Kitabı oxu: «De Dageraad der Volksvrijheid»

Şrift:

Adolf Streckfuss

De Dageraad der Volksvrijheid

Geschiedenis van de wording der Nederlandsche Republiek


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066314255

Inhoudsopgave

Eerste Hoofdstuk.

Tweede Hoofdstuk.

Derde Hoofdstuk.

Vierde Hoofdstuk.

Vijfde Hoofdstuk.

Zesde Hoofdstuk.

Zevende Hoofdstuk.

Achtste Hoofdstuk.

Negende Hoofdstuk.

Tiende Hoofdstuk.

Elfde Hoofdstuk.

Twaalfde Hoofdstuk.

Dertiende Hoofdstuk.

Veertiende Hoofdstuk.

Vijftiende Hoofdstuk.

Zestiende Hoofdstuk.

Zeventiende Hoofdstuk.

Achttiende Hoofdstuk.

Negentiende Hoofdstuk.

Twintigste Hoofdstuk.

Een en twintigste Hoofdstuk.

Twee en twintigste Hoofdstuk.

Drie en twintigste Hoofdstuk.

Vier en twintigste Hoofdstuk.

Eerste Hoofdstuk.

Inhoudsopgave

De Nederlanden. Vruchten der regeering van keizer Karel V. Vereeniging van de Nederlandsche gewesten. Bloei des lands. Algemeene welvaart en beschaving. Liefde des volks voor Karel V. Hare oorzaken. De hervorming in de Nederlanden. Erasmus van Rotterdam. De rederijkers. De Nederlandsche ketters door Karel V streng vervolgd. Het plakaat van 1550. De inquisitie. Verzet daartegen. Aantal slachtoffers der vervolging om de godsdienst. Philips II aanvaardt de regeering. Weinige ingenomenheid des volks met dezen vorst. Het plakaat van 1550 vernieuwd. Tegenstand der Nederlanders. De vrede van Cateau-Cambresis. Regeling van het bewind over de Nederlanden. De staatsraad, de geheime raad, de raad van finantiën. De stadhouders. De troepen van ordonnantie. De Spaansche troepen. Vergadering van de staten generaal te Gent. Verzoekschrift der staten tot terugroeping van de Spaansche troepen. Onvriendelijk afscheid tusschen Philips en Oranje. Des konings vertrek.

Den 25en October van het jaar 1555 had keizer Karel V in eene plechtige vergadering der Staten-generaal te Brussel aan zijn zoon Philips de regeering der Nederlanden overgedragen. Volgens de overeenstemmende berichten van allen, die bij deze overdracht tegenwoordig waren, hadden de Nederlanders met diepe droefheid het bericht ontvangen, dat Karel V hen verlaten zou. Geen oog der aanwezige vertegenwoordigers des volks was droog gebleven; allen hadden heete tranen gestort.

Waarmede had de keizer zulk eene vurige liefde des volks verdiend? Wat had hij gedaan om die te verwerven? Het valt niet te ontkennen, dat Karel V zich door de vereeniging van alle Nederlandsche gewesten tot éénen staat verdienstelijk gemaakt had. Van nu af konden de verschillende gewesten elkaar niet langer onderling beoorlogen; de aanzienlijke edelen mochten hunne rooversbenden niet langer door het land zenden. De 17 provinciën met hare 208 versterkte, bloeiende steden en meer dan 6000 dorpen waren tot een groot en machtig rijk geworden, waarin niet alleen handel, nijverheid en landbouw, maar ook wetenschap en kunst zulk een trap van bloei bereikt hadden, dat de Nederlanders met volle recht daarop fier mochten zijn.

Wel had het menigen strijd en veel kostbaar bloed gekost, deze vereeniging tot stand te brengen. Karel V had haar bewerkt, deels door de wederspannigen met geweld ten onder te brengen—men denke slechts aan den opstand te Gent en aan het tractaat van Venlo, den overwonnen Willem van Gulik afgeperst—deels door de wijsheid, waarmede hij de eigenaardige zeden en instellingen der verschillende gewesten ontzag. Hij dwong deze niet om in het groote geheel op te gaan, maar alleen om zich bij de overige provinciën aan te sluiten.

Wellicht was deze handelwijze niet zoozeer het gevolg van des keizers goeden wil—wij weten dat hij gaarne als onbeperkt gebieder heerschte—als wel van de omstandigheid, dat hij buiten deze landen onophoudelijk bezig gehouden werd door zijne voortdurende oorlogen. Hiertoe had hij namelijk den geldelijken steun der Nederlanders zoo dringend noodig, dat hij zich wel wachten moest, het volk door een al te willekeurig bewind te verbitteren. Doch hoe dit ook zij, het feit is niet te loochenen, dat de Nederlanden onder Karel’s regeering het beeld vertoonden van een machtigen, vereenigden staat, waarin de afzonderlijke deelen nauw met elkaar verbonden waren en waarvan elk deel toch zijne eigenaardigheid en zelfstandigheid bewaarde.

De verschillende gewesten hadden hunne eigene wetten, die met de volkszeden en gewoonten in overeenstemming waren, behouden. De belangrijkste steden geleken naar kleine republieken, die hare eigene aangelegenheden schier onafhankelijk regelden, terwijl zij toch deelen waren van het groot geheel.

Door deze vereeniging van de Nederlanden heerschte er in den boezem des lands een ongestoorde vrede, die handel en verkeer zulk eene vlucht had doen nemen, dat zelfs de zware lasten, welke den Nederlanders voor de oorlogen van Karel V werden opgelegd, aan de algemeene, hooggeklommen welvaart geen afbreuk konden doen. Holland werd de stapelplaats van den Europeeschen graanhandel, Amsterdam verhief zich tot het middenpunt van den Oostzeehandel, Antwerpen overtrof door zijne uitgebreide handelsbetrekkingen de meeste Europeesche zeesteden, zelfs Venetië.

Niet alleen in handel en nijverheid waren de Nederlanders groot, ook in wetenschap en kunst namen zij met eere hunne plaats in aan de zijde der overige Europeesche volken, ja in werkelijke beschaving overtroffen zij die zelfs. De scholen waren voor dien tijd voortreflijk; de zonen der rijken ontvingen eene opvoeding, gelijk in andere landen alleen aan de afstammelingen der hoogste adellijke geslachten ten deel viel, zij leerden niet alleen de nieuwe talen vloeiend spreken, maar moesten ook de oude klassieken kunnen lezen en verstaan. De muziek werd door de hoogere standen algemeen beoefend.

Doch hierbij bleef het niet; zelfs de lagere volksklasse werd goed onderwezen; de eenvoudige handwerkslieden vormden in de Nederlanden niet, gelijk in andere landen, eene ruwe onwetende menigte, zij hadden wat degelijks geleerd en waren tot denkende wezens gevormd.

Dat Karel V zich omtrent de bevordering van den welstand en de beschaving der Nederlanders verdienstelijk heeft gemaakt, mag bij eene onpartijdige beoordeeling van zijne regeering niet ontkend worden. Doch eene andere vraag is het, of deze verdiensten zóó groot zijn, dat ze geheel tegen de schaduwzijde van zijn bewind opwegen, ja deze op den achtergrond dringen? Waren zij de bron der liefde, welke het volk—gelijk niet te betwijfelen valt—den keizer toedroeg?

Wij moeten deze beide vragen ontkennend beantwoorden. De volksgunst wordt niet altoos verkregen door werkelijke verdiensten, zij is menigmaal de vrucht van bijkomende omstandigheden. Billijkerwijze had de keizer, die nooit een hart voor het waarachtig welzijn des volks had, die niet om den wil zijner onderdanen, maar alleen in zijn eigen belang, (ten einde zijne eerzucht te bevredigen en zoo mogelijk van de Nederlanders aanzienlijke sommen voor zijne oorlogen te verkrijgen) ten nutte van het land werkzaam was, die bovendien—gelijk wij terstond zullen zien—een groot aantal onschuldige menschenlevens aan zijne godsdienstige onverdraagzaamheid opofferde, den welgemeenden haat des volks verdiend. Maar in weerwil van dit alles, was hij bemind, omdat hij de eigenaardigheden der Nederlanders begreep en ontzag en hunne zwakheden wist te vleien. Hij sprak met hen in hunne eigene taal. Gelijk hij met de Duitschers Duitsch, met de Spanjaarden Spaansch, met de Italianen Italiaansch en met de Franschen Fransch sprak, zoo sprak hij de Vlamingen in het Vlaamsch toe. Hij wist de eigenaardige karaktertrekken van elken volksstam te bespieden en even gemakkelijk als hij hunne taal sprak, nam hij hunne zeden over.

Wist hij tegenover de Spanjaarden de Spaansche hoofschheid in acht te nemen, tegenover de Nederlanders legde hij eene groote mate van vertrouwelijkheid aan den dag. Met de edelen was hij een edelman, met de burgers een burger, wanneer hem dit tijdig en raadzaam scheen. Hij reed als ridder de kampplaats van het tournooi binnen en schoot met de boogschutters van Antwerpen naar den vogel; een ieder wist hij te behandelen, gelijk hij behandeld worden moest.

Hij kende de menschen, wier zwakheden hij bestudeerd had, en trok van die kennis ijverig partij. Door alle ambten steeds aan Nederlanders te schenken, maakte hij zijn bewind veel minder gehaat dan anders het geval zou zijn geweest; want hij wist, dat de Nederlanders zich veel lichter door hunne landgenooten dan door vreemdelingen lieten regeeren, ja dat zij zelfs van de eersten willekeurige handelingen door de vingers zouden zien.

Aan zulke kleine, ja somtijds kleingeestige maatregelen, dankte Karel V de gunst des volks. Doch ook zijn krijgsroem droeg daartoe bij. Gevoelen niet nog heden ten dage de verblinde volken zich gelukkig in den roem, die een vorst met hun goed en hun bloed op het zoogenaamde veld van eer behaalt? Zijn ze niet trotsch op zulk een valschen luister, die zich in bloedplassen weerspiegelt en met zijn glans stapels lijken bestraalt? En nog meer dan in onze dagen was dat het geval in dien tijd, waarin oorlog regel, vrede uitzondering was.

De Nederlanders waren trotsch op hunnen keizer en zijne heldendaden, in wiens legers ook velen der hunnen frissche lauweren hadden geplukt. Zij vergaven Karel V al zijne fouten en gebreken, zelfs zijne vreeselijke vervolging van de protestanten. En waarlijk—zij hadden veel te vergeven.

Geen land bood der hervorming een beter toebereiden akker aan dan Nederland. Het volk was beschaafder dan eenige andere Europeesche natie en daardoor in staat om zelf te denken, om zijn geloofsovertuiging te toetsen. Uit zijnen boezem waren mannen voortgekomen als Johannes Brugman, de bezielde boetprediker, Geert Groote, de stichter van de broederschap des Gemeenen levens, die zich jegens het onderwijs onsterfelijke verdiensten verworven had, Thomas à Kempis den vriend eener warme, zij het ook een weinig mystieke godsvrucht, Wessel Gansfort, om zijne geleerdheid het „licht der wereld” genoemd, Rudolf Agricola, een der sieraden van de Heidelbergsche hoogeschool, en niet het minst Desiderius Erasmus.

Erasmus van Rotterdam, had reeds lang vóór Luther’s optreden in Duitschland zich tegen het bederf der geestelijkheid aangekant en de behoefte aan eene hervorming der kerk openlijk uitgesproken. Zijne denkbeelden hadden in de ziel des volks diepe wortelen geschoten en hoewel hij zelf, toen Luther naar zijnen zin te krachtig, ja te onstuimig voorwaarts drong, voor de gevolgtrekkingen zijner eigene denkbeelden en de toepassing van zijne eigene beginselen terugdeinsde en aan zijn schoon verleden ontrouw werd, volgden zijne leerlingen dat voorbeeld niet.

Eene eigenaardig Nederlandsche instelling, de kamers der „rethorijkers” of rederijkers, droeg er insgelijks veel toe bij om het volk voor de hervorming voor te bereiden. Reeds in de 15e eeuw hadden, gelijk in Duitschland de meesterzangers, in de Nederlanden de burgers en zelfs de boeren zich tot beoefening van de kunst vereenigd. De vereenigingen, die hierdoor ontstonden, hadden wel van de kunst slechts zulk een flauw begrip, dat zij poëzie en rethorica verwarden, maar zij bezaten althans veel goeden wil en haar pogen vond bij het volk zulk een krachtigen steun, dat het aantal dier kamers met groote snelheid aangroeide.

Bijna in elke stad, zelfs in de meeste dorpen trof men zulke vereenigingen aan, die ellendige, gekunstelde rijmen smeedden, doch weldra op een ander veld dan dat der dichtkunst een allerbelangrijksten invloed uitoefenden. De rederijkerskamers namen toen in zekeren zin de plaats onzer tegenwoordige dagbladpers in; zij stelden zich tot taak, de misbruiken der regeering, vooral die der geestelijkheid, te gispen. Al geschiedde dit ook niet altijd op waarlijk geestige wijze, de duidelijkheid en scherpte der kritiek liet niets te wenschen over. Zoo vormden de rederijkerskamers in elke stad in zekeren zin het middenpunt der kerkelijke oppositie, en het kan ons niet verwonderen, dat daaruit vele der mannen voortgekomen zijn, die later als voorvechters der omwenteling, hetzij op kerkelijk, hetzij op staatkundig gebied naam gemaakt hebben. Wij herinneren hier slechts den snijderkoning Jan van Leiden, die insgelijks een rederijker was.

De rederijkers verbreidden berijmde satyren op de geestelijkheid; doch vooral werkten zij door hunne tooneelvoorstellingen, welke door den prikkel der nieuwheid groote scharen van toeschouwers aanlokten. De geestelijke tooneelspelen, welke de geestelijkheid oorspronkelijk zelve uitgevonden had, werden nu vervangen door blij- en kluchtspelen, die de rederijkers bij hunne openbare optochten vertoonden, en waarin zij de ondeugden der geestelijkheid zonder verschooning aan de kaak stelden. Hoe laag zulke tooneelstukken, uit een dichterlijk oogpunt bezien ook stonden, toch waren zij van het grootste belang voor de ontwikkeling des volks, want zij gewenden de groote menigte, over de gebreken der kerk en de ondeugden der geestelijken na te denken.

Dewijl te zelfder tijd van alle zijden aanhangers der hervorming naar de Nederlanden kwamen, moest zij hier wel vorderingen maken. Ja dit kon niet uitblijven daar al die landen, waarmede de Nederlanden handelsbetrekkingen onderhielden, reeds meer of min voor de hervorming gewonnen waren: Duitschland, Engeland, Frankrijk, waar later Calvijn werkzaam was en van waar vele vluchtelingen naar de Nederlanden kwamen, zoowel als de Scandinavische rijken.

Niets was natuurlijker dan dat in de Nederlanden het zaad der hervorming een wel toebereiden bodem vond en dat het hier welig ontkiemde.

Keizer Karel V, die de onverzoenlijke vijand der Duitsche protestanten was, maar het uit een staatkundig oogpunt niet geraden achtte, hen met de uiterste gestrengheid te bestrijden, behandelde zijn erflanden niet met zooveel verschooning. Reeds in het jaar 1521 schreef hij uit Worms: „Dewijl het schijnt, dat die Maarten Luther niet een mensch, maar een duivel in menschengedaante is, die zich als een priester vermomt, om de menschen des te beter der helle en der verdoemenis in de armen te voeren, moeten al zijne leerlingen en aanhangers met den dood en met verbeurdverklaring van hunne goederen gestraft worden.”

Dit besluit werd in de Nederlanden zonder de door de wet vereischte goedkeuring der Staten-Generaal afgekondigd en de pauselijke inquisitie in de provinciën ingevoerd om aan zijne bepalingen kracht en klem bij te zetten.

Den 1en Juli 1523 stierven te Brussel twee Augustijner monniken als martelaars van het Lutheranisme op den brandstapel. Doch in weerwil hiervan vond het onder de bevolking van Brussel vele aanhangers.

Door onverbiddelijke en tijdig toegepaste strengheid meende Karel V de verbreiding der hervorming in de Nederlanden te kunnen verhinderen. Hij liet verscheidene plakaten afkondigen, waarin zoowel het lezen van den bijbel, hetzij heimelijk, hetzij in ’t openbaar, als elke redetwist over het geloof, de sacramenten en het gezag der kerk op straffe des doods verboden werd. En deze plakaten bleven geen doode letter; zij werden werkelijk uitgevoerd: de brandstapels rookten en zagen een groot aantal slachtoffers in hunne vlammen omkomen.

Al deze gestrenge maatregelen misten echter hun doel. Het getal der protestanten in de Nederlanden groeide met elken dag aan. Beter dan deze inquisitoriale maatregelen werkte in den geest des keizers een tijd lang de hevige strijd, die tusschen Luther en Zwingli uitgebroken was, en die meer dan één vrijzinnig katholiek afschrikte van de omhelzing eener leer, die reeds kort na haar opkomen tot zulk een haat aanleiding gaf en wier aanhangers weinig minder onverdraagzaam waren dan de katholieken.

Ook de uitspattingen der Wederdoopers, die, gelijk onze lezers zich herinneren (Dl. VII blz. 146 en 158) in de Nederlanden vrij talrijk waren, droegen het hare er toe bij om de voorstanders van eene gematigde hervorming afkeerig te maken van de protestanten. Doch weldra verminderde de vrees voor deze lieden en de gruwelijke wreedheid, waarmede de leden dezer secte uitgeroeid werden, deed velen zelfs een innig medelijden met hen gevoelen.

Nieuwe plakaten werden tegen de ketters uitgevaardigd, waarvan het ééne nog scherper en bloediger was dan het andere. In het jaar 1535 werd te Brussel een keizerlijk bevelschrift openbaar gemaakt, hetwelk alle ketters, ook de boetvaardigen onder hen, ter dood veroordeelde; de eenige genade, welke den laatsten bewezen werd, bestond hierin, dat zij niet werden verbrand, maar dat de mannen onthoofd, de vrouwen levend begraven werden.

Deze plakaten met andere van dezelfde strekking vormden gedurende twintig jaren de stipt uitgevoerde wetgeving voor de Nederlanden. Ja, in het jaar 1550 werden de vervolgingen nog verscherpt door een nieuw edict, waarbij aan een ieder, die ketters aanbracht en aan het gericht overleverde, de helft hunner goederen als belooning werd toegezegd.

In het plakaat van 1550 werd bovendien de naam der inquisitie veel duidelijker genoemd dan voorheen. Te Antwerpen verwekte dit eene groote verslagenheid; hadden de Nederlanders zich tot dusver de geloofsvervolging zonder weerstand laten welgevallen, den naam van de rechtbank der inquisitie, die zich in Spanje door hare gruwelen zoo berucht gemaakt had, boezemde hun een onuitsprekelijken afkeer in. Vele Antwerpsche kooplieden besloten die stad, ja de Nederlanden te verlaten; de handel was gestremd, de prijs der huizen daalde, de stad scheen haren ondergang nabij.

De landvoogdes Maria van Hongarije, die in naam van haren keizerlijken broeder regeerde, begreep zelve, dat er iets ten gunste van het bedreigde Antwerpen gedaan moest worden. Zij wendde zich tot den keizer en op hare vertoogen gaf hij ten minste in zóóver toe, dat de vreemde kooplieden te Antwerpen eene zekere mate van vrijheid genoten; ook stond hij toe, dat de ambtstitel der inquisiteurs in dien van geestelijke rechters veranderd werd. De zaak zelve bleef echter bij het oude, de geloofsvervolgingen duurden met dezelfde kracht voort, al werd ook de naam der inquisitie niet genoemd. Vooral in de Nederlandsche gewesten rookten de brandstapels en vonden de ketters van beiderlei kunne hetzij door vuur of zwaard, hetzij in den schoot der aarde den dood. Het aantal der martelaars, die gedurende de regeering van den roemrijken keizer Karel V ter dood gebracht zijn, wordt door de geschiedschrijvers dier dagen verschillend opgegeven. Geen hunner neemt een getal van minder dan 50.000 aan; anderen zijn van oordeel, dat er meer dan 100.000 menschen vermoord zijn, wien men geen ander misdrijf kon ten laste leggen dan dat zij den bijbel gelezen, de heiligenbeelden veracht of met de tegenwoordigheid van het waarachtige vleesch en bloed van Christus in het avondmaal den spot gedreven hadden. De Venetiaansche gezant Navigero verhaalt, dat alleen in de provinciën Holland en Friesland 30.000 slachtoffers gevallen zijn, en zijn verhaal dagteekent van het jaar 1546, tien jaren voor des keizers troonafstand en ruim vier jaren voor het uitvaardigen van het afschuwelijke plakaat van 1550!

Voor al dit bloedvergieten kan men bij Karel V niet eens de verontschuldiging laten gelden, dat hij een godsdienstig dweeper was. In Duitschland had hij bewezen, dat hij jegens de hervorming en de protestanten zeer goed inschikkelijk wist te zijn, wanneer zijne staatkundige belangen dit eischten, doch hier achtte hij de vervolging van de ketters hem evenzeer door de staatkunde als door de godsdienst geboden.

De Nederlanders helden meer tot de leer van Calvijn dan tot die van Luther over; bij hen had derhalve de hervorming meer een staatkundig karakter. Het Calvinisme eischte naast de godsdienstige ook de staatkundige vrijheid. Terwijl het Lutheranisme het despotisme der vorsten geheel onaangetast liet, ja dit zelfs in de hand werkte, zocht het Calvinisme zijn hechtsten steun in de volksheerschappij. Zulke neigingen moesten den op zijn onbeperkt gezag hoogst naijverigen keizer natuurlijk diep beleedigen.

50.000 onschuldige menschen—wij houden ons aan het kleinste getal—waren in de Nederlanden op des keizers bevel vermoord en toch treurde het volk, toen Karel V de regeering nederlegde! Vloeiden die tranen inderdaad uitsluitend uit droefheid over zijn verlies? Het is moeilijk te gelooven. Waarschijnlijk gevoelden de Nederlanders zeer juist, dat de zoon, die den vader opvolgen zou, nog gevaarlijker was dan hij, dat Philips II wel de erfgenaam van al de slechte hoedanigheden van Karel V, van zijn geloofshaat, zijn vervolgingszucht en zijne willekeur was, doch dat hij zijne scherpzinnigheid en geschiktheid om het eigenaardig karakter zijns volks te begrijpen en tot op zekere hoogte te ontzien, niet geërfd had. Zij vreesden terecht, dat de toekomst nog treuriger zou zijn dan het heden en het verleden.

