Kitabı oxu: «Hermelijn»

Şrift:

Van Java Melati

Hermelijn


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066404581

Inhoudsopgave

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII.

IX.

X.

XI.

XII.

XIII.

XIV.

XV.

XVI.

XVII.

XVIII.

XIX.

XX.

XXI.

XXII.

XXIII.

XXIV.

XXV.

XXVI.

XXVII.

XXVIII.

XXIX.

XXX.

XXXI.

XXXII.

XXXIII.

XXXIV.

XXXV.

XXXVI.

XXXVII.

XXXVIII.

XXXIX.

XL.

XLI.

XLII.

XLIII.

XLIV.

XLV.

XLVI.

XLVII.

XLVIII.

XLIX.

L.

LI.

LII.

LIII.

LIV.

LV.

LVI.

LVII.

LVIII.

LIX.

LX.

[Inhoud]

I.

Inhoudsopgave

De stoomboot »Menado” had zoo juist de Rietlanden verlaten voor haar grooten overzeeschen tocht; de muziek van Sonneman had het »Wien Neerlandsch bloed” doen hooren en er was met zakdoeken gewuifd nat van tranen. De kolonialen hieven een herhaald »Hoera” aan en het groote schip schoof langzaam en statig voorbij de groetende en schreiende menschengroepen, die op den steiger zoolang zij konden bekende gezichten naóógden als om elk hunner trekken beter in den geest te prenten.

Zoolang mogelijk bleven ook de passagiers over de verschansing gebogen; was Amsterdam nog in zicht, dan scheen de reis niet begonnen; als men vergeten kon zich op een zeekasteel van 3000 tonnenmaat te bevinden, zou men bijna gelooven, eenvoudig terug te keeren van een uitstapje op een havenboot naar Zeeburg.

Het was dezelfde Handelskade met de witte koppen van haar duc d’alven, dezelfde schepen met hun verschillende vlaggen, dezelfde rij donkere pakhuizen met oude gevels of nieuwe rozige gebouwen, diepe kijkjes gunnend langs schilderachtige grachten, de zwart berookte torens van Montalban, der Oude-, Zuider- en Westerkerk; dieper in de Koepel van het Dampaleis, naast de slanke spits der Nieuwe kerk, de ronde, grauwe Schreierstoren, de houten loods, die het Centraalstation verbeeldt, en verder huizen en niets dan huizen, waar ten minste geen schepen liggen en over alles een scherpe Aprilzon, geestig en grillig langs een geveltje strijkende, een binnenwatertje doende glimmen, een rood dak gloeien, het glazen dak van het Volksvlijtpaleis schitteren in zilverglans, een partij boomen voorbij gaande en ze aldus in schemerdonker doezelend, de witte kozijnen der ramen schel latende schreeuwen tegen den somberen achtergrond, diamanten tooverend in de keizerskroon op den Westertoren, en het sappig groene water van het IJ nu en dan aan het flonkeren en flikkeren makend, als bestond het uit louter spattende, vurige vonken. [2]

Een laatsten blik wierpen de reizigers op de stad, reeds vóór een tweetal eeuwen door dichters bezongen, als de »keizerin van Euroop”, en bedachten misschien hoeveel liefs ze in die muren achterlieten, liefs dat eenigen dierbare vrienden, hartelijke verwanten noemden, terwijl anderen daaronder niets meer verstonden dan roekeloos weggeworpen geld, guldens, waarmede men slechts wroeging en spijt tegen een kort vervlogen genot had geruild.

Voor anderen weer was de stad niets meer dan een laatste herinnering aan het geliefde land, dat in zijn diepsten schoot geliefde wezens, een onvergetelijk te huis verborg, dat men nu verlaten moest, gehoorzamend aan de onverbiddelijke wet der noodzakelijkheid, met slechts een flauwe hoop op wederzien.

Al die gedachten welke de heengaanden vervullen bij het scheiden van Amsterdam, openbaren zich bij de vrouwen in luide snikken en zelfs zenuwtoevallen, bij de mannen in doodelijke bleekheid, in herhaald bijten op knevels of lippen, of wel in vroolijke zetten en wanhopende pogingen om altijd, zelfs in zulke hoogst ernstige oogenblikken, grappig te blijven, bij de kolonialen in meer of minder vluchtige aanrakingen van hun mond met de veldflesschen aan hunne zijde. Zoo zocht ieder zijn troost, de een in grappen, de ander in tranen, enkelen in jenever, maar niemand was op zijn gemak. Met het wegnemen der loopplank scheen iets uit hun leven afgesneden, een stukje verleden had afgedaan, een nieuwe toekomst brak aan, terwijl de stad haar dagelijksch leven voortzette; slechts zeer weinigen bekommerden zich om het kleine gedeelte harer inwoners, die zich van haar afgescheiden hadden. De Kalverstraat zou er ’s middags niet minder druk om zijn, daar het mevrouw Die en Die onmogelijk was haar asphalt meer te betreden, in de Beurs zou het rumoer geen toontje lager dalen, omdat een zijner trouwe bezoekers er geruïneerd was en nu zijn geluk in Indië ging beproeven, de »Jan” in Kras of het Poolsche koffiehuis zou met dezelfde stem en hetzelfde buitenlandsche accent zijn »Asjeblieft meneer” op elke bestelling antwoorden, en misschien een enkele weemoedige gedachte wijden aan den royalen Indischen officier, die nooit kleingeld van hem terug wilde ontvangen en die nu nimmermeer daar op zijn gewoon plaatsje zitten zou.

En ’t zou op den gewonen tijd avond worden, de gaslichten werden aangestoken, de komedies raakten in vollen gang, op de planken werd weer gezucht, gevloekt, gelachen, geweend, gedanst, in de zaal geapplaudisseerd en gebisseerd en niemand miste de bezoekers van gisteren, die op de zilten baren overwogen, hoe dat Holland toch zoo kwaad niet was, vooral als men goed geld op zak had en niet voor die eeuwige schulden bevreesd moest zijn, dat Indië toch eigenlijk erg tegenviel, en tot troost der aanstaande baren1, waarmee men zoo pas kennis had gemaakt, [3]werd gezegd, dat niemand zijn land verlaten moest, die het niet volstrekt behoefde, dat in de Oost het geld ook maar niet zoo op straat te vinden was, dat er hard voor gewerkt moest worden, en meer van dergelijke aanmoedigende liefelijkheden.

Eindelijk waren de laatste uitloopers der geliefde stad voorbij, de een na den ander verliet de verschansing; sommigen met een zucht, anderen met een laatste afdrogende beweging van neus en oogen, allen met het vaste voornemen zich er in te schikken en de vijf weken reis, die voor hen lagen zoo aangenaam mogelijk door te brengen.

Er waaide een frissche bries en men maakte hier en daar de opmerking dat het koel begon te worden op het dek, eenigen zochten den salon op, anderen trachtten het gezelschap te verkennen en begonnen uit te rekenen dat er nog verscheidene ontbraken, die in Marseille of Napels zouden embarkeeren.

Een was er, die onbewegelijk en steeds in dezelfde houding bij de verschansing bleef staan; het was een zeer jong meisje, niemand had haar weggebracht, niemand haar zien aankomen, want zij scheen den nacht aan boord te hebben doorgebracht. Zij was de eenige, die niet gewuifd of geschreid had bij de afvaart; onverschillig als ging het haar niet aan zag zij de toebereidselen tot het vertrek, eindelijk, het eenigszins plechtige oogenblik zelf; zij verroerde zich niet zoolang het schip langs Amsterdam voer, maar hield het oog onafgebroken op de kust gevestigd; nu had zij zich omgekeerd en overzag met rustigen blik de groepjes passagiers, zonder in het minst te vermoeden, dat iemand haar eenige belangstelling waardig keurde.

En toch trok zij algemeen de aandacht; van de passagiers, die niet tot de rubriek kinderen behoorden, was zij ontegenzeggelijk de jongste en wist daarenboven het voorrecht van jong te zijn ten volle recht te doen wedervaren.

Men kon er over twisten of ze bepaald schoon was, maar frisch en mooi kwam zij ieder der passagiers op dien Aprilmorgen voor, zooals zij daar stond met den eenen arm op het hek geleund, met de andere hand de dikke plooien van haar granaatrooden doek op haar schouders verdedigend tegen de vinnige aanvallen van den wind.

Verrassend wit kwamen haar kin en hals uit tegen die warme, roode kleur, en de zon gaf een weerglans van blinkend koper aan haar dik, eenvoudig opgestoken blond haar, maar vooral trof de fijne teekening harer donkere wenkbrauwen, zich welvend over oogen van die zeldzame viooltjesblauwe kleur, welke in de schaduw gitzwart lijken, maar zoodra zij beginnen te fonkelen saphieren worden.

»Een kranige meid,” zei een der officieren tot zijn buurman, een piepjong ambtenaartje ter beschikking.

»Weet u niet, wie zij is?” [4]

»Neen.”

»En ook niet onder wiens geleide zij meegaat?”

»Nog minder, interesseert zij je reeds?”

»En zou ze niet, zij de eenige bloem aan boord?”

»Die naar Indië gaat om een plukker te vinden; zeker een gouvernante of onderwijzeres.”

»Maar dat ware toch zonde!”

»Zij doet stellig een domme streek.”

»Hoe weet u dat, zonder haar te kennen?”

»Ze is een blondine en blondine’s deugen niet in de Oost. Zij worden na een jaar of wat bleek, vaal, flets, die een mooie blonde vrouw meeneemt naar Indië, merkt spoedig dat hij bekocht is.”

De jonge ambtenaar keek als onwillekeurig naar het kleine zwarte meisje, dat aan de knie stond van den kapitein en dacht, dat mevrouw diens echtgenoote zeker voorzichtigheidshalve geheel het tegenovergestelde moest zijn van een blondine.

»En toch geloof ik, kapitein,” sprak een ander heer naderbij komend, »dat zulk soort van blondine’s als die jonge dame daar, tegen alle atmosferische invloeden bestand is, zelfs tegen een tropische zon.”

»Denkt u, mijnheer! Enfin, u is leeraar in natuurkunde en weet het misschien beter, maar ik geloof het nog niet.”

»Weet u wie ze is?” vroeg het gebrilde ambtenaartje met klimmende nieuwsgierigheid.

»Nog niet, maar er is wel aan de weet te komen. Ha Dokter,” en hij riep den scheepsgeneesheer, die met de handen achter op den rug heen en weer ging, naderbij, »wie is de jonge juffrouw, die daar zoo pas is gaan zitten?”

Inderdaad had zij zich op een mailstoel neergezet en leunde achterover met een ernstige uitdrukking, die alleen in haar oogen te lezen was, want zij had haar doek over het fraai geteekende, vastberadenheid verradend mondje geschoven.

»Een jonge juffrouw, dat is ze niet meer, ’t is mevrouw de Géran, die onder bescherming van den kommandant naar Indië vertrekt.”

»Getrouwd!” riep de ambtenaar met veel beteekenende teleurstelling in zijn klagend stemmetje.

»Met den handschoen zeker!”

»Dat denk ik wel.”

»Géran, Géran! zijn dat niet die schatrijke koffielords van Midden-Java?”

»Ik geloof, dat zij tot Samarang meegaat.”

»En hoe hebben ze haar in ’t net gekregen?”

»Vraag ’t haar zelf, als het je interesseert. ’t Is zonde zoo’n prachtig schepsel in die binnenlanden te begraven.”

»Vind je ze mooi; niets aan, hoor! Een bleekneusje.”

»Nu ja, de aandoening van het oogenblik.” [5]

»En ze heeft geen traan gelaten, niemand gegroet.”

»Wat je haar opgenomen hebt!”

»Géran, is dat niet een ongemakkelijke oude heer van Fransche afkomst?”

Een derde had zich bij de groep gevoegd, een koopman, die zijn vrouw uit Europa had gehaald, waar zij eenige jaren voor de opvoeding der kinderen had doorgebracht.

»Mijnheer van Diteren.”

»Kapitein Brant.”

»Wel dat doet me genoegen!”

Er werd voorgesteld, kennis gemaakt, men drukte handjes en zette toen het gesprek voort.

»We spraken over die jonge dame, mevrouw de Géran.”

»Géran de Saint-Paul, zoo heet de volle naam, ach kom, is dat weer een nieuwe plant, die de kolonie moet uitbreiden.”

De beeldspraak was alles behalve nauwkeurig.

»Welke kolonie?”

»Wel, weet u dan niet dat de Gérans de koffiekoningen van Midden-Java zijn, dat die oude heer een familie heeft, zoo groot dat ze haast niet te overzien is, en dat hij al zijn kinderen of ten minste bijna allen uitgehuwelijkt en op zijn uitgestrekte landen geplaatst heeft. Nu zal deze jonge dame wel weer een vrouw zijn voor een van de jongens. Hoe is hij er aan gekomen? Ze zeggen zelfs dat hij uitgebreide advertentiën plaatst voor schoonzoons en schoondochters.”

»Die natuurlijk bij de vleet te krijgen zijn.”

»’t Is anders zoo’n benijdenswaardig baantje niet lid van de familie de Géran te worden. De oude heer is de zoon van een generaal van Napoleon, die indertijd na Waterloo den franschen dienst verlaten heeft en als koloniaal naar Indië vertrok; hij heeft er fortuin gemaakt en zijn zoon nog meer. Het militaire zit hem nog in ’t bloed, er valt met hem niet te spelen; de volwassen zoons beven voor zijn oogen, niemand durft hem aan dan zijn oudste dochter, die moet nog een graadje erger zijn dan papa, een bataillons-kommandant, mijnheer, zooals onze kapitein het stellig nooit worden zal. Die twee kommandeeren het regiment.”

»En is er geen vrouw aan huis.”

»Ik geloof dat er drie geweest zijn, maar je kunt begrijpen, dat de stiefmoedertjes haar pret ook op konden met een dochter als de oudste juffrouw de Géran.”

»En zou dit meisje weten, wat zij tegemoet gaat?”

»Best mogelijk heeft zij nooit haar aanstaanden man gezien.”

»Maar dat zou toch vreeselijk wezen en schandelijk!”

»Schandelijk?”

»Wel zeker noem ik dat schandelijk, zich voor altijd te verbinden aan een man, dien men niet kent.”

»En die misschien niet eens weet dat hij getrouwd is.” [6]

»Des te erger, maar ik kan ’t van haar niet gelooven.”

»Zoo, en waarom niet.”

»Zij ziet er niet naar uit.”

De anderen barstten in een spotlach uit om den toon van volle overtuiging, waarmee de naïve ambtenaar deze woorden uitsprak.

De kapitein en de koopman wisselden een paar woorden in het Maleisch met elkaar en gingen een eindje verder; de dokter slenterde weer heen en het jongmensch kon zijn oogen niet afhouden van het schoone altijd even onbewegelijke meisje.

1 Nieuw aangekomenen in Oost-Indië.↑

[Inhoud]

II.

Inhoudsopgave

Eindelijk kwam er beweging in haar oogen en zij richtte zich zelfs half op; een zacht, onderdrukt maar toch niet te overwinnen snikken trof haar oor.

Het kwam van mevrouw van Diteren, een knappe, wel eenigszins afgetobde Indische dame, die achter haar zat en vergeefsche pogingen deed om zich goed te houden; haar verdriet duurde ongetwijfeld nog het langste van alle ontroostbaren, die straks schreiend Amsterdam hadden nagestaard.

Niemand sloeg er acht op; haar man dacht misschien dat zij in haar hut was, bezig met de noodige beredderingen, welke het best vóór IJmuiden in het kanaal ondernomen worden, vóór dat er vrees bestaat dat de zeeziekte aan alle goede, ordelievende plannen een einde maakt.

Zij had ook werkelijk de trap willen afgaan, maar het verdriet had haar overmand en zij was op een bank neergevallen zonder de kracht te hebben verder voort te gaan.

Als door een geheime veer bewogen rees de jonge mevrouw plotseling overeind. »Wat is haar gestalte goed ontwikkeld boven het middelmatige zelfs, maar hoe blijft elk harer bewegingen altijd even bevallig!” dacht de ambtenaar.

Zij had een flacon voor den dag gehaald en besproeide het klamme voorhoofd der half onmachtige vrouw met Eau de Cologne.

»Hoe handig weet ze dat te doen, hoe belangstellend buigt zij zich! Zie, nu vraagt ze iets. Gelukkige vrouw, kon ik maar zoo huilen, misschien troostte zij mij ook even lief.”

»Doet het u goed, mevrouw?” vroeg zij zacht.

»Dank u juffrouw, dank u! O ’t is zoo hard, mijn lieve kinderen!”

»Heeft u ze achtergelaten?”

»Ja, alle vier.”

»En gaat u alleen terug?”

»Met mijn man.”

En zij begon alweer wanhopig te snikken. [7]

»Maar als ’t u zoo hard valt mevrouw, dan had ik ze niet achtergelaten.”

»Het moest.”

»Ik zie niet in waarom.”

»Van Diteren wilde het.”

Zij schroefde haar flaconnetje toe en de vastberaden trek om haar mond teekende zich nog eens zoo duidelijk en scherp, er lag op te lezen:

»Al wilde mijn man het duizendmaal, gebeuren zou ’t toch niet.”

»’t Is voor hun bestwil,” helderde de arme vrouw op, »maar ’t is toch zoo hard, alle vier!”

»Verschrikkelijk.”

»En is u ook alleen?”

Dat »ook” vond de jonge dame misschien wat zonderling in den mond eener vrouw, die met haar man reisde, maar zij antwoordde zonder daar schijnbaar op te letten:

»Ja, ik ken hier niemand, zelfs niet van aanzien.”

»Gaat u naar uw ouders?”

Een heldere glimlach vloog over haar gelaat en gaf tinteling aan haar mooie oogen, de ambtenaar ving dien vluchtigen zonnestraal op en vond haar nu wonderschoon, het schoonste meisje dat hij ooit gezien had.

»Neen, naar mijn man.”

»Is u dan getrouwd?”

»Dat is maar zoo wat, met een handschoen in plaats van met een man.”

»Met wie heb ik dan ’t genoegen… Ik ben mevrouw van Diteren.”

»Hermel… Hermine Van Voorden, of liever neen, zoo heet ik niet meer, Géran de Saint-Paul.”

»O dien naam kent ieder op Java, met welken van zijn zoons is u getrouwd?”

»Met Conrad.”

»Dat is geloof ik de derde, niet waar?”

»Kent u hem?” vroeg zij met blijde verrassing in de stem, en zette zich toen naast de bedrukte moeder neer, die voor een oogenblik haar bitter leed vergat en zag haar vragend en afwachtend aan.

»Neen,” ging mevrouw van Diteren voort, »hem ken ik zoo goed niet, wel zijn andere broêrs August en Guillaume en de oudste zuster.”

»Ja, Corona.”

»’t Is een groote familie. Waar heeft u ze leeren kennen?”

De zachte gloed van een blos wierp een rozigen schijn op haar doorschijnend witte huid.

»Ik ken alleen mijn… mijn man en een jonger broertje, dat later aan de cholera overleden is.”

»Zijn ze dan in Holland geweest?” [8]

»Ja, ze hebben school gelegen in de stad, waar Papa in garnizoen lag en waren bij ons in den kost. Papa was majoor moet u weten, en mijn eigen mama de zuster van mijnheer Géran’s eerste vrouw.”

»De moeder van Corona, August en Guillaume?”

»Juist, daarom kwamen die kinderen veel bij ons. Eens werd Conrad ziek bij ons aan huis en omdat mijn stiefmoeder het zoo druk had met de kleintjes, paste ik hem op. ’t Was zoo’n aardige jongen,” ging zij als in zich zelf pratende voort en een paar allerliefste kuiltjes werden zichtbaar bij het schalksche glimlachje, dat nu om haar lippen speelde.

»Wat lacht ze dikwijls, zij is zoo ongenaakbaar niet als ik eerst meende,” dacht het ambtenaartje.

Mevrouw van Diteren zag haar aan, en er lag iets zeer bezorgds in haar blik, maar zij zeide niets op deze lofspraak.

»Later gingen zij naar kostschool, Papa werd naar Leeuwarden overgeplaatst; we verloren mekaar uit het oog; ze zijn naar Indië teruggekeerd na een jaar of wat en we hoorden niets meer van de Gérans, totdat Papa het vorige jaar stierf. Mama schreef hem en er kwam een brief terug, waarin de vader mij uit naam van zijn zoon ten huwelijk vroeg.”

»En heeft u dadelijk ja gezegd,” vroeg mevrouw van Diteren op verschrikten toon.

»Neen, niet dadelijk, maar we waren zoo arm. Ik heb acht stiefbroertjes en zusjes, de oudste is twaalf jaar; gelukkig heeft mama rijke familie en die wilden haar wel ondersteunen. Ik moest natuurlijk in betrekking, maar ik had geen enkel examen gedaan, ik heb altijd moeten werken in ’t huishouden,” voegde zij er treurig bij, »en ik wilde mama, met wie ik toch niet erg harmonieerde, niet langer tot last zijn. Ik begrijp eigenlijk niet, waarom ik u dat alles vertel, mevrouw, ’t zal u niets kunnen schelen, maar misschien geeft het u wat afleiding en ik vind het zoo prettig dat u Conrad of liever zijn familie kent.”

»Ze zijn heel rijk.”

»Maar daarom zou ik niet met hem getrouwd zijn, als ik niet van hem hield. Ik vond het zoo aardig dat hij nog aan mij dacht.”

»Hoe oud was u toen u hem oppaste?”

»Hij was twaalf en ik tien, maar hij heeft nog hetzelfde gezicht, wil u eens kijken?”

En een medaillon voor den dag halend toonde zij een knap donker eenigszins stuursch gelaat.

»Ja, dat is het echte Géran gezicht,” was alles, wat mevrouw van Diteren zich liet ontvallen.

»Ik heb moeite gehad mij te decideeren, ik zag er tegen op reeds dadelijk te trouwen. Ik wilde wel naar Indië gaan om eerst de kennis te hernieuwen maar dat stond mijn oom niet toe.”

»En uw man?” [9]

»Hij nog minder; ik heb zulke lieve brieven van hem.”

»O zoo!”

’t Scheen of er een last van haar weggenomen was, zoo verruimd klonk dat eene woordje.

»En toen heb ik er maar toe besloten. In Holland had ik na Papa’s dood niets, wat mij boeide.”

»Uw broers en zusjes ook niet.”

»Och jawel, ik mocht ze graag, maar wat niet eigen is wordt niet eigen.”

»Nu me… ik zal maar Hermine zeggen niet waar, ik hoop dat u recht eigen wordt met de familie Géran. Ze zijn heel goed, heb ik altijd hooren zeggen, alleen maar een beetje eigenaardig in sommige opzichten.”

»Dat vind ik juist prettig, ik houd niet van al te gewone dingen, maar ik ben blij, dat ik kennis met u heb gemaakt, lieve mevrouw, we zijn beiden zoo alleen…”

Zij zweeg en bedacht zich wellicht, hoe heel anders dat alleen zijn van haar was; zij liet niets achter en ging alles tegemoet, terwijl de arme moeder veel had verlaten en niets haar meer wachtte.

Deze gedachte scheen haar echter weer nieuwe tranen te kosten en Hermine de Géran begon haar te troosten of liever haar gedachten een andere richting te geven.

»Hoe oud is uw oudste, mevrouw?”

»Tien jaar en de jongste zes.”

»O foei,” had zij haast verontwaardigd uitgeroepen.

»Dat komt er van als men met een Hollander trouwt,” zeide de andere, als had zij het onderdrukte woord werkelijk gehoord.

»Zijn ze op een pensionaat?”

»Neen, bij mijn schoonzusters.”

En er vielen nieuwe tranen, die zeker geen gunstige getuigenis aflegden voor het vertrouwen dat mevrouw van Diteren in de familie van haar man stelde.

»Maar was u dan niet liever in Holland gebleven?” vroeg de jonge mevrouw.

»Wel zeker, maar mijn man wilde het niet en daarom moest ik mee.”

»En al uw kinderen achterlaten?”

»Ze moesten toch leeren.”

Eindelijk bemerkte van Diteren dat zijn vrouw nog op het dek was gebleven en tot zijn nog grootere verwondering zag hij haar in druk en zelfs vertrouwelijk gesprek met de jonge dame, die zoo de algemeene belangstelling had opgewekt.

Hij naderde het tweetal en zeide tot Hermine:

»Mevrouw de Géran de Saint-Paul, niet waar?”

»Ja mijnheer,” en zij boog even het hoofd.

»Mijn man!” fluisterde mevrouw tusschen twee snikken. [10]

»O zoo!”

De tegenwoordigheid van hem, die zijn vrouw zoo gewelddadig scheidde van haar lievelingen, scheen haar niet erg te bevallen; zij wendde het trotsche kopje ten minste onmiddellijk van hem af.

»Ik heb het genoegen uw nieuwe familie te kennen… maar vrouw, schei toch eens uit met dat gegrien, voor de juf… ik bedoel voor mevrouw, die toch ook een zwaar afscheid genomen heeft, is dat alles behalve opwekkend.”

»Ik heb geen zwaar afscheid genomen,” sprak Hermine koel.

»Mijn vrouw is wat zenuwachtig, ziet u! Zij kan zich niet boven haar verdriet verheffen, maar waar de noodzakelijkheid spreekt, daar moet toch alles voor zwijgen, vindt u niet?”

Hermine perste haar lippen samen als om niet alles te zeggen, wat zij dacht.

Maar de heer van Diteren had er behoefte aan, dat iemand hem gelijk gaf tegenover zijn vrouw en sloeg op ’t zelfde aambeeld voort.

»Er zijn geen kinderen, die het zoo goed kunnen hebben als zij; mijn zusters zijn gek op hen, ze zullen hun een door en door Hollandsche opvoeding geven; al het Indische, dat zij door hun geboorte en eerste opvoeding mochten hebben overgehouden zal er af gaan, daarbij zijn ze op een uitstekende school; het zal hun aan niets ontbreken.”

»Behalve aan hun moeder!” kon Hermine zich niet weerhouden te zeggen.

»Zij hebben nu zes moeders in stede van een,” sprak de heer van Diteren afgemeten in het volle bewustzijn van iets zeer indrukwekkends te zeggen.

»Zes,” herhaalde de jonge mevrouw en dacht: »Zes stiefmoeders en ik, die er aan een meer dan genoeg had.”

»Ja zes, die niets te doen hebben dan alle gangen mijner lievelingen nauwlettend te volgen, die met de teederste liefde voor hen bezield zijn en die zich allen verheugen mogen in een buitengewone ontwikkeling, elk op haar eigen gebied; eene is zelfs schrijfster. Waarschijnlijk kent u ze wel van reputatie; zij schrijft onder den naam van Fedora.”

»Zij houdt immers ook lezingen over de vrouwenquaestie?”

»Ja en zij zal de kleine Non geheel naar haar beginselen opvoeden.”

»O zoo, dus worden die theorieën van haar eerst op uw dochtertje geprobeerd?”

De heer van Diteren zag dat aanmatigende ding eens flink aan; spotlust flikkerde in haar oogen en een ondeugend lachje plooide haar mond.

»Als u opvoeden probeeren noemen wil, ja!”

»Zoo de proef dan maar goed uitvalt!”

»Waarom zou ze niet goed uitvallen, als de theorieën goed zijn?” [11]

»Omdat er een groot verschil is tusschen theorie en praktijk.”

»U heeft veel ondervinding schijnt het, mevrouw!”

»Van kinderen, ja mijnheer, ik heb ook wel eens theorieën willen toepassen, maar kwam er gewoonlijk slecht af.”

»Maar mijn zuster wil u toch niet op een lijn plaatsen…”

»Met mijzelf? O neen mijnheer! Ze heeft het voorrecht een menschenleven ouder te zijn dan ik. Ik heb haar hooren lezen.”

De lange, hoekige vrouw met de scherpe stem en de overdreven eischen van gelijke rechten voor man en vrouw, met de bittere grieven tegen alles wat man was, en de sombere levensbeschouwing kwam haar duidelijk voor den geest.

»Dora is zoo streng,” zuchtte het arme moedertje, »en zij luisteren allen naar haar.”

»Niet zoo streng,” en een onaangename trek kwam op mijnheer van Diteren’s gelaat, »als uw aanstaande schoonzuster mevrouw, die alles bij uw schoonpapa aan huis bereddert. Zij heeft er den naam van over heel Java. U zal er een ongemakkelijke zus aan hebben.”

Zij glimlachte en sprak uit de hoogte:

»O dat is minder, ik trouw geen schoonzuster, en zal er wel voor oppassen, dat mijn man en ik niet onder haar bevelen komen.”

»Ei, ei, wil u dat, nu dat is een kloek besluit! Zeg vrouw, zullen we niet eens kijken, hoe ’t er in de hut uitziet. Straks word je weer zeeziek en ligt voor dood. Tot genoegen, dapper mevrouwtje van anderhalf dag!”

»Wat een onaangename man! Foei, daar zal ik voor oppassen, dat mijn Coen zoo niet wordt,” zeide Hermine bij zich zelf.

»Mevrouw, mag ik me aan u voorstellen. Ik ben Simons, ambtenaar ter beschikking.… maar hier is mijn kaartje…” zoo stotterde haar jeugdige bewonderaar, die ’t eindelijk van zijn hart kon verkrijgen haar te naderen.

