt niet in, waarom de voordeelen van het octrooi uitsluitend tot de eerste aandeelhouders beperkt moesten worden. Bij het verleenen der beide eerste octrooien—die van 1614 en 1617—hadden de Staten dan ook de bepaling gemaakt, dat alle Nederlanders, die zich binnen eenen bepaalden tijd aanmeldden, door de Noordsche Compagnie moesten toegelaten worden tot alle voordeelen, die de eerste participanten genoten, het recht op eene bewindhebbersplaats in eene der kamers niet uitgesloten[260]. Maar al werd deze bepaling—zoo aanstootelijk voor de Noordsche Compagnie, die in haren geldnood liever hare uitrustingen besnoeide dan dat zij vreemden in zich opnam[261],—op haar verzoek[262] in de volgende octrooien van 1622 en 1633 niet meer gehandhaafd[263], de aandrang van buiten hield niet op. Steunende op hun recht eischten eerst de Zeeuwen, later de Friezen[264] toelating tot de compagnie; zij moest toegeven en haren vijanden het recht op afzonderlijke kamers en bewindhebbers inruimen[265]. Bevreesd als de geoctrooieerde vereeniging echter voor concurrentie was, trachtte zij van de mededingers na hunne opneming dadelijk bondgenooten te maken[266], en zoodra de regeering ook aan den aandrang der kleine Noordsche Compagnie had toegegeven en haar recht erkend om naast hare oudere zuster op Jan Mayen-eiland te visschen, sloot deze dan ook dadelijk een contract met de gevaarlijke tegenpartij, waarbij men overeenkwam om samen te visschen en den opbrengst der vangst te verdeelen[267],—een contract, dat de Noordsche Compagnie niet belette, zich bij de eerste gelegenheid tegen de verdere toelating harer bondgenooten met hand en tand te verzetten[268].
[256] Gr. Placaetboeck. I p. 679 cf. p. 675.
[257] Zie het plakkaat in: Gr. Placaetb. I p. 680, 81.—cf. R. S.-G. 7, 11 Mrt. 1633.—R. H. verg. v. 16 Febr.-26 Mrt. 1633. p. 15.—De N. C. zelve had reeds in 1617 haren bewindhebbers op verbeurte van hun aandeel, de betrekking van bewindhebber en eene boete van ƒ1000 verboden, aandeelen in buitenlandsche compagniën voor de walvischvangst te hebben. (Contr. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) Deze maatregel werd in 1636 tot alle aandeelhouders uitgestrekt. (Contr. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken van Staet. II p. 360.)
[258] Versl. der confer. met de N. C. (1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.—R. S.-G. 2 Nov. 1638.—Dat de klachten der compagnie niet ongegrond waren, schijnt zeker. (Aitzema, Saken van Staet. II p. 442.—Miss. v. de Stn.-Gen. aan Chr. IV dd. 26 Juni 1637, in: L. D. 1637.—De Stn.-Gen. gaven in den laatsten brief als reden van de slechte handhaving van het plakkaat hunne vriendschap (?) voor Denemarken op.)
[259] Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.
[260] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 96.—Gr. Placaetb. I p. 670, 73.
[261] Miss. der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeeland dd. 19 Oct. 1616, in: Archief Zeeland.
[262] N. Z. 22 Febr. 1622.
[263] Gr. Placaetb. I p. 676, 80.
[264] Het maakt een goeden indruk, dat de Friezen zich beter voorstanders der vrijheid betoonden dan de N. C. Zij wenschten vrije vaart op Spitsbergen (R. S.-G. 13 Nov. 1632.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 412), zij wilden nieuwe participanten toelaten (Aitzema, l. c. II p. 413), zij wilden andere Nederlanders niet van de visscherij uitsluiten. (Aitzema, l. c. II p. 413.) Ik moet echter bekennen, dat ook de N. C., toen zij nog niet de overhand had behouden, vrijzinnige beginselen voorstond, en dat in het contract der Friezen met de compagnie niets van vrijzinnigheid blijkt. De Friezen waren echter in geene positie om de wet te stellen en zijn dus misschien door de machtige N. C. overstemd.
[265] Dien van Utrecht gelukte de toeleg echter niet. (R. S.-G. 22 Dec. 1622.)
[266] In 1636 kwam de N. C. eerst met de Hollandsche steden, die deel aan het octrooi wilden hebben, overeen, gezamenlijk de Friezen te weren (Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.), en toen de conditiën der Hollanders onaannemelijk bleken, sloot zij weinige maanden later een contract met de Friezen om de Hollanders te weren. (Contr. met de Friezen dd. 25 Juli 1636, art. 5-7, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.) Geheel op gelijke wijze schijnt de N. C. reeds in het najaar van 1621 met de kleine N. C. en de Zeeuwsche walvischvaarders gehandeld te hebben. (Zie hierna Hoofdst. IX.)