Philips II was in het jaar 1549 op bevel zijns vaders voor de eerste maal in de Nederlanden verschenen, om daar de erfhuldiging, gelijk zij den troonopvolger placht geschonken te worden, te ontvangen, en had bij die gelegenheid den eed, dat hij de rechten en vrijheden des volks handhaven zou, zonder eenig voorbehoud afgelegd. De Nederlanders onthaalden hem met schitterende feesten; zij verheugden zich over die beloften van hun toekomstigen vorst des te meer, dewijl Karel V bij deze gelegenheid met toestemming der staten verklaarde, dat de Nederlanden voortaan een ondeelbaar rijk onder éénen vorst vormen zoude. Doch voor dien vorst zelven konden zij geene genegenheid gevoelen.

Met een ijskoud gelaat, met trotsche minachting zag Philips II op al die uitingen van de volksvreugde neer. Hij kon niet besluiten, vriendelijk en voorkomend te zijn; de koude, teruggetrokkene, vormelijke Spanjaard bleef hij ook bij die gelegenheid, de eerste, die hem aangeboden werd om zich onder zijn toekomstig volk aanhangers te verwerven.

Zijne geheele persoonlijkheid maakte een zeer ongunstigen indruk; ook hij zelf gevoelde zich in de Nederlanden niet tehuis en keerde spoedig naar Spanje terug.

Philips’ later gevolgd huwelijk met de streng katholieke koningin Maria van Engeland droeg er evenmin toe bij om hem bemind te maken. Nadat Philips, door den afstand zijns vaders, als zelfstandig vorst opgetreden was, deed hij niets om de liefde des volks te winnen, ja hij kwetste bijna opzettelijk de eigenaardige denkbeelden en gewoonten der burgers. Zijn hofstoet was voor negen tienden uit Spanjaarden samengesteld, slechts vijftien of zestien hovelingen behoorden tot andere natiën. Hij kende den haat, welke de Nederlanders den Spanjaarden toedroegen, en toch stelde hij zijn geheelen raad uit Spanjaarden samen, dewijl deze natie de eenige was, die hij achtte en met wie hij op den duur kon omgaan.

Eene zijner eerste regeeringsdaden was de vernieuwing van het plakaat van het jaar 1550; hij deed dit op raad van den bisschop van Arras, Granvelle, wiens vader kanselier van Karel V geweest was. Granvelle had reeds van den keizer eene groote mate van vertrouwen genoten; ook Philips vertrouwde hem ten volle en zonder aarzelen ging hij tot de vernieuwing van het door zijn vader uitgevaardigde placaat over, dewijl men hem—gelijk Granvelle hem deed opmerken—dan niet kon verwijten, dat hij iets nieuws had ingevoerd. Doch reeds waren de tijden grootelijks veranderd. Hoewel de koning beval, dat het placaat van 1550 in al zijne gestrengheid toegepast zou worden, hoewel hij alle nalatige beambten met onmiddellijk ontslag en zelfs met strenge straffen bedreigde, werd toch de vervolging van de ketters in den eerstvolgenden tijd met groote lauwheid voortgezet. In Holland kwam het volk openlijk tegen het plakaat in verzet; te Antwerpen weigerde men, het af te kondigen, in Brabant en in andere deelen des lands werden protesten daartegen openbaar gemaakt.

Philips moest voorshands zulk eene ongehoorzaamheid dulden, want hij had geld noodig. Hij wilde zijne nieuwe provinciën niet door al te gestrenge maatregelen tegen zich in het harnas jagen, daar hij voor de oorlogen, welke hij bij het aanvaarden van de regeering zoowel tegen den paus als tegen Frankrijk voeren moest, de ondersteuning der Nederlanders zoowel in geld als in manschappen noodig had.

Zijne verdraagzaamheid en inschikkelijkheid droegen de gewenschte vruchten: de Nederlanders stonden hem gewillig de vereischte gelden toe, de edelen des lands trokken naar zijn leger en hun—voornamelijk den dapperen graaf Lamoraal van Egmond—dankte de koning zijne overwinning bij St. Quentin en Grevelingen, waarop weldra de vrede van Cateau-Cambresis volgde.

Groot was de vreugde der Nederlanders over het sluiten van den vrede; deze gebeurtenis werd door hen met schitterende feesten gevierd; het arme volk wist niet, dat Philips voornamelijk dien vrede gesloten had ten einde de handen tot uitroeiing van de ketters geheel vrij te hebben!

Philips had besloten naar Spanje terug te keeren; nooit had hij de Nederlanders bemind; het was hem ondragelijk hier langer te vertoeven, waar zijne macht door eene soort van staatsregeling beperkt was. Van Spanje uit wilde hij de uitvoering van zijne plannen besturen. Zijne tegenwoordigheid in deze gewesten zou daartoe niets gebaat, integendeel, die allicht verhinderd hebben.

Onmiddellijk na den vrede van Cateau-Cambresis hield Philips zich derhalve bezig met de regeling van de toekomstige regeering des lands en met de toebereidselen voor zijn vertrek. Tot landvoogdes en regentes der Nederlanden gedurende zijne afwezigheid benoemde hij zijne halfzuster Margaretha, hertogin van Parma; hij stelde haar drie collegies ter zijde: den staatsraad, die over oorlog en vrede, over de belastingen en andere gewichtige aangelegenheden beraadslagen moest; den geheimen raad, wien de rechtszaken en de wetgeving toevertrouwd waren, en den raad van finantiën, die alles moest behandelen wat met de geldmiddelen in verband stond. Doch al deze drie waren geene beslissende, maar slechts raadgevende lichamen, met wier voorlichting de hertogin, zoo zij wilde, haar voordeel konde doen, doch aan wier gevoelen zij niet gebonden was. Tot voorzitter van den raad van finantiën werd de baron van Barlaimont, tot voorzitter van den geheimen raad, die uit een twaalftal geleerden bestond, Viglius van Zuichem van Aytta benoemd. In den staatsraad, het belangrijkste lichaam, kregen zitting: Viglius, Barlaimont, Granvelle, bisschop van Arras, de prins van Oranje en de graaf van Egmond; een weinig later nog eenige andere heeren, als de heer van Glaion en de admiraal, graaf van Hoorne.

Voor de verschillende provinciën benoemde Philips stadhouders; die onder het opperbevel der landvoogdes zouden staan. Willem van Nassau, prins van Oranje, werd stadhouder van Holland, Zeeland, Westfriesland en Utrecht, de graaf van Egmond van Vlaanderen en Artois. De stadhouders waren te gelijker tijd de bevelhebbers der in die provinciën gelegerde troepen.

In vredestijd placht de krijgsmacht in de Nederlanden slechts weinig talrijk te zijn; het eenige staande leger, dat volgens de wet bestond, werd gevormd door de benden van ordonnantie, een gendarmeriecorps van 3000 man, dat in 14 escadrons verdeeld was. Elk dier escadrons stond onder bevel van een stadhouder of van een edelman van hooge geboorte. Deze benden van ordonnantie vormden een der best georganiseerde en gedisciplineerde ruiterscorpsen van geheel Europa. Zij waren wijd beroemd en stonden ook bij de Nederlanders in hooge achting.

Behalve deze krijgsmacht waren er toen echter in de Nederlanden nog ongeveer 4000 man Spaansche troepen, de overblijfselen der troepen, die bij de onafgebroken oorlogen der laatste jaren noodzakelijk waren geweest. Deze Spanjaarden waren wegens hun gebrek aan krijgstucht bij het volk diep gehaat, zij leefden als in ’s vijands land. Door hunne rooverijen werden zij de schrik van boer en burger. Zij hielden in verschillende grensplaatsen garnizoen. Philips hield hen onder de wapenen onder voorwendsel, dat ze noodig waren om de grenzen te beschermen. Dewijl echter thans de vrede met Frankrijk voor goed tot stand gekomen was, had hunne tegenwoordigheid aan de grenzen in ’t geheel geene beteekenis meer en het vermoeden der Nederlanders, dat de Spanjaarden den koning moesten dienen tot bestrijding van de vrijheden des lands, was volstrekt niet uit de lucht gegrepen.

Reeds morde men in het geheele land over de tegenwoordigheid der Spaansche huurtroepen en openlijk sprak men den wensch uit, dat de koning ze naar Spanje medenemen zou.

Vóór zijn vertrek riep de koning den 7en Augustus 1559 de Staten-generaal nog eens te Gent samen, om hun zijne laatste bevelen te geven en afscheid van hen te nemen. De bisschop van Arras begroette de vergadering in ’s konings naam; hij had voor de volksvertegenwoordigers de gebruikelijke vleierijen ten beste, hij verzekerde hen van de genade der vorsten en verklaarde ten slotte, dat Philips der landvoogdes Margaretha de taak opgedragen had om de wetten tegen de ketters streng te handhaven; maar van de vervulling van den zóó luide en zoo algemeen uitgesproken volkswensch naar de terugroeping van de Spaansche huurbenden zeide de bisschop niets.

Den volgenden dag verschenen de afgevaardigden van den Staten-generaal voor den koning om hem hun antwoord te brengen. De sprekers der verschillende provinciën traden achtereenvolgens op. Toen de eerste hunner in hoogdravende taal van de onwankelbare trouw der Nederlanders sprak, lachte de koning zeer genadig; doch spoedig veranderde de uitdrukking van zijn gelaat, want de redenaar voegde daaraan de dringende bede toe, dat de koning onverwijld den aftocht der vreemde troepen gelasten mocht; hunne tegenwoordigheid—zeide hij—was na het sluiten van den vrede overbodig geworden.

Philips zag den spreker met een onheilspellenden blik aan, hij wierp zich achterover in zijn zetel en hoorde thans zwijgend naar de redenaars der overige gewesten, die hem in de hoofdzaak hetzelfde zeiden. Allen betuigden hunne liefde en trouw, doch allen verklaarden ook, dat zij alleen de gevraagde gelden zouden toestaan, op voorwaarde, dat de vreemde troepen uit de Nederlanden verwijderd zouden worden. Dit was te veel voor den koning! Hij kon zijne woede niet langer verbergen en riep uit, zich tot den graaf van Egmond en de andere rondom den troon staande heeren wendend: „Nu zie ik, hoe weinig ik mij op de zoo hoog geroemde trouw der provinciën verlaten kan.”

Hij zou intusschen nog dieper gekrenkt worden. De prins van Oranje overhandigde hem in naam der Staten-generaal, een door hem zelven, den graaf van Egmond en een groot aantal van de aanzienlijkste heeren des lands onderteekend verzoekschrift, waarin insgelijks op de terugroeping van de troepen aangedrongen en in de krachtigste bewoordingen over de rooverijen en andere door die soldaten gepleegde gruwelen geklaagd werd. De tegenwoordigen toestand—heette het in dat smeekschrift—was ondragelijk, de inwoners van een aantal steden en dorpen hadden hunne woningen verlaten, ten einde niet langer blootgesteld te zijn aan den euvelmoed dezer troepen, die zich meer als roovers dan als krijgslieden gedroegen.

De koning werd woedend, toen men hem dit verzoekschrift overgaf; hij sprong van zijn zetel op en verliet eensklaps de zaal. Doch spoedig werd hij kalmer. Na weinige dagen was hij weer in het bezit der zelfbeheersching, waardoor hij zich steeds onderscheidde. Hij verklaarde, dat het nooit zijn voornemen was geweest, in de Nederlanden eene vreemde regeering in te voeren, gelijk de benoeming van hertogin Margaretha, eene Nederlandsche van geboorte, bewijzen kon; dat de Spaansche troepen voor den oogenblik nog noodig waren om het land te beschermen, dat zij overigens 3 à 4000 man telden, die nog achterstallige soldij hadden te vorderen, en dat zij, zoodra deze betaald was—en dit zou zoo spoedig mogelijk, uiterlijk na 3 of 4 maanden geschieden,—uit het land verwijderd zonden worden; dat hunne tegenwoordigheid bovendien geene bezorgdheid kon inboezemen, dewijl immers de prins van Oranje en de graaf van Egmond over hen bevel voerden. Met dit antwoord moesten de Staten-generaal zich tevreden stellen.

Vol verbeten woede over de stoutmoedigheid der volksvertegenwoordigers en vol wrok voornamelijk tegen den prins van Oranje, begaf Philips zich naar Vlissingen, om zich naar Spanje in te schepen; de landvoogdes en een groot aantal der voornaamste Nederlanders deden hem uitgeleide. Onder deze bevond zich ook de prins van Oranje, die gekomen was om van den koning eerbiedig afscheid te nemen.

Toen Philips aan boord kwam van het schip, dat hem voor altijd uit de Nederlanden wegvoeren zou, viel zijn oog op den prins van Oranje. Terstond wendde hij zich in den heftigsten toorn tot hem: in bittere bewoordingen verweet hij hem, dat hij door zijne kuiperijen de oorzaak was geweest dat het bovenvermelde verzoekschrift door de Staten-generaal was ingediend. Willem antwoordde bescheiden, dat hij dit niet gedaan had, maar dat het smeekschrift de vrucht van eene ongedwongene en ordelijke beraadslaging was geweest.

Op dit antwoord greep Philips den prins bij den arm en riep, terwijl hij hem hevig schudde: „Niet de staten,—gij, gij, gij,” terwijl hij het woordje „gij” driemaal met de grootste minachting herhaalde.

Na deze zware beleediging achtte de prins het niet geraden, mede aan boord van des konings schip te gaan; hij vergenoegde zich met eene eerbiedige buiging en nam zóó aan den oever afscheid van den koning. Waarschijnlijk was dit zijn behoud. Het is zeer denkbaar, dat hij gedwongen zou zijn geworden om tegen wil en dank de reis naar Spanje mede te maken, indien niet zijn doorzicht hem voor dat lot bewaard had.

Met een woord van haat op de lippen verliet koning Philips de Nederlanden, die hij nooit zou wederzien.

Tweede Hoofdstuk.

Inhoudsopgave

De Nederlanden. Margaretha van Parma. Granvelle. Barlaimont Viglius. De bijzondere raad. Willem van Oranje. Lamoraal, graaf van Egmond. Oprichting van de nieuwe bisdommen. Ontevredenheid der Nederlanders. De inquisiteurs. Pieter Titelman. Titelman’s wreedheden. Opstand te Valenciennes. Granvelle’s bloedige wraak. Vruchtelooze zending van Montigny. De Spaansche troepen teruggeroepen. Haat tegen Granvelle. De dolle Brederode. Granvelle’s verwijdering uit de Nederlanden.

De hertogin Margaretha van Parma, die door Philips II tot regentes over de Nederlanden was aangesteld, was eene natuurlijke dochter van keizer Karel V en de oudste zijner kinderen. Margaretha’s moeder stamde af uit de aanzienlijke familie van der Genst uit Oudenaarden. Zij was in het beroemde huis der Hoogstraetens opgevoed.

Margaretha werd door den keizer schier als zijn wettig kind beschouwd. Hij liet haar eene zorgvuldige opvoeding geven. Margaretha van Savoie en later des keizers zuster, Maria van Hongarije, toenmaals landvoogdes der Nederlanden, trokken zich het kind aan.

In hare vroegste jeugd werd Margaretha uitgehuwd aan Alexander de Medici en na diens dood aan Ottavio Farnese, die het hertogdom Parma en Piacenza ontving. Ten tijde dat Philips haar tot regentes der Nederlanden benoemde, was zij eene vrouw van 37 jaar.

Zij stond bekend als eene vrouw van groote kunde, moed en geestkracht; maar men wist bovendien, dat zij een innigen afschuw had van de ketters, dat zij eene leerlinge van Loyola was geweest, dat de bloedplakaten haars vaders in haar oog de voortreflijkste van alle wetten waren.

Zij zelve vervulde alle plichten, door de Roomsch katholieke kerk haren belijders voorgeschreven, met de grootste nauwgezetheid en trouw, en zij eischte hetzelfde van al hare dienaars.

Opgevoed in de staatkundige beginselen, die toen aan de hoven van Italië en voornamelijk aan dat der Medici heerschten, was zij doorkneed in staatkundige kunstgrepen en kuiperijen. Zij kende de staatszaken door en door, doch overigens beteekende hare kennis niet veel. Geliefd was zij niet, maar evenmin gehaat. Haar uiterlijk maakte indruk door hare krachtige, manlijke houding, zij bezat eene zekere majesteit, die haar niet kwaad stond. Zelfs de lichte knevel op de bovenlip scheen aan te duiden, dat zij door de natuur meer tot manlijke daden dan tot vrouwelijke weekheid gevormd was.

Hoe geschikt Margaretha ook scheen om het bewind over de Nederlanden te voeren, toch had Philips niet vergeten, dat zij altijd maar eene vrouw was en dat zij een manlijken steun behoefde. Hij had haar derhalve een man ter zijde gesteld, die wel voor het uiterlijke geene andere plaats bekleedde dan de overige leden van den staatsraad, doch die inderdaad het eigenlijk hoofd der regeering moest zijn en het ook werkelijk werd. Het was de bisschop van Arras, Antonie Perenot van Granvelle, die weldra voor zijne uitstekende verdiensten jegens de kerk met den kardinaalshoed beloond werd. Granvelle, de zoon van den vertrouwden staatsdienaar van Karel V, had zich reeds als knaap door zijne buitengewone geestesgaven onderscheiden. Reeds vroeg trad hij in des keizers dienst en nauwelijks had hij den bij de wet bepaalden leeftijd bereikt, of hij ontving het rijke bisdom Arras. Op het concilie van Trente behoorde hij tot de beste redenaars. Hij was een man van grondige geleerdheid, van een scherpzinnig verstand en van veel overleg, maar tevens een hoveling zonder eenige zedelijke beginselen, wiens hoogste eerzucht daarin bestond, tot elken prijs de gunst van zijne vorstin te behouden.

Hij was des te beter geschikt om Philips II te dienen, dewijl hij daarbij niet alleen den wil en de wenschen des konings, maar ook zijn eigene innige overtuiging volgen kon, daar alle door Philips verordende maatregelen van geweld hiermede volkomen strookten.

Granvelle was een nog vuriger voorstander van de onbeperkte koninklijke macht dan de koning zelf. Hij was de verklaarde tegenstander van al de volksvrijheden, welke de Nederlanders nog genoten. Vóór Philip’s vertrek had hij zijn uiterste best gedaan om den koning van het bijeenroepen der Staten-generaal terug te houden; hij had verklaard, dat het toezicht van de zijde des volks op de uitgaven der regeering ten allen tijde niets dan moeilijkheden zonder einde baren zou, dat het noodzakelijk was, de gelden zonder toestemming des staten te innen en te besteden. Philips had in dit geval den raad des bisschops wel niet opgevolgd, doch deze was daardoor in zijne schatting nog gerezen; aan zulk een man kon hij zonder aarzelen de eerste plaats in de regeering over de Nederlanden schenken, te meer nog, dewijl de bisschop des konings onverzoenlijken haat tegen de ketters deelde en hunne uitroeiing, waaromtrent Philips bij de vrede van Cateau-Cambresis met Hendrik II van Frankrijk de noodige afspraken gemaakt had, ongetwijfeld met de meeste kracht en zonder de minste gewetensknaging doorzetten zou.

Aan de zijde van Granvelle stonden in den staatsraad de baron van Barlaimont, en de geleerde Viglius; deze drie vormden te zamen de zoogenaamde consulta, een bijzonderen raad, die alle belangrijke zaken met de regentes behandelde, terwijl de overige leden van den staatsraad, de prins van Oranje en de graaf van Egmond, evenals later de graaf van Hoorne, slechts bij sommige gelegenheden geroepen werden om aan de beraadslagingen deel te nemen.

De baron van Barlaimont wordt door de katholieke geschiedschrijvers als een heer van een edelmoedig en eerbiedwaardig karakter geschilderd, terwijl de protestantsche schrijvers integendeel beweren, dat hij zich door hebzucht en bloeddorst onderscheidde. Dat hij een dapper en trouw soldaat geweest is, erkennen allen; insgelijks stemmen zij allen daarin overeen, dat hij met onwankelbare trouw des konings zaak gediend en zich steeds een vurig aanhanger van de katholieke kerkleer betoond heeft.

De baron en zijne vier even dappere zonen waren ten allen tijde bereid om voor de kroon tegen hunne eigene natie te strijden; de koning gold in hun oog meer dan het gansche volk: hem, niet hun vaderland, dienden zij.

Viglius van Aytta van Zuichem was een zeer geleerde Fries, die, vroeg in den krijgsdienst getreden, zich bij de meest verschillende gelegenheden onderscheiden had. Ook hij was een dweepziek katholiek, hij beschouwde de godsdienstige vrijheid als de afschuwelijkste zaak en de vreeselijke ramp ter wereld en de ketterij als die zonde, waarvoor men het minst vergiffenis te wachten had.

Van dit beginsel uitgaande, had hij krachtig medegewerkt tot het uitvaardigen van het beruchte plakaat van het jaar 1550, tot welke opstellers hij behoorde.

Barlaimont en Viglius waren in den staatsraad de blindelings gehoorzamende aanhangers van Granvelle, met wien zij in staatkundige en godsdienstige onverdraagzaamheid wedijverden. Zij ondersteunden al zijne maatregelen en de regentes moest zich wel naar hen voegen, dewijl Granvelle in onafgebroken briefwisseling met Philips II stond en dewijl alles wat hij deed steeds door den koning goedgekeurd werd.

Tegenover deze drie raadsleden, die den bijzonderen raad uitmaakten, stonden de prins van Oranje en de graaf van Egmond in eene gespannen verhouding, die weldra in eene onverzoenlijke vijandschap ontaardde. Beiden vertegenwoordigden in den staatsraad de nationale, Nederlandsche staatkunde.

Willem van Nassau, prins van Oranje, behoorde tot het beroemde Duitsche vorstenhuis, dat reeds sinds lang met de Nederlanden door het bezit van uitgestrekte goederen in nauwe betrekking gestaan had. Meer dan één lid van dat geslacht waren daar stadhouders geweest en hadden zich ook buitendien in koninklijken dienst onderscheiden.

Willem, de oudste zoon van den vorst van Nassau-Dillenburg, vereenigde door erfenis de Nassausche goederen in de Nederlanden en Duitschland met het tusschen Provence en Dauphiné gelegene vorstendom Oranje.