»O zoo mijnheer! ’t Spijt me wel, dat ik nu juist naar beneden ga, maar de reis is nog zoo lang, we hebben al den tijd tot kennismaking.”

En ’t kaartje als gedachteloos toevouwend, gaf zij hem een genadig knikje en verwijderde zich met de houding eener koningin, die van daag geen audiëntie verkiest te geven.

»Verduiveld,” zei de kapitein, die de beweging had aangezien uit de verte, »ze weet reeds goed als koffieprinses op te treden, maar wat ben je toch ook haastig Simons, heb je geen geduld te wachten, tot van Diteren of ik je aan haar voorstellen? ’t Geeft toch niets meer. Zij is getrouwd!” [12]

[Inhoud]

III.

Inhoudsopgave

De »Menado” stoomde onvermoeid door den Indischen oceaan, die op ’t oogenblik ten minste, zich kalm en glad uitspreidde als de oppervlakte van een metalen spiegel.

In den salon zit voor een der tafels mevrouw de Géran te schrijven. Een ongeloofelijk dikke vlecht hangt tot voorbij haar middel, op haar voorhoofd dartelt een rijkdom van donkerblonde krulletjes, die zich nimmer de beleediging zouden getroosten voor poneyhaar gehouden te worden; de zeelucht heeft haar wangen frisch gekleurd, maar vermocht haar schitterend blanke kleur niet te verbranden. Zij heeft een donkerblauwe huisjapon met donkerroode opslagen aan, die hare welgevormde, ranke gestalte knap omsluit.

Terwijl zij schrijft schitteren haar oogen onder de lange wimpers, de kuiltjes komen te zien en verraden hoe ondeugend zij lacht.

»Verbeeld je, beste Coen,” zoo staat er, »die jongen verbeeldt zich verliefd op mij te zijn; ik doe of ik ’t niet begrijp en hij staat verbaasd over zooveel onbegrijpelijkheid. ’t Is zoo dwaas, die onbehouwen knaap.”

»Wat voor liefs zou ik niet geven mevrouw, om een kijkje te mogen nemen in dat keurige boekje.”

Hermine schrijft nog een paar letters, tot de kuiltjes verdwijnen, wat echter niet zoo dadelijk gelukken wil en antwoordt den spreker.

»Och meneer Simons, misschien loonde dat kijkje ’t offer niet.”

»Niet, o mevrouw, uw intiemste gedachten, uw journaal.”

»Hoe weet u dat?”

»Een dame aan boord, die in een boekje schrijft, wat zou die anders doen dan een journaal aanleggen.”

»Vooral wanneer er zulke belangrijke dingen voorvallen als hier; wat zou u interesseeren?”

»Uw manier van alles te zien en weer te geven.”

»O meneer, dat is de moeite van het nieuwsgierig zijn niet waard.”

Zij schreef voort.

»Het boekje is bijna half vol,” zuchtte hij, zich tegenover haar plaatsend.

»Zucht u daarover?”

»En zou ik niet zuchten?”

»Omdat mijn boek half uit is?”

»Dan zal de reis ook geëindigd zijn; ze is reeds over de helft.”

»Gelukkig.”

Zij ging voort met schrijven:

»Nu zit hij tegenover mij en vertelt allerlei flauwe dingen, ik moet er mij zelf telkens aan herinneren dat ik getrouwde vrouw [13]ben; hoe zou ik hem anders er in laten loopen. Denk eens aan, Coen, een blonde jongen, van dat akelige vlasblond, dat op het voorhoofd reeds heel ver naar achter kruipt, maar met studie over den kruin is gekamd om alle leemten zooveel mogelijk te bedekken, een baard en snorretje bestaande uit twintig en nog eenige haren, gedecideerd rossig, oogen, waarvan zonder het brilletje niets zou te zien zijn. Ik heb zeker portret voor mij, en onwillekeurig vergelijk ik beide, dat breede voorhoofd, die mooie, fluweelachtige oogen, dien donkeren knevel, dat karakteristieke in kin en neus, o beste Coen wat tel ik de dagen, wanneer ik dat alles zien kan, niet op een koud, stom portret maar in werkelijkheid…”

Haar pen ging vlugger over het papier, haar lippen zeiden zachtjes de woorden na, die zij schreef. Een lieve blos steeg naar haar wangen.

»Wat voor moois schrijft u weer?” klaagde haar trouwe ridder, die haar stilzwijgend bewonderde.

»Is u daar nog? Foei meneer Simons, nu stoort u mij bepaald.”

»Zoo uit de verte, mevrouw! Mag ik dat niet eens? Moet ik heengaan?”

»U heeft het recht overal te zitten, waar u wil, maar niet om met mij te praten, als ik schrijf.”

»Maar als u eens niet schreef.”

»Dan was het een ander geval; voorloopig ben ik aan ’t schrijven.”

»U kan uw heele leven nog schrijven.”

»En met u praten niet? Neen, dat is waar, maar ik schrijf liever op dit oogenblik, dan dat ik ooit weer met u praat.”

»Kan ik u dan zoo weinig schelen?”

»Dat weet ik niet, ik heb er nooit aan gedacht en ’t komt er ook niet op aan, of u mij iets of niets schelen kan.”

»Bij u misschien, maar bij mij niet.”

Zij trachtte weer te schrijven maar de draad was afgebroken.

»Ik wou dat u ging dammen met mevrouw Brant,” zeide zij ongeduldig.

»Is dat een straf?” vroeg hij op nederigen toon.

»Neen, een voorzorgsmaatregel, om niet te maken, dat u ophoudt mij onverschillig te zijn.”

»Zal dat gebeuren als ik hier blijf?”

»Stellig.”

»En hoe?”

»Ik zou eenvoudig mijn schrijfmaterieel bij elkaar zoeken, denken, dat het schrijven mij van daag niet gegund is en het u levenslang verwijten.”

»Met bitterheid?”

»Wat dacht u, met zoetigheid? Kom, meneer Simons, het schip is groot genoeg, ik zie niet in wat u daar tegenover mij als een gaslantaarn bij officieel maanlicht doet.” [14]

»U zien is mij genoeg.”

»Dat kan u evengoed als u mevrouw Brant verzoekt een spelletje te dammen en u verbeeldt, dat ik het ben.”

»Juffrouw Hermine.”

»Mijnheer!”

»Och ik vergis me weer, ik kan me niet voorstellen dat u een heusche mevrouw is. Ik kan het niet gelooven, ik gaf de helft van mijn leven, als er zoo’n malle formaliteit niet had plaats gehad.”

»Dan zou u ver gevorderd zijn, als u dat halve leven kwijt was.”

»Ik mocht dan op hoop leven.”

»Een mager voedsel, waarvan onze kok, vrees ik, moeilijk iets smakelijks kan maken, en dat de dokter niemand als versterkend middel zal voorschrijven.”

»Meent u dat hoop niet versterkend en krachtig is? O had ik meer hoop, ik zou sterker zijn.”

»Nu, zoodra ik daarvan te veel heb, zal ik ze u in poeiers verdeeld toezenden.”

»Altijd even gevat, even geestig! U moest weten, hoe ik u bewonder.”

»Bewonder dan mijn geduld, dat mij zonder boos worden naar uw belangrijke praatjes doet luisteren. En te denken dat mevrouw Brant met haar dambord naar u smacht.”

»U is meedoogenloos! Ik zal u mijn gezelschap niet langer opdringen.”

»’t Verstandigste, wat ik nog van u gehoord heb. Zie zoo, daarvoor verdient u een belooning.”

Zij trok de stalen pen uit haar houder, stak die nog vochtig van den inkt aan de punt van haar haaknaald, en bood ze op deze wijze haar vurigen bewonderaar aan.

»Alles wat van u komt is mij oneindig veel waard,” zeide hij ootmoedig, nam met zijn twee vingers de pen uit het haakje, bemorste zich met den inkt, tot groote vroolijkheid van Hermine, en deed toen het zwarte, verroeste ding verdwijnen in zijn portemonnaie.

»Daar zal ze blijven als een herinnering aan de mooiste vingers, die ooit een pen in beweging hebben gebracht,” zeide hij, »als een aandenken aan de prachtige woorden, die zij op uw bevel geschreven heeft en die ik nooit, nooit zal mogen lezen.”

»Gelukkig dat uw portemonnaie niet met wit satijn gevoerd is,” merkte de jonge mevrouw spottend aan. »Ha, kijk eens hoe het gele leer reeds de sporen draagt van uwe vingertoppen.”

Simons zuchtte hoorbaar, en trachtte met zijn zakdoek alles weer in orde te brengen; ondertusschen scheen Hermine den draad teruggevonden te hebben en schreef voort:

»Och mijn lieve, beste man, hoe verlang ik naar je, als ik naar [15]al die nauwe, onbeteekenende praatjes luister van menschen, die mij niets, niets aangaan! O, ’t is zoo vreemd, daar alleen tusschen te zijn, niemand te hebben, voor wie ik iets voel—de goede mevrouw van Diteren uitgezonderd—mij tegenover hen trotsch en statig te moeten houden. Lieve Coen, wat zal ik me anders voordoen als we samen zijn; we kennen mekaar nog zoo weinig niet waar, maar we zullen spoedig kennis maken of liever hernieuwen. Je Hermelijntje is nog dezelfde van vroeger; weet je nog, hoe je mij dien naam gaf, nadat we in de dictionnaire gezocht hadden, wat Hermine in het Fransch beteekende. »Hermelijn!” zoo moet je heeten, zei je. »Wit en zwart, zoo is het ook, je wenkbrauwen en je oogen zijn zwart en anders ben je wit.”

»Na dien tijd heeft niemand mij meer Hermine genoemd, maar nu zal jij me weer Hermelijntje noemen, ik zal zoo’n zacht lief hermelijntje voor je wezen, Conrad! voor jou alleen, versta je dat?

»Ze hebben wel eens gezegd dat ik een nagemaakte hermelijn ben. Ik zal je vertellen van waar dat komt, want in Indië weet men zeker weinig van bont af; het hermelijn is erg duur en zeldzaam, maar toch verkoopen de bontwerkers veel wit bont met zwarte staarten. Weet je, waar dat alles van afkomstig is? Van witte poezen en van de staarten van zwarte. En nu bedoelen ze daarmeê dat ik in plaats van een hermelijn een kat ben. Hoe vind je dat, ventje lief? Ik kan me verbeelden, dat wij al deze malligheid samen lezen, op een regenachtigen middag in onze voorgalerij, maar dan moet ik heel dicht bij je zitten, om wanneer ik verlegen ben over al die gekheid mijn gezicht op je schouder te verbergen. O Conrad, ik mag er niet aan denken, zooveel geluk. Wat is Onze Lieve Heer toch goed! Toen mijn arme papa stierf, dacht ik dat er nooit meer iemand op de wereld zou wezen, die aan mij dacht, dat het niemand ooit meer zou kunnen schelen of ik vroolijk was dan bedroefd, of ik altijd maar voor me zelf zou moeten leven, van de eene betrekking in de andere gaan, al mijn vroolijkheid verliezen, nooit meer hartelijk lachen, nooit meer stoeien. Ik was papa’s oogappel, Moe was altijd even knorrig en grienig. Ik deed alles, ik stak mijn handen uit, ik lachte en zong en als er geen vleesch op tafel zou komen, dan wist ik zulke mooie bloemen in de vazen te doen, dat zij reeds dadelijk daaraan zagen, wat er mankeerde, en dan zei ik er een paar grappen over en prees de sauce piquante, die precies rook als gebraden vleesch. De kinderen waren ziekelijk en lastig; maar ik kon er goed mee terecht, dat beviel Moe niet en toen het groote ongeluk ons getroffen had, zocht zij troost bij haar familie en deed mij voelen dat elke band tusschen ons verbroken was. En toen kwam jou voorstel!

»Och Conrad! ik kan het mij niet verbeelden dat ik voor jou alleen zal moeten leven, dat het mijn plicht is, mijn eerste, mijn grootste plicht je gelukkig te maken, je alles te zijn. [16]

»Ik vind het zoo heerlijk dat we daar zullen wonen afgescheiden van de wereld, geheel voor en met mekaar, als Paul en Virginie. Ik ben niet bang voor de eentonigheid van Ngaroengan; een piano zal er immers zijn, en ik heb boeken bij me, die we samen zullen lezen.…. Wat zijn we nog jong, Coen! Vind je dat niet heel prettig? Twee en veertig jaar met ons tweeën,—we zullen echte goede kameraadjes zijn. Ik verbeeld me, dat we er nog pleizier in zouden hebben met den vlieger te spelen, en ik kan ook paardrijden! En dan gaan we samen rijden, uren, uren ver!

»Ik schrijf hier alles wat mijn hart mij ingeeft, mijn brieven verscheur ik drie, vier malen en begin ze telkens opnieuw: ik ben nog een beetje bang voor den Conrad, dien ik niet ken, maar de andere met wien ik kennis zal maken, die mij schaakt en mij brengt, diep, diep in het gebergte, waar hij ons nestje gebouwd heeft, die moet alles weten, alles wat in mijn hart omgaat.

»Ach Coen, ik ben zoo gelukkig! Als je toch wist, hoe ik iederen morgen en iederen avond, je portret een nachtkus geef, en hoe ik me voorstel, dat we in het vervolg zoo’n akelig stuk papier niet noodig zullen hebben om dat mekaar te doen.

»Ondankbaar schepsel, nu spreek ik zoo van dat lieve portret en ik zou ’t niet willen missen voor ik weet niet hoeveel. Ik ben te gelukkig, Coen, en dat doet me zulke dwaasheden zeggen. Is ’t wel goed zoo gelukkig te wezen en geeft dat geen teleurstelling? Ze zeggen… maar zijn we niet allen in Gods hand? Beste Coen, je gelooft het immers ook, dat wij een goeden Vader in den hemel hebben, die al ons doen en laten bestiert, die ons verdriet toezendt—zooals Papa’s overlijden—opdat wij ons leed moedig dragen en daardoor beter worden, die evenals Hij regen en droogte aan het land geeft, ons ook tranen en geluk toezendt. Lieveling, als wij samenzijn, vrees ik geen leed, ik zal op je steunen, je zult me leeren beter te worden, want…”

[Inhoud]

IV.

Inhoudsopgave

»Ben je zoo druk aan ’t schrijven, Mientje?”

»Och mijn lief mamaatje.”

Hermelijn streek met de hand over de oogen, die een weinig vochtig waren, trok mevrouw van Diteren naar zich toe en kuste haar hartelijk.

»Ik amuseer mij zoo met mijn Coentje alles te schrijven wat mij op het hart ligt.”

»Moet hij dat alles lezen?” [17]

»Ja later, als wij op ’t land samen zijn. Nog achttien dagen!”

»Nog achttien dagen, dan ben ik weer zooveel verder van mijn kindertjes.”

»Maar dan krijgt u ook spoedig tijding van hen!”

»Ze mogen zoo dikwijls niet schrijven, dat leidt hen af in hun studie.”

»O mevrouwtje, dat u zich dit alles heeft laten wijsmaken, u die meer verstand in uw pink heeft, dan die zes totebellen…”

»Mientje, wat een leelijk woord, het zijn toch van Diteren’s zusters en ze zijn zoo knap.”

»Zoo knap, zoo knap, dat zij uw liefde en eenvoud niet meer kennen. En ik zeg u, dat u veel knapper is dan alle zes te zamen met… uw man daarbij,” wilde zij zeggen, maar hield het woord in en zei alleen:

»Ik had ù eerder moeten kennen.”

»Je bent ook zoo flink. Kassian, die arme Simons.”

»Zit hij te dammen met zijn tweede vlam, mevrouw Brant?”

»Als je niet getrouwd was, werd hij stellig op je verliefd.”

»Zou hij ’t dan nog moeten worden?”

»Nu ja, je bent getrouwd en al wordt hij verliefd, het helpt hem weinig.”

»Neen, daar vrees ik ook voor! Maar ik ben moe van ’t schrijven. Ik ga mijn boekje opbergen en dan wil ik eens kijken hoe hij ’t daar boven maakt.”

»Mevrouw wint altijd.”

»Natuurlijk, anders was er geen aardigheid bij.”

Een oogenblik later kwamen beide dames op het dek, waar Simons werkelijk vlijtig aan het dammen was met de kolossale mevrouw Brant, een dame met sterk Groningsch accent, die ook voor ’t eerst de keerkringen passeerde en nog geen twee jaar gehuwd was.

Kapitein Brant, die met verlof in Europa geweest was met zijn twee voorkinderen, had daar haar kennis gemaakt. Zij was een weduwe ook met twee kinderen en woonde in de kleine stad, waar Brant zijn familie kwam bezoeken en plan had zich te vestigen.

»Mooier kon je het niet treffen,” zeide men, »mevrouw X gaat de stad uit en heeft nog huur aan haar huisje. ’t Is juist groot genoeg voor u en misschien wil zij zich ook van haar meubels ontdoen.”

Kapitein Brant maakte haar een visite; och ja, zij wilde om mijnheer pleizier te doen, wel het een en ander verkoopen, maar zij had er geen plan op gehad, alles was nog betrekkelijk nieuw en keurig netjes onderhouden.

Dit zag Brant’s militair oog onmiddellijk; smaakvol waren de meubeltjes niet, fijn nog minder maar solide, ô zoo solide. Voor een officier, die voor twee jaren met verlof in Holland is, komt [18]het er echter op een weinig meer of minder soliditeit niet aan. Het moeten al heel zwakke dingen zijn, die ’t geen twee jaar kunnen uithouden; doch mevrouw sprak zoo mooi, zelfs aandoenlijk, daar waar zij het over haar verlatenheid als arme weduwe had en zij vroeg hem zoo weinig.

De kapitein vond alles dol goedkoop, toen zij met een zucht en de verklaring dat zij er zich van ontdeed alleen om mijnheer te gerieven, hem een prijs noemde, dien hij in vergelijking met de Indische prijzen werkelijk laag vond, maar t’huis gekomen en alles optellend en besprekend met zijn moeder en broers, verklaarden deze niet meer of minder dan dat mevrouw X een afzetster was. Zij bepaalden een som, waarvoor zij alles te houden of te geven had, en den volgenden morgen ging onze kapitein met looden schoenen naar de weduwe. Hij had een afschuw van loven en bieden, en in plaats van met zijn voorstel aan te komen, verklaarde hij haar spoedig, dat hij alles voor den door haar gestelden prijs overnam.

Nu werd zij waarlijk onweerstaanbaar; zij liet haar kindertjes komen en sprak over »de engeltjes” van den kapitein, luisterde naar de opsomming hunner kwalen, raadde dik ondergoed aan, flanellen borstrokken en wollen kousjes, verzocht hen eens bij haar grut te komen spelen; in een woord de kapitein raakte in de wolken.

Den nacht bracht hij slapeloos door; een enkel denkbeeld hield hem bezig, waarom moest die teere, zorgvolle moeder dit huis nu voor hem verlaten, zou er iets tegen zijn, dat hij met zijn lievelingen bij haar introk?

Neen niets, als zij maar wilde.

En zij wilde. De kinderen waren geen bezwaar, integendeel ze zouden met mekaar heel aardig kunnen spelen.

»En nu we toch trouwen, zal ik je maar bekennen, dat ik je heel, heel veel voor alles in rekening heb gebracht. Ik zag er eerst tegen op maar nu ieder van ons met zijn drieën is, hebben we mekaar niets te verwijten,” zoo sprak zij. Kort daarna werd het huwelijk gesloten; de beide meisjes van weerskanten gingen mee naar Indië en de geïmproviseerde broertjes bleven op dezelfde kostschool; gedurende het verblijf in Holland had geen der partijen zich over den genomen stap beklaagd en mevrouw Brant zag er niets tegen op den man harer keuze te volgen.

Een hartstocht had zij en dat was dammen; ieder werd om beurten voor het bord gezet en was er niemand te vinden dan werd de man er aan gewaagd.

»Maar met hem kan ik het nog dikwijls doen in de eene of andere negorij, waar hij geplaatst wordt,” sprak zij openhartig, »nu wil ik het liever met een ander probeeren.”

»Wint u, mevrouw?” vroeg Hermelijn naderbij komend.

»Ja, als u er bij komt, dan kan ik drie tegelijk slaan zonder [19]dat hij er iets van merkt, hij kan zijn gedachten niet bij het spel houden.”

»Dus zal ik maar heen gaan om u de overwinning niet te gemakkelijk te maken!”

»Ik heb er een nederlaag voor over, als u bij ons komt staan,” zei Simons, »heeft u gedaan met schrijven?”

»Voorloopig,” en mevrouw van Diteren toefluisterend, »een drama getiteld: »Het damspel op de Menado” of »de zelfopofferende ambtenaar”.”

De beide onafscheidelijke dames verwijderden zich.

»Men zou niet zeggen dat zij al getrouwd is,” merkte mevrouw Brant op met al het gewicht dat eene, die het reeds tweemaal geweest is, in zoo’n opmerking kan leggen.

»Zij is ’t toch helaas! wel!” zuchtte Simons.

»Och, ’t is de moeite niet waard; met den handschoen of liever niet eens met een handschoen, want dat doen ze niet meer.”

»Vindt u het geen waagstuk van haar?”

»Verschrikkelijk.… ongehoord!.… Ze kennen mekaar zoo goed als niet.”

»Dat treft de kerel, zonder eenige moeite, zonder gevaar voor een blauwtje zulk een vrouw t’huis te krijgen.”

»En ’t moet een nare, akelige jongen zijn. Brant kent die familie, door en door inlandsch—dat zeggen de Oosterschen voor Indisch, moet u weten—echte sinjo’s, die geheel onder den invloed van hun vader en zuster staan.”

»Kent de kapitein haar man?”

»Neen, maar wel zijn familie! De vader zoekt de vrouwen voor zijn zoons uit. Misschien hebben ze dien zoogenaamden man van haar zijn handteekening laten plaatsen onder de procuratie zonder dat hij wist, wat hij teekende.”

»Maar dat zou onmogelijk wezen.”

»Verbeeld je, getrouwd zijn zonder het zelf te weten.”

»En is daar niets aan te doen?”

»Zij is vol illusiën, het spijt me alleen dat wij te Batavia uitstappen. Ik zou die ontmoeting zoo graag gezien hebben op Samarang tusschen die onbekende echtgenooten.”

»Ik niet, ik vind een teleurstelling hartverscheurend. Waarom kon ze niet wachten met trouwen tot ze in Indië was?”

»De Gérans weten ook wat zij doen. Op geld komt het bij hun niet aan, ze moeten een mooi meisje hebben, van goede familie, want trotsch is dat volk er bij, zegt Brant. Verbeeld je, als zij eens kennis maakte met die menschen en ze bevielen haar niet, dan kwam er van trouwen niets.”

»Des te beter.”

»Maar dan zou ze toch niet juist u nemen.”

»Dat weet ik wel, maar er was altijd meer kans.”

»Nu verbeelding heb je genoeg, Simons, maar kijk eens aan [20]waar je dien dam zet. Is ’t je ernst? Praten of spelen, een van tweeën, naaien en breien gaan niet samen.”

Haar echtgenoot liep met van Diteren op en neer. Ook zij hadden het over Hermine de Géran! Wat zou er van de conversatie aan boord der Menado geworden zijn, wanneer zij de reis op een andere boot had gemaakt?

»Ik zie hun vriendschap niet graag, zij haalt mijn vrouw allerlei dingen in ’t hoofd,” sprak van Diteren.

»En de mijne zet ze onophoudelijk met haar stillen aanbidder voor het dambord.”

»Ik mag ze niet, en jij?”

»Ik vind het een verduiveld aardige meid. Bij de hand, van alle markten t’huis, niet preutsch en toch met zoo’n air over zich, dat niemand het wagen zal haar te na te komen.”

»Maar bemoeiziek in de hoogste mate.”

»Dat kan ik niet vinden, enfin, ik heb er geen ondervinding van.”

»In plaats van mijn vrouw wat neer te zetten, en te zeggen, dat het voor ’t welzijn der kinderen is, dat zij in Europa blijven, zet zij haar op en verzekert, dat het onnoodige plagerij van mijn kant is en volstrekt niet noodzakelijk.”

»Heeft zij dat gezegd?”

»Nu ja, niet precies maar in dien geest toch.”

»Een bewijs dat zij oprecht is.”

»Laat ze haar oprechtheid voor zich houden. Ik kan er mij in verkneukelen, dat zij bij die Gérans komt. Let maar op, Brant, we zullen er mooie dingen van beleven.”

»In elk geval niets ten nadeele van haar naam en karakter, want zij is zoo braaf als trotsch. En een vrouw, die beide is, zal zelfs door onze alles behalve reine Indische maatschappij geëerbiedigd worden.”

»Wat zij is, hoe weet je dat?”

»Hermelijn wordt zij genoemd en dat is zij, blank en fier; zoo zal zij ook blijven.”

»Mijn hemel, Brant, ken je haar van van daag of van gisteren, hoe kom je zoo poëtisch?”

Het gesprek werd fluisterend voortgezet. Van Diteren had nu eenmaal een antipathie opgevat tegen de vrouw, die hem geen gelijk gaf in iets, wat hij tegen beter weten in had volgehouden, alleen om de arme moeder te toonen dat zij van zulke dingen geen verstand had.

Daarbij was hij een van die ongelukkige wezens, bij wien de Indische zon alles verzengd heeft wat eeuwig jong en frisch moet blijven; hij geloofde niet aan liefde, zelfs aan geen ouderliefde, aan onbaatzuchtigheid, aan opoffering, alles werd gedaan om bij-oogmerken, niemand was volgens hem goed en edel dan omdat hij inzag dat hij door zich zoo te vertoonen beter zijn doel zou bereiken dan omgekeerd. [21]

Nu begon hij den kapitein staaltjes te verhalen, die hij zelf had bijgewoond van meisjes, bij wie Hermine niet in de schaduw kon staan en waarop thans zeer veel af te dingen viel, die de laster had aangevallen met of zonder recht.

»De laster, o spreek me niet van laster! Ga maar eens bij Verhuell kijken, daar zie je wat laster doen kan en hoor wat Bouwmeester als Hamlet er van zegt. »Wees zoo rein als ijs, zoo koud als marmer,” ik weet het niet precies meer, maar ’t komt er op aan dat het niemendal helpt, hoe men zich houdt; als de laster je pakken wil, dan krijgt hij je ook beet.”

»Men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan.”

»En welk vlekje is er aan mevrouw de Géran? Is er een zweem van koketterie in haar houding tegenover dien fat van een Simons of… òf tegenover jou?”

»Tegenover mij, jawel, zij kan me niet luchten.”

»En dat pikeert je tegen wil en dank.”

»Ik heb geen moeite gedaan om haar een andere opinie van mij te geven.”

»Maar je zoudt willen dat zij die had. Heeft ze niet altijd standvastig geweigerd piano te spelen of te zingen?”

»Omdat ze niet wist of haar man het goed zou vinden, heeft ze aan mijn vrouw gezegd. Ik geloof om ons een hoog idee van haar talent te laten behouden.”

»Hoe ’t ook zij, die jonge Géran is een gelukkige kerel; ’t is te hopen dat het uilskuiken zijn geluk beseft.”

»Wel kapitein,” vroeg Simons, die na schitterend verslagen te zijn door de vrouw, den man naderde, »u heeft het ook over de jonge mevrouw, geloof ik! Vindt u die huwelijken met den handschoen geen ellendige instelling?”

»Even ellendig als het: »Hier liggen voetangels en klemmen” in een mooien, open bloementuin.”

»Pas maar op de voetangels, jong mensch! Ik zou je daarvan kunnen vertellen, ’t kan zijn nut hebben.”

Een damspel met mevrouw Brant was stellig veel geschikter, zoo niet nuttiger bezigheid voor den vrij baarschen jongen ambtenaar, dan een gesprek onder vier oogen met den levenswijzen van Diteren, dat hem moest bekend maken met de mindere ideale zijde van het Indische leven.

[Inhoud]

V.

Inhoudsopgave

Batavia was in zicht en de reis met de Menado ten einde. Het was een gelukkige reis geweest met weinig stormen, zoo goed als geen onaangenaamheden, geen oproer onder het transport, voordeeligen wind, zoodat men binnen den bepaalden tijd aankwam. [22]

Vriendschappen en verbintenissen voor het leven waren er, wel is waar, niet aangeknoopt, maar toch, men had het goed met elkaar kunnen vinden; die elkaar minder mochten lijden, waren rustig uit mekaar’s weg gebleven, de anderen hadden zich wat vaster aaneengesloten en toch was men blijde op Java te zijn, allen, behalve Simons, die nu het voorwerp zijner platonische bewondering zou verliezen.

Het oogenblik van afscheid kwam, mevrouw Brant had haar beide meisjes »de bonte tweeling”, zooals Hermelijn ze noemde omdat ze van dezelfde grootte maar van verschillende gelaatskleur waren—zeer netjes voor de gelegenheid gekleed, precies gelijk, want zij wilde geen onderscheid maken tusschen de bleeke vlasblonde Cis en de donkerbruine Non, en toch waren het toevallig steeds kleuren, die de lichte goed en de donkere afschuwelijk kleedden.

Mevrouw van Diteren had weer eenige kwade oogenblikken op het gezicht van het eiland, waar al haar lievelingen geboren waren en dat zij ook met het lieve viertal verlaten had.