[267] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.
[268] Zie hierna Hfdst. IX.
Er bleef echter in het octrooi zelve der Noordsche Compagnie eene leemte: de Staten-Generaal hadden alleen de visscherij aan de kusten en landen in het noorden verboden, de zee was vrijgebleven. Tegen de binnenlandsche concurrentie, die ook hiervan eerlang gebruik maakte, was de Noordsche Compagnie machteloos. Wel verbood zij haren commandeurs ten strengste, door het oefenen der zeevisscherij de aandacht op de mogelijkheid daarvan te vestigen[269], maar toch, de concurrentie nam toe. De Noordsche Compagnie verzocht toen de Staten-Generaal dringend alle »byvangst” van Nederlanders te weren (1636)[270], maar het baatte niet: de regeering hield het voor overbodig, nu de Nederlanders door de vreemden tot de walvischvangst toegelaten waren, de Noordsche Compagnie ten nadeele van alle andere ingezetenen der Vereenigde Provinciën te blijven beschermen.
[269] Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 352.
[270] Versl. der conferentiën met de N. C. (1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
Niet alleen de mededinging van buiten af werd door de Noordsche Compagnie geschuwd: zij achtte ook de wrijving, die door de werking der verschillende kamers natuurlijk ontstond, verkeerd en trachtte angstig allen schijn van concurrentie zelfs te vermijden. Een plakkaat, door de Staten-Generaal in 1614 uitgevaardigd, dat als premie voor nieuwe ontdekkingen ook in de IJszee den handel op de nieuw ontdekte plaatsen aan de ontdekkers bij uitsluiting van alle anderen gunde, dreigde steeds mededingers te voorschijn te roepen, ja het optreden der kleine Noordsche Compagnie was alleen daaraan te wijten geweest. De Noordsche Compagnie bepaalde daarom, dat al hare leden of kamers—van dezen toch ging de meeste concurrentie uit,—zoo zij nieuwe landen in het noorden ontdekten, die voortaan »op eere, trouwe ende vromicheyt” aan de generale compagnie zouden moeten opgeven, opdat ze ten gemeenen bate zouden kunnen geëxploiteerd worden[271]. Nog meer: de Amsterdammers verklaarden eenmaal, dat het getal der kamers reeds te groot was om de walvischvangst behoorlijk te drijven[272]; de andere kamers, rilden op het denkbeeld, dat de band, die ze omsloot, losser gemaakt zou kunnen worden, en had de heerschzucht van Amsterdam, die zelfstandigheid wenschelijk maakte, het niet belet, men zou tot de vereeniging van alle kapitalen »onder een gemeene borsse” overgegaan zijn[273]. Zoover kwam het wel niet, maar toch maakte men het onmogelijk, dat zelfs een begin van concurrentie zich openbaarde. Zich beroepende op de bedoeling der Staten-Generaal, die de Noordsche Compagnie opgericht hadden om »meerder ordre ende eenicheyt” in de walvischvangst te brengen[274], had de vereeniging er zich dadelijk op toegelegd, om alles zooveel doenlijk te reglementeeren. Men hield het voor onmogelijk zonder »een behoorlyck ende voorsichtich reglement” de walvischvangst anders dan met »confusie ende disordren” te oefenen; ja men vreesde, dat de geheele nering dan »teenemael infructueux” zou worden[275]. Deze reglementen betroffen voornamelijk twee nauwsamenhangende zaken: de sterkte der uitrustingen en de prijs der traan. De Noordsche Compagnie had met de beide andere geoctrooieerde Nederlandsche compagniën der zeventiende eeuw het beginsel gemeen, dat het beter was weinig te vangen en duur te verkoopen dan veel af te leveren tegen goedkoope prijzen. Het was dit beginsel, door de compagnie streng doorgedreven, dat haar noodzaakte alles te reglementeeren. Zij erkende volmondig, dat het haar streven was zoo weinig schepen in zee te zenden als met behoud van winst mogelijk was, »omme de negotie in goede reputatie te houden”;[276] zij meende, dat bij groote uitrustingen de prijs van de traan zou dalen en de compagnie »sich sou consumeeren[277].” Wilde men dit voorkomen, dan behoorde de concurrentie ook tusschen de kamers onderling uitgesloten te worden; men begreep, dat sommigen het voordeeliger zouden oordeelen hunne goederen spoedig te verkoopen, al was het tegen iets lagere prijzen dan de anderen, dan om de dure waar misschien maandenlang in de pakhuizen te behouden. Daarvoor moest gewaakt worden: de compagnie besloot, jaarlijks met gemeen overleg naar gelang der omstandigheden de prijs van de traan vast te stellen en de kamers onder eede te doen beloven, de haar toebedeelde quarteelen niet onder die bepaalde prijs aan de markt te brengen[278]. Om ontduiking te voorkomen verbood men tevens het verkoopen van traan in de IJszee zelve en het direct invoeren daarvan in vreemde landen[279]: vóor alles moest de waar in Nederland opgelegd en de prijs bepaald worden.