Als kind was hij opgevoed in de Evangelische godsdienst, welke zijne ouders beleden, doch dewijl hij reeds als elfjarige knaap aan het hof des keizers kwam en daar zijne tweede opvoeding ontving, moest hij de katholieke geloofsleer omhelzen. Hij deed dit zonder tegenstreven, dewijl hij noch als knaap, noch als jongeling eenig belang stelde in godgeleerde twistvragen, die hij gaarne aan de godgeleerden overliet.

Willem volgde de inzettingen der katholieke kerk; voor de ketters gevoelde hij niet de minste sympathie, doch hij koesterde ook geen haat tegen hen en de bloedige vervolgingen ter wille van de godsdienst streden evenzeer tegen zijne menschenliefde als tegen zijn gevoel van rechtvaardigheid. Hij had een afschuw van het verbranden van ketters; niet, omdat hij zich de in zijne kindsheid hem ingeprente geloofsbegrippen te binnenbracht, doch dewijl hij, vreemd aan alle dweepzucht en edelmoedig genoeg was om in de ketters slechts dwalende, geene schuldige menschen te zien.

Aan het hof van Karel V had Willem van Oranje zich aan den begaafden bisschop van Arras aangesloten; doch zijne achting voor dezen veel ouderen man (Granvelle was in het jaar 1517, Willem in het jaar 1533 geboren) verminderde, zoodra Oranje het slaafsche hovelingenkarakter van Granvelle doorzag; later zou zij in de diepste verachting en de vriendschap tusschen de beide mannen in doodelijke vijandschap overgaan.

Karel V had voor Willem van Oranje eene warme genegenheid gekoesterd, hem reeds als jongeling tot gewichtige staatsambten geroepen en hem steeds een onbepaald vertrouwen geschonken. Ook Philips II had dit voorbeeld zijns vaders gevolgd.

Willem van Oranje had deel genomen aan de bijeenkomsten, waarin de door Philips zoo vurig gewenschte vrede van Cateau-Cambresis voorbereid werd, maar in de geheime plannen des konings tot uitroeiing van de ketterij was hij niet ingewijd. Over zulke plannen beraadslaagde de sluwe vorst wel met een Granvelle en een Alba, maar niet met den luchthartigen jongen prins, die door zijne familiebetrekkingen met al te veel ketters verbonden was.

Na het sluiten van den vrede was Willem van Oranje naar het hof van Hendrik II gezonden als een der gijzelaars, die tot waarborg voor de naleving van de vredesvoorwaarden moesten strekken. Door zijn aangenamen omgang won hij de gunst des konings, en het vertrouwen, hetwelk Hendrik II hem bewees, voerde den prins tot eene ontdekking, die in ’t vervolg voor hem van het grootste gewicht worden zou.

Op zekeren dag bevond hij zich met den koning in het bosch van Vincennes op de jacht, het overige gevolg was achtergebleven, ze waren te zamen alleen.

Hendrik II werd geheel bezig gehouden door het groote plan tot uitroeiing van de ketters op groote schaal in beide rijken, dat hij met Philips II afgesproken had. Hij meende, dat ook de prins van Oranje in het geheim was ingewijd, hoewel deze daarover nooit met hem onderhandeld had, maar alleen de hertog van Alba, die insgelijks als gijzelaar naar Frankrijk gezonden was en te gelijker tijd in last had ontvangen om alle noodige maatregelen tot fnuiking van de ketterij door de beide koningen te beramen.

Zonder te vermoeden, dat zijn medgezel eens de ijverigste beschermer der gehate ketters worden zou, klaagde Hendrik II onvoorzichtig over het steeds aangroeiend aantal der afvalligen van de heilige kerk in zijn koninkrijk. Hij verklaarde, dat zijn geweten niet gerustgesteld zou zijn, dat hij in zijne staten niet in veiligheid zou kunnen leven, eer hij dit vervloekte ongedierte tot het laatste levende wezen uitgeroeid had. Hij verheugde zich over den burgeroorlog, die hem tot bereiking van zijn doel zou dienen. De uitroeiing van de ketters was in zijn oog des te dringender noodig, dewijl reeds de aanzienlijkste personen des rijks, ja zelfs prinsen van den bloede door de ketterij besmet waren. Doch met Gods hulp en met den bijstand van den thans met hem verbonden koning van Spanje hoopte hij de rebellen weldra meester te zijn.

De koning was zoozeer verdiept in dit onderwerp, hetwelk zijne gansche ziel vervulde, dat hij geen acht sloeg op het zwijgen van den prins, maar voortging, alle bijzonderheden van zijne afspraak met Philips II uiteen te zetten en dat hij hem meedeelde, hoe ook Philips van plan was, in de Nederlanden een ieder, die slechts van ketterij verdacht was, aan den brandstapel of het schavot over te leveren. Om dit plan uit te voeren, was het dringend noodig, dat de Spaansche regimenten in het land bleven.

Willem van Oranje, hoewel geheel vervuld met schrik en verontwaardiging over de geheimen, die hij vernomen had, bewaarde toch zijne kalmte; door geen enkelen blik, door geen enkel gebaar gaf hij zijn afschuw te kennen, in één woord, hij gedroeg zich als een volleerd hoveling. In dien oogenblik, toen hij zich geen woord van afkeuring liet ontsnappen, maar slechts zwijgend toeluisterde, verdiende hij voor het eerst den bijnaam „de Zwijger”, die hem later gegeven werd en waardoor hij zóó beroemd geworden is.

Van dezen oogenblik af was Willem’s besluit genomen. Toen hij eenige dagen na dit gesprek verlof ontving om naar de Nederlanden terug te keeren, bestond het eerste gebruik, dat hij van zijne vrijheid maakte, hierin, dat hij al zijn invloed aanwendde om de Staten-generaal tot een zeer krachtig verzet tegen een langer verblijf der Spaansche troepen in het land aan te vuren.

Betoonde Willem van Oranje zich reeds bij deze gelegenheid een geslepen staatsman, die den babbelenden koning van Frankrijk zijn geheim afluisterde, toch verried hij in die dagen nog niet die uitstekende hoedanigheden, welke zijnen naam in de geschiedenis onsterfelijk zouden maken.

Hij was, toen Philips II de Nederlanden verliet, eerst 27 jaar oud. Zijne overledene gemalin, Anna van Egmond, de dochter van den graaf van Buren, de rijkste erfdochter in de Nederlanden, had hem met twee kinderen haar onmetelijk vermogen nagelaten. Hij was onnoemlijk rijk, de stamhouder van een aanzienlijk vorstengeslacht, machtig en bij iedereen bemind. In die dagen scheen het, dat hij geen ander levensdoel kende dan na verrichten arbeid het leven vroolijk te genieten.

Wanneer de staatszaken afgedaan waren, gaf hij zich onbeteugeld aan het genot over. Maaltijden, gemaskerde vertooningen, steekspelen en jachtpartijen wisselden elkaar onophoudelijk af. Zijne gastvrijheid mocht bijna koninklijk heeten; in zijn op een prachtigen voet ingericht paleis te Brussel ontving hij den koning en de vreemde gezanten. Vierentwintig edellieden en achttien pages van aanzienlijken huize maakten met een onnoemlijk aantal bedienden zijn hofstoet uit. Aan zijne tafel heerschte de meest verfijnde weelde; zij was door geheel Europa beroemd. Dag en nacht stonden de tafels in zijn paleis gedekt, en ze waren van den vroegen morgen af bezet met gasten. Niet alleen de groote heeren waren hem welkom, ook de gasten van minderen rang werden door hem met dezelfde gastvrijheid onthaald.

Hij was algemeen bemind; zijne tijdgenooten, tot welke partij zij ook behooren mogen, roemen zijn beminlijk karakter en zijn aangenamen, vertrouwlijken toon, die echter nooit aan de vorstelijke waardigheid te kort deed. Hij bezat die hoflijkheid, welke rechtstreeks uit het hart vloeit en de meest aantrekkelijke eigenschap van een aanzienlijk man uitmaakt.

Zijn schitterende hofstoet, de prachtige feesten, de op groote schaal aangelegde jachtpartijen, waarvan hij een bijzonder liefhebber was, kostten natuurlijk jaarlijks onnoemlijke sommen, die zelfs des prinsen zeer ruime inkomsten te boven gingen. Hij had zich nooit bekommerd over de vraag, hoe ver zijn inkomen reikte, maar zorgeloos voortgeleefd. Vandaar, dat hij zoo langzamerhand een aanzienlijken schuldenlast, van ongeveer 8 à 900.000 gulden, had opgestapeld. Zijne vijanden hebben hem later verweten, dat hij zich daarom in de armen der omwenteling had geworpen, dewijl hij daarbij toch alles te winnen en niets te verliezen had.

Nog een ander even ongegrond verwijt heeft men hem voor de voeten geworpen, namelijk, dat hij van nature lafhartig was en in den Franschen oorlog een zeer verachtelijk gebrek aan persoonlijke dapperheid aan den dag gelegd had.

Indien dit verwijt gegrond was,—wat overigens meer dan twijfelachtig is—dan zou het de eer van den grooten man niet verkleinen, maar integendeel verhoogen. Indien Willem van Oranje ten gevolge van zijn temperament een lafaard was, dan heeft de macht van zijn geest en de kracht van zijn wil het lichaam bedwongen, want later heeft hij menigmaal den dood onder de oogen gezien en eene even groote onverschrokkenheid aan den dag gelegd als de meest volmaakte ridder. Tot die hoedanigheden, welke een vorst waarlijk groot maken, behoort zeker niet de onbewuste, dierlijke moed van een bulhond, maar wel de zedelijke kracht, die den man in staat stelt om zijne lichamelijke zwakheden te overwinnen en aan het gevaar, om den wil van een verheven doel, met klare zelfbewustheid het hoofd te bieden.

Dezen moed bezat Willem van Oranje in de hoogste mate. Hij verliet hem nooit, evenmin als het beleid, dat hem verhinderde, zich doelloos in gevaar te storten.

Van een geheel anderen aard als Willem van Oranje was diens ambtgenoot in den staatsraad, die met hem de volksvrijheden der Nederlanders tegen Granvelle en diens medestanders verdedigde, Lamoraal, graaf van Egmond.

Egmond was, toen Philips II de Nederlanden verliet, 38 jaar oud. Hij had zich als krijgsman door zijne schitterende dapperheid, als legerhoofd door zijn veldheerstalent grootelijks onderscheiden. Als afstammeling van een der oudste adellijke geslachten, als een van de rijkste edellieden des lands stond hij bij het volk in hoog aanzien. Keizer Karel V en ook Philips II hadden hem meer dan eens bewijzen van hun vertrouwen geschonken. In het jaar 1554 was hij aan het hoofd van een schitterend gezantschap naar Engeland gezonden, om de hand van Maria Tudor voor Philips te vragen. Voor andere staatszaken had hij echter geene bijzondere geschiktheid aan den dag gelegd.

Als soldaat was hij uitstekend, als staatsman onbeduidend. Het ontbrak hem niet alleen aan kennis van de staatszaken, maar ook aan lust en bekwaamheid daartoe. In het veld was hij stoutmoedig en vastberaden; in den raad dikwijls weifelend en onbeholpen, wellicht omdat hij zich bewust was, de noodige kennis voor de beslissing van staatkundige vraagstukken te missen.

Hij leefde op een vorstelijken voet; zijne hofhouding was bijna even schitterend als die van den prins van Oranje. Steeds was hij er op uit, zijn aanzien als stamhouder van een aanzienlijk geslacht op te houden, maar hij deed dit niet op zulk eene beminlijke wijze als Willem van Oranje. Menigmaal gedroeg hij zich trotsch en aanmatigend; hij was opvliegend en onbezonnen. Eerzucht en ijdelheid verleidden hem tot het spelen van eene staatkundige rol, waartoe de natuurlijke aanleg hem ontbrak.

Egmond en Willem van Oranje sprongen in den staatsraad voor de rechten der Nederlanders in de bres. In de eerste plaats trachtten zij na Philips’ vertrek te verkrijgen, dat de invoering van de inquisitie volgens Spaansch model aan het land bespaard werd en dat de Spaansche troepen, naar des konings belofte uit de Nederlanden teruggeroepen werden.

Eene nieuwe regeling van de kerkelijke aangelegenheden had eene groote bezorgdheid doen ontstaan, dat de toch reeds zoo bloedige vervolging van de ketters nog toenemen en de inquisitie, evenals in Spanje, zoo ook in de Nederlanden de alles beheerschende macht worden zou.

Tot dusver hadden er in de Nederlanden slechts vier bisdommen bestaan, welke afhankelijk waren geweest van de aartsbisdommen Keulen, Rheims en Luik. Deels om de Nederlandsche kerk aan vreemd gezag te onttrekken, deels om met meer kracht voor de verdediging van de katholieke leer werkzaam te kunnen zijn, zette Philips II het door, dat met toestemming des pausen bij de vier bestaande, nog veertien nieuwe bisdommen opgericht werden. Granvelle ontving als aartsbisschop van Mechelen het primaat en den kardinaalshoed.

De ontevredenheid over deze regeling was algemeen, zoowel bij de geheime aanhangers der hervorming als bij de goede katholieken, ja zelfs bij de katholieke geestelijkheid. Deze zag door de oprichting van de nieuwe bisdommen hare inkomsten in gevaar gebracht, daar de bestaande bisdommen, abdijen en prebenden de dotaties voor de nieuwe zetels moesten leveren.

De protestanten daarentegen werden verschrikt door de bepaling, dat bij elk bisdom twee inquisiteurs aangesteld moesten worden. De vrees, dat de ketters nog bloediger vervolgd zouden worden dan te voren, scheen dus niet ongegrond.

Men wist dat de koning in elken brief op de strengste maatregelen tegen de ketters aandrong, ja dat hij zelfs aan de landvoogdes en den kardinaal Granvelle vele personen, mannen en vrouwen, met naam en stand aangeduid had, die door de spionnen der Spaansche inquisitie als ketters aangebracht waren en tegen wie hij het allerstrengste onderzoek beval.

Granvelle had hierop geantwoord, dat hij niet nalaten zou, de aangeklaagden in staat van beschuldiging te laten stellen, doch tevens had hij zich beklaagd over het gebrek aan veerkracht, dat hij bij de Nederlandsche rechters en inquisiteurs opmerkte. De rechters—verklaarde hij in een brief aan den koning—leenden zich slechts met weerzin tot de uitvoering van de plakaten, dewijl zij vreesden het volk te verbitteren.

Granvelle’s klacht over de rechters was inderdaad niet ongegrond; doch over de inquisiteurs had hij geene reden van klagen; zij spreidden een rusteloozen ijver ten toon en vooral deed dit één hunner, de beruchte Peter Titelman. Vlaanderen en de districten van Douay en Doornik waren aan zijne zorg toevertrouwd en hier wijdde hij zich met eene huiveringwekkende nauwgezetheid aan zijn onmenschelijk beroep. De chronieken van dien tijd verhalen ons, hoe hij dag en nacht onverzeld te paard door het land joeg, om eensklaps in de hutten binnen te dringen, de sidderende landlieden van hunnen haard weg te sleuren en hen in persoon naar den kerker te voeren. Doch hoe snel hij de gevangenissen ook vulde, even spoedig waren zij weer ledig. Dikwijls liet hij verdachten ter dood brengen, zonder dat er zelfs een proces tegen hen was voorafgegaan. Anderen liet hij pijnigen en zoo perste hij hun bekentenissen af, welke tot uitvoering van het doodvonnis een schijnbaar recht gaven. Hij was de beste inquisiteur in het geheele land; zijne slachtoffers waren schier ontelbaar. Niet alleen kettersche woorden, zelfs het vermoeden van kettersche denkbeelden was voor hem voldoende om iemand naar den brandstapel te verwijzen.

Hoe bloediger de vervolging van de ketters werd, des te meer verbreidde de protestantsche leer zich door het geheele land. Het was, alsof het martelaarschap steeds nieuwe aanhangers dier leer te voorschijn riep, ja niet zelden gebeurde het, dat dweepers zichzelven aanklaagden, opdat de marteldood hen niet ontgaan zou.

Te Doornik trad eens onder de oogen van Titelman een fluweelfabrikant, Bertrand de Blas genaamd, nadat hij een teeder afscheid van vrouw en kinderen genomen had, op kerstdag de hoofdkerk binnen en plaatste zich naast het altaar. In den oogenblik, waarin het heilige brood opgeheven werd, wierp hij zich op den priester, ontrukte hem de hostie, brak die in stukken en riep: „Verblind volk, hoe kunt gij dit voor Jezus Christus, uwen Heer en Heiland, houden?” De priester en alle aanwezigen waren zóó ontzet over deze ongehoorde vermetelheid, dat Bertrand de Blas, indien hij gewild had, zeer goed had kunnen ontvluchten. Maar hij deed het niet, hij bleef op zijne plaats, totdat hij gegrepen en naar de gevangenis gebracht werd. Natuurlijk werd hij ter dood veroordeeld en—om de straf recht afschrikwekkend te maken—onder de vreeselijkste folteringen boven een flauw brandend vuur langzaam gebraden. Tot zijn laatste ademtocht behield hij zijne kalmte en vastberadenheid.

Door verdubbelde strengheid poogde Titelman in zijn district de ketterij te fnuiken; een ontelbaar aantal proeven van zijne wreedheid wordt er verhaald, slechts ééne daarvan willen wij onze lezers meedeelen. Te Rijssel in Vlaanderen liet Titelman een zekeren Robert Ogier met zijne vrouw en zijne beide zonen gevangen nemen, naar het heette, omdat zij in hunne woning godsdienstoefening hadden gehouden. Een der knapen vroeg men, of dit waar was. „Jawel,” was het antwoord, „wij hebben op onze knieën God gebeden, onze harten te verlichten en onze zonden te vergeven; wij hebben voor onzen koning gebeden, dat zijne regeering voorspoedig en zijn leven vreedzaam zij; wij hebben God gesmeekt, dat hij de overheid bescherme en verdedige”.

Deze welsprekende woorden van het kind troffen de rechters zoozeer, dat de tranen hun in de oogen kwamen; doch in weerwil hiervan drong de inquisiteur op de veroordeeling aan en hij bereikte zijn doel: de geheele familie werd tot den brandstapel verwezen.

Zulke gruwelen, die overal in de Nederlanden herhaald werden, deed in den boezem van het tot dusver zóó geduldige volk een ingekankerden haat tegen de inquisiteurs ontbranden; boven allen haatten zij Granvelle, aller heer en meester. Nog was de eerbied voor het koningschap zóó diep in de gemoederen geworteld, dat de goedhartige menigte geloofde, dat Philips wel tot zachtmoedigheid geneigd zou zijn, indien de gehate kardinaal hem niet zulk een slechten raad gaf. Noch de koning, noch de regentes, alleen de kardinaal was het voorwerp van den afkeer des volks.

Tot dusver hadden de ketters zich gedwee in hun lot geschikt, zonder tegenstand hadden zij zich laten slachten en ook het volk had het niet gewaagd, zich tegen zulke gruwelen te verzetten. Doch dit geduld begon thans ten einde te geraken. In de Waalsche provinciën, waar de ketterij het meest verbreid was, openbaarde zich het eerste verzet.

De veroordeelden, die ter dood gevoerd werden, zagen zich op hun laatsten gang door de ontelbare menigte met blijken van de hoogste ingenomenheid en de vurigste geestdrift begroet. Men zong tot hunne eer overluid kettersche liederen. Reeds was het aantal der protestanten in deze streken zóó aangegroeid, dat het niet langer mogelijk was, allen gevangen te nemen, ja dat zelfs protestantsche predikers in het openbaar konden optreden. Te Valenciennes deden dit twee predikers, zonder zich te bekommeren om het gevaar, dat hen van de zijde der inquisitie bedreigde.

De gouverneur der provincie, die alle vervolging van de ketters haatte, nam geene maatregelen om de ketterij tegen te gaan, hoewel hij daartoe meer dan ééne aansporing ontving. Eerst op bevel van Granvelle werden de beide predikers gevangen genomen en ter dood veroordeeld; de magistraat der stad durfde het vonnis echter niet te laten uitvoeren, uit vrees voor een volksopstand.

Dagelijks schreef Granvelle brieven naar Valenciennes, waarin hij het stadsbestuur zijne vreesachtigheid verweet. Zes maanden achtereen drong hij vruchteloos op het verbranden van de veroordeelden aan, doch toen moest de overheid wel gehoorzamen.

In het jaar 1562 werden de beide predikers naar den brandstapel gevoerd. Toen deze juist aangestoken zou worden, wierp eene vrouw uit de menigte een harer schoenen in de hoogte. Dit was een afgesproken sein. Een oogenblik later drong de geheele menschenmassa zich rondom het schavot opeen, de fakkels werden uitgetrapt, de gevangenen moesten bevrijd worden. Slechts met moeite gelukte het der wacht, deze naar den kerker terug te voeren. Doch nog in denzelfden nacht brak een opstand binnen Valenciennes uit, de deuren der gevangenis werden opengebroken en de predikers ontvluchtten. Zulk een oproer moest voorbeeldig gestraft worden: Valenciennes werd door eenige benden van ordonnantie bezet en nu begon er een schrikbewind, hetwelk niemand spaarde, die slechts in de verte onder verdenking van deelneming aan den opstand lag.

Mannen en vrouwen werden in menigte verbrand of onthoofd.

Niet op zulk eene gewelddadige wijze als te Valenciennes, maar daarom niet minder hevig openbaarde het verzet tegen de geloofsvervolgingen zich ook elders in de Nederlanden. Overal gaf de haat tegen de inquisitie en de vrees, dat zij op Spaansche leest geschoeid zou worden, zich zóó krachtig lucht; niet alleen bij de protestanten, maar evenzeer bij alle weldenkende katholieken groeide de afkeer van de plakaten met den dag zóó sterk aan, dat de landvoogdes bevreesd werd en aan den wensch van Willem van Oranje het oor leende.

Zij zond den baron van Montigny als gezant naar Spanje, ten einde den koning met den waren stand van zaken bekend te maken en op het staken van de geloofsvervolging aan te dringen.

Floris van Montmorency, baron van Montigny, was de broeder van den beroemden admiraal, den graaf van Hoorne. Hij was een vurig katholiek, doch een vriend van Willem van Oranje en, evenals deze, een vijand van alle geloofsvervolging. Vrijmoedig deelde hij den koning mede, hoe ernstig het volk beducht was voor invoering van de Spaansche inquisitie, hoe doodelijk het Granvelle haatte en hoe fel de gemoederen door dit alles beroerd waren.