Haar echtgenoot snauwde haar onbarmhartig toe dat zij al die malle kunsten zeker van die gekke meid had geleerd, die zij steeds zoo naliep.

Simons liep rond, met een pakje onder den arm, zoo druk en tevens zoo schichtig, dat kapitein Brant hem vroeg, of hij reeds door de tarantulaspin gestoken was.

Eindelijk zag hij Hermine de Géran op het dek verschijnen. Zij had voor ’t eerst een sneeuwwit morgenkleed aan, dat haar hermelijnachtige schoonheid ten volle deed uitkomen.

Zij liep als gewoonlijk naast mevrouw van Diteren; aangenaam ware het Simons geweest, als hij haar alleen had mogen spreken, maar daar bestond weinig kans toe, want de beide dames waren onafscheidelijk, vooral nu in de laatste oogenblikken.

De treurende moeder begon erbarmelijk te schreien; Hermelijn sloeg den arm om haar middel en drukte haar hoofd tegen haar borst; zacht fluisterde zij haar lieve troostende woorden toe.

»Och Mientje,” snikte de arme vrouw, »ik weet niet hoe ik die reis had kunnen doen zonder jou, je bent mij zoo tot troost geweest. Nu ik je verlaten moet is het of ik opnieuw van mijn kindertjes afscheid neem.”

»Kom, lieve mevrouw, moed! Vijf jaar zijn gauw om, dan zal immers uw oudste terugkomen, of liever daar moet u voor zorgen, dat is lang genoeg; dan moet u uw wil doordrijven, ’t is wel geweest. En nu is u terug op Batavia…”

»Ach, dat leege huis en al hun speelgoed terug te vinden, waar ik ’t heb gelaten! Ik zie er zoo tegen op Hermine! Zal je mij dikwijls schrijven?”

»Stellig, mevrouw, en dan komt u eens bij me logeeren.”

»Ik wou dat je meeging met ons, ’t zou mij zoo goeddoen.” [23]

»Dat kan niet, ’t spijt me erg, maar u begrijpt het zelf, ik weet niet of mijn man het goedkeurt en daarbij mijnheer van Diteren,” voegde zij er lachend bij, »vindt het stellig niet goed.”

Daar naderde Simons juist.

»Gaat u nog naar wal?” vroeg hij eerbiedig buigend.

»Neen mijnheer!”

»Dus moet ik hier afscheid nemen.”

»Als u daaraan behoefte heeft, ja!”

»Mag ik u een klein souvenir aanbieden, ik heb er nog steeds een onwaardeerbaar van u.”

»Heeft u die mooie pen nog?”

»Ze zal met mij begraven worden.”

Hermelijn barstte in een helder gelach uit; als zij lachte klonk er iets als neerklaterende parelen, zoo melodieus en harmonisch, zoo opwekkend en verfrisschend tegelijk. Alles was jong in Hermine en dat maakte haar voor ieder, die niet innerlijk verdord en verdroogd was als van Diteren, onweerstaanbaar aantrekkelijk.

»Verlangt u hetzelfde van uw souvenir aan mij?”

»Neen, als u het bij uw leven maar soms beziet.”

Hij reikte haar het pakje over, het waren photographieën naar beroemde schilderijen in een daarvoor bestemd doosje.

»Ik dank u zeer, mijnheer Simons,” zeide Hermelijn op den natuurlijksten toon der wereld, »’t is een heel aardig souvenir van onze reis, juist geschikt voor menschen, die weinig kans hebben de schilderijen ooit in werkelijkheid te zien. Mijn man en ik zullen er met genot naar kijken; u weet »A thing of beauty is a joy for ever” en aan kunstvreugde zal het ons in het gebergte maar te dikwijls ontbreken. Nogmaals hartelijk dank!”

En zij reikte hem haar hand en zag hem tegelijk recht in de oogen.

»Wat ziet hij er vreemd uit,” dacht zij.

Hij hield haar hand iets langer en steviger vast, dan de strikte beleefdheid vorderde, maar plotseling liet hij ze los, keerde zich om, en ging over de verschansing leunen; aan de beweging zijner schouders zag Hermelijn duidelijk, dat hij streed om een plotselinge aandoening meester te worden.

»Mijn hemel, zou hij ’t ernstig meenen?” vroeg zij half lachend, half bewogen aan mevrouw van Diteren.

»Waarom zou hij ’t niet meenen, denk je dat het zoo moeilijk is van je te houden?”

»Vreemd,” dacht Hermelijn, »onbekend kom ik op het schip en nu zijn er twee, die bij ’t afscheid om mij schreien. Wat zal Coen er van zeggen, ’t schijnt dat zijn vrouwtje in den smaak valt, maar ik heb dien armen jongen toch altijd zoo geplaagd.”

De andere afscheidsgroeten liepen zeer gewoon af; de bonte tweeling stortte ook tranen bij het verlaten van de lieve, jonge mevrouw, die zich zoo aardig met haar had beziggehouden. [24]

»Als ze allen beginnen, ga ik ook nog huilen,” sprak mevrouw Brant, »en dat heb ik nog maar zelden in mijn leven gedaan. Het ga u goed, mevrouwtje!”

En zij kuste Hermelijn’s zachte wangen.

Van Diteren’s laatste afscheidswoorden waren minder hartelijk dan die zijner vrouw:

»Nu nieuwe mevrouw, het beste succes met je schoonzuster.”

»O ik ben niet bang voor één schoonzuster, voor geen zes!” riep zij met van ondeugd tintelende oogen hem tartend na.

Van Diteren beet zich op de lippen en mompelde er iets bij.

»We zullen eens kijken verdraaide heks, hoe ze je spoedig leeren een toontje lager te zingen.”

En zoo vertrokken ze allen. Hermelijn bleef het kleine bootje de »Tjiliwong” nastaren en voelde zich getroffen, bij de gedachte dat zij de menschen, met wie zij zes weken lief en leed had gedeeld, nu misschien nimmer zou terugzien, vooral voor die goede mevrouw van Diteren, deed het haar verdriet, maar alles werd overtroffen door de gedachte:

»Over een paar dagen zie ik mijn man, en van hem zal ik nooit scheiden, vóór de akelige dood er tusschen komt,” juichte zij in het diepste van haar hart.

»Ik vind het niets hartelijk van haar man, dat hij haar niet komt afhalen,” zei mevrouw van Diteren aan boord van den »Tjiliwong” tot mevrouw Brant.

»Brant dacht ook dat hij hier zou wezen. ’t Is vreemd.”

Maar Hermelijn zag er niets vreemds in. Zij had een telegram ontvangen met de woorden:

»Welkom in Indië!”

Zij vond dat een allerliefste attentie van Conrad Géran; een grooten brief had zij toch aangenamer gevonden; die laatste dagen vielen haar het zwaarste, slechts de heer Tulings en een andere familie, die zich zeer op den achtergrond had gehouden, bleven op de boot. Zij brandde van verlangen aan wal te gaan en Batavia te zien, maar zij durfde niets op eigen gezag doen in het vreemde land.

Eindelijk kwam de »Menado” te Samarang aan; den laatsten nacht had Hermelijn geen oog gesloten, nu zij aan het begin stond van een nieuw leven, begon zij eerst er het volle gewicht van te gevoelen; in die laatste stille uren kwamen de herhaalde waarschuwingen en plagerijen van van Diteren haar weer voor den geest, maar dan trachtte zij er om te lachen. Haar Conrad zou met haar zijn, en wat behoefde zij nog te vreezen?

Zij trachtte zich opgeruimd te voelen maar haar hartje klopte geweldig, zij hoopte spoedig aan te komen en ’t was een verlichting, te hooren dat het nog langer zou duren dan men aanvankelijk dacht.

Eindelijk kwam men aan; de haven van Samarang laat, wat [25]veiligheid betreft, veel te wenschen over, soms zijn de stoombooten van wal uit niet te genaken.

»De blauwe vlag waait.”

En dan weet men dat alle gemeenschap over zee verbroken is; de tambangans (schuiten) mogen de rivier niet verlaten, daar de onstuimige zee te veel gevaren zou opleveren voor hen, die zich toch op de golven wilden wagen.

Gelukkig voor Hermelijn was de blauwe vlag niet op den toren der hoofdwacht geheschen, de witte huizen der stad teekenden zich scherp af tegen het geboomte en de hooge berg Oenarang vormde een indrukwekkenden achtergrond, tegenover de vrij wilde zee.

Een tambangan worstelde met de golven, nu eens zwevend in de hoogte, dan weer diep nederdalend, Hermelijn volgde den eersten zwarten tip, die langzamerhand grooter en grooter werd, met kloppend hart en trillende oogen.

Twee heeren zaten er in, haar schoonvader zeker… en hij.

»Er ist’s, die Flagge der Liebe mag wehen.”

Onophoudelijk gonsden haar die woorden uit de Freischütz door het hoofd, terwijl ze met ijskoude handen zich aan de leuning vastklemde en niets anders meer zag, niets anders meer hoorde, dan het bootje en het klotsen der roeispanen in de dansende golven. De heeren zwaaiden met hun hoeden, zij haalde haar zakdoek uit en wuifde terug.

»Er ist’s, er ist’s!”

’t Was of elke golf, die tegen het schip opvloog en het zilverschuim hoog en sissend deed omhoogspatten, de woorden zong en nog eens zong, zoo zelfs dat zij haar tergend in de ooren klonken. Zij begon de gezichten te onderscheiden en toen kon zij het niet langer meer boven uithouden; zij wist het zelf niet of ’t angst, dan wel vreugde, of schaamte was, maar zij had nu willen vluchten verre van daar. Iets bleef in haar hart de overhand behouden, de zekerheid dat over weinige oogenblikken, zij niets anders meer gevoelen zou dan diep innig geluk, het bewustzijn dat al haar wenschen vervuld waren, dat zij niets meer te verlangen of te vreezen had, dat zij dan eerst zich in veilige haven zou bevinden.

»Wil u den damessalon ingaan?” vroeg de kommandant, die haar op de trap ontmoette.

»Heel graag mijnheer! Brengt u de heeren dan beneden?”

»Zeker mevrouw, ik zal mij met de ontvangst belasten,” zeide hij zeer ernstig zonder een in zulke omstandigheden, zoo goedkoope poging om aardig te zijn.

Daar zat zij nu op de rood fluweelen divan en volgde met haar oog de vergulde lijsten, die kleine bloemstukken omgaven; zij telde werktuigelijk de roode en blauwe blaadjes, en deelde de figuren van het lijstje in vijftallen af. [26]

Eensklaps rees zij op.

»Was dat wel Conrad geweest, die eene heer! Misschien had hij een ongeluk gehad, misschien was hij ziek, misschien…”

»Hoe dwaas! hoe kinderachtig,” zeide zij dadelijk er op, en streek zich met de hand over de golvende lokken, die ondanks al haar moeite om zich van daag bijzonder netjes te kappen, weerbarstiger schenen dan ooit en zij begon te lachen. Maar die lach klonk zoo zonderling, ’t was of zij nu eerst voelde dat zij de Hermelijn van vroeger nimmer meer zou zijn, dat zij zich zelf vreemd werd.

Daar hoorde zij duidelijk dat de tambangan aanlegde, dat de kapitein de aankomelingen begroette; er werd over de onstuimige zee gesproken, hoe kon men dat doen op zoo’n oogenblik?

Zij ging naar de deur maar kwam terug en bleef weer zitten, even zag zij in den spiegel en schrikte over haar bleekheid; die zwarte japon kleurde haar niets, zij zag er niets goed uit, zij zou haar man stellig teleurstellen. Waarom had ze met geen rood of blauw dat zwart opgevroolijkt?

Daar hoorde ze mannenstappen de trap afgaan, toen vouwde ze haar handen en lispelde, bevend:

»O vader, sta me bij, ik ben bang.”

Van Diteren als hij er bij geweest ware zou gegrijnslacht hebben, zoo was die brutale meid nu eindelijk klein geworden.

[Inhoud]

VI.

Inhoudsopgave

De deur werd geopend en twee heeren kwamen binnen, beiden lang en door de zon gebruind, maar van verschillenden leeftijd.

De oudste was een goede vijftiger, hoewel men hem in Holland voor even in de zestig kon aangezien hebben; zijn krullend haar was nog vol maar spierwit, een kort geknipte gitzwarte knevel groeide onder een scherp gebogen neus; even zwart maar nog borsteliger waren de wenkbrauwen, die fronsend over een paar doordringende zwarte oogen hingen; breedgeschouderd en forsch gebouwd, droeg hij een wit jasje van vreemden vorm, was hoog tot aan zijn kin dichtgeknoopt en in zijn hand hield hij een badientje. De jongere mager, min of meer voorover gebogen, had een overmatigen langen, stijven hals en klein hoofd; zijn gelaat miste alle uitdrukking, hij maakte den indruk van een adjudant naast zijn generaal, van een weinig zeggenden en nauwelijks toeluisterenden vertrouweling naast een tooneelkoning.

Hermelijn ging hen tegemoet.

»Hij is er niet bij,” was haar eerste gedachte. [27]

»Welkom, kind!” sprak de oude heer en kuste haar op het voorhoofd; »ik ben je nieuwe vader en dat is je zwager August. Je man is niet meegekomen, hij wacht je in het hotel. Van middag kerkelijke inzegening en dan onmiddellijk naar huis. Is je goed ingepakt, ik bedoel, wat je dadelijk noodig hebt, voor de rest wordt gezorgd.”

De zwager vergenoegde zich zijn schoonzuster een slappe hand toe te steken, die zij even aanraakte, zonder er zelfs aan te denken dat hij haar volle neef was. Toch was zij niet teleurgesteld; Conrad wilde hun ontmoeting niet aan boord doen plaats hebben; hij had gelijk, wat hadden die officieren, matrozen en bedienden met hun liefde noodig?

»Hij is toch niet ziek papa?” vroeg zij, dapper hem dien titel gevend.

»Waarom zou hij ziek wezen? August, ga naar den kapitein en zeg hem, dat wij dadelijk vertrekken.”

August verdween zeer gehoorzaam.

»Maak je dan maar klaar, hoe is je voornaam ook weer?”

»Hermine!”

»Nu spoedig dan, we hebben geen tijd te verliezen. Het is 11 uur.”

Nog geen drie minuten later had Hermine haar hoed op en den mantel omgedaan en stond met haar handkoffertje op het dek, zeide den kapitein, zijn officieren en de overgebleven passagiers vluchtig »goeden dag” want haar schoonvader was reeds in het bootje afgestegen, en ging toen zelf het trapje af, dat naar het tamelijk sterk deinende bootje leidde.

De oude heer de Géran reikte haar de behulpzame hand, August sprong hen na, de roeiers zetten hun spanen in beweging en het schuitje begon Samarang te naderen.

Hermelijn kon nog maar niet op haar gemak komen; haar schoonvader deed haar geen enkele vraag over haar reis, over haar familie, vertelde niets van het eenige, dat haar belang inboezemde, maar sprak over de ellendige haven van Samarang, over de moeite, die het kosten zou daarin verandering te brengen, over de ellendige bandjirs1, die in de laatste Westmousson de stad geteisterd hadden en die van het aangename, schilderachtige plaatsje uit de dagen zijner jeugd een akelig hol hadden gemaakt.

Dat was alles zeker hoogst interessant, maar op dit oogenblik boezemde Samarang Hermelijn slechts in zooverre eenige belangstelling in, daar het in een zijner huizen haar Conrad bevatte.

August’s stem was met geen mogelijkheid te hooren, want zoolang de tocht duurde gaf hij haar geen gelegenheid zijn lippen te ontsnappen. Eindelijk kwam men in de rivier, die gevuld [28]was met djangollans2, prauwen en tambangans, en weinige oogenblikken later aan de aanlegplaats »Boom” genaamd.

Daar stond een rijtuig hen op te wachten, een zoogenaamde palankijn, waarin het drietal plaats nam.

Later kon Hermine zich niets meer herinneren, van de straten, die zij doorgereden was, met de naar Europeesch model gebouwde huisjes die de brandende zon nu in een vuurgloed blakerde; ’t was of zij in een droom voortleefde, waaruit alleen de stem van Conrad haar kon doen ontwaken.

Men reed het ruime plein van het Heerenlogement op; het was twaalf uur en de rijsttafel juist begonnen.

»We zullen maar dadelijk gaan eten,” zei de oude heer de Géran, toen zij uitgestapt waren en wees Hermelijn de deur aan naar de groote binnengalerij, waar een vijftigtal heeren, dames en kinderen om een lange tafel zaten.

»Waar is Conrad?” had zij willen vragen, maar de vraag verstijfde haar op de lippen, daar van hem geen sprake scheen te zijn.

Het drietal zette zich aan tafel, Hermine tusschen de beide heeren, den steeds zwijgenden August en den vader, die ’t weldra met zijn over- en naasten buurman druk had over allerlei belangrijke onderwerpen, waarvan Hermelijn niets anders kon onthouden dan dat het in Indië een ellendige boel was, dat alle dingen verkeerd gingen, dat het gouvernement een menigte boosheden op zijn rekening had, dat ieder verongelijkt werd en het niet lang zoo duren kon.

De heer de Géran had een korte, gebiedende manier van spreken, hij zeide iets, dat als zijn overtuiging moest gelden, en kwam er niet op terug; wanneer de anderen hem wilden verzekeren, dat het niet juist zoo was, dat er iets op af te dingen viel, dan ging hij met eten voort, zonder zich in het minste over de redeneeringen van den ander te bekommeren, of hij maakte er plotseling een einde aan door de een of andere opmerking, die met het gesprokene in volstrekt geen verband stond.

Hermelijn kon niets door de keel krijgen; de rijsttafel was haar nog geheel vreemd, en daarbij was zij zoo vervuld van haar zonderlingen toestand, zoo teleurgesteld door de afwezigheid van Conrad, dat zij zich nauwelijks de moeite wilde gunnen om te eten als elk ander. Zij merkte niet, hoe zij de algemeene aandacht opwekte, hoe eenigen haar beklaagden, anderen benijdden; een ding trof haar slechts, de verbazende bergen rijst, die de zwijgende, magere August op zijn bord nam en met ongeloofelijke snelheid deed verdwijnen.

Zij kon die verlatenheid niet langer dragen en wendde zich tot hem met de vraag: [29]

»Waar is Conrad nu toch?”

»Nog niet aangekomen, strakjes pas.”

En hij nam een hoop sambel3 op zijn bord.

»Behoort dat hier zoo?”

»Weet niet.”

»Sinds wanneer is u dan op Samarang?”

»Acht dagen.”

»En… pa-pa ook?”

»Jawel.”

»Voor zaken, of om mij af te halen?”

»Altijd maakt papa de boel in orde om dezen tijd.”

Welke boel, kon Hermelijn met geen mogelijkheid raden.

»U is getrouwd, niet waar?”

»Ikke, jawel.”

»En hoeveel kinderen heeft u?”

»Tien en een op komst.”

Hermelijn vertrouwde haar ooren niet, die opgeschoten knaap, vader van tien kinderen.

»Maar hoe oud is u dan, August?”

»Acht en twintig.”

»En uw vrouw heet immers Sophie?”

»Jawel.”

»Is zij een Europeesche?”

»Neen.”

»En uw broer Guillaume heeft ook al een vrouw.”

»Jawel.”

»En ook kinderen?”

»Vijf, pas weer een gekregen.”

»Van uw zusters zijn er ook al een paar getrouwd.”

»Dolly en Kitty.”

»Wonen zij ook op het land?”

»In Kaboelen.”

»En hoe heeten hun mannen?”

Hermelijn zou verlegen geweest zijn, als iemand gehoord had, hoe weinig zij haar tegenwoordige familie kende, maar niettegenstaande de kosten van het gesprek geheel op haar rekening kwamen, vond zij ’t zoo beter en nuttiger dan geheel en al te zwijgen en zette dus haar verhoor voort.

»Van Akkeveen en Portias.”

»Corona is toch de oudste?”

»Wie?”

»Corona.”

»O Cor, ja.”

»Ouder dan u?” [30]

»Weet niet.”

»Zij wordt dus Cor genoemd!”

»Jawel.”

»En hoeveel kinderen zijn er nog behalve u en Corona, Guillaume, Dolly, Kitty en Conrad.”

Een lange pauze, August scheen te tellen.

»Zes, neen zeven… wacht eens, ja toch zes.”

»En is hun moeder al lang dood.”

»Vijf jaar.”

»Corona is dan zeker hun pleegmoeder.”

August vond deze vraag zeker de moeite niet waard om er het genot aan op te offeren, dat het kluiven van een in kerrie toebereid kippepootje hem bereidde; zijn vingers en lippen waren er goudgeel door gekleurd.

De oude heer de Géran had echter zijn maal geëindigd; hij stond op en vroeg Hermelijn of ook zij gedaan had; dadelijk was zij met haar toestemmend antwoord gereed en wilde hem volgen toen van het andere gedeelte der tafel een heer naar hen toekwam.

»Mijnheer de Géran, uw nieuwe schoondochter, als ik mij niet vergis, mag ik u de eer verzoeken mij aan mevrouw voor te stellen.”

»Mijnheer Thoren van Hagen, Hermine de Géran.”

»Hermelijn!”

»Iwan!”

Lachend zagen de beiden elkander aan; de vreugde een bekend gelaat te zien, tusschen al die onbekenden deed Hermine’s oogen stralen en zij reikte hem de hand.

»Kent ge mekaar?” vroeg de schoonvader.

»Och ja, van het Graafje, toen juffrouw van Voorden haar papa er kommandant was, en ik als sergeant bij hem aanbevolen was.”

»Heeft u den militairen dienst verlaten?” vroeg de oude heer.

»Ja, zoodra ik de luitenants-epauletten had, heb ik ze weggeworpen.”

»En wat ben je thans?”

»Niets Her… ik zal mevrouw moeten zeggen.”

»Natuurlijk, mijnheer Thoren van Hagen, ik ben het te kort, om niet op dien titel gesteld te zijn.”

»Nu, ik ben letterlijk niets, ik reis voor mijn pleizier.”

»Gelukkige menschen, die ’t kunnen doen. Reis je met ons mee, Thoren? Naar Ngaroengan?”

»Met zeer veel genoegen, mijnheer de Géran.”

»Nu, ’t blijft afgesproken, om vier uur rijden we naar de kerk, om half vijf naar boven.”

»Als u mij verzekert, dat ik niemand hinder, noch door de plaats, die ik inneem, noch door mijn tegenwoordigheid en familie.”

»Wel neen, volstrekt niet. Is er wat Beersma?”

De heer de Géran stond weer iemand anders te woord; ’t was [31]niet moeilijk te zien, dat hij hier met zeer veel onderscheiding behandeld werd en dat ieder hoog tegen hem opzag; hij zelf scheen het volle bewustzijn te hebben van zijn waardigheid.

»Wat verwondert het mij je hier te zien, Hermelijn,” zeide Thoren van Hagen, »je ziet hoe waar het is dat oude praatje à la monsieur de la Palisse van die bergen en dalen. Mijn goede majoor is dus niet meer!”

»Anders zou ik hier niet wezen,” zeide Hermelijn met een trilling in de stem, want plotseling was ’t haar of zij er spijt van moest hebben dat zij den stap had gewaagd.

»Je man is er nog niet.”

»Neen, ken je de familie, Iwan?”

»Volstrekt niet, ik ben sinds een maand hier in het logement gelogeerd, en maakte een dag of wat geleden kennis met den ouden heer de Géran, een kranige kerel, van wien ik veel gehoord had, de koffiekoning van midden-Java, die altijd gereed staat elke onderneming te steunen, alles wat goed en grootsch is, tot stand te brengen. Een man, waaraan Indië veel verplichting heeft, je mag trotsch zijn tot die familie te behooren, Hermelijn!”

»O dat ben ik ook.”

»Van waar kende je je man?”

»Uit Holland.”

»Is hij daar geweest, dan zal ’t hoop ik een ander exemplaar wezen dan…” en hij knipoogde glimlachend in de richting van August.

»O stellig, ’t is zoo’n lieve jongen.”

»Is ’t de jongen, die je den naam van Hermelijn gaf?”

»Juist en daarom was mij die altijd zoo lief. Ik was zoo blij hem weer te hooren. En hoe gaat het je vader, Iwan?”

»Goed… ik denk ’t ten minste.”

»Is ’t weer mis?”

»Wanneer zou ’t dit niet zijn?”

»En trek je nu de wereld zoo doelloos rond?”

»Wel zeker, ’t is de nuttigste en prettigste manier om mijn tijd zoek te brengen.”

»Is dat het doel van ’t leven?”

»Voor jou niet, lief bruidje, je hebt nu maar een doel, straks zoo mooi mogelijk in tegenwoordigheid van je heer en meester te verschijnen. Maar zeg eens Hermelijn, vind je dat niet wat raar? Ik ben, geloof ik erg in den smaak gevallen van den heer de Géran; hij heeft op alle manieren bij mij aangedrongen, dat ik mee zou gaan naar zijn land, maar toen wist ik niet dat hij nog een schoondochter verwachtte en nu schijnen wij samen te reizen met het jonge paar.”

»Ik weet het niet, ik vind alles hier zoo wonderlijk. ’t Is misschien Indische mode, maar ik kan er niets tegen zeggen, als anderen het goed vinden.” [32]

»Nu ’t is mij een troost, dat ik het ten minste niet ben, die het tête à tête verstoor; waar een papa bij is en dan nog bovendien zoo’n hark als die nieuwe zwager van je, daar is van een zoet samenzijn toch geen spraak. Wat zult ge mekaar veel te vertellen hebben als het ijs eenmaal gebroken is; nu in die heerlijke Indische natuur kan je een verrukkelijke honigmaand doorbrengen.”

»Ik heb nog een schoonzuster à prendre.”

»Daar heb ik van gehoord! Dat moet geen katje zijn om ongehandschoend aan te pakken; meen je dat ik er roeping toe voel om »the Taming of the Shrew” bij haar te beproeven?”

»Ik weet het niet, ik heb dat altijd een akelig stuk gevonden.”

»Met jou zal zoo’n operatie wel niet noodig zijn, zachte Hermelijn?”

»Ik ben niet zacht.”

»Daarvan weet ik mee te praten; wat hebben wij veel gekibbeld en mekaar geplaagd.”

»Toch zijn wij steeds goede vrienden gebleven.”

»Dat schijnt zoo, als ik me niet vergis, zijn we als kwade gescheiden.”

»Omdat je mijn poes op de gracht had laten schaatsenrijden; ’t beest is na dien tijd niet meer gezond geweest.”

»O ja, door mij is ze zeker in het katten-asyl terecht gekomen?”

Beiden lachten en voelden zich recht op hun gemak; de heer de Géran keerde zich juist om en zeide aan August, die zijn laatste spinazie had gegeten, dat hij zijn schoonzuster naar haar kamer moest brengen, dan kon zij zich lekker maken.

»Maar precies om half vier komt Conrad, zorg dat je dan klaar bent.”

Thoren van Hagen glimlachte om die zonderlinge manier van bruiloft vieren.

Hermelijn boog zich voor de heeren en volgde toen haar langen, stakerigen zwager, die haar voor ging naar de buitengalerij.

Voor een der kamerdeuren, die daar op uitkwamen, bleef hij staan.

»Van u,” zeide hij alleen.

»Dank je wel, August.”

Zij ging naar binnen en vond er haar handkoffertje en granatendoekje; de kamer was groot, eenvoudig maar netjes gemeubeld, een groote divan stond tegenover het ledekant; zonder zich uit te kleeden, strekte Hermelijn zich daarop uit, nog steeds onder den indruk van al het vreemde dat haar overkwam.

Zij had zich alles zoo heel anders voorgesteld; waarom moest ze hier nu alleen zitten in dit vreemde logement, terwijl het anders zoo’n geschikte gelegenheid zou geweest zijn om met haar man kennis te maken. Zij trachtte de gedachte, die zich telkens [33]en telkens aan haar opdrong, met geweld te verdrijven en de vraag niet te beantwoorden.

»Of zulk een talmen wel verwacht mocht worden van een jongen bruidegom en of dat niet gelijk stond met onverschilligheid?”

Liever dacht zij aan Iwan Thoren van Hagen; hoe aardig, dat zij dien dollen jongen hier moest terugzien; hij scheen bedaarder geworden, hij was dan nu ook een groot, deftig heer, keurig in kleeding en verzorgd in voorkomen, met een vollen, kort geknipten donkeren baard; maar zijn mooie oogen, die soms zoo ontzaggelijk treurig konden zien, om dadelijk weer te tintelen van ondeugende vroolijkheid waren dezelfde gebleven en daaraan had zij hem dadelijk herkend. Wat had die wildzang haar vader soms moeilijke uren doen doorleven en als die oude heer Thoren van Hagen kwam met zijn gebogen gestalte, en zijn vergrijsde lokken en den zwarten doek om zijn hals, die iets bedekte, waaraan een vreeselijke geschiedenis heette verbonden te zijn, dan was Iwan stellig nergens te vinden. Hoe was Moe steeds uit haar humeur, als hij een paar van haar kleine jongens mee had genomen naar Velp of Escharen en laat in den avond met hen thuis kwam, berooid en wel; natuurlijk volgden daar weer eenige dagen arrest op, totdat de majoor eindelijk verzocht had ontheven te worden van zulk een voogdijschap en hij naar Maastricht in garnizoen werd gezonden, dicht bij het landgoed van zijn vader, tot groote blijdschap van haar stiefmoeder, tot verdriet van de broertjes en zusjes en zelfs van haar, want zij mocht hem graag als haar oudsten broer, maar niet zooals zij van Conrad hield, dat was iets heel anders geweest, reeds toen.