[271] Contr. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—In 1636, toen het doen van ontdekkingsreizen geheel opgehouden had, werd aan den ontdekker gedurende 5 jaar de afzonderlijke exploitatie gegund; eerst daarna zou de ontdekking ten bate der N. C. komen. (Contr. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.)
[272] Repartitie v. de Amst. kamer dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[273] Miss. der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeel.
[274] „Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[275] R. S.-G. 4 Febr. 1622.—N. Z. 17 Mrt. 1622.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[276] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Mrt. 1619 (lees: 1618), in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.—Miss. der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeeland.
[277] N. Z. 17 Mrt. 1622.—Miss. der Stn. v. Zeel. aan de gedeput. v. Zeel. dd. 17 Mrt. 1622. (Bijl. v. N. Z.)—cf. Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.
[278] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Repartitie der Amst. kamer dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[279] Contr. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Contr. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.
»Den welstandt der Compaignie,” zoo spraken de bewindhebbers nog in 1636, »kan eene uijtbreijdinge niett lijden, maer moett gaen cleijn ende op menage, want hett ghewis is, hoe grootter equipage hoe meerder schade, want equipeert men sterck, ende vanght men weijnich, soo valt maer schade, vanght men veel mett grootte equipage, soo valt den vangst costelycken, ende wortt den prijs door de veelheijtt mede onder den voett gesmeten. Soo datt men mett vollen vangst oock well schade doen kan. Om proffijt te doen, soo moetmen mett menage equiperen ende vangen naer aduenant gheconsumeertt kan worden, ende mett de minste kosten sien hett meeste te vanghen, ende int beneficeren vanden traen soo moetten de leden den anderen verstaen[280].” Dit systeem was volgens de Noordsche Compagnie het ideaal van een verstandig beleid: tot haar einde toe volhardde zij daarbij. Reeds in 1616 was haar hoofdgrief tegen de kleine Noordsche Compagnie, dat zij de markt voor hare goederen bedierf[281], en nog twintig jaren later, toen eenige Hollandsche steden deel aan het octrooi wenschten te krijgen, verklaarden die van Amsterdam, dat de nieuwe leden »soo eenen anderen cours wertt ghesett” dan de tot nu toe gevolgde, niet alleen »haer lieden te spade daer ouer souden beclaghen,” maar dat de geheele compagnie eerlang »sou comen in een volcomen verderff ende ruine.”[282]
[280] Repartitie der Amst. bewindh. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[281] „Cort advertissement” v. Kyen c. s. (dd. 29 Febr. 1616), in: Noordsche togten. 1 R.-A.—Kyen c. s. boden dan ook aan, het getal hunner schepen te beperken en de prijs hunner traan niet lager dan van die der N. C. te stellen, maar de N. C., die hoopte de kleinere vereeniging geheel te zullen kunnen weren, weigerde. („Cort advertissement.” l. c.)
[282] Repart. der Amst. bewindh. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
Wij hebben gezien, dat de Noordsche Compagnie, opgericht om de vrijheid van vaart en visscherij te helpen bevorderen, weldra ontaardde in een lichaam, dat alle gebreken van eene geoctrooieerde maatschappij in hooge mate in zich vereenigde. Ongetwijfeld lag het in den aard van het monopolie, dat deze richting zich allengs openbaarde, en het is den bewindhebbers te vergeven, dat zij, gesteund door participanten, die—minder lastig dan de aandeelhouders der Oost-Indische Compagnie—reeds tevreden waren, wanneer de uitdeelingen goed uitvielen en zich verder met de beginselen van de leiders der vereeniging niet bemoeiden[283], dien weg meer en meer bewandelden. Waren echter de Staten-Generaal, beroemd om hunne voor dien tijd verlichte inzichten, geneigd om zich door eene betrekkelijk kleine compagnie als de Noordsche meer en meer te laten medeslepen op den weg van bescherming en monopolie, ook toen de noodzakelijkheid daartoe weldra was opgehouden? Waren zij, die het toezicht over de handelingen der door hen geschapene compagnie oefenden, medeschuldig aan de richting dier handelingen? Laat ons ten slotte onderzoeken, in hoeverre de regeering de Noordsche Compagnie in haar egoistisch streven steunde.
[283] Wassenaar, Hist. verh. VIII fol. 96.—Geen pamphlet is mij bekend, dat klaagde over de handelwijze van de bewindhebbers der N. C., die toch ook de voor de O.-I. C. zoo kritieke jaren 1622-24 mede doorleefden.