Philips II hoorde hem met gedwongen vriendelijkheid aan; hij verzekerde, dat hij er nooit aan gedacht had, de Spaansche inquisitie den Nederlanders op te dringen, dat alleen de pauselijke inquisitie, gelijk zij in die gewesten altijd had bestaan, in stand blijven moest, dewijl zij op de landswet en op de plakaten van Karel V gegrond was. Met dit nietsbeteekenend antwoord moest Montigny naar zijn vaderland terugkeeren.

Behalve de vervolgingen van de ketters gaf het voortdurend verblijf van de Spaansche troepen den Nederlanders rechtmatige aanleiding tot openlijke klachten. De troepen waren in de provincie Zeeland samengetrokken, naar het heette, omdat zij hier de schepen voor hun vertrek afwachtten. Doch dit vertrek werd onophoudelijk vertraagd; de Spanjaarden bleven en maakten zich door hun overmoed, hunne roofzucht en bandeloosheid met elken dag meer gehaat. Zij brachten de Zeeuwen schier tot wanhoop; het ongelukkige volk verklaarde, dat het liever het onderhoud der dijken opgeven en zich in de golven van den oceaan begraven wilde dan langer de onbeschoftheden dier vreemdelingen te dulden.

In alle gewesten was het volk reeds heftig verstoord, dewijl de Spanjaarden nog altijd in het land bleven, toen het bevel kwam, dat de Spanjaarden Zeeland verlaten en hunne oude kwartieren aan de Fransche grenzen betrekken zouden. Toen dit bevel bekend werd, openbaarde zich zulk eene sterke gisting door het geheele land, dat Margaretha van Parma zich niet kon ontveinzen, dat de uitvoering van het koninklijke bevel een opstand ten gevolge hebben zou.

Niet alleen Oranje en Egmond verklaarden in den staatsraad, dat de troepen eindelijk teruggezonden moesten worden, ook Barlaimont en Viglius, anders de gehoorzame dienaren van Granvelle, stemden met dit gevoelen in. Granvelle alleen drong op eene letterlijke uitvoering van het koninklijk bevel aan. Doch hij stond met zijn gevoelen geheel alleen, de overige leden van den staatsraad wisten te bewerken, dat de landvoogdes aan den volkswensch gehoor gaf en de troepen naar Spanje inscheepte. Philips II verzekerde later, dat dit op zijn bevel geschied was; maar volgens de meest geloofwaardige geschiedschrijvers van dien tijd was hij diep verontwaardigd over de eigendunkelijke handelwijze van den staatsraad en vergaf hij het Oranje en Egmond nooit, dat zij de landvoogdes tot zulk een stap gedrongen hadden.

Granvelle, de man, die de Spaansche troepen in het land had willen houden, de ijverigste voorstander van de inquisitie, de verbitterde vijand van de vrijheid der Nederlanders, was het voorwerp van den dagelijks aangroeienden haat des volks. De kardinaal wist dit wel, maar hij bekommerde er zich weinig om; hij was tevreden, indien de wijze, waarop hij zijn ambt als lid van den staatsraad vervulde, de goedkeuring van Philips II wegdroeg. De Nederlanders vreesde hij volstrekt niet, ja hij trotseerde en prikkelde in zekeren zin hunne woede door zich zelfs jegens de aanzienlijksten zeer hoogmoedig en gebiedend te gedragen.

Oranje, Egmond en de admiraal, graaf van Hoorne, die nadat hij den koning naar Spanje vergezeld had, zijne plaats in den staatsraad had ingenomen, werden tot de zittingen slechts bij de onbelangrijkste aangelegenheden toegelaten. Alle gewichtige zaken deed Granvelle af in den bijzonderen raad, de zoogenaamde consulta, met Barlaimont en Viglius, die hun gevoelen steeds aan het zijne onderwierpen. Oranje’s verzet tegen deze handelwijze beantwoordde de kardinaal met een beroep op de bevelen des konings; het beklag van Egmond wees hij met schampere minachting af. Tengevolge hiervan kwam het in den staatsraad menigmaal tot heftige tooneelen; eens trok de opvliegende, onstuimige Egmond in tegenwoordigheid der landvoogdes zelfs den dolk, om den kardinaal te doorsteken; en hij zou het zeker gedaan hebben, indien zijne vrienden hem niet hadden teruggehouden.

Te vergeefs beklaagden Oranje en Egmond zich hierover bij den koning; zij verklaarden, dat zij de verantwoordelijkheid voor de in den staatsraad genomen besluiten niet deelen konden, wanneer zij daarvan niet eens mededeeling ontvingen. Doch al hunne billijke klachten bleven zonder gevolg, dewijl Philips steeds de zijde van Granvelle hield, die hem in zijne brieven dagelijks waarschuwde voor Oranje, Egmond en Hoorne, welke hij als geheime vijanden des konings en als begunstigers van de ketterij verafschuwde.

De kardinaal achtte zich, gesteund door des konings gunst, zóó veilig, dat hij met den dag overmoediger werd. Zijne heerschzucht beleedigde thans zelfs de landvoogdes, die volstrekt niet geneigd was om slechts de schaduw van het gezag te bezitten, maar in persoon de teugels des bewinds voeren wilde.

Margaretha van Parma kon zich bovendien niet ontveinzen, dat de haat tegen den kardinaal zoowel bij den adel als bij het volk eene onrustbarende hoogte bereikt had, ja tot gevaarlijke uitbarstingen aanleiding dreigde te geven. De rederijkers schroomden niet, den machtigen man in hunne kluchtspelen en hekeldichten openlijk te bespotten.

De woeste graaf van Brederode, een dolleman van de eerste soort, was onuitputtelijk in grappen, waardoor hij den kardinaal belachelijk poogde te maken. Bijna elken nacht nam hij, als monnik of als kardinaal verkleed, aan maskeraden deel; op zijn hoed droeg hij, in plaats van een veer, een vossestaart en evenzoo kleedde hij zijne dienaars. Hij verklaarde de beteekenis hiervan zelf aldus, dat de oude vos Granvelle en zijne vosjes Barlaimont en Viglius weldra verjaagd en dan van hunne staarten beroofd zouden worden.

Brederode stond niet lang alleen; de geheele adel volgde weldra zijn voorbeeld, door zijne dienaars in eene kluchtige livrei te steken, waarvan een ieder wist, dat zij dienen moest om den kardinaal te bespotten. Doch hierbij bleef het niet.

Oranje, Egmond en Hoorne verklaarden dat zij niet langer de zittingen van den staatsraad wilden bijwonen, en zij lieten zich noch door de beden der landvoogdes, noch door de bevelen des konings bewegen om van hun besluit terug te komen.

Margaretha van Parma was intusschen meer en meer de voogdijschap van den kardinaal moede geworden; zij vroeg van Philips de terugroeping van den algemeen gehaten man, dewijl zij voor de rust des lands niet kon instaan, wanneer Granvelle langer aan de regeering bleef. Philips II zag zich genoodzaakt om deze wenschen te vervullen. Hij deed het echter niet terstond, opdat de Nederlanders niet in den waan zouden verkeeren, dat zij hem die inwilliging van hunnen eisch hadden afgeperst. Granvelle ontving verlof om voor een korten tijd de Nederlanden te verlaten, dat wil zeggen, hij ontving heimelijk den last om weg te gaan en nooit terug te keeren. Al was zijne rol in de Nederlanden uitgespeeld, toch bleef hij ook in ’t vervolg des konings trouwe dienaar.

Zoo vatte ook het volk het vertrek des kardinaals (13 Maart 1564) op; het gaf zonder eenige terughouding aan zijne blijdschap over de verwijdering van den gehaten man lucht.

De dolle Brederode keek met den graaf van Hoogstraten uit een venster, om getuige te zijn van het heerlijk schouwspel van Granvelle’s vertrek. Zoodra de kardinaal Brussel verlaten had, volgden beiden hem; zij bestegen te zamen hetzelfde paard, Hoogstraten zat in den zadel, Brederode achter hem. Zoo galoppeerden zij den kardinaal achterna, terwijl zij onophoudelijk hunne blijdschap in niet zeer kiesche bewoordingen aan den dag legden en hem een groot eind weegs uitgeleide deden.

Nog bijtender was de wijze, waarop Granvelle bespot werd op een feest, hetwelk de graaf van Mansveld bij gelegenheid van den doop zijns zoons te Luxemburg gaf. Bij eene luisterrijke maskerade verscheen een mensch in het gewaad des kardinaals en met den rooden hoed op het hoofd, te paard in het renperk. Voor hem uit ging een kluizenaar, met een langen witten baard, op den kardinaal volgde de duivel, in het gewone kostuum, dat den vorst der duisternis toegedicht wordt, die het paard van den kardinaal en den ruiter voor zich uit zweepte. Op dit gezicht ging onder de tallooze menigte, die gedeeltelijk tot de hoogste standen des lands behoorde, een luid vreugdegejuich op.

Derde Hoofdstuk.

Inhoudsopgave

De Nederlanden. Oranje’s hervormingsplannen. Omkoopbaarheid der beambten. Oranje’s eerzucht. Egmond als hoveling. De kardinalisten. Oproer te Antwerpen. De Trentsche besluiten. Oranje’s redevoering in den staatsraad. Egmond als gezant in Spanje. Treurige uitslag van die zending. Egmond’s ijdelheid en zwakheid. Stormachtige beraadslagingen in den staatsraad. De Trentsche besluiten afgekondigd. Het compromis. Marnix van St. Aldegonde. Lodewijk van Nassau. Nicolaas de Hammes. Inhoud der oorkonde van het compromis. Verandering in de godsdienstige denkbeelden van den prins van Oranje. Zijn huwelijk met Anna van Saksen. Verhouding van Oranje en Egmond tot het compromis. De onderteekenaars. Aangroeiend getal der onderteekenaars, ook onder de burgers. Geheime politie van den prins van Oranje. Moeilijke toestand van de landvoogdes. Treurig lot des volks. Hongersnood. Vrijwillige ballingschap. De bijeenkomst te Hoogstraten. Vergadering van notabelen. Intocht van Brederode in Brussel. Ontvangst der edelen bij Margaretha. De staatsraad Barlaimont. »Ce ne sont que des gueux.” Antwoord op het verzoekschrift. Het afscheidsmaal. »Leven de Geuzen!”

Onmiddellijk na Granvelle’s vertrek schreven Oranje, Egmond en Hoorne aan den koning, om hem te verzekeren, dat hunne gehoorzaamheid jegens hem onwankelbaar was, en dat zij met blijdschap hunne plaatsen in den staatsraad weder zouden innemen. Doch te gelijk deelden zij der landvoogdes mede, dat zij, zoodra de kardinaal terugkeerde, hun ambt zouden nederleggen. Van nu af werden zij nooit in den raad gemist; waar zij met den grootsten ijver, soms tot laat in den nacht, arbeidden.

Oranje had zich ten doel gesteld, drie belangrijke hervormingsmaatregelen in te voeren: vooreerst, de samenroeping van de Staten-Generaal; ten tweede verzachting of liever nog afschaffing van de plakaten ten aanzien van de godsdienst; ten derde opheffing van den geheimen raad en van den raad van finantiën, wier werkzaamheden in het vervolg aan den staatsraad zouden worden opgedragen.

De opheffing van deze beide lichamen scheen inderdaad dringend noodzakelijk, zij maakten het regeeringswerktuig zóó traag van gang en zóó moeilijk te besturen, dat het schier onmogelijk was, over het heirleger van beambten een zorgvuldig toezicht te houden. Door deze beide raadscollegiën werd eene ziekte, waaraan de Nederlandsche staat sterk leed, de omkoopbaarheid der beambten, ongeneeslijk gemaakt.

Het was zóó ver gekomen, dat zelfs de hoogst geplaatsten zonder schroom zich de weldaden, bij de wet den burgers verzekerd, lieten afkoopen. Voor den arme bestond er geen recht meer; hij werd zonder genade wegens het geringste vergrijp in de gevangenis geworpen en, wanneer hij verdacht was van ketterij, dikwijls zonder vonnis ter dood gebracht. Voor den rijke daarentegen was niets onbereikbaar; hij kon zich door middel van zijn geld voor de schandelijkste misdaden genade verwerven. Zelfs rijke ketters wisten den brandstapel soms te ontgaan, door de rechters om te koopen.

Tegen deze omkoopbaarheid van den ambtenaarsstand bond Oranje moedig den strijd aan. Van zijne pogingen om die beide schadelijke raadscollegiën ter zijde te stellen en de geheele regeering aan den staatsraad op te dragen, hebben zijne vijanden hem een scherp verwijt gemaakt. Op grond hiervan beschuldigden zij hem van eene schandelijke eerzucht. Zij geloofden, dat hij daarmee niets anders beoogde, dan zelf de geheele macht in handen te krijgen, dewijl hij thans in den staatsraad den boventoon voerde. Inderdaad scheen dit verwijt niet uit de lucht gegrepen. Willem van Oranje was in de laatste jaren een geheel ander mensch geworden. De levenslust, waarvan hij vroeger tintelde, was geweken; zijn oog stond somber, zijne wang was bleek. Niet in lustige feesten, slechts in ernstigen arbeid schepte hij behagen. Ja, eerzucht had geheel zijne ziel ingenomen; maar het was eene eerzucht van den edelsten aard, zij spiegelde hem als zijn levensdoel niets minder voor dan de bevrijding van het verdrukte volk uit de boeien, waarin Philips II het geslagen had, de afschaffing van de bloedige inquisitie en de handhaving van de rechten en vrijheden des lands.

Minder lofwaardig was de eerzucht, welke Egmond duidelijk genoeg aan den dag legde. De trotsche graaf poogde zijn invloed te verhoogen door tegenover de landvoogdes Margaretha den hoveling te spelen, terwijl hij tegelijk om de volksgunst boelde. Hij schertste met de burgers van Brussel, nam deel aan hunne feesten en noemde een ieder vertrouwelijk bij zijnen naam.

Voor het Nederlandsche volk was de in den staatsraad voorgevallen verandering van het grootste belang. De geloofsvervolging was, sinds Granvelle vertrokken was, veel minder scherp dan vroeger. Toch hield zij nog niet geheel op; daarvoor zorgden de kardinalisten—zóó werden Granvelle’s aanhangers in het bewind genoemd. Al hadden deze, Viglius, Barlaimont en anderen, het grootste deel van hun invloed op de landvoogdes verloren, toch konden zij zich beroepen op de bevelen van Philips II, waaraan ook Margaretha zich onderwerpen moest.

Zij kon niet beletten dat Titelman en andere inquisiteurs met het vervolgen van de ketters voortgingen; wellicht lag dit ook niet in haar plan. Gevoelde zij aan den eenen kant geene genegenheid, maar eerder eene soort van afkeer van de kardinalisten, nog minder ingenomen was zij met hunne tegenstanders. Was de overdreven vervolgingswoede der eersten in haar oog gevaarlijk, nog bedenkelijker achtte zij godsdienstige verdraagzaamheid jegens de afvalligen van de moederkerk.

De tegenstand, die zich reeds gedurende het bewind des kardinaals tegen de vervolging van de ketters onder het volk geopenbaard had, nam thans hand over hand toe. In Antwerpen kwam het tot een openlijken opstand. Daar werd een karmelieter monnik Fabricius, die Calvinist geworden was en met ijver het evangelie predikte, gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Gedurende de dagen zijner gevangenschap verdrong het volk zich voor de vensters van zijn kerker. Slechts met moeite kon Fabricius het van een opstand terughouden. Ook toen hij door de straten van Antwerpen naar den brandstapel gevoerd werd, smeekte hij de volksmenigte, die hem in dichte drommen volgde, in warme bewoordingen, dat zij toch om zijnentwil geen oproer zou verwekken, maar hem rustig voor zijne overtuiging laten sterven. Hij vermaande allen, die hem hooren konden, aan de waarheid getrouw te blijven, maar ook den koning trouw en der overheid onderdanig te zijn. Zóó sprak hij nog op het schavot, doch toen de beul hem nu aan den paal kluisteren wilde, barstte de volkswoede eensklaps los. Een hagelbui van steenen werd naar de wachten geslingerd, deze moesten terugwijken; de beul en de hoogere beambten, die de terechtstelling bijwoonden, volgden hen op hunne vlucht.

De menigte stormde op den houtmijt los, maar zij kwam te laat. De beul had, eer hij de vlucht nam, met een dolk den martelaar doorboord en hem met zijn hamer den schedel verbrijzeld.

De woede der menigte gaf zich lucht in een woesten kreet; het volk keerde naar de stad terug, doch dewijl het den geliefden prediker toch niet in het leven kon terugroepen, kwam het eindelijk weer tot rust.

Des nachts werd een met bloed geschreven plakaat aan de muren van het stadhuis gehecht, waarin de moordenaars met eene vreeselijke straf bedreigd werden.

Op andere plaatsen openbaarde de afkeer van de geloofsvervolging zich wel niet in oproer, maar in verzoekschriften aan de landvoogdes. De raad van Brugge, die uitsluitend uit goede katholieken bestond, beklaagde zich bitter over Titelman. Zulke stappen werkten intusschen niets uit, want de kardinalisten in den staatsraad beriepen zich op het bevel des konings, dat steeds strenger vervolging van de protestanten voorschreef.

Het Concilie van Trente was in dien tijd afgeloopen. Zijne besluiten, waarin de leerstukken der katholieke kerk in hunne tegenstelling met het protestantisme zoo scherp mogelijk uitgedrukt waren, waarin de uitroeiing van de ketters met de grootste strengheid bevolen werd en deze van het maatschappelijk leven geheel werden uitgesloten, moesten volgens Philips’ bevel ook in de Nederlanden als wet afgekondigd worden. Margaretha van Parma verkeerde tegenover dit bevel in eene pijnlijke verlegenheid.

De Trentsche besluiten waren in meer dan ééne bepaling lijnrecht in strijd met de privilegiën des lands. In weerwil hiervan drongen Viglius en de overige kardinalisten op hunne afkondiging aan, dewijl de koning het zoo wilde, terwijl Oranje opmerkzaam maakte op de noodlottige gevolgen, die daaruit konden voortvloeien.

De landvoogdes besloot een gezant naar Spanje te zenden, ten einde rechtstreeks met den koning te onderhandelen, en zij koos voor dezen eerepost den graaf van Egmond, die zich in den laatsten tijd in hare gunst had weten te dringen. Egmond verklaarde zich bereid om deze taak te aanvaarden; de staatsraad beraadslaagde derhalve over de instructie, welke men hem medegeven zou.

Nu stond Willem van Oranje op, hij voerde in den staatsraad niet dikwijls het woord, maar wanneer hij het deed, spreidde hij eene schitterende welsprekendheid ten toon. Hij drong er op aan, dat Egmond in last ontvangen zou, den koning de geheele waarheid te zeggen. Hij moest Philips meedeelen, dat het eindelijk hoog tijd was om een einde te maken aan de kettervervolgingen en de inquisiteurs en ketterjagers ter zijde te zetten; dat de Nederlanden een vrij land waren, omringd door andere vrije landen, waarin zulke gruwelen niet meer plaats vinden mochten. Zijne Majesteit moest eindelijk bekend gemaakt worden met de schandelijke omkoopbaarheid, waardoor zoowel de leden der rechterlijke macht als de overige beambten aangetast waren; zij moest weten, dat omkoopbaarheid bij hen regel, rechtschapenheid eene zeldzame uitzondering was.

In scherpe bewoordingen rukte Oranje al den hoogen waardigheidsbekleders der kroon het masker van het gelaat, ja, hij toonde aan, hoe juist de hoogste beambten de omkoopbaarste van allen waren. Hij eischte, dat de koning onderricht zou worden van de noodzakelijkheid om den geheimen raad en dien van finantiën te ontslaan en den staatsraad in beider plaats te stellen. Bovendien moest aan Zijne Majesteit vrijmoedig verklaard worden, dat de Trentsche besluiten, die door de geheele wereld, zelfs door de katholieke vorsten van Duitschland afgewezen waren, in de Nederlanden nooit tot wet konden verheven worden en dat, indien men dit doordreef, daaruit de treurigste gevolgen zouden voortvloeien.

Oranje besloot zijne rede met de verklaring, dat hij een goed katholiek was en bleef, maar dat hij het niet zonder afgrijzen kon aanzien, wanneer de vorsten pogingen aanwendden om jegens hunne onderdanen in zaken des gewetens en der godsdienst dwang uit te oefenen.

Des prinsen taal maakte een diepen indruk op de landvoogdes, maar nog dieper op Viglius, die daarvan zoo verschrikt was, dat hij geen woord er tegen in kon brengen en den volgenden morgen na een slapeloozen nacht door eene beroerte getroffen werd. Joachim Hopper, een geleerde Fries, die wegens zijne slaafschheid den bijnaam „de ja-broer van madame”, ontvangen had, nam voorloopig de zaken op zich. Viglius herstelde slechts langzaam; zijne volle kracht kreeg hij nooit terug.

Egmond was intusschen vertrokken met instructies, die wel niet zóó krachtig en duidelijk waren als Oranje gewenscht had, maar over het geheel met zijne denkbeelden overeenkwamen.

Vele edele heeren, onder anderen Brederode, de graaf van Kuilenburg en Mansfeld vergezelden hem tot Kamerijk. Hier onderteekenden zij met hun bloed eene oorkonde, waarin zij zich op hunne eer als edellieden verbonden om, zoo den gezant in Spanje iets kwaads overkwam, dat op den kardinaal Granvelle te wreken.

Tot afscheid gaven de edelen den graaf van Egmond een groot feest, waartoe ook de aartsbisschop van Kamerijk uitgenoodigd werd. Overal, waar Brederode zich bevond, kon men er op rekenen, dat een feest in een woest drinkgelag ontaardde. Dit had ook nu plaats. Brederode, die veel gedronken had, geraakte in twist met den aartsbisschop; de graaf van Mansfeld mengde zich daarin en vergat zich eindelijk zoover, dat hij den kerkvorst een slag in het aangezicht gaf.

Dewijl deze twist in de tegenwoordigheid der dienaars voorviel, werd het gerucht van die mishandeling, den aartsbisschop aangedaan, spoedig door de stad verbreid. Het verwekte onder het volk eene groote blijdschap, want de aartsbisschop was wegens zijne wreedheid en trouwloosheid algemeen gehaat. Verdere gevolgen had dit schandaal echter niet, dewijl de kerkvorst, uit bezorgdheid voor zijn eigenen naam, geene aanklacht tegen Brederode en Mansfeld durfde indienen.