Zij had veel onder kinderen verkeerd en nu raakte zij er weer geheel in; hoeveel kneuters waren er wel bij de Gérans, tien van August, vijf van Guillaume, zes neen zeven… zij raakte verward in al die cijfers, en kon ze niet meer uiteenhouden.

’t Was koel en frisch in de kamer, de jalouzieën van deuren en ramen stonden open, de rieten valgordijnen in de voorgalerij hingen neer, een zacht koeltje streelde Hermelijns wangen, zij was moe gedacht en moe gerekend. Voor eenige oogenblikken vergat zij alles om zich heen.

1 Overstroomingen.↑

2 Kleine zeilbooten.↑

3 Toespijs van Spaansche peper.↑

[Inhoud]

VII.

Inhoudsopgave

Er werd aan de deur getikt.

»Hermine.”

Zij sprong op, en riep »Binnen”; er was niets aan haar toilet te veranderen, alleen haar blonde lokken hingen in allerliefste [34]verwarring om haar voorhoofd en slapen, maar zij was te bevangen door den slaap om daarvan bewustzijn te hebben.

De deur werd geopend en haar schoonvader trad binnen, gevolgd door een slanke jongensfiguur.

»Hier is je man, Hermine.”

Zij stond als vastgenageld, waarom kwam hij niet nader, was het aan haar om hem tegemoet te gaan? Was dit het oogenblik, waarnaar zij zoo lang en vurig had gesmacht?

Hij geleek sprekend op zijn portret: een mooie, donkere knaap, nog niet geheel uitgegroeid misschien, maar met een norsche, ontevreden uitdrukking onder de gefronsde wenkbrauwen; als een automaat stak hij de hand uit, waar hij beide armen had moeten uitbreiden en vroeg op een toon als zeide hij een van buiten geleerd lesje op:

»Hoe maakt u het?”

’t Liefst was Hermelijn in tranen uitgebarsten maar haar trots hield haar staande en eenigszins spottend antwoordde zij:

»Heel goed, dank u en u ook?”

De heer de Géran, hoewel hij zeker genoegzaam wist, hoe een bruidegom zijn bruid op den huwelijksdag begroeten moest—hij had driemaal in dat zelfde geval verkeerd—achtte het beneden zijn waardigheid tusschenbeide te treden, misschien bezat hij ook geen oog voor zulke kleinigheden.

»Ben je klaar?” vroeg hij.

»Op mijn haar na.”

»’t Is hoog tijd, zet je hoedje maar op en kom dan mee!”

Volgens Fransche wijze bood hij als vader haar den arm, de bruidegom volgde; Hermelijn meende den sleutel van Conrad’s zonderling gedrag gevonden te hebben, hij was uit zijn humeur over die gestadige tegenwoordigheid en inmenging van zijn vader. ’t Pleitte voor zijn karakter, dat was ontegenzeggelijk; maar toch wilde zij niet de minste toenadering van haar kant doen.

Wat was dat toch een vreemd huwelijk, het hare; hoe geheel anders was die burgerlijke en kerkelijke plechtigheid bij volmacht niet geweest, in het kleine garnizoensplaatsje, waar iedereen uitgeloopen was om de jonge bruid, die trouwde met een getrouwd man, zonder eigen bruidegom, te komen zien. Zij had zich toen niet in ’t wit willen kleeden, omdat zij dat minder gepast vond, maar nu zou zij zoo gaarne anders dan in reistoilet geweest zijn.

Al het bruidachtige ontbrak zoo, zelfs geen bloempje kon zij op haar borst steken; ’t is waar, nu gold het ook niets dan een bloote plechtigheid, welke de Gérans, die aan hun godsdienst, zelfs in de anders zoo onverschillige koloniën, trouw waren blijven hechten, op prijs stelden, maar voor haar eigen gevoel had Hermelijn zich nu zoo gaarne als bruid gevoeld, naast den man, wien zij haar hart onvoorwaardelijk had geschonken.

Zij ging naast haar schoonvader, bleek maar hoog opgericht, [35]zij wilde niet den schijn aannemen, dat zij zich over iets verwonderde. Aan de trap stond Thoren van Hagen, in zijn lange gekleede jas, veel meer op een bruidegom gelijkend dan de jongen in zijn fantasiepak achter haar; hij hield een bouquet melati’s en witte rozen in de hand, dat hij het bruidje aanbood.

»Die bloemen groeten de dochter van mijn hooggeachten vriend op haar hoogtijdsdag,” sprak hij ernstig.

Hermelijn zag hem dankbaar aan en de tranen sprongen haar in de oogen; het eenige bewijs van belangstelling, dat zij ontving, werd haar thans uit naam van haar vader geboden, en zij wilde er gaarne een goed voorteeken in zien.

Met meer moed nam zij thans naast haar schoonvader plaats, de andere vier—er was nog een broer of zwager bijgekomen, en ook Thoren van Hagen reed mede, als getuige—zaten in het tweede rijtuig; in de stille, lieve kerk voelde Hermelijn zich diep bewogen; zij boog het hoofd en bad oprecht en vurig om kracht, ten einde een goed, trouw echtgenoot te mogen zijn voor den jongen man, die naast haar knielde en die geen oogenblik vriendelijker zag, zelfs niet toen zij de handen in elkander legden en God tot getuige namen van den bond, dien zij voor het leven hadden gesloten.

Nog geen uur later reed de ruime reiswagen den weg op naar Oenarang; altijd zat Hermelijn naast den ouden heer, op het middelbankje werden Thoren van Hagen en Van Akkeveen, de zwager, neergezet, op de voorbank tusschen een koffer en een mand nestelden zich de beide broeders, waarvan niemand meer de stem hoorde en tusschen wie het waarlijk moeilijk zou gevallen zijn den bruidegom te zoeken.

De drie andere heeren hadden een druk gesprek; maar Hermelijn nam er geen deel aan; zij vond haar toestand allertreurigst; als Conrad tenminste met een blik of een handdruk haar moed had ingeboezemd, maar neen, hij bekommerde zich even weinig om haar als August. Akkeveen, die zijn wereld scheen te kennen, ofschoon zijn bleekgeel papperig, dik gelaat en gezette gestalte lang geen aangenaam uiterlijk vormden, had dikwijls beproefd met haar een gesprek te beginnen maar het praten was haar te veel, zij was moe, dood moede.

De avond was intusschen gevallen, de reiswagen vloog er goed door, de loopers met brandende fakkels draafden bijna gedurig even hard als de vier paarden, hijgend naast het gevaarte; om de vijf palen kondigden lichten een post aan, waar het vierspan moest verwisseld worden; daar stond het rijtuig even stil om dan met nieuwe kracht weer het gebergte te doorvliegen.

Een heerlijke sterrenhemel welfde zich boven hen; bij dat schemerende schijnsel onderscheidde Hermine bosschen en ravijnen, vlakten en bergen, hier en daar een flikkerend licht, maar overigens niets dan de trotsche eenzaamheid der onverstoorbare natuur. [36]

Huiverend en met gesloten oogen leunde zij achterover, de stemmen van de sprekende reizigers klonken haar onnatuurlijk en vreemd toe; op haar schoot lagen nog de melati’s van het bruidsbouquet, dat de vriend harer jeugd haar had aangeboden, die frissche geur bedwelmde haar min of meer. Akelige beelden traden voor den geest, ’t was of zij alleen, geheel alleen een vreemde wereld betrad, of niets meer haar zou ontmoeten, dat aan het verledene herinnerde, of zij er verlaten en eenzaam zou wezen, of geen vriendenhand ooit de hare meer mocht drukken, of zij nooit meer zou leunen op een sterkeren arm, of alles, alles haar begaf en zij voortaan doelloos een onbekenden weg moest gaan.

Dan sloeg zij de oogen op en trachtte haar man te onderscheiden, maar het voorbankje was zoo ver weg; waarom was hij daar gaan zitten, of liever, welke overdreven beleefdheid van haar schoonvader haar de eereplaats naast hem te geven, hoeveel liever had zij daar in August’s plaats gezeten, doch zekere schroom hield haar terug. Geen woord, geen blik van Conrad had haar welkom geheeten, zou hij wel verheugd zijn haar te zien en zij herinnerde zich zijn brieven, die zij zoo dikwijls had overgelezen, de geschenken, die hij haar had toegezonden. Dat was toch geen droom, maar zij smachtte naar een tastbaar bewijs, dat het waarheid was, dat zijn oog, zijn hand, zijn kus bezegelde wat zijn pen geschreven had. O konden zij maar een oogenblik alleen zijn, dan zou hij alles goed maken. En dan dacht zij er bevend aan, hoeveel ongelukkiger en eenzamer zij zou wezen als zij die bekende stem van Thoren van Hagen niet hoorde; als zij daarin geen band had gevonden, die haar aan Holland, aan haar vader hechtte.

Wanneer de loopers in hun onvermoeide haast met hun flambouwen langs de open portieren snelden, wierpen zij plotseling op de reizigers een roodachtig licht, dat even gloeide in de gitzwarte kijkers van Conrad, die altijd even barsch en strak voor zich uitstaarden, op het slapende gezicht van August, die tegen den koffer aanleunde, op den witten knevel van haar schoonvader en het grijze jasje van Akkeveen, maar dan ook op de edele, fijn besneden trekken van Iwan, wiens oog steeds beschermend op haar rustte.

Aan een der posten was de oude heer uitgestapt, en ook Conrad had, vlug als een eekhoorn, zich over beenen en pakken een weg gebaand en stond nu naar het verspannen der paarden te zien.

»Zijn we er haast?” vroeg Hermelijn rillend.

»Heb je het koud?” vroeg Thoren belangstellend: »de lucht in het gebergte is frisch en kil; doe je sortie om,” en hij nam den granatendoek, die ergens op een der koffers lag, reikte haar dien over, en toen hij zag, dat het haar moeilijk viel zich daarin te wikkelen, stond hij op en hielp haar. [37]

»’t Zal nog een drietal posten aanhouden, zoowat drie en een half uur,” antwoordde Akkeveen. »Hoe bevalt u het reizen in Indië, Hermine?”

»Uitstekend.”

»Ik hoop dat de verwantschap met de Gérans u ook zoo goed zal bevallen. Men moet er zich in leeren schikken” zeide hij op hoogwijzen toon.

»Men schikt zich in alles,” antwoordde zij dof en zag naar buiten.

Conrad had onafgebroken naar binnen gestaard; het weifelend licht der flambouwen en der olielampen van de afspanning wierp zijn weifelende weerglanzen op het matbleeke gelaat van zijn jonge vrouw, dat tegen den donkeren achtergrond rein en wit uitkwam als een marmeren beeld; met toornige oogen had hij Thoren’s bereidwilligheid om haar te helpen gezien en den glimlach, waarmee zij hem bedankte.

Nu zij hem scheen te zoeken, keerde hij zich snel om en keek naar een arme bedelares, die met haar kind op den arm aalmoezen vroeg en sprak haar in het Javaansch toe.

»Een malle vent,” zei Akkeveen lachend het hoofd schuddend tot Thoren, en fluisterde »het zit in de familie. Een wonderlijke pan menschen.”

Hermine verstond de woorden niet, maar raadde den zin; zij voelde, als instinktmatig, dat zij vóór een afscheid stond, het zwaarste, dat een jong, liefhebbend gemoed kan nemen, dat van haar liefste illusiën. Bij den volgenden post, was het aan Thoren van Hagen en Akkeveen om zich even buiten te vertreden.

»Ik begrijp er niets van,” zeide Thoren. »Mijn God, wat een toekomst gaat dat kind tegemoet!”

»U kent haar van vroeger.”

»Ja en ik stel groot belang in haar.”

»Och, die man, of liever die jongen, heeft nog ’t meeste karakter van de heele troep. ’t Zijn anders alle poppen, die beven en sidderen op een wenk van den vader of de zuster. Ik heb moeite genoeg gehad er mij aan te wennen, maar nu gaat het goed. Mijn vrouw is een best schepsel, dat me niets in den weg legt, ik haar ook niet; als we maar weten te schipperen buiten de groote Cor om, die me alles behalve genegen is en ’t mij ook laat voelen, dan gaat het nogal!”

»En wat denkt u dan van Hermine’s toekomst?”

»’t Zal wel losloopen; ze zullen eens in mekaar passen! Ik zal ’t je later uitvoerig vertellen, er is een heele historie aan verbonden. Och zie je, ik was ’t van huis niet zoo bijzonder gewend, ik ben als onderwijzer uitgekomen, werd gouverneur bij de Géran’s en raakte toen min of meer verliefd op Dolly. Of zij ’t ooit op mij was, weet ik niet, maar de oude heer en de groote Cor vonden mij geschikt om in hun kader te worden opgenomen, en [38]vóór wij ’t recht wisten, waren wij getrouwd, en ons huwelijk is niet ongelukkig.”

»Maar niet ieder schikt zich zoo spoedig, er zijn karakters, die…”

»Kom, wat is een karakter anders dan ballast; niets beter dan zich te plooien en te buigen; er zijn ijzeren en aarden potten. Nu, als de aarden potten zich willen meten met de ijzeren, dan gaan ze stuk, het beste is dus maar ze stil hun gang te laten gaan in afwachting dat men zelf voor ijzer kan spelen en het de anderen eveneens laat voelen.”

»Mooie theorieën, recht verkwikkelijk voor een twintigjarig bruidje.”

»Ik zal haar bij gelegenheid op de hoogte brengen; mijn zwager Portias, een idealist, en een wijsgeer op zijn tijd, heeft de in Ngaroengan opgedane wijze ondervindingen verzameld; hij spreekt er van ze uit te geven, bij wijze van handleiding voor degenen, die plan hebben, zich te doen opnemen in de familie de Géran. ’t Is een verdienstelijk werk. Hun getal zal fameus groot worden, want de kolonie breidt zich hoe langer hoe meer uit.”

»’t Doet me genoegen haar op mijn omzwervingen te hebben aangetroffen, meer dan dat ik de dochter van mijn vaderlijken vriend reeds in haar midden opgenomen vind. Daar komt de bruidegom ook aan! Mijnheer de Géran, ik moet u nogmaals hartelijk gelukwenschen met de aankomst van uwe jonge vrouw. U was straks zoo gauw verdwenen.…”

»U behoeft mij niet te feliciteeren,” was het korte, gemelijke antwoord. »Als u iemand feliciteeren wil, dan moet u papa en de rest gelukwenschen. Ik heb geen geluk noodig.”

»Maar ’t komt tot u in den vorm van een welopgevoede, mooie vrouw.”

Hij keerde zich zonder plichtplegingen om en wendde den beiden sprekers zijn rug toe.

»Een ongelikte beer,” sprak Thoren half lachend, half ongerust »maar er is iets in zijn manier van doen, dat mij bevalt.”

»Ik heb ’t u gezegd, hij is misschien de beste van den heelen rommel. Ik verzeker u dat het moeite heeft gekost.”

»Om het huwelijk tot stand te brengen?”

»Stil, de oude heer roept ons, de paarden zijn ingespannen.”

[Inhoud]

VIII.

Inhoudsopgave

»Zie eens Hermine!” riep van Akkeveen plotseling, toen zij de laatste afspanning achter zich hadden.

»Wat is er?” vroeg zij, zich verschrikt opheffend, want zij was juist even ingesluimerd zonder het zelf te weten. [39]

»U wordt begroet op het grondgebied van Ngaroengan.”

Drie, vier luchtpijlen stegen in de duisternis op en lieten een regen van bont gekleurde sterren na, die tusschen de groote constellatiën aan den donkeren hemel een oogenblik flikkerden om dadelijk weer te verdwijnen.

»Dan heeft Cor toch de boel in beweging gebracht,” zei de oude heer ontevreden.

»Natuurlijk papa!” antwoordde van Akkeveen spottend. »U zal nog wel wat anders zien, alle kampongs zijn in rep en roer.”

Werkelijk hoorde Hermelijn een verward gedruisch van Javaansche muziekinstrumenten, dat zelfs het gerol van de wielen overstemde.

»Is dat voor ons?” vroeg zij verbaasd.

»Ja zeker, voor u en voor dien akeligen Sinjo, die daar in den hoek zit en niets van al dat spektakel verdient,” sprak haar schoonvader met verbeten toorn, die nu eindelijk zich lucht gaf.

Hermine werd ijskoud, zij voelde zich vernederd en beschaamd in den persoon van Conrad. Een onbestemde vrees voor verschrikkelijke dingen verlamde haar spraak en deed haar huiverend ineenkrimpen.

»’t Liefst had zij zich thans aan Thoren geklampt en hem gesmeekt:

»Niet verder, neem mij mee! Ik vertrouw u alleen, Iwan! Ik ben zoo bang voor al die zonderlinge menschen.”

Maar reeds dadelijk verweet zij zich die gedachte als een zonde tegen haar man, als een beleediging hem aangedaan; hij zou haar steunen, zoodra zij hem slechts beter begreep; zij overwon den aanval van echt vrouwelijken angst, die haar had bevangen en staarde naar buiten.

Overal brandden lichten, overal waren vreugdevuren ontstoken ter eere van de jonge bruid, die haar intrede kwam doen en die den bruidegom nog steeds aan haar zijde miste.

Conrad had nu eindelijk zijn oogen gesloten en leunde achterover; zijn hand hield hij gebald als in machtelooze woede, zijn trillende lippen perste hij samen als om de bittere woorden te onderdrukken, waarmede hij zoo gaarne den uitval zijns vaders had beantwoord.

August richtte zich op, wreef zijn oogen uit en zeide alleen:

»Nu bijna. Ik hoor al de doeng-doeng!”1

»En ik de breng-breng,” merkte Akkeveen lachend op, »zusje Hermine, u is muzikaal heb ik gehoord, wat zal u genieten bij dat concert, waarnaast de Grenadiers in de schaduw verzinken.”

»’t Maakt toch een heerlijk effect.”

»Getemperd door den afstand en de geheimzinnige muziek [40]van een tropischen nacht,” zeide Thoren, »ik ben u zeer dankbaar, mijnheer de Géran, dat u mij in de gelegenheid heeft gesteld tot het bijwonen van zulk een echt Indisch feest.”

»Daar was het toch niet om, Thoren,” was ’t antwoord, dat aan oprechtheid niets te wenschen overliet; »ik wist er niets van dat mijn dochter die komedie had gearrangeerd. Enfin, ze houdt van zulke dingen.”

»’t Bewijst voor juffrouw de Géran’s poëtische neigingen.”

Akkeveen grinnikte van pret; August zelfs deed iets hooren, dat eenigszins op een lach geleek, de slaap had hem blijkbaar wakker achtergelaten. Conrad stopte zijn ooren toe als een bewijs dat hij niets wilde hooren.

»Wat zijn de bloemen spoedig verflenst,” zeide Hermine met een zucht.

»Geef hier, ik zal ze wegwerpen,” vroeg Thoren, »een bruid mag haar blijde intrede niet doen met verwelkte bloemen.”

»Neen, laat ze mij houden, ten wille van hem, wiens naam je bij het overreiken hebt genoemd,” fluisterde zij met vochtigen blik.

»En als een herinnering aan de onbeleefdheid van uw bruidegom,” beet de oude heer haar spijtig toe.

Zonder een woord te zeggen, wierp Hermelijn het bouquet ’t raampje uit.

Even opende Conrad zijn groote oogen maar sloot ze weer en alleen August hoorde hem zacht kreunen.

»Allah, allah!”

»Diam,” zeide hij op een soort van troostenden toon goedig en medelijdend, »toch tra boleh boeat!”2

Niemand, die dat groote rijtuig, schijnbaar vroolijk en opgewekt, den weg zag overvliegen, terwijl links en rechts vuurpijlen opstegen en de muziekinstrumenten hun groet brachten, kon vermoeden hoeveel daar binnen geleden werd.

De weg ging nu langzaam stijgend, want het landhuis van de Gérans lag op de helling van een berg; sterke balsemgeuren vervulden de lucht en stegen Hermelijn naar het hoofd.

»Dat zijn de bloeiende koffiebosschen,” sprak Akkeveen, »zie nu daar tegen dien berg op, Hermine!”

Een roodachtig licht, gloeiend als een ontzaggelijke brand, spreidde zijn schijnsel in de donkere massa uit, de palmboomen schenen gloeiende pluimen; een keten van gouden kralen gelijk, kronkelde een rij lichten zich langs de helling omhoog als om den weg te wijzen naar die groote glinsterende lichtbron.

»Cor heeft alles grootsch gedaan,” zei Akkeveen en August scheen geen rust meer te hebben, hij wrong zich naar het portier en stak zijn hoofd naar buiten. [41]

»Daar is Portias!” riep hij uit.

Een ruiter kwam hen tegemoet, aan het hoofd van een soort eerewacht, bestaande uit Javanen op hun kleine, vurige met roode linten en kleurige schabrakken opgesierde paarden; allen hielden brandende toortsen in de hand, die zij bij wijze van welkomstgroet hoog boven het hoofd zwaaiden.

Er scheen plan te zijn een aanspraak te houden maar de heer de Géran gaf bevel voort te rijden.

»Ga door, ga door! Ik heb haast om met die ellendige komedie gedaan te maken,” zeide hij.

Nu reed de eerewacht langs beide zijden van het rijtuig, dat thans slechts stapvoets de helling kon opkomen; de muziek werd hoe langer hoe levendiger en minder harmonisch; anklong, rebab, gambang en gamelang vereenigden hun onsamenhangende klanken in een concert, dat de dieren van het woud zeker deed wakker schrikken; er werd geschoten en gevuurd, en de echo’s uit het gebergte weerkaatsten het feestgejuich honderden malen.

De lucht brandde van het vuurwerk en de sierlichten; in de verte schitterde als een poort van het zonnerijk een groote helder verlichte boog in blauwe, roode en gouden glanzen; de boomen en rotsen werden door bengaalsch vuur afwisselend met zacht zeegroen, hel oranje of teeder azuur overgoten; alles verkreeg een tooverachtig aanzien in dat geheimzinnige licht.

De bergen straalden een vreemden bovenaardschen gloed uit, de kleine gestalten der Javanen schenen als berggeesten heen en weer te gaan, hun bamboezen woningen geleken paleizen, waardig de hovelingen van een bergkoning te herbergen.

»Zullen we uitstappen, meneer van Akkeveen?” vroeg Thoren van Hagen.

»Dank je, ik zit goed,” was het flegmatische antwoord.

»Wacht, ik wil wel,” en met een sprong was August hem voor.

Conrad maakte ook aanstalten hem te volgen.

»Wat beteekent dat?” vroeg barsch en kort de vader, »je blijft!”

En de hoofdpersoon van het feest kroop weer in zijn verloren hoekje. Hermelijn had een onweerstaanbaren lust iets te zeggen, iets te vragen, maar de woorden bleven haar voor de lippen steken.

»’t Is een misverstand, Conrad meent het zoo goed,” zoo troostte zij zich zelf en begon met werkelijk genot naar die schitterende ontvangst te zien.

Hoe heel anders zou ’t geweest zijn, als zij Conrad naast zich mocht hebben, hoe had zij zich dan verheugd; want waarlijk in haar stoutste droom en had zij zulk een intrede niet durven hopen.

De voetgangers hadden een onvergelijkelijk schouwspel voor oogen, dat bij elke kromming van den weg veranderde; een reusachtige waaier van gouden vonken, steeg achter de eerepoort op [42]en liet haar vallende sterren regenen over boomen, menschen en rotsen.

»’t Is eenig,” riep Thoren van Hagen opgetogen uit, »ik heb respect voor degene, die dit feest zoo regelde. Uw zuster deed het immers?”

»Jawel, maar Javanen helpen haar.”

»Dat spreekt, de hoofdgedachte komt toch van haar.”

»En van Portias.”

»De bruidegom schijnt niet in zijn humeur. Waarom zou dat zijn?”

»Weet niet.”

»Hij krijgt toch een allerliefst vrouwtje.”

»Jawel.”

»Zie, wat een feeënslot!”

Inderdaad waren ze nu op het punt gekomen, van waar men het tooverpaleis kon zien in dit feeënland; een paleis, zoo scheen Thoren van Hagen het sneeuwwitte, hooggelegen gebouw toe, dat op eenigen afstand van de eereboog, zich als een lichtende massa losmaakte van den somberen achtergrond, vonkelend in verblindenden goudglans.

Slingers van licht, strekten zich uit van dat hoofdgebouw, naar de vleugels en de eerepoort; loodsen, waarin de Javanen voor hun instrumenten zaten, waren eveneens door de lampen in lichtkiosken herschapen; danseressen wier glazen kralen in al dien glans flikkerden als topazen en brillanten, kronkelden hun lenige ledematen tot het voeren van den tandakdans; op het oogenblik dat de reiswagen in volle vaart de eerepoort doorreed, lieten alle instrumenten den koningsmarsch hooren.

»O hoe heerlijk, hoe poëtisch,” riep de bruid, slechts door één wensch bezield, »Conrad, kom hier naast mij!”

Er lag zulk een smeekende toon in haar stem, dat de oude heer, die anders niet aan overmaat van gevoel leed, er door getroffen werd.

»Neem er geen notitie van!” zeide hij knorrig, »die kwajongen is boos op zijn vader, recht mooi op zulk een dag! Wij allen zeggen u hartelijk welkom, Hermine, ik ben er van overtuigd dat je een goede dochter voor ons zijn zult.”

»O vader, kan u er aan twijfelen?” vroeg Hermelijn en schoof zich dorstend naar een liefkozing aan zijn zijde; hij sloeg den arm om haar middel en kuste haar hartelijk. »Je zult van dien wildeman een mensch maken, ik ben er van overtuigd,” fluisterde hij en voegde er bij:

»Je moet Corona ook zeggen dat je ’t zoo mooi vindt.”

»Zeker papa, ’t is dan ook tooverachtig!”

Zoo grootsch en indrukwekkend als de mise en scène, zoo ongeregeld was de eigenlijke intocht.

De eerewacht reed nog steeds om den reiswagen, Portias liet zijn paard allerlei fraaie sprongen maken; August wandelde naast [43]Thoren van Hagen, op geringen afstand van het rijtuig; toch zagen zij ’t eerst de tot plechtige ontvangst bestemde groep.

Een twaalftal kinderen, meisjes in witte kleeren, jongens in blauwe pakjes, met krullende kopjes, en bloemen in de hand, stonden op de marmeren trappen, tusschen de met hooge aloës en cactussen gevulde vazen; achter hen strekte zich de breede galerij uit, badend in licht; de pilaren waren alle met groene slingers van boven naar beneden omwonden, waarin, vurig brandende rozen gelijk, de veelkleurige lampjes verscholen waren, die aan het huis het aanzien van een tooverslot gaven.

In het midden hing een groote kroon van groen en lichten, tusschen een helder glinsterende C. en H.; op de bovenste trede der marmeren trap stonden verscheidene heeren en dames, onder welke het oog onweerstaanbaar getrokken werd door een koninklijke verschijning.

Zooals zij daar stond met het bevallig kindergroepje aan haar voeten, omgeven door verscheidene personen, die zich als bij afspraak naar het tweede plan terugtrokken, scheen zij de koningin te wier eere dat feest gegeven werd; haar donkerrood fluweelen costuum kwam scherp uit in het felle licht, om haar hals schitterden in duizend facetten de brillanten van haar ketting, in haar gitten lokken, die van haar breeden diadeem; haar armen en vingers wierpen vonken naar links en rechts, zoo waren ook deze met edelgesteenten bedekt.

Alles scheen een reusachtige troon voor haar; al dat licht moest slechts dienen om haar in een lichtgloed te baden om haar een aureool en een voettrede te geven, haar vorstelijkheid ten volle waardig.

Thoren van Hagen’s oogen trilden bij het zien van al dien glans.

»Moest ik daarom op Java en in dit bergland komen,” dacht hij, »om die koningin van den nacht te zien, in haar paleis, die prinses, wie de kroon van Insulinde alleen passen zou? Ik zag haar gelijke nog niet, ik die zoo verre ben geweest; zij of geen andere!”

Juist kwam de reiswagen aan den voet der trappen en hief Europeesche muziek thans de »Hochzeitsmarsch” aan; de oude heer de Géran, die al dien ophef kinderachtig vond en het liefst zijn huis donker en stil had gevonden, stapte het eerst uit en bood zijn schoondochter de behulpzame hand en daarna den arm aan; de bruidegom kwam achter hem, linksch, verlegen met zijn figuur, nog somberder en knorriger dan hij ’t reeds geweest was.

Hermelijn werd duizelig door al dien glans en pracht, zij voelde zich zoo klein, zoo nietig in haar eenvoudig reisjaponnetje, zoo ongeschikt om de hoofdpersoon van dat alles te zijn.

Een der kinderen bood haar een bouquet aan, zij nam het in de hand, onweerstaanbaar geboeid door de hooge, statige gestalte, die haar boven aan de trap opwachtte. [44]

Twee armen sloten zich om haar, zij voelde het donzige fluweel aan hare wangen en haar oor schaafde door de aanraking met de à-jour gezette diamanten; zij hoorde dat men haar toefluisterde:

»Welkom, in ons midden! We hebben zoo naar u verlangd. Ik ben Corona!”