In de eerste plaats komt natuurlijk bij het bespreken der hulp, van staatswege aan de Noordsche Compagnie verstrekt, het octrooi zelf in aanmerking. Wij hebben reeds opgemerkt, dat de Staten-Generaal slechts daarom eenheid onder de Nederlandsche walvischvaarders wilden, omdat zij het onmogelijk achtten op andere wijze den Engelschen ontzag in te boezemen, en dat zij het octrooi eerst verleenden, toen de Engelschen zelven door gewelddadig optreden het sein daartoe gegeven hadden. Het komt mij dan ook voor, dat de veroordeeling, door De la Court—en na hem door bijna alle schrijvers—over het beleid der Staten-Generaal in deze zaak uitgesproken, onverdiend is. De beroemde vijand van alle bescherming verklaart, dat de oprichting der Noordsche Compagnie »quaalik gedaan was,” omdat de walvischvangst na de opheffing van het octrooi sterk is toegenomen; »dog met het opregten der Geoctroyeerde Compagnien op Oost- en West-indien,” dus vervolgt hij, »was het een geheele andere saak: want het een noodsakelik quaad heeft schijnen te weesen, om datmen wilde handelen in ende omtrent soodaanige Landen, daar onse vyanden voor particulieren te sterk souden sijn geweest; sulks in alle manieren schijnd dienstig geweest te zijn, dien handel door een kragtig gewaapende hand te fondeeren; en dat vermits dit Land met den oorloge teegen den Koninge van Spanjen worstelende, alle sijne kragten noodig had, het seer voorsigtelik is geweest, die Geoctroyeerde Compagnien op te regten[284].” Uit het door De la Court zelven later aangevoerde[285] blijkt voldoende, dat men bij de oprichting der Noordsche Compagnie volkomen in hetzelfde geval was als bij de Oost- en West-Indische Compagniën[286], en had men ook bij deze vereenigingen eene proef met de opheffing genomen, de uitkomst zou ongetwijfeld evenzeer ten nadeele der octrooien zijn uitgevallen als het in 1642 met de Noordsche Compagnie het geval was. De woorden van De la Court zelven over de Oost- en West-Indische Compagniën bevatten dus de beste rechtvaardiging van het beleid der Staten-Generaal met betrekking tot de Noordsche.
[284] Aanwysing der heils. polit. Gronden. p. 84, 85.
[285] Aanwysing. p. 188, 191.
[286] Vgl. p. 75 Noot 3.
Den inhoud van het octrooi deelde ik reeds boven mede. Het was den 27 Januari 1614 voor drie jaren verleend[287] en werd den 1 April 1615 voor nog een jaar verlengd[288]: met het jaar 1618 zou dus de visscherij weder openvallen. Maar reeds 24 Januari 1617 was het octrooi der Noordsche Compagnie, nu vereenigd met die van Zeeland, op nieuw verlengd, ditmaal voor vier jaren[289]: de eenige merkwaardige bepaling was, dat de regeering—gewaarschuwd door de geschillen der Noordsche Compagnie met de kleine Noordsche en met de Zeeuwen—zich de beslissing in twisten tusschen de leden der compagnie voorbehield[290]. Met het jaar 1621 eindigde echter ook dit octrooi en de Noordsche Compagnie drong op vernieuwing aan[291]. Maar onderwijl was er onder de Nederlandsche walvischvaarders een twist ontstaan, die zelfs door bemiddeling der Staten-Generaal niet bijgelegd kon worden. En daar alleen samenwerking van allen tegen den gemeenschappelijken vijand het doel der Staten met het verleenen van het octrooi der vereeniging geweest was, scheen het werkelijk de vraag of het vernieuwd zou worden. De Staten-Generaal, wien het onmogelijk was de twistenden te vereenigen, namen een voorloopigen maatregel en gaven aan beide partijen den 4 Februari 1622 verlof om voor dat jaar op zekere voorwaarden en met eene regeling, die ze dwong elkaar niet te hinderen, de walvischvangst gezamenlijk te oefenen[292]. De regeering oordeelde het nog steeds noodig, de Nederlandsche walvischvaarders als een vast aaneengesloten macht tegenover de Engelschen te stellen, en spaarde daarom geene pogingen om hen nog tot eenheid te brengen. De regeling van 1622 voldeed geheel aan hare verwachting: den 20 December 1622 werd in de statenvergadering een request voorgelezen van de drie Nederlandsche compagniën voor de walvischvangst, die »nu tsamen vereenicht” waren. Zij verzochten een nieuw octrooi, dat hun nu reeds twee dagen later voor twaalf jaren verleend werd[293].
[287] R. S.-G. 27 Jan., 27 Mrt. 1614.
[288] R. S.-G. 4 Apr. 1614, 1 Apr. 1615.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[289] R. S.-G. 28 Dec. 1616, 21, 24 Jan. 1617.