Egmond werd te Madrid met de meeste onderscheiding ontvangen. Toen hij de eerste maal voor den koning verscheen, trad deze hem te gemoet en eer de graaf nog den tijd had om de knie te buigen en zijn vorst de hand te kussen, omarmde Philips hem met meesterlijk nagebootste hartelijkheid. Gedurende den geheelen tijd van Egmond’s verblijf te Madrid werd hij met vleierijen overladen; hij at aan des konings tafel, eene eer, welke Philips II slechts zelden aan de hoogste dienaren der kroon en aan vorstelijke personen bewees. Philips putte zich uit in beleefdheden; hij overlaadde Egmond met geschenken en met betuigingen van zijne gunst. Hij wist den ijdelen en zwakken man zoo zeer voor zich in te nemen, dat deze den eigenlijken inhoud zijner instructie bijna vergat. Hij kleedde althans zijne woorden zoo in, dat zij den koning niet toornig konden maken.

Dit had Philips juist bedoeld; Egmond werd door hem geheel om den tuin geleid en hoewel deze volstrekt niets kon uitrichten, verklaarde hij zich ten slotte hoogst voldaan. Door halve beloften en vleierijen had hij zich laten begoochelen. Bij zijn vertrek ontving hij van Philips een brief met instructies voor de hertogin. Buitendien werd hem mondeling gelast, in den staatsraad uit te spreken, welk eene diepe smart de koning gevoelde, wijl de ketterij in de Nederlanden nog altijd nieuwe vorderingen maakte, dat het zijn onherroepelijk besluit was, in zijne staten geene verandering in de godsdienst te gedoogen en dat hij zelf, indien hij om dit besluit door te zetten duizend dooden moest sterven, daarvoor niet terugdeinzen zou.

De koning liet de hertogin verzoeken, terstond den staatsraad tot eene buitengewone zitting bijeen te roepen, die ook door een aantal bisschoppen, godgeleerden en priesters van onverdachte rechtzinnigheid bijgewoond moest worden. Deze vergadering moest dan beraadslagen over de beste wijze om de ketters ter dood te brengen, niet door hunne smarten te verminderen—dit kon noch Gode welgevallig, noch voor de godsdienst heilzaam zijn—maar op zulk eene wijze, dat de ketters niet langer in het oog des volks de martelaarskroon droegen. Ten aanzien van eene hervorming der staatsregeling en van eene samensmelting van den geheimen raad en den raad van finantiën met den staatsraad zou de koning later een besluit nemen, wanneer hij van de landvoogdes nog nadere inlichtingen ontvangen had.

Dit was de treurige uitkomst van Egmond’s zending; zij was zoo onbeduidend mogelijk, en toch droeg Egmond grooten roem op hetgeen hij verricht had. Hij verklaarde, na zijne terugkomst in zijn vaderland, dat de koning de genadigste vorst ter wereld was, die het zoo goed en trouw als geen ander met zijn volk meende. Zijn blijdschap werd echter spoedig getemperd, toen hij vernam, dat er brieven van den koning aangekomen waren, waarin deze zich zeer scherp over hem uitgelaten had, en toen hij van Willem van Oranje bittere verwijten over zijne dwaze handelwijze in Spanje moest hooren.

Dewijl Philips van nu af in zijne brieven herhaaldelijk op de afkondiging van de Trentsche besluiten aandrong, gehoorzaamde Margaretha; maar reeds de eerste afkondiging verwekte in de Nederlanden eene algemeene verontwaardiging, die nog klom, toen ook een ander bevel des konings ten uitvoer gelegd werd. De ketters werden niet meer in het openbaar verbrand, maar in het holle van den nacht in de gevangenis verdronken en wel op eene afschuwelijke wijze. Men bond hun het hoofd tusschen de knieën en liet hen langzaam in eene waterkuip neerzakken.

Zulk een dood kon den slachtoffers geen ijdelen roem verwerven, dewijl niemand langer zag, hoe zij in hun doodstrijd aan hun geloof getrouw bleven.

Egmond ontwaakte thans uit zijn korten droom omtrent des konings genadige gezindheid. Hij sloot zich op nieuw bij Oranje en Hoorne aan, die beiden de afschuwelijke staatkunde des konings onvermoeid en onversaagd bestreden. Er vielen langdurige en heftige beraadslagingen voor.

De kampioenen van de Nederlandsche vrijheid vonden steun bij het volk. Meermalen vond men aan de deuren der paleizen van Oranje, Egmond en Hoorne geschriften aangeplakt, waarin deze aangespoord werden om den strijd voor de godsdienstvrijheid vol te houden, dewijl het volk op hen alleen vertrouwde. Dagelijks vierde de adel feesten, waarop menig scherp woord tegen de landvoogdes en de kardinalisten viel, en deze openlijk met eene gewelddadige uitbarsting der volkswoede bedreigd werden. Door dit alles liet Margaretha zich echter niet afbrengen van den weg, dien zij na Egmond’s terugkomst ingeslagen had. Zij schonk al haar vertrouwen aan den geheimen raad, die alle uit Madrid gezonden stukken ontving en thans er op aandrong, dat de bevelen des konings onverwijld uitgevoerd zouden worden.

Toen Margaretha dit in den staatsraad mededeelde, ontstond er op nieuw een heftige strijd. Zelfs Viglius, die thans hersteld was, deinsde voor beslissende stappen terug en ried tot matiging. De landvoogdes verklaarde, dat zij zich aan de verordeningen des konings onderwerpen moest. Er werd eene proclamatie ontworpen, die voorschreef, dat de besluiten van het Trentsche Concilie, de uitgevaardigde plakaten en de inquisitie in elke stad en in ieder dorp der verschillende gewesten onverwijld ten uitvoer gelegd moesten worden en dat deze afkondiging alle zes maanden herhaald worden moest.

Toen dit besluit genomen was, wendde de prins van Oranje zich tot zijn buurman, die naast hem aan de raadstafel zat, en fluisterde hem zachtkens in het oor: „Met dit besluit begint het treurigste schouwspel, dat men ooit gezien heeft.” Hij had maar al te juist voorspeld!

Toen de proclamatie afgekondigd werd, ging een kreet van ontzetting door het geheele land op, een ieder gevoelde dat hier de grenzen stonden der gehoorzaamheid, door onderdanen aan hun vorst verschuldigd, dat uit zulk een toestand niets anders dan een burgeroorlog geboren worden kon.

En inderdaad, reeds deden de eerste kenteekenen van dien strijd zich op.

Terwijl te Brussel tegen het einde van het jaar 1565 schitterende feesten ter eere van het huwelijk van den jeugdigen prins Alexander Farnese, de zoon der landvoogdes, met Maria van Portugal gevierd werden, ontstond dat belangrijke verbond der edelen, hetwelk weldra aanleiding zou geven tot den opstand der Nederlanden.

In het huis van Floris van Pallandt, graaf van Kuilenburg, hadden zich gedurende de huwelijksfeesten meer dan 20 edelen verzameld, om heimelijk een calvinistischen prediker, Franciscus Junius (François du Jon), te hooren. Na de prediking overlegden zij, welke stappen zij tegen de inquisitie konden doen. Deze samenspreking gaf waarschijnlijk de eerste aanleiding tot het beroemde compromis. Een bepaalden vorm verkreeg het verbond in eene kort daarop in de badplaats Spa gehouden bijeenkomst van een groot aantal edelen, waaraan Lodewijk van Nassau, de broeder van Willem van Oranje, Nicolaas de Hammes, de heraut der orde van het Gulden Vlies, en anderen deel namen. Voor goed gevestigd werd het compromis in de eerste maanden van 1566, door eene oorkonde, welke door Philips van Marnix, heer van Sint Aldegonde, werd opgesteld en die Lodewijk van Nassau, Karel van Mansfeld, en Hendrik van Brederode onder hare eerste onderteekenaars telde.

Aldegonde was een trouwe vriend van Willem van Oranje en een der merkwaardigste mannen van zijn tijd. Hij was een beroemd schrijver, die zoowel in proza als in poezie veel schoons geleverd heeft, een grondig geleerde, een diepzinnig staatsman en tegelijk een onverschrokken krijgsman. Als leerling van Calvijn, wiens onverdraagzaamheid hij, helaas! ook had overgenomen, was hij een onverzoenlijk vijand van de inquisitie.

Aan zijne zijde stond Lodewijk van Nassau, Oranje’s broeder, die van heeler harte het pausdom en zijne bloeddorstige verdedigers haatte. Hij was een voortreflijk en dapper soldaat, even vroolijk, ja somtijds even uitgelaten als de dolle Hendrik van Brederode, maar niet, gelijk deze, aan de dronkenschap verslaafd.

Nicolaas de Hammes was de vurigste voorstander van het nieuwe verbond, onafgebroken reisde hij het land door, om onderteekenaars aan te werven. Ook Karel van Mansfeld, die later ontrouw werd, gaf zich daarvoor in den beginne veel moeite.

De oorkonde, die eerst slechts de drie ons bekende handteekeningen droeg, doch in den loop van twee maanden door ongeveer 2000 edelen onderteekend werd, was door Sint Aldegonde met zooveel beleid opgesteld, dat zoowel vaderlandslievende katholieken als vurige protestanten daaronder hunne namen konden plaatsen. Zij hield in, dat de edelen zich onderling verdedigen zouden tegen de aanslagen van eenige vreemdelingen, die den koning in strijd met zijnen eed tot het verscherpen van de godsdienstplakaten en tot de invoering van de inquisitie aangespoord hadden.

De onderteekenaars beloofden niet te zullen rusten eer zij de geheele afschaffing van de inquisitie bewerkt hadden; zij verklaarden dat zij de macht des konings en de staatsregeling des lands ongeschonden wilden handhaven, zij beloofden, elkaar tot bereiking van dit doel met goed en bloed te zullen bijstaan en bekrachtigden deze belofte met een eed.

Het compromis was aanvankelijk niets anders dan een verbond van edelen, tegen den vreemden, in de Nederlanden heerschenden invloed en tegen elke soort van inquisitie gericht. De aanzienlijkste heeren des lands hadden daaraan geen deel genomen, ook Oranje niet; men wist, dat hij op den vorm van het compromis meer dan eene aanmerking had, doch dat hij met de zaak zelve ongetwijfeld ingenomen was. Of had hij niet geweigerd, de Trentsche besluiten en de nieuwste edikten in zijn stadhouderschap af te kondigen en zich ook ten aanzien van de inquisitie in een brief aan de landvoogdes zeer beslissend uitgelaten? In dezen brief had hij gezegd, dat het Nederlandsche volk zich alleen een weinig getroost had met de hoop, dat de inquisitie niet voor altijd ingevoerd zou worden, dat, indien het deze hoop niet gekoesterd had, handel en nijverheid door het vertrek van duizenden reeds geheel vernietigd zouden zijn. Hij had daarin verklaard, dat wanneer de plakaten met alle gestrengheid toegepast werden, een opstand bij het tot wanhoop gebrachte volk niet kon uitblijven, en dat de koning hierbij niets winnen, maar wel de liefde zijner onderdanen verliezen kon. Aan het slot van zijn brief had de prins verklaard, dat hij de bevelen van Zijne Majesteit zou opvolgen, zooals dit de plicht van een goed christen was.

Veelbeteekenend ten aanzien van de denkbeelden van den prins was deze laatste uitdrukking. Een jaar vroeger zou hij gezegd hebben: „Gelijk het de plicht van een goed katholiek is”, doch in het laatste jaar waren zijne denkbeelden in menig opzicht veranderd. Hij was niet meer zoo onverschillig omtrent godsdienstige zaken als vroeger; reeds had de vraag, of de hervorming niet evenzeer op godsdienstig als op staatkundig gebied eene dringende behoefte was, zich ernstig aan zijnen geest voorgedaan. Het is niet onwaarschijnlijk, dat tot dezen ommekeer in zijne geloofsovertuiging ook het tweede huwelijk des prinsen bijgedragen heeft.

Sedert den 24en Augustus 1561 was hij namelijk de echtgenoot eener protestantsche vorstin, Anna van Saksen, de dochter van den beroemden keurvorst Maurits.

Nog bij de onderhandelingen over dit huwelijk had Oranje zich een goed katholiek betoond en beslist geweigerd, eene overeenkomst aan te gaan, waarbij bepaald werd, dat het der vorstin na haar huwelijk vergund zou zijn, bij haar geloof te blijven, en dat zij daarvan noch door overreding noch door bedreiging afgetrokken zou worden; dat zij het recht zou hebben om protestantsche boeken te lezen en elk jaar, zoo dikwijls zij dat begeerde, de Nederlanden te verlaten, om zich te begeven naar eene plaats, waar zij het avondmaal volgens de Augsburgsche geloofsbelijdenis vieren kon; dat de prins, ingeval van ernstige ziekte of van eene moeilijke verlossing zijner gemalin, wanneer er noodzakelijkheid toe bestond, een evangelisch prediker roepen zou, om haar in hare woning het avondmaal toe te dienen, en dat de kinderen, uit het huwelijk geboren, in de leer der Augsburgsche geloofsbelijdenis opgevoed zouden worden.

Vele lastige onderhandelingen waren er gevoerd, eer de oom der vorstin, de keurvorst August van Saksen, en haar grootvader, de oude landgraaf Philips van Hessen, zich lieten overhalen om hunne toestemming tot het huwelijk te geven, nadat de prins geweigerd had, de gestelde voorwaarden aan te nemen. Het huwelijk was intusschen gesloten en de vorstin had beloofd, zonder haar geloof ontrouw te worden, toch voor het uiterlijk als eene katholieke te zullen leven. Dit geschiedde dan ook inderdaad.

Niet alleen het eerste kind, dat geboren werd, maar ook zij, die volgden, werden door katholieke priesters met alle katholieke plechtigheden gedoopt. Hoewel de prins ook na zijn huwelijk nog geene bijzondere ingenomenheid met de protestanten aan den dag legde, kwam hij daardoor toch in eene nieuwe vriendschappelijke betrekking met de ketters, welke niet zonder invloed op hem blijven kon.

In weerwil hiervan beviel het compromis hem toch niet; hoofdzakelijk wijl aan het hoofd der verbondenen de dolle Brederode stond, die altijd geneigd was tot onbezonnen streken. In zijnen broeder en in Sint Aldegonde stelde Oranje wel een onbepaald vertrouwen, maar hij betwijfelde hunnen invloed en kon daarom niet besluiten, zich met het compromis in te laten. Vele aanzienlijke Nederlanders, de stadhouders en ridders van het gulden Vlies volgden zijn voorbeeld; Egmond, Hoorne, Montigny en anderen traden niet tot het verbond toe.

De verbondenen—zoo noemden zich de onderteekenaars van het compromis—versterkten hunne gelederen aanvankelijk dan ook met zulke edelen, die geene hooge betrekkingen bekleedden. Eenige der onderteekenaars waren goede katholieken, die alleen de inquisitie en den Spaanschen invloed haatten; anderen waren ijverige Calvinisten of vurige Lutheranen; anderen weder bekommerden zich weinig om de godsdienstige beginselen hunner bondgenooten; het waren edellieden, die hun vermogen verkwist hadden en die nu, begrijpende, dat de kerkelijke goederen voor hen een goede buit zouden zijn, gunstig jegens de hervorming gezind waren.

Men heeft later gezegd en geschiedschrijvers van naam hebben het den vijanden van de Nederlandsche vrijheid, den aanbidders van Philips II naverteld, dat het grootste getal der verbondene edelen alleen door den drijfveer van het laagste eigenbelang bestuurd werd en dat de Nederlandsche omwenteling dus niet het gevolg der dwingelandij van Philips II maar alleen de vrucht der roofzucht van een door zijne verkwisting aan lager wal geraakten adel geweest is.

Met zulke beschuldigingen zijn de penvoerders, die in dienst der reactie staan, altijd spoedig gereed en hunne woorden hebben maar al te dikwijls geloof gevonden, dewijl inderdaad een groot deel dezer edelen het voorbeeld van Brederode volgde en door woeste slemppartijen de goede zaak, welke zij voorstonden, onteerde. Een ander en aanzienlijk gedeelte sloot zich echter bij Lodewijk van Nassau en Sint Aldegonde aan, wien niemand een dergelijk verwijt voor de voeten kan werpen.

Hoewel het compromis naar de letter eene verbintenis tusschen edellieden moest zijn, werden echter ook burgers en kooplieden tot de onderteekening uitgenoodigd en het vond ook onder deze een groot aantal onderteekenaars. Ook hier zeggen de vijanden der omwenteling, dat dit geschiedde, dewijl de ijdele burgers het zich tot eene eere rekenden hunne namen tusschen die der edelen geplaatst te zien. Al heeft wellicht deze of gene zich door zulk een kleingeestigen drijfveer laten besturen, toch bewijst de heldenmoed, waarmede de Nederlandsche burgers in dien tijd den marteldood voor hun geloof ondergingen, dat verreweg de meesten hunner zich uit volle overtuiging met den adel tot bestrijding van de inquisitie verbonden hebben.

Met het aangroeien van het getal der onderteekenaars klom ook hun moed. Bij de feesten, die toenmaals in alle deelen des lands tot de leefwijze van een edelman behoorden, werd eene hoe langer zoo stouter taal gevoerd.

De prins vernam dit met groote bezorgdheid, hij wist maar al te goed, dat elk daar gesproken woord terstond door Spaansche spionnen naar Madrid overgebracht en den koning meegedeeld werd. Sinds lang was Oranje doordrongen van de overtuiging, dat het tusschen den koning en het Nederlandsche volk eindelijk tot eene hevige botsing komen moest. Hij had daarom gezorgd zich op de hoogte te stellen van hetgeen er aan het hof van Madrid omging. Het middel, door hem gekozen, was zeker niet in overeenstemming met de strengste eischen der zedelijkheid, maar wel met den geest dier tijden.

Evenals Philips II in de Nederlanden, zoo had Willem van Oranje in Spanje zijne spionnen, die hem uitmuntende diensten bewezen. Wanneer de koning des avonds de ontvangen brieven zorgvuldig wegsloot, dan vermoedde hij zeker niet, dat onzichtbare handen ze reeds voor den volgenden morgen afgeschreven en de afschriften aan Willem van Oranje gezonden hadden. Deze wist daardoor zeker, dat alle plannen der verbondenen den koning bekend waren en dat Philips op wraak zon.

De landvoogdes Margaretha verkeerde, terwijl het getal der onderteekenaars van het compromis met elken dag aangroeide, in de grootste verlegenheid. De bevelen des konings drongen haar om de plakaten ten uitvoer te leggen; zij wilde gaarne gehoorzamen, maar zij kon niet.

Bijna alle gouverneurs der provinciën verklaarden, dat het hun onmogelijk was den wil des konings op te volgen, en ten minste 50 of 60.000 inwoners des lands naar den brandstapel te verwijzen.

Margaretha werd door die koninklijke bevelschriften bijna tot wanhoop gebracht, niet wijl zij eenig medelijden voor de slachtoffers der inquisitie gevoelde, maar omdat zij wist, welk gevaar haar bedreigde, indien zij den koning gehoorzaamde. Wel rustte Philips zich allengs ten strijde toe en was hij bezig met het aanwerven van soldaten, maar eer deze in de Nederlanden konden verschijnen, zou de macht der verbondenen zeker nog in groote mate toenemen.

Ook het volk bevond zich in een schier wanhopigen toestand. Een hongersnood heerschte en de ellende werd nog vermeerderd, dewijl steeds meerderen uit vrees voor de inquisitie vrijwillig het land verlieten. Reeds waren ongeveer 30.000 burgers naar Engeland gevlucht, waar zij door koningin Elisabeth gastvrij werden ontvangen.

In den aanvang van de maand Maart besloten de verbondene edelen, steunende op hun aantal, tot een nieuwen stap over te gaan; zij spraken af, dat door een aantal edelen in persoon een verzoekschrift aan de landvoogdes overgebracht zou worden. De prins van Oranje werd van dit plan onderricht; hij kon zich niet ontveinzen, dat die stap noodlottige gevolgen kon hebben. Dien verhinderen kon en wilde hij niet, maar hij achtte het zijn plicht, aan de demonstratie haar dreigend karakter zoo mogelijk te ontnemen. Met dit doel riep hij eene vergadering van hooggeplaatste en invloedrijke mannen te Hoogstraten bijeen. Egmond, Hoorne, Hoogstraten, Montigny en, van de andere zijde, Brederode en eenige andere hoofden der verbondene edelen waren uitgenoodigd om die bij te wonen. Men kon het echter niet eens worden. Vele aanzienlijke heeren achtten een nieuw verzoekschrift niet alleen gevaarlijk, maar zelfs misdadig, terwijl Brederode en zijne vrienden veel onstuimiger te werk wilden gaan dan zelfs vele tegenstanders der inquisitie, die anders zijne zijde hielden, konden goedkeuren. Zoo liep de bijeenkomst te Hoogstraten vruchteloos af. Toch rekende Oranje zich verplicht om zijne pogingen niet op te geven en het gelukte hem, tengevolge van zijn persoonlijken invloed, in de bedoelde petitie, die reeds opgesteld was, menige wijziging te doen aanbrengen. Haar toon werd merkelijk verzacht.

Eenige dagen daarna hield Margaretha van Parma eene vergadering van den staatsraad, waarbij ook Oranje en Egmond tegenwoordig waren. Hier verhaalde een der heeren, dat hij mededeeling ontvangen had van het bestaan eener kettersche samenzwering. Reeds waren 30.000 man heimelijk gewapend en gereed om den opstand te beginnen. Het teeken daartoe zou een verzoekschrift zijn, dat door 1500 gewapende edelen der landvoogdes aangeboden zou worden. Egmond was hierover zoo verschrikt, dat ook hij zich verleiden liet tot het doen van eene mededeeling; hij verklaarde, dat ook hij dergelijke berichten ontvangen had, dat namelijk de verbondene edelen van plan waren om de regeering te veranderen. Hij bracht zelfs een exemplaar van het compromis als bewijs voor het bestaan van de samenzwering ter tafel.

Margaretha van Parma was radeloos: het scheen haar even gevaarlijk, geweld tegen de verbondenen te gebruiken als hen hun gang te laten gaan. De kardinalisten in den raad wilden, dat zij het verzoekschrift wel aannemen maar maatregelen nemen zou om de overbrengers gezamenlijk gevangen te nemen en ter dood te brengen. Hiertegen kwam Oranje met kracht op. De verbondenen, zeide hij, waren mannen van eer en rang, velen van hen waren zijne bloedverwanten en vrienden, voor wier eer hij kon instaan; zij hadden recht op eene eervolle behandeling. Egmond, die steeds weifelde, stemde met dit gevoelen in.