Maar zij kon zich van geen enkelen indruk meer duidelijk rekenschap geven; alles danste en flikkerde voor haar oogen, als in de verte hoorde zij wat Corona haar bij het voorstellen van elk der familieleden zeide:

»Sophie, Phientje, Dolly, Kitty, Margot…”

Zij zag schemerend voor zich een dikke, Indische dame, met een knap maar dom gelaat, een magere, schrale, blondine, die echter genoeg haar Oostersche afkomst verried; twee mooie brunetten, sprekend op elkaar en op Conrad gelijkend, een opgeschoten meisje, dat men in Holland zestien, hier echter gerust drie jaar jonger kon geven; door allen werd zij min of meer hartelijk gekust.

»Toen kwam de beurt aan de kinderen; als een eindelooze, verwarde litanie hoorde Hermelijn hun namen door de respectieve moeders opdreunen. Zij kuste en werd gekust, zij glimlachte en boog zich, altijd met het vage bewustzijn dat alles niet haar maar een geheel vreemde Hermine overkwam.

»U zal zeker behoefte hebben aan iets verfrisschends, mevraauw?” zeide een fleemende stem naast haar: Hermelijn zag om en verschrikte.

Een kleine, bijna monsterachtige gedaante stond voor haar.

’t Was een vrouwtje, niet grooter dan een kind van twaalf jaar, met een diep tusschen de schouders ingezakt hoofd, dat op een grooter lichaam scheen t’huis te behooren; de rug welfde zich van achteren tot een vrij hooge bult, waarover een netwerk van koordachtige losse krullen uitgespreid lag; de borst was ingezonken en het gelaat vergoedde niet, wat aan het uiterlijk overigens te kort schoot.

Een breede mond vertrok zich bijna telkens tot iets, wat een glimlach bedoelde te wezen maar het niet verder kon brengen dan tot een grijns; de oogen waren ver van elkander geplaatst en niet geheel en al eensgezind, als zij zich op één punt moesten vestigen; het haar was borstelachtig en stijf en slechts groote inspanning had het stellig tot krullen weten te wringen. Van voren gezien maakte het geheele menschje den indruk of zij oorspronkelijk van middelmatige lengte had moeten zijn, maar door een vreemd toeval in tweeën was gebogen; al het materieel scheen aanwezig om van haar een gewoon figuur te maken, doch een booze fee had haar op het hoofd geslagen en het was ingezakt, zoodat alles zich naar een verkeerde richting moest uitzetten.

Dat afzichtelijke voorkomen had Hermelijn uit haar verdooving ontrukt, en zonder het te willen teekende haar gelaat schrik of [45]afkeer; voor een seconde slechts, want om haar onwillekeurige beweging goed te maken, zeide zij zoo vriendelijk mogelijk:

»O, als ’t u belieft, ik voel me zoo mat.”

Het schepseltje verwijderde zich en dadelijk kwam een bediende, in het nette, witte en roode, liverei der Gérans, om de heupen met een korte, tot de knie afhangende sarong voorzien, haar een zilveren blad aanbieden, waarop champagne, pasteitjes, sandwiches en taartjes. Hermelijn dronk en herinnerde zich nooit iets gebruikt te hebben, dat haar meer goed deed; zij nam ook een pasteitje en zag onderwijl naar haar man om; hij was echter nergens te ontwaren.

Corona stond als middelpunt van een groepje heeren; juist werd Thoren van Hagen aan haar voorgesteld; zij sprak en lachte vroolijk, coquet spelend met haar grooten zilverkleurigen waaier, dien zij als een scepter wist te hanteeren.

»Is u moe, zuster?” vroeg de goedige dikkert, in wie Hermelijn August’s vrouw, de moeder van tien kinderen, raadde.

»Ik ben zoo af.”

»Dan u moet maar gauw slapen, anders wordt u nog ziek.”

»Ik geloof dat het ook ’t verstandigst zou wezen,” antwoordde Hermelijn glimlachend.

Als een gedienstig kaboutertje, stond de kleine bochel weer naast haar.

»Zou u willen rusten, zal ik juffrouw de Géran vragen, of ik u naar uw kamer zal brengen?” vroeg zij in zuiver Amsterdamsch dialect met den echt Haarlemmerdijkschen tongval.

»Als juffrouw de Géran dat moet beslissen dan maar ja,” antwoordde Hermelijn, die, hoe vermoeid zij ook was, het algemeen erkende overwicht van haar schoonzuster maar niet zoo voetstoots wilde erkennen.

De kleine figuur schoot snel weg en was onmiddellijk naast Corona te zien, die haar hooge gestalte voorover boog om haar fluisterend te woord te kunnen staan.

»Wie is die dame?” vroeg Hermelijn aan de dikke vrouw.

»De juffrouw.”

»Een gouvernante?”

»Ja, huishoudster meteen.”

»O zoo en u is zeker de vrouw van August.”

»Ja, ik ben Poppie.”

Hermelijn herinnerde zich niet dien naam gehoord te hebben bij de opnoeming, maar deed geen verdere navraag.

»Dan zijn we schoonzusters, ik heet Hermine.”

»Ja, ik weet wel.”

Juist kwam »de juffrouw” terug.

»Juffrouw de Géran vindt het jammer, dat u al heengaat. Het bal gaat dadelijk voort en u moet niet vergeten, dat u er hoofdpersoon van is.” [46]

»Ja, ik had ’t vergeten,” antwoordde Hermelijn weemoedig, »maar mij dunkt dat alleen mijn man hier te beslissen heeft.”

Vier hoofden werden bij deze woorden nieuwsgierig bij elkaar gestoken; Hermine was ontevreden gestemd, zij voelde er behoefte aan zich te kanten tegen haar omgeving en had lust haar wil door te drijven.

De vier schoonzusters keken elkaar veelbeteekenend aan.

»Waar is Conrad?” vroeg zij.

»Wel!” sprak de juffrouw, »ik weet het niet. Ik zal ereisis kijken, mijnheer is misschien ook moe.”

De zusters gichelden onder elkaar, Hermelijn, door de champagne opgewekt, voelde haar bloed koken.

»Ik zal het mijn man vragen en wat hem dunkt, is natuurlijk goed.”

»Ik zal ’t juffrouw de Géran ereisis zeggen,” sprak de juffrouw op een toon, die duidelijk beteekenen moest, »dan ben ik van de verantwoordelijkheid ontslagen.”

»We hebben nog geen oogenblik samen gesproken,” klaagde Hermine, die van het viertal afgescheiden stond, als ging het geheele feest haar niet aan.

»Mag ik mij aan u voorstellen, waarde zuster!” zeide, op een wijze die niet van pedanterie vrij was, een hoogst welluidende stem, en Hermelijn herkende in het rijcostuum, dat hem zeer goed kleedde, den kommandant van de eerewacht, haar zwager Portias.

»Mijn man,” zeide Kitty trotsch.

»Juist, die eer en dat geluk heb ik, lieve vrouw! Ik hoor dat u muzikaal is, zuster Hermine! Ik aanbid de muziek, ik had er mijn leven aan gewijd, voordat Amor onder gedaante van dat ondeugende schepseltje daar naast u, mij trouweloos had gemaakt aan mijn hooge bruid, niet waar, beste harp?”

Kitty lachte en vleide zich liefkozend naast haar man, die haar met zijn arm omgaf en snel een paar kussen op de lippen drukte; ’t was het eerste bewijs van hartelijkheid, dat Hermelijn van haar nieuwe familieleden zag en het maakte een aangenamen indruk op haar.

»Hoe veel ik anders ook van muziek houd,” zeide Hermelijn glimlachend, »nu kan ik het woord zelfs niet meer hooren. Ik ben zoo moe en Conrad…”

»Heeft nog niet naar mij omgezien,” wilde zij zeggen, maar weerhield het verwijt op haar lippen.

»Ik hoop dat u beiden langzamerhand twee gelijkgestemde instrumenten moogt worden,” wenschte Portias, »’t gaat zoo spoedig niet, dat stemmen neemt veel tijd weg, daar weten wij van mee te praten, niet waar viooltje, maar als ge eenmaal op één diapason staat, dan hinderen sommige dissonanten niet; al zijt ge dan nog zoo geheel verschillend van neigingen en karakter, [47]dat beteekent niets, ge zult toch aangename harmonieën voortbrengen.”

»Een mooie vergelijking,” zeide Hermine lachend.

»Hij praat altijd zoo,” verzekerde Kitty met een lief Indisch accent, en wierp haar man een bewonderenden blik toe.

»En de stemvork is liefde en de stemhamer geduld, denk daar aan, zus Hermine!”

»Ik zal er om denken,” en de tranen schoten haar in de oogen en reeds dadelijk voelde zij zich tot dit paar meer aangetrokken dan tot de overigen.

»Als ik me niet vergis zijn wij nog al in denzelfden toon gestemd,” merkte Portias op als had hij haar gedachten geraden, »denk je ook niet, kleine Cello? Wat dunkt je, zullen wij ’t nieuwe zusje naar haar kamer brengen.”

»Ach neen, Jo, Cor wil ’t niet.”

»Mijn piano! durf je het waarlijk niet doen? Kom, ik zal het Cor maar eens vragen.”

»Niet doen, Jo, niet doen! Waarvoor toch je daarmee bemoeien?”

Juist viel de dansmuziek in en eindelijk was Conrad gevonden; Corona gaf hem den arm en bracht hem zoo naar Hermelijn.

»Zie, nu moet je de polonaise openen,” zeide zij.

»Geef je ons nog geen vrijaf?” vroeg Hermine, »ik heb meer behoefte aan rusten dan aan dansen.”

»Na de polonaise ben je vrij.”

Conrad gaf zijn vrouw den arm, zonder de uitdrukking van zijn gelaat te veranderen, zonder haar een woord te zeggen, zonder haar hand meer te drukken dan volstrekt noodig was.

Vlak achter hen ging Corona aan den arm van een veel kleineren man, den resident der residentie, waarin Ngaroengan gelegen was en die reeds sinds verscheidene jaren alle mogelijke pogingen deed om het onneembare hart der schoone, trotsche jonkvrouw de Géran te veroveren; achter hen gingen familieleden en genoodigden, paar aan paar; enkelen bleven terzijde, waaronder Augustus vrouw, de oude heer, Thoren van Hagen en de steeds bedrijvige juffrouw.

Hun blik volgde onophoudelijk het zonderlinge bruidspaar; niemand kon ontkennen dat zij een fraai contrast met elkander vormden; beiden stralend van jeugd, flink gebouwd, maar toch kon niemand hen met voldoening nastaren. Zij zag er nu althans afgemat en treurig uit, en sleepte zich voort en Conrad ergerde ieder door zijn onverschillige houding en knorrig gelaat.

»Arme Hermelijn,” dacht Thoren van Hagen, »zult ge gelukkig worden, ik vrees dat ge uw geluk tot duren prijs moet koopen.” Maar onwederstaanbaar werden zijn oogen geboeid door de godinnen-gestalte van Corona.

»’t Is jammer dat zij zoo’n partner heeft,” mompelde hij, »ik geloof dat ik alleen haar nog in lengte voor ben.” [48]

Plotseling bleef de bruid staan.

»Ik kan niet meer,” fluisterde zij, de aandoeningen werden haar te machtig, de gedachte, dat zij vertoond werd als een kermispop onder het klinken eener luidruchtige muziek, dat ieder haar besprak en beoordeelde, hinderde haar eenigszins, maar zou haar op andere tijden slechts een hartelijken lach hebben ontlokt; nu echter voegde dit denkbeeld zich bij haar hopeloos smachten naar een woord van herkenning, naar een schaduw van een liefkozing van hem, wien ten wille zij haar vaderland en vrienden had verlaten.

Alles werd haar onverschillig, een onverklaarbare, namelooze walg voor de geheele omgeving vervulde haar ziel, alles scheen haar een landschap toe in motregen, een boek zonder geest, een schilderij zonder kleur.

»Laat mij gaan, ik bid het u!”

De levendige gordel hield op zich voort te bewegen.

»Iteko,” riep Corona en op dezen zonderlingen naam sprong de juffrouw overeind en tusschen alle paren, die elkaar eensklaps loslieten en zich met de anderen vermengden, baande zij zich een weg en hoorde het kort uitgesproken bevel harer meesteres aan.

»Breng mevrouw naar de logeerkamer!”

»Bestig, juffrouw.”

Wat er nu gebeurde, wist Hermelijn zich later niet meer met nauwkeurigheid te herinneren; alleen voelde zij dat Conrad haar zijde verliet, dat de muziek een anderen deun aanhief en dat het monstertje haar voorging naar een der binnenkamers, haar hielp ontkleeden en toen te bed bracht, waar Hermelijn onmiddellijk in een doffen slaap viel, die veel van bewusteloosheid had.

1 Javaansche geraasmakende instrumenten.↑

2 Stil! ’t helpt toch niet.↑

[Inhoud]

IX.

Inhoudsopgave

Toen Hermelijn den volgenden morgen ontwaakte, vielen de zonnestralen door de rieten gordijnen op den marmeren vloer, waarop, als een vurige roode vlek, een tapijt uitgestrekt lag voor het in mousseline gehulde ledekant.

Hermelijn sprong verschrikt op en het duurde eenige seconden voor zij tot bezinning kwam; het scheen haar onmogelijk toe dat zij den vorigen nacht nog aan boord had doorwaakt, in blijde spanning naar hetgeen haar dien dag wachtte, de blijde ontmoeting met haar man.

Haar man! was zij dan werkelijk getrouwd, was het geen droom, zou hij van daag eindelijk eenig blijk geven, waaruit zij kon opmaken dat zijn uit verre landen overgekomen bruid hem welkom was? [49]

Hermelijn moest sterk blijven; zij wilde tot geen prijs zich laten ter neder slaan, en die mijmeringen benamen haar den moed. Aan één hoop klampte zij zich vast, al dat feestvieren en die drukten, kwamen Conrad ten hoogste ongepast en onaangenaam voor, als zij eindelijk eens alleen tegenover elkander stonden dan zou hij zijn hart uitstorten en zijn onverklaarbare houding vergoelijken.

Zij kleedde zich snel, stak haar dikke lokken, die nu door de ochtendzonnestralen in goudgloed baadden, met een zwarten pijl op, en was juist bezig de laatste hand aan haar toilet te leggen, toen de juffrouw, door Corona als Iteko betiteld, binnentrad.

»Wat zie ik mevrouw!” riep zij verbaasd, »reeds gekleed maar gaat u zich niet mandi?”

»Mij baden? Och neen, ik heb er niet aan gedacht, de waschtafel is mij genoeg geweest.”

»Maar kleedt u zich dadelijk aan, waarom niet eerst in négligé voor den dag gekomen.”

»Ik heb geen négligé in mijn koffertje; mijn goed is nog niet aangekomen?”

»Daar kon in voorzien worden; juffrouw Corona had mij gezegd, dat ik er voor zorgen moest, maar ik had niet gedacht…”

»Men kan niet aan alles denken; ik elk geval zal ik geheel gekleed meer op mijn gemak wezen.”

»Naar uw verkiezing, mevrouw! Juffrouw Corona wacht u op haar kamer, vóór u naar de achtergalerij gaat. ’t Bal heeft lang geduurd, tot vier uur ’s morgens; maar juffrouw Corona vindt het ’t best dat u om 11 uur vóór de rijsttafel vertrekt.”

»Waarheen moeten we vertrekken?”

»Naar Djantong, waar u gaat wonen.”

»Daar weet ik niets van.”

»Dat huis hebben we voor u in orde gemaakt; Baboe Tjita zal voor het eten gezorgd hebben; het feest gaat hier natuurlijk door, maar de juffrouw dacht, dat u wel zou verlangen in uw eigen huis te komen.”

»’t Is zeer vriendelijk van de juffrouw dat eindelijk te bedenken.”

»O de juffrouw denkt om alles, een buitengewone dame, hoogst buitengewoon. Vindt u ze geen beeld?”

»Neen, een beeld juist niet.”

»En iedereen roept zoo over haar schoonheid.”

»Dat kan wel wezen, maar niet ieder beeld is schoon en alle vrouwen, die mooi zijn, zijn daarom nog geen beelden.”

»Een juiste opmerking, mevrouw! Zeer juist! Zoo bedoelde ik het dan ook. Als u gereed is, wil u mij volgen naar de kamer van juffrouw Corona.”

»’t Is goed.”

Hermelijn volgde haar naar de buiten-zijgalerij, waarop ook de kamer van Corona uitkwam; deze was even groot als de logeerkamer [50]en bijzonder fraai gemeubeld, met turksch roode divans, hooge kasten, marmeren beelden, ingelegde chineesche tafeltjes, japansche vazen, ivoren snijwerk, een allersierlijkst ledekant met witte en roode gordijnen.

Corona zat voor de toilettafel; een handig Javaansch meisje kamde haar lange, schitterend zwarte haren uit, die, een fluweelen mantel gelijk, over de leuning van den stoel ter aarde hingen; in haar eene hand hield zij een spiegeltje in schildpadden lijst, waardoor zij zich van ter zijde en van achteren in den grooten spiegel bezag; een kleiner meisje zat voor haar voeten geknield en trok haar dunne rooskleurige kousjes aan; een derde veel oudere Javaansche vrouw ging in de kamer op en neer, van de eene kast naar de andere, de kleederen met geurige ramping (fijn gesneden bloemen en bladeren) bestrooiend. Toen juffrouw Iteko met Hermelijn binnenkwam, legde zij het spiegeltje neer en stak haar schoonzuster beide handen toe.

»Wat ben je matineus, kom hier geef mij een kus. Al zoo vroeg gekleed en gekapt! Ik kan je niet zeggen, Hermine, hoe ik met mijn nieuwe schoonzuster ingenomen ben,” zeide zij op hartelijken toon.

»Dat doet mij pleizier, Corona, en ik hoop dat Conrad van dezelfde meening is.”

»Die kwajongen, foei, ik ben zoo boos op hem geweest, ik heb hem gisteren avond de les gelezen, ongemakkelijk hoor! ’t Zal hem heugen.”

»En waarom dan?”

»Wel, om zijn malle kuren.”

»Conrad zal wel weten, waarom hij zoo doet.”

»Wat, verschoon je hem nog?”

»Moet ik niet!”

»Ben je dan niet boos op hem?”

»Op mijn man, wel neen! Ik denk er niet aan.”

»Hij heeft zich gedragen als een sinjo, als een kwast,” siste zij met een onheilspellend fronsen van haar wenkbrauwen en een zenuwachtig samenpersen der lippen.

»Ik zal wachten zijn gedrag te beoordeelen, tot hij mij daarvan uitlegging geeft, ik twijfel niet of deze zal mij geheel tevreden stellen.”

»Zoo’n kind, hij uitleggingen geven! ’t Zal wat moois wezen als het voor den dag komt, enfin, je zult het mij vertellen als hij je gesproken heeft. Ik ben geïndigneerd.”

»Alles schijnt me zoo vreemd en zonderling, dat ik nog niet weet wat te gevoelen. Mag ik u vragen, hoe laat het is?”

»Over negen! Ik heb wat langer geslapen omdat het zoo laat geworden is met het bal. ’t Is jammer dat je zoo vroeg bent heengegaan; wij hebben nog zooveel pleizier gehad.”

»Ik was doodmoede.” [51]

»Ja dat begreep ik wel, anders had ik je niet laten vertrekken. Is Iteko weg? Ik wilde haar vragen, welke kamer zij dien heer met den vreemden naam heeft gegeven. Is hij niet met je mee gekomen?”

»Bedoelt u Thoren van Hagen?”

»Juist; een oude kennis van je?”

»Ja, van mijn jeugd, ik was nog een heel klein ding, toen hij bij mijn vader aan huis kwam en met mij speelde.”

»Hij is officier geweest?”

»Korten tijd, naar ik hoor, toen was hij pas sergeant.”

»O zoo, weet je waarom hij den dienst verlaten heeft?”

»Omdat hij er geen lust meer in had.”

»Is hij dan zoo rijk om alles te doen, waartoe hij lust voelt?”

»Ja, hij moet heel rijk wezen.”

»En heeft hij nooit moeite gedaan voor je hand?”

»Voor mijn hand,” en Hermelijn lachte, »wel neen, hoe komt u er aan?”

»Me dacht zoo. Weet je wel dat je mijn nichtje bent, Hermine?”

»Ja zeker, en van wie nog meer.”

»Van August en Guillaume. Zij lijken niet op mij, vind je wel?”

»Neen, niets.”

»Als ge ja had gezegd, zou het geen compliment geweest zijn, ten minste wat August betreft.”

»Daarom zou ik het toch niet verzwegen hebben, zoo ik ’t had gedacht. Ik geef alleen complimentjes, als ik ze werkelijk meen.”

Corona zag haar glimlachend aan en zeide toen:

»Je bevalt mij hoe langer hoe meer! Je bent zoo heel anders, dan al die zusters en schoonzusters van me. Conrad moest mij op zijn knieën bedanken.”

»Waarom?”

»Wel omdat ik hem mijn nichtje heb afgestaan.”

»Een zonderlinge afstand.”

»Nu we zullen er later over spreken, om elf uur vertrek je naar Djantjong.”

»Met Conrad natuurlijk?”

»Dat spreekt, dan begint je huwelijksreis; hoe heerlijk als men in Europa is, dan gaat men naar Italië of Zwitserland. Hier is alles even eentonig en prozaisch.”

»Daarom wacht u zeker met uw huwelijksreis tot u in Europa is.”

»Ik wacht met mijn huwelijk tot ik iemand vinden kan, die mij in alles en alles bevalt.”

»Dan zal u lang moeten zoeken.”

»Denk je dat ik zoo moeilijk te voldoen ben?”

»Dat weet ik nog niet; maar ’t is in het algemeen niet mogelijk iets te vinden dat ons geheel bevalt, hoe lang men ook zoekt.”

»Meen je dat? Nu, ik heb nog niets gevonden wat er in de [52]verste verte op geleek. Je hebt groot gelijk, Hermine, van niet te hebben gekozen, maar met gesloten oogen je toekomst bent tegemoet gegaan.”

»De tijd zal leeren of ik wijs heb gehandeld.”

»Ik vrees dat je te goed bent voor dien jongen, maar ik zal er niets meer van zeggen; je moet het zelf ondervinden. ’t Doet me pleizier dat ge je gekleed hebt, dan zal het beter uitkomen. Zie eens hier!”

Op de toilettafel tusschen de poeierdoozen, de reukflesschen en de ringenbakjes lag een donkerblauwe étui met gouden letters versierd.

»Dat is voor jou!” sprak Corona, het haar overreikend.

»Voor mij?”

»Ja, alle dochters en schoondochters van ons krijgen iets op hun huwelijksdag, je hebt er dus recht op.”

Zij las het opschrift: »Hermine.”

»Nu maak je het niet open, ben je niet nieuwsgierig? Geef dan maar eens hier!” en Corona zette de étui open en de zonnestralen kwamen zich met veelkleurige prisma’s breken in de fijn geslepen facetten van een rijke parure, halsketting, bracelet, oorringen en broche.

Hermelijn was te veel vrouw, dan dat ook haar oogen niet zouden schitteren, op het gezicht van al dat goud en brillanten.

»O Corona, dat is te veel,” riep zij.

»Te veel! En die dikke logge Sophie heeft het ook gekregen, en die domme gans van een Toetie en toen wij een fat als Portias in de familie toelieten en een slaapmuts als van Akkeveen, toen kregen Kitty en Dolly ook zoo’n parure.”

»Je denkt niet hartelijk van je aangetrouwde familie,” zeide Hermelijn lachend, »hoe zal je eens over mij spreken?”

»Je bent heel iets anders, mijn mooie blondine! Ik ben dol op blondines, maar niet op zulke blonde nonnies als Toetie. Kom hier ik zal het je om doen.”

»Op mijn zwarte jurk?”

»Wel zeker waarom niet.”

»En aan de ontbijttafel, dat staat zoo pronkerig!”

»Papa zal het genoegen doen.”

»En Conrad?”

»Och die! Laat me eens zien.”

Zij stond op, zonder er op te letten dat zij haar met moeite opgericht kapsel weer geheel in de war bracht, en versierde Hermelijn’s hals, ooren en arm met de glansvolle diamanten.

»Zie nu eens in den spiegel,” sprak zij.

»Marguérite ce n’est plus toi!”

»C’est la fille d’un roi!” neuriede Hermelijn.

»Het eerste bal het beste dat we geven, en ’t zal spoedig wezen, zal ik voor je toilet zorgen, Hermine; lichtblauw gaas met witte rozen en… wacht eens Iteko!” [53]

»Iteko is er niet.”

»Zij zorgt voor het ontbijt, nu dat is minder, ik zal mijn Mode Illustrée er eens voor opslaan, ik moet je prachtig hebben, Hermine, prachtig, eindelijk zal ik eens eer beleven.”

»Aan mij!”

»Aan een van de zusters! Tot nu toe kijken ze alleen naar mij, dat verveelt me zoo vreeselijk, ik moet er een eind aan maken, nu zal ’t jou beurt wezen, Hermine!”

»’t Is nog de vraag of Conrad het goed vindt.”

»Altijd die Conrad.”

»Natuurlijk. Hij is toch mijn man.”

»Nu ja, dat is wel zoo… maar… ik wil je geen illusiën ontnemen; zou die Thor of Thoren lang blijven?”

»Ik weet er niets van, papa stelde hem voor mee te rijden. Heeft u met hem gedanst?”

»Neen, ik had mijn balboekje reeds geheel vol. Is hij aardig?”

»Aardig, dat weet ik nu juist niet, maar ik mocht hem vroeger graag, hij was erg wild en ik niet minder.”

»Hij kan iemand zoo raar aanzien of hij je bespot.”

»Ja, hij ziet er soms erg ondeugend uit, maar toch zijn er oogenblikken dat hij somber is. Zijn moeder heeft hij jong verloren.”

»Ik ook en toch kijk ik niet somber.”

»Ja, maar het was een treurige dood; zij heeft zich zelf gedood.”

»En waarom?”

»Ik weet het niet, haar huwelijk was ongelukkig, zeggen sommigen; anderen verzekeren dat zij krankzinnig was, maar na dien tijd leeft zijn vader als een kluizenaar; hij heeft vroeger ook zelfmoord beproefd, hij draagt nog altijd een zwarten halsdoek en is daarbij zeer, zeer streng tegenover Iwan.”

»Heet die mijnheer zoo, wat dwaze naam!”

»Ja, wij plaagden er hem vroeger altijd mee; eigenlijk heette hij Johan, doch zijn moeder noemde hem Iwan—dat vond ze zoo mooi—en hij is aan dien naam gehecht.”

»Ik kan niet zeggen dat hij mij bevalt.”

»Och, ik mag hem wel, hij heeft een goed hart.”

»En ik kan geen goede harten uitstaan. Goede harten hebben al degenen, die dom, onbeduidend, onhandelbaar, lastig, onuitstaanbaar zijn; als men geen enkele goede eigenschap vinden kan, dan wordt dat goede hart er met de haren bijgesleept. Verbeeld je dat ze van mij ook durven zeggen dat ik een goed hart heb.”

»Ik hoop, dat ik het zal ondervinden, Corona.”

»Bezit ik dan zoovele ondeugden, dat mij zoo’n vergoeding moet gegeven worden? Tima ben je nog niet klaar,” de laatste woorden in het Maleisch, »wat duurt het toch lang! Steek het maar vast, ’t komt er niet op aan, hoor!” [54]

De kamenier stak in de dikke zwarte massa een paar diamanten haarpennen en zeide toen het enkele woord:

»Abis.” (Klaar!)

Corona stond op; zij had een sarong1 van keurige teekening in fraaie donkerroode kleur aan; een fijne, witte kabaja1 deed haar slanke, welgevormde gestalte ten volle uitkomen. Hermelijn vond haar nu nog schooner dan gisteravond; haar gelaatskleur had de warme tint, herinnerend aan die der agaatroos en door velen boven lelieblank verkozen. In elk geval is het de kleur, die in de tropische landen het best tegen de werking van het klimaat bestand is, en nog steeds dezelfde blijft, als de rozentinten reeds lang in wasgeel zijn overgegaan; haar trekken, hoewel eenigszins scherp, waren fijn besneden en regelmatig, doch het meest trokken hare oogen aan, wonderbare diepe amandelvormige oogen, niet ongelijk aan die van Hermelijn, schuil gaande achter lange, franjeachtige wimpers, die, als zij ze nedersloeg, een schaduw op de wangen wierpen; hun opslag was echter gebiedend, geheel in overeenstemming met den strengen trek om de lippen, die onaangenaam trof, als Corona iets afkeurde of haar wil als een wet opdrong; glimlachte zij echter, dan straalde uit haar blik een teedere smeltende gloed, alles, wat zooeven als hard en scherp had teruggestooten, scheen in een oogwenk verdwenen en niets bleef over dan een zachte, vriendelijke, onweerstaanbaar aantrekkelijke uitdrukking.

Nu lachte Corona en zooals zij daar tegenover haar schoonzuster stond, haar tooiend en opsierend, viel de gelijkenis tusschen de beide nichten nog meer op dan haar verschil in complexie zou kunnen doen vermoeden.