[290] Gr. Placaetb. I p. 673, 74.—R. S.-G. 24 Jan. 1617.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkw. c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.—Van de bevoegdheid, die de regeering zich zelve dus toegekend had, maakte zij slechts hoogst zelden gebruik en altijd om de walvischvaarders tot eenheid te brengen. (cf. R. S.-G. 2 Sept. 1621, 25 Jan., 3, 4, 5 Febr. 1622, 24 Mrt., 14 Apr. 1623.)
[291] R. S.-G. 24 Aug., 1, 2 Sept., 6 Oct. 1621, 8 Jan. 1622.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 13 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3. Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.—Req. der kl. N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.
[292] R. S.-G. 25 Jan., 3, 4, 5 Febr. 1622.
[293] R. S.-G. 20, 22 Dec. 1622.
Het schijnt mij zeer twijfelachtig, of de Staten-Generaal ditmaal niet den goeden weg verlieten en overgingen tot bescherming, waar de omstandigheden zulk eenen voor het publiek belang schadelijken maatregel niet wettigden. Het gevaar toch voor buitenlandsche aanvallen was grootendeels geweken. Engeland deed in 1623 en 1624 nog wel pogingen om zijne uitsluitende pretensiën te handhaven, maar het had de macht niet om zijnen wil door te zetten. Denemarken, dat eerst in 1623 met de Nederlanders ernstig in conflict kwam, had nooit den ernstigen wil hen van Spitsbergen te verdrijven. Toch liet zich misschien het nieuwe octrooi als voorzorgsmaatregel wel verdedigen, maar zeker onverdedigbaar was het, dat de Staten tegelijkertijd een grooten stap op den weg der bescherming vooruit deden. Het octrooi van 1622 verschilde in vier punten met de vroegere, en het verschil was steeds ten nadeele der vrijheid. Reeds in de voorgaande bladzijden merkten wij op, dat ditmaal voor het eerst niet als vroeger aan nieuwe participanten gelegenheid werd gegeven om tot de Noordsche Compagnie toe te treden: de bescherming aan de vereeniging verleend ontaardde dus in eene bescherming van bepaalde personen. En wat de zaak nog erger maakte was, dat de voordeelen van het octrooi nu niet meer voor drie of vier jaren, maar voor den langen tijd van twaalf jaren aan dezelfde participanten gegund werden, terwijl de straf op inbreuken van het octrooi—vroeger alleen in verbeurdverklaring van schip en goed bestaande—nu met eene boete van ƒ6000 voor elk schip verzwaard werd. Een laatste verschil met de vroegere octrooien was, dat in 1622—waarschijnlijk om »lorrendrayeriën” met kracht en zekerheid te weren—de bepaling gemaakt werd, dat niet alleen handel en visscherij, maar zelfs de vaart op Spitsbergen niet vrij meer zou zijn. Zelden kwam het zeker voor, dat een Nederlandsch schip, dat zich niet op de visscherij wilde toeleggen, naar het verafgelegene eiland kwam, maar de omstandigheid, dat het »havenen” aan deze eenige rustplaats in de IJszee tot 1642 niet geoorloofd was, kan toch niet anders dan ongunstig op de ontdekkingsreizen in het noorden gewerkt hebben[294].
[294] Vgl. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 237.—De walvischvangst. I p. 31.
Het monopoliestelsel won nu blijkbaar allengs in kracht: het octrooi, dat eerst met het einde van 1634 vervallen zou, werd reeds 25 October 1633 op geheel dezelfde voorwaarden als in 1622 zonder eenige moeielijkheid voor niet minder dan acht jaren vernieuwd[295]. Eerst toen dit octrooi met het einde van 1642 afgeloopen was, toen de Engelschen sinds achttien jaren geene vijandelijkheden meer gepleegd hadden en ook de Denen, al was het met leedwezen, in de vrije visscherij der Nederlanders uitdrukkelijk bewilligd hadden, zagen de Staten het verkeerde van hunne handelwijze in[296]. De aandrang van alle landprovinciën, die aandeel aan het octrooi wilden hebben, en die dus de moeielijkheid eener goede regeling bizonder verzwaarden, zal het hare daartoe bijgebracht hebben: hoe het zij, het octrooi werd in 1642 niet meer vernieuwd[297].
[295] R. S.-G. 18, 25 Oct. 1638.
[296] Reeds in 1636 had de N. C. te vergeefs om verlenging van octrooi aangehouden. (Versl. der 1e en 2e confer. met de N. C., conc.-rapp. aan de Stn. v. Holl., in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) In 1642 herhaalde zij dit verzoek nadrukkelijk. (Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. dd. 18 Jan. 1642, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)
[297] Aanwysing. p. 191.—De octrooien zijn o. a. afgedrukt in: Gr. Placaetb. I p. 669, 671, 673, 677.—De eenjarige verlengingen van 1615 en 1622 waren echter tot nog toe niet bekend; het schijnt niemand in het oog gevallen te zijn, dat de jaren zonder deze beide niet aansloten. (Zie o. a. Luzac, Holl. rijkdom. I p. 347.)