Dewijl de hertogin niet besluiten kon, op eigen gezag een beslissenden stap te doen, riep zij eene groote vergadering van notabelen bijeen, waartoe alle leden van den staatsraad en den geheimen raad, de gouverneurs der provinciën en de ridders van het Gulden Vlies uitgenoodigd werden. Doch ook in deze vergadering kwam men niet tot een besluit.

Den 3en April 1566, des avonds omstreeks 6 uur, trok Hendrik van Brederode aan het hoofd van 200 gewapende edelen te paard de stad Brussel binnen. Hij werd door het volk, dat sedert lang dezen stap der verbondenen verwacht had, met groot gejuich begroet. Den volgenden dag verscheen de graaf van Kuilenburg met nog ongeveer 100 ruiters. In den morgen van den 6en April verzamelden al de edelen zich in het paleis van Kuilenburg. Van hier trokken zij kort voor den middag te voet naar het paleis der hertogin. Het waren bijna allen jonge lieden uit de edelste geslachten des lands; zij werden door de dicht opeengedrongen volksmenigte met luide kreten van bijval begroet: de burgers zagen in hen hunne bevrijders van de inquisitie en van het Spaansche juk. Lodewijk van Nassau en Brederode, die den langen trein sloten, waren de voorwerpen van de warmste hulde.

De hertogin Margaretha ontving de edelen, gezeten op haren troon, en omringd van de grootwaardigheidsbekleeders des lands. Toen zij de rijen der verbondenen overzag, bemerkte zij onder hen met schrik vele bloedverwanten en aanhangers van den prins, van Egmond en van Hoorne.

Brederode naderde met eene diepe buiging den troon; hij verklaarde, dat hij met allen, die hem vergezelden, hier gekomen was, om Hare Hoogheid een ootmoedig verzoekschrift te overhandigen, dat hij wel gehoord had, hoe de wakkere edellieden, die hier stonden, als verraders en oproermakers belasterd waren, doch dat hij zulke leugens met verachting van zich wierp. Hierop reikte hij het smeekschrift over, hetwelk daarop met luider stemme voorgelezen werd.

De toon van het smeekschrift was zoo zacht mogelijk; de edelen betuigden daarin hunne onwankelbare trouw jegens den koning en de hertogin, zij smeekten slechts om opheffing van de inquisitie of tenminste, bij de groote gisting, die in het geheele land heerschte, om tijdelijke schorsing van de koninklijke plakaten, totdat de koning in overleg met de Staten-Generaal nadere beschikkingen zou genomen hebben. Het smeekschrift was kalm, ja ootmoedig gesteld; toch joeg het der landvoogdes schrik aan. Men bemerkte, dat tranen langs hare wangen vloeiden, terwijl zij naar de voorlezing luisterde. Toen deze geëindigd was, zweeg zij nog een tijd lang en eerst toen zij hare aandoening overmeesterd had, antwoordde zij met enkele woorden, dat zij de zaak met hare raadslieden bespreken en later antwoord geven zou. Hiermede werden de verbondenen uit hare tegenwoordigheid ontslagen.

Na hun vertrek had terstond eene zitting van den staatsraad plaats. Oranje trachtte de landvoogdes tot kalmte te brengen. Hij verklaarde, dat de verbondenen geene rebellen, maar loyale edellieden waren, wier bedoeling allen lof verdiende; dat zij niets anders beoogden dan het land voor een dreigend gevaar te behoeden. Egmond durfde hem niet ondersteunen; hij verkeerde klaarblijkelijk in de grootste verlegenheid; hij wilde noch voor noch tegen de verbondenen spreken. Ten einde zich uit die moeilijkheid te redden, verklaarde hij, dat hij binnen kort het land verlaten moest, om eene badplaats te bezoeken, dewijl zijne gezondheid al te zeer geschokt was.

Men sprak door elkaar, totdat Barlaimont het woord nam en zich tot de hertogin wendde met de vraag: „Hoe kan Uwe Hoogheid bevreesd zijn voor een troep bedelaars (gueux); willen deze menschen, die niet eens hun eigen vermogen beheeren kunnen, den koning en Uwe Hoogheid leeren, hoe men een land besturen moet? Bij den eeuwigen God, wanneer men mijnen raad wilde volgen, dan zou men op hun smeekschrift met een dracht slagen antwoorden. Ik zou hen de trappen spoediger afjagen dan zij ze opgeklommen zijn.”

Het woord van Barlaimont is historisch geworden. De scheldnaam „bedelaars” (gueux), door hem den verbondenen gegeven, zou weldra in een eernaam worden herschapen.

Den 6en April verscheen Brederode met een groot aantal zijner bondgenooten op nieuw in het paleis, om het antwoord van Margaretha te vernemen. De landvoogdes beloofde, dat er een gezantschap naar den koning gezonden worden zou. Gedurende den tijd, welke tot aan zijne terugkomst moest verloopen, zou den inquisiteurs gelast worden, in de uitoefening van hun ambt zoo zacht mogelijk te werk te gaan, zoodat niemand reden tot klagen zou hebben. Daarentegen hoopte de hertogin, dat ook de edelen niets doen zouden wat in strijd was met de oude godsdienst des lands.

Twee dagen later, den 8en April, werd Brederode nog eens ten gehoore toegelaten. De verbondenen dankten de hertogin voor haar antwoord; zij betreurden het, dat de inquisitie, tot de verwachte beslissing des konings, niet volkomen opgeheven werd, maar zij spraken te gelijk hun vertrouwen uit, dat de landvoogdes tot dat tijdstip althans de vervolging zou schorsen.

Denzelfden dag werd in het paleis van Kuilenburg een schitterend feest gevierd, waarbij Brederode 300 gasten had uitgenoodigd. De wijn stroomde bij beken, de hoofden waren reeds verhit, toen de gastheer eensklaps opstond: zijne krachtige stem klonk boven het woeste geraas uit, hij wist voor een oogenblik gehoor te krijgen en nu verhaalde hij wat Barlaimont der hertogin had aangeraden en dat hij al de edelen bedelaars (geuzen) had genoemd.

Een luide kreet van verontwaardiging ging op. Doch Brederode wist spoedig de rust te herstellen. „Zij noemen ons bedelaars,” riep hij, „welaan, wij willen dezen titel aannemen; wij zullen de inquisitie bestrijden, maar den koning getrouw blijven, ook al moeten wij tot den bedelstaf geraken.” Bij deze woorden gaf hij een zijner pages een teeken, deze bracht een lederen zak, gelijk de bedelaars van beroep toen droegen, en een houten nap, waarin deze gewoonlijk de hun geschonken spijzen ontvingen. Den bedelzak hing Brederode zich om het lijf, daarop vulde hij den nap met wijn, hief dien met beide handen omhoog en ledigde dien in éénen teug. „Vivent les gueux, leve de geuzen!” riep hij en juichend herhaalden zijne gasten dien kreet.

Brederode’s scherts werd met de grootste bijvalsbetuigingen begroet; de bedelzak ging rond; de eene gast na den ander hing dien om en allen ledigden op hunne beurt den met wijn gevulden nap op de gezondheid der geuzen. Van dezen dag af noemden de verbondenen zich bedelaars, gueux, geuzen.

Het feestmaal was nog niet ten einde, aan den bedelzak en den nap werd eene eereplaats aan een der pijlers van de zaal toegewezen. Vervolgens gingen de gasten voort met drinken en praten; zoowel door den wijn als door hunne staatkundige gesprekken werden ze meer en meer opgewonden. Juist terwijl het geraas het sterkst was, trad de prins van Oranje met de graven van Egmond en Hoorne de zaal binnen. Terstond werden zij door een aantal geuzen omringd en met den kreet: „Leven de koning en de geuzen!” drong men hen om een beker wijn te ledigen.

Zij konden zich tegen de beschonkenen niet verzetten, doch weigerden in hun midden plaats te nemen. Spoedig verlieten zij de zaal, nadat zij de leiders van het feest aangespoord hadden om aan het rumoer een einde te maken. Zij begaven zich rechtstreeks naar den staatsraad, waar de landvoogdes hun haren dank betuigde, omdat zij door hunne tusschenkomst nog ergerlijker tooneelen verhoed hadden.

Vierde Hoofdstuk.

Inhoudsopgave

De Nederlanden. Aangroeiende macht der geuzen. Brederode te Antwerpen. Moderatie, moorderatie. Montigny en Bergen tot Philips II gezonden. De hagepreeken. Uitbreiding der hervorming. Oranje’s houding. Bijeenkomst der edelen te St. Truien. Oranje’s pogingen tot bemiddeling. Lodewijk van Nassau en zijne 12 apostelen voor de hertogin. De beeldstorm. Margaretha’s schrik en voorgenomen vlucht. Hare beloften. Hare trouwloosheid. Oordeel van Oranje. Brederode en Egmond over den beeldstorm. Halve beloften van Philips II. Zijne plannen. Reactie. Egmond’s wreedheid jegens de ketters. Gematigdheid van Oranje. Hoorne te Doornik. Ontbinding van het verbond. Woordbreuk der hertogin. Oranje en zijne vrienden te Dendermonde. Vervalschte brieven? Egmond als trouw dienaar des konings. De nieuwe eed. Oranje’s verzoek om ontslag. Belegering van Valenciennes. Brederode’s plannen. Het gevecht bij Austruweel. Oranje’s verstandige houding te Antwerpen. Noircarmes in Valenciennes. Oranje’s laatste samenkomst met Egmond. Vergeefsche waarschuwing. Oranje’s vertrek naar Duitschland. Brederode’s vlucht en dood. De laatste dagen van Margaretha’s regeering. Groot aantal uitgewekenen.

De door den overmoedigen Brederode uitgevonden partijnaam vond een ongemeenen bijval. Weldra weergalmde door al de Nederlandsche gewesten de kreet: „Leven de geuzen!”. De jonge edellieden, die tot dus ver fluweelen, rijk met goud bestikte wambuizen gedragen hadden, kleedden zich nu in grijze kleederen van grof laken en droegen mantels van dezelfde kleur. Op straat verschenen zij met een hoed van gewoon vilt, de bedelzak en bedelnap waren hunne eenige sieradiën. Er werden penningen geslagen, die op de voorzijde het beeld van Philips II, op de keerzijde twee ineengeslagen handen vertoonden met de zinspreuk: „Getrouw aan den koning tot aan den bedelzak toe.” Deze penningen bevestigden de edelen en de burgers aan hun hoed, gelijk eene kokarde, of zij droegen die als een ordeteeken om den hals.

Terstond na het feestmaal verlieten de edelen de hoofdstad, om naar hunne woonplaatsen terug te keeren. Brederode reed aan het hoofd van een stoet adellijke ruiters de poort van Brussel uit. De tallooze toeschouwers begroetten hem met luide bijvalskreten. Door 43 edelen vergezeld kwam hij in Antwerpen aan, waar hij overnachtte.

De groote geus—zoo werd hij reeds genoemd—was het voorwerp van de levendigste belangstelling der geheele bevolking. Zijn logement werd door 4 à 5000 burgers letterlijk belegerd. Toen hij voor het venster verscheen, met den bedelzak aan de zijde en den met wijn gevulden nap in de hand, ging er onder de menigte een donderend gejuich op. Hij verklaarde, dat hij bereid was om zich voor de rechten des volks in de bres te stellen en dat hij zich tot den laatsten droppel bloeds tegen de plakaten en de inquisitie verzetten zou. Vervolgens dronk hij op de gezondheid des volks en verzocht hij allen die bereid waren om, evenals hij, de inquisitie te bestrijden, de handen op te steken.

De goede Antwerpenaars schepten in dat ongewone tooneel groot behagen, zij staken als één man de handen op en terwijl Brederode zijn nap in één teug ledigde, kwam er geen eind aan de vreugdekreten.

Verdere onlusten kwamen er uit dit tooneel niet voort; Brederode verliet Antwerpen weer, zonder dat het, gelijk de hertogin gevreesd had, tot ergerlijke voorvallen was gekomen. Ook de overige edellieden werden door het volk als zijne bevrijders van het Spaansche juk beschouwd en overal met eerbewijzen ontvangen. Inderdaad scheen het ook, dat het smeekschrift der edelen een krachtigen invloed had uitgeoefend: men hoorde, dat de plakaten gematigd, de inquisitie afgeschaft, de gewetensvrijheid gewaarborgd zouden worden. Toen dit gerucht zich meer en meer verbreidde, ging er door het geheele land een luide juichtoon op. Vele vluchtelingen en ballingen keerden naar de Nederlanden terug. Zij, die zich tot dusver uit vrees voor vervolging schuil gehouden hadden, staken stoutmoedig het hoofd op en vertoonden zich weer in het openbaar.

Het bevel, door Margaretha Van Parma den inquisiteurs gegeven, om hunnen ijver te matigen, had de meest gewenschte uitwerking. Men hoopte, dat het den aanvang van een nieuwen en beteren tijd aankondigde, dat door vaste wetten aan het woelen der inquisitie paal en perk zou worden gesteld, want men had vernomen dat de landvoogdes in een geheimen raad, waarin zij de ridders van het gulden vlies had doen verschijnen, ernstig over zulk eene wet beraadslaagde.

Deze wet kwam inderdaad tot stand: Viglius had haar in 53 artikelen samengevat. Dewijl zij eene matiging in het vervolgen der ketters te weeg brengen moest, werd zij de moderatie genoemd. Doch zij beantwoordde reeds niet langer aan de eischen der in den laatsten tijd sterk toegenomen beweging. Zij verbood het aanhangen van eenige andere godsdienst dan de Roomsch-katholieke; geene godsdienstoefening der protestanten, hetzij in ’t geheim of openbaar, werd veroorloofd, alle kettersche geschriften moesten, evenals vroeger, onderdrukt worden. Deze wet verdeelde de ketters in twee klassen: verleiders en verleiden, zij nam den schijn aan, alsof zij den verleiden genade wilde bewijzen; voor de verleiders bleef zij de doodstraf vaststellen, alleen zouden zij in plaats van op den brandstapel aan de galg sterven.

Doch ook deze schijnbare zachtmoedigheid was niet oprecht gemeend; de bepalingen der wet waren zóó onduidelijk, dat bijna elke ketter als een verleider beschouwd kon worden. Bovendien waren er nog een groot aantal uitzonderingen; met den dood werd nog steeds een ieder bedreigd, die het waagde over godsdienstige vraagstukken te redetwisten, den bijbel uit te leggen, in zijn huis eene godsdienstige handeling toe te laten, kettersche predikers te verbergen, enz. Zulke misdadigers moesten ter dood gebracht worden, om het even of zij berouw aan den dag legden of niet. Volgens de moderatiewet kon elke ketter, evenals te voren, om het leven gebracht worden. Dat zulk eene wet niet in staat was om de bestaande gisting te doen ophouden, spreekt van zelf. Het vernuft des volks noemde haar dan ook veelbeteekenend moorderatie in plaats van moderatie.

Met het uitvaardigen van de moderatie meende de landvoogdes hare belofte, dat zij de koninklijke plakaten met matiging ten uitvoer leggen zou, vervuld te hebben. Op grond van deze wet ontvingen de gezanten, die tot Philips II gezonden werden, dan ook hunne instructiën.

Op nieuw had men Egmond met dit gezantschap willen belasten, maar hij had geweigerd, deze taak op zich te nemen. De baron van Montigny en de markgraaf van Bergen namen de taak op zich, de vertoogen van den staatsraad naar Spanje over te brengen.

Montigny verliet Brussel den 29sten Mei; hij reisde over Parijs. Hier werd hij tegen het voortzetten van zijne reis gewaarschuwd. Philips II—zoo verzekerde hem de Spaansche gezant—was zóó woedend op de Nederlanders, dat zelfs het leven der gezanten gevaar liep. Toch liet Montigny zich door deze waarschuwing niet van zijn stuk brengen; hij achtte het zijn plicht, de taak, die hij aanvaard had, te volvoeren. Kort daarna volgde hem ook de markgraaf van Bergen, die tot dusver door ziekte terug gehouden was. Beiden zouden hun vaderland niet wederzien. Zij vermoedden niet, dat, terwijl zij op weg waren om van Philips II de afschaffing der inquisitie en verzachting van de plakaten te verwerven, tusschen den koning en de hertogin eene geheime briefwisseling gevoerd werd, waarin de eerste der hertogin beval, zoowel de inquisitie als de plakaten zoo spoedig mogelijk weer in volle gestrengheid in werking te doen treden.

Voorshands kon Margaretha het ontvangen bevel niet opvolgen, daar de hervorming eensklaps in de Nederlanden eene ongedachte vlucht genomen had. Het volk trotseerde de inquisitie en de plakaten; een groot aantal stoutmoedige predikers waagde het, hoewel door de landvoogdes een prijs op hun hoofd gesteld was, openlijk de leer van Luther en Calvijn te verkondigen. Niet langer in de beperkte ruimte van een gesloten huis, niet langer voor eene vergadering van trouwe geloofsgenooten, neen, in groote volksvergaderingen, die onder den blooten hemel gehouden werden en waartoe duizenden samenstroomden, traden die predikers op.

Eene wacht omringde den geïmproviseerden kansel, die nu eens uit een wagen, dan weer uit eene verhevenheid van aarde of zoden bestond; de overige gewapenden plaatsten zich in een wijden kring rondom de vrouwen en kinderen, opdat deze tegen een mogelijken overval beveiligd zouden zijn.

Zulke volksvergaderingen, hagepreeken genoemd, dewijl ze liefst achter heggen of struiken, gehouden werden, hadden overal in de Nederlanden plaats. In Holland werd de eerste te Overveen, in de nabijheid van Haarlem, gehouden; een voormalig monnik, Peter Gabriël, predikte hier voor vele duizenden toehoorders, die van heinde en ver waren samengestroomd, om zijn woord te hooren.

In het midden van het jaar 1566 hadden dergelijke bijeenkomsten in de nabijheid van alle aanzienlijke steden plaats. Bij Antwerpen, waar zij nu en dan uit 10.000 menschen bestonden, vormde zich als ’t ware eene vaste legerplaats; hetzelfde geschiedde ook in andere streken.

Het aantal der ketters groeide met eene ongeloofelijke snelheid aan. De rijkste en aanzienlijkste mannen schroomden thans niet meer, dien tot dusver verafschuwden naam te dragen. De meeste protestanten helden tot de leer van Calvijn over, die ook om hare staatkundige strekking in de Nederlanden den grootsten bijval vond en des te eerder verbreid werd, omdat de meeste kettersche predikers uit Frankrijk kwamen. Behalve de Calvinisten trof men er echter ook vele Lutherschen en Wederdoopers aan.

De aanzienlijke Nederlandsche heeren verkeerden tegenover deze steeds verder rondom zich grijpende godsdienstige beweging in eene uiterst moeilijke houding: zij konden zich evenmin daarbij aansluiten als haar tegenwerken. De meeste stadhouders, ridders van het Gulden Vlies en hoogere staatsbeambten waren en bleven goede katholieken. Zij zagen de uitbreiding der hervorming met leede oogen aan, doch zij waren niet in staat om er iets tegen te doen.

In den moeilijksten toestand verkeerde de prins van Oranje. Door zijne spionnen te Madrid was hij onderricht, dat de landvoogdes hem bij Philips II den raddraaier der geheele beweging genoemd had, ja dat in geheime brieven de verdenking te zijnen aanzien werd uitgesproken, dat hij en zijne vrienden zich van het gezag over de Nederlanden wilden meester maken. Hij zag zich dus gewantrouwd door Margaretha, die in haren omgang met hem de grootste vriendschap voor hem huichelde.

Reeds toen was het hem ongetwijfeld klaar als de dag, dat een volkomen breuk met den koning onvermijdelijk moest heeten; hij moest er daarom op bedacht zijn, zich bondgenooten te verwerven. Waar zou hij die eerder vinden dan onder de protestantsche vorsten van Duitschland?

Dewijl de Duitsche vorsten echter het Calvinisme haatten, helde Oranje natuurlijk meer tot het Lutheranisme over. Hij verborg zijn afkeer van de Calvinisten en van de Wederdoopers niet.

Tengevolge van de hagepreeken nam de gisting in het land met elken dag toe. Eensklaps verbreidde zich het gerucht, dat de hertogin troepen bijeengetrokken had, om daarmede de hervormden, wanneer zij in het open veld ter godsdienstoefening bijeen waren, te overvallen. Terstond groeide het getal van hen, die aan deze bijeenkomsten deelnamen, nog aan. Niemand verscheen daar langer ongewapend. Dikwijls kwamen daar 10–12.000, somtijds zelfs 25.000 menschen bijeen.

Ook de adel zat intusschen niet stil. De geuzen hielden in Juli 1566 eene groote vergadering te St. Truien in het Luiksche. Den 13en dier maand kwamen zij daar samen en zij bleven tot het begin van Augustus bijeen.

Ongeveer 1500 edelen, allen door hunne schildknapen en gewapende manschappen vergezeld, hielden eene vergadering, die veel te talrijk voor geregelde beraadslagingen, maar volkomen geschikt was om kleine en groote feesten naar den smaak van Brederode te vieren.

De edelen, die alle huizen en herbergen bezet hadden,—sommigen moesten zich zelfs op het open veld legeren—hielden woeste drinkgelagen. Eene menigte lediggangers sloot zich bij hen aan, zelfs landloopers en bedelaars mengden zich onder het aanzienlijk gezelschap en schreeuwden met hen: „Leven de Geuzen!”

De indruk, door zulk eene vergadering te weeg gebracht, kon niet gunstig zijn. Ook de besluiten, die in beperkter kringen genomen, doch door allen goedgekeurd werden, waren niet geschikt om der hertogin vertrouwen op de verbondenen in te boezemen. Dezen toch verklaarden openlijk, dat zij geene vervolging ter zake der godsdienst meer duldden en, zoo noodig, ter hunner bescherming Duitsche troepen, tot 1000 ruiters en 40 compagniën voetvolk aanwerven zouden.

In het oog van de landvoogdes was de vergadering van St. Truien zóó onrustbarend, dat zij den prins van Oranje dringend om zijne tusschenkomst smeekte. Hij beloofde die en begaf zich naar de vergadering, die hem met luid gejuich ontving.

Te Duffel, een dorp nabij Mechelen, had Oranje een onderhoud met de leiders der vergadering; hij trachtte hen neer te zetten en verzocht hen, zich ten minste zoolang van verdere stappen te onthouden, totdat de naar Spanje afgevaardigde gezanten uit Madrid bericht omtrent hun wedervaren zouden overgezonden hebben. Doch zijne woorden vonden geen ingang: de aanvoerders der geuzen beklaagden zich over de arglist der landvoogdes en over de moderatie, die niets dan een valstrik voor de protestanten was. Zij besloten, nog eens door Lodewijk van Nassau eene boodschap naar Brussel te zenden, om Margaretha van Parma ernstige vertoogen te doen.