Zij sloeg haar arm om Hermelijn’s hals en verliet met haar de slaapkamer om zich naar de achtergalerij te begeven. Daar was de geheele familie vereenigd rondom de ontbijttafel; August’s vrouw zat voor een bord gevuld met ham, pâté de foie gras en pauwenbout en zij, die ook de appetijt van haar man hadden gezien, zouden wel reden hebben zich te verbazen over de hoeveelheden mondbehoeften, voor dat groote huishouden noodig. Drie of vier kleine kinderen hingen aan mama’s stoel, zagen haar de beten uit den mond en dwongen telkens en niet te vergeefs nu om dit, dan om dat stukje.

Mevrouw Guillaume schommelde in een wipstoel met een klein meisje op den schoot en een jongetje, dat in een djamboe2 beet, naast haar! Dolly van Akkeveen liep heen en weer met een wanhopig schreeuwend kind op den arm, dat weerstand bood aan al haar pogingen om het tot bedaren te brengen.

Aan een tafeltje stond Kitty Portias, allerliefst en frisch in [55]haar Indisch morgen-négligé, voor een hoop bloemen, die zij tot bouquetten samenbond; haar zusje Margot heette haar te helpen, maar had het nog drukker om door allerlei half Maleische, half Hollandsche scheldwoorden een paar alleraardigste jongentjes, van wie niemand zeggen zou, dat zij oom en neef waren, van de bloemen en van haar lange vlechten af te houden.

In een grooten luiaardstoel lag van Akkeveen in de bijna ondoordringbare blauwe rookwolken van een manillasigaar gehuld; nog een paar van de broers waren of aan het eten of aan het spelen met de door alles krioelende, woelige kinderen. Het was een levendig, aantrekkelijk gezicht, dat den indruk van gezondheid en jeugdige kracht gaf.

Tegen het hek op een afstand van het gezelschap geleund, stond Portias te praten met Thoren van Hagen, die hem glimlachend aanhoorde, totdat zijn aandacht plotseling afgeleid werd door het binnentreden der beide schoonzusters, die arm in arm aan den ingang verschenen.

»Twee luchtstreken, twee beschavingen, twee rassen, twee instrumenten, de trotsche harp, de liefelijke mandoline,” zeide Portias.

Het sterke zonnelicht speelde in de brillanten parure van Hermelijn en bedekte den marmeren vloer en de geel-witte muren met een regen van roode, blauwe en paarsche vonken, die de kinderen tot de grootste luidruchtigheid voerden; allen sprongen en dansten om de trillende, vluchtende prismabeelden, welke zij als bonte kapellen aanzagen en te vergeefs trachtten te vangen.

»Bienatang, bienatang! Poepoe3!” gierden zij op alle tonen en klanken.

»Houd jelui toch je snaters ver.…” barstte Akkeveen los, in zijn zoete rust gestoord.

»Ik zou de kinderen maar niet tot een verwijt maken, wat voor een gering gedeelte je niet zou misstaan, Ak,” zeide Corona spottend en wees Hermelijn een stoel aan.

»Is papa uit?” vroeg zij haar groote oogen over het gezelschap weidend.

»Natuurlijk,” bromde Akkeveen, »de ouwe is wel zoo wijs om zoo vroeg mogelijk uit te rijden, als er hier zoo’n Babelsche verwarring heerscht. Zeg Dol, je zorgt dat je tegen vier uur klaar bent, dan gaan we heen.”

»Ik dacht één uur.”

»’t Is waarlijk of de nacht niet kort genoeg is geweest, dat je mij mijn middagslaapje niet gunt.”

Margot was Hermelijn genaderd en onderzocht haar diamanten.

»Mooier dan van Toetie en Dol,” zeide zij, »die steenen zijn niet zoo geel.” [56]

»Dat spreekt! ’t Is ook een nicht-zuster,” mompelde Akkeveen, »verdraaide meid, zit daar niet zoo aan mijn stoel te dauwelen.”

»’t Is geen parure voor mijn kleedje,” sprak Hermelijn glimlachend, »maar Corona wilde dat ik.….”

»Dat je ons allen de oogen daarmee uitstak. Jawel juist iets voor Cor.”

»Mijn hemel, Akkeveen, wat ben je onhebbelijk van morgen, haarpijn he?” vroeg Corona gemelijk.

»Ik dank u wel lieve zuster voor dien inval,” zeide Portias, »niets heerlijker dan die schitterende glans, welke een jonge bruid omgeeft; is u uitgerust?”

Ook Thoren van Hagen was beide dames genaderd.

»U heeft gister te veel van uw krachten gevergd, Hermelijn, ik bedoel mevrouw,” sprak hij.

»Hermelijn, wat een naam, maar veel mooier dan Hermine. Hoe kom je daaraan?” vroeg Corona.

»Conrad gaf mij dien!” antwoordde zij met een diepen blos.

»Conrad? Och, ’t is waar, je kent hem nog uit Holland!”

Hermelijn zag haar verbaasd aan, de vraag brandde haar op de lippen:

»Meent u dan dat ik hem anders zou getrouwd hebben?” Maar zij hield zich in, niets mocht hier in het openbaar haar gevoelens verraden; vergeefs had zij haar man gezocht, hij ontbrak in den kring en die afwezigheid scheen nu ook Corona op te vallen.

»Waar is dat onhandelbare ventje gebleven?” vroeg zij rondziende.

»Wie heeft het geluk zoo door u betiteld te worden.”

»Mijn broeder, de bruidegom, mijnheer van Hagen!”

»Coen is na de partij dadelijk gaan jagen,” zei Margot.

»Heeft hij nog niet ontbeten?”

»Neen!”

Een kleine Géran, bruin en lenig als een katje, was onder de tafel gekropen en scheen zijn tante of zuster, daar op de fijn geborduurde gouden muiltjes te hebben getrapt, want plotseling flikkerde een bliksemstraal in Corona’s oogen, de zwarte wenkbrauwen trokken zich onheilspellend als onweerswolken samen, de mond nam een toornige uitdrukking aan; met een forschen ruk haalde zij het ventje onder de tafel vandaan, gaf hem een fikschen klap om de ooren, en een duw, die hem drie stappen vooruit deed stuiven, en beval toen:

»Nu heb ik genoeg aan al dien rommel! Baboe’s en kinderen naar de bijgebouwen! Iteko, zorg dat die levenmakers wegkomen en wij mekaar eindelijk verstaan kunnen.”

»Een wijs besluit,” gromde Akkeveen, »als men zelf het maar eens ondervindt.”

»Ja, kassian!” riep Toetie zich uit haar wipstoel opheffend, een [57]kind op den grond zettend en het geslagen jongentje troostend, »kassian mana sakiet, njo?”4

Corona’s toorn was nog niet bedaard.

»Toetie! laat die komedie varen,” snauwde zij haar toe, »op die manier, als dat jonge volk zoo verwend wordt en in alles zijn zin krijgt, wordt het hier nog een kolonie van boeven en schurken.”

Toevallig ontmoette haar verontwaardigde blik de lachende oogen van Thoren van Hagen, die op zijn knevel beet om een glimlach ook niet over zijn lippen te laten spelen.

Zij zag hem strak aan, maar die lach werd nog duidelijker en toen vroeg zij:

»Waarom lacht u?”

»Omdat ik het altijd prettig vind naar een onweer te kijken.”

»Koerang adjar,”5 mompelde zij tusschen haar lippen en wendde zich weer met een bevel naar Iteko, die haar handen vol had om chocolade te schenken voor de beide laatst gekomen dames en om de kinderen, die allen min of meer tegenstribbelden, de galerij uit te krijgen.

»Wat zijn wij gelukkig er geen te hebben,” fluisterde Portias, de bloemen naderend en zijn vrouw over de geurige, losse zwarte haren strijkend, »je zoudt er genoeg van krijgen alleen door het gezicht.”

Zij glimlachte min of meer treurig.

»Als Corona ze sloeg, kon ik het niet velen!” zeide zij zacht.

»Neen, ik ook niet.”

Zij stak hem een paar rozenknopjes in de tressen van zijn chineesch buisje, waarvoor hij haar door een zoen beloonde.

»Als je vrijen wilt, Kit, zou ik maar heengaan,” beet Corona haar zusje toe, »ik heb hier al ergernis genoeg!”

»Niets liever dan dat, zus Cor! We zullen het ontstemde instrument uwer ziel geen verdere dissonanten meer doen voortbrengen. Mijnheer Thoren, u wilde de paarden immers zien. Tot straks, Violetta mia!”

Zoo werd de galerij allengs leeger en Corona zeide op kalmer toon:

»Zie zoo, nu kunnen we tenminste ademhalen. Je ziet hier van alles Hermelijn, vechten, vrijen, schelden, luieren, huilen, grienen. Als ik er geen orde onder hield, hoe zou het dan gaan? Ik vind dien logé van papa vreeselijk impertinent. Mij in mijn gezicht uit te lachen.”

»Hij heeft nog niet gelachen, Cor!” riep Margot.

»Ben je nog hier! Je hoort er ook niet.”

»Jawel, ik wil bij Hermelijn blijven, heeft u mooie dingen uit Holland mee gebracht? Wanneer komen uw koffers?” [58]

»Iteko, moet Margot geen piano studeeren, zij heeft al lang genoeg vacantie gehad!”

»Zeker, juffrouw de Géran, zoodra het ontbijt afgeloopen is.”

»Het ontbijt is afgeloopen, ik heb gedaan en mevrouw Conrad ook. Laat Sarko de tafel afhalen.”

»Maar mijnheer Conrad!”

»Dan moet hij maar op zijn tijd komen. Zullen we wat muziek maken, Hermelijn, ik vind dien naam zoo mooi, en zoo geschikt voor je.”

Margot was op het eerste woord van piano onzichtbaar geworden.

»Ik dacht dat Margot studeeren moest,” antwoordde Hermelijn.

»Ja, op haar piano in de schoolkamer, want aan de mijne mag dat nest nooit komen.”

»Zal ik me niet moeten klaarmaken?”

»En je man is nergens te vinden. Zoo’n bruidegom heb ik nog nooit eerder gezien.”

1 Indisch négligé.↑a b

2 Vrucht.↑

3 Dieren, vlinders!↑

4 Waar heb je pijn, ventje?↑

5 Onbeleefd.↑

[Inhoud]

X.

Inhoudsopgave

Juist verscheen de nooit eerder geziene bruidegom op de trap, die den tuin aan de galerij verbond; hij zag er nu heel anders uit dan gisteren; de booze uitdrukking van zijn oogen was verdwenen, zij lagen hol en diep in hun kassen, hij was doodsbleek en er rustte een moede trek om zijn lippen.

»Conrad, waar ben je toch gebleven?” vroeg Hermelijn, hem ongedwongen tegemoetkomend.

»Goeden morgen!” zeide hij koel zonder hand en zonder kus, de armen op zijn rug gekruist.

Met een hatelijken glimlach had Akkeveen zich opgericht, en verliet het bruidspaar niet met zijn kleine oogen.

Corona sloeg den arm om Hermelijn en kuste haar met een hartelijkheid, die te heftig was om niet het gevolg te zijn van inwendige opgewondenheid.

»Je moet het je niet aantrekken, wat die akelige jongen doet of zegt, hij verdient niet de punt van je pink te kussen, zoo’n lummel.”

»Corona,” zeide Hermelijn, zich zacht maar beslist aan die liefkozingen onttrekkend, »we zijn man en vrouw! Alles wat u van mijn man zegt, is ook van mij gezegd! Ik wil het niet aanhooren.”

Verbaasd zag Corona haar aan; zij voelde zich vreemd te moede, ’t was of met de nieuw aangekomenen van gisteren een nieuw element zich in haar leven had gemengd, of alles niet meer zoo [59]zou worden als vroeger toen zij onbeperkte heerscheres was, toen men wel tegen haar heerschzucht durfde opkomen, maar er niemand was, die lachte om haar toorn, of haar liefkozingen van zich afweerde.

Conrad scheen niet te luisteren; met den rug naar zijn vrouw en zuster gekeerd, dronk hij in kleine teugen het kopje koffie door Iteko hem voorgezet en weigerde hardnekkig al haar aanbiedingen om iets te eten. Hermelijn ging intusschen naar haar kamer, legde haar parure af en deed hoed en mantel om, trouw aan haar Hollandsche gewoonten; zelfs trok zij haar handschoenen aan, zich verwonderend over haar eigen kalmte en onverschilligheid.

»Mag ik binnenkomen?” vroeg een zachte, vriendelijke stem en Kitty’s lief kopje verscheen boven een fraai bouquet, dat zij in de handen droeg.

»Ik hoop dat je gelukkig zult worden, zusje Hermine,” zeide zij, »zoo gelukkig als wij; Conrad is zeer goed, hij is mijn lievelingsbroer maar… Cor weet niet met hem om te gaan.”

»Dat behoeft ook niet, lieve Kitty! Als ik ’t maar kan.”

»Dat zal wel komen mettertijd.”

»Mettertijd.” Hermelijn herhaalde het woord werktuigelijk, dat had zij zich niet voorgesteld, mettertijd!

»Ik zal die bloemen in den wagen laten brengen, niet waar Hermine! Ik heb ze zelf met José geplukt van morgen vroeg.”

»Lieve Kitty, ik dank je!” en Hermelijn kuste haar hartelijk en voelde dat haar oogen vochtig werden, bij dat ongekunstelde blijk van sympathie.

Zij gingen naar buiten en kwamen Corona tegen, die maar half tevreden scheen Kitty in Hermelijn’s gezelschap te zien.

»Je moet niet zeggen dat ik bij je ben geweest op de kamer,” fluisterde Kitty haastig.

»En waarom niet?”

»Anders wordt zij boos!”

»Boos worden, ik zou ’t niet denken.”

»Och, zij wil je heelemaal voor zich hebben en kan niet verdragen dat wij ons met je bemoeien.”

»’t Is waarlijk of ik met haar getrouwd ben.”

Kitty lachte, als zij niet zoo’n door en door goed schepseltje was geweest zou men kunnen meenen, dat die lach de beteekenis had van:

»Nu wat anders?”

»’t Rijtuig staat je te wachten, Hermelijn!” sprak Corona vrij effen, en toen tot Kitty, »o foei, wat bederf je het huis al vroeg in den morgen met die bloemenlucht, zonder nog te denken aan al de rupsen, die je in huis haalt.”

»Ik ben klaar, wacht Conrad mij?” vroeg Hermelijn op vastberaden toon. [60]

»In de voorgalerij, de heele kolonie is er verzameld; Papa is zoo wijs geweest het land in te gaan, als ik me niet had verslapen had ik ’t ook gedaan. Kan je paard rijden, Hermelijn?”

»Ik heb ’t tenminste geleerd.”

»Heerlijk, dan zullen we samen prachtige tochten maken. Die andere vrouwen kan ik nooit mee krijgen, Kitty was vroeger mijn trouwe kameraad, maar nu wil die malle Jozef het niet meer hebben.”

Een grenzenlooze verachting sprak uit dat woord, waarmede zij zich beklaagde dat een man zijn vrouw iets durfde verbieden, wat haar, Corona, aangenaam was.

Zij kwamen in de rijk gemeubelde voorgalerij, klein en groot was daar vereenigd; op de onderste trede stond Conrad naast een opgeschoten knaap, en zag naar de fraaie koets met vier gitzwarte paarden bespannen, die op het kiezelzand ongeduldig stonden te trappelen.

»Ongeduldiger dan de bruidegom,” grinnikte Akkeveen, »en ’t is toch zonde, zoo’n pracht van een meid! Als ik in zijn plaats was.…”

Thoren van Hagen was er ook en toen Hermelijn zich gedwee door allen liet kussen en de hand drukken, naderde hij haar eveneens en nam haar kleine hand in zijn beide.

»Moed Hermelijn, moed!” fluisterde hij haar hartelijk toe.

»Geloof je werkelijk dat ik dien noodig zal hebben?” vroeg zij met een droevigen blik.

»Ja, maar je vader waakt over je!”

»Dank je,” antwoordde zij eenvoudig en steeg, door Portias geholpen, in het rijtuig, dat geurde van Kitty’s bloemen, Kitty wierp zich om Conrad’s hals:

»Zij is zoo lief, wees toch goed voor haar!” smeekte zij zacht.

Met een alles behalve vriendelijke beweging weerde de broer zijn zuster af, en toen alles overziende, riep hij kortaf:

»Goedendag!”

»Goede reis, goede reis, dag Conrad, dag Hermine!” riepen allen en Hermelijn wuifde met haar hand en haar zakdoekje, hen allen een vaarwel toe; Conrad leunde achterover en verwaardigde zich niet iets meer van zich te laten zien.

»Zie zoo, nu moeten zij varen in de huwelijksschuit,” zeide Guillaume.

»Het accordeeren begint, dat kost altijd moeite, en in deze omstandigheden meer dan ooit,” meende Portias.

»Conrad is een windbuil, een domoor,” beweerde Akkeveen.

Thoren van Hagen zag ernstig, zijn oogen hadden hun peinzende, droevige uitdrukking.

»Zoo zag zijn moeder er uit, toen zij hem het laatst kuste,” placht dan de oude, trouwe dienstbode te zeggen, die hem opgevoed had. [61]

»Waarom is u zoo stil, mijnheer van Hagen, benijdt u Conrad?” vroeg een spottende stem.

»Neen, juffrouw de Géran, ik dacht niet aan uw broer, ik dacht aan een meisje, dat rijk aan illusiën haar vaderland verliet en hier niets vindt dan onverschilligheid en wantrouwen.”

»Bedoelt u Hermine, wat ontbreekt haar?”

»Het eenige, wat zij noodig heeft, de liefde van haar man.”

»Liefde? Komt u pas uit Europa en gelooft u daaraan?”

»Wordt dat artikel dan niet uit Europa geïmporteerd?” en hij begon weer te lachen.

»We kennen dat tenminste hier niet! Hermelijn wordt door mij ontvangen als een zuster, verwelkomd als een vriendin, zij had in Europa niets anders dan de keus tusschen dienstbaarheid en genadebrood. Zij is getrouwd, rijk.…”

»En haar man behandelt haar met beleedigende onverschilligheid; wie voorspelt, wat hij nog doen zal?”

»Och kom! Conrad is nog een kwâjongen.”

»Des te erger voor Hermelijn, die een man verdiende.”

»Zij zal hem wel naar haar hand zetten.”

»Nooit gehoord, dat huwelijksgeluk in naar de hand zetten bestaat.”

Corona lachte nu ook, maar gedwongen.

»Dat is zeker,” ging hij ernstig voort, »die haar bedroog, en deed gelooven dat Conrad haar ten huwelijk vroeg, omdat hij nog iets voor haar voelde uit zijn kinderjaren, deed een slecht werk. Ik weet natuurlijk niet hoe men hem heeft kunnen brengen tot een huwelijk, dat hij blijkbaar niet wenschte, maar de wijze waarop Hermelijn er toe overgehaald werd, noem ik onverantwoordelijk.

»Maar mijnheer, u vergeet tot wie u spreekt!”

»Toch niet tot de bewerkster van dat huwelijk, wil ik hopen?”

»Waarom hoopt u dat?”

»Omdat ik u niet in staat reken tot een lage daad.”

»Een lage daad! maar dat is zij niet! Is Hermelijn niet beter af, dan dat zij bijvoorbeeld gouvernante was geweest?”

»Volstrekt niet! Dan had zij haar vrijheid nog en die is meer waard dan alle schatten van de familie de Géran.”

»Gelooft u dat werkelijk?”

»Zeker.”

»En toch vinden de menschen het zoo dwaas, dat ik mijn vrijheid niet wil verkoopen!”

»Omdat men er u nog niet genoeg voor geboden heeft, want, stellig heeft niemand u nog den eenigen prijs kunnen geven, welke die vrijheid waard is.

»En dat zou wezen?”

»De liefde van een man, dien u ook achten, beminnen en gehoorzamen kunt.” [62]

»Ik gehoorzaam niemand.”

»Omdat u het nog niet wil.”

»Voor wien zou ik het willen?”

»Dat weet ik evenmin, maar dat die ergens ter wereld bestaat zal u niet ontkennen!”

»Ik zou hem eerst moeten zien.”

»En Hermelijn is de gelegenheid ontnomen om met voordacht te kiezen.”

»Nu, als zij het niet gaarne gewild had, zou zij niet toegestemd hebben.”

»Zij vertrouwde op zijn brieven, God geve dat haar vertrouwen niet moge beschaamd worden.”

Corona werd rood en toen bleek; zij sloeg haar oogen neer.

»Als u zoo’n belang in haar stelt, waarom is u niet met haar getrouwd?” vroeg zij min of meer verlegen.

»Omdat… omdat ik haar lief heb als een vriendin, een zuster bijna, maar ik een andere vrouw wensch te beminnen als mijn bruid.”

»Liefde is kinderspel en het huwelijk hooge ernst, die twee passen niet samen.”

»Een theorie om over na te denken,” zei Thoren met spottenden ernst.

Zij keerde zich om en ging naar haar kamer, waar de altijd bedrijvige juffrouw Iteko in de weer was.

»Iteko,” zeide Corona. »Iteko! Ze zijn weg!”

»Om u te dienen, juffrouw!”

»Zou ’t goed gaan, Iteko?”

»Waarom niet, juffrouw! Ze zijn jong en mevrouw Hermine is zeer verstandig.”

»Dat geloof ik ook, als ze maar niet te verstandig is, Iteko; we hebben tot nu toe met domme eendjes te doen gehad, maar zij heeft een wil en verstand. Als zij er achter kwam, o ’t stond mij altijd zoo tegen.”

»’t Was voor hun bestwil.”

»Jawel, jawel, ik weet het, maar toch! Zeg, Iteko, weet je ook hoe lang mijnheer Thoren van Hagen hier blijft?”

»Ik zal ’t eens zien te hooren, juffrouw.”

»Ik wil papa zeggen, dat hij gauw moet heengaan want hij hindert me, ik vind hem onuitstaanbaar pedant.”

»Hij ziet er erg knap uit, ik zag nog zelden zoo’n mooie man.”

»Och kom! kijk jij daar naar? Ik nooit! vond je Conrad niet dwaas, Iteko?”

»Ik had niet anders verwacht, juffrouw! ’t Valt me nog mee, na alles wat er gebeurd is.”

»’t Is een akelige dwarskop, ’t spijt me voor Hermelijntje, zij is alles, wat we wenschen kunnen, niet waar Iteko?”

»Ik hoop dat u ’t altijd zal blijven denken, juffrouw.” [63]

»Vrees je het tegendeel?”

»Ik ken haar te slecht, ik durf niet beslissen.”

»Je bent ook altijd bang je te branden aan ijswater! Wat valt er op haar aan te merken?”

»Niets.”

»Ga heen, je maakt me zenuwachtig, ik weet toch niet wat mij van morgen scheelt. Ik ben mijzelf niet. Die man wordt mijn noodlot!”

[Inhoud]

XI.

Inhoudsopgave

De coupé rolde intusschen over den gladden weg, die bergafwaarts ging; Conrad leunde in een der hoeken zoo ver mogelijk van zijn vrouw af.

Hermelijn was doodsbleek geworden, zij voelde en hoorde niets anders dan het onstuimig kloppen van haar hart, dat zelfs het gerol der wielen overstemde.

»Conrad,” zeide zij met verstikte stem eindelijk. »Conrad!”

»Wat is er?” vroeg hij zonder zijn achtelooze houding te verlaten.

»Conrad, zal je mij nu eindelijk uitlegging geven van je onverklaarbaar raadselachtig gedrag.”

»Je bent immers met mij getrouwd, wat wil je meer?”

»Met je getrouwd! Heb jij dat dan niet gewild.”

»Geen oogenblik, ik kende je niet.”

»En weet je dan niet meer, hoe wij vroeger samen speelden, hoe je ziek bent geweest en ik je altijd voorlas, is ’t niet omdat je nog aan dat alles dacht, dat je mij ten huwelijk hebt gevraagd?”

»Ik heb je niet ten huwelijk gevraagd!”

»Wie deed het dan?”

»Cor, wie anders, Cor doet alles en papa ziet haar naar de oogen. Zij heeft op een goeden dag gezegd, Conrad moet trouwen, ik weet een goede vrouw voor hem, mijn nicht!”

»En heb jij toen dadelijk toegestemd?”

»Volstrekt niet, ik wilde nog niet trouwen en al zou ik het willen, dan nog bedankte ik er voor een meisje te nemen, dat Cor voor mij had uitgezocht, dat, dat… maar ze hebben mij gedwongen.”

En zijn hoofd in de handen verbergend, barstte hij in een luid snikken los.

»We mogen hier niets zijn dan poppen, eerst hebben ze mij belet officier te worden en nu… ben ik zoo ongelukkig,” jammerde hij. [64]

»Meen je dat ik het niet ben?” vroeg Hermelijn op bijna onhoorbaren toon; zij huiverde en sloot de oogen; het was of zij zich op een helling bevond, die recht naar een afgrond voerde en of er niets meer te doen was dan zich te laten afglijden in den stikduisteren, eeuwigen nacht.

»Ik kan het niet helpen!” mompelde hij.

»Maar waarom je laten dwingen, Conrad, waarom mij bedrogen, ik vertrouwde zoo op de liefde, die uit je brieven sprak.”

»Welke brieven?”

»De uwe.”

»Ik schreef geen brieven aan je.”

’t Was of het nog donkerder om haar heen werd; zij bracht de hand aan de ooren en aan de oogen, als wilde zij de vreeselijke verwoesting van haar jeugdig leven niet hooren of aanschouwen.

»Maar wie schreef ze dan?” vroeg zij bevend.

»Weet ik het? Zij zelf misschien.”

»Corona! O God, ’t is ongehoord, maar dan zijn we niet getrouwd, Conrad, we kunnen nog vrij worden.”

»Neen, ik heb het stuk immers geteekend, we zijn vastgeketend voor altijd.”

»O, dat het kort moge wezen! Schande, schande, eeuwige schande… Waarom juist mij?”

»Je bent een nicht van Corona! Zij wilde je volstrekt bij zich hebben, ze wilde in de eerste plaats haar familie bevoordeelen, en al mijn broers en zusters, behalve Kitty, zijn getrouwd, omdat zij het wilde, August zelfs en toen was zij pas zestien jaar; zij heeft mijn arme mama verdriet gedaan tot zij gestorven is en zij heeft ook Kitty bijna vermoord, omdat zij Portias heeft getrouwd en niet den akeligen resident, dien zij zelf niet hebben wou. Zij is een monster!”

»Maar waarom ben je ook niet flink geweest.”

»Omdat.… omdat.… ik kan ’t niet zeggen! Maar ik mocht niet anders handelen, en ik had vroeger gezworen, dat ze mij nooit een vrouw zou opdringen en nu ben ik er ’t ergste aan toe. Ik haat je, zooals ik Corona haat, en ik kan niet anders handelen; al wil je ’t ook alles vertellen aan haar, ik geef er niets om! Ga gerust, zoek bescherming bij papa of bij haar, dan zal ik weggaan, al moest ik ook soldaat worden; ik had het zeker gedaan, maar die arme, lieve Kitty!”

»Ik begrijp niet wat Kitty en papa en Corona hier te maken hebben; wij zijn man en vrouw, daaraan kan niets veranderd worden, niets.”

»Neen, en daarom moet ik ook bij je blijven. Ik heb het beloofd, gisteren in de kerk, en vroeger aan papa, maar vriendelijk tegen je zijn, dat kan ik niet, want je lacht ons sinjo’s toch uit, je vindt mij een kwajongen; dat ik rijk ben is je genoeg. Corona [65]geeft je diamanten, wat zal ik je meer geven? Mijn naam, dien heb je, ik kan er niets aan doen, maar ik wil niets anders met je te maken hebben, niets!”

»Dat moet jij weten, maar ik heb me niets tegenover je te verwijten, Conrad. Ik dacht waarlijk, dat ik een goede, trouwe vrouw voor je mocht wezen, dat je het verlangde; nu is ’t anders uitgekomen; één ding alleen moet ik je verzoeken, laat niemand vermoeden wat er tusschen ons is voorgevallen.”

»Je zult toch alles aan Corona vertellen, dat begrijp ik wel, maar ik geef er niets om. Ik ben getrouwd en niemand zal iets te zeggen hebben in mijn huis, ik zal daarin handelen, zooals ik verkies.”

»Dan is er tenminste een zaak, waarover wij ’t eens zijn,” zeide Hermelijn kalm en waardig.

Hij zweeg en zag naar buiten, zij vouwde de handen en bad:

»Goede God, verlaat mij niet! Ik heb niemand meer op aarde, niemand dan mij zelf.”

Geen woord werd er meer gewisseld tot zij in Djantòng kwamen, een allerliefste, kleine woning, schilderachtig gelegen tusschen hoogopgaande tjamara1 boomen, in een verrukkelijk klein dal; waarvan men zich niet voorstellen kon, dat het op Java en niet in Zwitserland lag; de rieten gordijnen hingen omlaag; de trappen waren met uitgezochte bloemen voorzien, perken veelkleurig en bloeiend schitterden in de zonnestralen achter de loentasheg; alles was hier vereenigd om een paradijs te vormen voor een liefhebbend, gelukkig paar en die beide jonge menschen traden er binnen, met nog smartvoller bewustzijn dan gevangenen, die de cel ingaan, hun levenslang tot verblijf aangewezen.