Nauw hing met het verleenen van octrooi samen het zorgen voor een behoorlijk geleide van de vloten der Noordsche Compagnie. Jaarlijks van den aanvang af verzocht de compagnie van de Staten-Generaal eenige oorlogschepen ter harer bescherming tegen Engelschen en andere vijanden; jaarlijks werd het verzoek aanvankelijk toegestaan. En terecht: hetzelfde motief, dat de regeering tot het verleenen van een octrooi gedreven had, moest haar ook bewegen tot het ondersteunen der compagnie met konvooischepen, zoolang zij zelve niet in staat was in hare verdediging te voorzien. Voornamelijk daaraan was het dan ook te danken, dat de Engelschen de walvischvaarders in de drie eerste jaren na de oprichting der Noordsche Compagnie met rust lieten. Maar toen begonnen de Staten ook te bedenken, dat juist om aan de Engelschen krachtigen weerstand te bieden, de compagnie was opgericht, en zij vermaanden haar dus om, nu betere tijden schenen te zijn aangebroken, zelve »wel ende sterck te equiperen ende uyt te varen opte Visscherije, dat sy die soude kunnen mainteneren jegens alle beletselen[298].” De aanval, door de Engelschen dien zomer (1617) op drie Zeeuwsche schepen aan Spitsbergen gedaan, de onaangenaamheden tusschen beide natiën in 1618 bewezen echter voldoende, dat de positie der Noordsche Compagnie op Spitsbergen voorloopig nog zeer gevaarlijk bleef en de konvooischepen werden tot 1620 toe zonder bezwaar toegestaan. In 1621 echter gaf de provincie Holland, de jaarlijksche uitgaven voor de Noordsche Compagnie moede, den verstandigen raad om, voordat men op nieuw tot het toestaan der konvooischepen overging, te onderzoeken of het algemeen belang door de walvischvangst voldoende gebaat werd om de gedurige uitgaven te wettigen[299]. De raad werd opgevolgd en het onderzoek schijnt een voor de Noordsche Compagnie ongunstig resultaat opgeleverd te hebben: althans juist dit jaar voor het eerst sinds hare oprichting werd het konvooi geweigerd, hoewel er geruchten in omloop waren, die van zware uitrustingen der Engelschen tegen de walvischvaarders spraken[300]. Sedert werd van het toestaan der konvooischepen door de Staten-Generaal geen vaste regel meer gemaakt; slechts wanneer bizondere omstandigheden het wenschelijk deden voorkomen, werd de walvischvloot door oorlogschepen begeleid. De Engelschen zagen weldra voor goed van eene aanvallende houding af; tegen de Denen kon de Noordsche Compagnie zich zelve handhaven en konvooischepen werden dus meer en meer eene zeldzaamheid. Toch vinden wij ze nog in 1639[301] en zelfs na den val der compagnie in 1652 genoemd[302].
[298] Gr. Placaetb. I p. 673.—R. S.-G. 24 Jan., 16 Mrt. 1617.
[299] R. H. verg. v. 20 Apr.-8 Mei 1621. p. 79. (Resolutie „’t versoeck te difficulteren, tot dat men sien sal wat profijt het publijck van dien Handel is genietende, te meer, soo verstaen wordt, dat daer door gheruineert worden de oude Neeringen van Oly-slaen, en van de Handelaers met Zaet.”)
[300] R. S.-G. 15 Mei 1621.
[301] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.