Dit geschiedde, Lodewijk van Nassau ontving met 12 edelen, die men schertsend zijne 12 apostelen noemde, gehoor bij de landvoogdes. De taal, door hem gevoerd, was reeds veel krachtiger en veel minder ootmoedig dan die van de onderteekenaars van het compromis. Wel hielden de geuzen nog altijd vast aan de verzekering van hunne trouw jegens den koning, wel verbonden zij zich om den vrede te bewaren en naar hun beste vermogen het volk tot kalmte te brengen, maar zij stelden daartoe voorwaarden, die niet gemakkelijk waren te vervullen. De hertogin moest hun—zoo luidde hun eisch—verzekeren, dat zij zich wegens het vroeger voorgevallene niet wreken zou, dat zij niets zonder den raad van Oranje, Egmond en Hoorne zou doen en dat zij eindelijk de Staten-Generaal bijeenroepen zou. Ja de afgezanten der geuzen gingen zoo ver, te verzekeren, dat zij buiten ’s lands hulp zouden zoeken, indien zij door geweld tot wettige zelfverdediging geroepen werden.

De hertogin gaf op deze eischen een scherp antwoord, zij gevoelde zich daardoor zwaar beleedigd. Men kon het niet eens worden en Lodewijk van Nassau en zijne medeafgevaardigden ontvingen op eene alles behalve vriendelijke wijze hun afscheid.

De vergadering te St. Truien ging uiteen, zonder iets anders dan verhooging van de spanning uitgewerkt te hebben. Deze gaf zich in die dagen in betreurenswaardige tooneelen van vandaalsche vernielzucht lucht.

Evenals in Duitschland, ontaardde ook in de Nederlanden de haat der hervormden tegen het pausdom, helaas! in blinde woede tegen de oude heiligdommen, tegen de kerken en de kloosters.

De dweepzieke ijveraars verkregen voor een korten tijd de overhand over de rustige, bezonnen belijders van het nieuwe geloof en zij trokken van hunne overmacht partij om een woesten beeldstorm aan te richten.

Waar dit oproer, dat zich in het midden van Augustus over al de Nederlanden, met uitzondering van de provinciën Limburg, Luxemburg en Namen en van enkele steden, uitbreidde, eigenlijk ontstaan is, laat zich niet met zekerheid aanwijzen. De brand brak ter zelfder tijd en met dezelfde hevigheid op de meest verschillende plaatsen uit.

Het was een allertreurigst schouwspel, dat zich voordeed! Kerken en kloosters werden verwoest, de altaren werden omvergehaald, zoowel 2000 kunstgewrochten van allerlei aard, en daaronder van onschatbare waarde, als een aantal kostbare boekverzamelingen werden vernietigd. Dit alles geschiedde in een tijdsverloop van 10 tot 12 dagen. Alleen in Vlaanderen werden 400 kerken verbrand of omvergehaald.

Het onbeschaafde gemeen, de heffe des volks, was voor een korten tijd heer en meester in de Nederlanden en trok van zijne macht partij, om aan zijne vernielingswoede bot te vieren.

Diep betreurenswaardig was voorzeker die beeldstorm, welke den vijanden van godsdienstige en staatkundige vrijheid rechtmatigen grond opleverde om hunne stem tegen zulk een vandalisme te verheffen. Doch zelfs te midden van deze treurige tooneelen doet zich een verkwikkend verschijnsel aan ons voor, dat krachtig getuigt voor het hooge standpunt van verstandelijke en zedelijke beschaving, waarop het Nederlandsche volk in die dagen stond.

De heffe des volks had alle breidels afgeworpen, zij vernielde, om te vernielen, maar zij roofde en moordde niet. Zij gaf aan hare woede niet lucht in het dooden van hare vijanden; zij spaarde zelfs het leven der gehate inquisiteurs en van zulke priesters, die steeds het verbranden van de ketters als een godewelgevallig werk hadden aangeprezen.

De goederen der kerken werden vernield, maar niet geroofd. Deze beeldstormers, die bijna zonder uitzondering tot de laagste klasse der maatschappij behoorden, die bijna allen aan het dagelijksch brood gebrek hadden, lieten toch de kostbaarste kleinodiën, het gouden en zilveren vaatwerk, de edelgesteenten, waarmee de kerksieraden prijkten, onaangeroerd op den grond liggen. Zij vernielden de schatten der kerk, zonder zich die toe te eigenen. Zij gaven lucht aan hun afkeer van hetgeen in hun oog doemwaardige afgoderij was, maar zij lieten zich niet door den lagen drijfveer der roofzucht besturen. Ja, indien een hunner het ongeluk had, zich door den aanblik van die gouden en zilveren voorwerpen tot diefstal te laten verleiden, dan oefenden zijne gezellen op staanden voet en zonder genade gericht over hem. In Vlaanderen werd een jongman ter dood gebracht, dewijl hij het gewaagd had, een voorwerp ter waarde van 5 francs te stelen. Te Valenciennes wilde de geestelijkheid den beeldstorm voor aanzienlijke sommen afkoopen, maar met verachting wezen de arme dweepers het goud van de hand.

Alle waarheidlievende katholieke schrijvers van dien tijd stemmen in de vermelding van dit merkwaardig feit overeen.

De eerste gevolgen van den beeldstorm waren schijnbaar gunstig voor de protestanten. De landvoogdes, door een hevigen schrik voor den opstand bevangen, verloor bijna het hoofd, en had men haar vroeger voor eene heldin gehouden, thans bleek het, dat zij niets dan eene zwakke, vreesachtige vrouw was.

Den 22en Augustus, des nachts te 3 uur, ontbood zij Oranje, Egmond, Hoorne, Hoogstraeten en andere leden van den staatsraad aan haar paleis; zij deelde hun mede, dat zij gereed stond om uit Brussel te vluchten, dat hare goederen reeds gepakt en de leden van haar hofgezin reisvaardig waren. Zij wilde naar Bergen gaan, om zich daar tegen het oproerige volk in veiligheid te stellen, dewijl men haar meegedeeld had, dat de protestanten van plan waren om Brussel te veroveren, alle daar woonachtige katholieken te vermoorden en de regeering omver te werpen.

De prins van Oranje, Egmond en Hoorne smeekten de hertogin dringend, zulk een noodlottig plan te laten varen; zij hielden haar voor oogen, dat eerst door hare vlucht de woeste beweging, waaraan slechts een klein deel des volks medeplichtig was, tot een werkelijken opstand aangroeien zou. Zij zwoeren, de landvoogdes des noods ten koste van hun leven te zullen verdedigen, maar verzekerden haar tevens, dat zij voorshands niet het minste gevaar liep. Eindelijk gelukte het hun door die beden en redeneeringen Margaretha tot blijven te bewegen. Toch was ze niet gerust, en toen haar opnieuw werd bericht, dat het volk van plan was het paleis te bestormen, besloot zij aan den avond van dien dag toch te vluchten.

Op nieuw gelukte het den graaf van Hoorne en den prins van Oranje haar van dit besluit te doen afzien; ja zij haalden haar over om een belangrijken stap te doen, ten einde het oproerige volk tot bedaren te brengen. Zij stond toe, dat voortaan de protestantsche eeredienst uitgeoefend mocht worden op alle plaatsen, waar dit reeds vóór den 25en Augustus geschied was en dat de hervormden volle vrijheid van belijdenis zouden genieten.

Lodewijk van Nassau ontving eene schriftelijke oorkonde, een tolerantie-edict, waarin de hertogin verklaarde, dat de inquisitie afgeschaft was en dat de koning binnen kort een nieuw edict zou uitvaardigen, waarbij eene algemeene vergiffenis zou worden afgekondigd. Daarentegen onderteekende Lodewijk van Nassau met 15 andere geuzen een stuk, waarin de geuzen beloofden, zoolang hun verbond als opgelost te beschouwen en het koninklijk gezag uit alle macht te zullen steunen, als de hertogin hare beloften hield.

De nieuwe beloften van Margaretha werden in alle steden des lands openbaar gemaakt. Alleen door vrees had de landvoogdes zich tot deze toegevendheid jegens den volkswensch laten overhalen; zij verklaarde dit zelve in een brief, dien zij terstond aan Philips II schreef; zij nam God tot getuige, dat zij daartegen zich zoolang mogelijk verzet had, en dat zij eerst, toen zij door het volk in haar paleis belegerd en schier eene gevangene was, toen zij, ziek naar lichaam en geest, niet meer wist wat zij doen moest, den geuzen vergiffenis en den ketters vrijheid van godsdienst toegestaan had; dat al deze beloften echter niet de minste waarde hadden, voordat ze door den koning bekrachtigd waren, dewijl zij slechts in haren eigenen, niet in des konings naam gehandeld had; dat Philips dus door niets gebonden was en dat zij van ganscher harte hoopte, dat Philips zich om het door haar gegeven woord niet bekommeren, maar in persoon naar de Nederlanden komen zou, om de beleedigingen, der heilige kerk door de ketters aangedaan, bloedig te wreken; slechts deze hoop—zoo eindigde zij—hield haar in het leven en behoedde haar voor vertwijfeling.

In een volgenden brief bracht zij bittere klachten in tegen Oranje, Egmond en Hoorne, dezelfde mannen, die zij even te voren met blijken van vertrouwen overladen had. Zij verzekerde, dat Hoorne van plan was, alle priesters en monniken in het geheele land te laten vermoorden; dat Egmond openlijk de geuzen begunstigde en reeds in Duitschland troepen voor hen aanwierf; dat Oranje vast besloten had, zich tot heer van het geheele land te verheffen en de regeering omver te werpen.

Eene gewetensvrijheid, die uitsluitend op de beloften van Margaretha berustte, beteekende waarlijk niet veel, en toch was zij het eenige nut, hetwelk de beeldstorm het Nederlandsche volk aanbracht. In weerwil hiervan waren de protestanten zoo verblind, dat zij zich overgelukkig gevoelden; zij hoopten, dat nu de inquisitie en met haar de geloofshaat en de geloofsvervolgingen voor goed afgeschaft waren. Zij zagen niet, dat reeds in de eerstvolgende dagen dreigende onweerswolken zich samenpakten.

Al de aanzienlijke edelen, ook zij die tot dusver de protestantsche beweging ondersteund hadden, waren diep verontwaardigd over de schandelijke tooneelen, door de beeldstormers aangericht, en vele bezonnen aanhangers der hervorming waren het met hen eens. De prins van Oranje liet zich openlijk zeer ongunstig uit over de dweepzucht van een hoop ellendelingen, die het geheele schandaal hadden teweeg gebracht. Hij beklaagde de muiters en veroordeelde de raddraaiers. Zelfs de woeste Brederode noemde de beeldstormers waanzinnigen en den geheelen opstand onverantwoordelijk.

Egmond legde onverholen zijn afkeer aan den dag van allen, die door hunne handelwijze de katholieke kerk zoo gruwelijk beleedigd hadden. Vele hoofden der geuzen waren van oordeel, dat zij met dergelijke lieden niet langer hand aan hand konden gaan; wellicht waren sommigen hunner reeds sinds lang het verbond moede en was de beeldstorm voor hen een welkom voorwendsel om zich van hen af te scheiden.

Hetzelfde deden ook vele strenge katholieken, die zich van nu af op hunne landgoederen gedroegen als besliste tegenstanders van de hervormden, welke zij tot dusver beschermd hadden.

Aan koning Philips II bood de beeldstorm eene gewenschte gelegenheid aan om strenger maatregelen tegen de ketters te nemen. Hij had de Nederlandsche gezanten, Montigny en Bergen, met gehuichelde vriendelijkheid ontvangen en hunne wenschen aangehoord, welke inhielden, dat de inquisitie afgeschaft, de koninklijke plakaten verzacht en volle vergiffenis voor alles wat tot dusver in de Nederlanden gebeurd was, verleend zou worden. Philips had in schijn deze eischen ingewilligd; zonder bepaalde beloften te doen, had hij toch op eene gedeeltelijke vervulling van de volkswenschen hoop gegeven en verklaard, dat hij zelf naar de Nederlanden dacht te gaan, om orde op de verwarde zaken aldaar te stellen. Aan Margaretha had hij geschreven, dat de verlangde amnestie onder zekere voorwaarden verleend kon worden en ook de afschaffing van de pauselijke inquisitie kon worden toegestaan, dewijl immers de bisschoppen thans in staat waren om in hunne bisdommen eene bisschoppelijke inquisitie in te voeren en met kracht door te zetten.

Doch zelfs deze halve beloften was de koning niet van plan te houden; het sterkste bewijs hiervoor leverde hij door, terstond nadat hij den brief geschreven had, een notaris te ontbieden en in tegenwoordigheid van Alba en van twee andere vertrouwde getuigen te verklaren, dat zijne belofte van eene algemeene vergiffenis hem alleen door de troebelen in de Nederlanden afgeperst, maar niet vrijwillig, niet in volle vrijheid gedaan en daarom ook niet geldig was, en dat hij zich alzoo het recht voorbehield om alle schuldigen, wanneer het hem noodzakelijk scheen, te straffen.

Tegelijk spoorde Philips de landvoogdes aan om den Nederlanders de schoonste uitzichten voor te spiegelen en zelfs de hoop op de bijeenroeping van de Staten-Generaal bij hen op te wekken, hoewel hij vast besloten had, dit nooit te doen.

Was de koning reeds heftig vertoornd over de uitbreiding van de ketterij in de provinciën, hij geraakte in de grootste woede, toen hij het bericht van den beeldstorm ontving; „Dat zal hen duur te staan komen,” riep hij, zich den baard uitrukkend, „ik zweer het bij de ziel mijns vaders!” Van dezen oogenblik af legde hij zich met den grootsten ijver toe op het nemen van maatregelen tot de vreeselijke wraak, welke hij oefenen wilde.

In de Nederlanden waren de omstandigheden intusschen grootelijks veranderd; de blijdschap over de inwilligingen der landvoogdes duurde niet lang; de protestanten moesten weldra leeren inzien, dat de beeldstorm hen veel meer schade dan voordeel had aangebracht. Op Egmond, den beroemden veldheer, hadden zij gerekend; wanneer hij zich aan hun hoofd plaatste, was geene macht ter wereld meer in staat om de protestantsche beweging te onderdrukken. Alleen in Vlaanderen toch telde men niet minder dan 6000 gewapende mannen, die bereid waren om voor de godsdienstvrijheid in de bres te springen; slechts aanvoerders ontbraken hun. Wanneer Egmond hun hoofd werd, vormden zij een leger, waarmee de beroemde veldheer in staat zou geweest zijn om het land tegen elken aanval van Spaansche troepen te verdedigen.

De verwachtingen, welke de hervormden op den lieveling des volks, den graaf van Egmond, gebouwd hadden, werden jammerlijk teleurgesteld. Egmond verscheen in Vlaanderen, niet als de aanvoerder der protestanten, maar als hun verbitterde vijand, als de ijverigste aanhanger der regeering, die zelfs, buiten de bevelen der hertogin om, allen strafte, op wie slechts de minste verdenking van medeplichtigheid aan den beeldstorm rustte.

Hij gaf terstond bevelen om een groot aantal beeldstormers en zelfs vele andere ketters ter dood te brengen.

De Vlaamsche protestanten sidderden voor den toorn van den machtigen man. Wel waren zij sterk genoeg om tegen hem op te staan, want de troepen, die hij ter zijner beschikking had, waren niet talrijk, maar tegen den overwinnaar van St. Quentin en Grevelingen durfde niemand een vinger verroeren.

Met vreeselijke strengheid zette hij de vervolging van de ketters voort. Een niet gering aantal meer of minder schuldigen, zelfs louter verdachten, werd zonder genade opgehangen. Te vergeefs spoorde Oranje zijn vriend tot zachtmoedigheid aan, te vergeefs voegde Lodewijk van Nassau zijne beden bij de wenken zijns broeders, Egmond luisterde niet. Hij was eensklaps zulk een ijverig aanhanger van de landvoogdes en van de katholieke kerk geworden, dat hij niet eens de door Margaretha den hervormden verleende voorrechten eerbiedigde, maar den protestantschen eeredienst ook daar verbood, waar hij reeds vóór den 25en Augustus ingevoerd en dus geoorloofd was.

Geheel anders was de houding van den prins van Oranje, dien de landvoogdes naar Antwerpen gezonden had, om daar de rust te herstellen. Wel liet hij toe, dat de stedelijke overheid een aantal beeldstormers voor het gericht daagde en ter dood deed brengen, doch in persoon nam hij aan de vervolgingen geen deel. De voorrechten, den protestanten door de hertogin toegestaan, eerbiedigde hij stipt, hij liet hen drie kerken in Antwerpen inruimen en wist het door zijne wijze gematigdheid weldra zóó ver te brengen, dat de rust in de machtige handelsstad terugkeerde.

De graaf van Hoorne, die naar Doornik gezonden was, behandelde de protestanten volstrekt niet zoo zacht als Oranje: hij liet de raddraaiers van den beeldstorm vatten en ter dood brengen. Ook stond hij binnen de stad zelve geene kettersche godsdienstoefeningen toe; alleen vergunde hij den hervormden, buiten de muren kerken voor hunne godsdienstige bijeenkomsten te bouwen. Hoewel hij hierdoor de bepalingen van het edict van tolerantie nog niet eens vervulde,—ook te Doornik hadden vóór den 25en Augustus protestantsche godsdienstoefeningen plaats gehad—werd zijne houding door de landvoogdes toch scherp berispt en hij zelf als een begunstiger der ketterij beschouwd.

Margaretha van Parma had zich spoedig hersteld van den schrik, haar door den beeldstorm ingeboezemd; zij zag de drie mannen, die zij voor hare meest geduchte tegenstanders hield, Oranje, Egmond en Hoorne, volgens zeer verschillende beginselen handelen.

Zoolang deze drie eensgezind waren, schenen zij haar gevaarlijk; maar thans, nu Egmond geheel weder de zijde der regeering gekozen had, waren zij volstrekt niet meer te vreezen. Het verbond der geuzen was uiteengespat, zijne katholieke leden waren daarvan afgevallen en zelfs gedeeltelijk ijverige vervolgers van de ketters geworden. Deze konden, in weerwil van hun groot aantal, ter nauwernood aan verzet tegen de regeering denken, zoolang het hen aan geschikte, invloedrijke aanvoerders ontbrak.

Zoodra Margaretha zich weer eenigszins op haar gemak voelde, schroomde zij niet, haar in tijd van nood gegeven woord te verbreken. Alle beschikbare middelen wendde zij aan om vreemde troepen aan te werven, ten einde daarmee, zoo noodig, de wederspannige protestanten te onderdrukken. Egmond was haar hierin behulpzaam en de stadhouder van Henegouwen, de heer van Noircarmes, leende zich gaarne tot het verdelgen van de ketters.

Aan het edict van tolerantie gaf Margaretha thans eene willekeurige uitlegging door te beweren, dat zij wel de vrijheid tot prediken, maar niet het verlof tot het uitoefenen van eeredienst en tot het houden van twistreden over de godsdienst verleend had. Hierdoor opende zij voor de geloofsvervolging op nieuw een onafzienbaar veld.

De prins van Oranje, die tot dusver nog altijd had gehoopt, in vereeniging met Egmond, Hoorne en andere aanzienlijke Nederlandsche edelen, de regentes tot vervulling van hare beloften te zullen bewegen, ontving tegen het einde van het jaar 1566 berichten, welke hem het bewijs leverden, dat Philips II en de landvoogdes vastelijk besloten hadden, hem en zijne vrienden ten val te brengen.

De prins gevoelde volstrekt geene roeping om zich weerloos aan de wraak van den vertoornden koning bloot te stellen; gelukte het hem, Egmond en Hoorne over te halen om met hem de handen ineen te slaan, dan kon hij de landvoogdes dwingen om de Staten-Generaal bijeen te roepen. Zelfs den mogelijken inval van een Spaansch leger had hij dan niet te duchten, want de Nederlanders waren, wanneer zij slechts eendrachtig bleven, sterk genoeg om elken aanval der Spanjaarden het hoofd te bieden.

In eene bijeenkomst, welke Oranje met Egmond, Hoorne, Hoogstraeten en zijn broeder Lodewijk van Nassau te Dendermonde in Vlaanderen hield, legde hij de afschriften van twee brieven over, welke de Spaansche gezant te Parijs, don Francis d’Alava, aan Margaretha van Parma geschreven had. Waren deze brieven echt, dan leverden zij het bewijs, dat Philips II een schandelijk verraderlijk spel speelde met mannen, die hem tot dusver trouw gediend hadden.

De gezant verklaarde daarin, dat de koning reeds sinds lang wist, hoe vijandig Oranje, Egmond en Hoorne jegens hem gezind waren, doch dat hij de landvoogdes aanbeval, in haren omgang met hen de grootste hartelijkheid aan den dag te leggen, dewijl Zijne Majesteit van voornemen was, zich zoo lang mogelijk van de genoemde mannen te bedienen, doch hen dan te straffen, en dat het de plicht der landvoogdes was, den koning in de uitvoering van zijn plan behulpzaam te zijn. De troebelen in de Nederlanden—ging de gezant voort—zouden nooit plaats gehad hebben, zonder de geheime deelneming der verbondene heeren; deze moesten zoo spoedig mogelijk gestraft worden, doch vooraf mocht de hertogin hen op geenerlei wijze doen bemerken, welk een gevaar hen bedreigde; integendeel, zij moest hen in den waan brengen, dat Zijne Majesteit die verraders voor Hare trouwste dienaars hield. Wanneer Oranje, Egmond en Hoorne in dit geloof voortleefden, zouden zij in den dienst des konings, zoolang men hen gebruikte, nuttig kunnen zijn. Der hertogin werd dus gelast, dezelfde houding jegens dit drietal aan te nemen, als de koning jegens de Nederlandsche gezanten, Bergen en Montigny, aangenomen had, wien hij de meeste voorkomendheid bewees, doch die hij onophoudelijk liet bewaken en die hij zeker niet levend uit Spanje zou laten ontsnappen.

Dit was ongeveer de inhoud der brieven, welker afschrift Oranje zijnen vrienden overlegde. Maar waren zij inderdaad echt? Had don Francis d’Alava ze werkelijk geschreven?