Hermelijn trad het huis binnen, alles was even smaakvol en keurig ingericht, de meubeltjes waren van sierlijker en artistieker vorm dan men gewoonlijk in Indië ziet. Fraaie staalgravuren en busten versierden de muren. Overal waren bloemen en planten, aan alles scheen gedacht; al had Hermelijn zelf alles willen schikken, zij had niet beter haar eigen smaak kunnen treffen, maar nu zag zij niets; alles boezemde haar bitteren afkeer in, zij liep de eene kamer in, de andere uit, als in een droom. In de achtergalerij stond de tafel gedekt, een Javaansche vrouw begroette het jonge paar en legde de sleutels voor Hermelijn neer; zij nam ze werktuigelijk aan en zette zich op de canapé neer, wezenloos voor zich uitstarend; hij ging heen en weer, blijkbaar verlegen en besluiteloos.

»Conrad!” zeide zij eindelijk, »we moeten een besluit nemen; wij kunnen niets anders doen dan hier blijven; de wereld heeft niets te maken met hetgeen tusschen ons is voorgevallen. Ik wil [66]niet dat Corona vermoedt, hoe rampzalig zij mij gemaakt heeft; ik ben te trotsch om te klagen. Stel dus niet de geheele familie, die je houding tegenover mij gezien heeft, in de gelegenheid ons te bespotten, wij behoeven niet hartelijk te wezen in hun bijzijn, maar laten we dan ook geen vijanden schijnen.”

»Ik kan niet veinzen.”

»En ik verlang het, je bent het aan mij verplicht, aan mij, arm bedrogen meisje, dat op je liefde rekende en niets ontving dan de verzekering van je haat.”

Een onderdrukte snik ontsnapte haar.

»Verneder mij niet in het gezicht van anderen, dat vraag ik je alleen!”

»En zal je dan niemand iets zeggen, van hetgeen hier gebeurt?”

»Wat denk je van mij? Alles is heilig, wat in dit huis voorvalt en zelfs al zoudt je mij mishandelen, dan nog zou ik zeggen, dat het aan een ongeluk te wijten was en niet aan mijn man.”

»Dat zal ik nooit doen.”

»En beloof je mij, dat je voor de buitenwereld tegen mij zult wezen zoo als hier de mannen, op Portias na, tegen hun vrouwen zijn?”

»’t Is goed!”

»Ik dank er je voor.”

Het eten werd opgebracht; zwijgend trachtten zij eenige beten door de keel te krijgen; zoo was het eerste middagmaal, dat Hermelijn in haar huis met haar man gebruikte. Hoe heel anders had zij zich dat eerste samenzijn gedroomd, zelfs van morgen nog! Zij voelde zich diep vernederd, ellendig bedrogen en toch.… toch kon zij niet boos zijn op haar jongen echtgenoot, zij kon haar oogen niet afwenden van zijn mooi, donker golvend haar, van zijn gelaat, dat sprekend op Kitty geleek, van zijn levendige, gitzwarte oogen, die nu meer bedroefd dan boos voor zich uitstaarden, van zijn lippen, die zij nog niet had zien glimlachen, maar die dan zeker zijn gelaatsuitdrukking even aantrekkelijk zouden maken als die zijner zuster.

Had zij de neiging van haar hart gevolgd, zij zou hem de hand hebben toegestoken en gevraagd:

»Och Conrad, waartoe dient het zóó boos te zijn? Zou je dan niet kunnen beproeven van mij te houden? Ik verlang zoo je te kussen en door je gekust te worden?”

Maar haar fierheid belette haar een stap te doen, die wellicht tot nog meer verwijdering tusschen hen aanleiding zou geven. Zij dacht aan de ruwe wijze, waarop Conrad straks Kitty had afgeweerd, Kitty, die hij toch scheen te beminnen; als hij haar nu van zich stiet, wie weet of zij zelf dan geen afkeer van hem ging voelen. Neen, ’t was zoo beter!

Toen het schijnmaal afgeloopen was, stond zij op en begaf zich naar haar kamer; de baboe wachtte haar, Hermelijn kon zich [67]redelijk goed in ’t Maleisch uitdrukken, en zij liet zich alles door het meisje aanwijzen.

De kast was gevuld met de kleederen van mijnheer, en een volledig Indisch négligé van mevrouw, de toilettafel, versierd met witte en blauwe tulle, droeg een schat van odeurs en poeiers; de divans en stoelen waren met licht blauw cretonne overtrokken, alles even jeugdig, even frisch, even geurig.

Een verkwikkelijke koelte blies door de neergelaten jaloezieën, en voerde een sterke geur van kananga en patjar2 naar binnen, de tjemara’s wuifden zacht en vriendelijk hun pluimen, en de zon strooide schijven, groot als goudguldens, op den met fijne matten bedekten vloer.

Nadat Hermelijn zich in sarong en kabaja had gekleed, stuurde zij haar meisje weg en wierp zich op den divan neer met samengewrongen handen en bevende lippen.

Een gedachte vervolgde haar, aan de arme, bedrogen moeder van Thoren van Hagen, die ook zoo innig bemind had en toch tot stervens toe vernederd was.

»Zoo zal ’t gaan, ons lange leven door! We zijn beiden nog zoo jong! Sterven als zij, wellicht dat hij dan…”

Maar zij was te krachtig, te jong, te gezond van lichaam en geest om aan zelfmoord anders dan vluchtig te kunnen denken; haar sterke ziel, afkeerig van berusten, dorstte naar handeling.

Zij wilde iets hebben om zich in de toekomst aan vast te klampen, een hoop, hoe gering ook, moest in den donkeren nacht schitteren, dan kon zij worstelen tegen de golven, dan kon zij vooruitgaan en haar weg zoeken; niets gemakkelijker dan neer te zitten en zich te laten meeslepen door den stroom van haar droefheid; weenen als een kind, wat een zaligheid! maar het zou haar verzwakken en zij mocht niet zwak zijn, zij wilde sterk blijven, niemand het voorrecht gunnen van haar vernedering te aanschouwen, dat was er voor het oogenblik te doen en anders niets, niets!

En later!

Later: zij sidderde maar trad niet terug, zij wilde dat gevreesde later onbevreesd in het gelaat zien.

»We zijn nog zoo jong, en de toekomst is zoo lang. Ik heb hem lief ondanks alles, kan ik hem dan niet leeren mij ook te beminnen? Ik ben toch geen monster als Iteko. Simons, wien ik nooit iets anders zeide dan scherpe dingen, hield van mij en als ik mij er op toelegde Conrad’s hart te winnen, als ik hem eerst leerde mij te achten en dan lief te hebben, zouden we dan niet eenmaal gelukkig kunnen worden?”

Zij ging voor den spiegel staan en bond haar rijken haartooi los, die thans als een gouden helm ver over haar schouders reikte; [68]het Indische négligé kleedde haar even goed als Corona, zij miste de onbeholpenheid, welke andere Europeesche vrouwen nooit verlaat, en die hen belet met gratie dat kleed te dragen.

Voor ’t eerst bezag Hermelijn zich met het doel zichzelf schoon te vinden; zij had vroeger altijd zorg gedragen voor haar uiterlijk zonder ooit mee te doen aan de overdreven eischen der mode. De bekrompen leefwijze in haar vader’s gezin had haar steeds genoodzaakt veel te doen met weinig geld, haar aangeboren smaak bewees haar hierbij de beste diensten; wat zij ook aanhad, het stond haar mooi en zooals zij was, zoo vond zij zich goed zonder zich er ooit om te bekommeren, wat anderen van haar zeiden.

Nu echter bezag zij zichzelf met het zoekend oog van den strijder, die vóór den kamp zijn wapenen beproeft; zij liet haar blonde haren schitteren in de zonnestralen, zij streek de hand over haar huid om elke oneffenheid te verwijderen, zij beet zich de lippen, die er thans bleek en bestorven uitzagen, om ze frisch en rozig te maken; zij wreef haar wangen om er een blos op te voorschijn te roepen, zij welfde de wenkbrauwen en bezag haar fijne, witte handen.

»Ik ben de mooiste van alle schoondochters,” dacht zij; »maar foei! ’t Is schande, dat ik mijn lichamelijke gaven zoo hoog stel; die moeten het laatste middel zijn om hem te winnen. Hij moet eerbied krijgen voor mijn karakter, hij moet mijn hart leeren kennen en liefhebben.”

Zij knielde neer op den grond, niet op het sierlijk gothische prie-Dieu, dat Corona’s zorg ook niet had vergeten, en smeekte:

»Laat ons eens gelukkig worden, Vader in den hemel! ’t Is immers geen zonde te vragen dat te mogen zijn, wat mijn plicht gebiedt, een goede vrouw voor mijn armen, lieven Conrad.”

1 Een soort lorken (mélèzes.)↑

2 Indische bloemen.↑

[Inhoud]

XII.

Inhoudsopgave

De dagen kropen voor Hermelijn om; zoo zwaar had zij zich haar taak niet gedacht. Conrad ging zijn eigen weg; ’s morgens vroeg vertrok hij naar de koffietuinen, te paard of te voet, in het laatste geval met zijn geweer op schouder. Tegen etenstijd kwam hij t’huis, wierp zijn wild in de keuken en hield met de kokkie een conferentie over het behandelen daarvan, trad in de achtergalerij, waar Hermelijn zat te werken, zeide onveranderlijk zonder haar te noemen:

»Goeden dag”, waarop zij met een vriendelijk:

»Dag Conrad!” antwoordde.

Dan liet hij zijn bemorste schoenen of rijlaarzen door den knecht uittrekken, ging met zijn groote honden spelen om zich een houding [69]te geven, totdat het eten was opgediend, nam van alles zonder zijn vrouw iets aan te bieden, at zoo haastig mogelijk zijn bord leeg om haar verder alleen te laten en zich in zijn kamer op te sluiten.

Hermelijn sprak geen woord, zij ging kort daarop eveneens naar binnen, hetzij om huiswerk te doen, of om te lezen, want ook de bibliotheek in Djantong was rijk voorzien en met zorg gekozen.

In de eerste dagen had zij genoeg te doen met haar koffers uit te pakken en de duizend kleine nietigheden, waaraan haar hart hing, een plaats te geven; een bitter oogenblik was het, toen zij de geschenken uitpakte, welke zij met zooveel liefde voor Conrad had gemaakt. Maar zij wilde zich niet laten verteederen, zij pakte ze bij elkander en verborg ze in een der geheimste afdeelingen van haar kast.

Tegen vier uur was het theedrinkenstijd maar ook de thee moest zij alleen gebruiken; Conrad op bloote voeten, in een kort Chineesch buisje met pantalon van sarongstof, liep naar den stal, dresseerde de paarden, liet zijn honden apporteeren, en kleedde zich tot haar groote ergernis voor den middag niet beter. Zij ging zich baden en trok een harer liefste toiletten aan, dan zette zij met een boek in de hand zich in de voorgalerij op een wipstoeltje neer. Haar man vermeed haar zorgvuldig; zij wist niet waar hij bleef, totdat om zeven uur het avondeten werd voorgediend; dan zetten zij zich weer zwijgend tegenover elkaar; het was een zonderling contrast, zij keurig als een voor een feest gekleed vrouwtje, hij in zijn onbehoorlijk négligé.

Conrad’s oogen staarden grimmig voor zich uit; hij voelde zich niet op zijn gemak, hij had gaarne iets gezegd, maar deed het niet. Na het eten, nam hij een zaagmachine en ging aan het zagen van allerlei knutselarijen, altijd even zwijgend, even boos. Reeds den tweeden avond zette Hermelijn zich voor de piano en goot haar geheele ziel in de tonen over; zij weende en smeekte, zij bad en hoopte. Conrad luisterde soms met opgeheven hoofd maar dan flikkerde er een straal van toorn in zijn oogen en hij begon verwoed te werken en met zijn machine zulk een geweld te maken, dat het Hermelijn stellig zou gehinderd hebben wanneer zij niet zoo verdiept was geweest in haar spel. Eindelijk om tien uur verdween hij voor goed en Hermelijn trok haar mooie kleeren weer uit en voelde zich zoo eenzaam, zoo verlaten, dat zij al haar geestkracht noodig had om niet te bezwijken.

»Je moet niet denken, dat ik mij mooi zal gaan kleeden voor boomen en beesten,” snauwde hij haar eens toe.

»Dat moet je zelf weten Conrad. Ik kleed me zoo om mij zelf en om niemand anders.”

»Je bent even koket als je nicht.”

»Wanneer je dit koketterie noemt, dan zal ’t wel zoo wezen.” [70]

»En ik blijf zoo gekleed.”

In de verte hoorde men paardengetrappel; de huisjongen kwam binnen met het bericht dat toewan besaar1 en de nonna in aantocht waren.

»Zal je nu volgens onze afspraak je gaan kleeden, Conrad?” vroeg Hermelijn bedaard, »je begrijpt dat je mij geen grooter beleediging kunt doen dan je vader en zuster in zulk een toilet naast mij te ontvangen.”

»Trek je kabaja dan ook aan!”

»Dat ben ik ’s middags niet van plan ooit te doen. Denk aan onze afspraak!”

Conrad stond besluiteloos, maar hij bedacht zich na een poos en ging zwijgend heen.

Intusschen was een geheele cavalcade genaderd; aan het hoofd daarvan reed de oude heer de Géran, nog kaarsrecht en ridderlijk, zooals zijn vader de keizerlijke kolonel zeker eens vóór zijn regiment had gereden, naast hem Corona op haar sneeuwwit paard; zij droeg een donkerblauwe amazone en een hoed met lange afhangende veer; achter hem herkende Hermelijn Thoren van Hagen, Guillaume en Conrad’s jongeren broeder Philip.

Haar hart klopte van gemengde aandoeningen; zij was blijde menschenstemmen te hooren, bekende gezichten te zien na de doodsche stilte van haar bruidsdagen, maar zij schrikte terug voor een ontmoeting met de bewerkers van haar ongeluk, van Corona bovenal. Zij stapten af en Hermelijn ging hen met lachend gelaat tegemoet.

»Ik ben nieuwsgierig hoe dat veinzen mij afgaat,” dacht zij vol bitterheid.

De oude heer de Géran gaf haar een vaderlijken kus; terwijl hij haar eenigszins bezorgd aanzag.

»Gaat het goed, kind?” vroeg hij.

»O, zoo goed papa! Wat heeft u hier een heerlijk nestje voor ons gebouwd!”

»Zoo bevalt het je, wel dat doet me genoegen, en Conrad?”

»O Conrad, is zoo’n lieve jongen, hij is nog niet gekleed, verbeeld u eens!”

»En verwachtte je ons, dat je er zoo keurig uitziet.”

»Wel neen, maar Conrad wil me niet anders hebben.”

Corona had Thoren’s hand aangenomen bij het afstijgen, haar gelaat schitterde van vreugde toen zij Hermelijn hoorde spreken.

»Wel lief zusje, ben je tevreden?”

»O ik ben u zoo dankbaar voor de ontvangst mij bereid, ik begrijp het wel, alles heb ik u te danken; ik erken overal uw teedere zorg en ik weet niet hoe mijn erkentelijkheid uit te [71]drukken…” verzekerde zij op een toon, die Thoren van Hagen plotseling den schrik om het hart deed slaan.

Niemand anders vermoedde echter welke geheime beteekenis zij in die woorden legde; zij was geheel de beminnelijke, vroolijke gastvrouw, alleen voor hem, die haar goed kende, al te opgewonden om natuurlijk te zijn, maar voor anderen, die nog niets van haar wisten, opgewekt, en gelukkig zoo als elke jonge vrouw het in de schoonste dagen van haar leven is.

»Heb je de piano reeds geprobeerd?” vroeg Corona.

»O zeker, alle avonden breng ik er een paar genotvolle uren aan door.”

»En Conrad?”

»Ik heb hem nog niet gehoord.”

»Hij speelt toch heel goed.”

»Maar nu luistert hij liever,” merkte Thoren van Hagen op.

»Wij krijgen je toch ook te hooren, Hermelijn! Zondag kom je den heelen dag op ’t groote huis, dan is er zulk een drukte niet, want ze zijn allen weg op de muzikanten na.”

»Bedoel je Portias en Kitty?”

»Ja, hij heeft nog geen huis, zij wonen in een paviljoen op ons erf. We kunnen al die djankriks2 niet onderhouden.”

»Je hebt ook reeds zooveel te doen! Corona, ’t is geen wonder dat je er soms moe van wordt.”

»Och ja, maar ik doe het met genoegen.”

»O je dienstvaardigheid is boven allen lof verheven,” en zich tot haar schoonvader wendend, »wat mag ik u aanbieden, vindt u niet dat bij zulk een heugelijke gebeurtenis, als uw eerste bezoek ten huize van uw kinderen, de champagneflesch wel mag opengetrokken worden? Coen geeft me stellig gelijk.”

Zij riep den huisjongen en beval hem glazen en angor-poef3 te brengen; zij zag er vreemd uit, schooner dan ooit maar heel verschillend van vroeger; er lag een nieuwe uitdrukking op haar gelaat, men leert niet veinzen dan ten koste van zijn innigste, zijn heiligste gevoelens.

Het gezelschap was vroolijk; Guillaume, die veel levendiger was dan August, maar zooals alle Gérans er het zwijgen toedeed als vader en zuster dicht bij waren, ging zijn broer opzoeken. Philip speelde met de honden en Corona vroeg Hermelijn of zij dat en dat wel had opgemerkt, of zij die bloemen niet recht Europeesch vond en of het haar keuze van muziek was, die zij had getroffen, of de boeken haar bevielen en of de sarongs niet mooi gebatikt4 waren. [72]

»Ik vind alles even volmaakt, even mooi! Ik herhaal ’t je Corona, ik zelf had niet beter kunnen kiezen, o je bent de beste van alle zusters.”

»’t Doet me pleizier, dat je het erkent, Hermelijn; zoo velen zijn er, die mij niet verstaan, die mij bedoelingen toeschrijven, welke mij altijd zijn vreemd geweest, en ik verzeker ’t je nogmaals, ik heb nooit iets anders op ’t oog, dan het geluk van hen, die me lief zijn.”

»Zeker en daarom heeft u mij ook dit waarlijk éénige lot bereid!”

Geen woord van haar ontsnapte Thoren van Hagen ofschoon hij schijnbaar een druk gesprek met den ouden heer voerde.

»Ik hoop dat je er eens voor beloond zult worden, zooals je ’t verdient,” vervolgde zij, en de vriend harer jeugd brak plotseling zijn eigen woorden af en zag haar aan op eene wijze, die haar door de ziel sneed en bijna de zoo moeilijk veroverde zelfbeheersching deed verliezen.

Maar de angor-poef werd binnengebracht en Hermelijn begon haar huisvrouwelijke plichten te vervullen.

»Nog een oogenblik, we wachten onzen gastheer,” verzocht zij. »Hij maakt groot toilet, naar ’t schijnt!”

Corona wiegelde zich in haar schommelstoel op en neer en tikte werktuigelijk met de punt van haar rijzweepje op den ruigen kop van Matjan, haar forschen Terre-Neuve, die zich niet wilde ophouden met de hazewinden van Conrad; een vergenoegd lachje speelde om haar lippen en blijkbaar vermoedde zij niet in de verste verte, den verborgen zin van Hermelijn’s woorden en haar werkelijke stemming.

»We hebben gister een séance littéraire of liever ethnographique van mijnheer Thoren van Hagen gehad,” zeide zij tot Hermelijn. »Hij heeft van zijn Noordpooltochten verhaald.”

»Is hij daar ook geweest?”

»Weet je dat niet? ’t Was heel interessant maar ik kan hem niet uitstaan,” en zij sloeg Matjan zoo hevig, dat hij het spel voor ernst beschouwde, opstond, den ruigen kop schudde en haar grimmig aanzag.

»Daar moet ge je aan wennen, Matjan,” zeide Corona lachend, »die ik liefheb, plaag ik het meeste.”

»Zei u me iets?” vroeg Thoren van Hagen nabij komend.

»U iets zeggen, wel neen, ik sprak met Matjan, hoe komt u er in ’s hemelsnaam aan?”

»Ik dacht dat u mij aankeek.”

»Ben ik niet vrij te zien, waarheen ik verkies?”

»Even vrij als ik om u te vragen, of u mij noodig heeft.”

Zij wendde het hoofd om en vroeg Hermelijn of ze samen naar binnen zouden gaan.

Juist kwam de heer des huizes, thans goed gekleed, naar buiten. [73]

»Ha, Conrad, wat heb je ons laten wachten,” verweet Hermelijn.

»Dag pa, dag Cor!” was de vrij koele begroeting die niemand echter vreemd scheen te vinden.

»Nu je hier bent om de eer van het huis op te houden, ga ik met Corona naar de piano zien. Straks zal je wel de angor-poef laten opentrekken, een alleraardigste klanknabootsende naam, vind je niet, Thoren? Angor-poef, die Javanen weten het wel, Conrad zal me Javaansch leeren, niet waar Coen.”

»De dispens is goed voorzien,” stotterde Conrad verlegen, om maar iets te zeggen.

»Eindelijk een woord van waardeering,” zeide Corona.

»O alles spreekt van Corona’s teedere zorgen. Ik weet niet hoe u uit te drukken, wat ik voor u voel,” sprak Hermelijn toen ze alleen waren, »zoo’n schitterende ontvangst, zulk een beeldig huisje, alles gevuld met nieuwe meubels, nieuwe kleeren, nieuwe eet- en drinkwaren. Hoe ondankbaar zou ik wezen als ik niet alles erkende.”

»Ik ben tweemaal naar Samarang geweest om alles te bestellen en te koopen,” verklaarde Corona, nog steeds onder den indruk van Hermelijn’s woorden, waarvan zij den eigenlijken zin nog niet vatte.

»Ik bewonder uw echt Europeeschen smaak.”

»Ja, ik haat alles wat inlandsch is. Maar Conrad, hoe is hij voor u?”

»Zooals ik het wenschen kan; voor onbescheiden oogen stroef en koel, maar als wij samen zijn, weet hij niet, hoe mij met liefkozingen te overladen; hij volgt mij met zijn attenties, meer dan ik had durven hopen zelfs na zijn hartelijke, lieve brieven.”

Corona was min of meer verbijsterd; de uitslag overtrof haar verwachting maar toch.… toch.…

»Wij beleven zulke heerlijke wittebroodsweken, we zijn zoo gelukkig,” en plotseling met het hoofd tegen de kast der piano vallend, begon zij zacht te schreien.

Niemand hoorde het dan Thoren van Hagen en Conrad, die plotseling zijn hoofd omwendde en naar binnen zag, maar dadelijk weer den blik met een onverschillige uitdrukking naar buiten richtte; Thoren stond echter op, als door een onweerstaanbare kracht gedreven en ging naar de binnenkamer.

»Scheelt u iets? Misschien ben ik onbescheiden uw vertrouwelijk samenzijn zoo te storen!”

»O neen Thoren, volstrekt niet!” zeide Hermelijn, met geweld haar tranen onderdrukkend, »ik schrei van aandoening, van geluk. Niet waar Corona, vertelde ik het je daar niet, hoe lief Conrad voor mij is, hoe gelukkig ik met hem ben, o zoo gelukkig! Als mijn vader eens den omvang kende van mijn geluk!”

Conrad zat te beven op zijn stoel, maar hardnekkig bleef hij volhouden niet naar binnen te zien. [74]

»U heeft er alle eer van, u, die het bewerkte, want zonder uw raad, heeft Conrad gezegd, zou hij de vriendin zijner jeugd niet het voorstel gedaan nebben, hem te zoeken ver over de zee. Laat ons naar voren gaan en dan drinken op het geluk van het bruidspaar!”

Zij streek met den zakdoek over de oogen en glimlachte weer. Corona was stil en in zich zelf gekeerd; zij twijfelde en voelde zich vreemd te moede; er was iets in Hermelijn’s uitbarsting, dat haar onnatuurlijk en zonderling voorkwam.

De champagne werd gedronken en Hermelijn lachte met het zonderlinge vuur in de oogen, dat Thoren van Hagen zoo somber stemde; hij sprak geen woord, hij, die anders zoo levendig kon zijn. Ook Corona was nadenkend; tegen zeven uur kwamen de paarden weer voor; de voorrijders hadden flambouwen in de hand, er werd afscheid genomen, Corona sloot haar schoonzuster hartelijk in de armen, zonder te bemerken hoe zij als van afschuw rilde onder die omhelzing; de heeren reden vooruit, zij bleef achter met Thoren.

»Hoe bevalt u uw zuster?” vroeg hij ernstig.

»O, zij is een snoesje.”

»Dat vraag ik u niet, ik wilde weten, hoe u denkt over haar… haar huwelijksgeluk.”

»Van drie dagen?”

»Van het begin hangt veel af.”

»Zij schijnt overgelukkig, een beetje zenuwachtig. Ik heb daar geen verstand van, ik ken geen zenuwen.”

»U heeft ze misschien nog niet gevoeld in uw kalm, gelukkig leven.”

»Kalm, gelukkig leven, hoe weet u dat?”

»Men is immers overeengekomen om het leven gelukkig te noemen dat kalm voortgaat en nergens tegenstand ontmoet. Ik wil niet zeggen dat dit nu juist mijn ideaal is, maar daarop komt het minder aan.”

»Het mijne is ’t evenmin, ik overwin graag bezwaren.”

»Ook ten koste van anderen?”

»Hoe bedoelt u dat?”

»Ik wilde niets anders zeggen, dan dat u zich dit genoegen niet mag gunnen, wanneer anderen voor uw overwonnen bezwaren moeten blijven staan. Het is u gelukt Hermelijn tot uw schoonzuster te maken, u verheugt zich over uw werk, maar vraagt niet, hoe zij er onder gestemd is?”

»Is alles dan niet goed?”

»Haar geheim is het mijne niet, en ik mis waarschijnlijk het recht om uit te spreken, wat zij met zooveel moeite wil verzwijgen maar het is toch beter dat u ’t weet: Hermelijn is diep ongelukkig, Conrad haat zijn vrouw, of hij haar waardig is kan ik niet beoordeelen, dat is aan u, maar ik dank den hemel, dat [75]ik de verantwoordelijkheid niet draag van zulk een koppeling.”

Corona zag hem met groote oogen aan, doch zij sprak geen woord; haar keel was als dichtgeschroefd.

»Wat moet ik doen?” vroeg zij eindelijk op doffen toon.

»U niet mengen in den strijd, welken zij te voeren heeft, misschien is er nog overwinning mogelijk.”

»Waarom houdt Conrad dan niet van haar? Zij is zoo lief, zoo goed, zoo geheel anders dan alle meisjes, die hij ooit gezien heeft.”

»Conrad heeft liever de bloem, die hij zelf koos, dan de diamant, die hem door een vreemde, misschien gehate hand, werd aangeboden.”

»Ik geloof u niet, ze zijn zeer gelukkig,” verzekerde zij.

»Zooals u wil,” antwoordde hij spottend.

Zij gaf haar paard de sporen en verliet Thoren’s zijde om naast haar vader voort te rijden. Later aan tafel was zij opvallend bleek.

»’t Gaat goed met de luidjes,” sprak de vader kennelijk tevreden, »ze zijn vroolijk en dol op mekaar.”

»Goddank,” zei Kitty op een toon van ware verlichting.

»Zou het stemmen zoo spoedig zijn gegaan?” vroeg Portias.

Er was slechts een klein gezelschap aan tafel; Portias en Thoren hadden een druk gesprek over kunst; de eerste dweepte met Wagner en zijn toekomstmuziek, de andere verklaarde nog liever de gamelang in het gebergte te hooren. Corona luisterde zwijgend, haar blik wendde zich niet af van Thoren, een zonderlinge uitdrukking lag om haar mond; soms drukte zij de lippen op elkander dan weer sloeg zij de oogen neer, een enkele keer verfde een blos haar wangen, het was toen Thoren van Hagen haar vroeg:

»Doet u niets aan de muziek?”

»Ja, ik bespeel de viool.”

»En u heeft ons nog geen proeve van uw talent gegeven.”

»Een zeer groot talent,” verzekerde Portias.

»Ik verlang geen complimenten van je,” zeide zij bits.

»Gelukkig dat ik dan de waarheid reeds gezegd heb,” antwoordde hij kalm.

»Mag ik zoo gelukkig zijn u van avond te hooren?” vroeg Thoren.

»Neen, van avond niet.”

»Ik ben erg nieuwsgierig het peil der muzikale ontwikkeling van onze nieuwe schoonzuster te leeren kennen,” hernam Portias.

»Ze komt Zondag niet waar, Cor?” vroeg Kitty.

»Ik verwacht ze tenminste.”

»O, ze zijn nog te druk aan hun wittebrood.”

»Niet ieder is zoo dwaas als jij en Kitty.”

»Ja, wij zijn echte kinderen van weelde; ons roggebrood is nog niet gebakken.”

»En hoelang is u getrouwd.” [76]

»Een jaar.”

»Dertien maanden,” verbeterde Kitty.

»En hoeveel dagen?” vroeg Cor spottend, »ik houd niet van menschen, die met hun geluk of ongeluk te koop loopen.”