[302] Gr. Placaetb. I p. 683, 84.—De statistiek der jaarlijksche konvooien is als volgt:
| 1614 | 3 | schepen. | (R. S.-G. 4 Apr., 29 Sept. 1614.—Miss. der Stn.-Gen. aan de Adm. v. de Maas, dd. 20 Aug. 1614, in: Coll. Bisdom. 160. R.-A.—Resol. Adm. Amst. 24 Apr., 2, 5 Mei 1614.) | |
| 1615 | 3 | „ | (R. S.-G. 20 Nov. 1614, 1 Apr. 1615.—Req. der N. C. dd. 1 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) | |
| 1616 | 5 | „ | (R. S.-G. 28 Apr., 11, 12, 23 Mei, 2 Juni 1616.—Req. der N. C. dd. 29 Apr. 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.) | |
| 1617 | 1 | „ | (R. S.-G. 20 Apr., 13, 15 Mei 1617.) | |
| 1618 | 2 | „ | (R. S.-G. 12, 30 Jan. 1618.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart, c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.) | |
| 1619 | 3 | „ | (R. S.-G. 23, 28 Mrt., 7, 15 Mei 1619.) | |
| 1620 | 1 | „ | (R. S.-G. 23, 27 Mrt., 13 Apr. 1620.—Req. der N. C. dd. 27 Mrt. 1620, in: Noordsche togten. 2. Admir. R.-A.) | |
| 1621 | geene | „ | (R. S.-G. 28, 30 Apr., 15 Mei 1621.) | |
| 1622 | geene | „ | (R. S.-G. 17, 29 Apr. 1622.) | |
| 1623 | geene | „ | ————————— | |
| 1624 | geene | „ | (R. S.-G. 14, 16 Mrt., 23 Apr. 1624.—Vgl. echter hierna Hfdst. VI ad 1624.) | |
| 1625 | 1 | „ | (R. S.-G. 26 Mrt., 10 Mei 1625.) | |
| 1626 | 2 | „ | (R. S.-G. 26 Febr., 23 Mrt. 1626.) | |
| 1627 | 2 | „ | (R. S.-G. 16 Mrt. 1627.) | |
| 1628 | 2 | „ | (R. S.-G. 1, 3 Mrt. 1628.) | |
| 1629 | geene | „ | (R. S.-G. 11, 25 Apr., 2, 3, 16 Mei 1629.) | |
| 1630 | geene | „ | ————————— | |
| 1631 | geene | „ | (R. S.-G. 19 Apr. 1631.) | |
| 1632 | } | geene | „ | ————————— |
| tot | ||||
| 1638 | ||||
| 1639 | 1 | „ | (R. S.-G. 23 Apr., 15, 18 Juni 1639.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.) | |
| 1640 | } | geene | „ | ————————— |
| tot | ||||
| 1642 |
De kleine N. C. verkreeg in 1618 en 1620 voor zich alleen nog eenig geschut ter leen. (R. S.-G. 17 Mrt., 21, 25 Apr. 1618.—4, 18, 28 Apr., 1 Mei 1620)
Aan het hoofd van het konvooi werd door de Staten-Generaal steeds een Commandeur-generaal geplaatst, die, bijgestaan door een raad uit de andere kapiteins der konvooischepen (als Vice-Admiraal en Schout-bij-Nacht) en zoo mogelijk ook uit de schippers van de schepen der compagnie, over alle zaken van belang besliste. Alles wat op de verdediging der schepen betrekking had, was uitsluitend aan dezen raad overgelaten, en de afscheiding tusschen krijgs- en handelszaken was zoo scherp, dat het aan de bemanning van het konvooi, die natuurlijk aan Spitsbergen meestal zonder werk was, verboden was den walvischvaarders in hun bedrijf de behulpzame hand te bieden anders dan tegen betaling[303]. Ter vergoeding van de kosten, door de Staten-Generaal voor het konvooi gemaakt, werd verder van de Noordsche Compagnie een vast »lastgelt” geheven, dat bestond in 11⁄2% inkomend recht van de ingevoerde goederen[304]. Dat dit voor de regeering eene niet geheel te verwerpen bron van inkomsten was, blijkt uit het feit, dat in 1632 voor éen beladen walvischvaarder aan inkomend recht werd betaald ƒ231—12 st. voor de traan, ƒ189—12 st. voor de baarden[305].
[303] R. S.-G. 29 Apr. 1615.—Instr. der Stn.-Gen. voor Quast en Schrobop, dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616.[Bijlage X][Bijlage XI][Bijlage XII]
[304] Miss. der Stn.-Gen. aan de Admiralit. v. de Maas dd. 20 Aug. 1614, in: Coll. Bisdom. 160. R.-A.—Resol. Adm. Amst. 25 Aug. 1614.—R. S.-G. 24 Oct. 1642.—De konvooigelden werden later, waarschijnlijk in 1622 (R. S.-G. 12 Juli 1622), tot 2% verhoogd (Gr. Placaetb. I p. 682.—Luzac, Holl. rijkd. I p. 348) en eerst in 1675 afgeschaft. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 301.)
[305] Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 3 Apr. 1637.—„Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Gr. Placaetb. I p. 679.