Vele nieuwere geschiedschrijvers en onder hen ook de verdienstelijke Motley beantwoorden die vragen ontkennend, terwijl de Hollandsche schrijvers uit die dagen omtrent die echtheid niet den minsten twijfel koesteren. Zeker is het, dat de mededeelingen, in dien brief vervat, volkomen overeenstemmen met het karakter van Philips II en dat zij alle reeds na korten tijd door de uitkomst bevestigd werden. Doch, al is dat zoo, aan den anderen kant ontbreekt het niet aan duchtige redenen, die ons nopen om de brieven voor ondergeschoven te houden. Dat Margaretha van Parma later tegenover Egmond de echtheid dier brieven loochende, zou ons slechts te eer aan die echtheid doen gelooven. Maar zij herhaalde diezelfde ontkenning ook in hare geheime briefwisseling met Philips II, in eene briefwisseling, waarin zij anders gewoonlijk der waarheid getrouw placht te zijn, en deze omstandigheid noodzaakt ons dus om de brieven als ondergeschoven te beschouwen, tenzij Margaretha er om de eene of andere reden belang bij heeft gehad, die briefwisseling met den spaanschen gezant voor den koning te verbergen.

Waren de brieven werkelijk ondergeschoven, wie had dit dan gedaan? Het vermoeden, dat Oranje zich aan die vervalsching schuldig had gemaakt, om Egmond zoowel tot verzet tegen Philips en de landvoogdes als tot eene vaste verbintenis met hemzelven over te halen, ligt in dat geval voor de hand en wordt niet wederlegd door de overdreven loftuigingen, waarmede Motley het karakter van zijn held overlaadt.

Geen vorst schroomde in die dagen, tot bereiking van een staatkundig doel, middelen aan te wenden, die met de eischen der zedelijkheid niet altijd waren overeen te brengen. Ook Willem van Oranje was een kind van zijnen tijd; hoewel hij dien tijd in vele opzichten verre vooruit was, hoewel zijn zedelijk karakter in later dagen zich zeer gelukkig heeft ontwikkeld, mogen wij hem niet tot een halven heilige maken. Ook waar zijne gebreken erkend worden, blijven er in hem genoeg voortreflijke hoedanigheid over om ons den diepsten eerbied voor zijne beginselen en geestkracht af dwingen. Maar achtte hij het niet beneden zich, de dienaars van Philips om te koopen, ten einde des konings geheimen uit te vorschen, dan laat het zich ternauwernood denken, dat hij te nauwgezet geweest zou zijn om, wanneer hij het noodig achtte, van een ondergeschoven brief gebruik te maken, te meer, wanneer die brief den bestaanden toestand volkomen juist in het licht stelde en dus, wat den inhoud betrof, geene enkele onwaarheid behelsde. Zulk een kunstgreep is zeker nooit te rechtvaardigen, maar in den gevaarlijken toestand, waarin Oranje zich bevond, wellicht des te eerder te verontschuldigen, én dewijl daarin niets voorkwam wat niet, getuige de uitkomst, met de waarheid overeenkwam én dewijl de denkbeelden omtrent de voorschriften der zedelijkheid in die dagen geheel anders en veel minder zuiver waren dan tegenwoordig.

Reeds in de bijeenkomst te Dendermonde rees er twijfel ten aanzien van de echtheid der brieven. Egmond sloeg daaraan geen geloof: hij had juist in den laatsten tijd den koning en der landvoogdes belangrijke diensten bewezen, hij was door de laatste met verzekeringen van dankbaarheid, hoogachting en vriendschap overladen; hij had zelfs van Philips meer dan één zeer vleiend en vriendelijk schrijven ontvangen. Daarom kwam het hem volslagen onmogelijk voor, dat ook hij moest vallen als het slachtoffer eener koninklijke wraak, die hij—naar zijne meening—volstrekt niet verdiend had.

Hij weigerde Oranje’s plannen goed te keuren. De aansporing van den vurigen Lodewijk van Nassau om terstond de wapenen op te vatten, beantwoordde hij met eene koele weigering, hij wilde niet deelnemen aan eenige onderneming, die tegen de hertogin of den koning gericht was. Ook Hoorne sloot zich bij hem aan en zoo leverde het onderhoud te Dendermonde niet de minste vruchten op.

Egmond nam de brieven mede en hij was volkomen tevreden gesteld, toen de hertogin ze op den toon der diepste verontwaardiging voor onecht verklaarde. Van dit tijdstip af verdubbelde hij zijn ijver in des konings dienst en in de vervolging van de ketters, die maar in eenig opzicht de bevelen der hertogin overtraden.

Hoorne was niet zóó lichtgeloovig, hij gevoelde zich beleedigd, wijl Margaretha de door hem te Doornik uitgevaardigde hervormingen herriep en door den heer van Noircarmes de stad bezetten en den hervormden eeredienst verbieden liet. Hij wilde niets tegen de landvoogdes ondernemen, maar trok zich wrevelig uit den staatsdienst op zijne landgoederen terug.

Oranje stond na het onderhoud te Dendermonde geheel alleen, hij kon thans alleen nog op Brederode en eenige andere dweepzieke geuzen rekenen, maar niet meer op den geheelen verbonden adel, dewijl het verbond uiteengespat was en zelfs vele zijner voormalige leden thans zijne verbitterde tegenstanders waren geworden. Ook op den bijstand der protestantsche vorsten van Duitschland hoopte hij niet. Hij wist dat deze, schoon hun belang zou hebben medegebracht de Nederlanders te ondersteunen, als ijverige Lutheranen, geene hulp zouden verleenen aan hervormden, die grootendeels tot de aanhangers van Calvijn behoorden.

Waarschijnlijk was het hem niet onaangenaam, dat Margaretha, zoodra zij hare macht voelde aangroeien, op nieuw tot beslissende en gestrenge maatregelen overging. Van al de beloften, in het edict van tolerantie gedaan, vervulde zij geene enkele; zij vermeerderde het aantal der vreemde huurtroepen en, ten einde ook in al de staatsbeambten een geheel aan haren wil onderworpen legermacht te bezitten, vorderde zij van hen—van den hoogste tot den laagste—een nieuwen eed, waarbij zij zich verbonden om de bevelen der regeering ten allen tijde, overal en tegenover een ieder, wie het ook wezen mocht, zonder eenige uitzondering of voorwaarde uit te voeren.

Vele beambten, die vroeger tot de geuzen behoord hadden, gehoorzaamden volvaardig; het eerst van allen de graaf van Mansfeld, die thans bij de hertogin reeds in blakende gunst stond. Ook Egmond legde den eed af, hoewel eerst na eenig beraad. Oranje daarentegen weigerde dien. Hij verklaarde, dat hij zich niet verbinden kon om zonder eenig nadenken een bevel op te volgen, dat wellicht even nadeelig kon zijn voor de kroon als voor het land of voor zijne eigene eer. Dewijl hij op grond hiervan de hertogin niet gehoorzamen kon, verzocht hij haar, hem van zijne ambten te ontslaan.

De koning nam dit verzoek om ontslag niet aan, Oranje moest dus nog in dienst blijven, maar hij had vast besloten dien zoo spoedig mogelijk te verlaten en zich naar Duitschland terug te trekken.

Margaretha van Parma had, dank zij de ontevredenheid der katholieken en zelfs van alle gematigde protestanten over den beeldstorm, binnen ongeloofelijk korten tijd zoo veel macht herwonnen, dat zij het edict van tolerantie geheel vernietigen en de geloofsvervolging hervatten konde. Doch geheel zonder weerstand te ontmoeten, was dit haar toch niet gelukt.

Op verscheidene plaatsen grepen de protestanten naar de wapenen. Vele steden weigerden bezettingen in te nemen of de ingevoerden evangelische godsdienst weer af te schaffen. De meeste zwichtten, zonder het tot een opstand te laten komen, maar te Valenciennes sloten de burgers de poorten, zich beroepende op hunne oude rechten en op het edict van tolerantie.

De heer van Noircarmes werd uitgekozen om de weerspannigen te tuchtigen. Met eene aanzienlijke krijgsmacht trok hij tegen de stad op. De burgers verdedigden zich dapper; zij hoopten op ontzet; ook nadat twee samengeraapte benden protestanten door Noircarmes zonder moeite overwonnen en uit elkander gejaagd waren, bleven zij toch nog gelooven, dat van eene andere zijde hulp zou komen opdagen. Zij wisten immers, dat Brederode ijverig bezig was met het aanwerven van troepen, waarmede hij hun ter hulp komen zou.

Brederode had nog eens gepoogd, door middel van een smeekschrift op de hertogin te werken. Hij had om vrijgeleide naar Brussel gevraagd, ten einde het verzoekschrift te kunnen overhandigen, doch zijn verzoek was met verachting van de hand gewezen. De landvoogdes had hem zelfs uitdrukkelijk verklaard, dat alle in Augustus door haar verleende voorrechten ingetrokken waren, en had van hem geëischt dat hij zich onvoorwaardelijk aan de wet en aan de koninklijke macht zou onderwerpen.

Thans achtte Brederode den tijd gekomen om naar de wapenen te grijpen. Gedurende de geheele maand Februari hield hij zich te Antwerpen op, hier wierf hij heimelijk troepen aan. Hij was van plan in de eerste plaats te beproeven, zich door een handgreep van het eiland Walcheren meester te maken; gelukte het hem, zulke belangrijke steden als Vlissingen en Middelburg te bemachtigen, dan twijfelde hij niet of het zou hem mogelijk zijn, zelfs aan den inval van een Spaansch leger het hoofd te bieden.

Vervolgens wilde hij Valenciennes ontzetten en tegen Brussel oprukken, om der hertogin de vredesvoorwaarden voor te schrijven. De prins van Oranje droeg kennis van Brederode’s plannen en had hij vroeger meermalen gepoogd den overmoedigen man tot gematigdheid te bewegen, thans liet hij hem zijn gang gaan, ja begunstigde hij zijne ontwerpen. Wellicht was het toch mogelijk, dat Brederode slaagde en dan bestond er altijd nog kans om Nederland te bewaren voor de jammeren, die het dreigden te overstelpen.

Toen de hertogin den prins beval, aan Brederode’s drijven paal en perk te stellen, gebood hij wel dat de wervingen gestaakt moesten worden, doch hij liet toe dat Brederode uit Antwerpen vertrok, om elders zijne troepen te verzamelen.

Te Brussel had de staatsraad intusschen ijverig beraadslaagd over de stappen, welke men doen moest tegen Brederode en de overige oproermakers, die naar de wapenen gegrepen hadden. Egmond had zelfs 700 à 800 Walsche veteranen bijeengebracht, die hij in Vlaanderen te zijner beschikking hield en hij verzekerde de landvoogdes, dat hij volkomen bereid was om met hen de opstandelingen te verpletteren.

Margaretha dankte hem met vriendelijke woorden voor zijne trouwe gehechtheid, maar zij vertrouwde hem toch niet en wees zijn aanbod van de hand. Inderdaad scheen alle ernstige bezorgdheid ook bijna belachelijk, want de rebellen, die gepoogd hadden zich te scheep naar Vlissingen te begeven, waren in de eerste dagen van Maart daar afgeslagen. Zij hadden het plan om zich van het eiland Walcheren meester te maken, opgegeven en waren in de nabijheid van Antwerpen teruggekeerd, waar zij niet ver van de stad, bij een dorpje Austruweel (Oosterweel) eene versterkte legerplaats betrokken.

Brederode bevond zich niet bij hen, zij werden aangevoerd door Marnix van Tholouse, den broeder van Aldegonde, een jong en vurig Calvinist, die echter geene ervaring van den oorlog had en geen ander recht op den veldheerstitel kon doen gelden dan zijn onversaagden moed. Zijne troepen bestonden uit een hoop samengeraapt gespuis.

Te Austruweel groeide het aantal der rebellen intusschen onophoudelijk aan; dagelijks kwamen de ontevredenen uit den omtrek, om zich in Tholouse’s gelederen te laten inlijven. Spoedig had hij meer dan 3000 man onder zijne bevelen. De toestand werd voor de landvoogdes thans reeds onrustbarend, dewijl ook Brederode in Holland troepen aanwierf en beloofde, binnen kort met 6000 man tot ontzet van Valenciennes te zullen oprukken.

Dewijl de landvoogdes niets liever wenschte dan de omwenteling in de kiem te smoren, nam zij het aanbod van den bevelhebber harer garde, Philips van Lannoy, heer van Beauvoir, aan, die zich verbond om onverwijld het rebellennest uit te roeien. Lannoy snelde met de helft zijner garde, waarbij Egmond buitendien nog 400 man Walsche veteranen voegde, in ’t geheel alzoo met ongeveer 800 man goed gewapende en voortreflijk geoefende troepen, naar Antwerpen. Hoewel de soldaten der hertogin veel kleiner in getal waren dan de protestanten, overtroffen zij deze toch verre in oefening en krijgstucht. Met onstuimig geweld tastten zij de verschansingen aan, waardoor Tholouse zijne legerplaats tegen elken aanval beveiligd achtte, en zij behaalden reeds bij den eersten aanloop eene beslissende zegepraal. Tholouse zelf, die met den grootsten heldenmoed vocht, sneuvelde, zijne manschappen verstrooiden zich, doch zij werden vervolgd en bijna tot den laatsten man toe neergehouwen.

De uitslag van het gevecht bij Austruweel zou wellicht geheel anders zijn geweest, indien de hervormden in de naburige stad Antwerpen hunnen geloofsgenooten ter hulp waren gesneld; hiertoe echter besloten zij eerst, toen het te laat was, toen Tholouse’s ordelooze benden reeds uit elkaar gejaagd waren en thans door de hertogelijken met verbittering vervolgd werden.

Het volk liep op de straten van Antwerpen te hoop; eene schaar van wel 10.000 hervormden wilde uittrekken om hunne geloofsgenooten te helpen.

Oranje hoorde dit, hij voorzag, dat de Antwerpsche burgers even goed verslagen zouden worden als Tholouse’s manschappen, dewijl ze geene aanvoerders en zelfs geene wapenen hadden. Een treurig lot hing der rijke handelstad, die door Margaretha van Parma als een broeinest van ketters beschouwd werd, boven het hoofd, indien hare burgers aan den strijd deelnamen.

Oranje besloot dit voor te komen; hij wierp zich den burgers, die juist op het punt stonden, naar het slagveld te trekken, in den weg. Hij, wien men lafhartigheid verweten heeft, waagde zich alleen onder de woedende menigte, die hem ontving met den kreet: „Weg met den papist, weg met den verrader!”

Zijn leven werd bedreigd, hij sloeg er geen acht op: met kalme waardigheid trad hij der opgewonden menigte te gemoet. Hij drong haar om naar hem te luisteren en het gelukte hem inderdaad, haar van haar voornemen af te brengen, door haar te doen inzien, dat hare tusschenkomst niets meer baten en slechts aanleiding tot nutteloos bloedvergieten geven zou.

Zoo wist Oranje de burgerij tot rust te brengen, gelijk hij ook een oproer, dat kort daarna uitbrak, door even krachtige als verstandige maatregelen zonder bloedvergieten onderdrukte.

Na de overwinning van Lannoy moesten de burgers van Valenciennes alle hoop om hunne stad nog langer tegen de overmacht der hertogin te verdedigen, wel opgeven. Zij besloten eindelijk tot de overgave; Noircarmes beloofde hun, dat zoowel het leven als de bezittingen der burgerij gespaard zouden worden. Doch deze belofte was slechts gedaan, om verbroken te worden. Nauwelijks was Noircarmes de stad binnengedrongen, of hij liet de poorten sluiten, de rijkste inwoners gevangen nemen en de soldaten, die niet openlijk mochten plunderen, bij de burgers inkwartieren. Hier veroorloofde men hun, te rooven en te moorden, zonder dat zij voor hunne misdaden de geringste straf ontvingen.

Noircarmes had, naar zijne meening, wel beloofd, dat hij de inwoners, maar niet, dat hij de misdadigers sparen zou, en misdadigers waren alle rijken. Een groot aantal van deze werd ter dood gebracht, hunne goederen werden verbeurd verklaard: Noircarmes zelf maakte zich tot hun erfgenaam. Dat buitendien eenige honderden Calvinisten verbrand of opgehangen werden, spreekt van zelf; ook zij waren immers allen misdadigers.

Na den val van Valenciennes werd nergens meer tegenstand geboden; Margaretha was op nieuw meesteres in de Nederlanden. Zij regeerde waarlijk streng en wreed genoeg, doch in weerwil hiervan voer toch eene kille huivering door het geheele land, toen men hoorde, dat Alba door den koning uitverkoren was om met een leger de rust geheel te herstellen en allen te straffen, die het ooit gewaagd hadden, den koning ongehoorzaam te zijn.

Thans begreep ook Oranje, dat het voor hem hoog tijd werd om op zijne eigene veiligheid bedacht te zijn; hij wilde Alba’s komst niet afwachten. Nog eens waarschuwde hij zijn vriend Egmond. Te Willebroek, tusschen Brussel en Antwerpen, had hij met dezen nog eene laatste bijeenkomst, die ook door Mansfeld bijgewoond werd. Hij trachtte Egmond over te halen om de Nederlanden te verlaten en veilig en rustig in Duitschland te gaan leven. Oranje wist namelijk, dat Egmond’s dood even goed door den koning besloten was als de zijne. Hij waarschuwde zijn ouden vriend ernstig.

Maar deze antwoordde, dat die vrees een ijdele hersenschim was, dat de koning goed was en genadig en niets zou ondernemen tegen een man, die hem steeds trouw gediend had.

„Waarlijk, Egmond,” hernam Oranje, „die goedheid des konings, welke gij zoo hoogelijk roemt, zal u in het verderf storten. Ik wenschte wel, dat ik mij bedroog, maar ik voorzie, dat gij de brug zijn zult, welke de Spanjaarden, zoodra zij er overgetrokken zijn om ons land te overstroomen, zullen afbreken.”

Egmond sloeg deze waarschuwende woorden in den wind, hij bleef bij zijn besluit om de Nederlanden niet te verlaten. Voor de laatste maal omarmde de prins hem; daarop scheidden zij, om elkaar nooit weder te zien.

Door vele geschiedschrijvers wordt aan deze laatste samenkomst van den prins met Egmond eene anecdote vastgeknoopt, die echter alle geschiedkundige waarheid, alle waarschijnlijkheid zelfs mist. „Vaarwel, prins zonder hoed,” zou Egmond bij het afscheid hebben uitgeroepen: „Vaarwel, graaf zonder hoofd!” zou Oranje’s antwoord zijn geweest.

Hoe onwaarschijnlijk het is, dat in zulk een ernstig oogenblik van scheiden de beide vrienden zulke platte aardigheden verkocht zouden hebben, behoeven wij wel niet uiteen te zetten.

Eenige dagen later schreef Oranje een brief aan den koning, waarin hij dezen aankondigde, dat hij zijn ambt had nedergelegd en naar Duitschland vertrokken was. Hij gaf gehoor aan den raad van den landgraaf Philips van Hessen, die hem smeekte spoedig te komen, dewijl de hertog van Alba, dien hij kende, zeker booze plannen koesterde.

Den 11en April verliet Oranje Antwerpen, den 22en vertrok hij naar Dillenburg en waarlijk, hij ging op het rechte tijdstip, want nauwelijks was hij in Duitschland aangekomen, of hij ontving van den door hem omgekochten geheimschrijver van Philips II het afschrift van een brief, dien de koning aan Alba geschreven had, en waarin hij dezen streng beval, den prins, zoodra hij zich van hem meester maken kon, gevangen te nemen en diens rechtsgeding binnen 24 uren ten einde te brengen.

Oranje was niet de eenige, die het land verliet: ook Brederode achtte het geraden, zich naar Duitschland terug te trekken. Hier leefde hij nog een jaar; door onmatig gebruik van wijn wilde hij zijn leed verzachten; hierdoor ondermijnde hij zijne gezondheid zoo zeer, dat hij aan de gevolgen zijner buitensporigheden op het slot Hardenberg stierf.

Zoo groot was in de Nederlanden de vrees voor nieuwe geloofsvervolgingen, dat alle inwoners, die maar eenigszins van ketterij verdacht werden, of die wisten, dat zij in de laatste troebelen betrokken waren geweest, poogden te ontvluchten. Wie maar eenigszins de middelen er toe bezat, verliet het land; bij geheele scharen trokken de landverhuizers over de grenzen. En waarlijk, de hervormden hadden gelijk, dat ze hun heil in de vlucht zochten, want de landvoogdes legde thans weder eene schrikverwekkende hardheid tegen de ketters aan den dag; zij liet hen naar hartelust ophangen en onthoofden. De met hare toestemming onlangs gebouwde kerken werden omvergehaald, van hare balken bediende men zich om galgen op te richten; de edele hertogin vond het zeer grappig, dat de ketters aan het hout hunner eigene kerken werden opgehangen.

De goederen der vluchtelingen en der ter dood gebrachten werden verbeurd verklaard. Zij, wien het onmogelijk was te vluchten, trachtten de verdenking zoo goed het kon van zich af te weren. Velen, die vroeger tot de ijverigste protestanten behoord hadden, legden thans een schier dweepzieken ijver voor het katholicisme aan den dag; zij bezochten meermalen daags de kerk. Anderen bewezen hunne rechtzinnigheid door hunne vroegere vrienden en geloofsgenooten als ketters aan te klagen.

Den 24sten Mei vaardigde de landvoogdes een nieuw plakaat uit, welks strengheid niets te wenschen overliet: alle aanhangers van de kettersche leer werden daarin met den dood bedreigd. Ten gevolge van dit plakaat nam de landverhuizing in zulk eene mate toe, dat Margaretha het noodzakelijk achtte, een ieder het overschrijden van de grenzen te verbieden. Met den dood werd iedere voerman en elke schipper bedreigd, die het zou durven wagen een ketter in zijne vlucht behulpzaam te zijn.

Zoo stonden de zaken in de Nederlanden, toen de hertog van Alba in aantocht was, om met nog grooter gestrengheid tegen het kettersche volk te werk te gaan, dewijl Margaretha van Parma naar Philips’ oordeel als landvoogdes op verre na niet krachtig genoeg geregeerd had.

Pulsuz fraqment bitdi.

3,79 ₼
Yaş həddi:
0+
Litresdə buraxılış tarixi:
16 yanvar 2025
Həcm:
430 səh. 1 illustrasiya
ISBN:
4064066314255
Naşir:
Müəllif hüququ sahibi:
Bookwire
Yükləmə formatı:

Oxşar kitablar