»Ook niet van hen, die ’t omkeeren en zoo laten zien?”

»Ik kan geen raadsels oplossen. Is de post gekomen, papa? Mag ik eens kijken wat er is?”

Toen zij kort daarna alleen op haar kamer was, viel zij op den divan neer, haar handen op de knieën gevouwen, de oogen onbestemd voor zich uit starend.

Haar trouwe adjudant, Iteko, was haar gevolgd.

»Scheelt er iets aan, juffrouw?” vroeg zij.

»Iteko! Weet jij wat wroeging is?”

Een soort van lach sperde Iteko’s lippen open bijna tot aan de ooren.

»Gelooft u er aan?” vroeg zij.

»Ik heb er van gelezen, Macbeth, die den slaap vermoordde, vreeselijk! ’t Schijnt waar te kunnen zijn.”

»Maar lieve juffrouw, hoe kan u daarvoor vreezen?”

»Iteko, ik wil je geen verwijten doen, hoewel je me altijd gezegd hebt dat ik een goed werk deed door Conrad tot man te geven aan mijn nichtje.”

»En zou ’t dat niet wezen?”

»Ik weet het niet, ze was zoo vreemd, zoo opgewonden. Ik had gehoopt in haar een vergoeding te vinden voor die dwaze Kitty, die mij verraden en verlaten heeft om dien kwast. Hermelijn is allerliefst tegen mij en toch, ’t is of ik liever de bitterste verwijten hoorde dan dien blik van haar te ontmoeten.”

»Heeft mijnheer van Hagen u iets gezegd?”

»Hoe kom je daaraan!”

»Ik weet het zelf niet, ik geloof, dat hij doodelijk van u is.” Corona barstte in een valschen schaterlach uit.

»Iteko, Iteko, als een ander dat zei, ik zou hem vragen, of hij mij bespotten of beleedigen wilde. Hij heeft me niets anders dan onaangenaamheden gezegd.”

En plotseling begon zij luid te snikken; Iteko, die zulke vlagen van haar meesteres kende, ging aan de tafel zitten, waarboven een lamp brandde en begon bedaard te schrijven, na de deuren gesloten te hebben.

Corona schreide eenige minuten achter elkaar, met de heftigheid, die zij in al haar handelingen legde; ’t scheen echter dat de aanval langer duurde, dan Iteko gewoon was. Zij vroeg haar tenminste:

»Wil u drinken?”

Corona antwoordde niet en ging voort met snikken; langzamerhand begon het zachter en bedaarder te worden, totdat zij eindelijk geheel stilhield. [77]

»Zie zoo, dat heeft me goed gedaan! Ik was zoo bang dat de bui aan tafel zou beginnen,” sprak zij, »niemand dan jij, Iteko, vermoedt hoe zwak en meisjesachtig ik soms kan zijn. Geef me een glas limonade.”

»Hij sprak van zenuwen,” ging zij na een oogenblik voort »zouden dit zenuwen zijn? Ik zal papa verzoeken hem weg te laten gaan. Ik vrees hem!”

»Daar heeft u groot gelijk in, u moet op uw hoede zijn voor dien man.”

»Waarom?”

»Ik weet het zelf niet, maar ik voel, dat hij u ongeluk zal aanbrengen.”

»Foei Iteko, je hebt mij altijd om mijn Indisch bijgeloof uitgelachen! Verbeeld je, dat hij me eens zoo had hooren aangaan, hij had gedacht dat het om hem was, en je weet zelf, dat ik zoo schrei alleen omdat ik niet anders kan, omdat het mij oplucht.”

1 De groote (oude) heer.↑

2 Sprinkhanen.↑

3 Champagne.↑

4 Beschilderd.↑

[Inhoud]

XIII.

Inhoudsopgave

Nadat het gezelschap vertrokken was, bleven Conrad en Hermelijn alleen tegenover elkander.

»Ik kan niet komedie spelen zooals jij,” sprak hij barsch.

»Ik moet zooveel, wat ik niet kon,” antwoordde zij.

»Maar begrijp je dan niet, hoe ik hun gelijk geef, hoe zij zich zullen verheugen omdat alles zoo goed is gegaan, omdat ik mij in mijn lot geschikt heb?”

»En dus, daar mijnheer Conrad zoo zwak is geweest een stuk te teekenen, dat een huwelijks-contract heette, moest ik aan hem opgeofferd worden, moest ik voor de geheele familie de Géran mij laten behandelen als een verstooten vrouw, moest men mij beklagen, moest ik door ieder besproken worden? Neen, er is geen middenweg, je dient mij in hun bijzijn te behandelen als je vrouw, niet hartelijk, dat is hier niet noodig, maar tenminste mij niet beleedigen, zooals je op de heele reis hebt gedaan, of ik ga naar je vader en zeg hem, dat ik weiger met je onder één dak te leven, dat ik bedrogen ben door valsche brieven. Hij is een man van eer, aan dat bedrog heeft hij stellig geen schuld; mocht ik bij hem geen bescherming vinden, dan ga ik naar Samarang en klaag je allen aan!”

»Voor mijn part kan je dat doen. Zij hebben het spel doorgedreven, de gevolgen zullen zij dragen.”

»Maar je hebt je toestemming gegeven, dat wascht het water der zee niet af.”

»Men heeft mij die afgedwongen.” [78]

»Zoo iets laat men zich niet afdwingen. De familie de Géran heet over geheel Java hoogst achtenswaardig en nobel, gehecht aan den godsdienst van hun adellijke voorouders, maar ik noem de dingen, die bij hen voorvallen, schandelijk en misdadig. En jij bent de schuldigste, Conrad!”

»Ik?”

»Ja! Je hebt mij je naam gegeven en nu weiger je mij je liefde, je vertrouwen; je zoudt het liefst mij willen verjagen uit je huis, mij mishandelen om je haat aan Corona bot te vieren, waarom mij dan getrouwd?”

»Omdat, omdat ik medelijden had met Kitty.”

»Met Kitty?”

»Kitty wilde trouwen met Portias; zij was met hem gevlucht, omdat Papa zijn toestemming niet mocht geven; maar zij hebben hen achterhaald en toen werd zij opgesloten in haar kamer en nadat ik maanden lang had geweigerd om Corona’s wil te doen, heb ik eindelijk »ja” gezegd, op die voorwaarde alleen wilde Corona Papa verzoeken hun huwelijk toe te staan.”

»Dus ik ben opgeofferd aan je broederliefde, ik die droomde van je trouwe herinnering aan mij, ik die zooveel illusiën had, maar ik zoek niet beklaagd te worden. Zeg me alleen wat je vader weet.”

»Hij weet niets en hij mag het nooit weten! Hij weet niets van Kitty’s misstap, als hij ’t wist, en daarom… daarom wil ik dat je het verzwijgt.”

»Alweer uit liefde voor je zuster! En denk je dan niet Conrad, hoe ongelukkig ik ben?”

»Ongelukkig? en je hebt Corona zoo lief, en ze gaf je diamanten en zoo’n mooi huis en alles wat er in is. Paarden, rijtuigen, geen van ons allen heeft zooveel gekregen.”

»Ik veracht haar.”

»Ik geloof je toch niet. Je houdt niet van de Indischen, mijn moeder was een Nonna, geen Hollandsche als die van Corona; als je samen bent, lach je me uit.”

»Op zulke laffe beschuldigingen verwaardig ik mij niet te antwoorden, dus je kiest mijn eerste voorstel.”

»Ja, om Kitty.”

»Natuurlijk, om wie anders! Laten we het leven dan maar in ’s hemelsnaam verder voortslepen. Goeden nacht, Conrad!”

Hij stond besluiteloos; het was of er een stem in zijn hart opkwam, die sprak van vergeven of liever van vergeten. Hij was jong en had goede oogen; hij zag genoeg welk mooi en bevallig vrouwtje hij het zijne noemen mocht maar toch kon hij ’t niet over zich verkrijgen haar een vriendelijk woord toe te voegen.

Het was hem niet mogelijk geweest Hermelijn anders dan onverschillig en onbeleefd te ontvangen, overtuigd als hij was dat zulk een houding Corona diep zou grieven; het liefst ware hij [79]weggevlucht, verre van daar, doch de gedachte aan Kitty en Portias weerhield hem; alles zou dan uitkomen door Corona’s verbittering.

Die vrees had hem zekere grenzen niet doen overschrijden; hij was in tweestrijd geweest tusschen zijn wensch om zijn zuster werkelijk te plagen en om aan den anderen kant haar toorn niet op te wekken, waarvan Kitty en Portias de slachtoffers zouden zijn.

Hij had het plan eenigen tijd voor het oog der wereld met Hermelijn vereenigd te blijven en dan de een of andere reden te zoeken om haar te kunnen verlaten en misschien van haar te scheiden.

In een opgewonden oogenblik, bezield door medelijden voor de troostelooze Kitty, die niets meer vreesde dan de verbittering van haar afwezigen, op het punt van grondbeginselen zoo strengen vader, had hij ja gezegd, maar dadelijk reeds had ’t hem berouwd en zijn doel was het thans die nicht van Corona te laten boeten voor den zedelijken dwang hem opgelegd.

Hermelijn’s houding boezemde hem ontzag in; hij voelde zich tegenover haar geheel als kwajongen en om dat bewustzijn van zich af te zetten, beproefde hij onbeleefd te zijn, maar het ging hem slecht af. Als hij half gekleed tegenover haar zat, was hij niet op zijn gemak, hij schaamde zich, vond dat hij een belachelijk figuur maakte en was op zich zelf vertoornd, daar hij dit meende. Nu voelde hij zich nog dieper ongelukkig dan ooit te voren en achtte het vreeselijk Corona te moeten doen gelooven dat hij zich naar haar wensch schikte, maar toch ’t was of het niet meer zou gaan, Hermelijn in tegenwoordigheid van anderen onbeleefd te behandelen.

Hij bleef alleen in de voorgalerij, er lag een boek op tafel, hij nam het op en zag het in; ’t was Fransch dat hij slecht verstond.

Hoe geleerd was zij toch, misschien nog geleerder dan Corona, die vier talen sprak en hij haatte geleerde vrouwen omdat hijzelf niet had mogen leeren. Kort was hij maar in Europa geweest, omdat Corona het lang genoeg vond; alles beredderde zij, alles! Wie verzekerde hem dat die twee zich niet met elkander over hem en over zijn domme broers en zusters vroolijk maakten!

Hij balde de vuisten en wipte in machtelooze woede op en neer.

»We zijn poppen, niets meer! Corona met haar nicht zullen ons samen regeeren; ’t is niets, ’t zal altijd vroeg genoeg zijn om dienst te nemen naar Atjeh; maar ik wil me niet laten beetnemen door die blonde Hollandsche! Als ik haar zin doe is het omdat ik ’t ook het beste vind. ’t Zal haar wat kunnen schelen hoe ik mij tegen haar gedraag, zij heeft haar mooie Fransche en Engelsche boeken, zij kan zingen en pianospelen, wat geeft het haar of ik stil en knorrig ben? Wanneer ik nog die mooie mijnheer [80]was, die haar zoo goed schijnt te kennen, dan was het nog iets, maar ik, wat ben ik naast die deftige dames met al hun geleerdheid? Een eenvoudig Indisch meisje zou ik duizendmaal liever hebben gehad als ik toch moest trouwen.”

Intusschen vond hij noch Poppie, noch Toetie naar zijn smaak en onder al zijn kennissen was er geen, die hij gaarne zijn vrouw had genoemd maar die Hermine in ’t geheel niet. Vroeger, in Holland, was zij wel aardig geweest, maar zijn herinnering daaraan scheen zoo flauw. Bij haar was zij levendig gebleven; de tijd, toen zij als ziekenoppasster had gespeeld, rekende in haar leven, bij hem waren de indrukken snel door andere verdrongen, en er bleef nu weinig meer van over.

Dat hij ’t blonde meisje eens lief had gevonden, kon mogelijk zijn, maar toen wist hij niet dat zij de nicht van Corona was of liever hij wist nog weinig van Corona af; haar trouwen was nog ver van haar lief vinden en zoo matte hij zijn gedachten af, terwijl Hermelijn ook slechts aan hem dacht en aan de treurige rol, die zij hier kwam spelen.

Een enkele lichtstraal ontdekte Hermelijn in haar duistere toekomst: Conrad had Kitty lief, Conrad was vatbaar voor teedere aandoeningen, voor zelfopofferende liefde; als hij haar eens leerde beminnen… mettertijd, zooals Portias zeide.

Wat zij het meeste vreesde, zou zijn te moeten erkennen dat Conrad een onbeduidende knaap was, haar liefde geheel onwaardig; met die erkenning zou alles onherstelbaar verloren zijn, maar zoolang zij hem nog bleef liefhebben, zoolang zij in haar hart nog belang kon stellen in den onbuigzamer, wilden jongen, zoo lang was alle hoop niet verloren.

»Waar liefde is, daar blijft ook leven; ik wil strijden en ik zal overwinnen,” dit besloot zij vast.

Intusschen had hij het boek voor zich genomen en las.

Het waren verzen van Lamartine; slechts enkele woorden wist hij te vertalen; hij ging naar zijn kamer en haalde een versleten dictionnaire voor den dag, die ergens onder zijn weinige boeken stond.

Woord voor woord begon hij te zoeken, het vers scheen hem te boeien. »Bonaparte” was het gedicht waarop zijn aandacht viel. Dat was niet flauw, dat sprak niet van liefde, en wat zijn vrouw kon lezen, dat wilde hij ook verstaan.

»Waarom niet? Hij was niet dom zooals August en de kinderen van de laatste stiefmoeder; maar hij had niet geleerd, daar kwam zijn domheid vandaan; Cor vond het veel gemakkelijker als haar broers en zusters dom bleven, dan durfden zij haar niet tegenspreken.”

In alles zag hij haar werk en zoo zat nog midden in den nacht de jonge echtgenoot Fransche woorden te vertalen, en verheugde zich als hij een paar regels zonder dictionnaire kon lezen. [81]

Bonaparte was gelezen en nu vond hij een ander gedicht: »Le Lac”.

Dat had Kitty gezongen, hij herkende de woorden, dit was toch knap geweest; neen, hij begon pleizier in zich zelf en in zijn vorderingen te krijgen. ’t Ging goed, de avond was omgevlogen, als hij dit meer beproefde, dan behoefde hij zich tenminste in zijn gedachten niet beschaamd tegenover zijn vrouw te gevoelen.

Den volgenden morgen verscheen hij niet aan het ontbijt en ’t was voor Hermelijn een verlichting, zijn boos, zwijgend gelaat niet tegenover zich te hebben; haar plan was gevormd, zij wilde haar leven zoo bezig mogelijk inrichten om geen tijd tot veel nadenken te hebben.

Het opzicht over het kleine huishouden, de zorg voor haar bloemen en vogels, het maken van handwerken en vooral het lezen en de muziek vulden afwisselend haar dagen; zij ging haar weg en bekommerde zich volstrekt niet om Conrad. Hij bracht den morgen in de koffietuinen door, jaagde, en reed; wanneer het regende bleef hij t’huis zagen; lezen deed hij alleen, wanneer zijn vrouw naar haar kamer was; hij vreesde niets meer dan dat zij hem op zulk een misdaad betrappen zou, overigens legde hij haar niets in den weg; zij gingen bedaard naast elkander, de gedachten van den eene steeds met de andere vervuld en toch schijnbaar, als merkten zij niets van elkaars bestaan.

Toen het Zondag was, zeide Conrad ’s morgens:

»Wij moeten vandaag naar het groote huis!”

»Om hoe laat?”

»Om tien uur!”

»Ik zal klaar wezen.”

Zij kleedde zich met nog meer zorg dan anders, geheel in Europeesch wandeltoilet met een veeren toque op, een voilette vóór, glacé handschoenen en een licht manteltje om.

Natuurlijk was zij allerliefst, maar de uitdrukking in Conrad’s oogen werd er niet beter door; hij had zich ook op zijn Zondagsch gekleed en zooals zij daar in de voorgalerij gereed stonden om in het rijtuig te stappen, was er geen mooier, jeugdiger paar te denken, alleen zou men bij hem zoo gaarne dien geheimzinnigen gloed hebben gevonden, welken slechts de liefde kan geven en bij haar dien schalkschen, innig gelukkigen blik, bij de jonge bruid te voorschijn geroepen door de warmte, door dezen gloed uitgestraald.

Zij stapten in en reden altijd door zwijgend naar Ngaroengan. Toen zij daar aankwamen, waren Guillaume, zijn vrouw en een paar kinderen er ook; Portias en Kitty, verder het jongere geslacht, Corona en haar vader.

Het jonge paar werd met vreugde ontvangen, Hermelijn was vriendelijk, beleefd, opgeruimd, Conrad zooals men van hem gewoon was. Thoren van Hagen was uit rijden gegaan en nog niet terug. Met zekeren schroom naderde Corona haar schoonzuster. [82]

»Ben je nu kalmer?” vroeg zij.

»O ja, ik ben zoo kalm!”

»’t Doet mij genoegen; nu zal je ruim gelegenheid hebben met je nieuwe familie kennis te maken.”

»De kennis met de voornaamsten heb ik reeds gemaakt.”

»Wil je zeggen, dat aan de rest niet veel gelegen is! Je bent ondeugend, Hermelijn!”

»O neen! dat is mijn bedoeling niet. Ik ben overtuigd dat er een hemelsbreed verschil zal zijn tusschen de leden, die ik leerde kennen en de anderen, wier bestaan ik slechts vermoed!”

»Nu, dan zal je over dat verschil in persoon kunnen oordeelen. Zal ik je op de hoogte brengen van de exemplaren, die op het oogenblik hier zijn?”

»Zeer gaarne.”

»Daar heb je Guillaume, een vroolijke, luchthartige jongen, die niet boos kan zijn, niet koppig, niet lui is, niet liegt, een uitzondering in de Indische Maatschappij.”

»Een volmaaktheid?”

»Volmaaktheden kennen we hier niet, en niets is ook vervelender dan volmaaktheden; hij is nonchalant in de hoogste mate, lichtzinnig, droomt van dansen, feestvieren, als hij goed maar slordig gewerkt heeft; Toetie zijn vrouw is zijn tegenbeeld, een blonde nonna, wat ik afschuwelijk vind. Zie maar eens hoe hardgeel haar tint is en hoe die haren bijna dezelfde kleur hebben. Je zult altijd zacht, mooi vel houden Hermelijn, en je haren zijn te donker, te warm blond dan dat men ze niet van je huid zal kunnen onderscheiden. Toetie, of wil je liever Adolphine, is lastig van humeur, klaagt over alles, is bijna altijd ziek, heeft stoute kinderen, die de vader bederft, en die zij verwaarloost. De oudsten wonen hier, en deelen met hun kleine ooms en tantes de lessen van juffrouw Iteko, onder mijn toezicht.”

»Dus zijn ze slecht gepaard!”

»Ik weet het niet! Ze kunnen het met mekaar vinden.”

»Maar hoe?”

»Hoe!”

»Ga voort Corona, ga voort! Ik begrijp dat het kleinigheden zijn, waarmede uw machtige, veel omvattende geest zich niet kan bezig houden. Als u wist, hoe ik u bewonderde.”

»Ik wilde dat je mij liefhadt.”

»Liefde, och kom! Wat is liefde, een stemvork, zegt Portias.”

»Een flauwe aardigheid! Die man, Hermelijn, heeft de gave mij buiten mij zelf te brengen van ergernis, verbeeld je eens.… interesseert je die geschiedenis?”

»Boven alle beschrijving.”

»Nu dan, José Portias is van Spaansche of Portugeesche afkomst, hij gaf in Amsterdam muzieklessen voor ƒ1 per uur, ƒ1 denk eens aan, een gulden.” [83]

»Dat gaat nog al, dat is tegenwoordig zoo duur niet.…

»Wat duur! ’t Is belachelijk goedkoop, je ziet, wat een hongerlijder, een knoeier hij moet zijn; maar toch scheen hij nog geen lessen genoeg voor dat beetje geld te kunnen krijgen, of hij voerde iets minder moois uit, want hij nam dienst als militair. Door zijn vioolspel trok hij de aandacht te Samarang, maakte opgang, en werd door papa in staat gesteld zich vrij te koopen en daar ik mij gaarne wilde volmaken op de viool, verzocht papa hem te kwader ure hier te komen wonen, en de muzikale opleiding van de kolonie op zich te nemen. Dat is nu het verleden van dien heer.”

»Hij mag zich dus niet in uw gunst verheugen?”

»Hij? Ik veracht hem, dat insekt! Toen hij hier kwam was Dolly juist getrouwd; Kitty nog pas vijftien jaar. Ik hield veel van haar!”

Corona’s stem beefde een weinig.

»Ik dacht haar de beste van allen. Zij was jong en ziekelijk toen haar moeder stierf.”

»De moeder van Conrad?”

»Juist, ’t is moeilijk moeders en kinderen uit mekaar te houden, vind je niet? Maar met een beetje geheugen komt men er wel! Nu, ik gaf weinig om haar, misschien ben ik geen modelstiefdochter geweest, later heb ik haar eerst gewaardeerd toen ik mijn stiefmoeder No. 2 kreeg, een dwaas, onzinnig schepsel. Maar Hélène had mij de liefde van mijn vader ontstolen. O, ik was alles voor hem, hij alles voor mij, toen hij hertrouwde.”

»En hoe oud was u toen?”

»Nog geen zes jaar.”

»En reeds jaloersch op uw vader! Geen wonder dat u nu ieder overtreft, als u reeds zoo vroeg rijp was.”

»Ik ben nu ruim zes en twintig! Ik schaam mij niet mijn leeftijd te zeggen; voor mij is het geen schande zoo oud te zijn, wel voor de mannen, dat er onder hen geen is, dien ik waardig keur mijn meester te worden. Waarover spraken we ook? O ja, over Kitty’s moeder, zij stierf bij de geboorte van Margot.”

Corona zocht naar woorden, ’t scheen dat dit onderwerp haar moeite kostte om aan te roeren.

»Er is maar een ding, dat ik meer haat dan stiefmoeders, het zijn zwagers. Mijn stiefmoeder was dood en de vijfjarige Kitty werd mijn kind; ik was toen dertien en nog grooter dan Margot nu is, en had reeds twee huwelijksaanzoeken gehad. Alles had ik voor Kitty over; altijd waren we samen; ik heb haar alles geleerd wat zij kan, en zij is verreweg de meest ontwikkelde van allen; zij was dol op mij, nooit waren we gescheiden. Ik was misschien getrouwd indien het mij niet te veel had gekost haar te missen. Cor’s schaduw werd Kitty genoemd en nu… kan zij mij niets meer schelen, niets.” [84]

Zij sprak die laatste woorden sissend uit, haar oogen schoten vonken, haar handjes balden zich tot vuisten.

»Hoe is die groote liefde zoo in onverschilligheid veranderd?” vroeg Hermelijn, met iets spottends in de stem, dat Corona echter niet opmerkte.

»Portias kwam hier; hij logeerde in het paviljoen, waar ook Akkeveen had gelogeerd, mijn zusters hebben ’t op meesters voorzien, nu zullen er geen Ngaroengan meer betreden. Iteko moet die aspirant-zwagers vervangen.”

»En u behoeft in haar geen schoonzuster of stiefmoeder te vreezen?”

»Daarom heb ik ze gekozen. Ik heb een advertentie in de courant laten plaatsen. »Een gouvernante gevraagd, vereischten: zeer geleerd en buitengewoon leelijk.” Een enkele schreef er op en zij bezat die vereischten in de hoogste mate, maar ik dwaal telkens af. Portias gaf mij les en werd natuurlijk verliefd op mij. Bah, ’t is zoo afgezaagd, er kan hier geen meester, geen logé komen, of hij gaat heen, omdat hij zich aan mij declareerde, ’t is vervelend.”

Zij wrong haar zakdoek in elkaar en fronste de wenkbrauwen.

»Nu maak u zoo boos niet. Ik kan u toch niet beklagen.”

»Dat is trouwens niet noodig. Portias componeerde muziekstukken en droeg ze mij op, ik zong de wijs met de dwaaste woorden, toen sprak hij van zelfmoord en Kitty kreeg medelijden met hem; zij begon die mopjes voor hem te zingen en ik lachte, domoor die ik was; ik plaagde haar met Portias, eerst vond zij het aardig, later niet meer, zij werd stiller en nog veel hartelijker tegen mij dan anders en eindelijk kwam het hooge woord er uit: Portias had zijn liefde overgebracht op haar en ook zij beminde hem.”

»Wat zal dat kind een storm hebben doorstaan.”

»Ik was radeloos; nu vertellen die lafaards, dat ik Kitty wilde laten trouwen met den resident, maar dat is niet waar, ik trachtte zijn aanzoek te doen dienen als reddingsplank, want ik vond het idee van Kitty’s huwelijk reeds als kind vreeselijk. Toen de resident zag, dat ik niet te bewegen was hem te trouwen, verzocht hij mij een vrouw uit mijn hand.”

»Een bewijs voor uw roem als vrouwenzoekster.”

»Och ja, ik moest de jongens getrouwd krijgen zooals ik voor gouvernantes en gouverneurs zorgde. Liever gaf ik Kitty aan hem dan aan Portias, maar het hielp niets; zij stond tegen mij op, zij sprak bittere woorden tegen mij, haar moederlijke zuster; was dat niet hard, Hermelijn?”

»’t Gebeurt dagelijks.”

»’t Ergste kwam nog, Papa was naar Batavia voor drie maanden. Correspondentie met hem was niet te houden, op alle brieven antwoordde hij slechts met telegrammen; daarbij had ik de [85]zorg voor Kitty geheel op mij genomen, ik wilde Papa er niet over schrijven. Allen stonden aan haar zij; niemand mocht Portias lijden, zoolang hij mij het hof maakte, nu gaven allen hem en Kitty gelijk. Ik sloot haar op en op zekeren morgen was zij met hem verdwenen. Portias had haar geschaakt, Akkeveen vergezelde hen voor het fatsoen. Ik liet mijn paard zadelen en zette ze na, en vond ze in het logement van de hoofdplaats. Portias en Akkeveen namen een hoogen toon aan, maar ik bedreigde hen met de politie en maakte Kitty zoo bang, dat zij gewillig met mij terugging.”

»En toen heeft u uw toestemming gegeven?”

»Wat kon ik anders doen? Zij was gecompromitteerd en vader bleef nog afwezig.”

»Keurde hij hun huwelijk goed?”

»Wat ik goed vind, is hem uitstekend. Ik heb hem zelfs zijn derde vrouw aangewezen, toen ik ’t raadzaam achtte dat hij hertrouwde.”

»En zij is u tegengevallen?”

»Ja, zooals alle anderen; mijn beide schoonzusters zijn onbeduidendheden; Sophie, August’s vrouw kan heerlijk koken, goed naaien, goed huishouden. Ze eten het meest en verteren het minst maar overigens is zij een plant, August een etende steen, ze komen juist bij mekaar. Hun kinderen zijn mirakels van domheid; vijf zijn er nu hier. Dan heb je Akkeveen, een luie, lastige parvenu; toen hij nog onderwijzer was, vond ik hem een geschikt mensch, niet kwaad voor Dolly, die goed en vlug is, maar niet zoo graag studeerde als Kitty; hij zal haar nog veel kunnen leeren, dacht ik en werkte het huwelijk in de hand; nu is zij een arme tobster geworden, die dag en nacht met haar kinderen sjouwt, terwijl haar man niets doet dan rooken, slapen, brommen en mij tegenwerken. Je ziet, dat ik geen reden heb mij te verhoovaardigen over mijn omgeving.”

»Je hebt zooveel andere redenen om dat te doen, Corona!”

»Meen je dat? Tot nu toe geloofde ik, het op een aardige hoogte gebracht te hebben met de viool, maar weet je wat die onuitstaanbare aanmatigende vriend van je zei, nadat hij me gehoord had. »’t Is hoogst merkwaardig een vrouw zoo te hooren spelen.” Dus als het een man geweest ware, zou het middelmatig zijn. Ik spreek hem niet meer aan.”

»Daarom?”

»Niet juist daarom, maar omdat ik hem niet lijden mag. Ik wil voorzichtig tegenover dien man wezen. Kan je hem geen wenk geven om heen te gaan?”

»’t Is niet aan mij dat te doen. Ik heb hier niets te zeggen.”

»Wat, je hebt hier veel, zeer veel te zeggen. Jij bent de eenige schoonzuster, die ik onze familie waardig acht.”

»O, ik zal u nog meer tegenvallen dan de anderen; ik verdien zulk een eer niet.” [86]

»Van avond zullen we musiceeren; als die Thoren er maar niet was!”

»Hij zal zich wel laten hooren, hij speelt geniaal piano ofschoon hij ’t nooit leerde.”

»Hij doet alles geniaal, schijnt het. De broers noemen zijn schieten op jacht geniaal, papa roemt zijn algemeene kennis, zelfs van de cultures en ik vind zijn manier van doen geniaal pedant.”

Pulsuz fraqment bitdi.

3,80 ₼
Yaş həddi:
0+
Litresdə buraxılış tarixi:
16 yanvar 2025
Həcm:
560 səh. 1 illustrasiya
ISBN:
4064066404581
Naşir:
Müəllif hüququ sahibi:
Bookwire
Yükləmə formatı:

Oxşar kitablar