Wij zagen dus, dat het verleenen van octrooi en het toestaan van konvooischepen—maatregelen van geheel gelijke strekking—volkomen gerechtvaardigd waren door den drang der omstandigheden; wij hadden echter tevens gelegenheid op te merken, dat de Staten-Generaal bij het eerste middel, weinig lettende op de eischen van het oogenblik, te lang voortgingen met hunne beschermende hand over de kooplieden uit te strekken, eene fout, die zij bij het tweede middel gelukkig wisten te vermijden. De hulp, voor het overige door de Staten-Generaal aan de compagnie verstrekt, draagt evenals de reeds besprokene over het geheel den stempel hunner vrijzinnige regeeringsbeginselen. Zij verleenden aan de compagnie allen noodzakelijken steun, maar zij handhaafden tevens vooral in den beginne ook tegenover de compagnie zelve het beginsel van gelijke rechten voor alle natiën, dat tot de oprichting eener geoctrooieerde vereeniging had geleid. Zoo bevalen zij den bevelhebbers van het konvooi ten strengste, alle aanvallen van vreemden op de schepen der compagnie te keer te gaan, maar om ook van hunne zijde alle vreemde walvischvaarders tot de visscherij toe te laten[306]; zoo weigerden zij standvastig de compagnie te volgen op den weg der bescherming door den invoer van traan en baarden van buitenslands te verbieden[307] en zoo werd ook de zeevisscherij van Nederlandsche »byvaerders” nooit door hen geweerd[308]. Van den anderen kant poogde de regeering de compagnie tegen inbreuken op haar octrooi langs slinksche wegen te beschermen door het plakkaat van 11 Maart 1633[309]. Zij maakte dadelijk een einde aan den windhandel in traan en baarden, die in de laatste jaren der compagnie een noodlottigen invloed dreigde te hebben. Een mandement van prins Frederik Hendrik ontsloeg de contractanten in zulke zaken van de levering, en hoewel men laag neerzag op dengene, die zich, zooals men zeide, »met Prins Frederik Hendrik behielp,” waren de nadeelige gevolgen van den windhandel door den maatregel natuurlijk voorkomen[310]. Ook John Osborne, een Engelschman, die door eene op aansporing van de bewindhebbers der Noordsche Compagnie gedane uitvinding veel bijgedragen had tot het rijzen van den prijs van het balein, werd dadelijk door de Staten-Generaal met een octrooi voor tien jaren begiftigd[311].
[306] Instr. der Stn.-Gen. voor Quast en Schrobop dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616.
[307] Zie hiervóor p. 89.
[308] Zie hiervóor p. 92.
[309] Zie hiervóor p. 90.—De „violateurs” van het octrooi der N. C. moesten op bevel der Stn.-Gen. door de konvooiers genomen en met schepen, vangst en gereedschappen in Nederland ingebracht worden om voor de admiraliteit terechtgesteld te worden. (Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.)
[310] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 300.—Tegenw. Staat. I p. 593.
[311] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 87.—Zie meer hierna Hfdst. III.
Al deze handelingen, die mij toeschijnen den toets der kritiek zegevierend te kunnen doorstaan, getuigen van het loffelijk streven der Staten-Generaal, om de door hen in het leven geroepene compagnie zooveel mogelijk te helpen en aan den anderen kant toch niet de eischen te vergeten, die eene vrijzinnige staatkunde hun deed. Het was echter reeds vooraf te vreezen, dat de regeering, dus geslingerd tusschen de begeerte om eene uit haren aard uitsluitende vereeniging van onderdanen voort te helpen en den wensch om liberaal te blijven ook tegenover vreemden, niet altijd het rechte pad zou blijven bewandelen, maar dat zij dikwijls zou afwijken. En werkelijk gebeurde het zoo! Het toezicht, door de Staten aanvankelijk op de daden der compagnie gehouden, om haar te noodzaken de beginselen van uitsluiting, die zij aankleefde, ten minste niet tegenover vreemde natiën in praktijk te brengen[312], verflauwde langzamerhand en hield weldra geheel op. En toen de Noordsche Compagnie eenmaal de bezwaren van haren toestand te boven gekomen was en dus, terwijl zij den steun der Staten-Generaal geheel missen kon, hun toezicht en hunne waarschuwende stem meer dan ooit behoefde, gaf de regeering door het verlengen van het octrooi juist het eerste blijk van hare veranderde gezindheid. Maar het was niet het laatste! De Staten-Generaal namen in de geschillen der Noordsche Compagnie met Denemarken steeds, en soms ten onrechte, de partij hunner onderzaten, en toen in 1632 en 1633 de Franschen door de schepen der compagnie uit de Robbenbaai verdreven waren, namen de zoo vrijzinnig geprezene Staten tegenover de klachten der verongelijkten eene houding aan, die overtuigend bewees, dat ook zij zich soms door partijdigheid van het rechte pad lieten brengen[313].
[312] R. S.-G. 29 Apr. 1615, 16 Mrt. 1617, 4 Febr. 1622.—Instr. der Stn.-Gen. voor Quast en Schrobop dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616.
[313] Zie over de houding der Stn.-Gen. tegenover de N. C. en hare mededingers meer aan het einde van Hfdst. VIII en IX.—Vgl. over de hulp, door de regeering na den val der N. C. aan de Nederlandsche walvischvaarders verleend: Tegenw. Staat. I p. 592, 93.—De walvischvangst. I p. 21-24, II p. 88.
Pulsuz fraqment bitdi.